Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vaststelling van beleidsregels voor de uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2025 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2025 (Beleidsregels sociaal domein 2025)

gelezen het voorstel van;

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

 

overwegende dat,

 

het gewenst is om beleidsregels vast te stellen omtrent de uitleg van de volgende wettelijke voorschriften:

 

Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2025 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2025;

 

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

 

Beleidsregels sociaal domein 2025 van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk

Artikel 1. Ondersteuning uit het sociaal netwerk

Het betrekken van ondersteuning en/of jeugdhulp uit het sociale netwerk behoort tot de mogelijkheden. Het is daarbij wel van belang dat deze passend is. Er worden daarom een aantal voorwaarden gesteld alvorens dit wordt toegelaten:

  • er is sprake van boven-gebruikelijke zorg;

  • de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter of minimaal gelijkwaardig aan professionele ondersteuning;

  • de geboden ondersteuning en/of jeugdhulp is passend, adequaat en veilig;

  • de zorgverlener, die daarnaast ook gebruikelijke hulpverleent, heeft aangegeven dat de zorgverlening niet tot overbelasting leidt.

In aanvulling op het voorgaande, wordt inzet van het sociaal netwerk uit een persoonsgebonden budget in ieder geval aantoonbaar beter geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:

  • de ondersteuning en/of jeugdhulp is vooraf niet goed in te plannen;

  • de ondersteuning en/of jeugdhulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

  • de ondersteuning en/of jeugdhulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

  • de ondersteuning en/of jeugdhulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

  • de ondersteuning en/of jeugdhulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

  • de ondersteuning en/of jeugdhulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie hij vertrouwd is en goed contact heeft.

Artikel 2. Beheer van het persoonsgebonden budget

Om na te gaan of de cliënt of diens (wettelijk) vertegenwoordiger op verantwoorde wijze met het persoonsgebonden budget om kan gaan, wordt de bekwaamheid van de cliënt of diens (wettelijk) vertegenwoordiger beoordeeld.

 

De beoordelingscriteria zijn:

  • is de cliënt – al dan niet met hulp uit het sociale netwerk of diens (wettelijk) vertegenwoordiger - in staat de eigen (gezins-)situatie te overzien, zelfstandig de zorg te kiezen, te regelen en aan te sturen;

  • is de cliënt of diens (wettelijk) vertegenwoordiger goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een persoonsgebonden budget;

  • is de cliënt of diens (wettelijk) vertegenwoordiger in staat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals het zoeken van een zorgverlener, het voeren van een sollicitatiegesprek, het laten opstellen van een correcte zorgovereenkomst, het bewaken van de kwaliteit en voortgang van de zorg en het aansturen en aanspreken van de zorgverlener op diens verplichtingen.

Degene die het onderzoek uit voert moet zich een oordeel vormen of de cliënt op eigen kracht de belangen kan waarderen. In het belang van het onderzoek houdt dit in dat de cliënt alleen, eventueel met iemand uit het sociale netwerk, een (wettelijk) vertegenwoordiger of een onafhankelijk cliëntondersteuner, wordt gesproken.

 

De mogelijke zorgverlener wordt in het stadium van het onderzoek naar aanleiding van de melding niet betrokken, tenzij dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. In beginsel komt de mogelijke zorgverlener in beeld nadat het ondersteuningsplan is opgesteld en het de gemotiveerde wens is van de cliënt of diens (wettelijk) vertegenwoordiger de verstrekking te laten plaatsvinden in de vorm van een persoonsgebonden budget.

 

Indien cliënt zich laat vertegenwoordigen geldt dat de persoon/organisatie die de cliënt vertegenwoordigt, niet tevens uitvoerder van de ondersteuning en/of jeugdhulp is die met het pgb wordt ingekocht, tenzij dit naar het oordeel van het college aanvaardbaar is.

Artikel 3. Voorwaarden inzet mantelzorg en algemene (voorliggende) voorzieningen

  • 1.

    Ondersteuning door een mantelzorger of vanuit het sociaal netwerk wordt slechts als toereikend aangemerkt indien:

    • a.

      deze op vrijwillige basis beschikbaar is;

    • b.

      de mantelzorger of betrokken persoon zich daartoe in staat acht;

    • c.

      de mantelzorger of betrokken persoon instemt met de inzet;

    • d.

      de hulp daadwerkelijk beschikbaar is;

    • e.

      de hulp vrijwillig wordt verleend; en

    • f.

      de hulp passend is bij de aard, omvang en duur van de ondersteuningsbehoefte.

  • 2.

    Algemeen toegankelijke of voorliggende voorzieningen worden slechts als passend aangemerkt indien:

    • a.

      deze in de individuele situatie van de inwoner adequaat zijn;

    • b.

      deze feitelijk toegankelijk zijn; en

    • c.

      deze de hulpvraag daadwerkelijk dekken.

Artikel 4. Persoonlijk plan inzet persoonsgebonden budget Sociaal Domein

Van een cliënt wordt verwacht dat die goed heeft nagedacht over de keuze voor de inzet van een persoonsgebonden budget. Dat wil zeggen niet alleen over de keuze zelf maar ook over de wijze waarop ondersteuning en/of jeugdhulp wordt verkregen en hoe kwaliteit wordt gewaarborgd. De cliënt moet daarom een plan indienen waarin de overwegingen zijn opgenomen. Het format van het plan is opgenomen in bijlage 1.

 

Bij de aanvraag wordt een plan overgelegd over de besteding van het persoonsgebonden budget en hoe deze toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning en/of jeugdhulp in te kopen. In dit plan worden de volgende zaken vastgelegd:

  • reden waarom een persoonsgebonden budget wordt gewenst (Wmo) dan wel waarom een verstrekking in natura niet passend is (Jeugdwet);

  • korte situatieschets;

  • de doelen en op welke manier deze bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat;

  • inhoud van de ondersteuning en/of jeugdhulp;

  • soort en omvang van de ondersteuning en/of jeugdhulp;

  • de ondersteuner, hulpverlener en/of zorgverlener die diensten verleent binnen de Jeugdwet en verbonden is aan een professionele organisatie dient een verklaring omtrent gedrag (VOG) te overleggen waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van de functie, dat hij ingezetene is van Nederland en beschikt over een BurgerServiceNummer.

Indien er sprake is van ondersteuning en/of jeugdhulp door een persoon uit het sociaal netwerk dient uit het plan te blijken dat deze in staat is de gevraagde ondersteuning en/of jeugdhulp gedurende de afgesproken periode te leveren en hoe, indien nodig, vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. Tevens dient deze persoon daarin aan te geven dat de ondersteuning en/of jeugdhulp aan de belanghebbende niet tot overbelasting leidt.

 

Indien binnen drie maanden na toekenning het persoonsgebonden budget niet wordt ingezet wordt het besluit tot toekenning ingetrokken, tenzij voor het niet inzetten van het toegekende budget gegronde redenen zijn.

 

Het tarief voor een persoonsgebonden budget is inclusief een aantal, eventueel, met het budget samenhangende kosten. Deze staan opgenomen in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2020 en de Verordening jeugdhulp Bodegraven-Reeuwijk 2020 en de toelichting daarop. Deze komen niet apart voor een budget in aanmerking.

 

Het tarief betreft een maximaal tarief van 100% van de tarieven in natura. Voor inzet van het sociaal netwerk is bij verordening een uitzondering gemaakt op het te hanteren tarief. De inwoner laat middels het plan zien welk tarief met de aanbieder is overeengekomen. De hoogte van het budget volgt dit tarief maar is op een maximum gesteld.

 

Voor het uitbetalen wordt aangesloten bij de voorwaarden van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) bij het betaalbaar stellen van een persoonsgebonden budget. Door het proces bij de SVB is het niet langer nodig dat de besteding van de genoemde budgetten achteraf wordt verantwoord en gecontroleerd. De SVB geeft aan dat zij vooralsnog alleen persoonsgebonden budgetten behandelen waar een arbeidsrelatie aan vast hangt. Bevoegdheden om éénmalige persoonsgebonden budgetten te behandelen mandateren zij sinds 1 januari 2015 aan de gemeenten.

Artikel 5. Beleid voor hulpmiddelen of woningaanpassingen en primaat van verhuizen

Het is de verantwoordelijkheid van de woningeigenaar dat een woning voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (voorheen Bouwbesluit). Voorafgaande op het verstrekken van woonvoorzieningen in het kader van de Wmo 2015 is de woningeigenaar zelf verantwoordelijk om de woning, die hier nog niet aan zou voldoen, hierop aan te passen. Kosten van aanpassing ten behoeve van het Besluit bouwwerken leefomgeving worden niet vergoed.

 

Bij het verlenen van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen of woningaanpassing gelden de volgende voorwaarden:

 

De voorziening wordt niet als algemeen gebruikelijk gezien (artikel 1 en artikel 8 lid 3 onder f van de verordening maatschappelijke ondersteuning Bodegraven-Reeuwijk 2025). Met betrekking tot een fiets met elektrische ondersteuning geldt dat deze in beginsel als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Ook wanneer het een jongere met een beperking in de leeftijd van 12 tot 16 jaar betreft. Het college is van mening dat een fiets dermate is ingeburgerd in het reguliere straatbeeld, ook waar het jongeren betreft die de fiets gebruiken voor het vervoer naar het voortgezet onderwijs, dat deze in zijn algemeenheid als een algemeen gebruikelijke voorziening moet worden gezien.

 

Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:

- niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

- daadwerkelijk beschikbaar is;

- een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en/of participatie in staat is;

- financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

 

Om te bepalen wat financieel draagbaar is met een inkomen op minimumniveau, wordt aangesloten bij de draagkrachtcriteria van de bijzondere bijstand.

 

Een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld het ouder worden en het kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen, gezinsuitbreiding of een jongvolwassene die zelfstandig gaat wonen) is voorzienbaar en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd.

  • De voorziening of aanpassing moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente en, indien van toepassing, aan het Nationaal Keurmerk Hulpmiddelen en/of komt voor op de lijsten van het TNO-keurmerk dan wel een gelijkwaardig keurmerk goedgekeurde hulpmiddelen.

  • In geval van een rolstoel- of vervoersmiddel wordt de voorziening ingekocht bij een leverancier die erkend is volgens de Erkenningsregeling Revalidatietechnisch Bedrijf en voldoet deze aan de eisen van de Revakeur.

  • De cliënt overlegt ten behoeve van de uitbetaling van het persoonsgebonden budget een originele nota waaruit de kosten blijken.

  • Bij aanpassing van de woning vraagt de client bij voorkeur drie, doch in ieder geval twee offertes op bij bedrijven die de aanpassing kunnen uitvoeren.

  • Als de kosten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen meer bedragen dan € 7.000,- geldt het primaat van verhuizen.

  • Alvorens het primaat toe te passen wordt een overweging gemaakt op de volgende aspecten:

    • De aanwezigheid van een passende woning/ huisvesting gelet op de huidige woningmarkt.

    • Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen.

    • De gezondheidssituatie van cliënt en huisgenoten.

    • De afstand tot voorzieningen waar cliënt gebruik van maakt.

    • De wil van cliënt om te gaan verhuizen.

    • De leeftijd van cliënt en huisgenoten.

    • In hoeverre is de huidige woning al aangepast?

    • De medisch aanvaardbare termijn.

    • Sociale omstandigheden.

    • Afstemming met andere voorzieningen.

    • Werksituatie.

    • Eventuele stijging in de woonlasten.

    • Is de huidige woning eigendom van cliënt?

  • De verhuiskostenvergoeding wordt betaald op het moment dat overschrijving in de gemeentelijke basisregistratie personen heeft plaats gevonden.

  • Het persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen wordt betaald aan de client dan wel op verzoek van de client aan de eigenaar van de woning na overlegging van de nota en bedraagt maximaal 100% van de goedgekeurde offertekosten. De uitbetaling van de vergoeding vindt plaats op basis van declaratie.

 

Artikel 6. Budget voor tegemoetkoming in de vervoerskosten

Het budget voor gebruik van een eigen auto wordt in twee gelijke delen halfjaarlijks vooraf verstrekt.

 

Het budget voor gebruik van een (rolstoel)taxi wordt betaalbaar gesteld na ontvangst van de originele nota. Het uit te keren bedrag kan, indien gewenst, direct worden overgemaakt aan het taxibedrijf. Declaraties kunnen maandelijks worden ingediend.

Artikel 7. Beleid auto-aanpassing

Wmo beleid voor autoaanpassingen is erop gericht inwoners met een beperking te helpen zelfstandig te blijven deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, wanneer collectief vervoer (zoals de regiotaxi) niet volstaat (bijvoorbeeld door specifieke psychische beperkingen, onvermogen van persoon of omgeving om een rolstoel naar de taxi te duwen of onvermogen om te wachten). De belangrijkste voorwaarde voor een auto-aanpassing zijn:

  • Een medisch adviseur of het CBR moet vaststellen dat er een medische noodzaak is voor de aanpassing;

  • De aanpassing is de goedkoopste, passende bijdrage aan het vervoersprobleem;

  • De inwoner moet in het bezit zijn van een auto, en deze moet technisch in staat zijn om de aanpassing voor tenminste 3 jaar te ondersteunen

De hoogte van een budget voor het aanpassen van een eigen auto wordt bepaald aan de hand van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. De uitbetaling van de auto-aanpassingen vindt plaats op basis van declaratie na afloop van de aanpassing.

 

Als er sprake is van aanpassingskosten van de eigen auto geldt als afschrijvingstermijn van de voorziening ten minste zeven jaar. De opties met betrekking tot de uitrusting van de auto, zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging en airco, alsmede de kosten verbonden aan het overzetten van eerder verstrekte overzetbare voorzieningen zijn van vergoeding uitgesloten.

Artikel 8. Beleid collectief vraagafhankelijk vervoer

Collectief vervoer bestaat uit een regiotaxipas waarmee tegen aangepast tarief maximaal 2000 kilometer of 500 zones openbaar vervoer kan worden gereisd.

 

Voor de sociaal begeleider van de gebruiker van het collectief vervoer gelden de volgende voorwaarden:

  • de sociaal begeleider mag geen Wmo-geïndiceerde voor vervoer zijn;

  • de sociaal begeleider dient zelfstandig te kunnen reizen en niet aan een rolstoel of scootmobiel gebonden te zijn;

  • er mag maximaal één sociaal begeleider per (enkele) rit meegaan;

  • de sociaal begeleider reist vanaf hetzelfde opstapadres naar dezelfde bestemming;

  • er mogen maximaal 20 enkele ritten per jaar worden gemaakt;

  • de rit van de sociaal begeleider wordt gelijktijdig geboekt met dezelfde reservering als de rit van de Wmo-pashouder.

De gebruiker van het collectief vervoer moet in staat zijn zelfstandig te reizen. Wanneer dit niet mogelijk is omdat medische handelingen tijdens de rit nodig (kunnen) zijn en/of sprake is gedragsproblematiek die tijdens de rit om aandacht vraagt en/of de gebruiker als gevolg van de beperking, naar het oordeel van de gemeente, een onvoldoende beoordelingsvermogen heeft om voor de eigen veiligheid zorg te dragen wordt de gebruiker in staat gesteld gebruik te maken van het collectief vervoer door reizen onder (medische) begeleiding te indiceren.

Artikel 9. Jeugdwet vervoer

De jeugdwet gaat uit van eigen kracht. Vervoer is een taak van de ouders van de jeugdige. Ook als dit meer van ouders vraagt dan wat er in de regel van ouders verwacht mag worden (bovengebruikelijke hulp). Als dit niet lukt door bijvoorbeeld werk, andere kinderen of overbelasting, moeten ouders zelf een oplossing zoeken. Dit kan bijvoorbeeld door te vragen of een oppas, buren, familie of vrijwilligers de jeugdige kunnen halen en brengen naar en van de locatie van de jeugdhulp.

 

Volgens de Jeugdwet is vervoer naar een locatie voor jeugdhulp mogelijk als er een medische noodzaak is of als er beperkingen zijn in de zelfredzaamheid. Dit betekent dat er geen vervoersvoorziening komt als er geen medische noodzaak is of als het vervoer vanuit eigen kracht kan worden gedaan.

Artikel 10. Vervoersvoorziening GGZ jeugd (op basis van zorgverzekeringswetrichtlijn)

  • Een jeugdige of de ouder van een jeugdige die in behandeling is bij een jeugd GGZ instelling kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening naar deze jeugd GGZ instelling, indien binnen een periode van 12 maanden minimaal 2.000 kilometer gereisd moet worden van en naar een specialistische behandeling in de specialistische GGZ en er niet een behandellocatie dichter in de buurt aanwezig is.

  • De gemeente kan het vervoer vergoeden naar het dichtstbijzijnd toegankelijk zorgaanbod tot een vastgesteld maximum, als de jeugdige of de ouder van de jeugdige bewust kiest voor een zorgaanbieder die verder weg is gevestigd waar er wel een vergelijkbaar zorgaanbod dichterbij beschikbaar is.

  • Een vervoersvoorziening kan, ter beoordeling van het college, bestaan uit een vergoeding van de vervoerskosten (eigen vervoer of openbaar vervoer) of een taxivoorziening gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening afgestemd op de situatie van de jeugdige.

  • De jeugdige of de ouder van de jeugdige dient via het sociaal team een onderbouwde aanvraag voor vervoer in. Daarbij dient deze aan te tonen dat voldaan wordt aan (medische) noodzaak, het afstandscriterium en het niet beschikbaar zijn van een behandellocatie in de buurt.

  • De kosten voor eigen vervoer en openbaar vervoer worden achteraf vergoed op basis van een declaratie, waarbij per reisbeweging de kilometers worden verantwoord of waarbij de reisbewijzen worden ingediend [gebruikelijk is 19 cent per km].

Artikel 11. Beleid voor het bepalen van de omvang hulp bij het huishouden

De omvang van de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld met toepassing van onderstaande tabel:

Activiteiten

Aantal minuten

Maximale frequentie

Toelichting

Broodmaaltijden bereiden

15 minuten

1 x per dag

Maaltijden koken

30 minuten

1 x per dag

Enkel in een huishouden met kleine kinderen

Licht en zwaar huishoudelijk werk

105 uur per jaar

nvt

Conform norm Utrecht wordt voor lichte en zware taken 105 uur per jaar verstrekt

Textielverzorging

60 minuten bij een eenpersoonshuishouden en 90 minuten bij een meerpersoonshuishouden

Verzorgen van kinderen

Maximaal 40 uur

Organisatie huishouden

60 minuten

Advies, instructie, aanleren

30 minuten

Maximaal 6 weken

Tijdelijkheid van belang

Psychosociale hulp

30 minuten

Algemene meerkosten

Aanwezigheid kinderen

15 minuten

Per kind van 6 jaar of jonger

Intensief gebruik of hoge vervuilingsgraad

60 minuten

Ook door ziekte (chemo, stoma etc.)

Specifieke problematiek

60 minuten

Ter opvang korting meest kwetsbaren

Voor lichte en zware taken wordt de norm van de gemeente Utrecht van 105 uren per jaar gevolgd, ook inhoudelijk met betrekking tot de werkzaamheden. De lokale vorm van inkoop maakt dat we niet met een jaarurennorm kunnen werken maar de norm van 105 uren per jaar vertalen naar een norm van 125 minuten per week.

 

Het is te allen tijde van belang om voor ogen te houden dat wordt gesproken van een kadering waarin ‘regulier toe te passen normen’ zijn verwoord. Met behulp van het individuele gesprek wordt een afweging gemaakt in relatie tot die normen. Individuele afwijkingen zijn altijd mogelijk, mits beargumenteerd vanuit de feitelijk geconstateerde noodzakelijk geachte aspecten.

 

Indien de ondersteuning en/of de jeugdhulp door een persoon uit het sociale netwerk wordt verleend zijn de ondersteuning en/of jeugdhulp beperkt tot die activiteiten die de gebruikelijke zorg overstijgen.

Artikel 12. Beleid gebruikelijke zorg en ernstige vervuiling bij hulp bij het huishouden

Van iedereen wordt verwacht dat deze bijdraagt aan het huishouden. Daar waar rollen veranderen is het aan de huisgenoten dit op te vangen. Gebruikelijke zorg heeft een verplichtend karakter. Zowel van volwassen als jonge huisgenoten wordt een bijdrage verlangd in het huishouden. Hierbij wordt wel rekening gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen.

 

Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:

  • Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden.

  • Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien).

  • Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).

  • Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

  • Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de cliënt uitvalt.

Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijk werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot verstrekking van hulp bij het huishouden. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie en werkzaamheden vormen in principe geen reden om van gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt/studeert zal naast zijn werk/studie het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken (bijv. inhuren particuliere hulp) zonder hiervoor een beroep te doen op de Wmo.

 

Uitzondering op toepassing gebruikelijke zorg

Er zijn situaties denkbaar waar gebruikelijke hulp niet geleverd kan worden. Bijvoorbeeld wanneer iemand vanwege werk langdurig van huis is. Dan is men feitelijk niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen en gebruikelijke hulp te bieden. Het gaat dan om afwezigheid met een verplichtend karakter. Te denken valt aan chauffeurs die op het buitenland rijden, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn en die door weigering van hulp indirect gedwongen worden een andere functie te zoeken. Wel kan verwacht worden dat de huisgenoot met zijn werkgever bespreekt welke mogelijkheden er zijn om toch de gebruikelijke hulp te kunnen leveren. Te denken valt bijvoorbeeld aan het opnemen van zorgverlof. In alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze, zal met de afwezigheid geen rekening worden gehouden. Dat zal per situatie beoordeeld worden.

 

Niet-inwonende kinderen vallen niet onder de definitie van huisgenoot. Natuurlijk kunnen zij als mantelzorger ook een helpende hand bieden. Per casus moet onderzocht worden of deze mantelzorg voldoende is voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn of in staat te zijn tot participatie.

 

Overbelasting

Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn door de zorg van de inwoner met een beperking, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. De overbelasting moet worden vastgesteld door de medisch adviseur. Van cliënt en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning van de cliëntondersteuner) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat -na een tijdelijke indicatie- ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langduriger hulp bij het huishouden worden ingezet.

 

Richtlijn bij (dreigende) overbelasting van partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoten

Soms is het bieden van hulp aan en zorgen voor een kind, partner of andere inwonende huisgenoot zo zwaar dat sprake is van overbelasting. Er is dan geen of beperkt evenwicht meer tussen draagkracht (=belastbaarheid) en draaglast (=belasting), vaak gekenmerkt door fysieke en/of psychische klachten van de huisgenoot. Vaak is het overnemen van de bovengebruikelijke zorg voldoende om dit evenwicht te herstellen, zodat deze gebruikelijke hulp geboden kan blijven worden. In de gevallen waar ook de gebruikelijke hulp door (dreigende) overbelasting niet of beperkt geboden kan worden kan deze gebruikelijk hulp volledig of deels geïndiceerd worden binnen de maatwerkvoorziening Wmo indien er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.

 

Beoordeling van overbelasting

De feitelijke situatie is het uitgangspunt bij het vaststellen of en in welke mate er gebruikelijke hulp geboden kan worden of dat er juist sprake is van (dreigende) overbelasting. De vraag is dus of in individuele situaties er sprake is van een uitzondering op grond waarvan toch gebruikelijke zorgtaken moeten worden overgenomen.

 

Factoren van belang voor het onderzoeken van de draagkracht zijn o.a.:

  • Persoonskenmerken van de huisgenoot

  • Lichamelijke en geestelijke conditie van de huisgenoot

  • Andere activiteiten van de huisgenoot

  • Wijze van omgaan met de problemen

  • Motivatie voor de hulptaak

  • Het sociaal netwerk

Factoren van belang voor het onderzoeken van de draaglast zijn o.a.:

  • Persoonskenmerken van de hulpvrager

  • Benodigde ondersteuningsintensiteit

  • Omvang en (on)planbaarheid van de taken

  • Ziektebeeld en prognose

  • Inzicht in het ziektebeeld van de hulpvrager

  • Woonsituatie

  • Bijkomende sociale, emotionele of relationele omstandigheden

Om deze factoren te kunnen onderzoeken moet vaak degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen zelf ook gehoord worden. Indien nodig kan ook medisch advies worden opgevraagd of kan toestemming gevraagd worden om contact op te nemen met de huisarts. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die iemand biedt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Er zijn landelijk diverse vragenlijsten beschikbaar, zoals EDIZ, EDIZ-plus, CRA-D en CSI die indien gewenst gebruikt kunnen worden om het onderzoek naar de belastbaarheid van de huisgenoot verder te onderbouwen. Een eventuele vragenlijst maakt altijd onderdeel uit van het brede onderzoek naar factoren die van belang zijn voor het bepalen van de draagkracht/draaglast.

 

Bij (dreigende) overbelasting wordt daarnaast in het onderzoek ook gekeken naar andere oplossingen die kunnen bijdragen aan het verbeteren van het evenwicht van de draagkracht/draaglast. Te denken valt aan ondersteuning door een vrijwilliger en coaching door een mantelzorgcoach maar ook aan het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk waardoor de belasting minder wordt. Er kan van de huisgenoot worden gevraagd aanpassingen te doen in dit huiselijk leven en/of werk wanneer dit huiselijk leven en/of werk bijdragen aan de overbelasting. Wanneer de geldigheidsduur van de indicatie verlopen is en een herindicatie wordt aangevraagd, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

 

Een maatwerkvoorziening ter vervanging van de gebruikelijke hulp van de overbelaste huisgenoot kan niet worden ingevuld door middel van een PGB dat vervolgens uitgevoerd wordt door de overbelaste huisgenoot of mantelzorger. Doel van de indicatie is immers het ontlasten van de huisgenoot door het door anderen laten uitvoeren van de gebruikelijke hulp. Daarnaast wordt ook onderzocht of de cliënt een indicatie voor Zvw-persoonlijke verzorging en verpleging heeft. Wanneer deze zorg door de partner, ouder, volwassen kind en/of andere huisgenoot zelf wordt geleverd via een PGB, kan dit een reden zijn voor (dreigende) overbelasting. De overbelasting kan in dit geval worden verminderd wanneer de mantelzorger in plaats van zelf de persoonlijke verzorging te leveren, deze inkoopt in de vorm van zorg in natura door een thuiszorgaanbieder. Deze oplossing is voorliggend aan een maatwerkvoorziening.

 

Richtlijn bij ernstige vervuiling

Het kan zijn dat er bij een inwoner sprake is van een dusdanig ernstig vervuild huis, dat er eerst een eenmalige schoonmaak moet worden ingezet voordat de huishoudelijke ondersteuning kan starten. Deze interventie valt niet onder de verantwoordelijkheden van de Wmo en dient bekostigd te worden door de inwoner zelf (of bijzondere bijstand, in bepaalde situaties). Wanneer er bij ernstig vervuilde woningen zorgen zijn over de (brand)veiligheid van de woning en/of gezondheid van de bewoner en de omgeving, dient dit te worden gemeld bij het GGD meldpunt Zorg en Overlast.

Artikel 13. Budget aanschaf sportvoorziening

Een sportvoorziening, bijvoorbeeld een sportrolstoel, kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van een inwoner. Het uitgangspunt hierbij is dat de inwoner zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening. Wanneer vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt, kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De financiële tegemoetkoming voor sportvoorzieningen is gemaximeerd en is opgenomen in het besluit. De financiële tegemoetkoming wordt maximaal eens in de drie jaar verstrekt, voor de aanschaf, het onderhoud en reparatie. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij het uitoefenen van een sport en zijn algemeen gebruikelijke kosten voor eigen rekening. Een voorbeeld hiervan zijn kosten voor lidmaatschap, vervoer naar de sportlocatie etc.

 

Het te behalen resultaat van budget is op maatschappelijke participatie. De volgende factoren worden daarom betrokken bij de afweging of een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt: op welke andere wijze de inwoner participeert en welke meerwaarde de sportactiviteit levert, of er een historie is met de betreffende sportactiviteit dan wel sport in zijn algemeenheid en of er sprake is van sporten in verenigd verband. Het kan daarbij gaan om sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging. Als de inwoner, naar het oordeel van de Wmo consulent, al in aanvaardbare mate participeert door bijvoorbeeld school, vrienden, werk of een andere vorm van dagbesteding, mag het college de maatwerkvoorziening ten behoeve van sportbeoefening weigeren

Artikel 14. Beleid hulphond

Een hulphond is een therapeutisch instrument en valt daarom niet onder de Wmo. Hiervoor kan een beroep worden gedaan op de Zorgverzekeringswet. Wanneer de kosten vanuit de Zvw niet worden vergoed en de ondersteuningsvraag niet met behandeling kan worden opgelost, kan in bijzondere situaties een uitzondering worden gemaakt. Uit onderzoek moet blijken dat de inzet van de hulphond minimaal:

een overwegend niet therapeutisch doel heeft;

een zeer belangrijke bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner;

een duurzame oplossing biedt voor een Wmo ondersteuningsvraag;

de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is (bijv. in vergelijking met het inzetten van individuele begeleiding).

Artikel 15. Intrekking oude beleidsregels

De beleidsregels sociaal domein 2023 worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregels in werking treden.

Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels sociaal domein 2025.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk in de vergadering van 31 maart 2026.

 

de secretaris,

K.M. Cornelissen

de burgemeester,

Drs. M.K.A. Grauss

Naar boven