Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Beleidsregels Inkomensvoorzieningen Participatiewet gemeente Aalsmeer.

Zaaknummer: Z26-014067

 

Burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer;

gelezen het advies van afdeling Werk & Inkomen van 9 april 2026;

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

besluiten vast te stellen de:

Beleidsregels Inkomensvoorzieningen Participatiewet gemeente Aalsmeer.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

  • 1.

    Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      belanghebbende: de persoon die recht heeft op een inkomensvoorziening;

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer;

    • c.

      inkomensvoorziening: een uitkering op grond van de Participatiewet of de IOAW of de IOAZ;

    • d.

      wet: de Participatiewet;

    • e.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in § 3.2 van de wet;

    • f.

      noodzakelijke kosten van het bestaan: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon;

    • g.

      IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • h.

      IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

    • i.

      jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

    • j.

      probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

    • k.

      schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

    • l.

      Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • m.

      zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

  • 2.

    Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in

    dezelfde betekenis als in de wet, de IOAW en de IOAZ.

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen inkomensvoorzieningen

Artikel 2 Opschorting, herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van een inkomens- voorziening

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten, herzien of intrekken van het toekenningbesluit bedoeld in artikel 54, eerste, derde en vierde lid van de wet en artikel 17, eerste, derde en vierde lid van de IOAW en de IOAZ.

  • 2.

    Het college kan op grond van dringende redenen afzien van het nemen van een opschortings-, herzienings- of intrekkingsbesluit.

Artikel 3 Verblijf in het buitenland

Op belanghebbenden met een IOAW- of IOAZ-uitkering wordt artikel 13, eerste lid, onderdeel e van de wet overeenkomstig toegepast.

Hoofdstuk 3 Bepaling waarschuwing bij schenden inlichtingenplicht

Artikel 4 Schriftelijke waarschuwing

Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het schenden van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 13 van de IOAW of IOAZ indien het schenden van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.

Hoofdstuk 4 Bepalingen vaststelling norm bij zakelijke relatie

Artikel 5 Zakelijke relatie verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger

  • 1.

    Belanghebbende toont een zakelijke relatie aan door middel van een schriftelijke overeenkomst, waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn, en waarbij een commerciële prijs is overeengekomen. Daarnaast toont de belanghebbende betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.

  • 2.

    De overeenkomst als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste de volgende onderdelen:

    • a.

      naam, adres en woonplaats van beide partijen;

    • b.

      aanduiding van de ruimte;

    • c.

      de ingangsdatum;

    • d.

      het overeengekomen bedrag, uitgesplitst naar huur en overige woonlasten zoals gas, water en elektra;

    • e.

      de wijze van betaling;

    • f.

      het betaalmoment van het overeengekomen bedrag;

    • g.

      de looptijd van de overeenkomst;

    • h.

      de jaarlijkse indexering, huurverhoging.

  • 3.

    Indien het een kostgever betreft dient de overeenkomst als bedoeld in het tweede lid de volgende aanvullende bepalingen te bevatten:

    • a.

      welke diensten de kostganger ontvangt en

    • b.

      welke ruimten hij mag gebruiken.

Artikel 6 Commerciële prijs

  • 1.

    Een huurprijs wordt commercieel geacht indien de hoogte gelijk of hoger is dan de minimale rekenhuur op grond van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Indien het een kostganger betreft wordt bij de (basis)huur als bedoeld in het eerste lid conform de normen van het Nibud een bedrag per maand opgeteld voor de kosten van voeding.

Artikel 7 Korting inkomsten bij huur of kostgeld

  • 1.

    Op grond van artikel 33, vierde lid van de Participatiewet worden de inkomsten uit ver huur in mindering gebracht onder aftrek van een vrij te laten bedrag voor energie en afschrijving van meubilair en dergelijke, gebaseerd op de normen van het Nibud per maand per verhuurde kamer.

  • 2.

    Indien de huurder een kostganger is wordt het bedrag in het eerste lid verhoogd met een bedrag voor voeding per kostganger dat gebaseerd is op de normen van het Nibud.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.

  • 4.

    De inkomsten uit verhuur zoals dat is geformaliseerd in het project ‘Onder de pannen’ en waarover met de Regenbooggroep afspraken zijn gemaakt worden niet in mindering gebracht.

Hoofdstuk 5 Bepalingen vaststelling norm bij ontbreken woonlasten.

Artikel 8 Verlaging van de bijstandsnorm

  • 1.

    Het college stelt de bijstandsnorm lager vast indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft of hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van:

    • a.

      bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden;

    • b.

      het niet aanhouden van een woning;

    • c.

      bewoning van een woning waaraan geen huurlasten zijn verbonden.

  • 2.

    De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:

    • a.

      20% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel a) en b)

    • b.

      15% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel c)

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.

Hoofdstuk 6 Beleidskeuzes naar aanleiding van de wetswijziging Participatiewet in balans

Artikel 9 Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • a.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten, inclusief medische kosten voor een huisdier;

  • c.

    giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • d.

    giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, maar die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;

  • e.

    andere, lokaal relevante categorieën giften.

Artikel 10 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste één van de volgende omstandigheden:

  • a.

    de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

  • b.

    de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

    • i.

      in een inrichting verbleven;

    • ii.

      opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

    • iii.

      bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

  • c.

    voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

  • d.

    de jongere een zorgbehoefte heeft;

  • e.

    de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • f.

    de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;

  • g.

    de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

  • h.

    jongeren met een vergelijkbare kwetsbaarheid waarvan redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij op korte termijn zelfstandig in staat zijn om werk of een opleiding te vinden.

Artikel 11 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • i.

        werkaanvaarding;

      • ii.

        een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;

      • iii.

        een verblijf buiten de gemeente.

  • 2.

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.

Artikel 12 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • i.

        de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • ii.

        de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

      • iii.

        een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • iv.

        een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

      • v.

        de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • vi.

        de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:

      • i.

        de belanghebbende heeft probleemschulden en / of betalingsachterstanden;

      • ii.

        na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende failliet verklaard;

      • iii.

        na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 13 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.

Artikel 14 Onvoorziene situaties

In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

Artikel 15 Intrekking

De Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Aalsmeer vastgesteld op 16 februari 2016 worden ingetrokken.

Artikel 16 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregels Inkomensvoorzieningen Participatiewet gemeente Aalsmeer en treden met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in werking op de dag na de bekendmaking.

  • 2.

    Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregels in werking zijn getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van 4 mei 2026.

De secretaris,

Petra Simonse

De voorzitter,

Guido Oude Kotte

Nota van toelichting

Algemene toelichting

De beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Aalsmeer zijn verzamel beleidsregels. Voor een aantal bevoegdheden uit de wet of de verordening stelt het college regels.

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:

  • i.

    vrijgelaten giften te verruimen;

  • ii.

    de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;

  • iii.

    bij het college berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,

  • iv.

    met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.

Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt daarenboven dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 11, derde lid, en 12, derde lid.

Artikelsgewijze toelichting

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

Artikel 1 Definities

In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.

Probleemschulden

In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:

‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’

Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.

Schuldregeling

Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.

Zoektermijn

Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet).

Artikel 2 Opschorting, herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening.

Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid van artikel 54 van de wet of artikel 17 van de IOAW of IOAZ het recht op bijstand op te schorten, te herzien of in te trekken. Binnen de Participatiewet kan het college het recht op uitkering opschorten voor een periode van maximaal 8 weken. Het college schort het recht op bijstand op indien belanghebbende de voor de bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien belang- hebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

Belanghebbende wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de opschorting en wordt uitgenodigd binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Indien belanghebbende zijn verplichtingen uit artikel 17, eerste lid van de wet (zijn

inlichtingen verplichting) of artikel 30c, tweede of derde lid van de Wet structuur

uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (inlichtingenverplichting of het leveren van

bewijstukken ten tijde van de aanvraag) niet of niet behoorlijk nakomt en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand herziet het college het rechtop bijstand of trekt het college het recht op bijstand in.

Indien belanghebbenden het verzuim niet herstelt binnen de door het college gestelde termijn, trekt het college het recht op bijstand in met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Artikel 4 Schriftelijke waarschuwing

Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 18a, vierde lid van de

Participatiewet om een schriftelijke waarschuwing te geven, indien het niet nakomen van de

inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag en er geen sprake is van

recidive.

Artikel 5 Zakelijke relatie verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger

Indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, is de woningdelersnorm van toepassing. Hierop is een uitzondering voor de persoon die als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. Hierbij gelden twee uitgangspunten:

  • a.

    er dient een schriftelijke overeenkomst te zijn, en

  • b.

    er dient een commerciële prijs betaald te worden.

In dit artikel wordt geregeld waaraan een overeenkomst dient te voldoen.

Artikel 6 Commerciële prijs

Commerciële huurprijs

Het bedrag van de commerciële ‘kale’ huurprijs is het bedrag van de basishuur, zoals omschreven in de wet op de Huurtoeslag. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen. Uit het feit dat de basishuur in de bijstandsnorm is begrepen, zijnde de norm voor de algemene noodzakelijke bestaanskosten, valt af te leiden dat het om een commerciële huur gaat.

Artikel 7 Korting inkomsten bij huur of kostgeld

Met behulp van de normen van het Nibud wordt een vrij te laten bedrag gehanteerd voor energie en afschrijving van meubilair en dergelijke.

Een kostganger is een soort huurder-plus. De prijs zou dus meer moeten bedragen dan de commerciële huurprijs. Er wordt namelijk ook nog een bedrag betaald voor gebruik van de maaltijden. Bij het berekenen van de commerciële prijs voor kostgangers is aangesloten bij normen die jaarlijks door het Nibud worden gepubliceerd.

Artikel 7 is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ. Op de uitkering op grond van de IOAW en IOAZ kunnen alleen inkomsten uit of in verband met arbeid in mindering worden gebracht.

Om een oplossing te bieden voor economische dakloosheid wordt in Aalsmeer door de Regenbooggroep het project onder de Pannen uitgevoerd. Het totaal bedrag van de inkomsten voor bijstandsgerechtigden worden niet in mindering gebracht op de uitkering.

Artikel 8 Verlaging van de bijstandsnorm

Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid van artikel 27 van de wet. Op grond van artikel 27 verlaagt het college de bijstandsnorm (van artikel 20 en 21 PW) met 20 % van het netto minimumloon (= de gehuwdennorm), indien er geen kosten aan het bewonen van de woning zijn verbonden of indien belanghebbende geen woonkosten heeft. Hierbij valt te denken bij het kraken van een woning. De verlaging bedraagt 15% van het netto inkomen.

minimumloon (= de gehuwdennorm), indien er wel kosten zijn verbonden aan het bewonen van de woning maar belanghebbende geen huurkosten heeft. Hierbij valt te denken aan de situatie dat een derde de huur van de woning betaalt.

De voor belanghebbende toepasselijke norm bevat een component voor woonkosten. Het is redelijk dat iemand zonder woonkosten een lagere uitkering ontvangt.

In dit artikel wordt niet de verlaging van de bijstandsnorm van artikel 22a PW

(kostendelersnorm) geregeld. Ook voor deze categorie is het redelijk dat iemand zonder woonkosten een lagere uitkering ontvangt. Deze verlaging vindt op grond van artikel 18 lid 1 PW plaats en dient individueel beoordeeld te worden.

Artikel 9 Vrijlaten van giften in individuele gevallen

In artikel 9 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).

Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.

In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.

Gemeenten die giften thans tot een hoger bedrag vrijlaten, staan voor de stap om hun beleid daarop aan te passen. Wel is voorstelbaar, dat tijdelijk een hoger bedrag wordt vrijgelaten, met een beroep op artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet. Het is immers aan het college om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om giften vrij te laten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.

Naast de categoriale vrijlatingsregeling kan het college verder invullen onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten.

Eerste lid

Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. Gaat het om giften in natura voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, dan kunnen die als besparingsbijdragen worden aangemerkt en moet beoordeeld te worden of deze leiden tot afstemming van de algemene bijstand. Andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden. In onderdeel d zijn daaraan grenzen gesteld. Voor deze giften wordt hetzelfde uitgangspunt gehanteerd zoals dat in de Participatiewet wordt gehanteerd voor de omgang met vermogen. In dit geval gaat het dan om giften die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn; In een toelichting heeft de VNG gewezen op artikel 34 lid 2 a waarin dit uitgangspunt is opgenomen ten aanzien van de omgang met vermogen. Het in bovenstaand artikel beschreven uitgangspunt wordt hier toegepast op de werkwijze rondom giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet. In onderdeel e wordt gedoeld op een bijdrage van organisaties zoals de Rotary, fundraising en vergelijkbare initiatieven.

Artikel 10 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.

Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:

‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’

Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.

Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.

In artikel 10 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.

Artikel 11 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:

‘1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.

2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’

Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.

Eerste lid

Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.

Tweede lid

Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.

Derde lid

De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de IOAW. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de IOAW. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de IOAW op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

Artikel 12 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:

‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

Met dit nieuwe lid (kanbepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

Eerste lid

In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:

1. De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.

2. De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.

De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.

Onderdeel a

Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.

Onderdeel b

Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.

Tweede lid

Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.

Derde lid

De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de IOAW. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de IOAW. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de IOAW op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.

Artikel 16 Inwerkingtreding en overgangsrecht

Tweede lid

Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.

Naar boven