Gemeenteblad van Hattem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hattem | Gemeenteblad 2026, 221863 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hattem | Gemeenteblad 2026, 221863 | beleidsregel |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem;
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2024;
overwegende, dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen over de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders omgaat met diens bevoegdheden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
besluit de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026 vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Sinds de komst van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 heeft de gemeentelijke overheid een andere rol: van zorgen vóór naar zorgen dat, ondersteunend en faciliterend. De overheid stelt haar inwoners in staat zo veel mogelijk de regie op het eigen leven te hebben en te behouden.
Meer verantwoordelijkheid voor de inwoner en meer regie betekent ook dat de gemeente zich niet langer boven de inwoner stelt, maar juist naast de inwoner gaat staan. Het is nadrukkelijk de intentie van het college van burgemeester en wethouders (hierna: college of de gemeente) om vanuit het Gesprek in goed overleg met de inwoner te zoeken naar oplossingen bij problemen die inwoners ervaren als het gaat om zelfredzaamheid en participatie.
Volgens de wet (artikel 1.1.1 eerste lid) is maatschappelijke ondersteuning:
Deze beleidsregels richten zich niet op de aspecten uit het eerste lid, maar beperken zich tot het tweede en derde lid. Zelfredzaamheid en participatie worden hierbij vertaalt in een aantal resultaten.
Resultaten ten behoeve van de inwoner:
Resultaten ten behoeve van de mantelzorger:
De begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en in lid 2 niet worden omschreven hebben de betekenis zoals omschreven in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2024 en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Hattem 2026.
In deze Beleidsregels wordt verstaan onder:
algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen zijn gefaciliteerd of geïnitieerd door het college. Gebruik ervan is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Gebruik door mantelzorgers is een mogelijkheid;
Beschermd Wonen: het verblijf in een accommodatie van een instelling, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij toezicht en begeleiding worden geboden gericht op zelfredzaamheid, participatie, stabilisatie en veiligheid van personen met psychische of psychosociale problemen die zich niet zelfstandig kunnen handhaven;
maatwerkvoorziening: voorziening afgestemd op de individuele omstandigheden, mogelijkheden en voorkeuren van de inwoner. Daarbij wordt rekening gehouden met persoonlijke behoeften en kenmerken, zodat ondersteuning bijdraagt aan het behoud van zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving. Inzet ervan kan ook gericht zijn op het ondersteunen of tijdelijk ontlasten van een mantelzorger bij (dreigende) overbelasting;
mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag
Dit hoofdstuk beschrijft de procedure die voorafgaat aan een eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening in het kader van de wet. De procedure begint wanneer de inwoner de gemeente om hulp vraagt, wat als melding wordt aangeduid. Deze melding vormt de aanleiding voor de gemeente om een onderzoek te starten.
De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen bestaan voor de hulpvraag waarvoor de inwoner geen maatwerkvoorziening van de gemeente nodig heeft. Als de inwoner akkoord gaat met deze alternatieve oplossingen, eindigt de procedure op dat moment. Het is ook mogelijk dat de inwoner na het onderzoek besluit een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening. In dit hoofdstuk worden de regels uiteengezet die van belang zijn voor zowel de melding als de aanvraag.
Als een inwoner behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning, kan hij of zij contact opnemen met het Wmo-team, onderdeel van loket 0-100. Dit eerste contact wordt binnen de Wmo een melding genoemd. Een melding kan op verschillende manieren worden gedaan: schriftelijk, telefonisch, digitaal of persoonlijk. Het loket legt de melding vast.
Soms vraagt een inwoner alleen om informatie of advies. Dit valt niet onder een melding in de zin van de Wmo. Pas als iemand aangeeft ondersteuning nodig te hebben bij zelfredzaamheid, participatie of het zich handhaven in de samenleving (betreft: beschermd wonen en opvang), spreken we van een melding.
2.2 Uitnodiging voor het Gesprek
Samen met de inwoner wordt een afspraak gepland voor het Gesprek, dat meestal bij de inwoner thuis plaatsvindt. De inwoner kan aangeven wie hij graag bij het gesprek aanwezig wil hebben; het loket vraagt daarbij expliciet naar mantelzorgers. Ook wordt de inwoner gewezen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen. De afspraak wordt schriftelijk bevestigd door het loket - dit geldt tevens als bevestiging van de melding.
Bij het plannen van het Gesprek nodigen we de inwoner uit om een persoonlijk plan op te stellen. Dit helpt om vooraf goed na te denken over de ervaren problemen en mogelijke oplossingen. In het persoonlijk plan beschrijft de inwoner welke belemmeringen hij of zij ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, en hoe deze volgens hem of haar het beste kunnen worden aangepakt.
Deze ondersteuning bestaat uit informatie, advies en begeleiding die gericht is op het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Cliëntondersteuning helpt ook bij het vinden van passende hulp op het gebied van onder andere zorg, welzijn, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. De ondersteuning gaat dus verder dan alleen de Wmo.
Het onderzoek naar de ondersteuningsvraag start met het Gesprek en moet zo snel mogelijk plaatsvinden, uiterlijk binnen zes weken. Na het Gesprek kan blijken dat nader onderzoek nodig is. In het geval dat dit nadere onderzoek niet binnen de termijn van zes weken lukt, dan kan deze termijn (alleen) in overleg met de inwoner worden verlengd.
3.1 Afwegingskader en stappenplan CRvB
Er is voor alle maatwerkvoorzieningen een gelijkluidend afwegingskader. Dit afwegingskader is een nadere uitwerking stap 4 van het stappenplan zoals opgesteld door de Centrale Raad van Beroep (CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Dit stappenplan is als volgt:
Stap 1: wat is de precieze hulpvraag
Stap 2: welke problemen doen zich voor bij de zelfredzaamheid en participatie
Stap 3: welke ondersteuning naar aard en omvang is nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid van de aanvrager
Stap 4: of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door anderen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp kunnen bieden
Stap 5: of er na bovengenoemde stappen nog iets te compenseren overblijft. Als dat het geval is zet het college een maatwerkvoorziening in.
3.2 Andere wetgeving (waaronder aanspraak op de Wet langdurige zorg)
Bij elke hulpvraag beoordeelt het college eerst of ondersteuning mogelijk is via andere wetgeving, zoals, maar niet uitsluitend, de Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Jeugdwet, Participatiewet of Wet op de kinderopvang. Deze wetten hebben elk hun eigen doel en regels. Als een passende oplossing binnen een andere wet beschikbaar is, wordt van de inwoner verwacht dat hij daar gebruik van maakt.
Onder eigen kracht worden de mogelijkheden verstaan die mensen hebben om hun leven zo in te richten dat zij hun problemen bij zelfredzaamheid of ondersteuning zelf verminderen of voorkomen. Voorbeelden:
Een inwoner die een beroep doet op begeleiding omdat er beperkingen zijn ten aanzien van het bijhouden en het nakomen van zijn of haar gemaakte afspraken, wordt allereerst verwezen naar een agendabeheersysteem op de eventueel aanwezige computer/laptop of naar een agenda-app zoals te downloaden via de eventueel in het bezit zijnde smartphone;
3.4 Gebruikelijke voorzieningen
Gebruikelijke voorzieningen zijn producten of diensten die algemeen beschikbaar zijn en bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Deze voorzieningen worden als normaal beschouwd binnen het dagelijks leven en vallen daarom niet onder de voorzieningen die via de Wmo worden verstrekt. Wat als ‘gebruikelijk’ wordt gezien, hangt af van maatschappelijke normen, jurisprudentie en actuele ontwikkelingen.
Gebruikelijke hulp betreft de normale, dagelijkse zorg die huisgenoten – zoals partners, ouders, inwonende kinderen en andere leden van het huishouden – geacht worden elkaar onderling te bieden. Dit betekent dat wanneer één van de huisgenoten tijdelijk of langdurig uitvalt, van de anderen verwacht wordt dat zij taken overnemen en ondersteuning bieden.
Gebruikelijke hulp geldt voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder, en in beperkte mate ook voor kinderen en jongeren onder de 18 jaar. De mate waarin hulp als gebruikelijk wordt beschouwd, hangt af van de aard van de sociale relatie: hoe hechter en intiemer de relatie, hoe meer hulp als vanzelfsprekend wordt gezien. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp wordt per situatie zorgvuldig gekeken of de betreffende huisgenoot daadwerkelijk in staat is om deze hulp te bieden. In uitzonderlijke gevallen, zoals bij een zeer korte levensverwachting, kan worden afgezien van het verlangen naar gebruikelijke hulp.
3.5.1 Gebruikelijke hulp bij huishoudelijke taken
Van partners, ouders en huisgenoten (18+) mag in principe worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of fulltime studie. Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan kinderen.
Wanneer een huisgenoot structureel enkele dagen of nachten afwezig is en daardoor de gebruikelijke hulp niet kan leveren, beoordeelt het college of ondersteuning noodzakelijk is. In dat geval kan ondersteuning worden ingezet voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer aanwezig is.
Van kinderen wordt in beperkte mate gebruikelijke hulp verwacht. Bij het beoordelen van hun bijdrage wordt zorgvuldig gekeken naar wat redelijk is op basis van hun leeftijd, ontwikkelingsfase en feitelijke mogelijkheden. Deze bijdragen worden gezien als onderdeel van de normale opvoeding en ontwikkeling, en vallen daarmee onder gebruikelijke hulp.
In de praktijk blijkt dit voor veel inwoners lastig. Daarom is het belangrijk dat de consulent van de gemeente de inwoner actief ondersteunt bij het verkennen van mogelijkheden binnen het eigen netwerk. Tijdens het onderzoek dat volgt op een melding, is het essentieel om hier expliciet aandacht aan te besteden.
Hoofdstuk 4 Algemene bepalingen maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als dit een passende oplossing is en als deze niet duurder dan nodig is. Een passende oplossing is als de voorziening voldoet aan de hulpvraag en toereikend is volgens objectieve criteria. Zijn er meerdere passende voorzieningen? Dan wordt gekozen voor de goedkoopste. De beoordeling gebeurt vanuit het perspectief van de gemeente.
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als iemand langdurig is aangewezen op een hulpmiddel, aanpassing of vorm van ondersteuning. Bij tijdelijke beperkingen is geen sprake van langdurige noodzaak en wordt geen maatwerkvoorziening toegekend. De verwachte eindsituatie moet vooraf duidelijk zijn om te kunnen bepalen of de voorziening passend is.
Een uitzondering kan gelden voor huishoudelijke hulp. Deze kan tijdelijk worden ingezet, bijvoorbeeld in een crisissituatie, zodat een huishouden ruimte krijgt om zaken te regelen. Ook als herstel of verbetering van de situatie te verwachten is, kunnen huishoudelijke hulp of begeleiding tijdelijk worden ingezet. Daarbij geldt dat het gebruik binnen afzienbare tijd kan worden beëindigd.
Bij begeleiding wordt langdurige noodzaak opgevat als langer dan drie maanden. Begeleiding die langer duurt dan drie maanden gaat vaak verder dan wat als gebruikelijke hulp wordt gezien. Bij hulpmiddelen wordt langdurige noodzaak in de regel opgevat als een gebruiksduur van langer dan zes maanden. Voor kortdurend gebruik kan een beroep worden gedaan op de uitleen via de thuiszorgwinkel op basis van de Zorgverzekeringswet.
De genoemde termijnen van drie en zes maanden zijn richtlijnen. In sommige situaties wordt daarvan afgeweken. Bij een inwoner in de laatste levensfase kan een maatwerkvoorziening toch worden toegekend, ook als het gebruik maar kort is. Is er sprake van een wisselend, maar blijvend patroon, dan geldt dat als langdurige noodzaak.
4.3 Inzet informele hulp niet altijd mogelijk
Bij sommige vormen van begeleiding en de integrale hersteltrajecten voor Beschermd Thuis is informele hulp niet mogelijk. In deze situaties is professionele inzet noodzakelijk. Het gaat dan om acute situaties of begeleiding met een hoge intensiteit, gericht op ontwikkeling. In zulke gevallen wordt formele hulp in natura ingezet, omdat de complexiteit en zwaarte van de ondersteuning dat vereisen.
4.4 Maatwerkvoorziening is op het individu gericht
Een maatwerkvoorziening is in de eerste plaats gericht op het individu. Dit houdt in dat de aanvraag altijd door één persoon wordt ingediend en dat de voorziening uitsluitend wordt toegekend voor deze specifieke aanvrager. Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de sociale situatie en leefomgeving, maar de voorziening blijft individueel van aard.
4.6 Geen dubbele verstrekking van maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening wordt niet opnieuw verstrekt als dezelfde voorziening al eerder is toegekend en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Alleen als de voorziening buiten de schuld van de aanvrager is verloren gegaan, kan een uitzondering worden gemaakt. Als een ander daarvoor verantwoordelijk is, kan die partij aansprakelijk worden gesteld.
Hoofdstuk 5 Regels persoonsgebonden budget
Een maatwerkvoorziening kan op verschillende manieren worden toegekend:
Dit hoofdstuk gaat over de regels voor het gebruik van een pgb. Dit is een aanvulling op de bepalingen van het pgb in de Nadere regels.
De gemeente toetst de pgb-vaardigheid aan de hand van 10 punten. Op de website van de rijksoverheid staat meer informatie over de pgb-vaardigheid in een zogeheten infographic (www.rijksoverheid.nl; zoek op: Infographic met toelichting - Checken 10 punten pgb-vaardigheid). Deze punten geven inzicht in het vermogen om:
6.2 Aanvullend afwegingskader begeleiding
Via SPOOR is er een dagelijks geopende inloopvoorziening waar iedereen welkom is voor een kop koffie, een praatje of hulp bij het invullen van formulieren. De organisatie richt zich op de thema’s signalering, ontmoeting, voorlichting en preventie en ontwikkelt hiervoor diverse activiteiten. Naast de inloop biedt SPOOR ook kortdurende, lichte individuele begeleiding en tijdelijke groepsgerichte dagbesteding om mensen extra ondersteuning te geven.
Het gaat bij begeleiding om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.
6.3 Individuele begeleiding en begeleiding groep
Begeleiding kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, zal vanzelfsprekend gekeken worden naar de goedkoopst adequate oplossing. Als beide vormen even goed werken, dan krijgt begeleiding groep de voorkeur. Zo kunnen meer mensen geholpen worden met het beschikbare geld.
6.4 Producten voor begeleiding
De gemeente Hattem heeft de maatwerkvoorzieningen voor begeleiding regionaal ingekocht. Onderdeel van de overeenkomst die hierbij is opgesteld, is het zorgproductenboek. In dit zorgproductenboek zijn de producten beschreven welke ingezet worden voor begeleiding. Het zorgproductenboek is te vinden op de website www.zorgregiomijov.nl.
6.6 Respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf
Daarnaast bieden veel zorgverzekeraars binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw) tegenwoordig ook mogelijkheden voor mantelzorgvervanging. Soms valt ook kortdurend verblijf hieronder. Als een inwoner een (aanvullende) verzekering heeft waarin deze mogelijkheid is opgenomen, wordt hij of zij gevraagd eerst deze optie te onderzoeken.
6.7 Afbakening begeleiding en persoonlijke verzorging
Persoonlijke verzorging (PV) valt onder de Zvw als er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg, of als er een groot risico is dat die zorg nodig wordt. Denk bijvoorbeeld aan ouderen die een verhoogd risico hebben om te vallen. In dat geval kan wijkverpleging via de basisverzekering worden ingezet. De wijkverpleegkundige is aan zet in de beoordeling hiervan.
Bij het bepalen van de aard en omvang voor begeleiding wordt gebruik gemaakt van de meest recente versie van het Normenkader Begeleiding. Dit normenkader is ontwikkeld door bureau HHM en Factum Advies. Het normenkader helpt bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het afwegen en onderbouwen van de aard en omvang voor begeleiding.
6.9 Looptijd van de maatwerkvoorziening begeleiding
De looptijd voor de maatwerkvoorziening begeleiding wordt zorgvuldig afgestemd op de specifieke ondersteuningsbehoeften en omstandigheden van de inwoner. Er wordt voor elke situatie een passende looptijd afgestemd. De looptijd moet lang genoeg zijn om effectieve ondersteuning mogelijk te maken, maar ook flexibel blijven zodat er bij veranderingen in de situatie kan worden bijgestuurd.
Hoofdstuk 7 Huishoudelijke hulp
7.2 Aanvullend afwegingskader Huishoudelijke hulp
Voor huishoudelijke taken zijn er diverse gebruikelijke oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan een glazenwasser voor het reinigen van de buitenkant van de ramen. Het schoonhouden van de ramen buiten evenals andere ruimte buiten (tuin, balkon etc.) maken geen onderdeel uit van een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp. Er zijn ook vele technische, gebruikelijke oplossingen, zoals een (robot)stofzuiger, (af)wasmachine, wasdroger of magnetron. Het eventueel aanschaffen van deze voorzieningen wordt als voorliggend gezien ten opzichte van het inzetten van de maatwerkvoorziening.
Voor het bereiden van de maaltijden is het gebruik van vriesversmaaltijden of andere vormen van kant-en-klaarmaaltijden voorliggend. Bij het gebruik van de broodmaaltijden wordt de inwoner gevraagd creatief te zijn en brood klaar te (laten) zetten, wanneer zijn belemmeringen hem beperken om deze maaltijden zelf te verzorgen. Het kiezen voor producten die gemakkelijk in het gebruik zijn is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.
Van de inwoner wordt verwacht dat er alleen ondersteuning gevraagd wordt die naar redelijkheid nodig is en niet meer dan noodzakelijk. Als er in de (woon)situatie van de inwoner sprake is van keuzen die boven het gewone/gemiddelde uitstijgen dan maakt dit niet gelijk dat alle benodigde ondersteuning door de gemeente wordt opgelost.
7.3 Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning
Het doel van het gebruik van het normenkader is om te komen tot passende huishoudelijke hulp. Passend betekent dat de hulp aansluit bij wat de inwoner nodig heeft. Het normenkader is daarbij een hulpmiddel om te komen tot een zorgvuldige professionele afweging voor ondersteuning op maat van de individuele inwoner.
Het normenkader is gebaseerd op een ‘gemiddelde cliëntsituatie’ (zie volgende kopje voor verdere uitleg hiervan). In het normenkader is aangegeven hoeveel tijd nodig is als er sprake is van volledige overname van het huishouden zoals omschreven bij die ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Het kan voorkomen dat er meer of minder uren hulp nodig is. Dit is het maatwerk wat ervoor zorgt dat er passende huishoudelijke hulp wordt ingezet.
7.4 Gemiddelde cliëntsituatie, meer en minder inzet
De gemiddelde cliëntsituatie nemen we als ijkpunt. Het is de situatie waarvoor de normtijden vaak passend zijn. Bij het onderzoek door de consulent wordt onderzocht of er hulp gelijk aan, minder of meer dan bij de gemiddelde cliëntsituatie nodig is. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt:
Een uitgebreidere omschrijving van de kenmerken is te vinden in het normenkader zelf. Deze is op www.hhm.nl te vinden. Ook in de bijlagen van het normenkader wordt meer uitleg gegeven over situaties die zorgen voor meer of minder inzet.
Het kan voorkomen dat hulp eens in de twee weken volstaat voor een inwoner. Het uitgangspunt hierbij is inzet van 2,5 uur per 2 weken. De ene week dat de hulp niet komt moet er doorgaans wel schoongemaakt worden. Dit kan door de inwoner zelf gedaan worden of door inzet van mantelzorg, netwerk of vrijwilligers.
7.6 Basismodule: Schoon en leefbaar huis
Het resultaat van de basismodule is het bereiken van een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapkamer in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en hal/trap. De genoemde ruimtes moeten met enige regelmaat schoongemaakt worden om een basishygiëne te borgen waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Een leefbaar huis is opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen
Het huis dient zodanig schoon te zijn dat het niet vervuilt en zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon huishouden wordt gerealiseerd. Dit wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoon gemaakt hoeven te worden. De inwoner die regie kan voeren over diens huishouden is in de regel prima in staat om keuzes te maken ten aanzien van het schoonmaken en hierbij prioriteiten te stellen.
In het Gesprek zal altijd eerst onderzocht worden wat de inwoner met beperkingen nog op eigen kracht of met behulp van gebruikelijke zorg, mantelzorg of het sociale netwerk kan uitvoeren op het gebied van het huishouden. Als blijkt dat met de inzet van deze hulp het resultaat een schoon en leerbaar huis niet behaald kan worden, dan kan de basismodule ingezet worden als aanvulling. De basismodule omvat het lichte en zware schoonmaakwerk. Hierbij zijn er taken te onderscheiden die wekelijks of tweewekelijks uitgevoerd moeten worden, maar ook taken met een incidenteel karakter.
Met de basismodule krijgt een inwoner de beschikking over een vast aantal uren huishoudelijke hulp per jaar. Deze uren kunnen naar eigen inzicht en in overleg met de zorgaanbieder gebruikt worden voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis. In principe komt deze ondersteuning neer op gemiddeld 2 uur hulp per week. Een inwoner kan ervoor kiezen om meer of minder hulp per week in te zetten al naar gelang de ondersteuningsbehoefte. Deze behoefte kan van tijd tot tijd wisselen. De inwoner kan over de in te zetten hulp (welke taken en met welke frequentie) zelf afspraken maken met de zorgaanbieder. Daarbij dienen de inwoner en de zorgaanbieder goed bij te houden hoeveel uren er ingezet worden en dat het jaarbudget niet overschreden wordt.
Het resultaat van deze module is het beschikken over schone kleding en omvat het wassen, drogen en vouwen van kleding. Daarbij wordt per situatie bekeken welke taken wel of niet uitgevoerd kunnen worden. Bijvoorbeeld het sorteren en het vullen van de wasmachine met kleding zijn veelal lichte werkzaamheden die meestal niet direct overgenomen hoeven te worden. Gaat het bijvoorbeeld om beddengoed dan is dit vaak zwaarder en moet dit mogelijk wel overgenomen worden. Ook het vouwen van kleding is een taak die veelal zittend uitgevoerd kan worden door de inwoner zelf. Is dit niet mogelijk, dan kan de taak overgenomen worden.
De omvang van de wasmodule is afgestemd op het huishouden: één- of meerpersoonshuishouden. Als er sprake is van factoren waardoor er minder of meer inzet nodig is, dan wordt de omvang hierop afgestemd. De omvang betreft ook bij deze module een aantal uren per jaar. Deze kunnen samen met andere modules naar eigen inzicht ingezet worden. Als het totaal aantal uren per jaar maar niet overschreden wordt.
7.8 Module: Regie/organisatie huishouden en advies, instructie, voorlichting (AIV)
In sommige situaties is het wenselijk een specifieke toegeruste professional in te zetten voor de uitvoering van de huishoudelijke hulp. Dit kan het geval zijn, wanneer er sprake is van ernstige psychiatrische, psycho-geriatrische of psychosociale problemen bij de inwoner. In deze situaties kan er sprake zijn van regieverlies van de inwoner waardoor overname van de organisatie van het huishouden op zijn plaats is. De hulp neemt naast de huishoudelijke taken ook de aansturende en regietaken ten aanzien van het huishouden over. De hulp heeft daarnaast ook een signalerende functie van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner.
Het kan voorkomen dat een inwoner niet gewend is om huishoudelijke taken te verrichten, maar dat hij daar wel leerbaar in is. Binnen deze module kunnen aan de inwoner instructies worden gegeven voor het aanleren van vaardigheden op huishoudelijk gebied. Ook het aanleren van huishoudelijke vaardigheden aan de huisgenoot van de inwoner kan met deze module bereikt worden. Op basis van een concreet leerplan gaat een huishoudelijke professional samen met de inwoner aan de slag. Het stimuleren, samen opwerken en coachen maken hier onderdeel van uit. Het gaat hierbij altijd om een kortdurende inzet welke gestopt kan worden zodra de taken voldoende aangeleerd zijn.
Ook middels de inzet van begeleiding individueel kan het huishouden aangeleerd worden. Dit laatste is alleen mogelijk als er ook andere begeleidingsdoelen aanwezig zijn. Bij alleen aanleren van huishoudelijke taken gaat de inzet van huishoudelijke hulp middels deze module voor op de inzet van begeleiding individueel.
Onder deze module valt het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Zoals ook in het aanvullende afwegingskader opgenomen, zijn er verschillende voorliggende voorzieningen beschikbaar voor (bereiden van) de maaltijden. Van inwoners wordt verwacht dat zij eerst zelf oplossingen zoeken. Denk hierbij aan hulp vanuit het eigen netwerk, vrijwilligers of ondersteuning via de Zorgverzekeringswet. Alleen wanneer deze opties niet toereikend zijn, kan de module maaltijden worden ingezet.
Deze hulp is altijd tijdelijk en wordt voor een periode van maximaal 3 maanden ingezet. Dit geeft het gezin de ruimte om te werken aan een structurele oplossing. De opvang tijdens reguliere schoolvakanties wordt voor schoolgaande kinderen als gebruikelijk beschouwd. Hiervoor wordt geen extra huishoudelijke hulp geïndiceerd.
7.11 Producten voor huishoudelijke hulp
De gemeente Hattem heeft de maatwerkvoorzieningen voor huishoudelijke hulp regionaal ingekocht. Onderdeel van de overeenkomst die hierbij is opgesteld, is het zorgproductenboek. In dit zorgproductenboek zijn ook de producten beschreven welke ingezet worden voor huishoudelijk hulp. Het zorgproductenboek is te vinden op de website www.zorgregiomijov.nl. Over deze producten worden ook regionaal afspraken gemaakt. Het productenboek is hierbij leidend als het gaat om de soort producten welke ingezet kunnen worden.
8.1 De resultaten bij woonvoorzieningen
Een woonvoorziening wordt ingezet om het volgende te bereiken:
Het verkrijgen van een woning valt niet onder de verantwoordelijkheid van de Wmo. Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor het vinden van geschikte woonruimte. Daarbij wordt verwacht dat zij rekening houden met hun huidige én toekomstige situatie. Dit betekent dat zij bij het zoeken naar een woning ook nadenken over eventuele bestaande of te verwachten beperkingen van een bekende aandoening.
8.2 Aanvullend afwegingskader woonvoorzieningen
Een woonvoorziening wordt uitsluitend verstrekt bij een hoofdverblijf en in ieder geval niet in geval van: hotels/pensions, trekkerswoonwagens/toer- en stacaravans, kloosters, tweede woningen/vakantiewoningen/recreatiewoningen, gehuurde kamer, specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.
Bij het verzoek om een woonvoorziening/woningaanpassing wordt eerst gekeken of verhuizen een goede oplossing is. Dit noemen we het primaat van verhuizen. Het uitgangspunt is dat verhuizen vaak een praktische en kostenefficiënte manier is om aanpassingen in de woonomgeving te realiseren. Dit is mogelijk de goedkoopst adequate oplossing.
8.3.1 Afwegingskader bij primaat van verhuizen
Bij het toepassen van het verhuisprimaat moet rekening worden gehouden met de individuele omstandigheden van een inwoner. Bij elke melding wegen we de belangen af en onderzoeken of het verhuisprimaat toegepast kan worden. Bij deze belangenafweging tussen het aanpassen van de woning of verhuizen naar een andere woning spelen verschillende onderdelen een rol. Het gaat om de volgende onderdelen:
Als het verhuisprimaat niet toepasbaar is, dan wordt de huidige woning aangepast. Hierbij wordt gekozen voor de goedkoopst compenserende voorziening(en). Dit houdt o.a. in dat er bij een kostencalculatie rekening gehouden wordt met aanpassing en kosten op het niveau van sociale woningbouw.
Het kan voorkomen dat het verhuisprimaat van toepassing is, maar dat de inwoner niet wil verhuizen. In dat geval kan de gemeente een bedrag toekennen ter hoogte van de verhuiskostenvergoeding. De inwoner kan dit bedrag gebruiken om de huidige woning aan te passen. Meerkosten zijn in dit geval voor rekening van de inwoner.
8.4.1 Bereikbaarheid en toegankelijkheid van de woning
Veel oplossingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): de ondergrond van het toegangspad, de bestrating van het toegangspad, de aanleg van het benodigde (brede) toegangspad, drempelhulpen bij de toegangsdeuren, het aanbrengen van een steunpunt bij/op de deurpost.
8.4.2 Doorgankelijkheid van de woning
Met de doorgankelijkheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken van de ruimten in het huis. Veel oplossingen om de doorgankelijkheid te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): het aanbrengen van steunpunten, het plaatsen van een drempelhulp, het verwijderen van drempels, een tweede trapleuning, aanpassen van hang- en sluitwerk.
Als traplopen lastig of niet meer mogelijk is door een lichamelijke beperking, kan een traplift een passende oplossing zijn. Het doel van een traplift is om iemand te helpen zelfstandig gebruik te blijven maken van de woning, bijvoorbeeld om te kunnen slapen of douchen op een andere verdieping.
Een traplift kan worden toegekend als:
Bij een tijdelijke situatie, waarin iemand tijdelijk niet in staat is om de trap te gebruiken, wordt geen traplift verstrekt. In dat geval wordt uitgegaan van eigen kracht, bijvoorbeeld door tijdelijk een bed in de woonkamer te plaatsen.
Deuren zijn met name een belemmering bij gebruik van een rolstoel. Noodzakelijke oplossingen kunnen zijn: verbreden van een deur, elektrische deuropener, schuifdeur.
8.4.3 Bruikbaarheid van de woning
Een keuken kan worden aangepast als dit noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van een inwoner met een beperking. De aanpassing is bedoeld om de zelfredzaamheid te bevorderen, zodat de inwoner zelfstandig gebruik kan maken van de keuken.
Een keukenaanpassing komt in aanmerking als:
De aanpassing wordt uitgevoerd tot het niveau van voorzieningen zoals gebruikelijk in de sociale woningbouw. Dit betekent dat luxe of bovenmatige voorzieningen niet worden vergoed.
Veel oplossingen om het gebruik van de keuken te verbeteren zijn algemeen verkrijgbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Denk hierbij aan: hendelkranen, keramische of inductiekookplaat, korfladen of andere praktische indelingen. Deze opsomming is niet limitatief; andere algemeen verkrijgbare hulpmiddelen kunnen ook onder eigen verantwoordelijkheid vallen.
Veel oplossingen om het gebruik van de natte cel of toilet te verbeteren zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst):
Steunpunten, drempelhulpen, bad vervangen door een douche, douchebak vervangen door een inloopdouche, antisliptegels, thermostaatkranen, een eenvoudig douchezitje, verhoogde toiletpot, toilet met spoel- en föhninstallatie.
Slechts in uitzonderlijke situaties zal het nodig zijn om een voorziening te treffen om het bad te kunnen gebruiken. Een tweede toilet op de verdieping is gebruikelijk en wordt in de regel niet verstrekt.
Niet elementaire gebruiksruimten
Een hobby-, werk- of speel-/recreatieruimte wordt niet gerekend tot de elementaire woonfuncties en wordt dan ook niet aangepast in het kader van de Wmo. Dit geldt ook voor het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt.
In principe worden geen woningaanpassingen uitgevoerd aan gemeenschappelijke ruimten. Een uitzondering betreft het toegankelijk maken van de gemeenschappelijke ruimte. Dit laatste geldt niet voor woongebouwen die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen en wanneer het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden.
8.5 Tijdelijke huisvesting/huurderving en het verwijderen van voorzieningen
In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een inwoner tijdelijk niet in de woning kan verblijven tijdens het aanpassen ervan. Als dubbele woonlasten in zo’n situatie niet te vermijden zijn, kunnen deze worden vergoed. De vergoeding geldt alleen voor kosten die direct samenhangen met de woningaanpassing en wordt maximaal 6 maanden toegekend.
Wanneer een aangepaste woning tijdelijk leegstaat, kan de gemeente een vergoeding toekennen aan de verhuurder. Dit geeft de verhuurder de ruimte om eerst te zoeken naar een nieuwe huurder die gebruik kan maken van de aanpassing. De eerste maand van leegstand komt niet voor vergoeding in aanmerking. Ook hier geldt dat de vergoeding maximaal 6 maanden kan worden verstrekt.
Als een huurder verhuist uit een woning waarin Wmo-voorzieningen zijn aangebracht, hoeft de aanpassing niet te worden verwijderd. Dit geldt zowel voor de huurder als voor de gemeente. Deze bepaling is opgenomen in de Wmo 2015 en draagt bij aan het behoud van aangepaste woningen voor toekomstige gebruikers.
Voorzieningen, die tijdelijk (korter dan 6 maanden) nodig zijn, kunnen worden geleend bij de thuiszorgwinkel. Dit wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. Verschillende losse woonvoorzieningen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar en vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): een eenvoudige douchestoel (niet verrijdbaar) of douchekruk, badplank, toiletstoel, vloerbedekking.
8.8 Bezoekbaar maken van een woning
Een woning kan alleen bezoekbaar gemaakt worden als de inwoner zijn woonplaats heeft in de gemeente Hattem. Woont iemand in een andere gemeente, dan moet het verzoek voor het bezoekbaar maken van een woning worden ingediend bij die gemeente. Dit geldt ook wanneer de woning die aangepast moet worden in de gemeente Hattem staat, maar de persoon zelf in een andere gemeente woont. In dat geval is de woonplaats van de persoon bepalend voor welke gemeente verantwoordelijk is voor het beoordelen van het verzoek.
Bepaalde psychische problemen van een inwoner, bijvoorbeeld hyperactiviteit of moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf van deze inwoner in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Wanneer er noodzaak is tot een uitraasruimte gaat het vaak om minderjarige kinderen. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een kamer (verblijfsruimte), waarin een inwoner met gedragsproblemen zich kan afzonderen of tot rust kan komen.
De criteria voor een uitraaskamer zijn:
Het vaststellen van deze criteria zal in eerste instantie gebeuren door een orthopedagoog, gevolgd door een medisch advies.
Hoofdstuk 10 Sporthulpmiddelen
10.2 Aanvullend afwegingskader sporthulpmiddelen
Hulpmiddelen die gebruikt worden voor topsport, vallen buiten de verantwoordelijkheid van de Wmo. Topsporters zijn personen met een erkende Topsport- (A-, HP- of Selectiestatus) of Talent-status (IT-, NT- of B-status). Als een voorziening via de sportbond of vereniging (nog) niet beschikbaar is, kan de gemeente overwegen om een hulpmiddel toe te kennen volgens de regels voor amateursport.
Hoofdstuk 11 Vervoersvoorzieningen
11.1 De resultaten bij vervoersvoorzieningen
Een vervoersvoorziening wordt ingezet om het volgende te bereiken:
Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel betekent dat iemand zich in de eigen woon- en leefomgeving kan verplaatsen, bijvoorbeeld om boodschappen te doen, familie of vrienden te bezoeken, of deel te nemen aan sociale of culturele activiteiten. Onder de directe woonomgeving wordt een straal van ongeveer 15 tot 20 kilometer verstaan. Het gaat om vervoer dat nodig is voor het dagelijks leven. Vervoer voor werk of scholing valt niet onder de Wmo.
11.3 Vervoermiddelen voor lokale verplaatsingen
Een vervoermiddel kan worden verstrekt als maatwerkvoorziening wanneer een inwoner door een beperking niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen binnen de directe woonomgeving (circa 15–20 km), en er geen andere passende oplossing beschikbaar is. Het vervoermiddel is bedoeld om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de inwoner te bevorderen. Denk aan het doen van boodschappen, het onderhouden van sociale contacten of het bezoeken van activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan o.a. een scootmobiel, driewielfiets en rolstoelfiets.
Een vervoermiddel kan worden toegekend als:
Algemeen verkrijgbare en gebruikelijke vervoermiddelen vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en worden niet verstrekt via de Wmo.
Bij vervoersvoorzieningen zoals een scootmobiel of driewielfiets moet rekening worden gehouden met de stalling. Door gewijzigde regelgeving in het Bouwbesluit is het stallen van scootmobielen op galerijen of in gangen niet meer toegestaan. Omdat het gebruik van scootmobielen toeneemt door de vergrijzing, wordt het vinden van een geschikte stallingsplek steeds uitdagender. Bij een aanvraag onderzoekt de Wmo-consulent daarom zorgvuldig de stalmogelijkheden. Is er geen adequate stalling, dan kan de voorziening worden geweigerd. Bij weigering blijft de gemeente echter betrokken bij het zoeken naar een alternatieve oplossing voor het vervoersprobleem van de inwoner.
11.4.1 Vraagafhankelijk vervoer door PlusOV
Inwoners die door een beperking niet zelfstandig gebruik kunnen maken van regulier (openbaar) vervoer kunnen in aanmerking komen voor vraagafhankelijk vervoer via PlusOV. Dit vervoer is bedoeld om deelname aan het maatschappelijke verkeer mogelijk te maken binnen de directe leefomgeving (circa 15-20 km).
Inwoners die gebruik maken van het vraagafhankelijke vervoer kunnen jaarlijks maximaal 1.500 km reizen. In sommige gevallen is het standaardbudget van 1.500 km niet voldoende. Het is mogelijk om meer kilometers toe te voegen aan het budget. Deze individuele ophoging blijft mogelijk als de vervoersbehoefte van een inwoner dit rechtvaardigt.
De voorziening wordt geleverd in natura via PlusOV. De gemeente beoordeelt de aanvraag en draagt zorg voor de toewijzing. De inwoner ontvangt informatie over het gebruik, de voorwaarden en de planning van ritten via PlusOV.
11.4.5 Ritbijdrage en voorwaarden vervoer PlusOV
Voor het gebruik van het vraagafhankelijk vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd welke bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief. De tarieven zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.
11.6 Financiële tegemoetkoming
In een enkel geval kan het voorkomen dat het vervoer door PlusOV, in combinatie met, of een andere vervoermiddel geen passende oplossing biedt voor het ondervonden vervoersprobleem. In dat geval kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden voor de extra kosten van vervoer. Een financiële tegemoetkoming is alleen aan de orde bij ernstige beperkingen, waarbij gedacht kan worden aan sociaal/psychische factoren ten gevolge waarvan de privacy of de veiligheid van de inwoner of medepassagiers niet is gegarandeerd, zoals:
De bepaling of iemand geen gebruik kan maken van vervoer door PlusOV wordt in de meeste gevallen vastgesteld door het opvragen van een extern medisch advies. De financiële tegemoetkoming kan gebruikt worden voor een vergoeding voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of het gebruik van een auto. De maximale bedragen van deze tegemoetkomingen zijn opgenomen in de geldende Wmo-verordening en het financieel besluit.
Aanvullend zijn er de volgende voorwaarden:
De beoordeling of iemand met een beperking in staat is om op een veilige manier met een auto deel te nemen aan het verkeer wordt gedaan door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Via de afdeling aanpassingen van het CBR wordt advies gegeven over de noodzakelijke technische aanpassingen om de auto veilig te kunnen besturen. De kosten voor dit advies komen voor rekening van de inwoner;
Veel autoaccessoires/aanpassingen zijn gebruikelijk of algemeen aanschafbaar geacht en worden niet verstrekt op grond van de Wmo. Hierbij kan gedacht worden aan (geen limitatieve lijst): automatische transmissie, elektrische ruitenwisser en sproeier achter, driepuntsgordels, hoofdsteunen, kunststoffen bekleding, buitenspiegel van binnenuit verstelbaar, elektrische bedienbare portierruiten, neerklapbare of inklapbare achterbank (in verband met meenemen rolstoel), uitneembare hoedenplank (in verband met meenemen rolstoel), derde of vijfde deur in verband met meenemen rolstoel, warmtewerend glas, achterruitverwarming, verstelbare voorstoelen, stoffen bekleding van stoelen, handgrepen bij de passagiersplaats voorin, comfort rembekrachtiging, gelaagde voorruit, interval op de voor- en achterruitwisser, stuurbekrachtiging, airconditioning, trekhaak, verwarmde buitenspiegels.
Hoofdstuk 12 Maatschappelijke Opvang/ Beschermd Wonen / Beschermd Thuis
De maatschappelijke opvang en het beschermd wonen voor inwoners met psychische of psychosociale problematiek zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een verantwoordelijkheid van gemeenten.
De gemeenten in de regio Oost-Veluwe (Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Hattem en Voorst) geven uitvoering aan deze verantwoordelijkheid in regionaal verband. De samenwerking is vastgelegd in een samenwerkingsconvenant en nader uitgewerkt in afspraken over taken, financiering en uitvoering.
In het kader van de landelijke ontwikkeling naar verdere doordecentralisatie van beschermd wonen werken gemeenten toe naar een situatie waarin zij individueel en gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor deze voorziening. De gemeenten in de regio Oost-Veluwe hebben daarbij uitgesproken te blijven samenwerken en financiële solidariteit te behouden.
Daartoe wordt gewerkt met een regionaal budget voor beschermd wonen, waarvoor de gemeente Apeldoorn als centrumgemeente optreedt als budgethouder
Via mandaatverlening bieden de regiogemeenten het juridisch kader waarbinnen de centrumgemeente deze taken namens hen uitvoert. De taken die de budgethouder uitvoert voor de gemeenten in de regio Oost-Veluwe zijn vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst (DVO).
Onder beschermd wonen en beschermd thuis worden de voorzieningen verstaan zoals gedefinieerd in de verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente.
12.2 Implementatie en doorontwikkeling Beschermd Thuis
In 2021 zijn gemeenten in de regio Oost-Veluwe gestart met de implementatie van het Regionaal Ontwerp Beschermd Thuis 2030, gericht op de transformatie van beschermd wonen naar beschermd thuis voor mensen met een psychische kwetsbaarheid. Deze beweging is inmiddels ingezet en wordt in de uitvoering verder doorontwikkeld.
Gemeenten werken met ingekochte producten die deze beweging ondersteunen. Beschermd Thuis omvat:
Herstelgericht verblijf: Dit is een intramuraal product dat overeenkomt met klassiek beschermd wonen. De zorg en ondersteuning worden geleverd binnen de intramurale setting van de aanbieder, waarbij 24-uurs zorg op de locatie beschikbaar is. Zowel de zorgkosten als de hotelmatige kosten worden gefinancierd; de inwoner betaalt een eigen bijdrage.
Integraal hersteltraject: Dit is een extramuraal product dat bestaat uit twee varianten: integraal hersteltraject perspectief en integraal hersteltraject intensief. De inwoner woont zelfstandig, met een duidelijke scheiding tussen wonen en zorg. De benodigde zorg en ondersteuning worden ambulant aan huis geleverd, met 24-uurs bereikbaarheid en beschikbaarheid van zorg op afroep.
De criteria zoals opgenomen in de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning zijn van toepassing op alle maatwerkvoorzieningen binnen het Wmo-domein (waaronder maatschappelijke opvang en beschermd wonen). Het college kan een inwoner voor een voorziening in aanmerking laten komen wanneer wordt voldaan aan deze criteria.
Het college van de gemeente Apeldoorn heeft in 2017 de volgende convenanten ondertekend:
Daarnaast hebben de colleges besloten om de in deze handreikingen vastgelegde beleidsregels ongewijzigd over te nemen als de geldende beleidsregels voor de desbetreffende gemeenten.
Als het college heeft bepaald dat een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, dan zijn er verschillende producten te kiezen. De productkeuze voor een maatwerkvoorziening Beschermd Thuis wordt door het college bepaald op basis van de beschrijving van de producten voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen.
Voor deze en andere productbeschrijvingen wordt verwezen naar de zorgproductenboeken van de ZorgRegio MIJ/OV Documenten en downloads - Zorgregio Midden-IJssel/Oost-Veluwe.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-221863.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.