Travertijnstraat - vervangen gebiedsgerichte criteria (Welstandsnota) 384368-2025

De gemeenteraad heeft tijdens haar gemeenteraadsvergadering van 18 februari 2026 besloten:

  • I.

    de nieuwe gebiedsgerichte criteria ’14. Travertijnstraat’ die zijn opgesteld op basis van het Beeldkwaliteitsplan Travertijnstraat (d.d. 28 november 2025) vast te stellen, waarmee die gebiedsgerichte criteria onderdeel worden van de gemeentelijke Welstandsnota;

  • II.

    de nu geldende gebiedsgerichte criteria ‘8. Bedrijventerreinen en kantoorlocaties’ voor dit plangebied te laten vervallen;

De gemeenteraad stelde op 4 oktober 2023 een voorkeursscenario vast voor de herontwikkeling van de Travertijnstraat, met behoud van het karakteristieke pand aan Travertijnstraat 12. Het gebied krijgt een nieuwe invulling waarin onderwijs plaatsmaakt voor woningbouw, aangevuld met beperkte maatschappelijke en commerciële functies. De bestaande gebiedsgerichte criteria in de Welstandsnota sluiten niet aan op deze ontwikkeling. Hierdoor is aanpassing noodzakelijk om de verlening van omgevingsvergunningen mogelijk te maken. De nieuwe criteria zijn gebaseerd op het Beeldkwaliteitsplan, zij gelden voor fase 1 en 3 van het plangebied en vervangen de huidige criteria. Met deze wijziging worden de richtlijnen verduidelijkt en beter toepasbaar gemaakt. Zo wordt de gewenste ruimtelijke kwaliteit geborgd en kunnen toekomstige (woning-)bouwprojecten binnen de vastgestelde beleidskaders worden gerealiseerd.

 

Dit besluit treed in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus besloten op 18 februari 2026.

BEELDKWALITEITSPLAN 14. TRAVERTIJNSTRAAT

 

DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTING IS GEBASEERD OP HET ‘BEELDKWALITETISPLAN TRAVERTIJNSTRAAT’. VOOR HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN WORDT VERWEZEN NAAR GRONINGEN.NL/WELSTANDSNOTA. HET OORSPRONKELIJKE BEELDKWALITEITSPLAN VORMT UITERAARD ALTIJD HET VERTREKPUNT VOOR DE WELSTANDSTOETS.

 

Het BKP bestaat in zijn geheel uit drie fasen. De opgenomen criteria beslaan op dit moment alleen fase 1 en 3.

 

STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN

De Travertijnstraat locatie ligt ingeklemd tussen de wijk Vinkhuizen en het bedrijventerrein Hoendiep enerzijds, en Westpark en de sportvelden anderzijds. De locatie maakt deels onderdeel uit van de groene long tussen de sportvelden en Westpark. Al deze gebieden kennen een grote mate van eigenheid, elk met een eigen structuur. Ze worden gekarakteriseerd door duidelijke grenzen en achterkanten. Op het terrein bevinden zich momenteel vijf schoolgebouwen: de Simon van Hasselt, het Noorderpoort, CSG Selion, het Diamant College en de Vinckenborgh (leegstaand en een gemeentelijk monument). In de stedenbouwkundige visie is ervoor gekozen om de Travertijnlocatie sterker onderdeel te laten zijn van de groene long, en een contrastrijke benadering van objecten na te streven. Voor de scholen is dit al het geval. Voor de nieuwe objecten is ervoor gekozen om juist het contrast met de scholen op te zoeken, en niet tussen de nieuwe objecten onderling. Hierdoor worden de posities van de scholen meer benadrukt en wordt de samenhang bereikt door de objectmatige benadering van de nieuwbouw. Dankzij deze terughoudende benadering komt het groen sterker naar voren als drager van het plan. Naast de vier omliggende structuren krijgt ook de Travertijnlocatie zelf een versterking van zijn eigen karakter en gaat het nadrukkelijker deel uitmaken van de groene long tussen Westpark en de sportvelden. In tegenstelling tot de scholen, die naar binnen gekeerd zijn met één hoofdentree, zijn de nieuwe blokken samengesteld met entrees aan de buitenzijde, en zijn ze veel opener en toegankelijker van karakter. Ook de parkeervelden moeten onderdeel worden van de groene long beleving. Hiervoor worden grastegels, ritterplaten en halfverharding ingezet, evenals bomen op de parkeervelden.

 

OPENBARE RUIMTE

Het park wordt gezien als drager van het plan. De openbare ruimte krijgt de vorm van doorgaande groene structuren met een informeel karakter en mogelijkheden om te verblijven. De straten krijgen een groene uitstraling, waarbij geparkeerde auto’s het straatbeeld niet domineren. Dit betekent dat zoveel mogelijk bestaand groen behouden blijft en versterkt wordt. Wateropvang wordt, door de wadi’s en hoogteverschillen, ook onderdeel van de beleving van het park. Het parkeren in het openbaar gebied wordt zo ontworpen, dat de materialisatie en inrichting zo weinig mogelijk de sfeer van het park beïnvloeden. In de parkeerzones worden daarom ook bomen gepositioneerd.

 

Het thema ‘wonen in het park’ wordt versterkt door de objectmatige benadering van de woonblokken. Dit stelt eisen aan de overgangen, buitenruimten, entrees en binnenruimten van de blokken. Het betekent een heldere afzoming van de terrassen en voorzones. De binnenruimten van de blokken krijgen een meer informeel en besloten karakter. Dit wordt bereikt door de plaatsing van garages in de binnenruimte. Deze worden door groene hellingen of trapsgewijs landschappelijke opbouwen aan het zicht onttrokken. Belangrijk is dat deze binnenruimten als een geheel worden ontworpen.

 

CULTUURHISTORISCHE WAARDEN

Karakteristieke cultuurhistorische kenmerken van scholenlocatie aan Travertijnstraat zijn vertaald naar stedenbouwkundig opzet van het plan. Deel van het plan Travertijnstraat betreft locatie van het voormalige schoolgebouw “De Vinckenborgh”. Het gebouw uit jaren ’70 heeft status van karakteristiek object en hoge cultuurhistorische waarde. Behoud van deze waarde en karakteristieke kenmerken van de locatie zijn onderdeel van de opgave voor nadere integrale studie in fase 2 van deze ontwikkeling.

 

ARCHITECTONISCHE KENMERKEN

Voor alle nieuwbouwblokken gelden dezelfde uitgangspunten, zowel qua massa-benadering als architectuur. Dit om de samenhang tussen de blokken te benadrukken en ervoor te zorgen dat de bestaande scholen, door de contrastwerking in positie en objectmatigheid, worden versterkt. Deze nieuwe blokken kunnen wel een eigenheid krijgen door het programma. Hierdoor kunnen ritmeverschillen ontstaan. Aangezien het landschap de drager is van het plan, zal de architectuur zich bescheiden opstellen als achtergrond voor de groenbeleving. Dit vergt juist dan een grote beheersing om tot een rijke architectonische beleving te komen. In de architectuur kan daarnaast worden gespeeld met tactiliteit, tektoniek, oriëntatie en open-dichtverhoudingen om een interessante compositie te creëren. Ook kunnen balkons, terrassen, zitelementen en entrees als onlosmakelijk onderdeel van de architectuur een eigen gelaagdheid opleveren. De entrees zijn aan de buitenzijde van de blokken gepositioneerd. Ook zijn de woningen duidelijk georiënteerd op het maaiveld.

 

CRITERIA

FASE 1 EN 3

CONTEXT

  • Architectuur is ondergeschikt aan het groen.

  • alle nieuwbouwblokken zijn in samenhang ontworpen. Collectieve visuele kwaliteit gaat boven de individuele uiting.

GEBOUW

  • Bouwblokken zijn eenduidig van opzet;

  • het bouwblok moet als een samenhangend ensemble afleesbaar zijn in plaats van als een verzameling van losse pandjes;

  • bouwblokken zijn alzijdig georiënteerd, met duidelijke voorkanten naar openbare ruimte toe.

  • de plinten zijn levendig en dragen bij aan een aantrekkelijke openbare ruimte. Parkeren (fiets en auto), bergingen, installaties en andere logistiek worden binnen het complex geïntegreerd, zonder de relatie tussen het gebouw en de omgeving te verstoren.

  • de zijgevels van de hoekwoningen dienen als voorgevel te worden ontworpen. Daarmee zijn gesloten/ blinde zijgevels niet mogelijk.

  • de daklijn van de bouwblokken is onderdeel van de architectuur (hoofdmateriaal).

  • de daken van de eerste verdiepingen dienen te worden voorzien van een groene invulling (inclusief het dek van de parkeer voorziening).

  • de daken zichtbaar vanuit woningen dienen met dezelfde architectonische zorgvuldigheid opgepakt te worden als de gevels (dak als 5e gevel principe).

Hoeken bouwblokken

  • De hoekbebouwing dient te worden teruggelegd. Appartementenblokken kunnen worden gezien als uitzondering, omdat deze juist op de hoeken zijn gesitueerd en ingezet kunnen worden om de perspectieven te kaderen;

  • de ontstane ruimte kan hierbij worden gekoppeld aan het park en/of ingevuld worden als semi private voorzone (voortuin). Indien er wordt voorzien in een voortuin dient deze niet dieper te zijn dan 1,8m;

  • een voortuin mag niet de enige buitenruimte zijn. Er moet altijd een andere goed functionerende en kwalitatieve buitenruimte aanwezig zijn, (bijv. achtertuin, dakterras, balkon).

Dakopbouwen

  • Een dakopbouw wordt uitgevoerd in het zelfde materiaal als het bouwblok.

  • een dakopbouw heeft ten opzichte van de voorgevel van het bouwblok een setback van minimaal 3m diep;

  • een hekwerk / afscherming van een dakterras is opgelost in de dakrand of ondergeschikt (terugliggend) van de doorlopende dakrand.

Onderbreking van bouwvolume

  • Er moeten twee niet overbouwde openingen gemaakt worden in het volume. Deze openingen faciliteren de toegang naar de binnentuin en zijn uitsluitend voor fietsers en voetgangers bedoelt.

  • de breedte van de opening naar de binnentuin mag niet concurreren met de straten tussen de bouwvelden en is daarom minimaal 4m en maximaal 6m breed.

  • indien de binnentuin afgesloten wordt, moet het toegangshek ten opzichte van de voorgevel teruggelegd worden (minimaal 0,3m).

  • in het geval dat er wordt geparkeerd in het bouwblok dient er een aparte entree voor de auto’s gemaakt te worden;

  • een opening ten behoeve van de toegang tot een parkeervoorziening is ondergeschikt, minimaal qua afmeting en dient altijd te worden overbouwd;

  • een onderbreking van het hoofdvolume is ondergeschikt aan het totale bouwblok en verstoort de afleesbaarheid van bouwblok niet. De maximum breedte is 11m, en de vrije hoogte is minimaal 4,5m.

Woningentree

  • Alle individuele woningtoegangen en toegangen tot de appartementenblokken moeten aan de buitenzijde van het bouwblok worden gesitueerd;

  • de woningentree kan in zowel de voorals zijgevel geplaatst worden;

  • de entrees van de appartementencomplexen zijn duidelijk geaccentueerd logisch georiënteerd op de openbare ruimte en de toegangspaden.

  • bellentableaus en brievenbussen zijn onderdeel van architectuur.

Erfafscheiding voorgevel

  • Voortuinen en erfafscheidingen ter plekke van de voorgevel zijn onderdeel van het ensemble/architectuur of van het park.

  • erfafscheidingen dienen te bestaan uit een lage afscherming van metselwerk (van maximaal 1.2 meter hoog) of een groenvoorziening passend bij karakter van het park.

  • een ondiepe voortuin (met bijvoorbeeld een diepte van 0,8m), mag worden uitgevoerd als een “Delftse stoep” of als een geveltuin passend bij karakter van het park.

Het binnenhof

  • Het binnenhof is openbaar toegankelijk of collectief, en wordt in dat geval afgeschermd met een hekwerk.

  • privétuinen en terrassen hebben altijd een directe verbinding met het collectieve deel van het binnenhof, de overgangen tussen privé en collectief zijn zacht;

  • het binnenhof heeft een groen karakter;

  • alle onderdelen van het binnenhof vormen een samenhangend geheel;

  • de overgang tussen het verhoogde dek en de binnentuin mag niet bestaan uit een grote, gesloten wand. De vormgeving en materialisatie van deze overgang moeten aansluiten bij de architectuur van het blok;

  • het oppervlak van de collectieve binnenhof moet minimaal 12,5% van het bouwvlak zijn. Deze ruimte is bedoelt als ruimte voor ontmoetings- en speelplekken (toegangspaden worden niet gezien als collectieve ruimte);

  • de bergingen zijn aan de binnenzijde van de bouwblokken gepositioneerd, als onderdeel van hoofdvolume waaronder de parkeerdekken vallen en kunnen niet los worden geplaatst.

Erfafscheiding binnenhof

  • De erfafscheiding moet onderdeel zijn van het landschap of de architectuur;

  • indien een erfafscheiding gewenst is, dient deze te worden uitgevoerd als haag, om het groen en de biodiversiteit te bevorderen in het binnengebied, met een maximale hoogte van 1.8 meter gemeten vanaf maaiveld.

  • buitenruimte op de parkeervoorziening (eerste verdieping) moet een erfafscheiding / haag hebben van max. 1,2 meter hoog, gemeten vanaf het terrasniveau.

  • voor zowel binnentuinen aan het maaiveld alsook het dek mogen in de eerste 1,5 meter van de achtertuin, gemeten vanaf de achtergevel, de erfafscheiding uit een ander materiaal dan een haag bestaan mits deze onderdeel is van de architectuur van het hoofdvolume;

Parkeren

  • Binnen de bouwblokken dient de parkeeroplossing uit het zicht van de woningen en van de openbare ruimte op maaiveld te worden gerealiseerd. De uitwerking van de dekken en de binnentuinen zijn onderdeel van één samenhangend ontwerp;

Technische installaties

  • Technische installaties dienen zodanig geplaatst of afgeschermd te worden dat deze vanaf het maaiveld tot op een afstand van 25 meter (maximale afmeting tussen de bouwblokken) van het gebouw niet zichtbaar zijn;

  • nutsvoorzieningen (zoals bijvoorbeeld trafo’s), dienen in het bouwblok te worden opgenomen. De kleur en het materiaal moeten worden afgestemd op de architectuur.

UITWERKING

  • Het hoofdmateriaal van alle gevelbekleding is baksteen;

  • er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de buiten- en binnenzijde van het bouwblok. Voor de binnenzijde dient daarom hetzelfde bakstenen kleurenpalet gebruikt te worden als voor de buitenzijde;

  • de steen heeft een zandtint, waarbij de stenen afzonderlijk niet te veel van kleur van elkaar mogen afwijken. (zie referenties in het BKP);

  • het materiaal van erfafscheidingen en “Delftse stoepen” is baksteen gelijk aan gevelbekleding.

  • alle elementen van het binnenhof vormen in vormgeving en materialisering één samenhangend geheel;

  • plaatmaterialen zijn alleen toegestaan mits: ondergeschikt aan het hoofdmateriaal en als onderdeel van de gevelopening en alleen als dit een versterking van de totale compositie betekent. Bij plaatmaterialen dient altijd een verborgen bevestiging toegepast te worden;

  • voor de kozijnen dienen natuurlijke tonen aangehouden te worden, felle kleuren worden hierin uitgesloten (incl. witte tinten);

  • kozijnen bij voorkeur uitvoeren in hout of aluminium; bij eventuele uitvoering in kunststof dient te worden gekozen voor een detaillering conform hout (geen 45° hoekverbindingen en geen ondiepe profielen).

  • de balkons moeten geïntegreerd worden in de architectuur;

  • onder- en zijkanten van balkons, moeten worden uitgevoerd in de kleurtint van het metselwerk of van de kozijnen. Het is niet toegestaan om te keimen.

  • de balustrades dienen mee ontworpen te zijn als onderdeel van het ensemble, met gebruik van dezelfde materialen.

  • de plafonds en negges van overbouwde bouwdelen moet worden uitgevoerd in de kleurtint van het metselwerk of de kozijnen.

  • gevelroosters (indien noodzakelijk) moeten in kleur van het metselwerk uitgevoerd worden;

  • ventilatieroosters en suskasten hebben een donkergrijze kleur (zodat ze onderdeel worden van het glasvlak en niet van de kozijnen)

  • HWA’s dienen in de kleur van het metselwerk te worden uitgevoerd, moeten als onderdeel van de architectuur worden opgenomen in het metselwerk of uit het zicht te worden weggewerkt;

  • natuur inclusieve voorzieningen (zoals bijvoorbeeld nestkasten) moeten zorgvuldig in de architectuur van de bouwblokken worden meegenomen;

  • mogelijke toekomstige dakopbouwen zijn onderdeel van het bouwblok en volgen dezelfde regels t.a.v. detaillering en materialisering.

Naar boven