Gemeenteblad van Veenendaal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veenendaal | Gemeenteblad 2026, 220357 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Veenendaal | Gemeenteblad 2026, 220357 | beleidsregel |
COLLEGEBESLUIT TOT VASTSTELLING VAN BELEIDSREGELS JEUGDHULP VEENENDAAL
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal;
het college met betrekking tot de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de Jeugdwet het noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;
gelet op titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht, de Jeugdwet en hoofdstuk 3 van de Integrale verordening sociaal domein Veenendaal;
1.1 Doel en reikwijdte Jeugdwet
De Jeugdwet regelt hulp en ondersteuning voor jeugdigen onder de 18 jaar. De Jeugdwet bepaalt dat de gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp en voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Daarbij staat voor het college de vraag centraal welke ondersteuning écht nodig is, welke ondersteuning de ouders zelf kunnen bieden of kunnen krijgen van mensen uit de eigen omgeving of middels algemeen toegankelijke, of overige voorzieningen. Tot slot wordt onderzocht of en zo ja, welke professionele ondersteuning er nodig is.
Het uiteindelijke doel daarbij is dan ook het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van diens gezin en van anderen in de sociale omgeving. Het beoogde maatschappelijk effect hiervan is dat jeugdigen gezond en veilig opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen participeren in de samenleving.
1.2 Integrale hulpverlening in Veenendaal
Deze beleidsregels vormen een nadere uitwerking van het derde hoofdstuk van de Integrale verordening sociaal domein Veenendaal en het raadsbesluit ‘Hervormingsagenda: Grenzen aan onze Jeugdzorg’ en laten zien hoe het college van burgemeester en wethouders (het college) in de praktijk omgaat met hulpvragen in het kader van de Jeugdwet.
Het college maakt altijd een individuele afweging bij de beoordeling van jeugdhulpvragen. Deze beleidsregels maken de uitvoering daarbij transparant en voorspelbaar, zodat inwoners weten waar zij aan toe zijn. Daarbij sluiten de beleidsregels aan bij jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en bij de menselijke maat: altijd oog houden voor de persoonlijke situatie van de jeugdige en diens ouders, zoals verankerd in onder andere artikel 3.1.5, vierde lid onder b, van de verordening.
1.3 Uitvoering toegang tot jeugdhulp Centrum Jeugd en Gezin
Het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) in Veenendaal voert namens het college de toegang en toeleiding tot individuele jeugdhulp uit. Het CJG is hiertoe gemandateerd door het college.
Waar het college de eindbevoegdheid draagt tot het nemen van besluiten over de toekenning van individuele jeugdhulpvoorzieningen, is het CJG het aanspreekpunt voor de inwoner. Het CJG onderzoekt de hulpvraag en beoordeeld welke ondersteuning nodig is. Het college legt deze beoordeling vast in een beschikking. Daarom wordt er in deze beleidsregels gesproken over ‘het CJG’ in plaats van ‘het college’ indien het gaat om de uitvoering van collegebevoegdheden die in de praktijk door het CJG worden uitgevoerd.
Ook kan het CJG zelf een algemeen toegankelijke voorziening bieden in de vorm van laagdrempelige hulp aan de jeugdige en hun ouders. Dit betekent dat het CJG aan jeugdige en hun ouders laagdrempelige hulp kan bieden bij hulpvragen. Voor het bieden van dergelijke hulp is geen beschikking van de gemeente nodig. De beoordeling of dergelijke hulp afdoende is, of dat toeleiding naar een individuele voorziening nodig is, wordt gemaakt door het CJG.
In deze beleidsregels verstaat het college onder:
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Integrale verordening sociaal domein Veenendaal, hoofdstuk drie, de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 1 van deze beleidsregels schetst het juridisch kader waarbinnen deze beleidsregels zijn opgesteld.
Hoofdstuk 2 bevat beleidsregels over de toegangsprocedure tot jeugdhulp via het CJG.
Hoofdstuk 3 beschrijft hoe het CJG het onderzoek naar de noodzaak tot jeugdhulp motiveert. Hier wordt onder andere beschreven welke afwegingsfactoren in het kader van eigen kracht relevant zijn en wat van ouders wordt verwacht in dit kader.
Hoofdstuk 4 bevat nadere toelichting op enkele specifieke jeugdhulpvoorzieningen.
Hoofdstuk 5 beschrijft hoe het CJG beoordeelt of een jeugdige of diens ouders in aanmerking komen voor de toekenning van een pgb.
2.1 Toeleiding naar de jeugdhulp
De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:
Deze beleidsregels zien enkel op de toegang via de gemeente.
1. Wie kan een hulpvraag kenbaar maken
Een inwoner kan zich met een hulpvraag tot het CJG wenden. Dit kan bijvoorbeeld de jeugdige zelf zijn, of diens (stief, adoptie of pleeg)ouders of wettelijk vertegenwoordiger(s). Met uitdrukkelijke toestemming van de jeugdige of diens ouders, kan een zorgverlener deze hulpvraag ook kenbaar maken.
Het kenbaar maken van de hulpvraag gebeurt digitaal (via het online formulier). Is een jeugdige of diens ouders reeds bekend bij de gemeente in het kader van jeugdhulp, dan kan een nieuwe hulpvraag ook telefonisch of via e-mail kenbaar gemaakt worden.
Tijdens het eerste contact (gesprek met CJG op grond van artikel 3.1.4, derde lid, van de verordening), wordt de hulpvraag en globale situatie van het gezin geïnventariseerd. Op basis van dit contact wordt beoordeeld of de hulpvraag direct beantwoord kan worden, of kan worden ondervangen met hulp uit het sociale netwerk of een algemeen toegankelijke (zoals omschreven in artikel 3.1.2, eerste lid, van de verordening) of overige voorziening.
Het CJG ondersteunt in deze gevallen bij de toeleiding naar de passende algemeen toegankelijke voorziening of kan zelf laagdrempelige ondersteuning bieden als zijnde een algemeen toegankelijke voorziening.
Indien uit de gesprekken blijkt dat de hulpvraag niet direct beantwoord of opgelost kan worden door middel van praktische tips, een algemeen toegankelijke of overige voorziening, dan kan een aanvraag worden ingediend middels het aanvraagformulier als bedoeld in de nadere regels jeugdhulp 2026.
3. Directe aanvraag zonder gesprek bij het CJG
Op grond van artikel 3.1.4, vijfde lid, van de verordening, kan in afwijking van artikel 3.1.4, tweede lid een aanvraag zonder voorafgaand gesprek met het CJG bij het college worden ingediend als er sprake is van een veiligheidsrisico, overige dringende redenen of bij uitzondering wanneer het een aanvraag betreft tot verlenging of herindicatie van een reeds toegekende voorziening.
Indien nodig kan het CJG in dergelijke gevallen alsnog een gesprek organiseren om de hulpvraag te verhelderen of aanvullende noodzakelijke informatie te verkrijgen.
Van veiligheidsrisico’s is sprake in situaties waar de veiligheid van de jeugdige maakt dat een gesprek met het CJG niet afgewacht kan worden. Er kan direct een aanvraag ingediend worden teneinde een onderzoek op te starten.
Van overige dringende redenen is sprake in gevallen waar het gesprek als bedoeld in artikel 3.1.4, tweede lid, van de verordening, niet kan worden afgewacht.
Wanneer het een aanvraag betreft tot een verlenging of herindicatie vindt altijd een herbeoordeling van de situatie plaats. Van het indienen van een aanvraag zonder voorafgaand gesprek met het CJG in geval van een aanvraag tot een verlenging of herindicatie, kan alleen sprake zijn indien de hulpvraag reeds bekend is en de omstandigheden niet wezenlijk zijn veranderd.
Soms kan een jeugdige of diens ouders niet wachten op een onderzoek. De jeugdwet biedt de gemeente in deze gevallen de mogelijkheid om direct een individuele voorziening te treffen. In deze gevallen wordt het besluit hiertoe achteraf, maar uiterlijk binnen vier weken, vastgelegd in een beschikking (artikel 3.1.4, achtste lid, verordening).
Er is sprake van een spoedeisende situatie als, naar het oordeel van het CJG, binnen 24 tot 48 uur een voorziening dient te worden ingezet vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen. In dergelijke situaties wordt zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening ingezet.
Voor het inzetten van spoedhulp is geen aanvraag vereist. Voor het inzetten van de vervolghulp, dus de hulp na de eerste vier weken, kan wel een aanvraag worden ingediend door de jeugdige of diens ouders. De jeugdige of diens ouders ontvangen na afronding van het onderzoek zo nodig een beschikking met betrekking tot de inzet van de spoedhulp en de vervolghulp die wordt ingezet.
5. Het onderzoek, bedoeld in artikel 3.1.5, van de verordening
Indien naar aanleiding van de (eerste) gesprekken een aanvraag wordt ingediend, volgt een onderzoek. Dit onderzoek vindt plaats conform het bepaalde in artikel 3.1.5, van de verordening. Zie voor meer toelichting paragraaf 2.4 uit deze beleidsregels.
Het onderzoek na indiening van de aanvraag verloopt in alle gevallen conform de stappen als beschreven in artikel 3.1.5, vierde lid, van de verordening en paragraaf 2.4 uit deze beleidsregels.
Na afronding van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag opgesteld.
De aanvraag wordt ingediend via het door het CJG verstrekte aanvraagformulier, als bepaald in de Nadere regels jeugdhulp Veenendaal.
Het aanvraagformulier kan tijdens of na de (eerste) gesprekken schriftelijk of digitaal worden ingevuld en ondertekend. Het is niet vereist dat beide ouders of zowel de jeugdige als de ouders tekenen; één handtekening volstaat.
Dit betreft meestal de handtekening van één van beide ouders. Is de jeugdige 16 jaar of ouder, dan kan de jeugdige de aanvraag ook zelf ondertekenen. De voorwaarde is dat de jeugdige goed begrijpt wat de aanvraag betekent en wat de gevolgen kunnen zijn, en een afweging kan maken van zijn belangen. Hiervoor is geen toestemming nodig van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige.
2. Aanvraag wordt ingediend op andere wijze
Indien de jeugdige of diens ouders een aanvraag indienen op andere wijze dan via het aanvraagformulier, dan worden de jeugdige of diens ouders in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van twee weken de aanvraag aan te vullen middels gebruik van het aanvraagformulier.
Blijft aanvulling uit en ontbreken daardoor essentiële gegevens, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld.
Is er sprake van een aanvraag tot verlenging of herindicatie, dan kan deze aanvraag wel worden ingediend op andere wijze dan via het aanvraagformulier.
3. Beoordeling van de aanvraag
Naar aanleiding van een aanvraag tot jeugdhulp wordt een onderzoek opgestart. Het onderzoek gebeurt samen met de ouders, de jeugdige, indien van toepassing de (onafhankelijk) cliëntondersteuner en/of – waar relevant – het sociaal netwerk. Elk jeugdhulponderzoek moet zorgvuldig en met oog voor de specifieke situatie van de jeugdige of diens ouders worden uitgevoerd, in overeenstemming met de wettelijke eisen.
Het CJG voert het onderzoek uit conform het bepaalde in artikel 3.1.5, vierde lid, van de verordening. Hierin verweven zitten de onderzoeksstappen als bepaald door de Centrale Raad van Beroep (uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1477).
3.1 Vraag 1: Wat is de hulpvraag?
De hulpvraag van de jeugdige of diens ouders is het uitgangspunt van het onderzoek naar jeugdhulp. Het CJG onderzoekt welk probleem of welke behoefte aan deze hulpvraag ten grondslag ligt en waardoor dit probleem of deze behoefte is ontstaan. Vervolgens onderzoekt het CJG aan de hand van dit probleem of deze behoefte in hoeverre jeugdhulp nodig is, gelet op het probleem en de eigen kracht van de ouders. Dit geldt ook indien de jeugdige of diens ouders de hulpvraag kenbaar hebben gemaakt in de vorm van een verzoek om een specifieke voorziening.
Het CJG beoordeelt de hulpvraag en het onderliggende probleem of de behoefte in zijn geheel, inclusief de invloed van ouders en het sociale netwerk en de eventuele noodzaak tot verwijzing naar ondersteuning uit andere domeinen. De beoordeling over de daadwerkelijke inzet uit andere domeinen, ligt altijd bij het desbetreffende domein zelf. Dat wil zeggen dat als de hulpvraag zich richt op gedragingen die zich voordoen bij het kind, óók onderzocht wordt wat de invloed van ouders of anderen binnen het sociale netwerk hierop is of zou kunnen zijn.
3.2 Vraag 2: Is er sprake van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en, zo ja, welke zijn dat?
Het CJG onderzoekt na vaststelling van de hulpvraag, of er, in relatie tot deze hulpvraag en het onderliggende probleem, sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen. Het gaat dan bijvoorbeeld om:
Indien wordt vastgesteld dat er géén sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige, dan betekent dit het eind van het onderzoek. Er kan dan geen sprake zijn van inzet van een voorziening vanuit de Jeugdwet. Jeugdigen en hun ouders kunnen wel gewezen worden op de voorzieningen in de sociale basis of vanuit andere wettelijke domeinen, indien er wel hulpvragen zijn geconstateerd, maar die hulpvragen niet vallen onder de reikwijdte van de jeugdwet.
3.3 Stap 3: Welke ondersteuning is er naar aard en omvang nodig?
Op basis van de hulpvraag (stap 1) en de vastgestelde problematiek (stap 2) bepaalt het CJG welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Dit betreft alle ondersteuning die nodig is om de doelen van de jeugdwet te bereiken, ongeacht of deze ondersteuning wordt geboden vanuit de Jeugdwet of bijvoorbeeld via een andere wettelijke regeling, algemeen toegankelijke voorziening of het eigen netwerk.
Het CJG maakt inzichtelijk welke concrete ondersteuning nodig is om de doelen uit de jeugdwet te behalen en hoe deze ondersteuning zich verhoudt tot de in stap 2 vastgestelde problematiek.
3.3.1. Jeugdwetdoelen als uitgangspunt
De bepaling van de benodigde ondersteuning wordt steeds getoetst aan de drie jeugdwetdoelen:
2. Groeien naar zelfstandigheid
Jeugdhulp is gericht op het versterken van de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van jeugdigen, ouders en hun sociale omgeving. Ondersteuning is tijdelijk en gericht op het bevorderen van zelfstandigheid, waarbij jeugdigen en gezinnen worden geholpen om steeds meer zelfstandig verder te kunnen.
Zelfstandigheid bestaat uit mogelijkheden voor het beoefenen van sport en cultuur en het volgen van onderwijs. Welk niveau van zelfstandigheid haalbaar is, kan per individu verschillen. Deze verschillen mogen er zijn. Groeien naar zelfstandigheid betekent, afhankelijk van de leeftijd en het ontwikkelingsniveau, voor iedere jeugdige iets anders.
3. Voldoende zelfredzaam zijn en maatschappelijk participeren
3.3.2. Aard en omvang van de ondersteuning
Op basis van de vastgestelde problematiek beschrijft het CJG welke ondersteuning nodig is om één of meerdere van de Jeugdwetdoelen te behalen. Dit betekent dat wordt aangegeven welke ondersteuning nodig is, met welke intensiteit en welk concreet doel in het individuele geval, zonder dat er al specifieke voorzieningen, aanbieders of concrete trajecten worden vastgelegd. Het gaat om de functie en het effect van de ondersteuning.
3.4 Stap 4: In hoeverre zijn de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend?
Op basis van de vastgestelde ondersteuningsbehoefte en beoogde resultaten wordt onderzocht welk deel van deze ondersteuning door de ouders zelf geboden of georganiseerd kan worden op grond van de eigen kracht (artikel 3.1.9a van de verordening).
3.4.1. Uitgangspunt: volledige ouderlijke verantwoordelijkheid
Uitgangspunt van het gemeentelijke beleid met betrekking tot de eigen kracht is dat alles wat de jeugdige nodig heeft aan verzorging, opvoeding, begeleiding en toezicht onder de ouderlijke verantwoordelijkheid valt.
Het kan voorkomen dat ouders hun eigen kracht niet goed kunnen inzetten ten behoeve van hun ouderlijke verantwoordelijkheid. In dergelijke gevallen onderzoekt het CJG of sprake is van objectieve belemmeringen die de volledige uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de weg staan, in combinatie met de mate waarin het probleemoplossend vermogen van de ouders deze belemmeringen weg kan nemen.
3.4.2. Objectieve belemmeringen
Van een objectieve belemmering is sprake wanneer ouders ondanks aantoonbare en redelijke inspanningen om hun eigen kracht te benutten, niet in staat zijn de noodzakelijke hulp aan hun kinderen te bieden of te organiseren.
Bij de beoordeling of sprake is van objectieve belemmeringen weegt het CJG in ieder geval de factoren a tot en met f van artikel 3.1.9a, vijfde lid, van de verordening. Dit betreft altijd een weging van de gehele situatie, waarbij de onderlinge samenhang van factoren als bedoeld in artikel 3.1.9a, van de verordening, doorslaggevend kan zijn.
Hierbij geldt ten aanzien van:
Artikel 3.1.9a, vijfde lid, sub a: Of sprake is van een lichamelijke of psychische beperkingen van de ouder die aantoonbaar invloed heeft op het bieden van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige wordt beoordeeld door een deskundige ter zake. Zie hiervoor ook het kader in paragraaf 3.6 van deze beleidsregels.
Artikel 3.1.9a, vijfde lid, sub b: Kennis en vaardigheden die naar het oordeel van het CJG binnen een redelijke termijn kunnen worden aangeleerd, vallen onder het probleemoplossend vermogen van ouders. Het ontbreken van deze kennis en vaardigheden vormt dan geen objectieve belemmering van de eigen mogelijkheden van de ouder. Een termijn van circa drie maanden wordt in beginsel als redelijk beschouwd.
3.4.3. Probleemoplossend vermogen
In artikel 3.1.9a tweede lid van de verordening staat het afwegingskader om het probleemoplossend vermogen van de ouders te bepalen. Hieronder wordt verstaan het vermogen van de ouders om maatregelen te treffen die de hulpvraag oplossen of beperken.
Het CJG verwacht in dit kader van ouders dat zij aantoonbare inspanningen verrichten om de hulpvraag op te lossen of te beperken als de verwachting is dat deze inspanning binnen een termijn van circa drie maanden tot een beperking van de hulpvraag kan leiden. Hierbij geldt ook dat van ouders wordt verwacht dat zij adviezen van professionals opvolgen met betrekking tot welke inspanningen redelijkerwijs verwacht kunnen worden.
Ook verwacht het CJG van ouders dat zij inzichtelijk maken welke inspanningen zijn geleverd in het kader van hun probleemoplossend vermogen. Ouders kunnen hiertoe onder andere afsprakenbevestigingen, bewijzen van trainingsdeelname, verklaringen van netwerkleden of andere documenten overhandigen aan het CJG.
Alleen wanneer het probleemoplossend vermogen ondanks deze aantoonbare en redelijke inspanningen onvoldoende is om de objectieve belemmeringen geheel of gedeeltelijk weg te nemen, komt het resterende deel van de zorgbehoefte in aanmerking voor een individuele voorziening.
Conform het afwegingskader uit artikel 3.1.9a, tweede lid, in samenhang met artikel 3.1.9, derde lid, van de verordening, verwacht het CJG van ouders dat zij in het kader van de eigen kracht gebruik maken van een algemeen toegankelijke of overige voorziening indien deze:
Bij het bepalen van de daadwerkelijke beschikbaarheid van algemeen toegankelijke of overige voorzieningen, geldt als uitgangspunt in het gemeentelijke beleid dat de jeugdige of diens ouders binnen een redelijke termijn na afronding van het onderzoek door CJG gebruik moeten kunnen maken van de voorziening. Hiermee wordt bedoeld dat de startdatum voor een dergelijke voorziening binnen een redelijke termijn beschikbaar dient te zijn. Afronding van het gebruik van een dergelijke voorziening of het zichtbaar worden van de effecten van deze voorziening kunnen later optreden.
Een algemeen toegankelijke of overige voorziening is passend én toereikend als de inzet van deze voorziening doeltreffend geacht kan worden.
De doeltreffendheid wordt door het CJG beoordeeld door vast te stellen of de algemeen toegankelijke of overige voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen of verminderen van de hulpvraag. Het CJG kan dit onder andere vaststellen door deskundigenadvies in te schakelen.
3.4.4. Eigen kracht in relatie tot vervoer
In het kader van de eigen kracht van ouders (artikel 3.1.9a, van de verordening) wordt van ouders verwacht dat zij het vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder zelf organiseren. Daarbij geldt dat vervoer van en naar een jeugdhulplocatie binnen een straal van zes kilometer in beginsel als behorend tot de eigen kracht wordt beschouwd. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen waar de ouders een objectieve belemmering ervaren die niet is weg te nemen op grond van het eigen probleemoplossend vermogen, kan de jeugdige in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening binnen een straal van zes kilometer.
Voor vervoer van en naar een jeugdhulplocatie buiten een straal van zes kilometer geldt het uitgangspunt dat van ouders wordt verwacht dat zij het vervoer meenemen in de afweging bij de keuze voor een jeugdhulpaanbieder. Indien zelf vervoeren lastig is, ligt het in de rede dat – voor zover beschikbaar – wordt gekozen voor een aanbieder die zo dicht mogelijk bij de woning van de jeugdige is gevestigd.
Van ouders wordt onder meer verwacht dat zij de jeugdige ondersteunen op het gebied van:
3.5 Stap 5: Is een voorziening op grond van de Jeugdwet nodig?
Indien het onderzoek uitwijst dat een individuele voorziening noodzakelijk is, wordt op basis van de criteria neergelegd in artikel 3.1.9, vierde tot en met zesde lid, van de verordening, in samenhang met 3.1.5, vierde lid, van de verordening bepaald welke voorziening passend is.
Ten aanzien van de criteria uit de artikel 3.1.5 en 3.1.9, van de verordening, geldt:
1. Tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders;
Een individuele voorziening dient gericht te zijn op het versterken van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders, zodat zij zelf in staat zijn om te gaan met de hulpvraag of deze op te lossen. Hiertoe behoort ook de versterking of mobilisering van het eigen netwerk. In dit kader toetst het CJG in hoeverre de voorziening bijdraagt aan herstel of versterking van de eigen kracht en het netwerk. Bij een herindicatie wordt dit opnieuw beoordeeld.
Adequaatheid betreft een ja/nee-vraag. Indien een voorziening passend en doeltreffend, is er sprake van adequaatheid.
Indien in een specifiek geval er meerdere voorzieningen zijn die adequaat zijn, wordt gekozen voor de voorziening die in zijn totaliteit, dus inclusief een eventuele bijkomende vervoersindicatie, de goedkoopste voorziening is.
Een voorziening is doeltreffend indien deze wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Het gaat daarbij om het bereiken van de doelen uit de Jeugdwet (gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau). Hierbij geldt; goed is goed genoeg. Doeltreffendheid houdt daarmee in het leveren van een wezenlijke bijdrage die de jeugdige in staat stelt in voldoende mate te participeren, zich te ontwikkelen en veilig en gezond op te groeien.
4. Geen bewezen niet-effectieve interventies;
Dit betreft een categorische uitsluiting. De gemeente vergoedt geen bewezen niet-effectieve interventies, conform artikel 3.1.9 en het overzicht van bewezen niet-effectieve interventies van het Nederlands Jeugdinstituut.
5. Rekening houdend met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of diens ouders.
In het onderzoek wordt uitgevraagd wat de wensen en voorkeuren van de jeugdige of diens ouders zijn. Dit wordt, conform artikel 2.3, vierde lid, van de Jeugdwet, in redelijkheid afgewogen in de keuze voor een bepaalde voorziening.
Indien ouders in een deel van het vervoer zelf kunnen voorzien, wordt uitsluitend voor het resterende deel een voorziening toegekend. Op basis van de beoordeling zoals beschreven in paragraaf 3.4.4 kan het college voor het resterende vervoer een passende voorziening toekennen.
Als de vervoersvoorziening in de vorm van een pgb wordt verstrekt, bestaat deze uit een kilometervergoeding voor vervoer met eigen auto op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer. Voor het vaststellen van de afstand wordt gebruik gemaakt van de ANWB-routeplanner. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de optie `kortste route' met de auto. Enkel de rit waar de jeugdige in de auto zit komt voor een vergoeding in aanmerking.
3.5.2 Voorziening in Zorg in Natura of PGB
Pas nadat de juiste voorziening is bepaald, wordt beoordeeld of de voorziening in Zorg in Natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt. Daarbij geldt dat het uitgangspunt een voorziening in Zorg in Natura is. Slechts indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen en aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan, conform artikel 3.1.12d en hoofdstuk 5 van deze beleidsregels, wordt een voorziening in de vorm van een pgb verstrekt.
3.6 Extern advies en betrokken deskundigheid
Het CJG kan, voor zover die informatie noodzakelijk is om te kunnen beoordelen welke jeugdhulp nodig is, informatie inwinnen bij andere betrokken professionals of instanties, indien van toepassing, met toestemming van de jeugdige of ouders.
Het CJG maakt daarnaast inzichtelijk welke overige professionals of instanties bij het onderzoek zijn betrokken en op welke wijze hun informatie is meegewogen in het advies.
3.7 Medewerkingsplicht jeugdige en ouders
1. Doel van de algemene medewerkingsplicht
Om een zorgvuldig en deugdelijk besluit te kunnen nemen in het kader van de Jeugdwet, is het noodzakelijk dat de jeugdige en diens ouders meewerken aan het onderzoek. Dit houdt in dat zij de informatie en contactpersonen verstrekken waarvan het CJG redelijkerwijs mag aannemen dat deze nodig is voor het onderzoek, en dat zij meewerken aan gesprekken, huisbezoeken en – indien van toepassing – het opvragen van deskundigenadvies.
Onvoldoende medewerking kan gevolgen hebben voor de beoordeling van de hulpvraag.
2. Opvragen informatie bij derden
Informatie wordt enkel opgevraagd bij derden indien dit noodzakelijk is voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Indien informatie wordt opgevraagd bij derden, worden de jeugdige en diens ouders hierover geïnformeerd. Aan de jeugdige en diens ouders wordt uitgelegd waarom er contact wordt opgenomen met de derde, welke informatie wordt opgevraagd en waarom het opvragen van deze informatie noodzakelijk is.
Aan de jeugdige of diens ouder wordt toestemming gevraagd voor het opvragen van informatie. Voor het opvragen van informatie bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waar de jeugdige schoolgaand is, is geen toestemming van de jeugdige of diens ouders benodigd, op grond van artikel 2.7 van de Jeugdwet.
4. Afbakening specifieke jeugdhulpvoorzieningen
Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van ernstige dyslexie als zij voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.1.9c, van de verordening. Dit houdt onder meer in dat, alvorens het CJG ernstige dyslexiezorg inzet, het CJG eerst uitsluit dat de lees- en/of spellingproblemen een andere oorzaak hebben, zoals slechte ogen, slecht taalonderwijs of een zeer laag IQ.
De behandeling bestaat uit maximaal 60 uur per jeugdige. De duur van de behandeling is maximaal 18 maanden. Uitgangspunt is dat geen verlengingen worden verleend. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan verlenging van de behandeling plaatsvinden. De aanbieder motiveert het verzoek tot verlenging door middel van een aangeleverd plan van aanpak.
Een Ouder- en Kindhuis (ook wel Moeder- en kindhuis, MKH) is een vorm van verblijf waar (jonge) ouders (in de regel vaak moeders) tijdelijk met hun kind(eren) kunnen wonen en intensieve begeleiding krijgen bij het ouderschap en het opbouwen van een zelfstandig bestaan. De inzet van een MKH raakt vaak aan zowel jeugdhulp als ondersteuning op grond van de Wmo of behandeling via de Zvw. Een zorgvuldige afweging is daarom essentieel.
Een MKH kan vanuit de Jeugdwet worden ingezet uitsluitend wanneer er sprake is van een hulpvraag voor het (ongeboren) kind, en ambulante vormen van jeugdhulp onvoldoende toereikend zijn. De problematiek moet dusdanig zijn dat de veiligheid, ontwikkeling of het opvoedperspectief van het kind zonder deze voorziening in het geding komt. Belangrijke voorwaarden:
Respijtzorg is een voorziening die ouders of verzorgers tijdelijk ontlast in de zorg voor een jeugdige, met als doel dat zij de rol van verzorger en opvoeder duurzaam kunnen blijven vervullen (artikel 2.3, derde lid, Jeugdwet). De vorm van respijtzorg is vrij, zolang deze aantoonbaar bijdraagt aan dit doel.
De inzet van jeugdhulp bij lage belastbaarheid van de ouders gaat altijd gepaard met actieve toeleiding naar het volwassenendomein, zodra dit verantwoord is.
5. Het persoonsgebonden budget Jeugdhulp
Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag waarmee een jeugdige of diens ouders zelf de jeugdhulpvoorziening kan inkopen die nodig is. Het pgb wordt niet op de eigen rekening gestort, maar beheert via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB betaalt de zorgverlener rechtstreeks, op basis van de overeenkomst die de jeugdige of diens ouders hebben afgesloten.
Het CJG beoordeelt in beginsel altijd of het jeugdhulp aanbod in natura passend is. Als aan alle voorwaarden voor het verstrekken van een pgb is voldaan en de jeugdige of diens ouders geven gemotiveerd aan waarom zorg in natura niet passend is, dan wordt de jeugdhulp in de vorm van een pgb verstrekt.
In spoedsituaties kan geen pgb worden verstrekt. De gemeente biedt in dat geval altijd eerst een (tijdelijke) voorziening in natura. Na afronding van het onderzoek kan, indien wordt voldaan aan de voor een pgb geldende voorwaarden, wel een pgb worden toegekend.
1. Doel van de pgb voorwaarden
Artikel 8.1.1 van de Jeugdwet bepaalt dat de gemeente alleen een pgb mag toekennen als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De voorwaarden voor het toekennen van een pgb zijn cumulatief: aan alle voorwaarden moet worden voldaan.
De ouders of de door hen aangewezen vertegenwoordiger moet in staat zijn de taken rond het pgb verantwoord uit te voeren. Dit noemen wij pgb-vaardigheid. Het CJG beoordeelt pgb-vaardigheid in ieder geval op de volgende punten:
De ouders/vertegenwoordiger zijn voldoende vaardig om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. Het is noodzakelijk dat de client of pgb-vertegenwoordiger in staat is om de informatie over het pgb te begrijpen, contracten en correspondentie te lezen, formulieren in te vullen en te communiceren met betrokken instanties.
Deze punten zijn gebaseerd op de Handreiking voor toetsing op (minimale) pgb-vaardigheid van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport.
De beoordeling vindt plaats in samenhang. Het is niet vereist dat op ieder afzonderlijk onderdeel volledig wordt voldaan, zolang het totaalbeeld maakt dat het pgb op een verantwoorde wijze kan worden beheerd.
Als de ouders zelf niet pgb-vaardig zijn, kan een vertegenwoordiger het pgb beheren, mits deze voldoende pgb-vaardig is om de taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Het CJG beoordeelt de pgb-vaardigheid van de vertegenwoordiger op dezelfde wijze als die van de ouders.
3. Afwijken van scheiding tussen pgb-beheer en zorgverlening
Het college kan, in afwijking van het uitgangspunt dat de ouder die als zorgverlener optreedt niet tevens het pgb beheert, besluiten hiervan af te wijken indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.1.12, zevende lid, van de verordening.
Het CJG beoordeelt in dat kader:
Of een zorgverlener moet beschikken over een registratie in het Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) dan wel een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG), wordt bepaald door de aard, complexiteit en risico’s van de geïndiceerde jeugdhulp en de daarbij behorende jeugdhulpvoorziening. Een registratie-eis volgt dus uit de inhoud van de hulp en niet uit de persoon van de zorgverlener.
Indien bij de toekenning van een voorziening is bepaald dat ondersteunende betrokkenheid van een SKJ- of BIG-geregistreerde professional noodzakelijk is, draagt de pgb-zorgverlener er zorg voor dat deze betrokkenheid aantoonbaar is georganiseerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-220357.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.