Gemeenteblad van Midden-Delfland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 219289 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 219289 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland, gelet op artikel 12.3 van de Verordening jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026; besluit vast te stellen:
Nadere regels jeugdhulp gemeente Midden-Delfland 2026
In de Jeugdwet is vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het organiseren van passende jeugdhulp, het waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van deze hulp, en voor een integrale aanpak van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen bij jeugdigen. De gemeenteraad moet hiervoor bij verordening regels vaststellen. De Verordening Jeugdhulp Midden-Delfland 2026 geeft uitvoering aan de Jeugdwet.
De wet, de gemeentelijke verordening en de nadere regels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel, waarbij de één voortbouwt op de ander en deze nader concretiseert. De wet staat boven de verordening. De gemeentelijke verordening is een door de raad vastgestelde algemeen verbindende regeling. In de nadere regels worden deze kaders verder uitgewerkt, zodat de uitvoering eenduidig en zorgvuldig kan plaatsvinden.
De Jeugdwet en de Verordening Jeugdhulp regelen de bevoegdheden van zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders. De uitvoering van de wet en de verordening vindt in de praktijk namens het college plaats -veelal inmandaat - door het sociaal team of andere gemeentelijke uitvoeringsorganisaties.
De Verordening en nadere regels vormen het afwegingskader voor het al dan niet inzetten van jeugdhulp. Het uitgangspunt van de Jeugdwet is dat jeugdigen en hun ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijkheid dragen voor het oplossen van opgroei- en opvoedingsproblemen. Er wordt beoordeeld in hoeverre de jeugdige, het gezin en het sociaal netwerk zelf in staat zijn de problemen op te lossen of te verminderen (eigen kracht).
Als dit ontoereikend is, wordt bekeken of ondersteuning vanuit het voorliggende veld (bijvoorbeeld onderwijs, jeugdgezondheidszorg of algemene voorzieningen) passend en toereikend is. Wanneer ook dat niet voldoende is, kan een individuele voorziening worden toegekend. Bij de toekenning van een individuele voorziening staat het te bereiken resultaat voorop, niet het middel zelf.
Indien er geen sprake is van een opgroei- of opvoedingsprobleem, psychische problematiek of een stoornis die de zelfredzaamheid of participatie van de jeugdige belemmert, is ondersteuning op grond van de Jeugdwet niet aan de orde.
(Wet- en regelgeving: Jeugdwet artikelen 2.3, 2.4, 2.6, 2.9, 2.10, 2.12, 2.15 en 2.16.)
ARTIKEL 1. AARD EN OMVANG VAN AMBULANTE JEUGDHULP
Het college hanteert het Normenkader en Richtinggevend kader om de aard en omvang van de in te zetten ambulante jeugdhulp ondersteuning te bepalen. De productbeschrijvingen behorende bij deze productcodes zijn te vinden op de website van het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (Homepage - Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden) onder het kopje Gemeente.
ARTIKEL 2. DRAAGLAST EN DRAAGKRACHT
Voorafgaande aan de vaststelling van de draagkracht en de draaglast bespreekt het sociaal team eerst met de ouder(s) hoe deze dit ervaren en wat deze nodig heeft om de zorg voor het kind te kunnen voortzetten zonder risico op overbelasting. Hierbij houdt het sociaal team rekening met het feit dat de mate van noodzaak tot ondersteuning en de vorm waarin deze plaats vindt, kan fluctueren in de loop der tijd.
In het onderzoek naar draagkracht weegt het sociaal team verschillende factoren af die van invloed zijn op de draaglast. Hierbij wordt rekening gehouden met normale zorgen, spanning, de mate van stress en een tijdelijke crisis of noodsituatie. Van een crisis of noodsituatie in de zin van de Jeugdwet is sprake indien zich een acute situatie voordoet waarin het uitblijven van onmiddellijke jeugdhulp leidt tot een ernstig risico voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van de jeugdige, en waarin het reguliere onderzoeks- en toeleidingstraject niet kan worden afgewacht. De volgende factoren worden afgewogen:
Indien het college een aanvraag voor jeugdhulp afwijst omdat de ouder(s) op grond van hun draagkracht voldoende mogelijkheden hebben om zelf in de benodigde ondersteuning te voorzien, motiveert het college in het besluit waarom van de ouder(s) kan worden verwacht dat zij deze ondersteuning bieden en waarom zich geen andere omstandigheid uit deze nadere regels voordoet op grond waarvan alsnog een voorziening wordt verstrekt.
ARTIKEL 3. AFWEGINGSKADER DRAAGLAST
Het college stelt vast of de ouder(s) van wie oplossingen vanuit draagkracht wordt verwacht:
beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te verlenen, waarbij het college tevens in de beoordeling betrekt of in het geval van belemmeringen in de beschikbaarheid van de ouder(s) een kortdurende voorziening verstrekt kan worden om de gelegenheid aan de ouder(s) te bieden de beschikbaarheid te vergroten. Deze voorziening gaat voor op een te verlenen jeugdhulpvoorziening;
Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.
Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.
Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
ARTIKEL 4. AANVULLENDE EISEN PGB
Conform artikel 8.1.1 van de jeugdwet verstrekt het sociaal team alleen een individuele jeugdhulpvoorzieningin de vorm van een pgb:
Voor het beoordelen of een inwoner pgb vaardig is, hanteert het college onder meer de checklist van de overheid: Infographic met toelichting - Checken 10 punten pgb-vaardigheid | Publicatie | Rijksoverheid.nl
ARTIKEL 6. BESTEDING VAN HET PGB
Na toekenning van een PGB controleert het College bij de SVB of het budget is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Wanneer dit niet het geval is, dan wordt er contact met de budgetbeheerder opgenomen en onderzocht waarom dit is, of het PGB alsnog besteed gaat worden en of er andere hulp noodzakelijk is.
Bij een verandering in de zorgvraag waardoor het budget anders wordt ingezet, vragen de ouders het College hiervoor toestemming. Als dit niet wordt gedaan, dan kan het College dit beschouwen als onjuiste verstrekking van informatie. Het College heeft ook de mogelijkheid om het PGB te herzien bij een verandering in de zorgbehoefte.
Het College acht het noodzakelijk om voor de kwaliteit van de geboden jeugdhulp vanuit een PGB aanvullende kwaliteitseisen te stellen (Verordening artikel 8.3 en 10.1).
ARTIKEL 9. TOETSING, VERANTWOORDING EN EVALUATIE
Gedurende de looptijd van de zorg vindt monitoring plaats via periodieke gesprekken met de jeugdige en zijn gezin. Bij deze gesprekken kan ook de jeugdhulp aanbieder aanwezig zijn. Deze voortgangsgesprekken zijn afhankelijk van het ontwikkelpotentieel dat verschilt per situatie (is er sprake van ontwikkelingsdoelen of stabiliseringsdoelen).
ARTIKEL 10. AFWIJKINGSBEVOEGDHEID
Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van deze Nadere regels indien toepassing van deze regels gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de Nadere regels te dienen doelen.
Bij het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens wordt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht genomen. De privacywetgeving heeft betrekking op de hele procedure. Wanneer de gegevens niet kunnen worden verwerkt op de grondslagen anders dan toestemming, zal waar nodig en gepast om toestemming in de zin van de AVG worden gevraagd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-219289.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.