Gemeenteblad van Hoogeveen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2026, 219116 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2026, 219116 | beleidsregel |
Beleidsregel krediethypotheek en pandrecht Hoogeveen
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;
gelezen het ambtelijk voorstel;
overwegende, dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor
de uitleg en de wijze waarop het college gebruik maakt van de bevoegdheid die het college heeft om zekerheidsrechten te vestigen op grond van de Participatiewet;
omdat voor inwoners duidelijk moet zijn wanneer en onder welke voorwaarden het college gebruik maakt van de bevoegdheid om aan de bijstand in de vorm van een geldlening de verplichting te verbinden om ten behoeve van het college een zekerheidsrecht te vestigen;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 48, derde lid, van de Participatiewet;
gezien het advies van de Cliëntenraad Sociale Zekerheid Hoogeveen dat op grond van artikel 47 van de Participatiewet in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Inspraakverordening is ingewonnen;
Artikel 2 Reikwijdte beleidsregel
De beleidsregel is uitsluitend van toepassing, indien het college verplicht is de algemene bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen op grond van artikel 50, tweede lid, van de wet.
De algemene bijstand verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek is ten hoogste de WOZ-waarde van de woning, verminderd met de daarop drukkende schulden en het ingevolge artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de wet vrij te laten vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet.
De algemene bijstand verleend in de vorm van een geldlening onder verband van pand is ten hoogste de waarde van de woonwagen of het woonschip in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en het ingevolge artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de wet vrij te laten vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de wet.
Artikel 7 Rentevoorwaarden hypotheek en pand
Indien belanghebbenden naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kunnen betalen, doch niet kunnen aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Artikel 8 Aflossing geldlening bij vererving en verkoop woning, woonwagen of woonschip
Bij verkoop of bij vererving van de woning, woonwagen of het woonschip, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 7, derde en vierde lid, bijgeschreven rente, terstond opeisbaar.
Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van de belanghebbende, dan wel wegens werkaanvaarding elders door de belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat de belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
De beleidsregel sluit voor wat betreft de krediethypotheek aan bij het ingetrokken Besluit krediethypotheek bijstand van 12 april 1995, staatsblad 204, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 september 2000, staatsblad 408, zoals dat op 31 december 2003 gold. Voor het pandrecht is zoveel mogelijk daarbij aangesloten.
Het eerste lid spreekt voor zich.
Ten aanzien van het zekerheidsrecht pand zijn drie vormen mogelijk: vuistpand (artikel 3:236 BW), bezitloos pandrecht (artikel 3:237 BW) en stil pandrecht (artikel 3:239 BW).
Bij vuistpand beschikt de pandnemer over de roerende zaak en kan de pandgever (de klant) daar niet over beschikken. Bij bezitloos pandrecht blijft de pandgever (klant) over de roerende zaak (woonwagen of woonschip) beschikken. Reden waarom in de beleidsregels voor bezitloos pandrecht is gekozen.
Artikel 2 Reikwijdte beleidsregels
Het college kan aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen, gelet op artikel 48, derde lid, van de wet. Dit geldt niet alleen voor algemene bijstand in de vorm van een geldlening bij een eigen woning als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet, maar ook voor de bijstand die in de vorm van een geldlening wordt verstrekt op grond van artikel 48, tweede lid, van de wet. Deze beleidsregel is uitsluitend geschreven voor situaties als omschreven in artikel 50, tweede lid, van de wet. Het vestigen van een zekerheidsrecht wanneer bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt op basis van artikel 48, tweede lid, van de wet komt niet of nauwelijks voor. Reden waarom daar geen beleidsregel voor wordt vastgesteld.
Dit kan het beste aan de hand van een voorbeeld worden toegelicht.
Belanghebbende is eigenaar van een door hemzelf bewoonde woning 1 .
Belanghebbende kan de woning niet te gelde maken of bezwaren. Op de woning rusten geen schulden. De waarde van de woning is € 100.000 (gebaseerd op een recente WOZ-beschikking).
Gelet op artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de wet is de vermogensvrijstelling € 63.900,00 (2024).
De hypotheek kan dan maximaal € 36.100,00 bedragen. Het college verleent dan bij ongewijzigde omstandigheden net zolang algemene bijstand in de vorm van een geldlening tot het bedrag van
€ 36.100,00 is bereikt. Daarna verstrekt het college de algemene bijstand om niet.
Om de regeling zo eenvoudig mogelijk in de uitvoering te maken, wordt er gekozen voor het vestigen van een hypotheek als de hypotheek minimaal € 5.000,00 bedraagt. Is de te vestigen hypotheek lager dan dit bedrag dan wordt er afgezien van het vestigen van een hypotheek.
De bijstand wordt dan verstrekt in de vorm van een geldlening met inachtneming van artikel 50, tweede lid Participatiewet zonder zekerheidsrecht.
Zie de toelichting op artikel 3. Voor woonwagens en woonschepen is van belang om te bepalen of het een registergoed of onroerende zaak is. Is dat het geval dan is artikel 3 van toepassing.
Artikel 5 Voorwaarden krediethypotheek en pand
De eerste twee leden komen overeen met artikel 3 van het Besluit krediethypotheek bijstand, zoals dat op 31 december 2003 luidde. Het derde lid is vergelijkbaar met het tweede lid maar toegespitst op het pandrecht.
Artikel 6 Aflossingsvoorwaarden krediethypotheek en pand
Dit artikel komt overeen met artikel 4 van het Besluit krediethypotheek bijstand, zoals dat op 31 december 2003 gold.
Artikel 7 Rentevoorwaarden hypotheek en pand
Dit artikel komt overeen met artikel 5 van het Besluit krediethypotheek bijstand, zoals dat op 31 december 2003 gold. Uitgezonderd het tweede lid. In artikel 5 tweede lid stond dat de rente gelijk is aan de wettelijke rente minus drie procent. In het verleden is het voorgekomen dat de wettelijke rente zo laag was, dat geen rente verschuldigd zou zijn op basis van de beleidsregel, als dit onverkort in de beleidsregel zou worden opgenomen. Reden waarom is opgenomen dat de rente nooit lager kan zijn dan drie procent.
Artikel 8 Aflossing geldlening bij vererving en verkoop woning, woonwagen of woonschip
De eerste drie leden van dit artikel komen overeen met artikel 6 lid 1, 2 en 4 van het Besluit krediethypotheek bijstand, zoals dat op 31 december 2003 gold. Het vierde lid van artikel 8 komt overeen met artikel 8 van het Besluit krediethypotheek bijstand, zoals dat op 31 december 2003 gold.
Artikel 9 Hernieuwde bijstandsverlening binnen twee jaar
Het eerste lid komt overeen met artikel 7 van het Besluit krediethypotheek bijstand, zoals dat op 31 december 2003 gold. In het tweede lid is een soortgelijke bepaling opgenomen voor pandrecht.
Bij een niet al te lange onderbreking van de bijstandsverlening moet ervan worden uitgegaan dat de nieuwe bijstandsbehoeftigheid niet los kan worden gezien van die daarvoor.
Daarom is geregeld dat in gevallen waarin geen sprake is van een duurzame onderbreking, de laatste berekening van het bedrag van de maximale geldlening wordt gehanteerd.
Voor zover het maximale bedrag van de geldlening nog niet is aangesproken, hetzij door een voortijdige beëindiging van de bijstand, hetzij door inmiddels verrichte aflossingen, wordt de te verlenen bijstand ten laste daarvan geboekt. Is het maximale bedrag wel volledig aangesproken dan wordt de bijstand verder om niet verleend.
[1] Voor eigenaren van een woning die niet door henzelf bewoond wordt, telt het vermogen in de woning volledig mee voor de vaststelling van het recht op bijstand. In die gevallen is artikel 50 van de Participatiewet en de vermogensvrijlating van artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet niet van toepassing.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-219116.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.