Gemeenteblad van Hoogeveen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2026, 219108 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoogeveen | Gemeenteblad 2026, 219108 | beleidsregel |
Beleidsregel bijzondere bijstand gemeente Hoogeveen
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;
gelezen het ambtelijk voorstel;
overwegende, dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor
de uitleg van de volgende wettelijke voorschriften en de invulling van de bevoegdheden die het college heeft op grond van die wettelijke voorschriften;
omdat daarmee rechtszekerheid wordt geboden en om te zorgen voor consistente besluitvorming;
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 35, 44, eerste lid, en 51 van de Participatiewet;
gezien het advies van de Cliëntenraad Sociale Zekerheid Hoogeveen dat op grond van artikel 47 van de Participatiewet in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Inspraakverordening is ingewonnen;
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In afwijking van artikel 44, eerste lid, van de wet kan bijzondere bijstand worden verleend voor kosten die zijn gemaakt tot en met drie maanden voor de datum waarop belanghebbende zijn aanvraag bijzondere bijstand heeft ingediend.
Artikel 4 Bepaling van het inkomen en vermogen
De hoogte van het inkomen wordt bij niet-bijstandsgerechtigden vastgesteld aan de hand van de meest recente inkomensspecificatie, tenzij het inkomen in de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan, afwijkt van de meest recente inkomensspecificatie. In dat geval wordt het inkomen vastgesteld aan de hand van de inkomensspecificatie over de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
Artikel 6 Vermogen zelfstandige
Bij de vermogensvaststelling van een zelfstandige is artikel 7 van het Bbz 2004 van toepassing. Hierbij geldt geen vermogensvrijlating, uitgezonderd het voor het bedrijf noodzakelijke vermogen, inclusief vermogen in de woning. Dat betekent dat de zelfstandige of parttime ondernemer buiten het vermogen in de eigen woning niet mag beschikken over enig privévermogen.
Het college rekent niet tot de draagkracht het inkomen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tot en met 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld. Het deel van het inkomen dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantiegeld, wordt het meerinkomen genoemd.
Het college rekent niet tot de draagkracht het inkomen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, tot en met 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het deel van het inkomen dat meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, wordt het meerinkomen genoemd.
Artikel 8 Afwijkende draagkracht zelfstandigen
In afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, kan voor de doelgroep zelfstandigen bij de toepasselijke bijstandsnorm ook een bedrag aan woonkostentoeslag en/of een vergoeding voor de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering worden opgeteld. Het percentage dat geldt als inkomensgrens is in dit geval het percentage van de bijstandsnorm plus woonkostentoeslag en/of premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Als bij de vaststelling van het netto-inkomen van de zelfstandige die algemene bijstand ingevolge het Bbz 2004 ontvangt tevens rekening is gehouden met de woonkosten en/of de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering als bedoeld in artikel 1, onder g, van het Bbz 2004, dan komt de zelfstandige niet in aanmerking voor een afzonderlijke verstrekking voor deze kosten.
De draagkracht wordt voor een periode van twaalf maanden vastgesteld.
De periode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
Indien sprake is van bijzondere bijstand voor periodieke kosten, stelt het college de draagkracht maximaal per kalenderjaar vast.
Indien geen draagkracht aanwezig is, kan de draagkrachtperiode worden vastgesteld op maximaal drie achtereenvolgende kalenderjaren voor belanghebbenden met uitsluitend een uitkering op grond van de:
Hoofdstuk 2 Kosten van bijzondere bijstand
Artikel 14 Woninginrichtingskosten niet-statushouders
Op belanghebbenden die in een vergelijkbare positie verkeren als statushouders is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.
Het college kan aan inwoners die over onvoldoende middelen beschikken bijzondere bijstand verstrekken voor de eigen bijdrage van kinderopvang. Dit in aanvulling op de tegemoetkoming die het college verstrekt voor de kosten van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie.
Artikel 17 Woonkostentoeslag bij een huurwoning
Een belanghebbende bij wie de huurovereenkomst ingaat na de eerste van de maand, kan in het geval van onvoorziene omstandigheden over die maand woonkostentoeslag aanvragen. De woonkostentoeslag wordt dan berekend overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag. Het deel van de (reken)huur voor zover dat meer bedraagt dan de maximale huurgrens vergoedt het college dan volledig.
Artikel 18 Woonkostentoeslag bij een eigen woning
Artikel 19 Jongeren in inrichting
De bijzondere bijstand is wettelijk geregeld in artikel 35 van de Participatiewet.
In deze beleidsregel vult het college zijn bevoegdheden in ten aanzien van de bijzondere bijstand bij de vaststelling van de draagkracht, de draagkrachtperiode en bij de bepaling van de inhoud van het bijzondere bijstandsbeleid.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Voor zover de beleidsregel begrippen gebruikt die afwijken of niet voorkomen in de Participatiewet en Algemene wet bestuursrecht, worden die hier gedefinieerd.
Het college moet beoordelen of een aanvraag bijzondere bijstand met terugwerkende kracht is gedaan. Het college moet beoordelen op welk moment de kosten zijn gemaakt, gelet op artikel 44, eerste lid, van de wet. Met het verbod om met terugwerkende kracht toe te kennen moet niet te streng worden omgegaan bij de bijzondere bijstand. Het kan namelijk gebeuren dat het indienen van een aanvraag voordat de kosten zich voordoen niet mogelijk is. Vasthouden aan het verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht zou in die gevallen betekenen dat de functie van de bijzondere bijstand wordt uitgehold 1 . In artikel 44, vijfde lid, van de wet staat ook dat bijstand maximaal drie maanden met terugwerkende kracht kan worden toegekend. Daar moeten dan wel individuele omstandigheden toe noodzaken. Bij aanvragen bijzondere bijstand maakt het college standaard gebruik van deze bevoegdheid, zolang die kosten niet langer dan drie maanden geleden zijn gemaakt voorafgaand aan de aanvraag. Reden om dit artikel in de beleidsregel op te nemen.
De gedachte achter het drempelbedrag is het voorkomen van relatief grote administratieve inspanningen voor kleine bedragen. Dit drempelbedrag is € 170,00 (2025). Bijzondere bijstand voor kosten die binnen twaalf maanden het drempelbedrag niet te boven gaan, mag het college weigeren op grond van artikel 35, tweede lid, van de wet. Van deze bevoegdheid maakt het college geen gebruik.
Artikel 4 Bepaling van het inkomen en vermogen
Dat het inkomen met inachtneming van artikel 31 van de wet wordt vastgesteld, betekent dat het inkomen dat op basis van artikel 31 van de wet niet tot middelen wordt gerekend, ook niet tot de middelen wordt gerekend bij aanvragen bijzondere bijstand.
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
In geval dat het inkomen afwijkt van de meest recente inkomensspecificatie, vraagt het college de inkomensspecificaties op van de maand waarin de kosten zich hebben voorgedaan.
Wanneer een belanghebbende bij een werkgever periodiek wisselende inkomsten heeft, gaat het college uit van het gemiddelde inkomen over een periode van een half jaar.
De studietoeslag is bedoeld voor studenten die naast hun studie niet in staat zijn inkomsten te verwerven met een bijbaantje. Bij een student die bijzondere bijstand aanvraagt, wordt rekening gehouden met het inkomen uit het bijbaantje. Dit maakt dat het college ook de studietoeslag tot het inkomen rekent.
De wijze waarop dit lid moet worden toegepast, wordt verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld: Als een belanghebbende op 6 december bijzondere bijstand aanvraagt en de kosten zich ook hebben voorgedaan in de maand december, dan stelt het college het vermogen vast per 1 december.
Artikel 5 Inkomen zelfstandige
Een periode van een heel boekjaar geeft een beter beeld van de werkelijke inkomenssituatie van een zelfstandig, want bij hen kunnen de inkomsten op maandbasis behoorlijk fluctueren. Dit geeft een betrouwbaarder beeld van de gemiddelde inkomenssituatie.
Deze onderdelen geven aan wanneer daarvan afgeweken kan worden.
Deze leden behoeven geen nadere toelichting.
Artikel 6 Vermogen zelfstandige
Dit volgt uit artikel 7 van het Bbz 2004. Daarin staat expliciet. wat niet tot het vermogen wordt gerekend. Al het andere vermogen wordt dus wel in aanmerking genomen.
In het Bbz geldt geen bescheiden (privé)vermogensvrijlating zoals in de Participatiewet geldt, ook niet voor het privévermogen van gezinsleden.
Deze leden behoeven geen nadere toelichting.
De draagkracht is dan dermate gering, dat deze buiten beschouwing wordt gelaten.
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Om te voorkomen dat inwoners als gevolg van hun aanvraag bijzondere bijstand hun uitvaarverzekering moeten afkopen en daardoor niet verzekerd zijn tegen deze kosten, laat het college deze buiten beschouwing.
Voor inwoners met een minimum inkomen en een overwaarde in de eigen woning die ze zelf bewonen is het niet of nauwelijks mogelijk om deze te gelde te maken of (verder) te bezwaren, om de kosten die zich voordoen zelf te betalen. Dit maakt dat het college die overwaarde buiten beschouwing laat.
Dit komt overeen met artikel 34, tweede lid, onderdeel a, van de wet. Ook in het kader van aanvragen bijzondere bijstand rekent het college dit niet tot het vermogen.
Als er beslag ligt is er geen draagkracht. Ook wanneer de beslagvrije voet hoger is dan de inkomensgrens zoals vastgelegd in het beleid. De beslagvrije voet is namelijk het bestaansminimum waarvan geleefd moet worden. Zie CRvB 11-4-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:705.
Bij een Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) beschikt belanghebbende uitsluitend over een inkomen ter hoogte van het vrij te laten bedrag (vtlb). Het vtlb bestaat uit de beslagvrije voet en verhogingen daarvan op grond van het vtlb-rapport. Over het inkomen hoger dan de vtlb kan belanghebbende niet beschikken en kan om die reden niet tot de draagkracht worden gerekend. Dit is vaste rechtspraak. In dit onderdeel wordt geregeld dat bij een WSNP ook het inkomen ter hoogte van de vtlb niet tot de draagkracht wordt gerekend. Het college wil inwoners met een problematische schuldensituatie ondersteunen. Door de eventuele draagkracht in de vtlb buiten beschouwing te laten, wil het college bevorderen dat de WSNP tot een goed einde wordt gebracht en de inwoner schuldenvrij wordt. Dit gelet op de vele onderzoeken, waaruit blijkt wat de gevolgen zijn van problematische schulden 2. Veelal zal ook daadwerkelijk geen draagkracht aanwezig te zijn.
Het college ondersteunt inwoners met een problematische schuldensituatie op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Met deze bepaling wil het college voorkomen dat de minnelijke schuldregeling belemmerd wordt.
Bij beslaglegging, WSNP en minnelijke schuldregeling wordt bij het bepalen van de beslagvrije voet of het vrij te laten bedrag geen rekening gehouden met de kostendelersnorm, maar met de norm die belanghebbende als alleenstaande (ouder) of gehuwde ontvangt. Dit maakt dat in situaties waarin een belanghebbende kostendelende medebewoners heeft hij wel draagkracht heeft.
Artikel 8 Afwijkende draagkracht zelfstandigen
Als de zelfstandige verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid en/of recht kan hebben op woonkostentoeslag, kunnen de maandelijks te betalen premie en/of woonkostentoeslag worden opgeteld bij de algemene bijstandsnorm. De norm is in dit geval dan de 120% van de algemene bijstandsnorm en de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en/of de woonkostentoeslag samen.
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
Periodieke kosten wijzigen veelal jaarlijks, waardoor hier gekozen is om de draagkracht maximaal per kalenderjaar vast te stellen. Vraagt een belanghebbende halverwege het jaar bijzondere bijstand aan voor periodieke kosten dan zal de draagkracht maximaal tot en met 31 december van dat jaar vastgesteld worden.
Bij belanghebbenden met een dergelijk inkomen doen wijzigingen in de draagkracht zich niet of nauwelijks voor. Het is ter inschatting aan de consulent of er in de individuele situatie de draagkrachtperiode voor deze langere periode vastgesteld kan worden.
Artikel 10 Hoogte bijzondere bijstand
In de Nibud-prijzengids staat over de verantwoording van en toelichting op de prijsgegevens het volgende:
‘De cijfers in de Prijzengids voor de bijzondere bijstand komen voor een groot deel van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Daar worden maandelijks duizenden prijzen van verschillende artikelen verzameld. Een deel van de prijzen hebben we zelf verzameld door middel van steekproeven in gangbare winkels.
Verder hebben we gebruikgemaakt van informatie van de ANWB, verschillende telecomproviders, het Voedingscentrum, Vewin, de Consumentenbond, Milieu Centraal, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en uitvaart.nl. Bij elke tabel staat de bron vermeld. Hiervoor zijn analyses gemaakt op basis van prijsinformatie van het CBS.’ Dit maakt dat voor de hoogte van de bijzondere bijstand gekozen is voor de prijzengids van het Nibud.
Hoofdstuk 2 Kosten van bijzondere bijstand
Het college kiest voor de hoogstnoodzakelijke kosten. Kosten van bijvoorbeeld een advertentie of een volgauto zijn hierbij niet meegenomen. Voor de kosten genoemd in dit artikel sluit het college aan bij de Nibud-prijzengids, zoals blijkt uit het voorgaande artikel.
Artikel 12 Bijzondere bijstand voor vaste lasten woning tijdens verblijf in inrichting
Voor inwoners die een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente en in de bijstandsperiode in een inrichting worden opgenomen, wijzigt het college de bijstandsnorm niet meteen in de norm die geld voor personen in een inrichting.
In situaties waarin de bijstandsnorm nog niet is gewijzigd in de norm die geldt voor personen in een inrichting is bijzondere bijstand voor de vaste lasten niet noodzakelijk. De kosten kunnen dan immers uit de algemene bijstand voldaan worden. Het artikel zal dan ook met name worden toegepast bij inwoners die op het moment van opname in de inrichting nog geen algemene bijstand ontvingen.
Van belang is dat binnen een redelijke termijn uitzicht bestaat op terugkeer naar de woning. Daarvan is sprake als de verwachting is dat dit binnen zes maanden plaatsvindt. Als bij voorbaat duidelijk is dat de opname in een inrichting blijvend is, is het aanhouden van de woning en daaruit voortvloeiende kosten alleen al om die reden niet noodzakelijk.
Artikel 12a Dieetkosten, stookkosten, bewassing, kledingslijtage en maaltijdvoorziening
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 13 inrichtingskosten statushouders
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 14 Woninginrichtingskosten niet-statushouders
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 15 Reiskosten algemeen en reiskosten schoolgaande kinderen
In dit artikel bepaalt het college wat de hoogte van bijzondere bijstand voor de reiskosten is, op welke wijze het college de reisafstand bepaalt en wat de minimale reisafstand moet zijn om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen. Daarnaast moet vaststaan dat het gaat om noodzakelijke reiskosten.
Het volgen van het voortgezet onderwijs acht het college dermate van belang dat in geval een kind van een inwoner voortgezet onderwijs volgt wat niet in de gemeente Hoogeveen aanwezig is, in beginsel bijzondere bijstand mogelijk is.
Het daadwerkelijk gebruik kunnen maken van kinderopvang als daar een sociaal-medische indicatie voor is afgegeven, acht het college dermate van belang dat in geval ouders daarvoor onvoldoende middelen hebben, bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de kinderopvang verleend kan worden.
Artikel 17 Woonkostentoeslag bij een huurwoning
De Wet op de huurtoeslag (WHT) is met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd.
Ook bewoners van een huurwoning met een huur hoger dan de maximale huurgrens komen voor huurtoeslag in aanmerking. Dit betekent dat alleen het deel van de huur dat meer bedraagt dan die maximale huurgrens voor bijzondere bijstand in aanmerking kan komen.
In deze leden is aangegeven op welke wijze het college de hoogte van de woonkostentoeslag vaststelt.
Het college verstrekt de bijzondere bijstand tijdelijk. Het is aan de inwoner om zo snel mogelijk te verhuizen naar een woning met een huur lager dan de maximale huurgrens. Het college legt daartoe een aanvullende verplichting op die strekt ter beëindiging van de bijzondere bijstand voor de woonkosten. Die verplichting legt het college op als de huur hoger is dan de maximale huurgrens.
Indien woonkostentoeslag noodzakelijk is kan de zelfstandige een beroep doen op het Bbz 2004.
De Belastingdienst verstrekt geen huurtoeslag over een onvolledige huurmaand.
Bijzondere bijstand kan dan voor de huur worden toegekend als sprake is van een onvoorziene omstandigheid. Als voorzienbaar is dat een inwoner op termijn een huurwoning kan betrekken, dan kan hij onder andere voor deze huurkosten reserveren. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de inwoner als woningzoekende staat ingeschreven. Bij onvoorziene situaties kan onder andere gedacht worden aan:
Artikel 18 Woonkostentoeslag bij een eigen woning
Hierbij kan worden gedacht aan een onvoorziene situatie zoals een plotseling onvoorziene inkomensdaling. Bij een echtscheiding of verlating zal de ex-partner meestal de mede-eigenaar zijn van de eigen woning zijn en om die reden moeten bijdragen aan de woonkosten van die eigen woning.
Hierin staat wat het college verstaat onder woonkosten bij een eigen woning.
De aflossing van de hypothecaire geldlening wordt daartoe niet gerekend.
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
De termijn is langer dan bij een huurwoning, omdat naast het zoeken naar goedkopere woonruimte de eigen woning verkocht moet worden.
Zie de toelichting op artikel 21 bij woonkostentoeslag voor huurwoningen.
Dit lid behoeft geen nadere toelichting.
De belastingteruggaaf vanwege de aftrek van hypotheekrente leidt tot lagere woonlasten. Reden waarom deze wordt opgevraagd. Op basis daarvan kan de definitieve hoogte van de bijzondere bijstand worden bepaald.
Indien bijvoorbeeld het huis helemaal aangepast is vanwege de beperkingen van één van de gezinsleden, kan dat bijvoorbeeld worden aangemerkt als een zwaarwegende reden.
Indien woonkostentoeslag noodzakelijk is kan de zelfstandige een beroep doen op het Bbz 2004.
Artikel 19 Jongeren in inrichting
In het wetsvoorstel Participatiewet in balans is per abuis de mogelijkheid komen te vervallen dat jongeren in een inrichting van 18 jaar of ouder maar jonger dan 21 jaar voor bijstand in aanmerking kunnen komen voor de kosten van levensonderhoud. Het ministerie van SZW heeft in een reactie aan Schulinck bevestigd dat in deze gevallen de problematiek tijdelijk moet worden opgevangen met artikel 35 Participatiewet en dat het ministerie werkt aan een structurele oplossing3 .
Reden waarom dit artikel in de beleidsregel is opgenomen. Voor de voorwaarden is aansluiting gezocht bij artikel 20, derde lid, onderdelen a en b van de wet zoals die per 1 januari 2026 gaat luiden en de nadere uitwerking van die voorwaarden in de Beleidsregel algemene bijstand Hoogeveen. Voor de hoogte is aansluiting gezocht bij de norm die geldt voor personen in een inrichting. Dit artikel kan komen te vervallen, zodra de wetgever dit in de wet heeft geregeld.
Hoofdstuk 3 Overgangsrecht en slotbepalingen
Besluiten genomen onder het oude beleid worden gerespecteerd voor de duur waarvoor ze zijn afgegeven.
Voor de uitvoering is het meteen van toepassing verklaren van de nieuwe beleidsregels op aanvragen en bezwaarschriften waarop nog niet is beslist, het meest eenvoudige.
[2] Weten is nog geen doen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, maar zie ook de website van de Rijksoverheid https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2024/06/27/hoge-maatschappelijke-kosten-van-schulden-vragen-om-stevige-aanpak
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-219108.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.