Gemeenteblad van Midden-Delfland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 219040 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 219040 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland,
gelet op artikel 30 van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026;
Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026
In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 is vastgelegd dat gemeenten zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Hiervoor moet de gemeenteraad bij verordening regels vaststellen. De Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Midden-Delfland 2026 geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015).
De wet, verordening en nadere regels vormen een onlosmakelijk samenhangend geheel, waarbij de één voortborduurt op de ander en nader concretiseert. De wet staat boven de verordening. De gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau door de raad vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Het is een wetgevende regeling op gemeentelijk niveau die in de nadere regels verder wordt geconcretiseerd.
De Wmo 2015 en de Verordening Wmo regelen de bevoegdheden van de raad en het college. De uitvoering van de wet en Verordening zal echter in de regel namens het college, in mandaat, gedaan worden door het Wmoteam.
De Verordening en nadere regels zijn richtlijnen, die dienen als basis bij het maken van een afwegingskader bij het eventueel toekennen van een maatwerkvoorziening. Er moet sprake zijn van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie en deze moeten het gevolg zijn van een beperking (somatisch, lichamelijk, verstandelijk) of chronische psychische of psychosociale problemen.
Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en zijn sociaal netwerk (eigen kracht). Biedt het sociaal netwerk geen soelaas, dan kan een andere of algemeen gebruikelijke voorziening wellicht uitkomst bieden. Daarna wordt gekeken of algemene voorzieningen hen in staat stellen om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken, daarvoor is geen indicatie en dus geen beschikking nodig. Algemene voorzieningen kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. De voorziening is uitsluitend in natura beschikbaar en de eigen bijdrage regeling via het Centraal Administratie Kantoor (CAK) is hier niet van toepassing.
Algemene voorzieningen maken het mogelijk om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Een voorwaarde voor een algemene voorziening is dat deze voorziening binnen de directe woon- en leefomgeving plaatsvindt. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart.
Indien deze oplossingen nog onvoldoende zijn wordt gekeken of een maatwerkvoorziening verstrekt kan worden. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ligt de focus op de te bereiken resultaten van de ingezette voorzieningen. Indien een inwoner niet beperkt is in zijn zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie, is ondersteuning niet nodig (Wet- en regelgeving: Wmo artikel 1.1.1, artikel 1.2.1, artikel 2.3.2 lid 4 sub b, artikel 2. 3.5 lid 3 en 4).
3.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Trends en maatschappelijke ontwikkelingen zijn van invloed op de invulling van wat algemeen gebruikelijk is. Mettertijd kan een voorziening die voorheen niet 'algemeen gebruikelijk' was, dat nu wel zijn. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook uitspraken van rechters. Voorbeelden hiervan zijn een (elektrische) fiets, een rollator, een verhoogd toilet etc.
3.2. Mantelzorg betrekken bij het onderzoek
Het college kan in voorkomende gevallen de verkorte procedure voor het onderzoek naar de behoefte aan een maatwerkvoorziening volgen. Bij het reguliere onderzoek voert het college een uitgebreid onderzoek uit, meestal via een huisbezoek. Met een uitgebreid onderzoek op alle leefgebied en brengt het college de hulpvraag en de mogelijke oplossingen in kaart. Met het toepassen van de verkorte procedure handelt het college meldingen sneller af. Het onderzoek richt zich alleen op de in melding gevraagde ondersteuning en de daarbij horende leef- en compensatiegebieden. Het onderzoek is telefonisch. Tijdens de melding wordt bepaald of de inwoner in aanmerking komt voor de verkorte procedure. De inwoner ontvangt vervolgens verdere uitleg over de verkorte procedure.
Voor de verkorte procedure komen de volgende meldingen in elk geval in aanmerking:
waarbij het college voorziet dat de benodigde voorzieningen zorg in natura verstrekt kan worden; en het college de melding via telefonisch onderzoek kan behandelen en het opvragen van offertes, bankrekeningnummer en dergelijke niet aan de orde is. Uitzondering is het opvragen van het zorgplan als bedoeld in artikel 12 van de verordening;
Wanneer een inwoner van buiten de gemeente Midden-Delfland naar de gemeente Midden-Delfland verhuist en in de vorige gemeente een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst ontving, kan het college gebruik maken van de verkorte procedure. Het college kan in dat geval een beschikbare voorziening verstrekken voor een periode van maximaal drie maanden. Binnen drie maanden na de verstrekking voert het college dan een regulier onderzoek uit.
Als sprake is van een inwoner die naar de gemeente Midden-Delfland verhuist, en van buiten de gemeente Midden-Delfland komt, en die een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel had uit de gemeente die de inwoner verlaat, dan volgt het college de afspraken die genoemd staan in het Convenant meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij een verhuizing.1
Spoedsituaties zijn uitzonderlijke omstandigheden waarin directe inzet van ondersteuning onvermijdelijk is om ernstige gevolgen of ontwrichting te voorkomen. Spoedmeldingen worden vroegtijdig herkend en beoordeeld via een spoedtriage door het college. Als de situatie als spoedeisend wordt beoordeeld, neemt het college binnen 48 uur een besluit over de tijdelijke maatwerkvoorziening.
Hoofdstuk 3 De te bereiken resultaten
Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
7.1 Huiselijk geweld en kindermishandeling
De toegang tot voorzieningen op grond van voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en kindermishandeling gebeurt via de door de regiogemeenten Haaglanden vastgestelde regiovisie 'Aanpak huiselijk geweld Haaglanden 2026 en verder2'.
7.2 Maatschappelijke opvang en beschermd wonen
De toegang tot dag-, nacht- en 24-uurs opvang gebeurt volgens de Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang (Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang regio DWO). voor zover het college besloten heeft dat dit via de Centrumgemeente Delft verloopt. Volgens Mandaatbesluit Beschermd Wonen/ Beschermd Thuis en Maatschappelijke Opvang, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
De toegang ten behoeve van Beschermd Wonen gebeurt voor zover het college besloten heeft dat dit via de Centrumgemeente Delft verloopt, conform de Beleidsregel Beschermd wonen, Beschermd thuis (centrum)gemeente Delft3. Mandaatbesluit Beschermd Wonen/ Beschermd Thuis en Maatschappelijke Opvang, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Bij een woonvoorziening die is bedoeld voor een specifieke doelgroep verstrekt het college geen voorziening als deze voorziening hoort bij de doelgroep of vooraf te verwachten was.
Artikel 7b. Primaat van verhuizen
Indien een verhuizing de goedkoopst adequate voorziening is, maar de inwoner ervoor kiest niet te verhuizen, dan kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor een woonvoorziening, al dan niet van bouwkundige of woontechnische aard. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt maximaal de hoogte van de verhuiskostenvergoeding van€ 2.500,-.
Artikel 7c. Vervoersvoorzieningen
Het college verstrekt geen vergoeding voor vervoer door personen uit het informele netwerk tenzij dit in een individueel geval onevenredig is. In die gevallen compenseert het college op de goedkoopst mogelijke manier. Bij gebruik van de Wmo-vervoerspas betaalt een inwoner een eigen bijdrage. Door geen vervoerspas te gebruiken, spaart de inwoner deze kosten uit. De inwoner kan deze inzetten voor een tegemoetkoming van de reiskosten bij vervoer door een persoon uit het informele netwerk.
Het college kan andere vervoersmiddelen verstrekken als maatwerkvoorziening:
gesloten buitenwagen, zijnde een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km per uur rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. Het college verstrekt een gesloten buitenwagen alleen als maatwerkvoorziening als deze medisch geïndiceerd is en er geen voordeligere adequate oplossing is voor de problemen bij de zelfredzaamheid en participatie.
auto-aanpassingen: als een inwoner geen gebruik kan maken van collectief vervoer kan het college, indien dit medisch geïndiceerd is, een voorziening verstrekken voor een niet gebruikelijke auto-aanpassing. Hiervoor geldt:
Een benodigde aanpassing heeft een minimale levensduur van 7 jaar (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Het college vraagt de inwoner aan te tonen dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan).
Artikel 9. Maatwerkvoorzieningen
9.1 Type woonvoorzieningen en voorwaarden
In geval van een traplift verstrekt het college de goedkoopste, functionele voorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met het gebruik van de trap voor de met de inwoner samenlevende huisgenoten zonder beperking. Als het voor het optimaal lopend op- en afgaan van de trap nodig is dat de traplift aan de spilzijde wordt bevestigd, is dat mogelijk.
Indien de trap voorafgaand het plaatsen van de traplift niet voldeed aan de eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL), draagt de inwoner/eigenaar van de woning er zorg voor dat de trap alsnog aan deze eisen voldoet. Als de trap niet aan het BBL voldoet, is het college niet gehouden om de traplift te verstrekken.
9.3 Normenkader schoon en leefbaar huis
Voor het resultaatgebied 5 - Ondersteuning en regie bij het huishouden gaat het college voor een schoon en leefbaar huis uit van het HHM Normenkader zoals opgenomen in bijlage 8 bij deze nadere regels.
9.4 Normaal gebruik van de woning
9.6 Verwijderen woonvoorziening
De kosten voor het verwijderen van nagelvaste, niet in bruikleen verstrekte, woningaanpassingen vallen niet onder de maatwerkvoorziening en worden door het college niet vergoed, tenzij andere afspraken zijn gemaakt door het college met de woningcorporaties Midden-Delfland. Indien in verband met het verwijderen van deze voorzieningen herstelwerkzaamheden noodzakelijk zijn, worden uitsluitend de kosten van de goedkoopst adequate oplossing in aanmerking genomen.
Wanneer een inwoner aantoonbare beperkingen heeft ten gevolge van bijvoorbeeld COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning), waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan het college hiervoor een financiële tegemoetkoming in de kosten verstrekken.
Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op overgordijnen in de woonkamer, overgordijnen in de slaapkamer, vitrage woon- en slaapkamer, vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking op de volgende wijze:
In beginsel valt mantelzorg onder het zelf oplossen van een probleem en staat daar in principe geen betaling tegenover. Betaling is evenmin een instrument om overbelasting van de mantelzorger tegen te gaan. Daarvoor lenen zich andere maatwerkvoorzieningen zoals respijtzorg, groepsbegeleiding of kortdurend verblijf.
Formele zorg die naasten verlenen, kan uit een Pgb worden vergoed met een daarvoor vastgesteld informeel tarief. Deze zorg is gebonden aan bestaande wet- en regelgeving. Zo moeten zorgverleners een Zorgovereenkomst afsluiten in samenspraak met de budgethouder. Zie website SVB/Zorgovereenkomst met partner of familielid.
De Klantmanager Wmo kan betaling van de mantelzorger in overweging nemen als er geen bereikbare en doelmatige oplossing in natura beschikbaar is, en als blijkt dat dit voor de inwoner de beste optie is. Bijvoorbeeld bij 24-uurszorg, of als betaling van de mantelzorger de enige manier is om opname in een intramurale instelling te voorkomen. Dan is er geen sprake meer van mantelzorg maar van zorgverlening vanuit het sociale netwerk. Zie bijlage 4.
Respijtzorg biedt mantelzorgers de mogelijkheid hun zorgtaken voor een korte periode helemaal aan een ander over te laten. Beroepskrachten kunnen respijtzorg leveren in de vorm van dagopvang, logeerhuizen, zorgboerderijen of professionele respijtzorg bij de inwoner thuis. De vrijwillige thuiszorg kan mogelijk vrijwilligers leveren. De Zorgverzekeringswet kan mogelijk voorliggend zijn.
De Klantmanager Wmo vraagt of de mantelzorger deelneemt aan het gesprek met de inwoner, zodat ook de belangen van de mantelzorger meegenomen worden in de beoordeling. Ter ontlasting van de mantelzorger en om overbelasting te voorkomen, kan de Klantmanager Wmo ondersteuning aanbieden in de vorm van Respijtzorg.
De Klantmanager Wmo onderzoekt of er sprake is van overbelasting. Blijkt er sprake te zijn van (dreigende) overbelasting dan wordt beoordeeld in welke omvang ondersteuning nodig zou zijn ware er geen mantelzorger. De omvang van de ondersteuning wordt afgestemd op de zorgbehoefte van de inwoner. Respijtzorg, zoals hier bedoeld, wordt ingezet voor een maximale periode van 6 weken/jaar, maximaal 42 etmalen. Ook een indicatie voor 'kortdurend verblijf' kan de mantelzorger ontlasten.
Een laagdrempelige vorm van respijtzorg is verblijf in Strandgoed Ter Heijde. Zie bijlage 5 voor de aanmeldprocedure.
Artikel 13. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)
Bij uitbetaling van het pgb aan de zorgverlener mag de inwoner geen vaste maandlonen of maandbedragen inzetten ter bekostiging van de hulpverlening.
Het college her-berekent bij toegestaan verblijf in het buitenland de hoogte van het pgb. Het pgb wordt berekend aan de hand van de aanvaardbaarheidspercentages zoals genoemd in bijlage D van de Regeling langdurige zorg4.
13.5 Wisselen pgb en zorg in natura
Artikel 14. De hoogte van een persoonsgebonden budget
Het pgb-bedrag voor voorzieningen dient in beginsel toereikend en niet duurder te zijn dan de kostprijs van de vergelijkbare natura voorziening. Indien de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers, wordt de hoogte van het pgb-bedrag bepaald op basis van het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte.
14.1 Hoogte van het pgb bij materiële voorzieningen
De hoogte van een pgb voor een (elektrische)rolstoel, autoaanpassing, vervoersvoorziening of woonvoorziening is gelijk aan de goedkoopst adequate voorziening in natura. Wanneer de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers (en er dus geen natura prijs is), wordt de hoogte van het pgb bepaald op basis van het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte.
Gedurende de afschrijvingsperiode kan de klant de onderhoud- en verzekeringskosten per jaar declareren bij de gemeente tot een maximum van de bedragen conform de contractafspraken 2022 met hulpmiddelenleverancier Meyra, zie daarvoor het contract met Meyra 2022. En voor de trapliften Otolift, zie contract Otolift.
De hoogte van een pgb voor een woningaanpassingvan bouwkundige of woon- technische aard wordt vastgesteld op basis van het bedrag zoals vermeld in een door de gemeente opgestelde kostenberekening dan wel een door de gemeente geaccepteerde offerte. Bij de berekening van het totaalbedrag wordt rekening gehouden met meerkosten, zoals beschreven in bijlage 7.
14.2 Hoogte van het pgb bij immateriële voorzieningen (zorg of hulp)
14.3 Tarievenlijst maatwerkvoorzieningen Wmo zorg in natura en pgb
De treden in de tabel zijn gebaseerd op de zogenaamde 'resultaatgebieden' uit de resultatenmatrix. Deze resultaatgebieden worden toegelicht in bijlage 3.
|
Overgangsproducten ORH tot uiterlijk 31-12-2024 (alleen voor indicaties 2022 of eerder) |
|||
|
Begeleiding, bescherming, alarmering, servicekosten en kosten van maaltijden |
|||
|
Toeleiding naar passende dagbesteding (I.p.v. trede 4 bij geen locatie) |
|||
14.4 Tarief algemene voorziening was- en strijkservice
Dit tarief staat opgenomen in artikel 16 lid 10 van de Verordening. Deze algemene voorziening wordt alleen ingezet indien dit voor de inwoner een passende en toereikende oplossing biedt.
Indien de maatwerkvoorziening bestaat uit het reizen met het collectief vervoer (Regio Taxi pas), betaalt de inwoner voor een rit een tarief dat bestaat uit een opstaptarief en een bedrag per gereden km.
Artikel 15. Kwaliteitseisen pgb
Het pgb dient ingezet te worden voor het bereiken van de vastgestelde resultaten. Dit betekent in ieder geval dat het budget niet gebruikt mag worden voor bemiddelingskosten of betaling van kosten van de dienstverlener die niet direct gerelateerd zijn aan zorginzet (zoals reis- en vervoerskosten, overheadkosten, kosten voor het opstellen van een zorg- en/of werkplan). Ook eventuele eigen vervoerskosten kunnen niet betaald worden vanuit het pgb.
Artikel 16. Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
Bij een maatwerkvoorziening in bruikleen (natura verstrekking) berekent het college de eigen bijdrage op de prijs die de gemeente heeft betaald bij aanschaf van de voorziening, en/of de prijs die de gemeente betaalt per maand indien de voorziening in bruikleen is betrokken dan wel als er bijkomende maandelijkse servicekosten zijn.
16.1 Specifieke regels voor de eigen bijdrage bij materiële voorzieningen
Hoofdstuk 5 Kwaliteit van de zorgverleners in natura
Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning in natura
Het college hanteert ten behoeve van het toezicht op de kwaliteit als kwaliteitsstandaard het Kwaliteitsstandaard Wmo5.
Hoofdstuk 6 Herziening van de besluitvorming
Artikel 19. Wijzigingen, voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
Indien de situatie van de inwoner wijzigt heeft deze de plicht het College hiervan zo snel mogelijk op de hoogte te stellen als hij/zij kan vermoeden dat dit invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening stopgezet worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden.
Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb's
Artikel 22. Rechtmatigheid en doelmatigheid
Bij het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens wordt de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht genomen. De privacywetgeving heeft betrekking op de hele procedure. Wanneer de gegevens niet kunnen worden verwerkt op de grondslagen anders dan toestemming, zal waar nodig en gepast om toestemming in de zin van de AVG worden gevraagd.
Hoofdstuk 7 Overige bepalingen
Artikel 23a. Tegemoetkoming meerkosten
Indien de maatwerkvoorzienig bestaat uit het gebruik van een taxi of auto voor het lokale vervoer, dan kan een eenmalig pgb in de meerkosten worden verstrekt. De hoogte van deze dit eenmalig pgb bedraagt op jaarbasis:€ 1.602,- per volledig jaar voor het gebruik van een taxi, rolstoeltaxi of (eigen)auto;
Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Wel dient gemotiveerd te worden waarom in een specifiek geval toepassing van het beleid leidt tot gevolgen voor een inwoner die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de nadere regels te dienen doelen.
Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Met vaststelling van deze nadere regels worden de Beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning Midden-Delfland 2022 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2026 ingetrokken bij inwerkingtreding van de Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 april 2026
M.A.I. Born
Gemeentesecretaris
F.I. Noordermeer – van Slageren
burgemeester
Bijlage 5 Strandgoed Ter Heijde
Declaratie van het product 'Kortdurend verblijf' wordt door Strandgoed in IWmo gedaan.
Bijlage 7 Meerkosten bij een bouwkundige woningaanpassing
Bij het vaststellen van de hoogte van het financiële tegemoetkoming/persoonsgebonden budget in de kosten van een bouwkundige woningaanpassing wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten:
Bijlage 8 HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025
1. Normen onderliggend aan toekenning
De volgende normen zijn onderliggend bij de toekenning van huishoudelijke ondersteuning: Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen toegekend voor noodzakelijke activiteiten.
Er wordt in principe niet meer geïndiceerd dan nodig is om verantwoorde huishoudelijke ondersteuning te bieden in de essentiële woonfuncties van de aanvrager en de andere inwoners (partner/kinderen).
Alleen de ruimtes die door de bewoner(s) in gebruik zijn worden schoongemaakt/gehouden. Hieronder verstaan we limitatief de volgende ruimtes:
Periodieke werkzaamheden (zoals het aan de binnenkant wassen van ramen) in andere ruimten dan hierboven omschreven, mogen bij uitzondering geïndiceerd worden. Hier wordt rekening gehouden met een lagere schoonmaakfrequentie.
Van de cliënt wordt verwacht dat deze bijdraagt aan het efficiënt uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. Activiteiten die de cliënt niet zelf (volledig) uit kan voeren, lukken misschien wel als activiteiten op een andere manier worden uitgevoerd. Het zogenaamde 'elimineren, volgorde veranderen, simplificeren, combineren van activiteiten'.
Een extreem bewerkelijke inrichting van de woning leidt in principe niet tot de toekenning van extra ondersteuning. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. De cliënt wordt geacht zelf bij te dragen aan het efficiënt kunnen uitvoeren van de ondersteuningsactiviteiten. De inrichting van de woning is namelijk een keuze waar de cliënt invloed op kan uitoefenen.
Tuinonderhoud wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB 22-02-2017, ECLl:NL:CRVB:2017:885). Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich tot de binnenzijde van de wooneenheid.
Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is inzake huishoudelijke ondersteuning (CRvB, 29-03-2017, ECLl:NL:CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, geeft de Centrale Raad van Beroep aan dat deze kosten ook door inwoners met een minimuminkomen gedragen kunnen worden.
Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Als uitzondering kan gelden indien de cliënt is aangewezen op een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet. De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 nog bevestigd dat beleid dat inhoudt dat de aanwezigheid van gewone huisdieren (niet zijnde hulphonden) geen aanleiding is voor het toekennen van aanvullende uren huishoudelijke ondersteuning, de rechterlijke toetsing kan doorstaan
2. Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025
In het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 wordt per onderdeel de frequentie en/of de benodigde tijd genoemd die/dat toegekend kan worden. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een richtlijn, met als doel om uniformiteit na te streven. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en als die situatie erom vraagt dan wordt van onderstaande richtlijn afgeweken. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Dit kan alleen als gemotiveerd aangegeven wordt waarom de verhoging of verlaging noodzakelijk is. Voor alles geldt dat als maatwerk vraagt om hiervan af te wijken, dit voorgaat op de richtlijn.
Het normenkader is van toepassing op een gemiddeld huishouden. Door uit te gaan van een gemiddelde situatie krijgen de normtijden een algemeen karakter en wordt voorkomen dat op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. In het normenkader is naast de directe tijd ook indirecte tijd opgenomen. Dit is tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de cliënt en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. Deze indirecte tijd is even noodzakelijk als de directe tijd om de beoogde resultaten te behalen. Onder een gemiddelde situatie wordt verstaan:
2.3. Niet-gemiddeld huishouden
Een aantal factoren kan maken dat een situatie niet gemiddeld is, maar dat een andere inzet nodig is door een andere frequentie van activiteiten of een andere tijdbesteding. Het gaat dan om de onderstaande factoren.
Hier wordt gekeken naar de fysieke en de psychische mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Wanneer deze zeer beperkt zijn, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
Beperkingen en belemmeringen van de cliënt.
Hier wordt gekeken naar de beperkingen en belemmeringen van de cliënt die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Naarmate een cliënt meer beperkingen en belemmering heeft, kan meer inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).
Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD.
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers.
Hier wordt gekeken naar of er ondersteuning wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers. Afhankelijk van de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden kan minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk zijn omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.
Samenstelling van het huishouden.
Hier wordt gekeken naar het aantal personen en leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet per se extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Door de aanwezigheid van een blinde geleide hond of een zogeheten hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. In voorkomende gevallen wordt 15 minuten extra inzet per week toegekend.
Er kan extra inzet nodig zijn doordat er bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer staan of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarbij de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Zie hiervoor ook 11.2.5. 'Inrichting woning' over wat hierin van een cliënt verwacht wordt.
Bewerkelijkheid van de woning.
Er kan extra inzet nodig zijn door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.
Een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
2.4. Normenkader huishoudelijke ondersteuning
Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis
2.4.2. Frequentie basisactiviteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis
2.4.3. Frequentie incidentele activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis
2.4.4. Aanvullende activiteiten
Iedere burger dient te beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding evenals schoon en gedroogd textiel (handdoeken en beddengoed). Ondersteuning bestaat uit wassen en strijken. Naast de algemene voorziening Was- en Strijkservice zijn strijkvrije kleding en een wasmachine/droger algemeen gebruikelijk/voorliggend. Mocht in uitzonderlijke situaties toch een maatwerkvoorziening nodig zijn dan betreft het strijken van kleding alleen de bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is..
Het hebben van strijkvrije kleding is algemeen gebruikelijk/voorliggend. Mocht in uitzonderlijke situaties toch een maatwerkvoorziening nodig zijn, dan betreft het strijken van kleding alleen bovenkleding en alleen het aantal stuks dat redelijkerwijs verwacht mag worden en maatschappelijk aanvaardbaar is.
* In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van Sx per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week.
Het gaat om het klaarzetten van de broodmaaltijd(en) en het opwarmen van de warme maaltijd. Bij hoge uitzondering kan sprake zijn van het bereiden van de warme maaltijd. Het aansporen tot het nuttigen van een maaltijd valt niet onder de huishoudelijke ondersteuning, maar respectievelijk onder begeleiding (Wmo) en persoonlijke verzorging (Zorgverzekeringswet).
Komt de algemeen gebruikelijke voorziening niet tegemoet aan de eisen die aan de maaltijd worden gesteld (bv. bij een dieet dat voorgeschreven is door een arts) dan kan de warme maaltijd wel geïndiceerd worden. Als er jonge kinderen woonachtig zijn in het huishouden, kan het bereiden van de warme maaltijd geïndiceerd worden. Uit jurisprudentie (Rechtbank 's Hertogenbosch 25-10-2012, nr. AWB 12/1795) blijkt dat twee broodmaaltijden en één warme maaltijd per dag adequaat kan worden geacht.
De verzorging van gezonde kinderen die tot het gezin behoren vallen onder de verantwoordelijkheid van de ouders zelf. Zijn ouders hier niet volledig toe in staat en kunnen zij niet terugvallen op hun sociale omgeving of algemeen gebruikelijke voorzieningen, dan kan de gemeente tijdelijke (maximaal 3 maanden) ondersteuning (niet: volledige overname) bieden totdat een andere oplossing gevonden is. Het gaat om dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen in geval van ontwrichting of calamiteiten. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, een maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook problemen op het gebied van mobiliteit, zoals het begeleiden van kinderen naar school vallen eronder. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het waar mogelijk combineren van activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bv. maaltijd bereiden, kinderen naar bed of school brengen), het aantal minuten eenmaal telt en niet per persoon.
|
Deze ondersteuning wordt, gedurende maximaal 3 maanden, ingezet om de ouder(s)/verzorger(s) de gelegenheid te bieden om eigen oplossingen te vinden buiten de Wmo. |
||||
2.4.4.5. Dagelijkse organisatie huishouden (regievoering)
Dit gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de inwoner niet (of onvoldoende) zelf de regie voert en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Met adequaat wordt hier bedoeld dat de huishoudelijke ondersteuning voldoende aangestuurd wordt om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De inwoner is niet in staat om aan te geven wat er moet gebeuren door bijvoorbeeld psychische klachten, psychiatrische aandoening (waaronder psycho-geriatrisch, dementie) en/of psychosociale problematiek en/of een visuele handicap of een verstandelijke beperking. Er kan dan dagelijkse organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bepalen wat wanneer moet gebeuren) en het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn).
Het gaat hierbij om maximaal één keer per week. Voor de administratieve werkzaamheden wordt alleen een indicatie afgegeven als dit in combinatie is met andere huishoudelijke activiteiten.
|
Deze activiteiten worden uitgevoerd in maximaal 30 minuten per week. |
||
2.4.4.6. Advies, instructie en voorlichting, gericht op het huishouden
Het gaat om het aanleren van activiteiten in relatie tot het huishouden. Er valt onderscheid te maken tussen tijdelijk aanleren en structureel adviseren:
Jjjdelijk aanleren van activiteiten:
Dit betreft cliënten die leerbaar zijn, bijvoorbeeld mensen met een (recente) lichamelijke beperking of mensen die de activiteiten nooit hebben aangeleerd maar deze moeten gaan uitvoeren door het wegvallen van een partner of gezinslid.
Structureel adviseren en instrueren:
Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel (NAH) of een licht verstandelijke beperking (LVB). Dit ligt op het snijvlak van HH en individuele begeleiding.
Het gaat hier om advies, instructie en voorlichting die gericht is op het huishouden, bij ontregelde huishouding in verband met bijvoorbeeld psychische stoornissen. Deze activiteit wordt alleen ingezet als iemand leerbaar wordt geacht. Wees kritisch of het om huishoudelijke ondersteuning gaat of om begeleiding.
2.4.5. Huishoudelijke ondersteuning wordt beëindigd/gewijzigd indien
De cliënt wordt opgenomen in het ziekenhuis. Er wordt dan geen hulp geleverd omdat de cliënt dan niet in de woning verblijft. Als er op het moment van de indicatiestelling een partner inwoont die de huishouding niet kan verzorgen moet er een nieuwe aanvraag worden gedaan (als de duur van de opname langer duurt dan 4 weken);
Ook bij mantelzorgers kan er sprake zijn van problemen met een schoon en leefbaar huis. Dit kan voorkomen als de mantelzorger aantoonbaar niet toe komt aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen bestaat er de mogelijkheid om tijdelijk (maximaal 3 maanden) huishoudelijke ondersteuning in te zetten met als voorwaarde dat de mantelzorger in deze periode op zoek gaat naar een oplossing.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-219040.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.