Gemeenteblad van Midden-Delfland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 218697 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 218697 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026
De raad van de gemeente Midden-Delfland;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2025
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
besluit vast te stellen de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026.
HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Aanvullend wordt in deze verordening en de Nadere regels Wmo Midden-Delfland 2026 verstaan onder:
algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en die financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
budgetplan: het plan waarmee de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt om zelf ondersteuning in te kopen. In dit plan beschrijft de inwoner welke ondersteuning deze wil inkopen voor het beschikbare budget, het bedrag dat per zorgverlener of ondersteuner besteed gaat worden en welke resultaten de inwoner hiermee wil bereiken en hoe de ondersteuning van voldoende kwaliteit is. Uit het plan dient te blijken dat de zorg en ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht veilig, doeltreffend, doelmatig en clientgericht wordt verstrekt;
formele ondersteuning: ondersteuning geleverd door personen die:
in loondienst zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 15 van deze verordening en die beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag en de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag en over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in artikel 15 van de deze verordening.
hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar een inwoner de vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien een persoon met een briefadres is ingeschreven;
ondersteuningsplan: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek naar de behoefte aan ondersteuning van de inwoner. Hierin beschrijft het college welke problemen de inwoner ondervindt op het gebied van zelfredzaamheid en participatie en concreet wat het te behalen resultaat is met deze ondersteuning;
Het college onderzoekt samen met de eventuele melder en de inwoner binnen zes weken na ontvangst van de melding:
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
Het college geeft de inwoner binnen zes weken nadat de melding is geregistreerd het ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan beschrijft het college de uitkomsten van het onderzoek. Als het college het voornemen heeft om een maatwerkvoorziening toe te kennen, staat dit beschreven in het ondersteuningsplan.
Als de inwoner de voorziening als dienst in de vorm van een pgb wil ontvangen, dan is de aanvraag pas compleet met een door de inwoner volledig ingevuld budgetplan erbij. Het college verstrekt hiervoor een format. Een ondertekende verklaring over de kwaliteit en effectiviteit van de gekwalificeerde hulpverlener is onderdeel van het budgetplan. Hierin verklaart de hulpverlener dat en hoe deze aan de kwaliteitseisen voldoet
HOOFDSTUK 3 DE TE BEREIKEN RESULTATEN
Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:
Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid vanwege huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:
Artikel 7a. Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is de mate waarin de inwoner met behulp van gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van iedere volwassene van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de huiselijke kring in het kader van hun maatschappelijke participatie.
Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is.
Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen:
Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de huiselijke kring niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege:
(dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de huiselijke kring de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
Artikel 7d. Voorwaarden en weigeringsgronden
Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de maatwerkvoorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] wordt gewerkt met een bewezen methode en nooit met een bewezen niet effectieve methode.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
indien het een maatwerkvoorziening betreft die de inwoner tussen de melding en de aanvraag heeft gerealiseerd, ingeschakeld of geaccepteerd tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kunnen worden vastgesteld;
ten behoeve van huishoudelijke ondersteuning van woonruimten die niet geschikt zijn of gebruikt worden voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, ADLclusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;
Artikel 9. Maatwerkvoorzieningen
Als het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst toekent, wordt het arrangement op één of meer van de volgende resultaatgebieden toegekend:
Resultaatgebied 1: Sociaal en persoonlijk functioneren: draagt ertoe bij dat de inwoner zelfredzaam kan participeren in een sociale leefomgeving.
Resultaatgebied 2: Financiën: richt zich op het creëren en behouden van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding.
Resultaatgebied 3: Huisvesting: draagt ertoe bij dat inwoners een betaalbare en geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op een veilige, toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die iemand mogelijk heeft.
Resultaatgebied 4: Dagbesteding: draagt ertoe bij dat de inwoner op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning.
Resultaatgebied 5: Ondersteuning en regie bij het huishouden (een schoon en leefbaar huis): draagt ertoe bij dat de inwoner verantwoord zelfstandig kan blijven wonen.
Resultaatgebied 6: Gezondheid: draagt ertoe bij dat de inwoner aandacht heeft voor de gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan.
Het college bepaalt de omvang van de voorziening c.q. het arrangement door het bepalen van de trede, die staat voor een bepaalde intensiteit van de ondersteuning of zorgvoorziening. Deze is afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid, het vermogen om te participeren en de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit het college arrangementen kan samenstellen.
Artikel 10. Algemene voorzieningen
Om in aanmerking te komen voor de algemene voorziening ‘Ontmoetingscentrum’ dient de aanvrager te voldoen aan de volgende criteria:
de aanvraag is gericht op ondersteuning van de mantelzorger of op klachten van inwoners met psychosociale problematiek. Deze voorziening wordt toegekend indien daarmee overbelasting wordt voorkomen en inwoners langer thuis kunnen wonen of wanneer men niet op een andere wijze contacten kan onderhouden of anderen kan ontmoeten;
De inwoner tekent het zorgplan voor akkoord, niet akkoord of voor gezien. Een reactie van de inwoner via digitale weg volstaat als ondertekening van het zorgplan. Een mondelinge reactie van de inwoner op het zorgplan die door de zorgaanbieder schriftelijk is geregistreerd, geldt als ondertekening van het zorgplan.
Artikel 13. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)
Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college:
de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Deze kwaliteitseisen staan beschreven in het aanbestedingsdocument zoals gepubliceerd op de gemeentelijke website. Een zorgaanbieder die hier niet aal voldoet wordt gezien als informele zorgaanbieder waarbij het informele tarief wordt toegepast;
Tevens wordt de vertegenwoordiger alleen in staat geacht de aan het pgb verbonden op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien:
Hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de inwoner of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;
Artikel 14. De hoogte van een persoonsgebonden budget
Het persoonsgebonden budget voor een dienst immateriële voorziening bedraagt:
bij de inzet van formele ondersteuning door een niet door de gemeente gecontracteerde hulpverlener 100% van het bedrag dat hoort bij de trede van de geïndiceerde voorziening c.q. het arrangement, die staat voor een bepaalde intensiteit van de zorgvoorziening, afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid, het vermogen om te participeren en de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit het college arrangementen kan samenstellen, tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
bij de inzet van informele hulp, minimaal 100% van het wettelijke minimumloon of zoveel meer, tot ten hoogste 80% van het bedrag dat hoort bij de trede van de geïndiceerde voorziening c.q. het arrangement, die staat voor een bepaalde intensiteit van de zorgvoorziening, afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid, het vermogen om te participeren en de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit het college arrangementen kan samenstellen, tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
Het maximale jaarlijkse bedrag voor onderhoud voor niet elektrische voorzieningen komt overeen met de contractafspraken 2022 met hulpmiddelenleverancier Meyra, zie daarvoor het contract met Meyra 2022. En voor de trapliften Otolift, zie contract Otoliftbedraagt niet meer dan 5% van de aanschafwaarde en voor elektrische voorzieningen niet meer dan 7% van de aanschafwaarde.
Het maximale bedrag voor verzekering komt overeen met de contractafspraken 2022 met hulpmiddelenleverancier Meyra, zie daarvoor het contract met Meyra 2022. En voor de trapliften Otolift, zie contract Otoliftbedraagt niet meer dan de goedkoopste passende WA-verzekering. Het college kan voor de beoordeling een tegenofferte opvragen.
Artikel 15. Kwaliteitseisen pgb
Een Zelfstandig Zonder Personeel werkende aanbieder, is een beroepskracht niet in loondienst bij een gekwalificeerde zorgorganisatie en beschikt over de juiste kwalificaties voor zover dit voor het verlenen van de betreffende ondersteuning relevant is. Het college verstaat onder juiste kwalificaties voor een zelfstandige zonder personeel:
Een gekwalificeerde zorgorganisatie is ingeschreven in het handelsregister als verlener van maatschappelijke ondersteuning, met personeel in dienst dat beschikt over de juiste kwalificaties voor zover dit voor het verlenen van de betreffende ondersteuning relevant is. Het college verstaat uit de juiste kwalificaties:
Artikel 16. Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
Een inwoner is een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of tot maximaal de kostprijs van de voorziening. Voor een maatwerkvoorziening die wordt ingekocht met een pgb geldt dat de eigen bijdrage is verschuldigd totdat de kostprijs van het pgb is bereikt. De hoogte van de bijdrage is in overeenstemming met hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de eigen bijdrage kan jaarlijks veranderen door indexatie of landelijke afspraken, de gemeente volgt hierin het CAK. Voor het bepalen van de kostprijs wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product en is opgenomen in de nadere regels.
Indien een Wmo-vervoerspas voor de Regiotaxi wordt toegekend, kan de inwoner maximaal 1500 kilometers per jaar reizen tegen een gereduceerd tarief. Indien andere vervoersvoorzieningen zijn toegekend, zoals een scootmobiel, aangepaste fiets en elektrische buitenrolstoel, wordt maximaal 750 kilometer toegekend. Geïndiceerde mag met een gereduceerd tarief reizen. Voor gebruik van de Regiotaxi is de inwoner per kilometer een ritbijdrage verschuldigd.
Voor maatwerkvoorzieningen in het kader van de Jeugdwet wordt geen eigen bijdrage opgelegd tenzij een maatwerkvoorziening of PGB wordt verstrekt vanuit de Wmo ten behoeve van een woningaanpassing of auto aanpassing voor een minderjarige inwoner. Dan is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
HOOFDSTUK 5 KWALITEIT VAN DE ZORGVERLENERS IN NATURA
Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning in natura
Aanbieders van zorg in natura zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten zijn daaronder begrepen, door:
voor resultaatgebied 5 ‘Ondersteuning en regie in het huishouden,’ zoals omschreven in artikel 9 lid 2, te voldoen aan het door het college bij Nadere regels vastgestelde normenkader: met uitzondering van de tijd die bij de wasverzorging wordt benoemd voor overname van strijken, omdat het college uitgaat van strijkvrije kleding.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner uitvoeren van aanvullende onderzoeken en/of ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
HOOFDSTUK 6 HERZIENING VAN DE BESLUITVORMING
Artikel 19. Wijzigingen, voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
Onverminderd de informatie- en medewerkingsplicht van artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Het PGB voor woningaanpassingen moet binnen 15 maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het doel waarvoor het PGB is verleend en voldoen aan het programma van eisen van de woningaanpassing.
Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken of herzien en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van onterecht gebruikte maatwerkvoorziening of pgb.
Artikel 20. Opschorting betaling uit het pgb
Het college kan gemotiveerd beslissen, of de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd vragen te beslissen, tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. De opschorting kan maximaal 13 weken duren.
Het college kan gemotiveerd beslissen, of de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd vragen te beslissen, tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 20 van deze verordening, derde lid, onder d.
Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s om de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan te beoordelen.
HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 23a. Tegemoetkoming meerkosten
Het college stelt nadere regels over een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie voor inwoners die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben.
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden
De coördinerende aanbieder kan ook andere partijen (zoals welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. De coördinerende aanbieder schrijft een integraal zorgplan per inwoner en beschrijft wat er gedaan wordt om het gevraagde resultaat te behalen en is verantwoordelijk voor de kwaliteit en het resultaat.
Artikel 27. Inwonerparticipatie
Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Aanvragen die zijn ingediend voor inwerkingtreding van Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 januari 2026
de griffier,
A de Vos
de voorzitter,
F.I.. Noordermeer-van Slageren
TOELICHTING VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet). Eén van de uitgangspunten van de wet is dat telkens wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en het sociale netwerk, in het kader van zelfredzaamheid en participatie.
Voor dat wat de inwoner zelf of met het sociale netwerk niet lukt, kan de gemeente een algemene voorziening, of als dat niet volstaat, een maatwerkvoorziening toekennen.
Het college doorloopt hierbij via de deskundige Wmo consulenten een zorgvuldige toegangsprocedure. De consulent onderzoekt de hulpvraag van de inwoner, de behoefte en de gewenste resultaten op het gebeid van participatie en zelfredzaamheid. Een Wmo-consulent onderzoekt wat de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, mantelzorg of met hulp van het sociale netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om de zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Een Wmo-consulent bepaalt of een algemene voorziening volstaat of dat een maatwerkvoorziening nodig is. Als een voorziening onder de reikwijdte van een andere wet valt, gaat die altijd voor.
De wet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure in hoofdlijnen vast. Hierbij heeft het college veel bevoegdheden. De uitvoering hiervan gebeurt zoals aangegeven namens het college (in mandaat) door Wmo consulenten. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, betreft dit dus voor de toeleidingsprocedure feitelijk een Wmo consulent.
In de afweging van de vraag hoe deelgenomen kan worden aan de maatschappij en het zelfstandig functioneren in de maatschappij betrekt het college de volgende gebieden:
Ten aanzien van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert de gemeente als rekenmethode dat een hulpmiddel financieel kan worden gedragen met een minimuminkomen, als de kosten van de voorziening binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de geldende bijstandsnorm. De Centrale Raad van Beroep (verder: CRvB) heeft in de uitspraak van 3 juli 241 deze rekenmethode verworpen. De vierde voorwaarde in de uitspraak, namelijk: of de voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten. Voor een elektrische fiets is dat volgens de CRvB (nog) niet het geval. De CRvB motiveert echter niet wat onder ‘voor iedereen gangbaar’ verstaan moet worden.
Een en ander betekent dat een elektrische fiets niet meer als algemeen gebruikelijk gezien wordt. Een inwoner kan melden als hij problemen heeft met de zelfredzaamheid en participatie. Het college doorloopt in het onderzoek naar de behoefte de stappen zoals vermeld in artikel 3. Als er beperkingen of belemmeringen zijn die de inwoner niet met het netwerk, gebruikelijke zorg of eigen kracht kan oplossen kan het nodig zijn dat de gemeente een voorziening toekent. Dat kan de goedkoopste adequate voorziening zijn, dus wellicht regiovervoer.
Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning
De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan bovendien door of namens de inwoner worden gedaan. Naast de inwoner kan dat dus ook iemand anders zijn, zoals een buurman of een vertegenwoordiger van de inwoner.
Ook is in dit artikel bepaald dat het college de verplichting heeft om de inwoner te wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen.
Op grond van de wet (artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder a) zorgt het college dat voor de inwoner als deze dat wil, gratis cliëntenondersteuning beschikbaar is, tijdens de toeleidingsprocedure.
Dit is in de verordening opgenomen om voor de inwoner duidelijk te maken wat de rechten en verplichtingen zijn.
Wanneer een inwoner behoefte heeft aan informatie en advies over voorzieningen in gemeente Midden-Delfland kan deze terecht bij het Wmo team van de gemeente Midden-Delfland via telefoon (015) 380 41 11 of u kunt een mail sturen naar wmo@middendelfland.nl. Voor nadere informatie kunt u ook de website van de gemeente bezoeken: www.Midden-Delfland.nl
Soms blijkt na een melding bij een korte verkenning van de vraag dat informatie en advies voldoende is voor een inwoner om het ondervonden probleem op te lossen. Dan handelt het college de melding op die manier af.
De uitvoering van de maatschappelijke opvang en beschermd wonen voorzieningen heeft het college tot en met in elk geval eind 2025 gemandateerd aan de Centrumgemeente Delft.2
Het onderzoek bestaat uit een of meer gesprekken met de inwoner en het netwerk en het raadplegen van bronnen zoals offertes en medisch advies. Het onderzoek is de basis voor besluitvorming. Maakt een inwoner gebruik van het indienen van een persoonlijk plan, dan is dit onderdeel van het onderzoek. Dit plan helpt de inwoner om de zorgvraag te verhelderen, doelen te stellen en voorkeuren voor ondersteuning aan te geven. Het college heeft hiervoor een formulier beschikbaar gesteld.
Het overzicht maatwerkvoorzieningen onder de Wmo of de Wlz3 goedgekeurd door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) kan gebruikt worden als hulpmiddel bij het bepalen of een voorziening onder de Wet langdurige zorg valt. In dat geval hoeft het college geen Wmo voorziening toe te kennen. Het kan wel nodig zijn dat het college tijdelijk een Wmo voorziening toekent, ter overbrugging naar de start van de Wlz voorziening.
De Wlz kent een eigen bijdrage die inkomensafhankelijk is. Het kan zijn dat een inwoner met een Wlz voorziening een hogere bijdrage betaalt dan deze voor een soortgelijke Wmo voorziening zou betalen. Dat is echter geen reden om een Wmo voorziening toe te kennen, ook niet als de inwoner weigert om een Wlz voorziening waarvoor deze in aanmerking zou komen, aan te vragen.
In spoedeisende gevallen4 treft het college na de melding direct een tijdelijke maatwerkvoorziening, zie hiervoor ook artikel 6.
In de toeleiding onderzoekt het college samen met de inwoner en waar nodig het sociale netwerk:
Rondom punt 4 is van belang dat een maatwerkvoorziening het sluitstuk is. Als de inwoner zelf het probleem kan oplossen, is er geen rol voor het college. De sociale omgeving is mogelijk bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden. Het sociale netwerk verwijst naar het netwerk van familie, buren en vrienden in de directe omgeving van de inwoner. Denk aan boodschappen doen of andere kleine klussen. Hieronder valt ook de mantelzorg. Deze vorm van ondersteuning gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Mantelzorg kan aanvullend zijn op vormen van professionele zorg.
Als er een andere voorziening mogelijk is, hoeft het college ook geen maatwerkvoorziening te geven.
Personen onder 18 jaar zijn aangewezen op de Jeugdwet of kunnen gebruik maken van arrangementen als gevolg van de Wet passend onderwijs. Voor woningaanpassingen en hulpmiddelen kunnen jeugdigen wel gebruik maken van de Wmo.
Voorzieningen vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Ook de Wet langdurige zorg (Wlz) voor verblijf en daarmee samenhangende zorg gaat voor op een maatwerkvoorziening. De Wlz is van toepassing als een inwoner is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurszorg, als er sprake is van immateriële ondersteuning en/of materiële ondersteuning, waarbij de inwoner woont in een Zorg in Natura(ZIN)-zorginstelling. Voor inwoners die in geclusterde woonvormen wonen waar ze zelf de woonlasten betalen, blijven de vervoersmiddelen, rolstoelen en woonvoorzieningen (voorlopig) ongewijzigd onder de Wmo vallen.
Ook een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Algemene voorzieningen zijn algemeen vrij toegankelijke voorzieningen. Daarbij kan soms een lichte toets worden uitgevoerd of een persoon of een groep personen behoort tot een bepaalde doelgroep. Van een algemene voorziening kan iedereen gebruik maken, daarvoor is geen Wmo indicatie en dus geen beschikking nodig. Wel kan aan de deelnemers een bijdrage gevraagd worden.
In de gemeente Westland zijn als algemene voorzieningen onder meer aanwezig:
Het ondersteuningsplan is geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken. Het geeft wel een weergave van de in hiervoor genoemde stappen. Als de inwoner een persoonlijk plan indiende, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het ondersteuningsplan.
Desgewenst kan de gemeente het ondersteuningsplan ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien worden vastgelegd.
Het college geeft de inwoner een termijn om te reageren op het Ondersteuningsplan. Als de inwoner niet reageert, dan rappelleert het college. Als een inwoner het ondersteuningsplan niet terugstuurt, dan stopt het onderzoek zonder dat het college een beslissing neemt. Omdat er nog geen aanvraag tot stand kwam, kan de inwoner hiertegen geen bezwaar indienen.
Als een inwoner het ondersteuningsplan dan toch later terugstuurt, ziet het college dit als een nieuwe melding. Praktisch gezien kan het college dan zien dat het onderzoek al is gedaan, waardoor het onderzoek versneld kan gebeuren. Daarbij moet worden gecheckt of er sprake is van nieuwe feiten.
Het ondersteuningsplan wordt aangemerkt als aanvraag. Indien als leveringsvorm om een pgb wordt gevraagd voor diensten, is het nodig dat de inwoner ook een budgetplan aanlevert, om de aanvraag te kunnen behandelen. Het budgetplan maakt dan onderdeel uit van de aanvraag. Dit is niet nodig voor een pgb aanvraag voor materiële voorzieningen als hulpmiddelen en aanpassingen. Het budgetplan bevat de uitwerking van de benodigde zorg en de daarmee samenhangende kosten. De kosten worden onderbouwd met minimaal twee offertes. Het college heeft een format vastgesteld waar een budgetplan aan moet voldoen. Tijdens het onderzoekt geeft het college de informatie die nodig is om het budgetplan op te stellen. Dit budgetplan wordt opgenomen in het ondersteuningsplan.
Een inwoner kan een aanvraag doen nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd5. Als het onderzoek niet binnen zes weken na de melding is uitgevoerd, kan de inwoner zonder onderzoek een aanvraag indienen. Het college moet binnen twee weken na de aanvraag een besluit nemen6.
Het ondertekende ondersteuningsplan kan met akkoord van de inwoner dienen als aanvraag voor de voorziening.
Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of in de vorm van een afgerond ondersteuningsplan (zie artikel 4) hoeft het college niet in behandeling te nemen.
In uitzonderlijke gevallen kan het college op basis van een niet ondertekend ondersteuningsplan toch een besluit nemen, als dat in het belang van een inwoner is. Soms gebeurt het namelijk dat de burger een plan weigert te ondertekenen omdat deze het met de inhoud niet eens is. Dan dient de inwoner een andere wijze geboden te worden om de aanvraag in te dienen.
Bij het inplannen van het telefonisch onderzoek wordt aan de inwoner informatie gegeven over de verschillen tussen het reguliere onderzoek en de Verkorte Procedure. De inwoner moet een bewuste keuze kunnen maken. Als de inwoner akkoord gaat met de Verkorte Procedure, dan wordt dit akkoord vastgelegd in de beschikking.
Het college kan een verkorte procedure inzetten bij (eenvoudige) meldingen, waarbij de behoefte aan ondersteuning duidelijk is. Het betreft alleen verstrekkingen in zorg in natura. In de Nadere regels kan het college dit verder duiden.
Het onderzoek richt zich alleen op de in melding gevraagde ondersteuning en de daarbij horende leef- en compensatiegebieden. Het onderzoek gebeurt telefonisch of eventueel via videobellen. Tijdens het gesprek geeft het college op een duidelijke en overzichtelijke manier informatie over de verschillen tussen het verkorte en het uitgebreide onderzoek.
Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening
Als een inwoner zelf niet in staat is om de zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, dan is het aan het college om een voorziening te verstrekken9.
Een ingezetene is een inwoner die legaal in Nederland verblijft met waar nodig de juiste verblijfcodes. De inwoner is geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Midden-Delfland en heeft daar het hoofdverblijf. Als een inwoner niet aan deze voorwaarden voldoet, kan een melding toch in behandeling worden genomen als de inwoner binnen zes weken schriftelijk bewijs levert van het vestigen van het hoofdverblijf en de inschrijving in de BRP van de gemeente Midden-Delfland.
De term 'hoofdverblijf' verwijst naar een woonruimte die bestemd en geschikt is voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en geregistreerd is of wordt in de BRP. Als iemand langer dan 6 maanden ingeschreven staat met een postadres, dient de inwoner verlenging aan te vragen. Het hebben van een hoofdverblijf impliceert niet alleen inschrijving in de BRP, de inwoner moet daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente verblijven.
Bovendien kan een persoon die niet geregistreerd is in deze gemeente en kan aantonen hier feitelijk te verblijven, mogelijk alsnog ingeschreven worden.
In het geval een passende woonvoorziening in natura meer dan een door het college vastgesteld bedrag zou bedragen, kan het college op grond van het primaat van verhuizing een door het college vastgestelde verhuiskostenvergoeding toekennen in plaats van een woonvoorziening in natura te verstrekken. Het college stelt deze bedragen vast in de nadere regels. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostengoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.
De naar objectieve maatstaven gemeten ‘goedkoopste adequate voorziening’ geldt als norm voor het bepalen van de maatwerkvoorziening. Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie. Voldoen meer voorzieningen aan dit criterium, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Als een inwoner een duurdere adequate voorziening wil dan komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. In zo’n geval wordt de voorziening in pgb vorm verstrekt.
Voor trapliften geldt functioneel adequaat. Dit betekent dat de traplift werkt voor zijn doel: mensen helpen om veilig en gemakkelijk de trap op en af te gaan, zowel lopend als met de traplift. De lift moet goed passen bij de trap waarvoor hij bedoeld is, soepel bewegen zonder problemen en comfortabel zijn voor de gebruiker. Als voor het veilig kunnen plaatsen en gebruiken van een traplift een woningaanpassing noodzakelijk is, dan is deze woningaanpassing onderdeel van het verstrekken van de traplift. De traplift en de woningaanpassing moeten als doel hebben het normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. De voor de plaatsing van de traplift noodzakelijke woningaanpassing is voor rekening van de client.
In de Wmo wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel het college als de inwoner.
Van de inwoner wordt verwacht dat deze eerst zelf naar een oplossing zoekt voordat deze bij het college om ondersteuning vraagt. De inwoner heeft de plicht het college volledig en bijtijds informatie te geven over de leefomstandigheden. Dit geldt ook voor wijzigingen in de omstandigheden, zoals vermeld in artikel 19 van de verordening.
Artikel 7a. Gebruikelijke hulp
In de Wmo wordt uitgegaan dat inwoners in eerste instantie zelf, of samen met hun huisgenoten, verantwoordelijk zijn voor het draaiende houden van het huishouden en voor de zorg en ondersteuning die binnen de huiselijke kring nodig is.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en gaat altijd vooraf aan ondersteuning vanuit de Wmo. Het betekent dat van huisgenoten wordt verwacht dat zij, naar redelijkheid en met inachtneming van hun leeftijd en mogelijkheden, bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van elkaar. Daarbij geldt dat volwassenen, ook wanneer zij een voltijdse baan of studie hebben, in staat moeten worden geacht om huishoudelijke taken te combineren met hun werk of opleiding. Vrijetijdsbesteding of hobby’s vormen geen reden om geen gebruikelijke hulp te leveren. Voor kinderen wordt gekeken naar wat passend is bij hun leeftijd en ontwikkeling.
Als een huisgenoot tijdelijk of structureel wegvalt, wordt van de overige huisgenoten verwacht dat zij de taken herverdelen en overnemen. Dit kan betekenen dat de uitvoering van bepaalde taken anders gepland moet worden, bijvoorbeeld in de avonduren of het weekend, wanneer werk of school dit overdag niet toelaat. Het uitbesteden van gebruikelijke hulp aan derden of het inkopen van hulp op eigen kosten behoort eveneens tot de verantwoordelijkheid van het huishouden.
Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp, weegt de gemeente factoren mee zoals de aard, planbaarheid, omvang en duur van de benodigde ondersteuning. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin gebruikelijke hulp niet of slechts in beperkte mate kan worden geleverd. Dat is bijvoorbeeld het geval bij langdurige fysieke afwezigheid, wanneer huisgenoten door een beperking niet in staat zijn bepaalde taken uit te voeren, of bij (dreigende) overbelasting. In situaties van overbelasting geldt dat werk en gebruikelijke hulp prioriteit hebben boven andere activiteiten. Soms kan de gemeente kortdurend ondersteuning bieden om het huishouden in de gelegenheid te stellen de onderlinge taakverdeling aan te passen aan de nieuwe omstandigheden.
Dit artikel verduidelijkt daarmee dat de gemeente pas aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo biedt wanneer objectief blijkt dat de huiselijke kring de noodzakelijke zorg en huishoudelijke taken niet zelf kan dragen. Op die manier wordt de balans bewaakt tussen de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en de inzet van publieke middelen.
Artikel 7b. Primaat van verhuizen
In de Wmo wordt uitgegaan dat de gemeente een passende maatwerkvoorziening biedt wanneer een inwoner door een beperking niet in staat is om zijn/haar woning op een normale manier te gebruik. Daarbij kan het gaan om een woningaanpassing of een verhuizing naar een meer geschikte woning. Het artikel legt vast dat de gemeente een afweging maakt tussen beide mogelijkheden en dat verhuizen in sommige gevallen als de goedkoopste adequate oplossing kan worden gezien.
De kern van dit artikel is dat de gemeente steeds beoordeelt welke voorziening niet alleen passend, maar ook doelmatig en financieel verantwoord is. Als een woningaanpassing duurder uitvalt dan een verhuizing, kan de gemeente het primaat van verhuizen hanteren. In deze verordening is een grensbedrag opgenomen: bij aanpassingen boven de € 15.000 wordt verhuizen in beginsel beschouwd als de goedkoopste adequate oplossing. Daarmee wordt duidelijkheid gegeven aan inwoners én aan de uitvoering.
Bij die afweging worden echter niet alleen de kosten meegewogen. Er spelen altijd ook persoonlijke en praktische omstandigheden een rol. Zo kijkt de gemeente of er geschikte, aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen beschikbaar zijn en of die woningen binnen een medisch verantwoorde termijn betrokken kunnen worden. Daarnaast wegen ook sociale factoren zwaar mee, zoals de binding van de inwoner aan de buurt of het netwerk, en de gevolgen voor school, werk of mantelzorg. Ook de positie van de inwoner als huurder of eigenaar is relevant: een verhuizing kan eenvoudiger zijn bij een huurwoning dan bij een koopwoning met een hypotheek. Verder worden zaken als woonlasten, wooncomfort en de eigen wens van de inwoner meegenomen in de beoordeling.
Het primaat van verhuizen betekent dus niet dat inwoners verplicht worden te verhuizen zodra de kosten van een woningaanpassing boven een bepaalde grens uitkomen. Het houdt in dat de gemeente dit als uitgangspunt neemt bij de beoordeling, maar altijd een integrale afweging maakt waarin zowel financiële als sociale en persoonlijke omstandigheden meetellen. Alleen wanneer na die afweging verhuizen daadwerkelijk de goedkoopste en adequate oplossing blijkt, zal de gemeente dit als voorliggende voorziening beschouwen.
Artikel 7c. Vervoersvoorzieningen
De Wmo verplicht gemeenten om inwoners die vanwege een beperking niet zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, te ondersteunen met een passende vervoersvoorziening. Uitgangspunt is dat de gemeente alleen verantwoordelijk is voor het mogelijk maken van verplaatsingen binnen de directe woon- en leefomgeving. Dit zijn de verplaatsingen die noodzakelijk zijn om boodschappen te doen, sociale contacten te onderhouden, mantelzorg te ontvangen of deel te nemen aan verenigings- of maatschappelijke activiteiten. Voor dit soort basisdeelname wordt een maximum van 1.500 kilometer per jaar gehanteerd. Daarmee wordt duidelijk dat het gaat om lokaal vervoer en dat bovenregionaal of recreatief reizen in principe buiten de Wmo-voorziening valt.
Daarnaast kan een inwoner gebruikmaken van het collectief vervoer (zoals Regiotaxi). Als de inwoner ook beschikt over een hulpmiddel voor kortere afstanden (bijvoorbeeld een scootmobiel of aangepaste fiets), wordt het aantal kilometers met collectief vervoer doorgaans gemaximeerd op 750 kilometer per jaar. Dit voorkomt dat voorzieningen dubbel gebruikt worden en stimuleert efficiënt gebruik. Toch is er ruimte voor maatwerk: als de inwoner gemotiveerd kan aantonen dat dit aantal kilometers niet volstaat om op een aanvaardbaar niveau deel te nemen aan het maatschappelijk leven, kan de gemeente extra kilometers toekennen.
Artikel 7d. Voorwaarden en weigeringsgronden
Artikel 7d geeft richting aan de voorwaarden waaronder het college een maatwerkvoorziening kan toekennen, maar ook wanneer dit niet mogelijk of wenselijk is. De bedoeling hiervan is om zorgvuldig om te gaan met publieke middelen en met andere wetten om ervoor te zorgen dat alleen die voorzieningen worden ingezet die daadwerkelijk bijdragen aan zelfredzaamheid en participatie.
Het uitgangspunt is dat de gemeente altijd de goedkoopst adequate voorziening toekent. Dit betekent dat er geen luxe of bovenmatige oplossingen worden vergoed, maar de voorziening die passend en toereikend is binnen de situatie van de inwoner. Daarbij moet een maatwerkvoorziening veilig zijn, geen gezondheidsrisico’s opleveren en niet belemmerend werken voor herstel of revalidatie. Verder wordt de doeltreffendheid meegewogen: de voorziening moet aantoonbaar bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag en bij voorkeur gebaseerd zijn op methoden waarvan de werking bekend en onderbouwd is.
Artikel 7d somt ook een aantal weigeringsgronden op. Deze waarborgen dat de gemeente geen voorzieningen verstrekt waar al een andere wettelijke voorziening (zoals Zvw of Wlz) in voorziet, of wanneer de inwoner zelf al een voorziening heeft geregeld voordat de melding of aanvraag is afgerond. Ook kortdurende situaties (korter dan zes maanden) vallen in principe buiten de Wmo, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om toch een voorziening te verstrekken. Verder worden voorzieningen geweigerd wanneer zij niet effectief blijken, wanneer de inwoner niet meewerkt aan het onderzoek of wanneer het gaat om woon- of verblijfssituaties die buiten de scope van de Wmo vallen (zoals recreatiewoningen of hotels).
Ook voor vervanging van eerder verstrekte voorzieningen gelden voorwaarden: een nieuwe voorziening wordt pas verstrekt als de oude technisch is afgeschreven, verloren is gegaan buiten toedoen van de inwoner, of niet meer voldoet aan de actuele ondersteuningsbehoefte. Dit voorkomt onnodige vervanging en stimuleert zorgvuldig gebruik.
Ten aanzien van woonvoorzieningen is er een aparte set weigeringsgronden. Deze waarborgen dat geen maatwerkvoorziening wordt toegekend wanneer de problemen het gevolg zijn van achterstallig onderhoud, ongeschikte materialen of een verhuizing die niet noodzakelijk of adequaat was. Ook geldt dat voorzieningen in gemeenschappelijke ruimtes, of aanpassingen die bij nieuwbouw of renovatie eenvoudig meegenomen hadden kunnen worden, niet voor rekening van de Wmo komen. Verder wordt geen woonvoorziening verstrekt als de inwoner niet daadwerkelijk in de betreffende woning woont of als er sprake is van een aanstaande verhuizing naar een Wlz-instelling.
Tot slot sluit het artikel aan bij het regionale beleid voor opvang en beschermd wonen: deze voorzieningen worden geregeld conform de regels van de centrumgemeente Delft.
Om tot een goede beoordeling van de melding te komen kan het college een extern advies vragen. Bij wie dit advies wordt gevraagd hangt af van de verschillende stappen van het onderzoek. Het college zorgt ervoor dat die deskundigheid gewaarborgd is en duidelijk is voor de inwoner. Bij het opvragen van advies worden de regels van de AVG in acht genomen.
Het college kan advies vragen bij:
Het is nodig dat de inwoner meewerkt aan het onderzoek, zodat het college de ondersteuningsbehoefte kan vaststellen. Het college informeert de inwoner over met welk doel er advies wordt gevraagd.
Het college vraagt de inwoner om toestemming voor het zelf eventueel delen van privacygevoelige informatie deelt met deskundigen. Mocht een inwoner geen toestemming geven, kan daardoor een benodigd advies niet worden opgevraagd en kan het zijn dat het college niet toekomt aan het vaststellen wat de ondersteuningsbehoefte is en dan geen maatwerkvoorziening verleent.
Artikel 9. Maatwerkvoorzieningen
Volgens de Wmo 2015 is Beschermd Wonen het wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner op anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
Bij Beschermd Wonen gaat het om de inwoner die een beschermende woonomgeving en toezicht nodig heeft, maar voor wie er geen noodzaak is voor opname in een ziekenhuis of GGZ-instelling vanwege een psychiatrische behandeling.
Het kerndoel van verblijf op basis van ‘Beschermd Wonen’ is gericht op het creëren van de noodzakelijke voorwaarden om samenhangende zorg te kunnen leveren die in de thuissituatie van de zorgvrager niet adequaat of niet effectief geleverd kan worden. De zorgbehoefte is niet op te lossen met een voorliggende voorziening, andere voorzieningen en/of extramurale zorg.
Bij ‘Beschermd Thuis’ gaat het om de burger die een beschermende woonomgeving en begeleiding nodig heeft. Het betreft die zorgvrager die vanwege de beperkingen op meerdere momenten van de dag begeleiding en toezicht nodig kan hebben. De begeleiding vindt op afspraak plaats, maar kan ook ongepland noodzakelijk zijn en 24/7 ingeroepen worden door de zorgvrager.
Opvang wordt in de Wmo als volgt gedefinieerd: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht (met gebruikelijke zorg, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk) te handhaven in de samenleving. Opvang wordt verstrekt door het college van de gemeente tot welke de inwoner van Nederland zich wendt. Opvang omvat ‘maatschappelijke opvang’ (dag- , nacht- en 24 uursopvang) en ‘vrouwenopvang. Nachtopvang en dagopvang valt onder de algemene voorzieningen; 24 uursopvang en vrouwenopvang vallen onder het maatwerk.
Delft is centrumgemeente maatschappelijke opvang en vrouwenopvang voor de regio Delft, Westland, Pijnacker-Nootdorp, Midden-Delfland.
Kerntaak van de maatschappelijke opvang is het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Inwoners van de maatschappelijke opvang kampen vaak met meer, elkaar beïnvloedende problemen. Zo is er vaak sprake van een combinatie van dak- en thuisloosheid, justitieproblematiek, schulden, psychiatrische, somatische en/of verslavingsproblematiek en/of werkeloosheid of het ontbreken van zinvolle dagbesteding. Dit maakt de hulpvraag vaak complex en veelomvattend. De inwoners hebben hierdoor vaak te maken met instanties en hulpverleners uit verschillende maatschappelijke sectoren.
Het college indiceert maatwerkvoorzieningen in resultaatgebieden (diensten) of in niet diensten (materieel). De maatwerkvoorziening voor een resultaatgebied is nadrukkelijk gericht op het versterken dan wel behouden van de zelfredzaamheid en mogelijkheden om mee te doen in de samenleving.
Via resultaatgericht indiceren geeft het college keuzevrijheid aan de inwoner, die invloed heeft op de wijze waarop de ondersteuning wordt ingevuld. Gecontracteerde aanbieders stellen samen met de inwoner het zorgplan op. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte ligt bij het college en niet bij de aanbieders. Het opstellen en uitvoeren van een zorgplan dat aansluit op de ondersteuningsbehoefte in dat resultaatgebied is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
Het college stuurt op het te behalen resultaat. De resultaten zijn gericht op het vergroten of behouden van zelf- (en samen) redzaamheid van de inwoners. Resultaatsturing betekent dat het college de te behalen resultaten centraal stelt en niet de producten die ingezet worden om het resultaat te behalen.
Voorzieningen kunnen gericht zijn op meer dan één te behalen resultaatgebied. Per resultaatgebied kan het college een andere trede (zorgzwaarte) indiceren. De treden van de inzet zijn onderscheidend van elkaar in termen van mate van zelfredzaamheid op het specifieke resultaatgebied. De trede wordt in het ondersteuningsplan aangegeven. Indiceren wordt gedaan op basis van de resultatenmatrix die in de Nadere regels verder wordt geduid. De resultatenmatrix geeft richtlijnen waarop de resultaatgebieden en de intensiteit van de ondersteuningsvraag worden vastgesteld om de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te bepalen.
De ondersteuning in de vorm van diensten vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen één of meer van de volgende resultaatgebieden:
De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten (treden) die staan voor de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix waaruit arrangementen samengesteld kunnen worden. Het is mogelijk om voor ondersteuning in de hier genoemde resultaatgebieden meer voorzieningen te indiceren of aanvullende producten te indiceren.
De resultaten dienen als volgt te worden omschreven: “het te bereiken resultaat is altijd gericht op het vermogen van de inwoners om zichzelf aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, sociale en emotionele uitdagingen van het leven.“ Voor de resultaatgebieden Sociaal en persoonlijk functioneren, financiën, huisvesting, dagbesteding, ondersteuning en regie bij het huishouden en gezondheid wordt gebruik gemaakt van de handleiding resultaatgericht werken voor het toekennen van het arrangement. Hierin wordt ook geschreven naar doelen en resultaten waar de inwoner zich in kan herkennen.
Uitzondering op de resultaatbieden: voor inwoners met een zintuiglijke beperking is een aantal landelijke zorgaanbieders geselecteerd, die de ondersteuningsbehoefte in kaart brengen en begeleiding bieden. Midden-Delfland geeft hiervoor wel de beschikking af en betaalt deze ondersteuning
Beschrijving van resultaatgebied 1 - Sociaal en persoonlijk functioneren
Het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren draagt ertoe bij dat de inwoner kan participeren in een sociale leefomgeving. Ondersteuning is gericht op het (re)vitaliseren en onderhouden van een sociaal netwerk en omgeving, dat ondersteunend is bij maatschappelijke participatie (gericht op aspecten die niet in de inwoner gelegen zijn). Ondersteuning op dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op:
Beschrijving van resultaatgebied 2 - Financiën
Ondersteuning in resultaatgebied Financiën richt zich op het creëren van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op:
Beschrijving van resultaatgebied 3 - Huisvesting
Het resultaatgebied Huisvesting draagt ertoe bij dat inwoners een betaalbare en geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op een veilige, toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die iemand mogelijk heeft. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op:
Beschrijving van resultaatgebied 4 - Dagbesteding
Het resultaatgebied dagbesteding draagt ertoe bij dat inwoners op zinvolle wijze de dagen (kunnen) invullen met ondersteuning. Dagbesteding kent verschillende vormen van ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan groepsactiviteiten, maar ook het toeleiden naar vrijwilligerswerk of nuttige activiteiten. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op:
Beschrijving van resultaatgebied 5 - Ondersteuning en regie bij het huishouden
Het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het huishouden draagt ertoe bij dat inwoners verantwoord zelfstandig kunnen blijven wonen. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan onder meer gericht zijn op:
Onder de maatwerkvoorziening hoort niet het schoonmaken van de tuin, het balkon, zolder en de berging. Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimtes delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door één van de anders bewoner(s). Het resultaatgebied ondersteuning en regie bij huishouden heeft alleen betrekking op de eigen woonruimte(n) van de inwoner. In geval van kamerverhuur is de (mede) huurder geen huisgenoot van wie gebruikelijke zorg wordt verwacht. Huishoudelijke hulp is niet aan de orde in vakantiewoningen, tweede woningen en hotels/pensions.
Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau te behalen. In de Nadere regels kan het college dit verder duiden. zoals geformuleerd in het H4 Normenkader Ondersteuning en Regie bij huishouden en de Kwaliteitsnormering Schoon en leefbaar op basis van NEN2075 van de Vereniging Schoonmaak Research.
Het resultaatgebied ondersteuning bij huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. Hierbij zijn de persoonlijke situatie en de wens van de inwoner leidend. Zo wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met extra vervuiling van de gebruiksruimten vanwege het inpandig gebruiken van een rolstoel of incontinentie. In het zorgplan kan de zorgaanbieder in afstemming met de inwoner een indicatie geven van de tijdsbesteding om tot het resultaat te komen.
Beschrijving van resultaatgebied 6 - Gezondheid
Het resultaatgebied gezondheid draagt ertoe bij dat inwoners noodzakelijke lichamelijke en/of geestelijke behandeling ontvangen. Daarnaast kan binnen dit resultaatgebied aandacht besteed worden aan de uitvoering van de persoonlijke hygiëne. Ondersteuning binnen dit resultaatgebied omvat onder andere:
Overige maatwerkvoorzieningen:
Kortdurend Verblijf, ook wel logeeropvang genoemd, is tijdelijke verblijfszorg die het college kan bieden ter ontlasting van de mantelzorger. Het betreft thuiswonende inwoners, die tijdelijk in een instelling verblijven om de mantelzorger te ontlasten. Het betreft inwoners die permanent toezicht nodig hebben. Het toezicht kan gericht zijn op:
De zorg omvat de benodigde begeleiding, bescherming, huisvesting alarmering en servicekosten
(inclusief drinken en maaltijden) als dat niet declarabel is bij de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Eventuele verpleging kan tijdens kortdurend verblijf plaatsvinden en valt onder de Zvw. Begeleiding kan bestaan uit:
Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij Kortdurend Verblijf.
Op dit moment ligt het mandaat voor kortdurend verblijf bij Pieter van Foreest in geval van verblijf bij Strandgoed. Het onderzoek wordt in de meeste gevallen niet door het college gedaan, maar door de aanbieder. De voortgang wordt jaarlijks geëvalueerd.
Wanneer niet via het mandaat onderzocht wordt zal de Wmo-consulent de afweging maken of er sprake is van het bieden van respijtzorg in kader van de Wmo. Respijtzorg is zorg die kan worden ingezet om de mantelzorg tijdelijk te ontlasten. Bijvoorbeeld bij ziekte van de mantelzorger of als de mantelzorger op vakantie is.
De consulent hanteert hierbij de afbakening met de Zvw en de Wlz.
Als een inwoner deelneemt aan een ontmoetingscentrum en tijdelijk gebruik maakt van Kortdurend Verblijf, dan is deelname aan het ontmoetingscentrum gedurende het verblijf niet toegestaan. Dit in verband met de stapeling van ondersteuning.
De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer naar kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen sociale netwerk. Wanneer de inwoner beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een vervoerspas voor de Regiotaxi, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren.
Ontmoetingscentra richten zich op ondersteuning van mantelzorgers en mensen met dementie, chronische somatische en psychische klachten om overbelasting te voorkomen.
Met de ontmoetingscentra kan ook een soepele overgang naar de Wlz mogelijk zijn zonder van locatie te hoeven veranderen. Er wordt gewerkt volgens de bewezen effectieve interventie.7
Ook kan een inwoner toegang krijgen tot ontmoetingscentra in de vorm van wendagen. Wendagen zijn bedoeld om de periode te overbruggen naar een regulier gebruik van ontmoetingscentra als maatwerkvoorziening. Dit geldt niet voor aanbieders die leveren vanuit de algemene voorziening.
Een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep.
Het aanpassen van dit soort gebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. Indien een individuele maatwerkvoorziening nodig is, kan de inwoner contact opnemen met de Wmo-consulent van de gemeente Midden-Delfland en deze zal de melding onderzoeken en beoordelen.
Alleen regionale vervoersbehoefte komt in aanmerking voor Wmo ondersteuning, als de inwoner voldoet aan de voorwaarden. Voor bovenregionaal vervoer wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is aanvullend op de door de Wmo op te lossen beperking en valt buiten de verantwoordelijkheid van het college.
Een algemene voorziening voor alle inwoners van Midden-Delfland is de Regiotaxi. De Regiotaxi is een vraagafhankelijk collectief vervoerssysteem van deur tot deur en van deur tot halte en andersom. Inwoners kunnen een rit aanvragen, waarbij de gewenste vertrektijd en de herkomst en bestemming aan een centrale worden doorgegeven. De Regiotaxi voert de rit uit waarbij rekening wordt gehouden met een marge van vertrek en een maximale omrijtijd.
Met de Regiotaxi reist de inwoner vanaf thuis gerekend maximaal 25 kilometer. Met de Wmo vervoerspas krijgt de inwoner korting. Deze korting geldt voor maximaal 1700 kilometer per jaar.
Als de inwoner in een kalenderjaar meer wil reizen, dan kan dat tegen de normale prijs voor de Regiotaxi. De inwoner kan een loophulpmiddel (loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel ) meenemen met de Regiotaxi. Ook kan een reiziger (tegen het OV-tarief) meereizen. Een begeleider kan gratis meereizen als de begeleiding benodigd is omdat de inwoner niet zelfstandig kan reizen. Een OV-begeleidingskaart kan worden aangevraagd bij Argonaut, die de regeling landelijk uitvoert.8
Inwoners die geen indicatie hebben voor een Wmo vervoerspas kunnen ook reizen met Regiotaxi. Zij betalen het normale tarief. En kunnen een vervoerspas aanvragen bij Regiotaxi.
Naast arrangementen op grond van de resultaatgebieden kan door het college een aantal producten aanvullend geïndiceerd worden. Dit betreft:
Artikel 10. Algemene voorzieningen
Het college biedt als algemene voorziening verblijf overdag in ontmoetingscentra aan. Hiervoor geldt geen eigen bijdrage.
Via gebruik van een ontmoetingscentrum moet een soepele overgang naar de Wet langdurige zorg mogelijk zijn zonder van locatie te hoeven veranderen. Inwoners met dementie maken gebruik van een ontmoetingscentrum. Het is ook mogelijk dat inwoners waarbij (nog) geen dementie is vastgesteld of met chronische, complexe somatische aandoeningen van een ontmoetingscentrum gebruik maken.
De ondersteuning vanuit ontmoetingscentra bestaat uit:
Het gaat hierbij om tijdelijke of aanvullende hulp, zonder dat er een uitgebreid Wmo-onderzoek of maatwerkvoorziening nodig is. Dit biedt inwoners laagdrempelige vormen van tijdelijke preventieve ondersteuning, gericht op het ontlasten van mantelzorgers en het bevorderen van langer zelfstandig thuis wonen.
Artikel 11. Inhoud beschikking
Een beschikking is een officieel besluit van het college dat aangeeft welke hulp een inwoner ontvangt. Op grond van de Wmo9 is het nodig dat het college binnen twee weken na de aanvraag de beschikking aan de inwoner kenbaar maakt. In de beschikking vermeldt het college de bezwaarmogelijkheden.
Het college neemt niet de hoogte van de eigen bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen.
De geldigheidstermijn van de indicatie wordt bepaald door het college. Als de aanbieder tijdens of na het opstellen van het zorgplan vermoedt dat bepaalde aspecten in het ondersteuningsplan ontbreken of niet blijken te kloppen, dan heeft aanbieder de ruimte om hierover in overleg te gaan met het college. Ook als de inwoner het niet eens kan worden met de zorgaanbieder, zal overleg plaatsvinden met het college. Deze beoordeelt dan wat de passende oplossing is.
Een inwoner heeft keuzevrijheid in het kiezen van een aanbieder. Bij het onderzoek houdt het college rekening met de wensen, de mogelijkheden en de situatie van de inwoner en met specialisatie van aanbieders, om de inwoner als dat nodig is naar de juiste zorgaanbieder te kunnen begeleiden. Als een inwoner uit verschillende resultaatgebieden ondersteuning nodig heeft, wordt bij voorkeur gekozen voor een aanbieder die meer percelen kan aanbieden.
Naar aanleiding van het ondersteuningsplan, stelt de gecontracteerde aanbieder met de inwoner samen met de inwoner het zorgplan op. Het zorgplan beschrijft concreet wat er gedaan wordt om het resultaat te bereiken en welke activiteiten moeten worden verricht om het resultaat te bereiken, en met welke frequentie de activiteiten moeten worden verricht. De inwoner geeft hierop een akkoord. Dit zorgplan stuurt de aanbieder binnen zes weken na de beschikking naar het college. Het wordt gebruikt bij evaluatiemomenten, naast het evaluatieverslag. Met het zorgplan en de beschikking is de startsituatie van de inwoner duidelijk en kan de inwoner en het college evalueren of de resultaten worden behaald.
Het college verwacht dat een aanbieder intercultureel kan werken. Het college zet geen tolken in voor het vertalen naar andere talen.
Het college controleert de zorgplannen steekproefsgewijs. Hierdoor is duidelijk wat de inzet van de zorgaanbieder zal zijn.
De coördinerende aanbieder kan ook andere partijen (bijvoorbeeld welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. Hierover dient de aanbieder het college zo spoedig mogelijk te informeren. Per resultaatgebied kunnen verschillende expertisegebieden van toepassing zijn.
Artikel 13. Regels voor het persoonsgebonden budget
Dit artikel geeft onder meer de voorwaarden die gelden voor het verkrijgen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb.
Anders dan veel inwoners denken, kan een inwoner geen pgb aanvragen bij het college. De inwoner kan bij de gemeente melden dat deze ondersteuning nodig heeft bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Als een maatwerkvoorziening benodigd is, kan de inwoner, als deze voldoet aan de voorwaarden, er voor kiezen om de voorziening in de vorm van een pgb verleend te krijgen. Om in aanmerking te komen voor een pgb, dient de inwoner bij de aanvraag een budgetplan in te leveren.
Een pgb kan een geschikte vorm van ondersteuning zijn voor de inwoner om zelf passende zorg op maat in te kopen. Het pgb is een verstrekkingsvorm die geschikt is voor inwoners die zelf, dan wel met behulp van een pgb-vertegenwoordiger, in staat zijn een zorgovereenkomst af te sluiten met een aanbieder en daarbij in staat zijn de benodigde administratie bij te houden.
Het voldoen aan de eigen verantwoordelijkheden, vraagt van de budgethouder een zekere pgb-bekwaamheid. Bij de beoordeling van de pgb-bekwaamheid kan de inwoner de pgb-test van Per Saldo10 doen. De uitslag van de test alleen is geen reden om een pgb af te wijzen, maar geeft een inwoner en het college inzicht in de vaardigheden van de inwoner, die noodzakelijk zijn voor het beheren van een pgb. De test is dus een hulpmiddel bij het gesprek dat het college voert met de inwoner over de keuze voor een pgb of Zorg in Natura. In de Nadere regels kan het college dit verder duiden. Daar is ook een bijlage opgenomen met de 10 punten pgb-vaardigheid.
De opsomming van gronden om geen pgb te verstrekken is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is. Deze situaties vereisen altijd een individuele afweging. In deze situaties kan een pgb worden geweigerd. Om een pgb af te wijzen op contra-indicaties, is het nodig dat het college dit feitelijke motiveert in het ondersteuningsplan en de beschikking.
Het college mag een lager tarief rekenen bij de inzet van een zelfstandig werkende hulpverlener. Deze heeft lagere overheadkosten dan grote aanbieders met personeel.
De voorwaarden voor een pgb voor informele zorg 11
Het college kan een voorziening in de vorm van een pgb verstrekken voor een ondersteuner uit het sociale netwerk. Dat kan alleen als de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt én het aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Ook de kwaliteitseisen gelden hier. De in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen moeten veilig, doeltreffend en inwonergericht worden verstrekt. In de beleidsregels wanneer de zorgvraag de gebruikelijke hulp overstijgt.
Het college kent de voorziening in de vorm van een pgb toe voor een periode die afhankelijk is van de gebruikelijke levensduur van de voorziening. Het college beschrijft deze termijn in de beschikking. Indien de situatie van de inwoner wijzigt is het nodig dat deze dit meldt bij het college. Het college past dan waar nodig de beschikking aan. Is gericht op materiele voorziening.
Er bestaat geen recht op pgb voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland. Het college kan wel toestemming geven. De inwoner dient tijdig om toestemming te vragen en uiterlijk een maand voor vertrek. Indien nodig vraagt het college extern advies over de wenselijkheid en noodzaak van het verblijf in het buitenland ten behoeve van het bevorderen van de participatie na terugkomst in Nederland.
De maximale termijn waarmee in het buitenland verbleven kan worden met een pgb bedraagt 13 weken per kalender jaar. Voor palliatieve zorg is dit een jaar. De eisen die in de wet, de verordening en de Nadere regels staan gelden ook voor besteding van het pgb in het buitenland.
Het college kan de hoogte van het pgb aanpassen voor verblijf in het buitenland en kan dit in de Nadere regels bepalen.
Bij verblijf in het buitenland zonder toestemming kan het college de maatwerkvoorziening beëindigen en terugvorderen. Het recht op een maatwerkvoorziening – ook in de vorm pgb - vervalt per definitie als de inwoner geen ingezetene meer is van de gemeente Midden-Delfland.
Het college stelt het pgb voor een materiële voorziening betaalbaar als de inwoner de aankoopofferte of nota aan het college verstrekt en het college deze heeft goedgekeurd. Hiervoor is het pakket van eisen van belang. Het college betaalt het pgb uit na ontvangst van de definitieve factuur.
Trekkingsrecht PGB Portaal Westland (Externe link:www.mijnpgb.nl)
Budgethouders of gemachtigden gebruiken voor het voeren van de administratie en het declareren het PGB Portaal. Met behulp van het PGB Portaal kunnen inwoners de zorgovereenkomsten met zorgverleners opstellen, opslaan, wijzigen en goedkeuren.
Het college is verantwoordelijk voor de zorginhoudelijke controle van de zorgovereenkomsten tussen budgethouder en zorgverlener. De arbeidsrechtelijke controle van de zorgovereenkomst wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
In het PGB Portaal worden ook declaraties verwerkt. Deze worden uitbetaald door de SVB. Het is belangrijk dat inwoners vooraf goed weten wat het pgb-beheer inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. Het college geeft de budgethouder de benodigde informatie tijdens het onderzoek. Daarnaast kunnen inwoners bij Per Saldo, de belangenbehartiger voor mensen met een pgb, en het servicecentrum pgb van de SVB, voorlichting en ondersteuning krijgen.
Nadat de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, controleert het college de kwaliteit en de dienstverlening die uitgevoerd worden door middel van heronderzoek van het pgb. Gedurende het jaar kan het college een steekproef houden bij de budgethouder door bijvoorbeeld een huisbezoek af te leggen. Hierbij wordt de inhoudelijke zorgverlening en ondersteuningsvraag met de inwoner en de pgb-vertegenwoordiger besproken (doelmatigheid). Ook voert het college een administratieve controle (rechtmatigheid) uit. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.
Als onrechtmatig of ondoelmatig gebruik van het pgb wordt geconstateerd, kan het college besluiten om voorwaarden te stellen aan voortzetting van het pgb of de verstrekking van het pgb te heroverwegen of eventueel in te trekken. Ook terugvorderen en opschorten van betalingen behoort tot de mogelijkheden, zie artikel 21.
Artikel 14. De hoogte van een persoonsgebonden budget
Het artikel beschrijft de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld12.
Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, zelf te kopen13. Het college kan een pgb weigeren voor zover de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura14 tenzij de noodzaak voor een duurdere voorziening vaststaat.
Het college mag een lager tarief hanteren dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, mits dat tarief de inwoner in staat stelt om voldoende en goede maatschappelijke ondersteuning in te kopen.
Artikel 15. Kwaliteitseisen pgb
Wanneer een inwoner kiest voor een pgb, geeft het college tijdens het onderzoek een pakket van eisen waaraan de voorziening moet voldoen. De inwoner kan op basis hiervan de voorziening aanschaffen. Als de inwoner een andere oplossing wil, kan deze daarvoor kiezen als deze voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de inwoner aanschaft, moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren zoals in het Pakket van Eisen wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen.
Artikel 16. Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
Het college heft een wettelijke eigen bijdrage van een bedrag per maand voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Dit geldt ook het abonnementstarief van voor bij verordening aangewezen voorzieningen De bijdrage wordt jaarlijks landelijk vastgesteld. De inning gebeurt door het CAK. Alleen inwoners met een bruto-inkomen lager dan 120% van de voor hun situatie geldende bijstandsnorm hoeven geen eigen bijdrage te betalen. Hiermee houdt het CAK rekening bij de inning. Het college is niet op de hoogte van het verzamelinkomen van de inwoners.
De groepen waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is, zijn:
Van een gezamenlijk huishouden is sprake als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
Inwonende volwassen kinderen en ouders tellen niet mee bij de vaststelling van een gezamenlijk huishouden.
De wet maakt een uitzondering voor de eigen bijdrage voor de kosten van (collectief) vervoer, zowel als algemene voorziening en als maatwerkvoorziening.
Ook uitgezonderd van een eigen bijdrage zijn is de rolstoel.
Een te betalen eigen bijdrage wordt in de beschikking benoemd. In het geval van voorzieningen wordt de kostprijs in de beschikking benoemd zodat inwoner zelf op de hoogte is tot welk bedrag deze de eigen bijdrage betaalt. In de verordening is bepaald (artikel 16, lid 7) hoe de kostprijs van een voorziening wordt bepaald. De wijze van beschikbaar stellen van de voorziening speelt hierbij een rol (bruikleen/lease of koop. In het geval van diensten wordt de kostprijs niet benoemd aangezien de kostprijs altijd hoger is dan de eigen bijdrage en geldt de eigen bijdrage zolang de inwoner gebruik maakt van de dienst.
Bij overname van een voorziening van een andere gemeente is voor het overnamebedrag een eigen bijdrage verschuldigd, voor zover de voorziening nog niet is afgeschreven.
Inwoners die gebruik maken van beschermd wonen en maatschappelijke opvang (zorg in natura betalen een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Deze wordt geheven door de uitvoerende Centrumgemeente Delft.
Bij een verstrekking van een pgb mag de eigen bijdrage niet worden betaald uit het pgb. Bij een pgb wordt de eigen bijdrage betaald over de hoogte van de toekenning van het Pgb in het geval van materiele voorzieningen.
Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag het college de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. Het college moet van iedere algemene voorziening waarvoor een eigen bijdrage wordt gevraagd de hoogte van deze eigen bijdrage in de verordening opnemen.
De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening15 , een bij verordening aangewezen algemene voorziening en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in artikel 12, negende lid, onder a, en artikel 13, derde lid (door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder).
Het is van belang dat de eigen wettelijke bijdrage per maand de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs.
De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de inwoner van de voorziening gebruik maakt.
Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning in natura
De verordening bepaalt welke eisen het college stelt aan de kwaliteit van voorzieningen, zoals eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten16.
Het college ziet toe op naleving van de kwaliteitseisen bij diensten door:
Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Het in dit artikel benoemde toezicht is door de gemeente regionaal geregeld via de GGD Haaglanden.17 Het staat los van het in hoofdstuk 6 geregelde rechtmatigheidstoezicht ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen, al zijn er uiteraard wel raakvlakken en wordt er onderling samengewerkt.
Een zorgaanbieder moet direct een calamiteit melden als er iets gebeurt bij het aanbieden van hulp18. De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt meldingen en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Artikel 19. Wijzigingen, voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015
Indien de situatie van een inwoner wijzigt, heeft deze de plicht het college hiervan onmiddellijk op de hoogte te stellen, als de inwoner vermoedt dat dit invloed kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo beëindigt bij overlijden het college de voorziening. Nabestaanden zullen een overlijden ook zo snel mogelijk bij het college moeten melden.
De wet bepaalt19 dat in de verordening regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb. Dit geldt ook voor misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Een besluit, genomen op basis van deze Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning Midden-Delfland 2026, kan in bepaalde omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden. In die situatie bestaat ook de mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent
Artikel 20. Opschorting betaling uit pgb
Opschorten van een pgb is een mildere variant dan beëindiging en invordering20. Opschorting voor maximaal 13 weken21 kan ruimte geven voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Het college kan een dergelijk besluit alleen nemen of een dergelijk verzoek enkel doen als een ernstig vermoeden is gerezen dat:
Artikel 21. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Artikel 22. Rechtmatigheid en doelmatigheid
Dit artikel gaat over het bewaken van rechtmatigheid en doelmatigheid bij de uitvoering van de Wmo, met speciale aandacht voor maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Het doel is te voorkomen dat voorzieningen onterecht of inefficiënt worden ingezet en om fraude tegen te gaan.
Het college neemt hiervoor verschillende maatregelen, zoals samenwerking met andere organisaties, onderzoek bij zorgaanbieders, en het maken van duidelijke afspraken over verantwoording en controles. Ook worden indicaties regelmatig herzien en kan de looptijd worden beperkt om beter te kunnen toetsen of de ondersteuning nog passend is.
Bij inwoners wordt actief gecontroleerd of de ondersteuning daadwerkelijk wordt geleverd en of de resultaten aansluiten bij de gestelde doelen. Voor het persoonsgebonden budget (pgb) geldt dat er vooraf extra zorgvuldig wordt gekeken naar de mogelijkheden van de inwoner om het budget te beheren, de kwaliteit van het budgetplan en de deskundigheid van de in te zetten hulpverlener.
Artikel 23. Blijk van waardering mantelzorgers
Meerderjarige mantelzorgers van inwoners in de gemeente komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering, een financieel bedrag22. Welzijnsorganisaties organiseren voor minderjarige mantelzorgers jaarlijks activiteiten.
Een inwoner23 is een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de inwoner bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.
De mantelzorgers kunnen als blijk van waardering ook naar de jaarlijkse viering van de week van de mantelzorg.
Artikel 23a. Tegemoetkoming meerkosten
Dit artikel bepaalt dat inwoners vanaf 18 jaar met een beperking of chronische (psychische of psychosociale) problemen die extra kosten maken, een tegemoetkoming kunnen krijgen om hun zelfredzaamheid en participatie te ondersteunen. Een vast onderdeel hiervan is de collectieve aanvullende zorgverzekering voor minima. Het college werkt jaarlijks in de nadere regels maatschappelijke ondersteuning uit welke tegemoetkomingen worden aangeboden, onder welke voorwaarden en op welk moment deze verstrekt worden.
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden
Dit artikel geeft voorschriften voor de waarborging van kwaliteit bij het inschakelen van zorgaanbieders, die namens het college ondersteuning en zorg geven. Dit betreft ook een goede prijs kwaliteit verhouding.24 De deskundigheid van de medewerkers maakt daar onderdeel van uit.25
Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling. Onderdeel daarvan is om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen. De klachtenbepaling in de verordening is dan ook kort gehouden. Zorgaanbieders die namens het college zorg bieden, hebben een eigen klachtenregeling en procedure nodig.
De klachtenprocedure is onder meer bedoeld voor inwoners die een klacht hebben over de bejegening. Tegen de inhoud van een verleende beschikking kunnen inwoners bezwaar indienen.
Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet. Het gaat om medezeggenschap van inwoners tegenover de aanbieder. In het verleden moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht inwoners en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (hierna: Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de hier in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).
In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 27. Inwonerparticipatie
Dit artikel verwijst naar de inspraakverordening. Zo gelden dezelfde inspraakprocedures voor de verschillende beleidstermijnen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. De verordening laat het aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven26.
Het college evalueert het Wmo-beleid. Deze staat los van de landelijke evaluatie, die de lokaal verzamelde gegevens daarvoor kan benutten.
In de Wmo gaat het om maatwerk. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van de verordening. Het is altijd van belang dat het college motiveert waarom in het specifieke geval toepassing van de verordening of het beleid leidt tot gevolgen voor een inwoner die onevenredig zijn in verhouding tot de met de verordening en beleid te dienen doelen.
Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-218697.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.