Gemeenteblad van Vaals
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Vaals | Gemeenteblad 2026, 209949 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Vaals | Gemeenteblad 2026, 209949 | beleidsregel |
Beleidsregel beoordeling van de norm ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ Vaals
de Burgemeester van de gemeente Vaals;
gelet op het bepaalde in artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht;
gelet op het bepaalde in artikel 2:25a eerste lid, artikel 2:28e, tweede lid onder c juncto artikel 2:28c
eerste lid onder b, artikel 2:40c derde lid, artikel 3:5, eerste lid onder b van de APV;
gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder b en artikel 35, eerste lid, onder b van de Alcoholwet;
gelet op het bepaalde in artikel 30d, vierde lid onder a van de Wet op de kansspelen juncto artikel 4 eerste lid onder b van het Speelautomatenbesluit 2000;
vast te stellen de Beleidsregel beoordeling van de norm ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ Vaals.
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
betrokkene: de exploitant, leidinggevende of beheerder van een openbare inrichting waaronder horecabedrijven, coffeeshops, seksinrichtingen en speelautomatenhallen, alsook de organisator van een vechtsportevenement, die op grond van wet- en regelgeving naar het oordeel van de burgemeester niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn;
feit: een verdenking of ernstig vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit, een nog in procedure zijnde strafrechtelijke vervolging en/of een (al dan niet onherroepelijke) strafrechtelijke veroordeling. Onder “feit” wordt ook verstaan: sepots, uitgezonderd sepotgronden 01 (ten onrechte als verdachte vermeld), 05 (feit niet strafbaar, 06 (dader niet strafbaar) en 09 (rechtmatige geweldsaanwending door een (politie)ambtenaar);
veroordeling: een hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, hieraan wordt gelijkgesteld een betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, lid 2, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, lid 3, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom € 375,00 of minder bedraagt.
Binnen het tijdvak van tien jaar bestaat een onderscheid tussen feiten en gedragingen die in de laatste vijf jaar hebben plaatsgevonden en feiten en gedragingen die langer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. Feiten en gedragingen die binnen het eerste tijdvak vallen wegen zwaarder dan feiten en gedragingen die binnen het tweede tijdvak vallen.
Toelichting op de beleidsregel
In dit artikel wordt zoveel mogelijk duidelijk gemaakt welke feiten en gedragingen worden meegenomen in de levensgedragstoets. Het artikel bevat ten eerste een niet-limitatieve opsomming van feiten en gedragingen die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvrager van slecht levensgedrag is. Echter, wanneer een feit of gedraging niet in deze lijst is opgenomen kan de achterliggende vraag een oplossing bieden. De vraag luidt namelijk als volgt: “Is het wenselijk dat de betrokkene, gezien zijn levensgedrag, de verantwoordelijkheid draagt voor de bedrijfsvoering in een openbare inrichting?”
Het tweede lid geeft aan dat feiten die zijn geseponeerd wegens een gebrek aan bewijs of waarop vrijspraak is gevolgd niet worden meegenomen. Wel kan informatie over gedragingen van een betrokkene die naar voren komt in deze zaken worden betrokken bij de beoordeling, maar niet als op zichzelf staande weigeringsgrond. Het is in deze gevallen niet eerlijk een betrokkene van slecht levensgedrag te achten, omdat het onvoldoende gebaseerd is op feiten.
Feiten en gedragingen hoeven niet te relateren te zijn aan de exploitatie van de zaak. Maar feiten die te relateren zijn aan de zaak zullen wel zwaarder mee worden gewogen. Accenten kunnen verschillen afhankelijk van de aard van de zaak omdat de verantwoordelijkheden van en verwachtingen aan de betrokkenen van de verschillende inrichtingen ook niet exact overeenkomen.
Ook kunnen feiten gepleegd als minderjarige meegewogen worden in de levensgedragstoets. De Alcoholwet zelf eist al dat een betrokkene ten minste 21 jaar is. Voor horecabedrijven en inrichtingen in de zin van de APV geldt een minimumleeftijd van 18 jaar voor betrokkenen (21 jaar voor betrokkenen van seksinrichting(en)). Om een betrokkene op zo’n jonge leeftijd die bijzondere verantwoordelijkheid te laten dragen die komt kijken bij eerdergenoemde inrichtingen, is het van belang om ook feiten en gedragingen te kunnen meewegen van voordat de aanvrager de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Een belangrijk onderdeel dat hierbij is opgenomen is dat de ontwikkeling op latere leeftijd een rol speelt bij de beoordeling. De beleidsregel is namelijk niet bedoeld om jonge aanvragers de kans op een succesvolle deelname aan de samenleving te ontzeggen.
Om te bepalen of een betrokkene in enig opzicht van slecht levensgedrag is kunnen gegevens uit diverse bronnen worden meegewogen. Hieronder volgt een niet-limitatieve opsomming van de informatiebronnen:
Het gekozen tijdvak beslaat tien jaar, dat onderverdeeld is in twee perioden van vijf jaar.
Recentere feiten wegen zwaarder mee dan oudere feiten. Voor de bepaling van het tijdvak wordt in beginsel uitgegaan van de datum van het primaire besluit. Daarbij wordt er rekening gehouden met de mogelijkheid dat het tijdsverloop tussen het primaire besluit en de beslissing op bezwaar ervoor kan zorgen dat er niet langer sprake is van slecht levensgedrag.
De pleegdatum van een feit is ook van belang voor de berekening van het voornoemde tijdvak. De pleegdatum van een feit zegt immers meer over het gedrag van een betrokkene dan een veroordeling, die geruime tijd later kan plaatsvinden. Daarnaast is er niet altijd sprake van een veroordeling, nu eerder al is toelicht dat een veroordeling niet noodzakelijk is voor de conclusie dat een betrokkene van slecht levensgedrag is.
In het derde lid komt het patroon van slecht levensgedrag naar voren. De bepaling geeft aan dat er verder kan worden gekeken dan het tijdvak van tien jaar wanneer er een vermoeden bestaat van een patroon van slecht levensgedrag. Een afwijzing of intrekking van een vergunning kan niet worden gebaseerd op slechts feiten die ouder zijn dan tien jaar. Daarom kunnen oudere feiten en gedragingen enkel worden opgevoerd ter motivering van een patroon van slecht levensgedrag, ze kunnen niet ten grondslag liggen aan een besluit.
Het vierde lid bepaalt dat de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan in beginsel niet meetelt voor de berekening van het tijdvak. Deze bepaling is opgenomen omdat een betrokkene gedurende bedoelde periode beperkt is in de bewegingsvrijheid en niet geheel vrij is om zelfstandig te handelen, waardoor het levensgedrag over deze periode niet volledig kan worden getoetst. Dit is met name van belang wanneer de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan in de eerste periode van vijf jaar van het tijdvak.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-209949.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.