Gemeenteblad van Barneveld
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barneveld | Gemeenteblad 2026, 206435 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Barneveld | Gemeenteblad 2026, 206435 | beleidsregel |
Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Barneveld
De belanghebbende is verplicht alle informatie te verstrekken die redelijkerwijs van invloed kan zijn op zijn aanspraak op de bijzondere bijstand. Deze verplichting heeft de belanghebbende bij het doen van een aanvraag, maar ook gedurende de periode waarop belanghebbende gebruik maakt van de bijzondere bijstand. Ook als het college niet specifiek naar de informatie vraagt, is de belanghebbende verplicht de informatie uit eigen beweging te verstrekken.
Met het vastgestelde definitieve inkomen wordt beoordeeld voor welk bedrag de bijzondere bijstand zou zijn toegekend, als het definitieve inkomen voorafgaand aan de toekenning bekend zou zijn geweest. De daadwerkelijk verstrekte lening wordt omgezet in een verstrekking om niet, ter hoogte van het bedrag aan bijzondere bijstand, dat met het definitieve inkomen zou zijn verstrekt. Voor het overige wordt de lening teruggevorderd.
HOOFDSTUK 2 BIJZONDERE BIJSTAND
2.2 Aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud
Artikel 10 In een inrichting verblijvende jongere van 18, 19 of 20 jaar
Bijzondere bijstand voor noodzakelijke kosten van bestaan van een jongere van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft en die geen beroep kan doen op zijn ouder(s) als bedoeld in artikel 20, lid 3, van de wet, wordt afgestemd op de feitelijke kosten van bestaan van de jongere. De bijzondere bijstand met het eventuele inkomen samen, bedragen maximaal de bijstandsnorm van iemand van 21 jaar in een vergelijkbare situatie.
De belanghebbende heeft aanspraak op een woonkostentoeslag als hij zijn hoofdverblijf heeft in een:
hoger zijn dan de huurgrens. De woonkostentoeslag heeft de hoogte van het bedrag van de huurtoeslag als de woonkosten gelijkgesteld zouden zijn aan huur en de woonkosten evenveel zouden bedragen als de huurgrens. De woonkostentoeslag wordt vervolgens verhoogd met het verschil tussen de daadwerkelijke woonkosten en de huurgrens.
Artikel 12 Eerste maand huur, administratiekosten en waarborgsom
De belanghebbende die, in geval van een noodzakelijke verhuizing, tot de eerste betaaldatum van zijn bijstandsuitkering over onvoldoende middelen beschikt om de eerste maand huur te voldoen, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de eerste maand huur. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt verminderd met de verwachte aanspraak op huurtoeslag.
Artikel 13 Woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen
Als belanghebbende binnen 60 maanden nogmaals in aanmerking wil komen voor bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting, wordt het eerder toegekende bedrag in mindering gebracht op de maximale vergoeding die volgens deze beleidsregels geldt. Voor duurzame gebruiksgoederen, waarvoor binnen deze periode al eerder bijzondere bijstand is verstrekt, kan niet nogmaals bijzondere bijstand worden verstrekt.
De belanghebbende die reiskosten maakt voor het ondergaan van een medische behandeling in het ziekenhuis in Ede, Harderwijk, Arnhem of Amersfoort, komt in aanmerking voor bijzondere bijstand voor deze reiskosten. In geval van behandeling op een andere locatie is er ook aanspraak op bijzondere bijstand voor de reiskosten, als de noodzaak van behandeling in deze specifieke locatie is aangetoond door een verwijzing van een arts.
Als de kosten van de uitvaart niet (volledig) uit de nalatenschap van de overledene voldaan kunnen worden, heeft de belanghebbende als nabestaande aanspraak op bijzondere bijstand voor (zijn aandeel in) deze kosten. Als nabestaande wordt beschouwd: de echtgenoot of echtgenote, de geregistreerd partner, de ouder of het kind.
Artikel 21 Kosten van griffie en rechtsbijstand
De belanghebbende, die door het Juridisch Loket is doorverwezen en aan wie toevoeging (op grond van de Wet op de rechtsbijstand) is verleend, heeft aanspraak op bijzondere bijstand voor de griffiekosten en de inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor rechtsbijstand.
2.5 Ondersteunende bijzondere bijstand
Artikel 23 Draagkracht niet van toepassing
Voor de artikelen in deze paragraaf geldt dat, in afwijking van artikel 7, de eventuele draagkracht buiten beschouwing blijft.
Artikel 25 Collectieve zorgverzekering
De bedragen genoemd bij de artikelen 13, 14, 15, 17, 20 en 24 worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex (CPI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
Aldus vastgesteld op 21 april 2026,
Burgemeester en wethouders voornoemd,
W. Wieringa
Secretaris
J. van der Tak,
Burgemeester
In de Participatiewet (artikel 35) is een algemeen kader gegeven voor de bijzondere bijstand. Voor de individuele beoordeling van het recht op bijzondere bijstand is een uitgebreid onderzoek nodig. In een aantal situaties wordt er vaker een beroep gedaan op de bijzondere bijstand. Voor deze ‘standaardsituaties’ zijn standaardoplossingen en -voorwaarden opgesteld. In deze Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Barneveld zijn de specifieke situaties en bijbehorende oplossingen en voorwaarden vastgelegd.
Voor alle situaties die niet vallen onder de omschrijvingen in deze beleidsregels, kan nog steeds bijzondere bijstand mogelijk zijn. In deze beleidsregels zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen die ook voor die gevallen van toepassing zijn. Daarnaast is de uitgebreide (wettelijke) individuele beoordeling van toepassing.
De bepalingen opgenomen in hoofdstuk 1 zijn van toepassing op het geheel van deze beleidsregels.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
De verwijzing naar de artikelen 11 en 13 van de wet bepaalt dat het niet de bedoeling is om bijzondere bijstand te verstrekken aan een bredere doelgroep dan de wetgever bedoeld heeft. Door verwijzing naar de artikelen kan er geen verschil optreden tussen deze beleidsregels en de wet.
In beginsel wordt voor het vaststellen van het inkomen en vermogen aangesloten bij de wet. Daarop zijn enkele uitzonderingen gemaakt om de aanspraak op de bijzondere bijstand voor iedereen zo gelijk mogelijk toegankelijk te maken.
In beginsel wordt het laatste (maand)inkomen wordt gebruikt om het inkomen vast te stellen. Alleen als de belanghebbende wisselende inkomsten heeft, doordat er bijvoorbeeld een wisselend een aantal uren gewerkt wordt, wordt er gekeken naar het gemiddelde maandinkomen van de 3 voorafgaande maanden. Er is dus geen sprake van wisselende inkomen als de belanghebbende bijvoorbeeld net begonnen is in een nieuwe baan en daar voorafgaand een lager betaalde baan had. Dan moet uitgegaan worden van het nieuwe loon.
Een belanghebbende die is toegelaten tot het minnelijk of wettelijke schuldhulptraject is verplicht om al het inkomen boven het Vrij te Laten Bedrag (VTLB) af te dragen aan de zogeheten boedel.
De boedel wordt opgespaard om af te dragen aan de schuldeisers. De belanghebbende heeft dus feitelijk alleen beschikking over het VTLB. Voor de vaststelling van het inkomen voor de toepassing van deze beleidsregels, wordt het VTBL in beginsel gehanteerd als het inkomen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.
Het VTLB wordt berekend volgens een landelijk vastgestelde rekenwijze (Recofa-richtlijnen) aan de hand van de beslagvrije voet en de feitelijke primaire lasten van de belanghebbende. Bij de berekening wordt het feitelijke inkomen van belanghebbende niet meegewogen. Dat betekent dat het VTLB in sommigen gevallen méér bedraagt dan het feitelijke inkomen. In die gevallen moet niet het VTLB gehanteerd worden, maar het feitelijke inkomen. Want de belanghebbende heeft dan alleen de beschikking over het feitelijke inkomen.
De belanghebbende die in een inrichting verblijft, moet een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. Deze eigen bijdrage is zo afgestemd dat de belanghebbende alleen nog de inrichtingsnorm van artikel 23 van de wet overhoudt. Als bij het vaststellen van het inkomen van belanghebbende geen rekening wordt gehouden met de verplichte afdracht van deze eigen bijdrage, komt de belanghebbende niet of nauwelijks in aanmerking voor bijzondere bijstand, terwijl belanghebbende niet meer te besteden heeft dan andere belanghebbenden die een bijstandsnorm ontvangen. Om deze ongelijke situatie te voorkomen, moet bij het vaststellen van het inkomen de eigen bijdrage die de belanghebbende aan het CAK moet betalen in mindering worden gebracht op het inkomen.
De zelfstandige ondernemer heeft geen inkomen dat vooraf duidelijk is. Pas achteraf, na afsluiting van het kalenderjaar, zal uit de jaarcijfers blijken wat een zelfstandige aan inkomen heeft ontvangen.
Om het mogelijk te maken dat ook zelfstandigen lopende een kalenderjaar gebruik kunnen maken van bijzondere bijstand, wordt het inkomen van de zelfstandige voorlopig vastgesteld aan de hand van de jaarcijfers van het vorige jaar. Mochten die nog niet beschikbaar zijn, dan kunnen de jaarcijfers van het daar daarvoor gebruikt worden. Het is wel raadzaam om de belanghebbende te vragen of deze jaarcijfers nog een reëel beeld geven van het inkomen, omdat achteraf nog wel het feitelijke inkomen vastgesteld moet worden. Als de belanghebbende veel meer heeft verdiend, dan kan het zo zijn dat de hij/zij de verstrekte bijstand terug moet betalen.
Na afloop van het kalenderjaar is de belanghebbende verplicht vóór 1 juli van het daaropvolgende jaar, de jaarcijfers te overhandigen. Met deze jaarcijfers wordt vervolgens het inkomen definitief vastgesteld. Omdat het inkomen wordt vastgesteld als een ‘voorlopig’ inkomen, wordt de bijzondere bijstand in beginsel verstrekt in de vorm van een lening.
Met het definitieve vastgestelde inkomen wordt vervolgens beoordeeld of de belanghebbende aanspraak zou hebben gehad op de bijzondere bijstand als het definitieve inkomen vooraf bekend geweest was. Voor het gedeelte dat in dat geval was toegekend, wordt de lening omgezet in bijstand ‘om niet’. Het gedeelte dat in dat geval niet zou zijn toegekend, moet door de belanghebbende worden terugbetaald.
Als de belanghebbende weigert de jaarcijfers tijdig te verstrekken, waardoor het niet mogelijk is om het inkomen definitief vast te stellen, kan alle verstrekte bijzondere bijstand worden teruggevorderd.
Bij de aanvraag van bijzondere bijstand wordt het inkomen van de belanghebbende afgezet tegen de bijstandsnorm die op de belanghebbende van toepassing is. Dit wordt vastgelegd met het inkomenspercentage. De berekening is als volgt:
(inkomen belanghebbende/ toepasselijke bijstandsnorm) X 100 = inkomenspercentage
Het inkomenspercentage wordt vastgesteld voor een bepaalde periode. Tijdens deze periode is meteen duidelijk of belanghebbende (nog) draagkracht heeft en aanspraak maakt op bijzondere bijstand. Alleen in geval van noemenswaardige wijzigingen (in het inkomen of gezinssamenstelling) wordt het inkomenspercentage tussentijds opnieuw vastgesteld.
Hoofdstuk 2 Bijzondere bijstand
Voor alle situaties die niet vallen onder de standaardsituaties in deze beleidsregels, kan nog steeds bijzondere bijstand mogelijk zijn. In deze paragraaf zijn een aantal algemene bepalingen opgenomen die niet alleen van toepassing zijn op de genoemde standaardsituaties in deze beleidsregels, maar ook op alle niet-genoemde situaties.
Bijzondere bijstand wordt alleen als lening verstrekt in die gevallen die benoemd zijn in deze beleidsregels en/of de wet.
De achtergrond van bijzondere bijstand is dat de kosten zich voordoen en de kosten noodzakelijk zijn. Belanghebbende kan alleen de kosten niet zelf betalen, omdat hij/zij niet hiervoor heeft kunnen reserveren van het inkomen op bijstandsniveau. In de praktijk worden de kosten nog wel eens gemaakt voordat de bijzondere bijstand is aangevraagd. Daarom wordt geaccepteerd dat de aanvraag wordt ingediend binnen drie maanden nadat de kosten zich voor doen. De factuurdatum wordt aangenomen als het moment dat de kosten zich voor doen.
De bijzondere bijstand wordt pas verstrekt als de belanghebbende tijdens de draagkrachtperiode geen draagkracht meer heeft.
Bij het vaststellen van de draagkracht bepaalt het college welke financiële ruimte de belanghebbende per jaar heeft om zelf de noodzakelijke kosten te betalen. Als alle noodzakelijke kosten in een jaar samen meer zijn dan de draagkracht, kan er bijzondere bijstand verstrekt worden voor het meerdere. Door over de eerste 10% boven de bijstandsnorm slechts 50% als draagkracht aan te merken ontstaat er geen harde grens waarboven er geen bijzondere bijstand meer mogelijk is.
De draagkrachtperiode is de periode waarin de vastgestelde draagkracht per jaar ‘geldig’ is. Zolang de draagkrachtperiode nog niet is verstreken, wordt de draagkracht niet opnieuw berekend. De draagkrachtperiode start op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand is ontvangen. In uitzonderlijke gevallen kunnen dan de vergoede kosten buiten draagkrachtperiode vallen (in de maand voorafgaande). Bijvoorbeeld als de factuur van 6 februari is en aanvraag op 3 maart wordt ingediend. De draagkrachtperiode start dan op 1 maart, terwijl de kosten zich in februari hebben voorgedaan.
Dit kan alleen als het een nieuwe draagkrachtperiode betreft. In dergelijke situaties, worden de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd wel meegenomen in het nieuw vastgestelde draagkrachtjaar.
Als er lopende een draagkrachtperiode een aanvraag wordt gedaan van periodieke bijzondere bijstand, kan de lopende draagkrachtperiode verlengd worden met maximaal 3 maanden, als de gebruikelijke duur van de toekenning de draagkrachtperiode zou overschrijden. Wanneer periodieke bijzondere bijstand gebruikelijk voor een jaar toegekend wordt en de draagkrachtperiode is nog maar 10 maanden ‘geldig’, dan kan de draagkrachtperiode eenmalig verlengd worden met 2 maanden, zodat deze weer aansluit bij de periode waarvoor de periodieke bijzondere bijstand verstrekt wordt. De draagkracht hoeft dan niet opnieuw beoordeeld te worden.
Is de resterende draagkrachtperiode korter dan 9 maanden, maar langer dan 6 maanden, dan wordt geadviseerd om de verlenging toe te passen én de duur van de toekenning van de bijzondere bijstand aan te passen tot het einde van de verlening van de draagkrachtperiode.
Is de resterende draagkrachtperiode korter dan 6 maanden, dan wordt geadviseerd om de draagkracht opnieuw vast te stellen en een nieuwe draagkrachtperiode vast te stellen.
2.2 Aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud
Artikel 9 Uitzondering draagkrachtbepaling
De situaties genoemd in paragraaf 2.2 hebben alle betrekking op kosten waarvoor een groot deel van de bijstandsnorm bedoeld is. In beginsel zou er geen reden zijn om nog extra (bijzondere) bijstand te verstrekken voor deze kosten. In de uitzonderlijke situaties waarin toch aanvullend bijzondere bijstand verstrekt wordt, gebeurt dat zo minimaal mogelijk.
Dat betekent dat er een aangepaste, strengere draagkrachtbepaling van toepassing is, waarbij alles boven de bijstandsnorm voor 100% gezien wordt als draagkracht. Ook is de kostendelersnorm van toepassing, omdat het gaat om de situaties waarin in geval van medebewoners de kosten gedeeld kunnen worden.
Artikel 10 In een inrichting verblijvende jongere in de leeftijd 18, 19 of 20 jaar
Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig. Als een jongere kosten heeft die de jongerennorm van de bijstand te boven gaat, dan worden de ouders geacht bij te dragen in de kosten van het onderhoud. Als de jongere zijn ouder(s) niet kan aanspreken om een financiële bijdrage in zijn onderhoud te leveren, is bijzondere bijstand mogelijk.
In het derde lid worden de omstandigheden opgesomd waarin wordt aangenomen dat de ouders niet aan te spreken zijn op hun onderhoudsplicht. Beide ouders zijn hoofdelijk aansprakelijk. Dus als één ouder niet aan te spreken is, moet alsnog de andere ouder voldoen aan zijn onderhoudsplicht. Bijzondere bijstand is pas mogelijk als beide ouders niet aan te spreken zijn.
Het inkomen van de jongere en de bijzondere bijstand kunnen samen in ieder geval nooit meer zijn dan de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet. Om de hoogte van de bijzondere bijstand te bepalen wordt gekeken naar de feitelijke noodzakelijke kosten van de jongere. Er wordt dus niet automatisch aangevuld tot aan de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de wet.
De huur van een (nieuwe) woning moet vooruitbetaald worden. Het is niet altijd mogelijk om al een toekenningsbesluit van de huurtoeslag te hebben voordat de huur betaald moet worden.
Ter overbrugging tot het moment dat de huurtoeslag ontvangen wordt, kan er in de vorm van een lening bijzondere bijstand verstrekt worden. De bijzondere bijstand mag maximaal de hoogte van de (te verwachten) huurtoeslag hebben, omdat de bijstand na ontvangst van de huurtoeslag direct terugbetaald moet worden.
Een belanghebbende met een huurprijs boven de huurgrens die door verlies van inkomen zijn huur niet meer kan betalen, kan tijdelijk bijzondere bijstand verkrijgen. De hoogte van de bijzondere bijstand is dan de maximale huurtoeslag die bij het inkomen van de belanghebbende hoort, verhoogd met het verschil tussen de huurgrens en de feitelijke (hogere) huurprijs.
Ook als een belanghebbende de woonkosten van zijn koopwoning niet meer kan opbrengen door verlies van inkomsten, kan er tijdelijk bijzondere bijstand verstrekt worden. De belanghebbende kan ondanks zijn lage inkomen geen huurtoeslag verkrijgen, omdat hij geen huurwoning bewoont. De bijzondere bijstand bedraagt dan wat de belanghebbende aan huurtoeslag zou hebben ontvangen als het wel een huurwoning betrof.
Als de woonkosten hoger zijn dan de huurgrens wordt de bijzondere bijstand nog verhoogd met het verschil tussen de huurgrens en de feitelijke (hogere) woonkosten. Wat onder woonkosten wordt verstaan is opgesomd in artikel 1 van deze beleidsregels.
De bijzondere bijstand wordt alleen tijdelijk verstrekt en de belanghebbende met kosten boven de huurgrens heeft de plicht om er alles aan te doen om zo snel mogelijk een goedkopere woning te verkrijgen, zodat de bijzondere bijstand niet meer nodig is.
Artikel 12 Eerste maand huur, administratiekosten en waarborgsom
De bijstandsuitkering wordt na afloop van de maand uitbetaald en de huur moet voorafgaand aan de maand betaald worden. Belanghebbenden die voor vestiging in de nieuwe woning geen inkomen hebben vallen hierdoor in een financieel gat, dat niet meer in te halen is als hiervoor geen bijzondere bijstand wordt verstrekt.
Uiteraard is de huurtoeslag een voorliggende voorziening en wordt deze in mindering gebracht op de bijzondere bijstand. In afwachting van de eerste uitbetaling van de huurtoeslag, kan op grond van artikel 11 sub a onder 1 een lening verstrekt worden tot de huurtoeslag is uitbetaald.
Bij een noodzakelijke verhuizing kan belanghebbende bijzondere bijstand krijgen voor de administratiekosten, als de verhuurder deze in rekening brengt. De dubbele huur die iemand heeft door tijdens de verhuizing twee woningen te hebben, wordt voor een halve maand vergoed. In deze halve maand wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om de woning iets op te knappen en de inboedel te verhuizen naar de nieuwe woning.
De belanghebbende moet er zelf zorg voor dragen dat de huur van de oude woning tijdig opgezegd wordt, zodat er niet meer overlap ontstaat dan een halve maand. Voor de waarborgsom wordt alleen een lening verstrekt, omdat dit bedrag uiteindelijk door de verhuurder aan de belanghebbende terugbetaald wordt.
Artikel 13 Woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen
In artikel 1 is opgenomen dat woninginrichting meubels en lampen betreft en duurzame gebruiksgoederen zijn witgoed (koelkast, wasmachine enz.) en zwartgoed (televisie).
Bijzondere bijstand voor woninginrichting en/of duurzame gebruiksgoederen is alleen mogelijk als er sprake is van een noodzakelijke verhuizing. In alle andere gevallen wordt de belanghebbende geacht zelf voor deze kosten te reserveren. Daarnaast is de toegang beperkt tot de noodzakelijke verhuizingen die genoemd zijn in artikel 12 derde lid sub a tot en met d, omdat dit de situaties zijn waarin de belanghebbende(nog) niet over een (volledige) inboedel beschikt. In de andere situaties kan de belanghebbende zijn inboedel gewoon meenemen uit de oude woning.
De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening. Enige uitzondering is als de belanghebbende al is toegelaten tot het minnelijke of wettelijke schuldhulptraject.
Deze belanghebbenden mogen geen nieuwe schulden maken tijden hun traject, dus geen bijstand in de vorm van een lening ontvangen. Om deze belanghebbende niet tussen wal en schip te laten vallen, is hiervoor een uitzondering gemaakt.
De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt afgestemd op de goedkoopste mogelijkheid om de goederen aan te schaffen. Dat betekent dat de belanghebbende moet benoemen welke goederen noodzakelijk zijn. Van belanghebbende mag verwacht worden om ook het tweedehands aanbod te bekijken.
Van de woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen mag verwacht worden dat deze minimaal 5 jaar gebruikt kunnen worden. Mocht de belanghebbende binnen 60 maanden weer verhuizen, dan wordt ervan uitgegaan dat belanghebbende de woninginrichting en de duurzame gebruiksgoederen dus mee kan nemen naar de nieuwe woning. Bijzondere bijstand voor woninginrichting is dan alleen nog mogelijk voor het bedrag dat bij de eerste verhuizing niet is gebruikt.
In geval van een medische noodzaak voor de verhuizing kan de Wmo een voorliggende voorziening zijn.
De mogelijkheid van bijzondere bijstand voor de kosten van het transport van en de inpakmiddelen voor de inboedel, is beperkt tot de noodzakelijke verhuizingen genoemd in artikel 12 derde lid sub d tot en met f. Dit zijn de situaties waarin de belanghebbende beschikt over een volledige inboedel. In de andere gevallen is de inboedel beperkt. In geval van een medische noodzaak voor de verhuizing kan Wmo een voorliggende voorziening zijn.
Overzicht artikel 12 tot en met 15
De belanghebbende wordt geacht zelf te reserveren voor deze kosten. Alleen de minderjarige, die vaak geen eigen inkomen heeft, en de statushouder, die korter dan 5 maanden voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum het AZC heeft verlaten, hebben onvoldoende mogelijkheden gehad om voor deze kosten te reserveren. Daarom krijgen deze belanghebbenden bijzondere bijstand in de vorm van een lening. De bijzondere bijstand voor een babyuitzet is € 500 omdat belanghebbende een beroep kan doen op Stichting Babyspullen in Barneveld.
Artikel 17 Chronisch zieken en gehandicapten
De aandoening kan ervoor zorgen dat kleding en beddengoed eerder vervuild raakt of dat kleding eerder slijt.
Ook kan de aandoening ervoor zorgen dat de belanghebbende meer behoefte heeft aan een warmere woonomgeving. Dit brengt extra kosten met zich mee. Om deze belanghebbenden tegemoet te komen is bijzondere bijstand mogelijk.
In uitzonderlijke gevallen is de belanghebbende aangewezen op chronisch gebruik van medicatie die zonder recept bij apotheek of drogist verkrijgbaar is, bijvoorbeeld paracetamol. Dit moet dan voorgeschreven zijn door een arts. Doorgaans worden deze kosten niet vergoed door de zorgverzekering. Als de collectieve zorgverzekering van de gemeente deze kosten wel vergoedt, is géén bijzondere bijstand mogelijk.
In geval van het bezoeken van een gezinslid worden de kosten van de aangegeven aantal retours vergoed. Daarbij kiest de belanghebbende zelf of deze op verschillende dagen voor één persoon ingezet worden, of op (bijvoorbeeld) één dag met meerdere personen uit het gezin. De belanghebbende moet de reisbewijzen overhandigen voordat de bijzondere bijstand wordt uitbetaald.
Alleen de kosten voor de kortste route worden vergoed. Als de belanghebbende een snellere route wil reizen, zijn de meerkosten voor eigen rekening.
Een afstand kleiner dan 7 kilometer, of binnen de gemeente Barneveld kan de belanghebbende met de fiets afleggen.
Nabestaanden kunnen onverwacht worden geconfronteerd met hoge kosten van een begrafenis of crematie van een naaste. Soms kunnen die kosten niet worden voldaan uit de nalatenschap, een daartoe strekkende verzekering en/of kon daarvoor onvoldoende worden gereserveerd of kon reservering daarvoor in redelijkheid niet verlangd worden. In dergelijke situaties kan bijzondere bijstand worden verleend voor de specifiek genoemde kosten tot maximale vergoeding in deze beleidsregels
Artikel 21 Kosten van griffie en rechtsbijstand
Degene die om rechtsbijstand verzoekt dient op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) eerst een advies te vragen bij het Juridisch Loket. Pas bij een positief advies zal een toevoeging worden verleend door de Raad voor de Rechtsbijstand (RvR). Zonder advies, of bij een negatief advies, zal de toevoeging in de regel worden geweigerd: de RvR vindt de procedure dan niet noodzakelijk.
Als de belanghebbende een toevoeging krijgt, dan worden de kosten van de advocaat op grond van de Wrb vergoed.
De Wrb is voor die kosten dan ook een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 lid 1 PW.
De Wrb is voor de inkomensafhankelijke eigen bijdrage en voor de griffiekosten geen voorliggende voorziening. Voor die kosten kan eventueel bijzondere bijstand worden verleend als wordt voldaan aan de criteria van artikel 35 lid 1 PW.
Wanneer een toevoeging is verleend, wordt de noodzaak voor de procedure aanwezig geacht en kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de griffiekosten en voor de inkomensafhankelijke eigen bijdrage.
2.4 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor
Artikel 22 Kosten voor curator, bewindvoerder en/of mentor
Let op, bij deze kosten is er een afwijkende draagkrachtbepaling. Zodra belanghebbende een inkomen boven 110% van de toepasselijke bijstandsnorm heeft, wordt het inkomen dat hierboven uitkomt volledig aangemerkt als draagkracht. Er is geen sprake van draagkracht over het inkomen tussen de 100% en 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.
De reden hiervan is dat sprake is van periodieke bijzondere bijstand voor deze kosten. Daardoor zouden belanghebbenden met een inkomen tussen de 100%-110% van de toepasselijke bijstandsnorm langdurig op vrijwel het minimumniveau terecht komen. Het gevolg daarvan is dat de financiële ruimte, slagkracht en reserveringscapaciteit bij deze belanghebbenden relatief gezien fors en langdurig wordt ingeperkt. Daarnaast is bij een groot deel van de belanghebbenden met een inkomen op dit niveau geen sprake van mogelijkheden (meer) om de inkomenspositie te verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan belanghebbenden met een WAJONG-uitkering en pensioengerechtigden met een klein aanvullend pensioen.
Als de rechter de belanghebbende onder bewind of curatele heeft gesteld, en/of bepaald heeft dat de belanghebbende onder mentorschap staat, staat ook de noodzakelijkheid va deze kosten vast.
De kosten van een curator of bewindvoerder die door de rechter benoemd is ten behoeve van de afwikkeling van een faillissement en/of een wettelijk schuldsaneringstraject, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Dat is alleen mogelijk als dit uit de uitgebreide (wettelijke) individuele beoordeling van bijzondere bijstand zou blijken.
2.5 Draagkracht, niet van toepassing
Artikel 23 Draagkracht niet van toepassing
Vanwege de aard van de regelingen, opgenomen in deze paragraaf, wordt eventuele draagkracht buiten beschouwing gelaten.
Artikel 24 Overbruggingsuitkering voeding
Als iemand voorafgaand aan de bijstandsuitkering geen (toereikend) inkomen heeft, moet de maand tot uitbetaling van de (aangevraagde) bijstandsuitkering overbrugd worden. De bijstand wordt over een maand achteraf betaald, dus in de lopende maand heeft de belanghebbende dan geen inkomen om voedsel te kopen. Een voorschot van de uitkering biedt geen oplossing, omdat het voorschot weer in mindering gebracht wordt op de uitbetaling van de uitkering, waardoor de belanghebbende in de maand daarop weer tekortkomt. Zo blijft de belanghebbende financieel achter de feiten aanlopen.
Voor de eventuele huur, zie artikel 11 en 12.
Als de belanghebbende wel inkomen en/of vermogen heeft, dan wordt dit in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering. Is het inkomen en/of vermogen meer dan de hoogte van de berekende overbruggingsuitkering, dan beschikt de belanghebbende dus over voldoende eigen middelen en is er geen aanspraak op bijzondere bijstand.
Artikel 25 Collectieve zorgverzekering
De jongerennormen en/of kostendelersnormen worden voor het bepalen van de toepasselijke norm niet toegepast, omdat de kosten van een zorgverzekering voor iedereen gelijk is, ongeacht de leeftijd of het aantal medebewoners.
De collectieve verzekering bestaat uit een Basisverzekering, een aanvullende verzekering en een verplichte tandartsverzekering. Er kan gekozen worden uit diverse pakketsamenstellingen met verschillende premies en verschillende (maximale) vergoedingen zoals vermeld in het vierde lid.
Deelname vangt in beginsel altijd aan per 1 januari van het komende jaar. Als de belanghebbende al een zorgverzekering heeft bij de zorgverzekeraar waarmee de gemeente een collectieve zorgverzekering heeft afgesloten, kan ook gedurende het kalenderjaar worden overgestapt. Het is niet mogelijk gedurende het jaar over te stappen naar het pakket GarantVerzorgd 3, waarbij het eigen risico is meeverzekerd. Aanvang van deelname gedurende het kalenderjaar is ook mogelijk voor nieuwkomers in Nederland die een verblijfsvergunning hebben gekregen, of personen die, na emigratie vanuit Nederland, zich weer in Nederland vestigen. Uiteraard kunnen jongeren, die 18 jaar worden en zich voor het eerst een zorgverzekering moeten afsluiten, zich gedurende het jaar aanmelden.
Kosten die door het meest uitgebreide pakket van de collectieve verzekering vergoed worden, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Ook niet als de belanghebbende voor een ander pakket en/of andere verzekeraar gekozen, die dezelfde kosten niet vergoedt.
Artikel 26 Individuele inkomenstoeslag
In deze beleidsregels zijn alleen de uitzonderingen opgenomen wanneer er géén aanspraak op de individuele inkomenstoeslag is. Voor de voorwaarden om wel in aanmerking te komen wordt verwezen naar artikel 36 van de wet en hoofdstuk 4 van de Participatieverordening.
Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:
Als het de belanghebbende te verwijten is dat hij een verplichting niet is nagekomen, dan heeft de belanghebbende onvoldoende inspanningen verricht om tot een inkomensverbetering te komen. Het kan de belanghebbende alleen verweten worden als deze inspanningen bij de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende passen.
Een belanghebbende die een opleiding volgt (als genoemd in WTOS en WStufi) heeft vaak wel langdurig een laag inkomen, maar valt niet in de doelgroep van de inkomenstoeslag en is daarom uitgesloten. In beginsel heeft een student ook uitzicht op een inkomensverbetering.
Voor zover de belanghebbende een toekenning heeft die gebaseerd is op oude beleidsregels, blijft deze toekenning van kracht tot de periode van toekenning is verstreken.
Pas als er een nieuwe aanvraag ingediend wordt, zijn de nieuwe beleidsregels van toepassing. Dat geldt ook voor de draagkrachtperiode.
Alleen in het geval de belanghebbende een toekenning heeft voor medische kosten, kan deze toekenning (ongewijzigd) worden verlengd tot 30 april 2027. Deze overgangstermijn stelt de belanghebbende in de gelegenheid om over te stappen naar de collectieve zorgverzekering, waar deze medische kosten wel vergoed worden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-206435.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.