Subsidieregeling peuteropvang gemeente Westervoort 2026

Overwegende dat:

  • Aan alle kinderopvangorganisaties in de gemeente Westervoort de mogelijkheid wordt geboden om een subsidieaanvraag in te dienen voor peuteropvang;

  • Uit de Wet Kinderopvang volgt dat de verantwoordelijkheid voor peuteropvang bij de gemeente ligt in het geval ouders niet in aanmerking komen voor de Kinderopvangtoeslag van het Rijk;

  • Door het Rijk en de VNG bestuursafspraken zijn gemaakt om zich gezamenlijk in te zetten voor toegankelijke voorschoolse voorzieningen en een groter bereik van peuters, met als doel dat alle peuters naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan;

  • De wet op het primair onderwijs (WPO) de opdracht geeft om regels vast te stellen over de uitvoering van de voor- en vroegschoolse educatie;

  • Uit de Jeugdwet volgt dat de gemeente de wettelijke taken voor de jeugdhulp uitvoert en samen met het onderwijs (Passend Onderwijs) verantwoordelijk is voor het versterken van preventie en het vroegtijdig onderkennen van ondersteuningsvragen;

  • Het beleidsplan Onderwijskansen 2023-2026 voor de gemeenten Duiven en Westervoort en de begroting van onderwijsachterstandsmiddelen voor 2026 na consultatie van school- en kinderopvangbesturen is vastgesteld met daarin afspraken over de besteding van de onderwijsachterstandsmiddelen;

gelet op de Algemene Subsidieverordening gemeente Westervoort 2025;

 

besluit vast te stellen de Subsidieregeling peuteropvang gemeente Westervoort 2026:

Artikel 1. Definities

  • 1.

    Pedagogische medewerker VVE: De beroepskracht die geschoold is volgens de wettelijke basisvoorwaarden voor kwaliteit van beroepskrachten in de voorschoolse educatie.

  • 2.

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang

  • 3.

    Geregistreerd kindcentrum: Een kindcentrum dat is opgenomen in het LRK en voldoet aan de wet- en regelgeving voor de kinderopvang. Een locatie wordt aanvullend als een VVE-locatie in het LRK geregistreerd als deze voldoet aan de wet- en regelgeving van de kinderopvang.

  • 4.

    Het college: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort.

  • 5.

    Houder: De rechtspersoon aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet toebehoort en die een in het LRK geregistreerd Kindcentrum exploiteert.

  • 6.

    Subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door het college verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

  • 7.

    Inkomensverklaring: Een officiële verklaring van de Belastingdienst inzake de inkomensgegevens aan houder van een persoon in een bepaald inkomensjaar.

  • 8.

    Kinderopvangtoeslag (KOT): Kinderopvangtoeslag is een maandelijkse bijdrage van de overheid voor kinderopvang. De toeslag wordt berekend op basis van het inkomen van de ouders en de levenssituatie. Ook het aantal kinderen dat naar een opvang gaat heeft invloed op de hoogte van de toeslag.

  • 9.

    Peuter: Kind in de leeftijd van 2 - 4 jaar, woonachtig in Westervoort.

  • 10.

    Peutermonitor: Een monitoringsinstrument dat de gemeente en de voorschoolse voorziening inzicht biedt in het aanbod, bereik en de financiën.

  • 11.

    Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE): Educatie aan de hand van een VVE-programma, verdeeld in een voorschoolse periode (2- en 3-jarigen), doorlopend in de eerste jaren van het basisonderwijs (4- en 5-jarigen), de vroegschoolse periode.

  • 12.

    Voorschoolse locatie VVE: Een voorschoolse locatie met een VVE-aanbod waar op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van peuters in ieder geval gestimuleerd wordt op het gebied van rekenen, taal, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

  • 13.

    VVE-indicatie: De criteria die het consultatiebureau hanteert voor de VVE-indicatie in de gemeente Westervoort zijn:

    • Het opleidingsniveau van één of beide ouders of van de verzorgende ouder is maximaal VMBO kaderberoepsgerichte leerweg;

    • Kinderen met een risico op taalachterstand zonder medische oorzaak bij het kind zelf (Van Wiechen ontwikkelingsonderzoek);

    • Kinderen uit een taalarme omgeving, waar thuis geen Nederlands gesproken wordt en/of waar laaggeletterdheid is;

    • Kinderen met een aanwezig risico op onderwijs- en ontwikkelingsachterstanden;

    • Kinderen bij wie bij binnenkomst in de voorschoolse voorziening een (taal)achterstand wordt geconstateerd.

  • 14.

    Reguliere peuters: Peuters zonder VVE indicatie.

  • 15.

    Verzamelinkomen: Door de Belastingdienst gehanteerde term voor het jaarinkomen uit box 1, box 2 en box 3 verminderd met de aftrekposten. Het betreft hier het jaarinkomen van het hele gezin.

  • 16.

    Zware doelgroep-locatie: Een VVE-locatie die in de eerste drie kwartalen van het voorgaande jaar gemiddeld ten minste 40% ingeschreven VVE-geïndiceerde peuters had, gebaseerd op de verhouding tussen het aantal ingeschreven unieke kinderen.

Artikel 2. Toepassingsbereik

Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders voor de in artikel 4 bedoelde activiteiten.

Artikel 3. Doel

  • 1.

    Deze subsidieregeling is ondersteunend aan de Westervoortse ambitie om alle kinderen in de gemeente Westervoort zonder taal-/ontwikkelingsachterstand aan groep 3 van de basisschool te laten beginnen.

  • 2.

    Met deze subsidieregeling is peuteropvang:

    • a.

      toegankelijk voor peuters met VVE-indicatie vanaf 2 jaar.

    • b.

      ook toegankelijk voor reguliere peuters vanaf 2 jaar van wie ouders geen beroep kunnen doen op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst (niet-KOT);

    • c.

      een basisvoorziening van 8 uur voor reguliere niet-KOT peuters. Voor peuters met een VVE-indicatie is er een aanvullend aanbod van 8 uur per week (in totaal 16 uur peuteropvang per week);

    • d.

      voldoende gespreid binnen de gemeente.

Artikel 4 Activiteiten

Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de doelen zoals hierboven.

Artikel 5. Voorwaarden

In aanvulling op de bepalingen in de Algemene Subsidieverordening moet aan de volgende eisen zijn voldaan:

  • 1.

    De aanvrager is een geregistreerd kindcentrum of de houder daarvan.

  • 2.

    De aanvrager vraagt jaarlijks subsidie aan door het indienen van het door de gemeente geleverde ingevulde aanvraagformulier ondersteuning, met tenminste:

    • a.

      Een opgave van het aantal peuters voor wie de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd.

    • b.

      Een beschrijving van het aanbod VVE dat is voorzien van informatie over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de VVE.

  • 3.

    De aanvraag wordt ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Het geregistreerd kindcentrum en de invulling van het aanbod voldoen voor peuters met VVE-indicatie en voor reguliere peuters aan de kwaliteitseisen van wetgeving. Specifiek voor peuters met VVE-indicatie wordt aanvullend voldaan aan het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

  • 5.

    Wetgeving en aanverwante regelgeving moeten worden nageleefd.

  • 6.

    Het geregistreerd kindcentrum organiseert het aanbod met inachtneming van de subsidiecriteria.

  • 7.

    Het geregistreerd kindcentrum verleent medewerking aan een (on)aangekondigde toetsing op kwaliteit.

  • 8.

    Het geregistreerd kindcentrum informeert het college over wijzigingen betreffende wachtlijsten voor het aantal reguliere peuters en VVE-peuters.

  • 9.

    Het geregistreerd kindcentrum draagt zorg voor de inzet van peuteropvang/VVE voor peuters van ouders die de ouderlijke bijdrage niet (geheel) kunnen dragen. Er is een mogelijkheid voor een gemeentelijke vergoeding.

  • 10.

    De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker van het geregistreerd kindcentrum is ten behoeve van de verhoging van de kwaliteit van voorschoolse educatie en betreft de totstandkoming en implementatie van beleidsvoornemens met betrekking tot voorschoolse educatie en coaching van beroepskrachten voorschoolse educatie.

Artikel 6. De hoogte van de subsidie voor VVE-peuters en reguliere niet-KOT peuters

  • 1.

    De subsidie bestaat uit een bijdrage per geplaatste peuter. In de van deze regeling deel uitmakende bijlage ‘Opbouw kostprijs peuteropvang’ wordt de gemeentelijke subsidie per uur peuteropvang en dagopvang beschreven. Het college stelt jaarlijks voor 15 oktober de bijlage als bedoeld in het eerste lid vast. Hierbij wordt als volgt bepaald:

    • a.

      de landelijk vastgestelde maximale uurprijs dagopvang zoals vastgesteld door het Rijk;

    • b.

      de gemeentelijke opslag per uur op basis van landelijke, wettelijke of gemeentelijke ontwikkelingen.

  • 2.

    Op het subsidiebedrag wordt de door de houder of het geregistreerd kindcentrum ontvangen ouderbijdrage van alle ouders, die geen recht hebben op KOT, in mindering gebracht. Dit gebeurt op de volgende wijze:

  • Het college vergoedt aan de houder of het geregistreerd kindcentrum het vastgestelde maximumuurtarief van de toeslagregeling voor dagopvang, zoals deze door de rijksoverheid wordt vastgesteld. Ouders betalen aan de houder of het geregistreerd kindcentrum een inkomensafhankelijke ouderbijdrage.

  • 3.

    Indien een geregistreerd kindcentrum een hoger tarief hanteert dan het maximumuurtarief dat wordt gesubsidieerd, betaalt de ouder het verschil tussen het hogere uurtarief en het maximum tarief altijd zelf. Aan dit verschil kan geen recht op subsidie worden ontleend.

  • 4.

    De hoogte van de ouderbijdrage wordt door het geregistreerd kindcentrum bepaald aan de hand van het meest recente verzamelinkomen van de ouder(s). Dit verzamelinkomen wordt bepaald aan de hand van een door de ouders te overleggen inkomensverklaring of door een recente jaaropgave, als er geen aangifte hoeft te worden gedaan voor de inkomensbelastingen.

  • 5.

    Voor lid 2 tot en met 4 geldt de door de rijksoverheid vastgestelde ouderbijdragetabel voor de kinderopvang voor het onderdeel dagopvang.

  • 6.

    De aanbieder kan voor VE-locaties met gemiddeld meer dan 40% VVE-geïndiceerde peuters een beroep doen op een extra subsidie. Uitgangspunt hierbij is dat de gemeente Westervoort 8 uur per week extra subsidieert voor een periode van 40 weken. Hierbij wordt uitgegaan van loonkosten à € 43,72 per uur, op basis van trede 23, schaal 6 uit de CAO Kinderopvang, inclusief werkgeverslasten. Dit komt neer op een bedrag van € 13.990,00 per locatie per jaar.

Artikel 7. Verlening extra subsidie voor locaties met minimaal 40% VVE-geïndiceerde kinderen

De gemeente subsidieert een tegemoetkoming voor aanbieders met een relatief hoog aandeel VVE-geïndiceerde peuters. Het gaat hierbij om de volgende criteria en doelen:

 

  • 1.

    De aanbieder kan voor VE-locaties met gemiddeld meer dan 40% VVE- geïndiceerde peuters een beroep doen op een extra subsidie. Dit percentage betreft de verhouding op basis van het gemiddelde aantal unieke kinderen met en zonder VVE-indicatie. Meetmomenten vinden plaats in de eerste drie kwartalen van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. Als houders reguliere peuters niet (allemaal) uploaden in de Peutermonitor, leveren zij bij de gemeente gelijktijdig met het uploaden van kwartaalcijfers in de Peutermonitor geanonimiseerde lijsten aan van het totaal aantal reguliere peuters per VE-groep.

    Het aantal VVE-peuters is te verifiëren via de Peutermonitor.

  • 2.

    De inzet van deze aanvullende middelen komt ten goede aan de kwaliteit van het aanbod van voorschoolse educatie op deze locatie en kan door de aanbieder naar eigen inzicht in worden gezet.

Artikel 8. Subsidieplafond

  • 1.

    Voor reguliere peuters geldt een jaarlijks subsidieplafond van € 91.917.

  • 2.

    Als het subsidieplafond voor reguliere peuters wordt overschreden, wordt subsidie onder kinderopvangaanbieders verdeeld naar rato van het financiële marktaandeel voor subsidie voor reguliere peuters in de maanden januari t/m september voorafgaand aan het betreffende jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd (te verifiëren via de Peutermonitor).

  • 3.

    Indien een organisatie voor het eerst subsidie aanvraagt, wordt voor de berekening van het relatieve financiële marktaandeel uitgegaan van een bedrag van € 4.500 per VE-groep (berekend over de eerste drie kwartalen). Dit bedrag is gebaseerd op het gemiddelde subsidiebedrag voor reguliere niet-KOT peuters per VE-groep over 2024.

  • 4.

    Indien een organisatie het aantal VE-groepen uitbreidt, wordt voor de berekening van het relatieve financiële marktaandeel uitgegaan van een bedrag van € 4.500 per nieuwe VE-groep (eveneens berekend over de eerste drie kwartalen). Indien een nieuwe VE-groep reeds gedurende het voorafgaande kalenderjaar is gestart, wordt het extra bedrag van € 4.500 naar rato toegepast, overeenkomstig het aantal kwartalen waarin de betreffende VE-groep nog niet operationeel was binnen de eerste drie kwartalen van dat jaar.

  • 5.

    Voor de subsidie zoals bedoeld in artikel 7 geldt een jaarlijks subsidieplafond van € 41.970,00. Als het subsidieplafond voor subsidie zoals bedoeld in dit artikel wordt overschreden, wordt de beschikbare subsidie evenredig verdeeld onder het aantal zware doelgroep-locaties, tenzij het college besluit dat er alsnog ruimte beschikbaar komt binnen het subsidieplafond.

Artikel 9. Budget

  • 1.

    Subsidie voor VVE-peuters wordt verleend onder voorbehoud van verstrekking van de middelen door het Rijk.

  • 2.

    Subsidie voor reguliere peuters wordt verleend onder voorbehoud van verstrekking van de bijbehorende middelen door de gemeenteraad van Westervoort zoals vastgelegd in de gemeentelijke begroting.

  • 3.

    De subsidie wordt in voorschotten betaald.

  • 4.

    De houder en/of het geregistreerd kindcentrum is vrij om het toegekende budget naar eigen inzicht te besteden, mits wordt voldaan aan de doelstelling, de kwaliteitseisen en overige verplichtingen uit deze regeling.

Artikel 10. Subsidieduur

  • 1.

    De subsidie gaat in op de dag waarop de peuter een peuteropvangplaats bezet.

  • 2.

    De subsidie eindigt met ingang van de datum waarop de peuter om welke reden dan ook de peuteropvang verlaat.

Artikel 11. Weigeringsgronden

In aanvulling op de Algemene Subsidieverordening geldt dat subsidieverstrekking tevens geweigerd wordt indien gegronde reden bestaat aan te nemen dat:

 

  • a.

    de activiteiten zoals blijkt uit de ingediende begroting een onvoldoende betrouwbare financiële basis hebben.

  • b.

    de houder en/of het geregistreerd kindcentrum niet voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen genoemd in artikel 4 van deze regeling

Artikel 12. Verantwoording en vaststelling

  • 1.

    De aanvrager dient uiterlijk 30 april na afloop van het jaar waarin subsidie is ontvangen een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Deze aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een overzicht van het aantal bezette peuterplaatsen op basis van de gegevens van de peutermonitor;

    • b.

      een financieel verslag waarin een toelichting op significante afwijkingen ten opzichte van het aanvraagformulier is opgenomen.

    • c.

      Indien ook een subsidie is aangevraagd zoals is bedoeld in artikel 7: een overzicht van de werkelijke kosten.

  • 2.

    Het college toetst aan de hand van de verantwoording als bedoeld in dit artikel of de aanvrager heeft voldaan aan de verplichtingen uit deze regeling. Het college beslist binnen drie maanden na ontvangst van de verantwoording over de vaststelling van de subsidie. De subsidie wordt vastgesteld op de daadwerkelijk bestede uren per peuter aan de hand van het afgesproken uurtarief en onderverdeling naar de verschillende categorieën.

  • 3.

    Als het geregistreerd kindcentrum onderdeel is van een rechtspersoon (de houder), dan kan het college bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens de jaarrekeningen van alle gelieerde groepsmaatschappijen, voorzien van een accountantsverklaring overeenkomstig artikel 393 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, opvragen.

Artikel 13. Toezicht en kwaliteit

De Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) en De Onderwijsinspectie houden in opdracht van de gemeente toezicht op de kwaliteit van het aanbod in het kader van deze subsidieregeling.

Artikel 14. Afwijkingsmogelijkheid

Het College kan in zeer bijzondere gevallen ten gunste van een aanvrager afwijken van een of meerdere bepalingen van deze regeling.

Artikel 15. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2026.

  • 2.

    De Subsidieregeling peuteropvang gemeente Westervoort 2025, gepubliceerd d.d. 1 juli 2025, wordt ingetrokken.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: Subsidieregeling peuteropvang gemeente Westervoort 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort

Naar boven