Toewijzingsbeleid nieuwe woonwagenstandplaatsen Westelijke Mijnstreek

Burgemeester en wethouders van de gemeente Stein

 

Gelet op:

  • de Woonzorgvisie Stein 2023-2028 vastgesteld door het college van de gemeente Stein op 28 september 2023;

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegende dat:

  • in het ‘Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid’4 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onder meer bepaald is dat rekening gehouden dient te worden met de mensenrechten en woonbehoeften van woonwagenbewoners en daarbij zo mogelijk tegemoet wordt gekomen aan de wens om in familieverband samen te leven;

  • In een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 2018 is bepaald dat wonen in een woonwagen op een standplaats in familieverband een beschermde woonvorm is die voldoende effectief gefaciliteerd dient te worden.

Besluiten:

Vast te stellen het toewijzingsbeleid nieuwe woonwagenstandplaatsen Westelijke Mijnstreek

 

Beleidskader toewijzing nieuwe woonwagenstandplaatsen Stein 2026

 

1. Begripsbepalingen

In dit beleidskader wordt verstaan onder:

  • a.

    Standplaats: een kavel die bestemd is voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, van andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten, zoals bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onder ‘woongelegenheid’, sub c;

  • b.

    Woonwagen: een voor bewoning bestemd zijnde gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst, zoals bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onder ‘woongelegenheid’, sub b. Voor de toepassing van dit beleidskader worden een prefab woning, een chalet of een houtskeletbouwwoning gelijkgesteld aan een woonwagen.

  • c.

    Spijtoptant: een standplaatszoekende die in het verleden vanuit een woonwagenstandstandplaats in een van de gemeenten Beek, Sittard-Geleen of Stein is verhuisd naar een reguliere woning, maar graag opnieuw in een woonwagen wil wonen.

  • d.

    Afstammingsbeginsel: het beginsel dat inhoudt dat de standplaatszoekende, diens ouders dan wel grootouders in een woonwagen wonen dan wel moeten hebben gewoond, waarbij sprake is van een generatie op generatie doorlopende en intensieve beleving van de woonwagencultuur.

2. Uitgangspunten bij toewijzing standplaatsen

Om bij een nieuwe standplaats transparant, uitlegbaar en stabiel te kunnen handelen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • ▪︎

    het afstammingsbeginsel: aanvrager dient tot de doelgroep te behoren;

  • ▪︎

    het transparantiebeginsel: toewijzing geschiedt op basis van de in artikel 3 vermelde volgorde.

3. Volgorde toewijzing standplaatsen

Bij de toewijzing van standplaatsen wordt de volgende volgorde gehanteerd:

  • 1.

    Inwonende kinderen;

  • 2.

    Uitwonende kinderen;

  • 3.

    Inwonende kleinkinderen;

  • 4.

    Uitwonende kleinkinderen / spijtoptanten;

  • 5.

    Ouders;

  • 6.

    Broers/zussen;

  • 7.

    Ooms/tantes;

  • 8.

    Neven/nichten;

  • 9.

    Wachtlijst.

Hierbij worden de volgende criteria gehanteerd.

 

3.1 Inwonende kinderen

Kinderen vanaf 18 jaar die aantoonbaar minimaal 5 jaar feitelijk inwonen én ingeschreven staan bij hun ouder(s) op de woonwagenlocatie. Zijn er meerdere inwonende kinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt toegewezen op basis van leeftijd (van oud naar jong).

 

3.2 Uitwonende kinderen

Kinderen vanaf 18 jaar die voorheen aantoonbaar feitelijk bij hun ouder(s) op de woonwagenlocatie hebben gewoond én ingeschreven hebben gestaan. Zij zijn in een andere woonvorm gaan wonen, omdat er geen uitzicht was op een standplaats. Zijn er meerdere uitwonende kinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt toegewezen op basis van leeftijd (van oud naar jong).

 

3.3 Inwonende kleinkinderen

Kleinkinderen vanaf 18 jaar die aantoonbaar minimaal 5 jaar feitelijk inwonen en ingeschreven staan bij hun grootouder(s) op de woonwagenlocatie. Zijn er meerdere inwonende kleinkinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt geselecteerd op basis van leeftijd (van oud naar jong).

 

3.4 Uitwonende kleinkinderen / spijtoptanten

Kleinkinderen/spijtoptanten vanaf 18 jaar die aantoonbaar feitelijk bij hun grootouder(s)/op de woonwagenlocatie hebben gewoond én ingeschreven hebben gestaan. Zij zijn in een andere woonvorm gaan wonen, omdat er geen uitzicht was op een standplaats. Zijn er meerdere uitwonende kleinkinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt geselecteerd op basis van leeftijd (van oud naar jong).

 

Spijtoptanten zijn voormalige bewoners van een woonwagenlocatie die voorheen een standplaats/woonwagenwoning bewoonden, maar vrijwillig vertrokken zijn naar een andere woonvorm. Hierbij heeft de spijtoptant met de meeste woonhistorie/ familiebanden op locatie voorrang. Als er spijtoptanten zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de spijtoptant met de meeste familiebanden voorrang ten opzichte van de ander. Als ook dan nog sprake is van gelijkheid wordt van gemeentewege bepaald op welke wijze de standplaats wordt toegewezen.

 

3.5 Ouders

Ouders van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de ouder met de meeste familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als beide gelijke familiebanden hebben op de locatie wordt van gemeentewege bepaald op welke wijze de standplaats wordt toegewezen.

 

3.6 Broers/zussen

Broers of zussen van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de broer/zus met de meeste woonhistorie/familiebanden op locatie voorrang. Als er broers/zussen zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de broer/zus met de meeste familiebanden voorrang ten opzichte van de ander. Als ook dan nog sprake is van gelijkheid wordt van gemeentewege bepaald op welke wijze de standplaats wordt toegewezen.

 

3.7 Ooms/tantes

Ooms of tantes van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de oom/tante met de meeste woonhistorie/familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als er ooms/tantes zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de oom/tante met de meeste familiebanden voorrang. Als ook dan nog sprake is van gelijkheid wordt van gemeentewege bepaald op welke wijze de standplaats wordt toegewezen.

 

3.8 Neven/nichten

Neven of nichten van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de neef/nicht met de meeste woonhistorie/familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als er neven/nichten zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de neef/nicht met de meeste familiebanden voorrang. Als ook dan nog sprake is van gelijkheid wordt van gemeentewege bepaald op welke wijze de standplaats wordt toegewezen.

 

3.9 Wachtlijst

Als er geen kandidaten zijn uit bovenstaande genoemde familierelaties wordt in goed overleg bepaald aan wie de vrijkomende standplaats/woonwagenwoning zal worden toegewezen. Daarbij is de wachtlijst/inschrijving van de organisatie Thuis in Limburg (of evt. rechtsopvolger) leidend.

4. Hardheidsclausule / medische en/of sociaal aantoonbare urgentie

Indien sprake is van een medische en/of in sociaal aantoonbare urgente situatie, kan van de in artikel 3 vermelde volgorde worden afgeweken.

 

Hierbij kan rekening worden gehouden met de visie van medici, woningcorporaties, veiligheidsinstanties en/of andere maatschappelijke organisaties.

 

(Het gaat hier om een ‘collectieve’, gezamenlijke afweging tussen partijen waarbij hier ook het uitgangspunt dient te gelden dat e.e.a. beargumenteerd uitlegbaar dient te zijn)

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Stein op 24 maart 2026.

De Secretaris,

De Burgemeester,

Naar boven