Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Koggenland 2026

 

HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a

      de begraafplaatsen: algemene begraafplaats Avenhorn, algemene begraafplaats Berkhout, algemene begraafplaats Grosthuizen, algemene begraafplaats Hensbroek, algemene begraafplaats Obdam, algemene begraafplaats Oudendijk, algemene begraafplaats Ursem;

    • b

      particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

      • het doen begraven en begraven houden van lijken;

      • het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

    • c

      algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken;

    • d

      particulier kindergraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: het doen begraven en begraven houden van lijken van kinderen tot 12 jaar;

    • e

      particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:

      • het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;

    • f

      urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen;

    • g

      asbus: een bus ter berging van as van een overledene;

    • h

      grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf;

    • i

      gedenkteken: voorwerp op het graf voor het aanbrengen van opschriften of figuren;

    • j

      grafbeplanting: (winterharde) beplanting welke door de rechthebbende en/of de gemeente op een graf wordt aangebracht;

    • k

      college: de burgemeester en wethouders van Koggenland;

    • l

      beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding van de begraafplaatsen of degene die hem vervangt;

    • m

      rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een uitsluitend recht is verleend tot het doen begraven of doen bijzetten in een particulier graf, een particulier kindergraf of een particulier urnengraf;

    • n

      belanghebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf is verleend.

Artikel 2. Voorwaarden

  • 1.

    Aan krachtens deze verordening te verlenen toestemmingen, vergunningen of ontheffingen kunnen voorwaarden worden verbonden. Alle beschikkingen worden schriftelijk verleend.

  • 2.

    Indien de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet worden nageleefd, kan het college besluiten de toestemming, vergunning of ontheffing in te trekken.

  • 3.

    De houder van de toestemming, vergunning of ontheffing is verplicht deze op eerste vordering te tonen aan hen, die belast zijn met het opsporen van overtredingen van deze verordening. Bij weigering hiervan wordt de houder geacht zonder toestemming, vergunning of ontheffing te hebben gehandeld.

HOOFDSTUK 2. BEHEER, BESTEMMING EN REGISTRATIE

Artikel 3. Beheer

  • 1.

    Het beheer van de begraafplaats wordt gevoerd onder verantwoordelijkheid van het college. Onder toezicht van het college worden één of meer daartoe aangewezen personen belast met:

    • a

      de administratie van de begraafplaats;

    • b

      de dagelijkse leiding van de begraafplaats;

    • c

      het onderhoud van de begraafplaats;

    • d

      het laten delven van graven of openen en sluiten van urnengraven en urnennissen;

    • e

      het naleven van de wettelijke voorschriften ten aanzien van het begraven van overledenen en het plaatsen van asbussen.

Artikel 4. Bestemming

  • 1.

    De onder artikel 1 lid a genoemde begraafplaatsen zijn bestemd voor het begraven en begraven houden van één of meerdere overledenen en het bijzetten of verstrooien van asbussen, met of zonder urn.

  • 2.

    Het college kan van het eerste lid afwijken en kunnen nadere regels stellen, welke worden omschreven in het uitvoeringsbesluit, dat deel uitmaakt van deze verordening. Deze regels kunnen verschillen voor de te onderscheiden vakken, rijen en begraafplaatsen.

Artikel 5. Register en plaats registratie

  • 1.

    Het college houdt een register bij van de begraven lijken en de bezorgde as en kan hiervoor nadere regels vaststellen.

  • 2.

    Het register wordt bijgehouden door de beheerder.

  • 3.

    Het register bevat van alle graven de rechthebbenden en belanghebbenden met hun namen en adressen. In dit register worden tevens de naam, geboortedatum en de datum van overlijden opgenomen van degene die is begraven of waarvan de as is bezorgd. Daarbij is vermeld de grafaanduiding en de dag van de begraving of bijzetting.

  • 4.

    De rechthebbenden en belanghebbenden zijn verplicht de wijziging van hun adres aan het college door te geven. Indien aanschrijvingen en andere ingevolge deze verordening vereiste mededelingen verzonden zijn aan het door de rechthebbende of belanghebbende laatstelijk opgegeven adres, kan deze zich nimmer op het niet ontvangen daarvan beroepen.

  • 5.

    Van het in het eerste lid bedoelde register kunnen uitsluitend rechthebbenden en belanghebbenden, een kopie van het uittreksel ten aanzien van hun grafplaats en leges verkrijgen.

HOOFDSTUK 3. OPENSTELLING, ORDE EN RUST OP DE BEGRAAFPLAATS

Artikel 6. Openstelling begraafplaatsen

  • 1.

    De begraafplaatsen zijn voor eenieder dagelijks toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang.

  • 2.

    Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden, anders dan voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as.

Artikel 7. Ordemaatregelen

  • 1.

    Het is aan steenhouwers, hoveniers en daarmede gelijk te stellen personen verboden, anders dan met toestemming van het college, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaatsen te verrichten.

  • 2.

    Het is verboden op de begraafplaatsen:

    • a

      goederen te verkoop aan te bieden;

    • b

      op enige wijze reclame te maken voor handel of bedrijf;

    • c

      op graven te lopen of de begraafplaatsen te verontreinigen;

    • d

      de graven, de gedenktekens, de beplanting, de gebouwen en de paden te bekladden, te beschadigen of op enigerlei andere wijze te verontreinigen;

    • e

      dieren los te laten lopen, met uitzondering van een hond ter (blinde) geleide of een hulp/assistentiehond;

    • f

      dieren te begraven of bij te zetten;

    • g

      te lopen, te liggen of te staan buiten de paden en te gaan zitten anders dan op de daartoe aangebrachte zitplaatsen;

    • h

      zich toegang tot de begraafplaatsen te verschaffen anders dan via de daarvoor bestemde ingangen;

    • i

      iets te doen of na te laten dat in strijd is met de eerbied van de nagedachtenis van de overledene;

    • j

      zich op hinderlijke wijze te gedragen;

    • k

      (brom)fietsen of rij- of voertuigen, met uitzondering van invaliden-, kinder- en wandelwagens, mee te nemen dan wel te rijden anders dan ter gelegenheid van een begrafenis, ter bezorging van as of tot het vervoeren van materialen bestemd voor op de begraafplaatsen te verrichten werkzaamheden.

    • l

      Het is verboden met motorrijtuigen op de begraafplaats(en) te rijden

      • elders dan op de daartoe aangewezen rijwegen;

      • sneller dan 5 km per uur.

    • m

      Motorrijtuigen zijn (slechts) toegestaan voor begrafenissen of voor het vervoer van materialen;

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van de verboden zoals genoemd in lid 2.

  • 4.

    De beheerder is bevoegd personen die zich niet houden aan het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel de toegang tot de begraafplaats te ontzeggen en moeten zich op eerste aanzegging van de beheerder van de begraafplaats verwijderen.

  • 5.

    Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaatsen hebben te verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

Artikel 8. Plechtigheden

  • 1.

    Het is verboden zonder toestemming van het college herdenkingen, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaatsen te houden.

  • 2.

    Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaatsen kunnen slechts plaatsvinden nadat deze uiterlijk vijf werkdagen tevoren zijn gemeld aan de beheerder. Datum en tijdstip van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de beheerder vastgesteld.

  • 3.

    Het college kan de toestemming weigeren op grond van vrees voor verstoring van de openbare orde.

  • 4.

    De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN VOOR LIJKBEZORGING

Artikel 9. Kennisgeving begraven en asbezorging, openen en sluiten van het graf

  • 1.

    Degene, die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil doen verstrooien, geeft daarvan uiterlijk minimaal twee werkdagen voorafgaande aan die waarop de begraving, bijzetting of verstrooiing zal plaatsvinden, schriftelijk kennis aan de beheerder. De zaterdag en zondag gelden voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdagen. Indien de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet de kennisgeving aan de beheerder zo tijdig mogelijk worden gedaan.

  • 2.

    Het lijk of de urn dient bij aankomst op de begraafplaats te zijn voorzien van een identiteitskenmerk.

  • 3.

    Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, en het daarna sluiten van een graf, evenals het bedienen van de hulpmiddelen mag uitsluitend geschieden door het personeel van de begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten indien zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling of schriftelijk aan de beheerder hebben kenbaar gemaakt. De zaterdag en zondag gelden voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdagen. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen.

Artikel 10. Over te leggen stukken

  • 1.

    Begraving mag slechts geschieden indien van tevoren het verlof tot begraven is overlegd aan de beheerder.

  • 2.

    Indien de begraving of de bezorging van as in een particulier graf zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de beheerder te worden overlegd ondertekend door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet.

  • 3.

    De beheerder onderzoekt de genoegzaamheid van de overlegde stukken.

Artikel 11. Tijden van begraven en asbezorging

  • 1.

    De tijden van het begraven van stoffelijke resten en het bezorgen van de as wordt door het college in het uitvoeringsbesluit bepaald.

  • 2.

    Het tijdstip van begraven of bijzetten van stoffelijke resten en het bezorgen van as wordt telkens en voor elk geval afzonderlijk door de beheerder, in overleg met de betrokken nabestaande, of de persoon die namens de nabestaanden optreedt, vastgesteld.

  • 3.

    Er mag op hetzelfde tijdstip op de begraafplaats niet meer dan één begrafenis c.q. bezorging van as plaatsvinden.

  • 4.

    Het college kan in bijzondere gevallen van deze tijden afwijken.

  • 5.

    Het begraven buiten de in lid 1 genoemde tijden is slechts mogelijk met ontheffing van de burgemeester. In dat geval wordt de tijd van begraven aangemerkt als een buitengewoon uur.

  • 6.

    Opgraving, overbrenging en herbegraving van een reeds begraven overledene, alsmede het verwijderen van asbussen, vindt zo veel mogelijk plaats buiten de in dit artikel genoemde tijden en buiten de tijden van openstelling van de begraafplaatsen.

  • 7.

    De tijdstippen als in het vorige lid bedoeld, worden in overleg bepaald met de beheerder.

HOOFDSTUK 5. INDELING EN UITGIFTE DER GRAVEN

Artikel 12. Indeling graven en asbezorging

  • 1.

    Op de begraafplaats(en) kunnen worden uitgegeven:

    • a

      particuliere graven;

    • b

      particuliere kindergraven;

    • c

      particuliere urnengraven;

    • d

      algemene graven;

    • e

      gedenkplaatsen.

  • 2.

    Het college bepaalt in het uitvoeringsbesluit hoeveel lijken en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden bijgezet in de particuliere graven en hoeveel verstrooiingen van as er op of in de particuliere graven kunnen plaatshebben. Zij bepaalt tevens de afmetingen en de uitgifteduur van de particuliere graven.

  • 3.

    In de algemene graven kan een door het college te bepalen aantal lijken worden begraven.

Artikel 13. Volgorde van uitgifte

  • 1.

    Particuliere en algemene graven worden slechts voor directe begraving en in volgorde van ligging uitgegeven.

  • 2.

    Het college kan een particulier graf toewijzen anders dan voor directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, indien dit wegens de situatie op de begraafplaats(en) niet bezwaarlijk is.

Artikel 14. Categorieën

Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en particuliere graven onderverdelen in categorieën. Zij bepaalt voor de verschillende categorieën de situering en oppervlakte.

Artikel 15. Termijnen particuliere graven en algemene graven

  • 1.

    Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaats dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, het recht op een particulier graf. De termijn begint te lopen op de datum waarop het particulier graf is uitgegeven.

  • 2.

    Het uitsluitend grafrecht kan slechts aan één rechthebbende worden verleend.

  • 3.

    Het uitsluitend grafrecht wordt door het college schriftelijk bevestigd aan de rechthebbende middels een grafakte en aan de belanghebbende middels een bevestigingsbrief.

  • 4.

    Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de rechthebbende schriftelijk afstand doen van het recht op het particulier graf ten behoeve van de gemeente. De ontvangst van zodanige verklaring wordt door het college schriftelijk bevestigd aan de rechthebbende.

  • 5.

    Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn zoals vastgesteld in het uitvoeringsbesluit, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend.

  • 6.

    Een recht als in dit artikel bedoeld, kan slechts aan een rechthebbende worden verleend ten behoeve van zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 16, eerste lid.

  • 7.

    Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de graftermijn zoals is vastgesteld in het uitvoeringsbesluit. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door een van de andere personen, genoemd in artikel 16, tweede lid.

  • 8.

    De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op gehele jaren.

  • 9.

    De graftermijn van algemene graven wordt genoemd in het uitvoeringsbesluit. De graftermijn van algemene graven wordt niet verlengd.

Artikel 16. Overschrijving van verleende rechten

  • 1.

    Het recht op een particulier graf kan op aanvraag van de rechthebbende worden overgeschreven ten name van de echtgenoot of levenspartner dan wel een bloedverwant of aanverwant tot en met de derde graad. Overschrijving op verzoek van de rechthebbende ten name van een ander dan de vorengenoemde personen is slechts mogelijk, indien daarvoor gewichtige redenen bestaan.

  • 2.

    Na het overlijden van de rechthebbende dient het grafrecht te worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of levenspartner dan wel een bloed- of aanverwant tot en met de derde graad. Overschrijving ten name van een ander dan de in de vorige zin bedoelde personen is slechts mogelijk, indien daarvoor gewichtige redenen bestaan.

  • 3.

    Indien binnen een jaar na het overlijden van de rechthebbende geen nieuwe rechthebbende wordt aangewezen, is het college bevoegd het recht op het particulier graf te doen vervallen.

Artikel 17. Ruiming, bezorging van overblijfselen en as

  • 1.

    Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden door middel van een bij het te ruimen graf te plaatsen bordje ter kennis van de belanghebbenden gebracht, tenzij het adres van de rechthebbende op het graf aan hen bekend is. In dat geval deelt zij mede wanneer de termijn van uitgifte gaat verstrijken. Als de rechthebbende geen verzoek indient om de termijn te verlengen maakt zij uiterlijk een jaar voor het genoemde tijdstip per brief het voornemen tot ruiming bekend.

  • 2.

    De bij de ruiming van het graf nog aanwezige overblijfselen van lijken worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde, afgesloten gedeelten van de begraafplaats.

  • 3.

    Belanghebbenden van een overledene die begraven is in een algemeen graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij de beheerder een aanvraag indienen om bij ruiming de overblijfselen, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor herbegraving elders.

  • 4.

    De rechthebbende op een particulier graf, kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de overblijfselen te doen verzamelen om deze elders opnieuw te doen begraven.

  • 5.

    Het opgraven van lijken en het ruimen van graven is slechts toegestaan indien daarbij geen andere personen aanwezig zijn dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast.

HOOFDSTUK 6. GRAFBEDEKKINGEN

Artikel 18. Grafbedekking

  • 1.

    Het college stelt nadere regels vast in het uitvoeringsbesluit ten aanzien van de aard en afmeting van de grafbedekking, de wijze van aanbrengen van materiaal op de grafbedekking, aard van de fundering van de grafsteen en het aanbrengen en plaatsen van beplanting.

  • 2.

    Het bepaalde in artikel 21, lid 2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19. Niet-blijvende grafbeplanting

Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende twaalf weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.

Artikel 20. Verwijdering grafbedekking

  • 1.

    De grafbedekking kan na het verstrijken van de graftermijn door het college worden verwijderd.

  • 2.

    Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een op het te ruimen graf te plaatsen bordje door het college bekendgemaakt, tenzij het adres van de rechthebbende bij het college bekend is. In dat geval maakt zij aan hem uiterlijk een jaar voor het genoemde tijdstip per brief hun voornemen bekend.

  • 3.

    Op grond van een daartoe door de rechthebbende bij het college ingediende aanvraag, blijft de grafbedekking na verwijdering nog gedurende twaalf weken ter beschikking van degene aan wie een vergunning als bedoeld in artikel 18 was verleend. De aanvraag kan worden ingediend gedurende de in het tweede lid genoemde termijn.

  • 4.

    De grafbedekking vervalt aan de gemeente indien geen verzoek op grond van het derde lid is ingediend en de termijn waarbinnen dit verzoek had kunnen worden ingediend, is verstreken.

Artikel 21. Onderhoud door de rechthebbende en belanghebbende

  • 1.

    De rechthebbende of de belanghebbende is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen.

  • 2.

    Indien hij nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

  • 3.

    De verwijdering vindt niet plaats dan nadat de rechthebbende behoorlijk per brief is opgeroepen om te worden ingelicht over de toestand van de grafbedekking. De oproeping geschiedt door mededeling op het mededelingenbord op de begraafplaats als het adres van de rechthebbende niet bekend is. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.

  • 4.

    Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijke aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar oplevert voor derden.

Artikel 22. Onderhoud door de gemeente

  • 1.

    De gemeente voorziet in het algemeen onderhoud van de begraafplaatsen. Dit houdt in het:

    • a

      na verzakking opnieuw stellen van de gedenktekens;

    • b

      verzorgen van de planten en bomen op de begraafplaatsen;

    • c

      periodiek snoeien van de hagen;

    • d

      periodiek steken van de kanten;

    • e

      onderhoud aan de paden;

    • f

      periodiek blad-, tak- en afvalvrij houden van de begraafplaatsen;

    • g

      periodiek maaien van het gras;

    • h

      periodiek schoffelen en bosmaaien;

    • i

      legen van de afvalbakken;

    • j

      renoveren, exclusief graven.

  • 2.

    Het onderhoud geschiedt uitsluitend wanneer dit door de beheerder noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 23. Aansprakelijkheid

  • 1.

    Zolang het graf niet geruimd mag worden, blijft de rechthebbende of belanghebbende eigenaar van de grafbedekking. Al hetgeen dat op het graf geplaatst is, wordt geacht voor rekening en risico van de rechthebbende of de belanghebbende te zijn aangebracht.

  • 2.

    Naast het (doen) plaatsen en aanbrengen geschiedt ook het herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking door en voor rekening en risico van de rechthebbende of de belanghebbende.

  • 3.

    Indien door een ondeugdelijke (geworden) constructie naar het oordeel van het college een gevaarlijke situatie is ontstaan, kan het college direct maatregelen treffen.

  • 4.

    Schade en eventuele gevolgschade door derden is voor rekening en risico van de rechthebbende of de belanghebbende en deze dient de daaraan toegebrachte schade, door welke omstandigheid ook, op eerste aanschrijven te (doen) herstellen.

  • 5.

    De gemeente is niet verantwoordelijk voor de voorwerpen, welke zich op of bij de graven bevinden. Evenmin kan zij aansprakelijk worden gesteld voor schade aan deze voorwerpen, diefstal of het zoekraken daarvan, tenzij aan de zijde van de gemeente opzet of grove schuld aanwezig is.

HOOFDSTUK 7. INSTANDHOUDEN HISTORISCHE GRAVEN EN OPVALLENDE GRAFBEDEKKING

Artikel 24. Lijst

  • 1.

    Het college kan een lijst bijhouden van graven die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.

  • 2.

    Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het college of er graven en/of grafbedekkingen zijn die in aanmerking komen om te worden bewaard.

  • 3.

    Het college beslist over het ruimen van graven en het verwijderen van grafbedekkingen die van historische betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit heeft.

HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN

Artikel 25. Overgangsbepaling

  • 1.

    Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de 'Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Koggenland 2009’ gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de 'Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Koggenland 2009’ is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

Artikel 26. Strafbepaling

Hij/zij die handelt in strijd met de artikelen 6, tweede lid en artikel 7, tweede lid en vijfde lid wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

Artikel 27. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van de bekendmaking.

Artikel 28. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als 'Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Koggenland 2026'.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 september 2025,

De griffier,

mevrouw drs. E.M.L. Marijnissen

De voorzitter,

P.C. van Maaren

Naar boven