Gemeenteblad van Zeist
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeist | Gemeenteblad 2026, 187159 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeist | Gemeenteblad 2026, 187159 | beleidsregel |
Rectificatie: Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025
[Deze publicatie betreft een rectificatie omdat de bijlage Beoordelingskader voor verduurzaming van beschermde monumenten niet was opgenomen. De oorspronkelijke publicatie is op 16 september 2025 bekendgemaakt, beschikbaar via Gemeenteblad 2025, 399980.]
De Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025 regelt onder welke voorwaarden B&W een vergunning voor het verduurzamen van monumenten verleent. Deze regeling heeft alleen betrekking op de vergunningplicht(en) uit oogpunt van monumentenzorg, niet op andere vergunningplichten.
Als een aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden, is altijd een maatwerkbeoordeling nodig. Deze maatwerkbeoordeling is geregeld in het “Handelings- en beoordelingskader Duurzame Monumentenregeling 2025”.
Het is belangrijk om te weten, dat regels die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, de zogenaamde excessenregeling, altijd van kracht zijn.
Ook is toestemmingsvrij niet regelvrij. Zo gelden er bij de uitvoering van elk werk in, aan en op een monument de kwaliteitseisen die vastgelegd zijn als uitvoerings- en verduurzamingsrichtlijnen van de Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). De detaillering dient uitgevoerd te worden volgens deze richtlijnen en/of conform de details uit de “warme jas voor historische huizen”. Dit waarborgt een juiste uitvoering, waardoor technische fouten of gebreken die tot (vervolg)schade kunnen leiden, tot een minimum beperkt kunnen worden.
Daarnaast kunnen er (uitvoerings)eisen of vergunningplichten gelden vanuit andere wet- en regelgeving, bijvoorbeeld vanuit Flora- en fauna.
Voor deze regeling gelden de begripsbepalingen uit Erfgoedwet 2016, Erfgoedverordening Zeist 2024, Omgevingswet (2016, invoering 2024) en Besluit bouwwerken leefomgeving.
Toepassingbereik en geldigheid
Deze Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025 is gebaseerd op en regelt de toepassing van Artikel 12 van de Erfgoedverordening Zeist 2024:
Artikel 12. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
Deze verordening en deze Duurzame Monumentenregeling worden onderdeel van het integrale omgevingsplan en zijn geldig tot en met de inwerkingtreding van dit plan.
Artikel 1. Kleine maatregelen voor verduurzamen zonder toestemming
Artikel 12 lid 2 regelt in welke gevallen er geen toestemming nodig is. Hieronder staan maatregelen die onder dit artikel vallen.
Het verbod, bedoeld in artikel 12 lid 1, om zonder omgevingsvergunning een monumentenactiviteit te verrichten, geldt niet voor wijzigingen die onder artikel 12 lid 2 a of b van de Erfgoedverordening vallen. Dit zijn (bijvoorbeeld):
ventilatiedoorvoeren in het achterdakvlak van beperkte omvang (uitwendige maat maximaal 200mm), als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd en het achtererf niet grenst aan openbaar toegankelijk gebied, op voorwaarde dat dit geen schade toebrengt aan monumentale onderdelen zoals constructieonderdelen of historische binnenafwerking;
doorvoeren in de gevel van beperkte omvang (de ingreep is kleiner of gelijk aan één baksteen) als die gevel niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd en het achtererf niet grenst aan openbaar toegankelijk gebied, op voorwaarde dat dit geen schade toebrengt aan monumentale onderdelen zoals bijzonder siermetselwerk;
B&W verleent in beginsel een omgevingsvergunning voor het plaatsen van zonnepanelen, collectoren of andere installaties voor zonne-energie in, aan, op of bij een gemeentelijk monument of voorbeschermd gemeentelijk monument en niet-monumenten in een Gemeentelijke Monumentale Structuur als wordt voldaan aan:
Bij panelen op platte daken van beschermde monumenten en niet-monumenten in een Gemeentelijke Monumentale Structuur geldt:
Voor nieuwbouw binnen een beschermde structuur geldt dat:
indien de voorzieningen niet bij alle panden die tot hetzelfde ontwerp behoren, direct worden aangebracht, de mee-ontworpen trendsetter ook voor de overige panden verplicht toegepast moet worden, tenzij overtuigend wordt aangetoond dat in een specifiek geval (bijvoorbeeld een hoekpand) een andere oplossing de voorkeur geniet.
Ook andere installaties voor zonne-energie, zoals collectoren, vallen onder deze regeling.
Artikel 3 Veldopstelling: grondgebonden zonnepanelen
B&W verleent in principe een omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit voor zover het gaat om de plaatsing van grondgebonden zonnecollectoren en –panelen (veldopstelling) bij een beschermd gemeentelijk monument en in een Gemeentelijke Monumentale Structuur, op voorwaarde dat wordt voldaan aan:
Artikel 4 Installaties voor opwek van energie en klimaatbeheersing
B&W verleent in principe een omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit voor zover het gaat om de plaatsing van installaties voor het opwekken van energie, klimaatbeheersingssystemen zoals warmtepompen en airco’s in, aan, op en bij een beschermd gemeentelijk monument en een Gemeentelijke Monumentale Structuur, op voorwaarde dat wordt voldaan aan:
Artikel 5 Laadpalen en andere grondgebonden installaties
B&W verleent in principe een omgevingsvergunning om een monumentenactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om de plaatsing van laadpalen of laadkasten voor elektrische voertuigen aan of bij een beschermd gemeentelijk monument en in een Gemeentelijke Monumentale Structuur, op voorwaarde dat wordt voldaan aan:
B&W verleent in principe een omgevingsvergunning om een monumentenactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om de plaatsing van isolatieglas in een beschermd gemeentelijk monument en in panden zonder monumentale waarden, gelegen in een Gemeentelijke Monumentale Structuur, op voorwaarde dat wordt voldaan aan:
B&W verleent in principe een omgevingsvergunning om een monumentenactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om de plaatsing van vloerisolatie in een beschermd gemeentelijk monument en in panden zonder monumentale waarden, gelegen in een Gemeentelijke Monumentale Structuur, op voorwaarde dat wordt voldaan aan:
het aanbrengen van een “droog” vloerverwarmingssysteem als het systeem zonder schade of wijziging van het monument geplaatst en weer uit te nemen is, op voorwaarde dat het een particulier woonhuis betreft, het geen vloer met monumentale waarde betreft én hiervoor geen monumentale onderdelen zoals deuren, lijstwerk, lambrisering schouwen, hoeven te worden ingekort of anderszins aangepast;
Het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van de Duurzame Monumentenregeling 2025 kan onbedoelde gevolgen hebben die nadelig kunnen zijn voor het behoud van het erfgoed. Als Burgemeester en Wethouders dit constateren, heeft het college altijd de bevoegdheid om de vergunning in een specifiek geval niet te verlenen.
Aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening worden afgehandeld volgens het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze Monumentenregeling. Aanvragen die worden ingediend na het collegebesluit maar voor de inwerkingtreding worden in de geest van de regeling afgehandeld.
Toelichting Duurzame Monumentenregeling 2025
In de Duurzame Monumentenregeling 2025 staat wanneer er geen vergunning nodig is voor een kleine wijziging van een beschermd gemeentelijk monument of van een niet-monumentaal pand binnen een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht, de zogenaamde Gemeentelijk Monumentale Structuur. Ook worden de voorwaarden vermeld waaronder in beginsel toestemming zal worden verleend voor een aantal maatregelen. Zodra niet aan de voorwaarden voldaan wordt, is sprake van maatwerk. In die gevallen geldt het beoordelingskader Duurzame Monumentenregeling 2025. Dit kader geldt ook voor rijksmonumenten en niet-beschermde panden in rijksbeschermde dorpsgezichten.
De Rijksoverheid heeft in de Omgevingswet geregeld dat er voor het wijzigen van een monument voor drie soorten activiteiten vergunningplichten kunnen gelden:
De regeling verandert niets aan de regels voor de eerste activiteit. Het is landelijk geregeld welke activiteiten voor de technische bouwactiviteit vergunningsvrij (toestemmingsvrij heet dit in de nieuwe wet) zijn, en welke voorwaarden er gelden.
Voor de tweede activiteit geldt dat de wetgever heeft bepaald dat, op een paar uitzonderingen na, alle activiteiten voor wijzigen en bouwen in, aan, op en bij monumenten vergunningplichtig zijn. Dit is geregeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) artikel 2.30 en in een aantal artikelen van de Bruidsschat Omgevingsplan (artikel 22.28 perkt de vergunningsvrije voorwaarden van 22.27 in; 22.33 perkt 22.29 in en artikel 22.38 perkt 22.37 in). De gemeente kan daarvoor in het Omgevingsplan andere keuzes maken, op voorwaarde dat de bescherming van het erfgoed goed geregeld blijft.
Het eventueel aanpassen van deze inperkingen gebeurt met het maken van het integrale omgevingsplan, waaraan de gemeente (tot aan 2032) werkt.
Tot de vaststelling van het integrale omgevingsplan gelden de landelijke regels.
In de tussentijd gelden bij Omgevingsplanactiviteiten ook alle andere regels die voorheen in het bestemmingsplan stonden, en die nu in het tijdelijke Omgevingsplan staan. Voor monumenten zijn de bepalingen van de dubbelbestemming waarde – cultuurhistorie 1 (CH1) en 2 (CH2) van belang. Ook deze regels blijven gelden totdat er een integraal Omgevingsplan is.
Voor de monumentenactiviteit is de omgang met Rijksmonumenten door het Rijk geregeld (onder meer in Bal hoofdstuk 13); de omgang met gemeentelijke monumenten is vastgelegd in de Erfgoedverordening van de gemeente.
De Duurzame Monumentenregeling 2025 bevat de voorwaarden en de handelingswijze bij de beoordeling van de gemeentelijke monumentenactiviteit. Het handelings- en beoordelingskader geldt ook voor de rijksmonumentenactiviteit.
Eerste stap ter voorbereiding op het integrale omgevingsplan
Met deze regeling zet de gemeente een eerste stap naar de omgang met monumenten in het integrale omgevingsplan. Dit doen we via deze regeling en het bijbehorende beoordelingskader.
Later moet deze regeling en de omgang met monumenten én hun omgeving, conform de Omgevingswet en regels uit verschillende Amvb’s (zoals Besluit kwaliteit leefomgeving, de artikelen 8.80 en 5.130) een vertaling krijgen en opgenomen worden in het integrale omgevingsplan.
Inperking volgens Bbl en Bruidsschat Omgevingsplan
Bepaalde landelijke regels voor toestemmingsvrije activiteiten zijn ingeperkt (gelden niet) voor cultureel erfgoed (monumenten).
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) 2.29: 2.30 perkt 2.29 in voor cultureel erfgoed, op een paar uitzonderingen na;
Bruidschat Omgevingswet 22.28 perkt 22.27 a tm c in;
Bruidschat Omgevingswet 22.28 lid 3 perkt 22.27 in;
Bruidschat Omgevingswet 22.38 perkt 22.36 in.
Dit gaat o.m. over veel voorkomende kleine ingrepen en om bijbehorende bouwwerken.
Met het maken van het integrale omgevingsplan zal gekeken worden hoe met deze inperkingen omgegaan wordt. Voorlopig blijven de landelijke regels van kracht.
Onderwerpen mbt verduurzamen die in de Monumentenregeling 2025 zijn opgenomen
Onder voorwaarden verleent B&W in beginsel een vergunning voor het wijzigen van een gemeentelijk monument of niet- monumentaal pand binnen een gemeentelijk beschermde structuur (voor de gemeentelijke monumentenactiviteit op grond van artikel 12 lid 1 van de Erfgoedverordening) voor:
Bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag is de locatie van groot belang. Het basiscriterium voor de maatregelen onder 2 tot en met 4 is: “de gevel, dakvlak of erf zijn niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd e/o grenzen niet aan openbaar toegankelijk gebied”.
Dit is conform landelijke regels, zoals in Bbl 2.30 verwoord (letterlijk citaat):
Zichtbaarheid en beeldbepalende ligging vanaf de openbare weg zijn geen criteria bij het vaststellen van de locatie en de vergunningplichten en regels die voor die locatie gelden.,
Als aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt in beginsel alleen getoetst op de genoemde voorwaarden. Alleen als sprake is van een exces of als het monument in gevaar gebracht wordt, of daar een vermoeden van bestaat, kan B&W besluiten van deze beginselen af te wijken.
Als een plan niet aan de voorwaarden voldoet, zal een maatwerkbeoordeling plaatsvinden. In het handelings- en beoordelingskader is opgenomen naar welke aspecten in die gevallen gekeken wordt. Een van de beoordelingsaspecten is visuele verstoring vanwege het effect van de duurzame maatregel op de belevingswaarde van het monument.
Voor het uitvoeren van elke activiteit in, aan, op of bij een monument, gelden de uitvoerings- en verduurzamingsrichtlijnen van de Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Door deze kwaliteitseisen wordt de kwaliteit van het onderhouden, in standhouden en verduurzamen van een beschermd monument gewaarborgd.
Het college van Burgemeester en wethouders laten zich, voordat het college beslist of de vergunning verleend wordt, adviseren door de gemeentelijke adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit (CRK). Dit is een landelijke eis voor rijksmonumenten, en ook via de Erfgoedverordening voor gemeentelijke monumenten vastgelegd. Volgens de huidige verordening moet voor elke wijziging advies gevraagd worden.
Als een plan aan de voorwaarden voldoet om in beginsel toestemming te verlenen, en er geen sprake is van twijfel over de toepassing ervan, is het overbodig om advies te vragen. De verplichting voor rijksmonumenten kan de gemeente echter niet zelf wijzigen.
De adviesplicht voor gemeentelijke monumenten is via de Erfgoedverordening vastgelegd, en kan de gemeente wel zelf wijzigen. Om dit formeel te regelen, dient ook de Verordening op de adviescommissie gewijzigd te worden. Dit wordt vooralsnog niet gedaan; de Erfgoedverordening zal een plek krijgen in het integrale omgevingsplan. Hierbij zal ook de adviesplicht geregeld worden.
Bij de advisering betrekt de CRK het afwegingskader van het Rijk: “Verduurzaming van monumenten. Afwegingskader voor vergunningverlening.” Dit kader is opgenomen in het gemeentelijke handelings- en beoordelingskader voor verduurzaming van monumenten.
Wat is altijd toestemmingsvrij?
Alle activiteiten die niet onder a of b vallen, worden als wijziging beschouwd, en zijn vergunningplichtig. Dit geldt in beginsel voor elke activiteit die het doorzagen, infresen, verwijderen, boren, etc. in of van vaste onderdelen van het monument betreft.
In de Duurzame Monumentenregeling 2025 is een lijst opgenomen van kleine maatregelen voor verduurzamen, bijvoorbeeld zonwerende folie op glas aanbrengen, die niet als een wijziging worden gezien en daarom toestemmingsvrij zijn. Voor deze kleine maatregelen is geen vergunning nodig.
NB 1: Alle wijzigingen moeten altijd voldoen aan de kwaliteitseisen voor bouwen, zoals vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving, en voor monumenten, ongeacht of er wel of geen vergunning nodig is. Voor monumenten gelden de uitvoeringsrichtlijnen van ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg).
NB: Inpandige wijzigingen die een constructieve wijziging betreffen zijn nooit toestemmingsvrij; ook voor niet-monumenten geldt de vergunningplicht. Om te weten of een activiteit toestemmingsvrij is, moet altijd ook goed naar de regels voor technisch bouwen gekeken worden.
NB: Wijzigingen in de voorgevel zijn nooit toestemmingsvrij, ook voor niet-monumenten geldt vergunningplicht. Ook bij niet-monumenten geldt dat zodra detaillering, profilering en vormgeving wijzigen de activiteit vergunningsplichtig is in de voorgevel, maar ook bij een zijgevel die naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd is.
Onder h. is het aanbrengen van een groen dak opgenomen. Zolang het een onderdeel zonder monumentale waarde betreft en een plat dak (bijv. een recente aanbouw) en het groene dak is aan te brengen zonder wijzigen van het bouwwerk, wordt het groene dak niet als wijziging van het monument aangemerkt.
Bij een monument: toestemmingsvrij
Landelijk is geregeld dat een aantal activiteiten BIJ een monument vergunningsvrij zijn voor de Omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken. Dit geldt voor de activiteiten in artikel 2.29, onder b, c, f, h, i, k, l, p, onder 2° tot en met 8°, q en r. In deze gevallen is de activiteit toestemmingsvrij. Voor de overige activiteiten geldt een vergunningplicht, zoals voor het plaatsen van zonnepanelen (op een gebouw) BIJ een monument.
Er is geen wettelijke definitie van het begrip BIJ; ook is in de Erfgoedverordening niet bepaald wat met ‘bij’ bedoeld wordt. Wel is uit jurisprudentie duidelijk dat het gaat om de invloedssfeer van een monument; dit wil zeggen: “het heeft een duidelijk waarneembaar effect op de belevingswaarde van het monument”.
Het kan per activiteit en per monument leiden tot andere afwegingen of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit “bij”.
In Zeist geldt voor de monumentenactiviteit BIJ een monument de definitie:
In artikel 2 zijn de regels opgenomen onder welke voorwaarden zonnepanelen op een dak in beginsel zijn toegestaan.
Het maken van uitsparingen in het legpatroon ten behoeve van dakramen, schoorstenen en ventilatiepijpen en andere elementen vallen niet onder deze beginselen, net als een vertand patroon en zwarte panelen op een rood dakvlak, of andersom. In deze gevallen vergt het een maatwerkafweging of er toestemming verleend kan worden.
In artikel 3 zijn de voorwaarden voor zonnepanelen in een veldopstelling (op de grond). Bij meer dan 20m2 oppervlak en/of bij plaatsing als erfafscheiding en/of opstelling van beweegbare panelen of masten hoger dan 2,5 meter kunnen de standaardvoorwaarden niet toegepast worden. Hiervoor gelden nadere eisen ter onderbouwing van de impact op de omgeving van het monument.
In artikel 4 en 5 zijn de voorwaarden opgenomen voor installaties in het interieur en/of buiten, op de grond. Grondgebonden installaties zijn alle installaties die op de grond staan of met de grond verbonden zijn die hernieuwbare energie opwekken, en laadpalen. Bij plaatsing op een aanbouw of aan de gevel hoger dan 1 meter gelden andere regels en is de plaatsing niet onder toepassing van de standaardvoorwaarden mogelijk.
In artikel 6 zijn de voorwaarden opgenomen voor het plaatsen van isolatieglas.
Isolatieglas is de verzamelnaam voor alle soorten glas met een hogere isolatiewaarde dan enkel glas, zoals gelaagd glas, vacuümglas, dubbele beglazing, etc.
De standaardvoorwaarden kunnen niet worden toegepast als:
Voor een vergunningsaanvraag voor glas isoleren heeft de gemeente een sjabloon opgesteld. Zie de bijlagen bij het handelingskader, bijlage xx (sjabloon en toelichting).
Het verlenen van een vergunning is een collegebevoegdheid. Het verruimen van de regelgeving kan onbedoelde gevolgen hebben die nadelig kunnen zijn voor het behoud van het erfgoed. Als het college dit constateert heeft het college altijd de bevoegdheid om de vergunning niet te verlenen.
Hiermee is er een vangnet om bij te grote mate van aantasting van de historische waarden geen standaardvoorwaarden te hanteren. Zo komen erfgoedwaarden niet in gevaar.
Bovendien geldt voor elk artikel: “Onverminderd de regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk”. Deze formulering waarborgt dat er geen sprake kan zijn van een exces.
Bij een geringe afwijking van de regels kan geoordeeld worden dat in dit specifieke geval toch de standaardvoorwaarden van toepassing kunnen zijn. Dit is ter beoordeling van de erfgoedmedewerker. De medewerker toetst in de geest van de Monumentenregeling. Hiermee wordt recht gedaan aan het unieke karakter van elk monument.
Beoordelingskader voor verduurzaming van beschermde monumenten
Dit beoordelingskader bevat uitgangspunten en richtlijnen voor standaardtoetscriteria en maatwerk, waaronder advisering door CRK, en het toepassen van het afwegingskader van het Rijk en de uitvoerings- en verduurzamingsrichtlijnen van de Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) voor het verduurzamen van monumenten.
Dit kader geldt voor zowel gemeentelijke – als rijksmonumenten en voor niet-monumentale panden in beschermde gebieden.
Dit kader hoort bij de Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025 en is gebaseerd op de principes zoals beschreven in “Zeister principes en uitgangspunten bij de Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025”.
De criteria zoals opgenomen in de Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025 zijn de standaardcriteria voor het toetsen van een:
Als een aanvraag niet voldoet aan de criteria uit de regeling volgt een maatwerktoets.
Voorkeursladder voor duurzame maatregelen
(naar voorbeeld van de nationale restauratieladder. 1 meest gewenst, 3 minst gewenst)
Als de mate van aantasting groot en onomkeerbaar is door het vernieuwen en/of verwijderen van historisch materiaal en detaillering dan gaan we terughoudend met een aanvraag om. De basis hiervoor ligt in het RCE-afwegingskader. De gemeentelijke regels en het beoordelingskader zijn hierop ingericht.
RCE-afwegingskader en uitvoeringsrichtlijnen
Bij de beoordeling wordt het afwegingskader van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) voor isolatiemaatregelen, getiteld “Verduurzaming van monumenten. Afwegingskader voor vergunningverlening” betrokken. Dit kader geeft een goede grondslag voor de wijze van afwegen en wordt als basiskader voor afweging van aanvragen toegepast.
Het afwegen zelf blijft met dit kader werk voor erfgoeddeskundigen. Het is geen vinklijst waar een eigenaar mee aan de gang kan. Het geeft ook geen antwoord op wat er wel en niet kan, het is enkel en alleen een kader.
Omdat het kader door RCE periodiek aangevuld en verbeterd zal worden, wordt het kader zelf niet vastgesteld, maar wel de toepassing ervan. Zo wordt altijd met een actuele versie gewerkt zonder dat opnieuw een collegebesluit nodig is.
De uitvoering van alle activiteiten in, aan en op beschermde monumenten moet voldoen aan de uitvoerings- en verduurzamingsrichtlijnen van de uitvoerings- en verduurzamingsrichtlijnen van de Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Daarnaast dienen details van verduurzamingsmaatregelen, als dit van toepassing is, te voldoen aan de details uit “een warme jas voor oude huizen”, een detailboek dat praktische richtlijnen biedt voor het energetisch verduurzamen van oude huizen. Dit detailboek bevat de meest voorkomende details bij woonhuizen, maar is niet voor alle monumenten toepasbaar.
Geen standaardtoets voor na-isolatie
Vanwege de complexiteit en grote kans op vervolgschade zijn er, op een paar uitzonderingen na (zie artikel 1 Duurzame Monumentenregeling 2025), geen vergunningsvrije activiteiten en geen standaardtoetscriteria bij na-isolatie. Dit betreft ook spouwmuurisolatie. De gemeente heeft specifieke aanvraagvereisten voor na-isolatie opgesteld.
De aanwezige monumentale waarden zijn samen met de technische en bouwfysische condities van het monument bepalend voor de mogelijk te nemen energiebesparende maatregelen. De maatregelen mogen de vocht- en dampbalans in het monument niet verstoren. Indien een maatregel of voorziening de monumentale waarden aantast of de technische conditie van het monument ondermijnt, moet van de maatregel of voorziening worden afgezien of met een minder niveau van isolatiewaarden genoegen worden genomen. Een plan voor na-isolatie gaat altijd samen met een plan voor ventilatie.
Het energiezuiniger maken van een pand geschiedt bij voorkeur als integraal totaalplan; dat wil zeggen dat alle onderdelen, zowel gevels, kozijnen, beglazing, dak als vloer, tegelijkertijd worden aangepakt. Verbetert men slechts één of twee van deze onderdelen, dan kan bouwkundige schade veroorzaken, bijvoorbeeld omdat vocht op de gevel neerslaat in plaats van op het glas. Op deze wijze kan ook het best een afweging gemaakt worden of er met het plan een goede balans is tussen behoud van het monument en het realiseren van de energietransitie.
CRK-advies: toepassing beoordelingsregels
Bij de advisering op de aanvraag wordt geadviseerd conform de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning bij een rijksmonumentenactiviteit (zie Bkl 8.80) en de “Toepassing beoordelingsregels bij advisering over gebouwde en aangelegde rijksmonumenten. Uitgangspunten voor de adviespraktijk”. Deze beoordelingsregels gelden ook voor gemeentelijke monumenten.
Er wordt rekening gehouden met en geadviseerd over de volgende beginselen:
CRK adviseert ten minste over deze beginselen en betrekt hierbij:
CRKadvies: wijze van afhandeling
Als wordt voldaan aan de standaardtoetscriteria van de Duurzame Monumentenregeling Zeist 2025 is er geen beoordeling door CRK nodig. Een advies is echter verplicht. In die gevallen wordt CRK via een standaardadviessjabloon verzocht om advies. In dit sjabloon wordt kort gemotiveerd op basis waarvan het plan voldoet aan de standaardcriteria en voldoet aan de Zeister principes. CRK wordt verzocht conform de regeling te adviseren. Dit geldt ook voor Rijksmonumenten.
De erfgoedadviseur kan deze aanvraag aan CRK ook doen als sprake is van:
Of sprake is van een geringe afwijking is ter beoordeling van de erfgoedadviseur.
Afhankelijk van de ingrijpendheid van het plan én de monumentwaarden wordt bepaald of een standaardadvies volstaat, of dat een maatwerkadvies vereist is.
Als de aanvraag voor verduurzamen een complex, integraal of ingrijpend plan betreft of een complex monument of een monument met zeer hoge waarden zullen de basiskaders en -regels doorgaans niet toereikend zijn. Het vergt dan een maatwerkaanpak.
Als er geen sprake is van toepassing van de standaardtoetscriteria is CRK-maatwerkadvies vereist. Dit geldt in elk geval voor:
CRK adviseert met ten minste 2 monumentendeskundigen (niet inbegrepen de secretaris van de commissie) in de volgende gevallen
De Rijksregels voor “ingrijpende wijziging” zijn van toepassing op het wijzigen van beschermde monumenten. Als hiervan sprake is, geldt bij rijksmonumenten een uitgebreide procedure, waarbij ook de RCE (formeel: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) advies geeft. Als het rijksmonument bovendien buiten de bebouwde kom ligt, wordt ook Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht om advies gevraagd.
Ook bij gemeentelijke monumenten hanteren we de stelregel: is het plan ingrijpend, dan wordt de CRK om een advies door de ten minste twee monumentendeskundigen gevraagd.
Hiervan is in elk geval sprake als:
Als het pand onderdeel uitmaakt van een bijzonder dakenlandschap en/of een bijzondere rol in zichtlijnen vanaf historische landmarks speelt (zoals een kerktoren), en/of het een hoekpand en/of een pand dat in stedenbouwkundig opzicht een belangrijke rol speelt, betreft, zoals een poortgebouw / bijzondere hoekoplossing van een plein; en
Wat weegt het college van B&W?
Het CRK-advies geeft inzicht in de wijze waarop de monumentale waarden is omgegaan en geeft een gecombineerd welstands- en monumentenadvies. Bij een negatief advies en bij aantoonbaar verlies van monumentale waarden hoeft dit niet in alle gevallen tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het CRK-advies wordt door B&W gewogen in samenhang met
Maatwerk toetsings- en beoordelingscriteria voor zonnepanelen
De zonneladder voor monumenten biedt een voorkeursvolgorde van meest naar minst gewenst voor de locatie van zonnepanelen. Het is een afwegingskader voor de locatie van zonnepanelen. Dit betekent dat als onderbouwing voor een aanvraag voor het opwekken van zonne-energie in, op en bij beschermde monumenten en gebieden cq structuren aangegeven moet worden op welke wijze deze zonneladder betrokken is.
Bij maatwerkplannen wordt een onderbouwing verlangd voor de keuze welke oplossing het meest passend is.
Geen vergunning wordt verleend als
Zonneladder voor beschermde monumenten
Voorkeursladder voor het plaatsen van zonnepanelen aan, op of bij een monument
Op een (achter)dakvlak van het monument als dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd en het achtererf niet grenst aan openbaar toegankelijk gebied1;
Visuele verstoring van het monument is een toetsingscriteria voor het beoordelen van een vergunningsaanvraag. Hierbij speelt de mate van zichtbaarheid een rol.
Er is sprake van zichtbaarheid indien:
Basisvoorwaarden voor het plaatsen zonnepanelen aan of op een beschermd monument
De zonnepanelen moeten reversibel worden aangebracht, dat wil zeggen dat de plaatsing zonder schade of wijzigingen aan het monument uitgevoerd kan en de voorzieningen te zijner tijd zonder schade te verwijderen zijn zodat er geen sprake is van schade aan of verlies van historische materialen en (inwendige) constructies;
Op daken die zijn gedekt met een bijzondere of zeldzame dakbedekking of bijzondere dakvorm (in kleur, type en/of materiaal) zijn zonnepanelen of andere voorzieningen in beginsel niet toegestaan, tenzij een positief advies door CRK is verstrekt of het college van B&W heeft voor een perceel, gebied of specifiek monument een uitzondering gemaakt;
Op daken die onderdeel uitmaken van een bijzonder dakenlandschap en/of die een bijzondere rol in zichtlijnen vanaf historische landmarks spelen (zoals een kerktoren), en/of op daken van gebouwen met een bijzondere of zeldzame typologie zijn zonnepanelen in beginsel niet toegestaan, tenzij een positief advies door CRK is verstrekt of het college van B&W heeft voor een perceel, gebied of specifiek monument een uitzondering gemaakt;
Basisschetsen voor zonnepanelen
Een eenvoudige verbeelding van de principes voor een legplan.
Toetsingscriteria voor zonnepanelen op daken van niet beschermde gebouwen in beschermde gebieden en structuren
Toestemmingsvrij bij niet-beschermde onderdelen in beschermde gebieden en structuren:
De vergunningsvrije regels van Besluit bouwwerken leefomgeving van Bbl 2.29 d. gelden in de beschermde gebieden als
Dit betekent dat zonnepanelen toegestaan zijn binnen de regels van Bbl 2.29d als (letterlijke wetstekst Bbl 2.30 lid 3b)
Zichtbaarheid is geen criterium als aan het bovenstaande wordt voldaan.
(letterlijke wetstekst) een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Toetsingscriteria voor zonnepanelen op niet-beschermde panden in beschermde gebieden
Toetsingscriteria voor zonnepanelen in beschermde gebieden of structuren op ensembles (een reeks van panden die dezelfde of soortgelijke uitstraling hebben, uit dezelfde bouwtijd stammen en/of hetzelfde ontwerp betreffen)
Voor nog te realiseren nieuwbouw geldt dat:
als de voorzieningen niet bij alle panden die tot hetzelfde ontwerp behoren, direct worden aangebracht, de mee-ontworpen trendsetter ook voor de overige panden verplicht toegepast moet worden. Als overtuigend wordt aangetoond dat in een specifiek geval (bijvoorbeeld een hoekpand) een andere oplossing de voorkeur geniet, kan hierop een uitzondering gemaakt worden.
Maatwerkcriteria voor veldopstelling van grondgebonden zonnepanelen bij beschermde groene monumenten en cultuurlandschappen
Als de installatie voldoet aan de voorwaarden:
de opstelling houdt ten minste 10 meter afstand tot een beschermd gebouwd onderdeel van het groenmonument (bijv. brug, tuinvaas);
gelden de beoordelingscriteria:
gevolgen voor cultuurhistorische waarden van het beschermde groenmonument of structuur, inbegrepen zichtlijnen en biotopen2 en waarden (in de omgeving) van het monument;
bij meer dan 20m2 en/of bij plaatsing als erfafscheiding en/of opstelling van beweegbare panelen of mast is een verzwaarde ruimtelijke toets vereist. Hierbij worden in elk geval, met in achtneming van de instructieregel van het Rijk zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving Bkl 5.130, de gevolgen voor de aanpassingen van de omgeving van het monument op de te beschermen waarden van het monument betrokken.
Maatwerkcriteria voor installaties
Als aantoonbaar niet aan de voorwaarden van de Duurzame Monumentenregeling 2025 voldaan kan worden, is het plaatsen van een buitenunit voor installaties, zoals warmtepomp en airco’s op meer dan 1 meter hoogte (aan een gevel of op een uitbouw, dakterras of balkon) toelaatbaar op voorwaarde dat:
Het plaatsen van een vloerverwarmingssysteem
Als het gaat om een monumentale vloer (bijv. een bijzondere afwerking met tegelvloer uit de bouwtijd) dan gelden de aanvullende criteria op de standaardcriteria (artikel 7 van de Duurzame Monumentenregeling):
Isolatieglasladder voor beschermde monumenten
De glasisolatieladder voor beschermde monumenten biedt een voorkeursvolgorde van meest naar minst gewenst voor het aanbrengen van isolatieglas. Het is een afwegingskader met gevolgtijdelijkheid. Dit betekent dat als onderbouwing voor een maatwerkaanvraag voor het vervangen van glas van beschermde monumenten aangegeven moet worden op welke wijze deze ladder betrokken is en een onderbouwing verlangd wordt voor de uiteindelijke keuze. De aanvrager heeft een inspanningsverplichting om te onderzoeken welke tree op de ladder het meest geschikt is voor het monument.
Dit beoordelingskader hoort bij de Duurzame Monumentenregeling 2025 en vormt onderdeel van de nog uit te werken “totaalroute” voor verduurzamen van monumenten, zoals opgenomen in de Uitvoeringsagenda Duurzame Monumenten Zeist 2025.
Kleine wijzigingen of afwijkingen vallen onder het mandaat voor de toepassing van de regeling door de teammanager Ruimtelijke Ontwikkeling. Ook nieuwe instrumenten, zoals invulformulieren voor intake, glasisolatie etc., worden aan dit kader toegevoegd zonder dat dit een besluit vergt.
Het kader wordt betrokken bij de evaluatie van de Duurzame Monumentenregeling en waar nodig aangepast. Het kader geldt in elk geval totdat het integrale omgevingsplan wordt vastgesteld of totdat het college van B&W besluit om het kader en/of de regeling buiten werking te stellen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-187159.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.