Gemeenteblad van Ridderkerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2026, 184165 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2026, 184165 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk
gelezen de tekstinhoud van het collegevoorstel van 14 april 2026,
BESLUIT:
Akkoord te gaan met het ontwerpwijzigingsbesluit van het omgevingsplan voor geur en trillingen (Bijlage A).
Vast te stellen dat de wijziging van het omgevingsplan geen omvangrijke negatieve milieueffecten veroorzaakt, zodat het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig is.
De ontwerpwijziging van het omgevingsplan voor geur en trillingen voor zes weken ter inzage te leggen.
De gemeenteraad op reguliere wijze te informeren over de terinzagelegging van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan voor geur en trillingen.
Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders Ridderkerk op 14 april 2026.
Burgemeester en wethouders van Ridderkerk,
de secretaris,
mw. M. Kitselar
de burgemeester,
dhr. C.A. Oosterwijk
A
Afdeling 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
B
Na afdeling 3.3 worden tien afdelingen ingevoegd, luidende:
C
Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7 wordt het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat aan het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerdgegevens en bescheiden zijn verstrekt over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.
De in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
D
Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor op grond van artikel 22.27 van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat ten minste:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening; en
bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.7: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
E
Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.25 wordt de speelplaats, moestuin of volkstuin, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat aan het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerdgegevens en bescheiden zijn verstrekt over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.
De in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
F
Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden de activiteit bedoeld in artikel 4.23 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat ten minste:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;
het adres waarop de activiteit wordt verricht;
de dagtekening; en
bij overschrijding van een waarde als bedoeld in deze paragraaf: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
De in het tweede lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
G
Artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
In afwijking van het eerste lid gelden voor lood de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.6.
|
Gebruik |
Waarden lood (in mg/kg droge stof)1 |
|
Gebruik voor wonen met tuin |
370 |
|
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven |
370 |
1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.
In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.7. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
|
Gebied/ Gebruik |
Waarden asbest (in mg/kg droge stof) |
|
50 |
|
|
Gebied bodemfunctieklasse wonen |
50 |
|
Gebied bodemfunctieklasse industrie |
100 |
|
Gebruik voor wonen met tuin |
10 |
|
Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven |
10 |
In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.8. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.
|
Gebied/ Gebruik |
Waarden PFOS
|
Waarden PFOA
|
Waarden overige PFAS
|
|
59 |
60 |
59 |
|
|
Gebied bodemfunctieklasse wonen |
59 |
60 |
59 |
|
Gebied bodemfunctieklasse industrie |
59 |
60 |
59 |
|
Gebruik voor wonen met tuin |
29 |
30 |
29 |
|
Gebruik als |
29 |
30 |
29 |
Er is sprake van overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met vierde lid.
Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vijfde lid is niet van toepassing:
H
Artikel 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in hoofdstuk 7 zijn in niet van toepassing als:
een voor 1 januari 2024 aangevraagde omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit onherroepelijk is geworden; en
die activiteit vergunningplichtig is op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en,
voor zover er voorschriften aan deze omgevingsvergunning zijn verbonden.
I
Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in hoofdstuk 7 zijn van toepassing op een milieubelastende activiteit.
Ook de volgende activiteiten worden beschouwd als milieubelastende activiteiten:
[gereserveerd];
[gereserveerd];
[gereserveerd];
[gereserveerd];
het verrichten van werkzaamheden op een weiland, akker of bos met een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het verrichten van werkzaamheden op een weiland, akker of bos met een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen wordt gebruikt.
De regels in hoofdstuk 7 zijn niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk uitvoeren van bouwwerkzaamheden of onderhoud aan een bouwwerk;
het feitelijk uitvoeren van sloopwerkzaamheden;
het feitelijk uitvoeren van onderhoud aan een terrein;
een activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht, zoals een kermis, (week)markt, spelen draaiorgel, ophalen van vuilnis;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
[gereserveerd];
het verrichten van werkzaamheden op een weiland, akker of bos met een mobiele installatie die gedurende een korte periode wordt gebruikt.
[gereserveerd]
Wanneer bij de activiteiten in het derde lid sprake is van graven of saneren van de bodem, zoals bedoeld in afdeling 7.3, is dit een milieubelastende activiteit.
J
Na artikel 7.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
K
Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met als doel:
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
het doelmatig beheer van afvalstoffen;
het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder;
het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen;
het beschermen van de biodiversiteit en ecosystemen;
het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.
L
Het opschrift van artikel 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, bedoeld in artikel 7.37.4, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover het voorkomen van de gevolgen niet kan: die gevolgen zoveel mogelijk beperken of ongedaan maken; en
als beperken of ongedaan maken van de gevolgen onvoldoende kan: de activiteit niet uitvoeren, zolang dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De zorgplicht, als bedoeld in het eerste lid, houdt ook in dat:
Op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving:
N
Artikel 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 7.57.6 en 7.107.11 en afdelingafdelingen 7.3 en 7.4.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van artikelen 7.107.11 en afdeling 7.3 en 7.4.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld als dat nodig is voor het waarborgen van de oogmerken, zoals beschreven in artikel 7.37.4.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
O
Artikel 7.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Artikel 7.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij wijziging van de gegevens of documentenbescheiden, bedoeld in artikel 7.77.8 worden de daardoor gewijzigde gegevens geleverd aan het college van burgemeester en wethouders.
Als iemand anders de activiteit gaat uitvoeren, worden de nieuwe gegevens minstens vier weken van tevoren geleverd aan het college van burgemeester en wethouders.
Q
Artikel 7.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en documentenbescheiden geleverd die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Gegevens en documentenbescheiden worden geleverd voor zover degene die de activiteit uitvoert er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
R
Artikel 7.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het college van burgemeester en wethouders wordt direct, zonder uitstel, geïnformeerd over een ongewoon voorval.
Zodra de volgende gegevens en documentenbescheiden bekend zijn, worden ze geleverd aan het college van burgemeester en wethouders:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor:
S
Paragraaf 7.1.4 wordt geplaatst na paragraaf 7.1.2. Paragraaf 7.1.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Na paragraaf 7.1.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf gaat over de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden of de afstanden voor geur, genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.5, 7.4.9, 7.4.10, 7.4.11, 7.4.12., 7.4.25, 7.4.27 en 7.4.30 niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw:
In afwijking van artikel 7.12, tweede lid, zijn de waarden of de afstanden, genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.5, 7.4.9, 7.4.10, 7.4.11, 7.4.12, 7.4.25, 7.4.27 en 7.4.30 wel van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024.
In afwijking van artikel 7.12, eerste lid, zijn de waarden of de afstanden voor geur, genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.5, 7.4.9, 7.4.10, 7.4.11, 7.4.12, 7.4.25, 7.4.27 en 7.4.30 niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
De waarden of de afstanden voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw gelden:
als het gaat om een gerealiseerd geurgevoelig gebouw: op of tot de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
De waarden of de afstanden genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.5, 7.4.9, 7.4.10, 7.4.11, 7.4.12, 7.4.25, 7.4.27 en 7.4.30 zijn niet van toepassing als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met de activiteit.
Bij een activiteit zijn de waarden en de afstanden voor geur, genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.5, 7.4.9, 7.4.10, 7.4.11, 7.4.12, 7.4.25, 7.4.27 en 7.4.30, niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding ‘plattelandswoning’ voor zover de activiteit eerder functioneel met die plattelandswoning verbonden was.
De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 7.7 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag in afwijking van de waarden en afstanden voor geur, genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.5, 7.4.9, 7.4.10, 7.4.11, 7.4.12, 7.4.25, 7.4.27 en 7.4.30, andere waarden en afstanden kan vaststellen vanwege cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
U
Paragraaf 7.1.3 wordt geplaatst na paragraaf 7.1.4. Paragraaf 7.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die trillingen veroorzaken in een frequentie van 1 tot 80 Hz in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw.
Het eerste lid is van toepassing voor zover een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw:
dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
dat tijdelijk is toegelaten op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar;
waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
In afwijking van artikel 7.19, derde lid, onder b, zijn de waarden voor trillingen wel van toepassing op trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor 1 januari 2024.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van trillinghinder.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als één activiteit beschouwd:
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding ‘plattelandswoning’ voor zover de agrarische activiteit eerder functioneel met die plattelandswoning verbonden was.
De waarden van de continue trillingen door een activiteit zijn in trillinggevoelige ruimten niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 7.1.
Als niet wordt voldaan aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 7.1.
De waarden van herhaald voorkomende trillingen door een activiteit zijn in trillinggevoelige ruimten niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 7.2.
Als niet wordt voldaan aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 7.2.
V
Het opschrift van artikel 7.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Artikel 7.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over het graven in de bodem met een bodemvolume van ten hoogste 25 m3 op een verdachte bodemlocatie, die is opgenomen in het register, zoals bedoeld in artikel 7.117.27, eerste lid.
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
In deze paragraaf wordt verstaan onder een afdeklaag: een afdeklaag als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een isolatielaag die is aangebracht onder het voormalige Besluit uniforme saneringen of op grond van een saneringsplan of nazorgplan onder de voormalige Wet bodembescherming.
X
Het opschrift van artikel 7.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Het opschrift van artikel 7.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Het opschrift van artikel 7.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
Het opschrift van artikel 7.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
Artikel 7.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 7.127.28, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
de verwachte datum van het begin van de activiteit;
de verwachte duur van de activiteit;
de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding bedoeld in artikel 7.167.32 gaan verrichten.
Het college van burgemeester en wethouders ontvangt direct, zonder uitstel, informatie bij wijziging van de begrenzing, wijziging van de verwachte datum van het begin van de activiteit of of het wijzigen van de gegevens van de natuurlijke persoon of de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten .
Het eerste lid is in de volgende gevallen niet van toepassing:
Wanneer de activiteit milieukundig is begeleid, als bedoeld in artikel 7.32, ontvangt het college van burgemeester en wethouders ten hoogste een week na afloop van de activiteit het evaluatieverslag.
De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.
CC
Het opschrift van artikel 7.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Het opschrift van artikel 7.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Het opschrift van artikel 7.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Het opschrift van artikel 7.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Het opschrift van artikel 7.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Het opschrift van artikel 7.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
II
Het opschrift van artikel 7.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJ
Het opschrift van artikel 7.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KK
Het opschrift van artikel 7.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LL
Het opschrift van artikel 7.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MM
Het opschrift van artikel 7.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NN
Het opschrift van artikel 7.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OO
Het opschrift van artikel 7.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Het opschrift van artikel 7.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het opschrift van artikel 7.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Het opschrift van artikel 7.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SS
Het opschrift van artikel 7.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TT
Het opschrift van artikel 7.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UU
Het opschrift van artikel 7.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VV
Het opschrift van artikel 7.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WW
Het opschrift van artikel 7.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Het opschrift van artikel 7.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YY
Het opschrift van artikel 7.40 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Het opschrift van artikel 7.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Het opschrift van artikel 7.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBB
Het opschrift van artikel 7.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCC
Het opschrift van artikel 7.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDD
Het opschrift van artikel 7.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEE
Artikel 7.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een ‘locatie nazorg bodem - afdeklaag’ de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die afdeklaag. De betreffende locaties zijn opgenomen in het register met bodemlocaties zoals bedoeld in artikel 7.117.27, tweede lid.
FFF
Artikel 7.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid treft de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een ‘locatie nazorg bodem - tijdelijke beschermingsmaatregelen’ de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van die tijdelijke beschermingsmaatregelen. De betreffende locaties zijn opgenomen in het register met bodemlocaties zoals bedoeld in artikel 7.117.27, tweede lid.
GGG
Paragraaf 7.3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Na paragraaf 7.3.8 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
III
Het opschrift van artikel 7.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 7.49 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Het opschrift van artikel 7.50 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLL
Het opschrift van artikel 7.51 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Het opschrift van artikel 7.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Artikel 7.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving is het toegestaan binnen het bodembeheergebied op de landbodem grond of baggerspecie toe te passen die:
niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor de kwaliteitsklasse waarin de ontvangende landbodem volgens het Besluit bodemkwaliteit is ingedeeld; en
voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, vierde lid, van het Besluit bodemkwaliteit, die gelden voor de bodemfunctieklasse waarin de landbodem is ingedeeld; en
voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 7.527.68; en
afkomstig is uit het bodembeheergebied.
OOO
Artikel 7.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het toegestaan binnen het toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard grond of baggerspecie op de landbodem toe te passen die:
alleen voor de stofgroep drins niet voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 4.1272 Besluit activiteiten leefomgeving;
voor de stofgroep drins voldoet aan de kwaliteitseis van maximaal 2 mg/kg droge stof;
voldoet aan de kwaliteitseisen, als bedoeld in artikel 7.527.68;
afkomstig is uit het herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard.
PPP
Het opschrift van artikel 7.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Artikel 7.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 4.1268 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ontvangt het bevoegd gezag na een grootschalige bodemtoepassing (GBT) een evaluatierapport waarin ten minste het volgende is opgenomen:
de gegevens uit het plan van aanpak, zoals gevraagd in artikel 7.557.71;
tekeningen met de ligging en doorsneden van de GBT;
een beschrijving en verantwoording van de toegepaste partijen grond;
de verantwoordelijke voor onderhoud en controle van de GBT;
de locatie waar de administratie wordt bewaard;
de verantwoordelijke voor de GBT tijdens de gebruiksfase;
de wijze waarop het (blijvende) beheer van de toepassing plaatsvindt. Dit betekent dat er een aanwijsbare beheerder moet zijn die de toepassing in stand houdt in de vorm en hoeveelheid waarin deze is toegepast en geregistreerd. Dit geldt met name voor de ligging en dikte van de leef- en/of afdeklagen;
de controle op de kwaliteit van het grondwater als hier aanleiding voor is;
de rapportage van de grondwatercontrole en locatie-inspectie.
RRR
Paragraaf 7.3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Na paragraaf 7.3.10 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
TTT
Artikel 7.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over een activiteit op een locatie die in het register, als bedoeld in artikel 7.117.27, tweede lid, is aangemerkt als een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
Deze paragraaf gaat ook over een activiteit op een locatie waarvoor een nader bodemonderzoek is verricht voor 1 januari 2024 en dat voldoet aan NTA 5755.
Uit dit nader bodemonderzoek moet blijken dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
UUU
Het opschrift van artikel 7.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Artikel 7.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.577.73 verricht, neemt in het belang van de oogmerken zoals genoemd in artikel 7.587.74 maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om:
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.577.73 verricht, neemt in het belang van de oogmerken zoals genoemd in artikel 7.587.74 als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht maatregelen om:
WWW
Afdeling 7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in één of meer mestbassins.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in één of meer mestbassins is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van een mestbassin tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.8.
|
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin |
Afstand tot geurgevoelig gebouw |
|
|
|
Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
|
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 |
50 m |
25 m |
|
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 of meer |
100 m |
50 m |
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in één of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3, zoals bedoeld in deze paragraaf, als:
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht;
de afstand tussen deze activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.78;
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.78 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.80, worden gegevens en bescheiden verstrekt over het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.80 zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op het doel genoemd in artikel 7.77.
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
Bij het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.9.
|
Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong |
Afstand |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong zoals bedoeld in deze paragraaf als:
het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen deze activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.86; en
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.86 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig gebouw is niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.10.
|
Composteren of opslaan van groenafval |
Afstand |
|
Geurgevoelig gebouw, gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Geurgevoelig gebouw, gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval, zoals bedoeld in deze paragraaf, als:
het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen deze activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.90; en
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.90 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen.
Dit artikel is van toepassing op de geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen zoals bedoeld in deze paragraaf als:
het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.94; en
verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.94 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.98 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen.
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de lozingsroutes; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen omvat.
Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
Dit artikel is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen omvat.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen omvat.
Vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden gelijkmatig verspreid over onverharde bodem.
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen omvat.
Afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen omvat.
Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het in een dierenverblijf houden van minder dan:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor is de waarde voor geur op een geurgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 7.12.
|
Geurgevoelig gebouw |
Waarde |
|
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
2,0 ouE/m3 |
|
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
8,0 ouE/m3 |
Als voor 1 januari 2024 de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 7.104 mag, in afwijking van dat artikel:
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van één of meer diercategorieën met geuremissiefactor wel toenemen als:
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen;
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van:
de waarde, bedoeld in artikel 7.104;
de waarde voor geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mag veroorzaken.
De waarden voor geur, genoemd in artikel 7.104, zijn niet van toepassing bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand tot de volgende bijzondere geurgevoelige gebouwen voldoet aan de in tabel 7.13 genoemde afstanden:
een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig gebouw dat vanaf of na 19 maart 2000 geen functionele binding meer heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf;
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of voor functioneel ondersteunende activiteiten;
een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
|
Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 |
Afstand |
|
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Onverminderd de artikelen 7.104 tot en met 7.106 is bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.14.
|
Geurgevoelig gebouw |
Afstand |
|
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
50 m |
|
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
25 m |
In afwijking van artikel 7.103 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Als voor 1 januari 2024 op een locatie rechtmatig niet werd voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 6.85 mag, in afwijking van dat artikel:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, is de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.15.
|
Geurgevoelig gebouw |
Afstand |
|
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Artikel 7.112 is niet van toepassing als voor 1 januari 2024 op een locatie rechtmatig niet werd voldaan aan de afstand, bedoeld in tabel 7.15.
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afnemen.
Onverminderd de artikelen 7.112 en 7.113 is bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.16.
|
Geurgevoelig gebouw |
Afstand |
|
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
50 m |
|
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
25 m |
In afwijking van artikel 7.111 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Als voor 1 januari 2024 op een locatie rechtmatig niet werd voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 7.114, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:
het beschermen van de kwaliteit van de bodem;
het voorkomen of beperken van geurhinder;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
Bij het opslaan van champost, dikke fractie of vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden, is de afstand voor geur vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.17.
|
Opslaan van champost, dikke fractie of vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden |
Afstand |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Geurgevoelig gebouw gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Vaste mest, niet afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden, wordt opgeslagen:
Dit artikel is van toepassing op de geur door het opslaan van champost, dikke fractie of vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden, als:
het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; en
de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.118, eerste lid; en
verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.118, eerste lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.116, eerste lid onder a, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Dit artikel is niet van toepassing, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het opslaan van vaste mest omvat.
Vaste mest wordt, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van vaste mest omvat.
Bij een activiteit als bedoeld in artikel 7.116, eerste lid onder a, wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van vaste mest omvat.
Bij een activiteit als bedoeld in artikel 7.116, eerste lid onder a kunnen vrijkomende vloeistoffen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.
Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van vaste mest omvat.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.124, worden gegevens en bescheiden verstrekt over het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste mest zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de toepassing verenigbaar is met het belang van:
bij het bepaalde onder a rekening wordt gehouden met het waterbeheerprogramma, het regionale waterprogramma, het stroomgebiedsbeheerplan en het nationale waterprogramma die betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op een doel genoemd in artikel 7.117.
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
De afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig gebouw is niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.18.
|
Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten |
Afstand |
|
Geurgevoelig gebouw, gelegen binnen de bebouwingscontour geur |
100 m |
|
Geurgevoelig gebouw, gelegen buiten de bebouwingscontour geur |
50 m |
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.
BIj het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk is de geur op een geurgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 7.19.
|
Geurgevoelig gebouw |
Grenswaarde |
|
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur, anders dan: - op een gezoneerd industrieterrein; - op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; - op een bedrijventerrein. |
0,5 ouE/m3 |
|
Gelegen: – op een gezoneerd industrieterrein; – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – op een bedrijventerrein; – buiten de bebouwingscontour geur |
1 ouE/m3 |
De waarden, bedoeld in artikel 7.133, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige gebouwen die:
XXX
Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een gebouwhoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied;
achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
YYY
Artikel 22.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
ZZZ
Artikel 22.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, en niet voldoet aan de in artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen:
AAAA
Artikel 22.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
BBBB
Artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
op een niet-geluidgevoelige gevel.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
CCCC
Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
DDDD
Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In afwijking van artikel 22.60 en het eerste en tweede lid zijn de regels als bedoeld in het vierde tot en met zevende lid van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.die wordt verricht op:
Het derde tot en met zevende lid is niet van toepassing op een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
Het derde tot en met zevende lid is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het eerste en tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in het derde lid worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in het derde lid wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
EEEE
Paragraaf 22.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
[Vervallen]
In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
[Vervallen]
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
[Vervallen]
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
[Vervallen]
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.
FFFF
Paragraaf 22.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
[Vervallen]
In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
[Vervallen]
De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:
als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
[Vervallen]
De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.
[Vervallen]
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
[Vervallen]
Bij de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
[Vervallen]
[Vervallen]
Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:
Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
[Vervallen]
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.
|
Geurgevoelig object |
Waarde |
|
Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij |
2,0 ouE/m3 |
|
Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij |
3,0 ouE/m3 |
|
Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij |
8,0 ouE/m3 |
|
Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij |
14,0 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.
[Vervallen]
Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 22.98, eerste lid, mag, in afwijking van artikel 22.98, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
[Vervallen]
Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:
een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
|
Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 |
Afstand |
|
Gelegen binnen de bebouwde kom |
100 m |
|
Gelegen buiten de bebouwde kom |
50 m |
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.
[Vervallen]
Artikel 22.101 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.
In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.
[Vervallen]
Onverminderd de artikelen 22.98 tot en met 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.
In afwijking van artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
[Vervallen]
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
[Vervallen]
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op:
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17.
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.
|
Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong |
Afstand |
|
Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom |
100 m |
|
Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom |
50 m |
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.
|
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin |
Afstand tot geurgevoelig gevoelig object |
|
|
|
Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving |
|
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 |
50 m |
25 m |
|
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 |
100 m |
50 m |
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.
|
Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten |
Afstand |
|
Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom |
100 m |
|
Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom |
50 m |
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.
Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.
[Vervallen]
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 22.119, als:
het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.114, derde lid, 22.115, tweede lid, 22.116, derde lid, of 22.119, derde lid; en
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 22.117, eerste lid, als:
de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 22.117, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.117, tweede lid;
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 22.114, derde lid, 22.115, tweede lid, 22.116, derde lid, 22.117, tweede lid, of 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.
[Vervallen]
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.
|
Activiteit |
Geurgevoelig object |
Grenswaarde |
|
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk |
Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein |
0,5 ouE/m3 |
|
Gelegen: – op een gezoneerd industrieterrein; – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of – buiten de bebouwde kom |
1 ouE/m3 |
In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.
|
Activiteit |
Geurgevoelig object |
Grenswaarde |
|
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996 |
Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein |
1,5 ouE/m3 |
|
Gelegen: – op een gezoneerd industrieterrein; – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of – buiten de bebouwde kom |
3,5 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.
[Vervallen]
De waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:
[Vervallen]
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 22.122, tweede lid, en 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, niet worden overschreden.
GGGG
Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHH
Artikel 22.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
IIII
Artikel 22.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of
een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
JJJJ
Paragraaf 22.3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
[Vervallen]
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:
Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;
in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
[Vervallen]
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
[Vervallen]
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
KKKK
Paragraaf 22.3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
[Vervallen]
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
gegevens over de lozingsroutes; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
[Vervallen]
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.
[Vervallen]
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
[Vervallen]
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
[Vervallen]
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:
Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
LLLL
Artikel 22.267 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMM
Artikel 22.271 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:
Onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg.
Het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:
voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en
voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling.
Voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding, wordt:
de aftrek opgeteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en
een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.
NNNN
Artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
de snelheid wordt verlaagd;
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
niet meer dan 5052 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 21 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 4851 dB en de heersende waarde hoger is dan 4851 dB: niet meer dan 21 dB meer dan de heersende waarde.
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:
OOOO
Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 21 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
PPPP
Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.
QQQQ
Artikel 22.278 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht
RRRR
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 221 tot en met 21 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips.
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
slakken zoals metaalslak, hoogovenslak, fosforslak, gieterijslak, koperslak of LD-staalslak.
een niet-vormgegeven bouwstof is een bouwstof waarvan de kleinste eenheid een volume heeft van minder dan 50 cm3 of bouwstoffen die onder normale omstandigheden niet duurzaam vormvast zijn.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
SSSS
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0597/2026/a974cfc5f7a34c5abd74c1f5bef0d75d/nld@2026‑04‑15;12061719
/join/id/regdata/gm0597/2025/229d414668194460961c4f400d36559b/nld@2026‑01‑29;12563933
/join/id/regdata/gm0597/2025/dab71b80e10e4ecfacb85bb6a9aa7a83/nld@2026‑01‑29;12563933
/join/id/regdata/gm0597/2025/db2ff286d509418eb9d3f82f1b73a309/nld@2026‑01‑29;12563933
/join/id/regdata/gm0597/2025/0d549629b9dd43cda3d339ecbf390109/nld@2026‑01‑29;12563933
/join/id/regdata/gm0597/2025/f53900828f6443418cb6db525ff10c57/nld@2026‑01‑29;12563933
/join/id/regdata/gm0597/2026/bcfc300382e74ecabe4f5153e9c73730/nld@2026‑04‑15;12061719
/join/id/regdata/gm0597/2025/7225c29d396d494cb763da0993b737f6/nld@2026‑01‑29;12563933
TTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor dit toepassingsbereik wordt aangesloten bij de instructieregel in artikel 5.89h Bklvan het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin de begrippen 'bodemgevoelige locatie' en 'bodemgevoelig gebouw' gedefinieerd zijn.
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Bij een bodemgevoelige locatie hoort ook het aaneengesloten terrein (bijv. de tuin of erf) direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
De term 'gebouw' is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) als volgt gedefinieerd: 'bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.'
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij overschrijding van een waarde moet het college van burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. De bodemgevoelige locatiespeelplaats, moestuin of volkstuin, of een gedeelte daarvan, mag pas in gebruik worden genomen nadat aan de informatieplicht is voldaan.
Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.9 waarin een vergelijkbare regel staat voor een bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie..
VVVV
Na sectie ' Algemeen toepassingsbereik' worden vijf secties ingevoegd, luidende:
Het hoofdstuk is van toepassing op milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet. Dit zijn alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.
De onderdelen van dit lid regelen dat deze activiteiten ook gezien worden als milieubelastende activiteiten.
Onder e
Verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Onder f
Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon.
De onderdelen van dit lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Onder a
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis.
Onder b, c en d
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht.
Naast deze regels bevat artikel 22.18 een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk. Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder e
Dit onderdeel beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Onder f
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Onder h
Dit lid beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder het algemene toepassingsbereik van dit hoofdstuk.
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in afdeling 7.3 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet.
De regels in dit hoofdstuk beschermen alleen legaal gebouwde gebouwen (waaronder vergunningsvrije gebouwen). Illegaal gebouwde gebouwen worden niet beschermd.
WWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht van dit hoofdstuk, zoals opgenomen in artikel 7.57.6. Wel mag een maatwerkvoorschriften er een nadere invulling aan geven.
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Maatwerkvoorschriften houden altijd rekening met de oogmerken uit artikel 7.37.4 en mogen daar niet mee in strijd zijn.
EEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als op grond van een artikel in dit hoofdstuk, gegevens en documentenbescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, dan worden die gegevens voorzien van de in dit artikel genoemde algemene gegevens.
GGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt dat gegevens en documentenbescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als het bevoegd gezag deze nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en documentenbescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of documentenbescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.
Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet.
JJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gegevens en documentenbescheiden waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
KKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit lid is omschreven welke gegevens en documentenbescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt. Dit moet gebeuren zodra de informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.
MMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNN
Na sectie '' worden veertien secties ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 7.2 vallen.
Het begrip ‘geurgevoelig gebouw’ is gedefinieerd in artikel 5.91, lid 1, 2 en 3 het Besluit kwaliteit leefomgeving.
1. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als bedoeld in dat lid als het omgevingsplan in dat gedeelte niet toelaat een:
woonfunctie;
onderwijsfunctie;
gezondheidszorgfunctie met bedgebied;
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied;
bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een woonfunctie; of
bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een gezondheidszorgfunctie met bedgebied.
3. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.
4. Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
5. In het omgevingsplan kan paragraaf 5.1.4.6 overeenkomstig worden toegepast op locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Het tweede lid sluit aan bij artikel 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin vallen geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, ook buiten het toepassingsbereik van de regeling.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
|
Geurgevoelig gebouw |
Grenswaarde |
Artikel |
|
geurgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten maar nog niet is gebouwd. |
de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
7.13 lid 2 |
|
geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten maar nog niet is gebouwd. |
de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
7.12 lid 1 |
|
geurgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. |
de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
7.12 lid 1 |
|
geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. |
de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
7.12 lid 2 |
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Dit artikel regelt de waarden of afstanden die gelden voor geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw.
Woonwagens en woonschepen worden niet beschermd, maar de locatie waarop deze geplaatst kunnen worden wel. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
"Functionele binding" onder de Omgevingswet betekent dat een gebouw (zoals een bedrijfswoning) wordt beschouwd als onderdeel van de activiteit waar het bij hoort, waardoor het geen bescherming nodig heeft tegen hinder (zoals geluid, geur of trillingen) van die specifieke activiteit.
Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig gebouw dat voorheen functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die activiteit niet gelden. In dit omgevingsplan zijn deze gebouwen opgenomen met een aanduiding ‘plattelandswoning’.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.
Deze paragraaf geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 7.2 vallen. Deze paragraaf is bijvoorbeeld niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen en trillingen veroorzaakt door de activiteit wonen.
De begrippen ‘trillinggevoelige gebouwen’ en ‘trillinggevoelige ruimten’ zijn gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
1. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat.
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, zijn woonschepen en woonwagens geen trillinggevoelige gebouwen.
Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een:
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf.
"Functionele binding" onder de Omgevingswet betekent dat een gebouw (zoals een bedrijfswoning) wordt beschouwd als onderdeel van de activiteit waar het bij hoort, waardoor het geen bescherming nodig heeft tegen hinder (zoals geluid, geur of trillingen) van die specifieke activiteit.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.
In dit artikel zijn standaardwaarden opgenomen voor continue trillingen. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines en stans- en ponsactiviteiten, die vooral plaatsvinden in de metaal-elektrobranche.
Bij de continue trillingen wordt voldaan aan de waarden als:
de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als
de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan de meet- en rekenbepalingen voor trillingen.
Bij herhaald voorkomende trillingen gaat het om een kortdurende trilling met een repeterend karakter. Het uitgangspunt is dat herhaald voorkomende trillingen tot op zekere hoogte voelbaar mogen zijn. Herhaald voorkomende trillingen kunnen bijvoorbeeld veroorzaakt worden door:
wegverkeer dat stilstaat bij laden en lossen;
rijdend materieel dat wordt gebruikt binnen de begrenzing van de activiteit, zoals heftrucks bij een opslagloods of kranen in een haven.
Bij de herhaald voorkomende trillingen wordt voldaan aan de waarden als:
- de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als
- de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Degene die de activiteit verricht waardoor herhaald voorkomende trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan de meet- en rekenbepalingen voor trillingen.
OOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAA
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
BBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAA
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BBBBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFF
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GGGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKKKKKK
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
LLLLLLL
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMMMMMM
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNNNNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOOOOO
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPPPPPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQQQQQ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RRRRRRR
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSSSSSS
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
TTTTTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYYYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over locaties waarvoor voor 1 januari 2024 een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een zogenaamd 'ernst, niet-spoedlocatie'. Dat betekent dat het huidige of het voorgenomen gebruik van de bodem, of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging, niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Deze locaties en de bijbehorende rapporten zijn te vinden via het register, als bedoeld in artikel 7.117.27, tweede lid.
BBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Omdat spoedige sanering van 'ernst, niet spoedlocaties' niet noodzakelijk was, zijn er in de provincie Zuid-Holland ook veel gevallen bekend waarvoor geen beschikking is verleend. In het tweede lid is daarom geregeld dat deze paragraaf ook gaat over activiteiten op locaties waar uit nader bodemonderzoek volgt dat er sprake is van een zogenaamd 'ernst, niet-spoedlocatie'. Ook als hiervoor geen beschikking is verleend. Het nader bodemonderzoek moet wel voldoen aan de normen van NTA 5755 voor milieuhygiënisch onderzoek van de land- en waterbodem. Ook deze locaties en de bijbehorende rapporten zijn te vinden via het register, bedoeld in artikel 7.117.27, eerste lid
CCCCCCCC
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DDDDDDDD
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EEEEEEEE
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.
Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 22.33, eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.
In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.
Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).
[Vervallen]
GGGGGGGG
Na sectie '' worden 58 secties ingevoegd, luidende:
Drijfmest bestaat uit dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn. Dunne fractie is het vloeibaar restproduct dat ontstaat na het scheiden van drijfmest. Digestaat is een stabiel restproduct dat overblijft na het vergisten van dierlijke mest. De begrippen zijn opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is de volgende definitie opgenomen van een mestbassin: "Voorziening voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie van meststoffen, met uitzondering van een mestkelder of een opslagtank". Een mestbassin ligt meestal bovengronds, maar kan ook gedeeltelijk ingegraven zijn. Opslag in een mestzak, een met folie omklede grondput of een mestsilo valt ook onder de regels van deze paragraaf. Ook als deze gedeeltelijk zijn ingegraven of in een kuil in de grond liggen.
Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer.
Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig gebouw of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen gebouw zonder die functionele binding met een veehouderij.
Ondanks het aanhouden van afstanden tussen een activiteit waarbij mest wordt opgeslagen en een geurgevoelig gebouw, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 7.7. Bij het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften kan ook worden gekeken naar maatregelen met betrekking tot het stalmanagement en mestbeheer. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld het afdekken van mest en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer van mest.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie geldt voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in het voormalige Besluit omgevingsrecht.
In artikel 4.86 van het Besluit activiteiten leefomgeving is een meldplicht opgenomen voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie. Deze geldt in één of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 350 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3.
In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van vaste mest bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In dit omgevingsplan is een vergunningplicht opgenomen voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Dat betekent dat ook het daaraan verbinden van voorschriften in het omgevingsplan moet worden geregeld. Dit artikel voorziet daarin.
Dit artikel vormt een voortzetting van regels in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Substraatmateriaal van plantaardige oorsprong zijn natuurlijke materialen die worden gebruikt als alternatief voor grond om planten in te kweken of die afkomstig is van organische resten, vaak als deel van afvalverwerking in de tuinbouw en landbouw. Voorbeelden zijn kokosvezel, veen (turf), potgrond en compost.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Dit artikel is een voortzetting van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan en composteren van groenafval.
Regels over het opslaan en composteren van groenafval met een volume van meer dan 600 m3 staan in het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt ook voor groenafval dat een gevaarlijke afvalstof (zoals pesticiden) bevat.
Regels voor het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong staan in paragraaf 7.4.5.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Dit artikel regelt de minimale afstand om geurhinder te voorkomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwingscontour geur.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Dit artikel is een voortzetting van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van dit hoofdstuk. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Dit artikel regelt de minimale afstand om geurhinder te voorkomen.
“In plastic folie verpakt” betekent dat de veevoederbalen luchtdicht zijn verpakt waardoor ze geen geurhinder veroorzaken.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het eerste en tweede lid regelen dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
De formulering van het eerste lid is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als niet aan de voorwaarden kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 7.99.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het gaat in deze paragraaf om landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, zijnde zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken.
In bijlage I bij dit omgevingsplan is opgenomen wat wordt verstaan onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor.
Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen onder paragraaf 22.3.25: Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw.
Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:
a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
In artikel 7.107 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.
Dit artikel is een voorzetting van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.
De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig gebouw dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning.
Het gaat hier om:
- woningen bij omliggende veehouderijen;
- woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt;
- woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000, tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij (ruimte-voor-ruimtewoning).
De genoemde geurgevoelige gebouwen krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige gebouwen, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden.
Als niet voldaan wordt aan deze minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 7.104 en 7.105 voldaan worden.
Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 7.104 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikel 7.106 gelden.
Ondanks het aanhouden van afstanden tussen een activiteit waarbij mest wordt opgeslagen en een geurgevoelig gebouw, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 7.7. Bij het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften kan ook worden gekeken naar maatregelen met betrekking tot het stalmanagement en mestbeheer. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld het afdekken van mest en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer van mest.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Het gaat in deze paragraaf om:
- landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, zijnde zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken;
– paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
In bijlage I bij dit omgevingsplan is opgenomen wat wordt verstaan onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor.
Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw.
Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:
a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
In artikel x.6 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de afstanden die op grond van artikel 7.112 gelden.
Ondanks het aanhouden van afstanden tussen een activiteit waarbij mest wordt opgeslagen en een geurgevoelig gebouw, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 7.7. Bij het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften kan ook worden gekeken naar maatregelen met betrekking tot het stalmanagement en mestbeheer. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld het afdekken van mest en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer van mest.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Dit artikel vormt een voortzetting van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Vast mest bestaat uit dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn. Champost is een restproduct dat overblijft na de teelt van champignons. Dikke fractie is een vast restproduct dat ontstaat na het scheiden van drijfmest. De begrippen ‘vaste mest’ en dikke fractie’ zijn opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen liggen, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Bij het opslaan van vaste mest zijn de regels voor geur afhankelijk van de dieren waarvan de mest afkomstig is. Bij landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden, zijn de normen afhankelijk van de ligging binnen of buiten de bebouwingscontour geur.
Voor het opslaan van mest van andere dieren geldt een vaste afstand die moet worden aangehouden tot een geurgevoelig gebouw. Daarnaast geldt een afdekplicht.
Deze regels zijn een voortzetting van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Ondanks het aanhouden van afstanden tussen een activiteit waarbij mest wordt opgeslagen en een geurgevoelig gebouw, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 7.7. Bij het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften kan ook worden gekeken naar maatregelen met betrekking tot het stalmanagement en mestbeheer. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld het afdekken van mest en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer van mest.
Eerbiedigende werking houdt in dat de 'oude' gevallen worden ontzien en alleen de 'nieuwe' gevallen onder de werking van de wet vallen. Het oude recht blijft voortbestaan naast het nieuwe recht.
Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het eerste en tweede lid regelen dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van vaste mest bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van vaste mest bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
De formulering van het eerste lid is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van vaste mest bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.
In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van vaste mest bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
De vergunningplicht voor het opslaan van vaste mest geldt voor een omvang van meer dan 600 m3. Deze activiteiten was onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in het voormalige Besluit omgevingsrecht.
In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van vaste mest bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Het eerste lid regelt dat voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste mest, de beoordelingsregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing zijn. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Het tweede lid is opgenomen vanwege provinciale instructieregels in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Deze instructieregels moeten in acht worden genomen bij het wijzigen van het omgevingsplan. Artikel 7.39g van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat instructieregels die gaan over het beoordelen van de gevolgen voor watersystemen door een milieubelastende activiteit. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening bevat ook een artikelsgewijze toelichting op deze regels.
In dit omgevingsplan is een vergunningplicht opgenomen voor het opslaan van meer dan 600 m2 vaste mest. Dat betekent dat ook het daaraan verbinden van voorschriften in het omgevingsplan moet worden geregeld. Dit artikel voorziet daarin.
Deze paragraaf is niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Besluit activiteiten leefomgeving) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
Dit artikel regelt de minimale afstand om geurhinder te voorkomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwingscontour geur.
De regels in deze paragraaf zijn een voortzetting van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.
De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.
Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.
De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. De methode voor het berekenen van de geurwaarden is verwerkt in artikel 6.13 van de Omgevingsregeling.
Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in dit hoofdstuk kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.
Onder a
Hierbij gaat het om geurgevoelige gebouwen die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning voor het zuiveringstechnische werk niet aanwezig waren en voor 1 januari 2024 zijn gebouwd.
Onder b
Hierbij gaat het om geurgevoelige gebouwen die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig gebouw werden beschouwd.
HHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:
paragraaf 22.3.2 Energiebesparing
paragraaf 22.3.3 Zwerfafval
paragraaf 22.3.4 Geluid
paragraaf 22.3.5 Trillingen
paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel
paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton
paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
IIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.
Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het BalBesluit activiteiten leefomgeving en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 22.2.1 is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.
In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling «stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn» van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.
In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 22.2.1. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.
Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld «ontvlambaar») en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld «niet roken tijdens het gebruik»).
In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).
Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.
Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.
Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.
In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het BalBesluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.
JJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
[Vervallen]
KKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
onderdeel b
Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
[Vervallen]
LLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 22.83, tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.
Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.
[Vervallen]
MMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog «binnen» de activiteit.
[Vervallen]
NNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit.
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.
[Vervallen]
OOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.
Onderdeel a
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b
Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
[Vervallen]
PPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:
de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als
de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.
Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.
Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
[Vervallen]
QQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze meet- en rekenvoorschriften voor trillingen worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan zijn dus in principe geen verwijzingen nodig naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is in dit geval wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor trillingen.
[Vervallen]
RRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.
Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.
Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.
Vangnetregeling 1‑6‑2024, Stcrt. 2024, 17658:
Artikel 2.1b, aanvulling op artikel 22.27 bruidsschat
Deze aanvulling op artikel 22.27 van de bruidsschat strekt tot verduidelijking van de eisen die voor de situering van vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen onder f, onder 2 en 3, van dat artikel zijn gesteld.
Artikel 22.26 van de bruidsschat bevat het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Artikel 22.27 van de bruidsschat wijst een aantal bouwwerken aan waarop dat verbod niet van toepassing is. Daarbij gaat het onder andere om erf- en perceelafscheidingen (artikel 22.27, onder f van de bruidsschat). Deze zijn vergunningvrij als aan een aantal eisen wordt voldaan. Het gaat hier onder meer om de in artikel 22.27, onder f, onder 2, van de bruidsschat gestelde eis dat de afscheiding moet zijn geplaatst op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat en de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat gestelde situeringseis voor de ligging van de (denkbeeldige) lijn waarachter vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen moeten zijn gelegen.
Met de regeling in de bruidsschat over deze vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen (hoger dan 1 m, niet hoger dan 2 m) is een beleidsneutrale omzetting van artikel 2, onder 12, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) beoogd. Daarbij is met de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat gestelde situeringseis in een vervangende regeling voorzien voor de situeringseisen ‘achter de voorgevelrooilijn’ en ‘op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied’ zoals die voorheen in artikel 2, onder 12, onder b, onder 2 en 3, van bijlage II bij het Bor waren gesteld. De lijn waarachter erf- en perceelafscheidingen met een hoogte van 1 tot 2 m vergunningvrij kunnen worden opgericht is in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat omschreven als ‘de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied’. Inmiddels is gebleken dat deze nieuwe omschrijving van de lijn in de praktijk tot verwarring leidt, met name als het gaat om het verloop van de lijn aan de zijkant en vervolgens aan de achterkant van het gebouw. Onvoldoende wordt herkend dat met de omschrijving van de lijn geen wijzigingen ten opzichte van de regeling onder het Bor zijn beoogd en wordt soms ten onrechte een vergunningplicht verondersteld. Om hierover duidelijkheid te bieden wordt de omschrijving van de lijn nader aangevuld, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de begripsomschrijving van ‘achtererfgebied’. De methodiek om de ligging van het achtererfgebied te bepalen is namelijk dezelfde als de methodiek voor het bepalen van de ligging van de in artikel 22.27, onder f, onder 3, van de bruidsschat bedoelde lijn. Met de toevoegingen ‘vanaf daar’ in samenhang met ‘zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen’ wordt buiten twijfel gesteld dat de lijn bij bijvoorbeeld hoekwoningen eerst langs de voorgevel van het gebouw loopt en vervolgens langs de zijgevel mee de hoek om loopt. In verband met de verduidelijking van de ligging van de lijn wordt artikel 22.27, onder f, onder 2 en 3, van de bruidsschat verder aangevuld wat betreft de aard van het gebouw waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie moet staan. Tot uitdrukking wordt gebracht dat het hierbij moet gaan om een hoofdgebouw. Hieronder moet op grond van artikel 1.1, eerste lid, van de bruidsschat worden verstaan een hoofdgebouw zoals gedefinieerd in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Weliswaar is de eis dat sprake moet zijn van een hoofdgebouw – en dus niet alleen ‘een gebouw’ – naar de letter een wijziging ten opzichte van de regeling in artikel 2, onder 12, van bijlage II bij het Bor, die ook uitging van de koppeling aan een gebouw. Materieel gold de eis dat sprake moet zijn van een hoofdgebouw echter ook al onder dat regime. Toen vloeide die eis impliciet voort uit de begripsomschrijving van ‘erf’ en de koppeling aan de ligging achter de voorgevelrooilijn zoals die waren opgenomen in die regeling.
SSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In paragraaf 22.3.6 wordt qua vorm zoveel mogelijk aangesloten bij die van de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
[Vervallen]
TTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 22.41, van dit omgevingsplan vallen.
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:
een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en
een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.
Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.
Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.
Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
[Vervallen]
UUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.
[Vervallen]
VVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.
Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:
het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of
het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;
beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.
[Vervallen]
WWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
|
Geurgevoelig gebouw of object |
Activiteit |
|
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd |
de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
|
in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd |
de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
|
geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. |
de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
|
geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. |
de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
[Vervallen]
XXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).
Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.
[Vervallen]
YYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.
[Vervallen]
ZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikel 2.2a, aanvulling op de bruidsschat
Deze aanvulling op artikel 22.37, tweede lid, van de bruidsschat strekt ertoe dat artikellid te verduidelijken. In dat lid is een aantal van de eisen opgenomen voor de situering van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van huisvesting in verband met mantelzorg die (van rechtswege) in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Als een dergelijk bijbehorend bouwwerk ook aan de overige daarvoor in de bruidsschat omgevingsplan gestelde eisen voldoet, betekent dit dat het zonder vergunning is toegelaten op grond van het omgevingsplan.
Artikel 22.37 van de bruidsschat omgevingsplan continueert specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het tweede lid biedt een regeling voor de situering van bijbehorende bouwwerken voor mantelzorg die zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Ook als een dergelijk bijbehorend bouwwerk niet voldoet aan de toegestane afmetingen die nu vastliggen in artikel 22.36, onder a, onder 3°, van de bruidsschat omgevingsplan, geldt het bijbehorend bouwwerk op grond van artikel 22.37, tweede lid, als in overeenstemming met het omgevingsplan, mits het een oppervlakte heeft van niet meer dan 100 m2 en in zijn geheel of in delen verplaatsbaar is. De formulering van artikel 22.37, tweede lid, dat deze eisen gelden ‘in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen’ kan onbedoeld de indruk wekken dat de hoofdregel in zijn geheel niet geldt, terwijl alleen bedoeld was een uitzondering op de hoofdregel mogelijk te maken. De nieuwe vangnetbepaling verzekert dat de beoogde lezing wordt gevolgd door vast te leggen dat artikel 22.37, tweede lid, alleen van toepassing is als niet wordt voldaan aan de eisen in artikel 22.36, onder a, onder 3°.
AAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.
Onderdeel a
Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b
Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
[Vervallen]
BBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De bepalingen in deze paragraaf van het tijdelijke deel van het omgevingsplan stellen waarden of minimumafstanden voor geur voor een individuele activiteit. In de paragrafen voor het houden van landbouwhuisdieren gaat het om een waarde of minimumafstanden voor een individuele veehouderij en alleen vanwege dierenverblijven. Hierbij is geen rekening gehouden met cumulatie van geur, veroorzaakt door meerdere veehouderijen in een gebied of cumulatie door meerdere bronnen binnen de veehouderij. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Bal is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij niet-vergunningplichtige veehouderijen kunnen strengere eisen zo nodig in een maatwerkvoorschrift worden vastgelegd.
Bij het opnemen van omgevingsplanregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl, cumulatie betrokken worden. Dat kan leiden tot strengere regels in het nieuwe deel dan de regels van het tijdlijke deel. Als in het nieuwe deel van het omgevingsplan waarden worden opgenomen waarbij cumulatie al is meegewogen, zal bij het verlenen van de omgevingsvergunningen in beginsel geen noodzaak bestaan om in de vergunning strengere eisen op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat in situaties waarin er een vergunningplicht voor een veehouderijen op grond van het Bal geldt, ook het nieuwe deel van het omgevingsplan expliciet uit zal gaan van geurhinder als gevolg van de geurbelasting door de individuele activiteit, en de beoordeling van cumulatieve geurbelasting overlaat aan het traject van vergunningverlening. In dat geval zullen omgevingsvergunningen in cumulatieve situaties strengere eisen kunnen bevatten.
[Vervallen]
CCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.
De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.
Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.
Bij de opsomming van activiteiten in artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten.
Vangnetregeling 1‑1‑2024, Stcrt. 2023, 32876
Artikel 2.3 – activiteit niet van rechtswege in overeenstemming met het tijdelijke deel omgevingsplan
Op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a, van de bruidsschat in samenhang met de voorrangsbepaling in artikel 22.1 van de bruidsschat zijn het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan van rechtswege in overeenstemming met het tijdelijke deel van het omgevingsplan en daarmee zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit deze activiteiten toegestaan. Hetzelfde geldt voor het in artikel 22.36, onder c, omschreven gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. In artikel 22.39 van de bruidsschat wordt geregeld dat deze onderdelen van artikel 22.36 in bepaalde gevallen niet van toepassing zijn vanwege externe veiligheid. Artikel 2.3 van deze Vangnetregeling Omgevingswet breidt deze uitzondering uit, zodat het bouwen, in stand houden en gebruiken dan wel het gebruiken van bepaalde bouwwerken ook niet zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan binnen een bepaalde afstand vanaf het vulpunt van een ondergrondse opslagtank waarin organische oplosmiddelen worden opgeslagen en de opstelplaats van de tankwagens voor het vullen en legen van de opslagtank. Op grond van de veiligheid is dat van belang. In het Besluit omgevingsrecht was deze uitzondering ook opgenomen. Het niet opnemen van de uitzondering in de bruidsschat is daarom een omissie.
DDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Indeling paragraaf
Bij de indeling van de paragraaf is in hoofdlijnen de structuur van paragraaf 5.1.4.6.3 «Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf» van het Bkl gevolgd. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De paragraaf stelt regels voor:
landbouwhuisdieren met geuremissiefactor; en
landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden.
Verhouding Activiteitenbesluit milieubeheer en Wet geurhinder en veehouderij in dit omgevingsplan.
Deze paragraaf is de voortzetting van de artikelen 3.115 tot en met 3.121 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de regels van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.
Tussen bovenstaande regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, bestonden enkele kleine inhoudelijke verschillen. Zo is de zogenaamde 50%-regeling in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vereenvoudigd ten opzichte van die in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Voor deze paragraaf van het omgevingsplan is aangesloten bij de inhoud van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is artikel 3.116, derde lid, uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer in deze omgevingsplanregels van rijkswege overgenomen. Zo’n bepaling kende de voormalige Wet geurhinder en veehouderij niet.
Vergunningplichtige activiteiten
De regels van deze paragraaf gelden voor alle activiteiten die vallen onder artikel 22.41 van dit omgevingsplan, waaronder milieubelastende activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaande omgevingsvergunningen voor milieu op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden die gehouden worden voor het berijden in dierenverblijven hun gelding houden. Dat geldt ook voor de zogenoemde verleende omgevingsvergunningen beperkte milieutoets. De waarden en afstanden in deze paragraaf gelden alleen voor het beginnen met of wijzigen of uitbreiden van een dierenbedrijf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang het bedrijf niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Voorrang voor geurverordening
Ook is voor deze paragraaf de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan van belang. Op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij hebben veel gemeenten in een zogenoemde geurverordening, concentratiegebieden aangewezen of andere waarden of afstanden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren dan de waarden of afstanden in deze paragraaf van het omgevingsplan. Deze geurverordening maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Omgevingswet, deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Op grond van artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan, gelden die andere waarden of afstanden uit de geurverordening in plaats van de waarden of afstanden in deze paragraaf.
[Vervallen]
EEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.
Het gaat in deze paragraaf dus om:
landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:
zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en
paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
[Vervallen]
FFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
[Vervallen]
GGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.
Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:
het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of
bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.
In artikel 22.103 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.
[Vervallen]
HHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.
De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip «bebouwde kom» was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in artikel 22.99.
[Vervallen]
IIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.
[Vervallen]
JJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 22.97. De standaardwaarden uit artikel 22.98 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.
In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.
Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.
Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.
Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.
[Vervallen]
KKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 22.98 en 22.99 voldaan worden.
[Vervallen]
LLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage II bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
[Vervallen]
MMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van artikel 22.101.
In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.
Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
[Vervallen]
NNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 22.98 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikelen 22.100 en 22.101 gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
[Vervallen]
OOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in artikel 22.103. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.
Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
[Vervallen]
PPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in artikel 22.104, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.
[Vervallen]
QQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 22.3.6.4 geregeld.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.
[Vervallen]
RRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
onderdeel a
Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 22.240.
[Vervallen]
SSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
onderdeel a
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
onderdeel b
Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
onderdeel c
Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
[Vervallen]
TTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.
[Vervallen]
UUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 22.3.6.4 geregeld.
[Vervallen]
VVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
[Vervallen]
WWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
[Vervallen]
XXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m3. Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.
[Vervallen]
YYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet.
Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.
In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in artikel 22.262 van dit omgevingsplan.
[Vervallen]
ZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.
Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.
[Vervallen]
AAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen.
Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid.
[Vervallen]
BBBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal.
Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie.
[Vervallen]
CCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:
[Vervallen]
DDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.
[Vervallen]
EEEEEEEEEE
Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257
Artikel 2.3a, aanvullingen op de bruidsschat
Als op grond van uitzonderingsbepalingen gebouwen worden toegelaten op locaties waar niet wordt voldaan aan de grenswaarden voor het geluid op de gevel, worden de gevels niet beschermd bij een verdere toename van het geluid. In artikel 22.54, tweede lid, onder c, van de bruidsschat omgevingsplan is al bepaald dat paragraaf 22.3.4 van de bruidsschat niet van toepassing is op niet-geluidgevoelige gevels. Dat is echter de aanduiding onder nieuw recht. De uitzondering moet ook gelden voor gevels waarbij gebruik is gemaakt van uitzonderingsbepalingen onder oud recht, te weten de zogenoemde ‘dove gevels’ van de Wet geluidhinder en gevels waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.
In artikel 12.13e van het Bkl is daarvoor overgangsrecht opgenomen. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 22.54 van de bruidsschat is beschreven dat dit overgangsrecht ook van toepassing zou zijn op dit deel van de bruidsschat, maar die toelichting is niet in overeenstemming met de uiteindelijk vastgestelde tekst van genoemd artikel 12.13e. Met deze aanvulling wordt deze omissie hersteld.
FFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.
[Vervallen]
GGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.
[Vervallen]
HHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
[Vervallen]
IIIIIIIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelen 22.114 tot en met 22.119, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;
het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of
de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
[Vervallen]
JJJJJJJJJJ
Na sectie '' worden twee secties ingevoegd, luidende:
Vangnetregeling 1‑1‑2024, Stcrt. 2023, 32876
Artikel 2.4 – geluidsregels niet van toepassing op hoogspanningsverbindingen
Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden voor hoogspanningsverbindingen de geluidsregels van de bruidsschat. De geluidsregels in de bruidsschat zijn gebaseerd op het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De algemene geluidsregels van het Activiteitenbesluit milieubeheer waren niet van toepassing op hoogspanningsverbindingen, omdat die regels alleen van toepassing waren op een inrichting volgens de Wet milieubeheer en dus niet op een hoogspanningsverbinding. Wél moest onder de Wet ruimtelijke ordening bij de ruimtelijke inpassing van de hoogspanningsverbinding worden aangetoond dat geen onaanvaardbare geluidsoverlast optrad. Als gevolg van de overgang van het begrip 'inrichting' naar 'activiteit' zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geluidsnormen in het omgevingsplan via de bruidsschat van toepassing op hoogspanningsverbindingen. Dit is een onbedoeld gevolg.
De bovengrondse delen van hoogspanningsverbindingen kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen (coronageluid). Er is voor het specifieke coronageluid en windfluiten in Nederland en ook internationaal geen (wettelijk) toetsingskader voorhanden. De geluidseffecten van bestaande hoogspanningsverbindingen voldoen niet in alle gevallen aan de geluidsregels van de bruidsschat. Om het genoemde onbedoelde gevolg te voorkomen regelt artikel 2.4 dat paragraaf 22.3.4, met regels over geluid, niet van toepassing is op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV. Hieronder vallen ook bovengrondse klantaansluitingen en interconnectoren. Deze bepaling heeft slechts werking voor bestaande of reeds toegelaten hoogspanningsverbindingen, en niet voor nieuwe hoogspanningsverbindingen. Voor de realisatie van een nieuwe hoogspanningsverbinding wordt een projectbesluit genomen, waarbij op grond van artikel 9.1, eerste en tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving met toepassing van paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voorzien in een aanvaardbaar geluidniveau (artikel 5.59, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving). Meestal zullen daarvoor regels moeten worden gesteld. Aanvullend geldt voor de vaststelling van een definitief omgevingsplan dat in dat omgevingsplan geen regels mogen worden opgenomen die het functioneren van een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV belemmeren. Daarin voorziet artikel 5.159 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikelen 2.3b, 2.4b, 2.4c, 2.4d, 2.4e en 2.4g, eerste lid, aanhef en onder a, aanvullingen en correcties op de bruidsschat
Op grond van het Besluit omgevingsrecht konden mantelzorgwoningen tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder ‘gebouwd’ wordt daarbij ook bedoeld op verbouw van het hoofdgebouw met een aan- of uitbouw, in lijn met het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken werd niet getoetst aan regels voor geluid, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten of slagschaduw door windturbines. Onder het Bkl, zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024, zijn mantelzorgwoningen echter wel onderworpen aan de regels voor die vormen van milieuhinder. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is ervoor gekozen om het al dan niet vergunningplichtig zijn van bijbehorende bouwwerken onderdeel te laten zijn van de lokale bestuurlijke afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de milieubescherming van woningen. Ook de rechten van nabijgelegen functies zoals bedrijven, maatschappelijke activiteiten en infrastructuur zijn daarbij te betrekken aspecten. Die afweging zou haar beslag moeten krijgen op het moment dat de gemeente de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzet naar het nieuwe deel.
In de bruidsschat zijn als overgangsrecht regels opgenomen die ervoor zorgen dat de mantelzorgwoningen die op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht vergunningvrij gebouwd of gebruikt konden worden, van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De bruidsschat was bedoeld om te voorzien in gelijkwaardige regels zonder wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het oude recht. De tijdelijke regels in de bruidsschat zijn slechts bedoeld als overgangsrecht tot het moment dat de gemeente een nieuw regelpakket biedt in het omgevingsplan dat voldoet aan de nieuwe systematiek. Er is echter onbedoeld ook een direct rechtsgevolg veroorzaakt. Omdat in de bruidsschat is aangesloten bij de begripsbepalingen in het Bkl, zonder te voorzien in een tijdelijke uitzondering voor mantelzorgwoningen, zijn deze al per 1 januari 2024 beschermd tegen de milieuhinder van naburige milieubelastende activiteiten. Met deze wijziging van de Vangnetregeling wordt deze omissie in het overgangsrecht hersteld.
Van belang is dat de eerdere omissie – en daarmee ook de reparatie via deze regeling – niet de mogelijkheden betreft voor het bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen. De mogelijkheden daarvoor zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat en zijn beleidsneutraal gecontinueerd uit het voormalige Besluit omgevingsrecht. Er is echter sprake van mogelijke gevolgen voor de milieuruimte van naburige bedrijven of windturbines, waarvoor de regels zijn opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan. Die bedrijven kunnen onbedoeld beperkt worden in hun bedrijfsvoering als de immissie van geluid, trillingen, geur of slagschaduw op of in een daarvoor gevoelig gebouw hoger is dan de immissie die op grond van de bruidsschat toegelaten is. De omissie kan ook onbedoeld consequenties hebben voor de (voorgenomen) aanleg of de wijziging van infrastructuur in beheer bij gemeenten of waterschappen. Het gaat om de aanleg of de wijziging van deze infrastructuur binnen de bestaande planologische mogelijkheden, waarvoor regels zijn opgenomen in afdeling 22.4 van de bruidsschat.
In paragraaf 12.1.5 van het Bkl is al overgangsrecht opgenomen voor op 1 januari 2024 bestaande of toegelaten mantelzorgwoningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, maar dat ziet op besluitvorming onder nieuw recht over geluid door die bronnen op de gevels van die woningen. Deze aanvulling van de Vangnetregeling ziet op gevallen, waar juist (nog) geen besluitvorming aan de orde is omdat bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen op grond van paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Aan dit overgangsrecht in het Bkl is wel de formulering ‘waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten’ ontleend. De term ‘alleen’ is hier van belang. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een bestaand gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg plaatsvindt niet alleen op grond van de bruidsschat is toegelaten, maar ook op grond van bijvoorbeeld het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een deel van een bestaande woning gedeeltelijk in gebruik wordt genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst op het moment dat het gebouw planologisch is toegelaten en is de uitzondering niet van toepassing.
Ook als het gaat om een mantelzorgwoning die wordt gebouwd of geplaatst binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld als aan- of uitbouw), zorgen de nieuwe overgangsrechtelijke regels ervoor dat die mantelzorgwoning niet beschermd wordt. Een dergelijke aan- of uitbouw zou behalve als mantelzorgwoning ook gebouwd kunnen worden als onderdeel van het bestaande hoofdgebouw. Als dat een gevoelig gebouw is, komt dat enkele meters dichter bij de immissiebron te liggen en is ook de aan- of uitbouw gevoelig voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. Een nieuwe mantelzorgwoning op dezelfde locatie is echter een aparte gebruiksfunctie en daarmee een apart gevoelig gebouw, en wordt door deze vangnetbepalingen uitgesloten van bescherming. Anders dan andere regels in hoofdstuk 2 van de Vangnetregeling kunnen de onderhavige nieuwe regels niet worden meegenomen als een gemeente een (al dan niet beleidsneutrale) omzetting van de met de bruidsschat overgedragen milieuregels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan wil doorvoeren. Het Bkl vereist op dit moment dat alle (potentiële) mantelzorgwoningen worden getoetst aan de milieuregels. Hoewel niet verwacht wordt dat die milieuregels objectief in de weg zullen staan aan het toelaten van mantelzorgwoningen op daarvoor geschikte achtererven of in bestaande gebouwen, moet de aanvaardbaarheid van geluid, trillingen, geur en slagschaduw volgens de huidige regels van het Bkl worden beoordeeld als deze mantelzorgwoningen worden toegelaten in het omgevingsplan, mede in relatie tot omliggende functies zoals bedrijven en infrastructuur. Dit is bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De regels in deze wijzigingsregeling zijn daarom geformuleerd als aanvulling op bepalingen over ‘eerbiedigende werking’ in de bruidsschat die ook in andere gevallen slechts van toepassing zijn totdat de bruidsschatregels worden omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het kabinet is overigens voornemens om in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te regelen dat mantelzorgwoningen vergunningvrij blijven. Het wijzigingsbesluit hiervoor is in consultatie geweest van 17 april tot 1 mei 2025.
KKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal.
De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.
Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van paragraaf 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.
Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.
[Vervallen]
LLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.
De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.
In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 «Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur». Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.
[Vervallen]
MMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
[Vervallen]
NNNNNNNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel 22.120, eerste lid. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120, eerste lid blijft.
[Vervallen]
OOOOOOOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.
Het derde tot en met zevende lid van dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en 22.61, eerste tot en met tweede lid of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het vierde lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61, derde tot en met zevende lid, van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
Vangnetregeling 1‑6‑2024, Stcrt. 2024, 17658:
Artikel 2.4a, aanvulling op artikel 22.61 a bruidsschat (samengevoegd met artikel 22.61 bruidsschat en opgenomen onder het derde tot en met zevende lid van dat artikel)
In verschillende artikelen van de bruidsschat, zoals bijvoorbeeld artikel 22.71, is bepaald dat die gelden voor activiteiten die worden verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Dat geldt echter niet voor artikel 22.61, derde tot en met zevende lid, van de bruidsschat, ingevoegd door het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022, over het verstrekken van gegevens en bescheiden bij het beginnen of wijzigen van activiteiten. Ingevolge het eerste lid geldt de informatieplicht alleen voor een activiteit die wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein. De informatieplicht geldt niet voor een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
Dit heeft als gevolg dat de in artikel 22.61, derde tot en met zevende lid, van de bruidsschat geregelde informatieplicht voor bedrijven vervalt op het moment waarop voor een aanwezig industrieterrein, met toepassing van paragraaf 12.1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de eerste geluidproductieplafonds als omgevingswaarden worden vastgesteld. De gemeente kan uiteraard op dat moment bij omgevingsplan eigen regels met informatieplichten stellen, maar een impliciete verplichting daartoe zou een onbedoelde belemmering kunnen vormen voor die eerste vaststelling van de geluidproductieplafonds. Met artikel 2.4a van de Vangnetregeling wordt deze belemmering weggenomen. Zolang de bruidsschat geldt voor de locatie van het industrieterrein, blijft de informatieplicht als bedoeld in artikel 22.61, derde tot en met zevende lid, van de bruidsschat gelden, ook als voor een bestaand industrieterrein geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
Met artikel 12.2a, eerste lid, Bkl, ingevoegd door het Verzamelbesluit Omgevingswet 2023, is een vergelijkbare belemmering weggenomen die artikel 5.78f Bkl had kunnen vormen. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat artikel 5.78f niet hoeft te worden toegepast zolang de eerste geluidproductieplafonds, die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 12.2 Bkl, van kracht zijn, tot uiterlijk het tijdstip bedoeld in artikel 22.6, derde lid, van de Omgevingswet waarvoor alsnog met toepassing van artikel 5.78f Bkl regels worden opgenomen in het niet-tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor de informatieplicht als bedoeld in artikel artikel 22.61, derde tot en met zevende lid, van de bruidsschat is zo’n beperking niet nodig, aangezien ook dit artikel vervalt op het moment dat voor de locatie van het industrieterrein alsnog toepassing wordt gegeven aan artikel 5.78f Bkl. Het ligt wel voor de hand om dan ook een informatieplicht in (het niet-tijdelijk deel van) het omgevingsplan op te nemen, die afgestemd kan worden op de specifieke informatiebehoefte van de gemeente.
PPPPPPPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikelen 2.3b, 2.4b, 2.4c, 2.4d, 2.4e en 2.4g, eerste lid, aanhef en onder a, aanvullingen en correcties op de bruidsschat
Op grond van het Besluit omgevingsrecht konden mantelzorgwoningen tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder ‘gebouwd’ wordt daarbij ook bedoeld op verbouw van het hoofdgebouw met een aan- of uitbouw, in lijn met het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken werd niet getoetst aan regels voor geluid, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten of slagschaduw door windturbines. Onder het Bkl, zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024, zijn mantelzorgwoningen echter wel onderworpen aan de regels voor die vormen van milieuhinder. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is ervoor gekozen om het al dan niet vergunningplichtig zijn van bijbehorende bouwwerken onderdeel te laten zijn van de lokale bestuurlijke afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de milieubescherming van woningen. Ook de rechten van nabijgelegen functies zoals bedrijven, maatschappelijke activiteiten en infrastructuur zijn daarbij te betrekken aspecten. Die afweging zou haar beslag moeten krijgen op het moment dat de gemeente de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzet naar het nieuwe deel.
In de bruidsschat zijn als overgangsrecht regels opgenomen die ervoor zorgen dat de mantelzorgwoningen die op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht vergunningvrij gebouwd of gebruikt konden worden, van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De bruidsschat was bedoeld om te voorzien in gelijkwaardige regels zonder wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het oude recht. De tijdelijke regels in de bruidsschat zijn slechts bedoeld als overgangsrecht tot het moment dat de gemeente een nieuw regelpakket biedt in het omgevingsplan dat voldoet aan de nieuwe systematiek. Er is echter onbedoeld ook een direct rechtsgevolg veroorzaakt. Omdat in de bruidsschat is aangesloten bij de begripsbepalingen in het Bkl, zonder te voorzien in een tijdelijke uitzondering voor mantelzorgwoningen, zijn deze al per 1 januari 2024 beschermd tegen de milieuhinder van naburige milieubelastende activiteiten. Met deze wijziging van de Vangnetregeling wordt deze omissie in het overgangsrecht hersteld.
Van belang is dat de eerdere omissie – en daarmee ook de reparatie via deze regeling – niet de mogelijkheden betreft voor het bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen. De mogelijkheden daarvoor zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat en zijn beleidsneutraal gecontinueerd uit het voormalige Besluit omgevingsrecht. Er is echter sprake van mogelijke gevolgen voor de milieuruimte van naburige bedrijven of windturbines, waarvoor de regels zijn opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan. Die bedrijven kunnen onbedoeld beperkt worden in hun bedrijfsvoering als de immissie van geluid, trillingen, geur of slagschaduw op of in een daarvoor gevoelig gebouw hoger is dan de immissie die op grond van de bruidsschat toegelaten is. De omissie kan ook onbedoeld consequenties hebben voor de (voorgenomen) aanleg of de wijziging van infrastructuur in beheer bij gemeenten of waterschappen. Het gaat om de aanleg of de wijziging van deze infrastructuur binnen de bestaande planologische mogelijkheden, waarvoor regels zijn opgenomen in afdeling 22.4 van de bruidsschat.
In paragraaf 12.1.5 van het Bkl is al overgangsrecht opgenomen voor op 1 januari 2024 bestaande of toegelaten mantelzorgwoningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, maar dat ziet op besluitvorming onder nieuw recht over geluid door die bronnen op de gevels van die woningen. Deze aanvulling van de Vangnetregeling ziet op gevallen, waar juist (nog) geen besluitvorming aan de orde is omdat bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen op grond van paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Aan dit overgangsrecht in het Bkl is wel de formulering ‘waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten’ ontleend. De term ‘alleen’ is hier van belang. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een bestaand gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg plaatsvindt niet alleen op grond van de bruidsschat is toegelaten, maar ook op grond van bijvoorbeeld het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een deel van een bestaande woning gedeeltelijk in gebruik wordt genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst op het moment dat het gebouw planologisch is toegelaten en is de uitzondering niet van toepassing.
Ook als het gaat om een mantelzorgwoning die wordt gebouwd of geplaatst binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld als aan- of uitbouw), zorgen de nieuwe overgangsrechtelijke regels ervoor dat die mantelzorgwoning niet beschermd wordt. Een dergelijke aan- of uitbouw zou behalve als mantelzorgwoning ook gebouwd kunnen worden als onderdeel van het bestaande hoofdgebouw. Als dat een gevoelig gebouw is, komt dat enkele meters dichter bij de immissiebron te liggen en is ook de aan- of uitbouw gevoelig voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. Een nieuwe mantelzorgwoning op dezelfde locatie is echter een aparte gebruiksfunctie en daarmee een apart gevoelig gebouw, en wordt door deze vangnetbepalingen uitgesloten van bescherming. Anders dan andere regels in hoofdstuk 2 van de Vangnetregeling kunnen de onderhavige nieuwe regels niet worden meegenomen als een gemeente een (al dan niet beleidsneutrale) omzetting van de met de bruidsschat overgedragen milieuregels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan wil doorvoeren. Het Bkl vereist op dit moment dat alle (potentiële) mantelzorgwoningen worden getoetst aan de milieuregels. Hoewel niet verwacht wordt dat die milieuregels objectief in de weg zullen staan aan het toelaten van mantelzorgwoningen op daarvoor geschikte achtererven of in bestaande gebouwen, moet de aanvaardbaarheid van geluid, trillingen, geur en slagschaduw volgens de huidige regels van het Bkl worden beoordeeld als deze mantelzorgwoningen worden toegelaten in het omgevingsplan, mede in relatie tot omliggende functies zoals bedrijven en infrastructuur. Dit is bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De regels in deze wijzigingsregeling zijn daarom geformuleerd als aanvulling op bepalingen over ‘eerbiedigende werking’ in de bruidsschat die ook in andere gevallen slechts van toepassing zijn totdat de bruidsschatregels worden omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het kabinet is overigens voornemens om in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te regelen dat mantelzorgwoningen vergunningvrij blijven. Het wijzigingsbesluit hiervoor is in consultatie geweest van 17 april tot 1 mei 2025.
QQQQQQQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
|
Slagschaduwgevoelig gebouw |
Activiteit |
|
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd |
de regel voor slagschaduw is niet van toepassing |
|
in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd |
de regel voor slagschaduw is wel van toepassing |
|
slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar |
de regel voor slagschaduw is wel van toepassing |
|
slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar |
de regel voor slagschaduw is niet van toepassing |
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikelen 2.3b, 2.4b, 2.4c, 2.4d, 2.4e en 2.4g, eerste lid, aanhef en onder a, aanvullingen en correcties op de bruidsschat
Op grond van het Besluit omgevingsrecht konden mantelzorgwoningen tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder ‘gebouwd’ wordt daarbij ook bedoeld op verbouw van het hoofdgebouw met een aan- of uitbouw, in lijn met het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken werd niet getoetst aan regels voor geluid, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten of slagschaduw door windturbines. Onder het Bkl, zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024, zijn mantelzorgwoningen echter wel onderworpen aan de regels voor die vormen van milieuhinder. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is ervoor gekozen om het al dan niet vergunningplichtig zijn van bijbehorende bouwwerken onderdeel te laten zijn van de lokale bestuurlijke afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de milieubescherming van woningen. Ook de rechten van nabijgelegen functies zoals bedrijven, maatschappelijke activiteiten en infrastructuur zijn daarbij te betrekken aspecten. Die afweging zou haar beslag moeten krijgen op het moment dat de gemeente de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzet naar het nieuwe deel.
In de bruidsschat zijn als overgangsrecht regels opgenomen die ervoor zorgen dat de mantelzorgwoningen die op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht vergunningvrij gebouwd of gebruikt konden worden, van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De bruidsschat was bedoeld om te voorzien in gelijkwaardige regels zonder wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het oude recht. De tijdelijke regels in de bruidsschat zijn slechts bedoeld als overgangsrecht tot het moment dat de gemeente een nieuw regelpakket biedt in het omgevingsplan dat voldoet aan de nieuwe systematiek. Er is echter onbedoeld ook een direct rechtsgevolg veroorzaakt. Omdat in de bruidsschat is aangesloten bij de begripsbepalingen in het Bkl, zonder te voorzien in een tijdelijke uitzondering voor mantelzorgwoningen, zijn deze al per 1 januari 2024 beschermd tegen de milieuhinder van naburige milieubelastende activiteiten. Met deze wijziging van de Vangnetregeling wordt deze omissie in het overgangsrecht hersteld.
Van belang is dat de eerdere omissie – en daarmee ook de reparatie via deze regeling – niet de mogelijkheden betreft voor het bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen. De mogelijkheden daarvoor zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat en zijn beleidsneutraal gecontinueerd uit het voormalige Besluit omgevingsrecht. Er is echter sprake van mogelijke gevolgen voor de milieuruimte van naburige bedrijven of windturbines, waarvoor de regels zijn opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan. Die bedrijven kunnen onbedoeld beperkt worden in hun bedrijfsvoering als de immissie van geluid, trillingen, geur of slagschaduw op of in een daarvoor gevoelig gebouw hoger is dan de immissie die op grond van de bruidsschat toegelaten is. De omissie kan ook onbedoeld consequenties hebben voor de (voorgenomen) aanleg of de wijziging van infrastructuur in beheer bij gemeenten of waterschappen. Het gaat om de aanleg of de wijziging van deze infrastructuur binnen de bestaande planologische mogelijkheden, waarvoor regels zijn opgenomen in afdeling 22.4 van de bruidsschat.
In paragraaf 12.1.5 van het Bkl is al overgangsrecht opgenomen voor op 1 januari 2024 bestaande of toegelaten mantelzorgwoningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, maar dat ziet op besluitvorming onder nieuw recht over geluid door die bronnen op de gevels van die woningen. Deze aanvulling van de Vangnetregeling ziet op gevallen, waar juist (nog) geen besluitvorming aan de orde is omdat bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen op grond van paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Aan dit overgangsrecht in het Bkl is wel de formulering ‘waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten’ ontleend. De term ‘alleen’ is hier van belang. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een bestaand gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg plaatsvindt niet alleen op grond van de bruidsschat is toegelaten, maar ook op grond van bijvoorbeeld het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een deel van een bestaande woning gedeeltelijk in gebruik wordt genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst op het moment dat het gebouw planologisch is toegelaten en is de uitzondering niet van toepassing.
Ook als het gaat om een mantelzorgwoning die wordt gebouwd of geplaatst binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld als aan- of uitbouw), zorgen de nieuwe overgangsrechtelijke regels ervoor dat die mantelzorgwoning niet beschermd wordt. Een dergelijke aan- of uitbouw zou behalve als mantelzorgwoning ook gebouwd kunnen worden als onderdeel van het bestaande hoofdgebouw. Als dat een gevoelig gebouw is, komt dat enkele meters dichter bij de immissiebron te liggen en is ook de aan- of uitbouw gevoelig voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. Een nieuwe mantelzorgwoning op dezelfde locatie is echter een aparte gebruiksfunctie en daarmee een apart gevoelig gebouw, en wordt door deze vangnetbepalingen uitgesloten van bescherming. Anders dan andere regels in hoofdstuk 2 van de Vangnetregeling kunnen de onderhavige nieuwe regels niet worden meegenomen als een gemeente een (al dan niet beleidsneutrale) omzetting van de met de bruidsschat overgedragen milieuregels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan wil doorvoeren. Het Bkl vereist op dit moment dat alle (potentiële) mantelzorgwoningen worden getoetst aan de milieuregels. Hoewel niet verwacht wordt dat die milieuregels objectief in de weg zullen staan aan het toelaten van mantelzorgwoningen op daarvoor geschikte achtererven of in bestaande gebouwen, moet de aanvaardbaarheid van geluid, trillingen, geur en slagschaduw volgens de huidige regels van het Bkl worden beoordeeld als deze mantelzorgwoningen worden toegelaten in het omgevingsplan, mede in relatie tot omliggende functies zoals bedrijven en infrastructuur. Dit is bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De regels in deze wijzigingsregeling zijn daarom geformuleerd als aanvulling op bepalingen over ‘eerbiedigende werking’ in de bruidsschat die ook in andere gevallen slechts van toepassing zijn totdat de bruidsschatregels worden omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het kabinet is overigens voornemens om in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te regelen dat mantelzorgwoningen vergunningvrij blijven. Het wijzigingsbesluit hiervoor is in consultatie geweest van 17 april tot 1 mei 2025.
RRRRRRRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
[Vervallen]
SSSSSSSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
onderdeel a
Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
onderdeel b
Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
[Vervallen]
TTTTTTTTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
[Vervallen]
UUUUUUUUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
[Vervallen]
VVVVVVVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
[Vervallen]
WWWWWWWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.
[Vervallen]
XXXXXXXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt artikel 22.114 en verder.
[Vervallen]
YYYYYYYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 22.116 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).
[Vervallen]
ZZZZZZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
[Vervallen]
AAAAAAAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.
[Vervallen]
BBBBBBBBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
[Vervallen]
CCCCCCCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.
[Vervallen]
DDDDDDDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 22.250.
[Vervallen]
EEEEEEEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.
Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit paragraaf 22.3.6.27.4.11 (Geur door hetLandbouwhuisdieren met geuremissiefactor houden in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en) en 7.4.12 (Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden wordenpony's voor het berijden houden in een dierenverblijf).
Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.
Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.
FFFFFFFFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
[Vervallen]
GGGGGGGGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
[Vervallen]
HHHHHHHHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Wat in artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is artikel 22.278 identiek aan de werking van artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 22.33.
[Vervallen]
IIIIIIIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJJJJJJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.
In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Tweede lid
Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Derde lid
Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.
Vierde lid
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikelen 2.3b, 2.4b, 2.4c, 2.4d, 2.4e en 2.4g, eerste lid, aanhef en onder a, aanvullingen en correcties op de bruidsschat
Op grond van het Besluit omgevingsrecht konden mantelzorgwoningen tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder ‘gebouwd’ wordt daarbij ook bedoeld op verbouw van het hoofdgebouw met een aan- of uitbouw, in lijn met het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken werd niet getoetst aan regels voor geluid, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten of slagschaduw door windturbines. Onder het Bkl, zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024, zijn mantelzorgwoningen echter wel onderworpen aan de regels voor die vormen van milieuhinder. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is ervoor gekozen om het al dan niet vergunningplichtig zijn van bijbehorende bouwwerken onderdeel te laten zijn van de lokale bestuurlijke afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de milieubescherming van woningen. Ook de rechten van nabijgelegen functies zoals bedrijven, maatschappelijke activiteiten en infrastructuur zijn daarbij te betrekken aspecten. Die afweging zou haar beslag moeten krijgen op het moment dat de gemeente de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzet naar het nieuwe deel.
In de bruidsschat zijn als overgangsrecht regels opgenomen die ervoor zorgen dat de mantelzorgwoningen die op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht vergunningvrij gebouwd of gebruikt konden worden, van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De bruidsschat was bedoeld om te voorzien in gelijkwaardige regels zonder wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het oude recht. De tijdelijke regels in de bruidsschat zijn slechts bedoeld als overgangsrecht tot het moment dat de gemeente een nieuw regelpakket biedt in het omgevingsplan dat voldoet aan de nieuwe systematiek. Er is echter onbedoeld ook een direct rechtsgevolg veroorzaakt. Omdat in de bruidsschat is aangesloten bij de begripsbepalingen in het Bkl, zonder te voorzien in een tijdelijke uitzondering voor mantelzorgwoningen, zijn deze al per 1 januari 2024 beschermd tegen de milieuhinder van naburige milieubelastende activiteiten. Met deze wijziging van de Vangnetregeling wordt deze omissie in het overgangsrecht hersteld.
Van belang is dat de eerdere omissie – en daarmee ook de reparatie via deze regeling – niet de mogelijkheden betreft voor het bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen. De mogelijkheden daarvoor zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat en zijn beleidsneutraal gecontinueerd uit het voormalige Besluit omgevingsrecht. Er is echter sprake van mogelijke gevolgen voor de milieuruimte van naburige bedrijven of windturbines, waarvoor de regels zijn opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan. Die bedrijven kunnen onbedoeld beperkt worden in hun bedrijfsvoering als de immissie van geluid, trillingen, geur of slagschaduw op of in een daarvoor gevoelig gebouw hoger is dan de immissie die op grond van de bruidsschat toegelaten is. De omissie kan ook onbedoeld consequenties hebben voor de (voorgenomen) aanleg of de wijziging van infrastructuur in beheer bij gemeenten of waterschappen. Het gaat om de aanleg of de wijziging van deze infrastructuur binnen de bestaande planologische mogelijkheden, waarvoor regels zijn opgenomen in afdeling 22.4 van de bruidsschat.
In paragraaf 12.1.5 van het Bkl is al overgangsrecht opgenomen voor op 1 januari 2024 bestaande of toegelaten mantelzorgwoningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, maar dat ziet op besluitvorming onder nieuw recht over geluid door die bronnen op de gevels van die woningen. Deze aanvulling van de Vangnetregeling ziet op gevallen, waar juist (nog) geen besluitvorming aan de orde is omdat bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen op grond van paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Aan dit overgangsrecht in het Bkl is wel de formulering ‘waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten’ ontleend. De term ‘alleen’ is hier van belang. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een bestaand gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg plaatsvindt niet alleen op grond van de bruidsschat is toegelaten, maar ook op grond van bijvoorbeeld het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een deel van een bestaande woning gedeeltelijk in gebruik wordt genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst op het moment dat het gebouw planologisch is toegelaten en is de uitzondering niet van toepassing.
Ook als het gaat om een mantelzorgwoning die wordt gebouwd of geplaatst binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld als aan- of uitbouw), zorgen de nieuwe overgangsrechtelijke regels ervoor dat die mantelzorgwoning niet beschermd wordt. Een dergelijke aan- of uitbouw zou behalve als mantelzorgwoning ook gebouwd kunnen worden als onderdeel van het bestaande hoofdgebouw. Als dat een gevoelig gebouw is, komt dat enkele meters dichter bij de immissiebron te liggen en is ook de aan- of uitbouw gevoelig voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. Een nieuwe mantelzorgwoning op dezelfde locatie is echter een aparte gebruiksfunctie en daarmee een apart gevoelig gebouw, en wordt door deze vangnetbepalingen uitgesloten van bescherming. Anders dan andere regels in hoofdstuk 2 van de Vangnetregeling kunnen de onderhavige nieuwe regels niet worden meegenomen als een gemeente een (al dan niet beleidsneutrale) omzetting van de met de bruidsschat overgedragen milieuregels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan wil doorvoeren. Het Bkl vereist op dit moment dat alle (potentiële) mantelzorgwoningen worden getoetst aan de milieuregels. Hoewel niet verwacht wordt dat die milieuregels objectief in de weg zullen staan aan het toelaten van mantelzorgwoningen op daarvoor geschikte achtererven of in bestaande gebouwen, moet de aanvaardbaarheid van geluid, trillingen, geur en slagschaduw volgens de huidige regels van het Bkl worden beoordeeld als deze mantelzorgwoningen worden toegelaten in het omgevingsplan, mede in relatie tot omliggende functies zoals bedrijven en infrastructuur. Dit is bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De regels in deze wijzigingsregeling zijn daarom geformuleerd als aanvulling op bepalingen over ‘eerbiedigende werking’ in de bruidsschat die ook in andere gevallen slechts van toepassing zijn totdat de bruidsschatregels worden omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het kabinet is overigens voornemens om in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te regelen dat mantelzorgwoningen vergunningvrij blijven. Het wijzigingsbesluit hiervoor is in consultatie geweest van 17 april tot 1 mei 2025.
Artikel 2.4g, eerste lid, aanhef en onder b, afwijking van artikel 22.272 bruidsschat
Dit lid corrigeert een inconsistentie tussen de afdelingen 22.3 en 22.4 van de bruidsschat. In afdeling 22.3 (artikelen 22.54, tweede lid, onder b, en 22.55, eerste lid) is een uitzondering gemaakt voor geluidgevoelige gebouwen die onder nieuw recht zijn toegelaten voor een periode van niet meer dan tien jaar. Die uitzondering ontbrak nog in afdeling 22.4 en wordt met onderdeel b alsnog van toepassing verklaard. Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen voor een duur van niet meer dan tien jaar wordt, zoals bepaald in artikel 5.78, tweede lid, van het Bkl, niet getoetst aan de standaard- en grenswaarden voor geluid. Omdat deze uitzondering voor gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen pas is ingevoerd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is deze net als de bestaande uitzonderingen in afdeling 22.3 niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten met toepassing van oud recht, zijnde de Wet geluidhinder. De formulering is gebaseerd op artikel 22.55, eerste lid, zij het dat hier de gevallen genoemd worden waarvoor de uitzondering geldt: geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan, behoudens het tijdelijke deel dat bestaat uit de voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen, of op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2.4g, tweede, derde en vierde lid, afwijking van artikel 22.272 bruidsschat
In artikel 22.272, tweede lid, van de bruidsschat zijn als het gaat om het aanleggen of wijzigen van een weg voorwaarden opgenomen waaronder een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid van dat artikel voor die aanleg of wijziging niet is vereist. Daarbij is beoogd om bepalingen uit de Wet geluidhinder neutraal om te zetten. Daarbij zijn echter in onderdeel f van genoemd artikellid enige omissies opgetreden die in artikel 2.4g, tweede, derde en vierde lid, van de Vangnetregeling worden hersteld. Deze artikelleden worden hierna in onderlinge samenhang toegelicht.
De achtergrond van artikel 2.4g, derde lid, dat betrekking heeft op de in artikel 22.272, tweede lid, onder 2° en 3°, genoemde waarde van 2 dB, is de volgende. In de Wet geluidhinder was in een begripsbepaling vastgelegd dat er sprake is van ‘reconstructie van een weg’ als de berekende geluidsbelasting vanwege een weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. In dat geval diende akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar maatregelen waarmee het geluid dat die de weg zal veroorzaken, de ten hoogste toelaatbare waarden niet te boven zou gaan. Bij een overschrijding van die ten hoogste toelaatbare waarden die (afgerond) gelijk is aan 2 dB was dus ook sprake van een ‘reconstructie van een weg’. Met de oorspronkelijke formulering van artikel 22.272, tweede lid, onder 2° en onder 3°, van de bruidsschat is het vergunningenvereiste uit het eerste lid van dat artikel bij een overschrijding die (afgerond) gelijk is aan 2 dB echter niet van toepassing. Dit verschil met de werking van de Wet geluidhinder was niet beoogd bij het opstellen van het artikel. Met de wijziging die volgt uit artikel 2.4g, derde lid, blijft het vergunningenvereiste van toepassing bij toename van de geluidbelasting met (afgerond) meer dan 1 dB, in welk kader op grond van artikel 22.274 van de bruidsschat een akoestisch onderzoek naar maatregelen om de geluidtoename weg te nemen verplicht is. Hiermee wordt deze regel in de bruidsschat gelijkgetrokken met de bepalingen zoals die golden onder de Wet geluidhinder.
De achtergrond van artikel 2.4g, tweede lid, dat betrekking heeft op artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 1°, van de bruidsschat, is de volgende. Op grond van dat onderdeel is het vergunningenvereiste uit het eerste lid van dat artikel niet van toepassing op het wijzigen van een weg als dit, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw, waarbij deze waarde moet worden gelezen als 2 dB meer dan de onder de Wet geluidhinder geldende voorkeurswaarde van 48 dB. Zoals hiervoor in de toelichting op artikel 2.4g, derde lid, al is gebleken, is het hanteren van de maatstaf ‘2 dB meer’ echter een onbedoelde verruiming ten opzichte van het toetsingskader dat onder de Wet geluidhinder gold. Een tweede element dat een rol speelt bij het omzetten van de bepalingen uit de Wet geluidhinder is het feit dat bij het bepalen van de heersende waarde van het geluid en van het geluid in de situatie na het wijzigen van de weg een andere rekenmethode moet worden gebruikt dan onder de Wet geluidhinder. Deze verandering van het rekenvoorschrift betekent dat het geluid van de wegen waarop afdeling 22.4 van de bruidsschat van toepassing is bij benadering 2 dB lager is dan met het oude rekenvoorschrift. Ten derde was met de oorspronkelijke formulering van artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 1°, van de bruidsschat geen rekening gehouden met het gegeven dat bij het toetsen aan de voorkeurswaarde op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder een aftrek werd toegepast vanwege het in de toekomst naar verwachting stiller worden van wegverkeer. Voor het overgrote deel van de wegen waarop afdeling 22.4 van de bruidsschat van toepassing is bedroeg die aftrek 5 dB. Analoog aan de correctie op hogere waarden die onder de Wet geluidhinder zijn vastgesteld, en die in artikel 2.4f, vierde lid, onder a, van deze Vangnetregeling wordt geregeld, geldt ook bij toetsing aan een waarde die zoals hiervoor is toegelicht aan de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder is ontleend rekening moet worden gehouden met het gegeven dat deze aftrek onder de Omgevingswet niet meer bestaat. Rekening houdend met deze aftrek, met het verschil tussen de rekenmethoden en met het begrip ‘reconstructie van een weg’, is daarom sprake van een neutrale omzetting van de bepalingen uit de Wet geluidhinder naar de bruidsschat wanneer het wordt toegestaan om een weg zonder omgevingsvergunning aan te leggen of te wijzigen als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw niet meer bedraagt dan 52 dB. Met de wijziging die volgt uit artikel 2.4g, tweede lid, wordt dit hersteld.
Artikel 2.4g, vierde lid, betreft een afwijking van artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 3°, van de bruidsschat voor gebouwen die op 1 januari 2007 waren toegelaten, en waarvoor niet eerder een hogere waarde is vastgesteld. Net als in artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 1°, van de bruidsschat wordt hiermee voor de wegen waarop afdeling 22.4 van de bruidsschat van toepassing is een neutrale voortzetting van een vergelijkbare bepaling onder de Wet geluidhinder beoogd. Met inachtneming van het verschil tussen de oude en de huidige rekenmethode zoals uiteengezet bij de toelichting op artikel 2.4g, tweede lid, wordt dit bereikt door de toetsing van de toename ten opzichte van de heersende waarde te beperken tot waardes die 3 dB hoger zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB die onder de Wet geluidhinder gold.
KKKKKKKKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikel 2.4h, afwijking van artikel 22.274 bruidsschat
Artikel 22.274 van de bruidsschat is een omzetting van bepalingen in de Wet geluidhinder in samenhang met artikelen van het Besluit geluidhinder die gaan over het akoestisch onderzoek dat de initiatiefnemer moet overleggen bij een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg. Daarbij is onbedoeld een verschil geïntroduceerd met artikel 99, tweede lid, van de Wet geluidhinder in het geval van een toename van (afgerond) 2 dB van het geluid vanwege andere wegen dan de te reconstrueren weg of te reconstrueren gedeelten daarvan. Met de wijziging dat wegen of wegdelen met een toename van het geluid van meer dan 1 dB ook tot het akoestisch onderzoek behoren dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, moet worden opgesteld, wordt deze omissie in de bruidsschat hersteld.
LLLLLLLLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.
Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:
Artikel 2.4i, afwijking van artikel 22.275 bruidsschat
Net als artikel 2.4a, eerste lid, onder b, corrigeert dit lid een inconsistentie tussen de afdelingen 22.3 en 22.4 van de bruidsschat. In afdeling 22.3 (artikel 22.54, tweede lid, onder c) is een uitzondering gemaakt voor niet-geluidgevoelige gevels. Die uitzondering ontbrak nog in afdeling 22.4 en wordt met onderdeel a alsnog van toepassing verklaard. De onderdelen b en c regelen – net als artikel 2.3a dat ook met deze wijzigingsregeling wordt ingevoegd – het overgangsrecht voor de niet-geluidgevoelige gevels waarover op grond van oud recht is besloten, te weten de zogenoemde ‘dove gevels’ van de Wet geluidhinder en gevels waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.
Het betreft hier uitzonderingen op de beoordelingsregel en geen uitzonderingen op de vergunningplicht. In het algemeen zal een geluidgevoelig gebouw met een niet-geluidgevoelige gevel immers ook andere gevels hebben die ook in het aandachtsgebied van de weg of spoorweg liggen. Het geluid op de wel geluidgevoelige gevels moet conform de geldende regelgeving beoordeeld worden.
MMMMMMMMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
concentratiegebied geurhinder en veehouderij
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
distributienet voor warmte
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
geurgevoelig object
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
gezoneerd industrieterrein
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
straatpeil
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
warmteplan
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Sinds 1 januari 2024 heeft Ridderkerk een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal Rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. In januari 2026 is de eerste wijziging omgevingsplan vastgesteld voor het thema Bodem.
Thematische wijziging Geur en Trillingen
Deze tweede wijziging van het omgevingsplan Ridderkerk is een thematische wijziging, waarbij er regels over activiteiten over geur en trillingen in het omgevingsplan worden gewijzigd en toegevoegd. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur en trillingen veroorzaakt door activiteiten op geur- en trillinggevoelige gebouwen. Deze regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau.
Het betreft een omzetting van regels uit de bruidsschat met inachtneming van de instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland en het lokale beleid.
In de Omgevingsvisie Ridderkerk is het volgende opgenomen over het thema geur:
Het voorkomen van ernstige geurhinder in onze gemeente.
Dit willen we bereiken door maatregelen bij de bron te nemen en door ervoor te zorgen dat woningen en bedrijfsactiviteiten op voldoende afstand van elkaar staan. Bij woningbouw houden we rekening met bestaande bedrijvigheid. Bedrijven behouden de ruimte om uit te breiden binnen hun huidige milieuruimte op eigen terrein zonder overlast te veroorzaken. We beschermen gebouwen met geurgevoelige functies, zoals woningen, werklocaties en zorg- en onderwijslocaties tegen onaanvaardbare geurhinder.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is voldoende om aan deze opgave te voldoen. Over het thema trillingen is niets opgenomen in de Omgevingsvisie Ridderkerk.
Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.
Wat hoort niet bij deze wijziging?
Ook bij milieubelastende activiteiten als voedselbereiding en horeca horen regels over geur. In één van de volgende wijzigingen worden deze activiteiten overgezet. De nu voorliggende regels richten zich vooral op geur van agrarische activiteiten en zuiveringstechnische werken.
Voor het onderwerp trillingen zijn regels beleidsarm overgezet uit de bruidsschat. Deze regels gaan alleen over het reguleren van trillingen veroorzaakt door bedrijfsmatige activiteiten. Deze regels gaan niet over trillingen veroorzaakt door bijvoorbeeld weg- of railverkeer. We hebben als gemeente nu ook geen beleid op trillingen veroorzaakt door weg- of railverkeer. Daardoor kan het ook niet beleidsarm overgezet worden. Dit zou dan een beleidsrijke wijziging zijn. Mocht in de toekomst blijken dat hier aanvullend beleid op nodig is, dan zal dit de beleidscyclus doorlopen en in een volgende wijziging van het omgevingsplan worden meegenomen.
Het doel van deze omgevingsplanwijziging voor geur en trillingen is het zorgen voor een gezonde leefomgeving. De regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau.
In het omgevingsplan zijn oogmerken ten aanzien van geur en trillingen opgenomen. De oogmerken vormen het kader voor de regels en sluiten aan bij de doelen van de Omgevingswet.
In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen met een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Een gebiedsaanwijzing is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met deze wijziging van dit omgevingsplan zijn er gebieden aangewezen voor het thema geur en trillingen.
Het betreft allereerst een aanwijzing van een bebouwingscontour geur. Deze contour is geometrisch begrensd en krijgt daarmee een juridische status. De bebouwingscontour geur is een voorzetting en concretisering van het in de Bruidsschat opgenomen begrip ‘bebouwde kom’. De instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving schrijven de toepassing van een bebouwingscontour ook voor.
Binnen de bebouwingscontour geldt een ‘hoge bescherming’ van geurgevoelige gebouwen voor activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken. Buiten deze contour geldt een ‘lage bescherming’ tegen geurhinder. Daarom is ervoor gekozen om gebieden met de functie woongebied en woonkern binnen de bebouwingscontour op te nemen. Gebieden met de functies bedrijventerrein en buitengebied worden buiten deze bebouwingscontour gehouden. De waarden en afstanden als opgenomen in de artikelen over de agrarische activiteiten en de rioolwaterzuiveringsinstallatie gelden ten opzichte van deze contour.
Daarnaast zijn er gebiedsaanwijzingen voor geur en trillingen opgenomen voor de aanwijzing van bestaande plattelandswoningen. Een plattelandswoning is een woning die voorheen een functionele binding had met een bedrijf. Als deze woning niet meer nodig is als bedrijfswoning, kan deze omgezet worden naar een plattelandswoning. Deze is dan te gebruiken als een gewone woning. De woning staat meestal dicht bij het bedrijf waar het eerder functioneel mee verbonden was. Daarom, kan er wel hinder zijn van dit bedrijf. Bij de plattelandswoningen gelden de afstanden en waarden voor geur en de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan door dit bedrijf niet. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur en trillingen, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven. Het toevoegen van de gebiedsaanwijzing plattelandswoning heeft als doel dat eenieder inzicht heeft in de locaties van deze woningen.
Hoofdstuk 7 van het omgevingsplan gaat over milieubelastende activiteiten (MBA’s). Met dit wijzigingsbesluit zijn regels over geur en trillingen aangepast en toegevoegd in de afdelingen 7.1 en 7.4.
Afdeling 7.1
In afdeling 7.1 is een paragraaf gewijzigd met regels die gelden voor alle milieubelastende activiteiten (7.1.1). Hierbij is het toepassingsbereik aangepast.
Daarnaast zijn twee paragrafen toegevoegd met regels over ‘Geur bij MBA’s’ (7.1.4) en ‘Trillingen bij MBA’s’ (7.1.5).
Paragraaf 7.1.4 Geur bij MBA’s
Deze paragraaf bevat regels over het toepassingsbereik, waar waarden en afstanden gelden en over functionele en voormalig functionele binding met bijbehorende gebiedsaanwijziging plattelandswoningen (zie ook hoofdstuk 3 van deze motivering). Daarnaast bevat het een artikel over de mogelijkheid tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift bij cumulatie van geur.
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.1.5 Trillingen bij MBA’s
Deze paragraaf bevat regels over het toepassingsbereik en waar waarden gelden, zowel voor continue trillingen als voor herhaald voorkomende trillingen. Daarnaast zijn er regels opgenomen over functionele en voormalig functionele binding met bijbehorende gebiedsaanwijziging plattelandswoningen (zie ook hoofdstuk 3 van deze motivering) en een artikel over eerbiedigende werking. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen over het beoordelen van meerdere activiteiten op één locatie die trillinghinder veroorzaken.
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Afdeling 7.4
In deze afdeling zijn negen paragrafen toegevoegd met inhoudelijke regels:
7.4.5 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan;
7.4.6 Gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong opslaan;
7.4.9 Groenafval composteren of opslaan;
7.4.10 Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan;
7.4.11 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor houden in een dierenverblijf;
7.4.12 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden houden in een dierenverblijf;
7.4.23 Vaste mest, champost of dikke fractie opslaan;
7.4.25 Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen exploiteren;
7.4.27 Zuiveringstechnische werken exploiteren.
Paragraaf 7.4.5 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan
Deze paragraaf gaat over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in één of meer mestbassins en het houden van voldoende afstand tot geurgevoelige objecten, als woningen. Er is een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Hiervoor gelden andere afstandseisen. Daarnaast geldt een vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3.
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Paragraaf 7.4.6 Gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong opslaan
Deze paragraaf gaat over het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. Dit materiaal wordt gebruikt als alternatief voor grond om planten in te kweken of dat afkomstig is van organische resten, vaak als deel van afvalverwerking in de tuinbouw en landbouw. Voorbeelden zijn kokosvezel, veen (turf), potgrond en compost. De paragraaf bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking).
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.4.9 Groenafval composteren of opslaan
Deze paragraaf gaat over het composteren of opslaan van groenafval vanaf 3 m3 en bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking).
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.4.10 Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan
Deze paragraaf gaat over het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Het bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. In deze paragraaf is ook een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking). Voor het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen geldt een informatieplicht en een aantal aanvullende voorschriften ter bescherming van de bodem en voor het lozen van vrijkomende vloeistoffen en afvalwater.
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.4.11 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor houden in een dierenverblijf
Deze paragraaf stelt regels voor geur voor het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor. Onder landbouwhuisdieren vallen zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken. Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor zijn bijvoorbeeld varkens en kippen. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat daarbij namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. De paragraaf bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. Daarnaast gelden voor deze gevallen ook waarden voor geur. In deze paragraaf zijn ook artikelen opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (eerbiedigende werking).
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.4.12 Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden houden in een dierenverblijf
Deze paragraaf stelt regels voor twee categorieën van activiteiten:
Regels voor geur voor het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. Onder landbouwhuisdieren vallen zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken. Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor zijn bijvoorbeeld melkveerunderen. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat daarbij namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden.
Regels voor geur voor paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
De paragraaf bevat regels voor beide categorieën over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. In deze paragraaf zijn ook artikelen opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (eerbiedigende werking).
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.4.23 Vaste mest, champost of dikke fractie opslaan
Deze paragraaf gaat over op het opslaan van:
vaste mest die afkomstig is van in een dierenverblijf gehouden landbouwhuisdieren of paarden en pony’s voor het berijden;
champost (het restproduct dat overblijft na de teelt van champignons);
dikke fractie.
Deze paragraaf bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen. Ook is een artikel opgenomen voor de gevallen die al bestonden voor 1 januari 2013 (eerbiedigende werking).
Voor het opslaan van vaste mest geldt:
een informatieplicht voor de start van deze activiteit;
een aantal aanvullende voorschriften ter bescherming van de bodem en voor het lozen van afvalwater;
een vergunningplicht voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
Paragraaf 7.4.25 Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen exploiteren
Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten. Het biologisch behandelen van mest draagt bij aan de omzetting van mest in hernieuwbare energie en meer waardevolle meststof. Het bevat regels over het houden van voldoende afstand tussen deze activiteit en geurgevoelige objecten, als woningen.
Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat en met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Paragraaf 7.4.27 Zuiveringstechnische werken exploiteren
Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk (rioolwaterzuiveringsinstallatie). De paragraaf bevat artikelen met geurnormen waaraan het zuiveringstechnisch werk moet voldoen. Hiermee wordt een goed leefklimaat gegarandeerd bij de naastgelegen geurgevoelige objecten, als woningen.
In de Bruidsschat staan regels voor een bestaand zuiveringstechnisch werk dat niet voldoet aan de waarden voor geur (eerbiedigende werking). In de gemeente is één zuiveringstechnisch werk aanwezig. Aan de hand van de vergunning is geconstateerd dat dit werk voldoet aan de voorgestelde waarden voor geur. Het opnemen van regels over een eerbiedigende werking is daarom niet nodig.
Met deze omgevingsplanwijziging zijn regels over geur en trillingen uit hoofdstuk 22 (de bruidsschat) overgezet naar andere hoofdstukken in het omgevingsplan of geschrapt. De regels zijn beleidsarm overgenomen, tenzij hiervoor anders aangegeven.
Overgezet naar andere hoofdstukken in het omgevingsplan:
Paragraaf 22.3.5 Trillingen bij MBA’s;
Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen
Subparagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf
Subparagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten
Subparagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken
Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest;
Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen;
Paragraaf 22.3.26, Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
De Omgevingswet verplicht de gemeente om na te gaan of de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan tot nadelige milieueffecten kan leiden. Is dat het geval, dan is een milieueffectrapportage (plan-mer) verplicht. Artikel 16.36 van de Omgevingswet wijst gevallen aan waarin het bevoegd gezag bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan verplicht is een plan-mer te doorlopen. Het artikel geeft ook aan in welke gevallen het bevoegd gezag kan volstaan met een plan-merbeoordeling.
Beslisschema
Als eerste stap in deze beoordeling is het ‘beslisschema plan-milieueffectrapportage’ op de IPLO-website doorlopen.
Stap 1: De voorliggende wijziging wordt aangemerkt als een wettelijk voorgeschreven plan.
Stap 2: Het plan kan ook een kader vormen voor besluiten voor projecten.
Stap 3: Het plan is niet kaderstellend voor mer-plichtige projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, uitkomend boven de drempel van kolom 2. Projecten van deze orde grootte worden in Ridderkerk niet mogelijk gemaakt.
Stap 4: Het plan is wel kaderstellend voor projecten, maar niet voor projecten die in kolom 1 van bijlage V Omgevingsbesluit staan.
Stap 6: Een passende beoordeling voor natuur is niet noodzakelijk, omdat de wijziging alleen ziet op regels over geur en trillingen. Deze zorgen niet voor achteruitgang van natuurwaarden.
Conclusie: Uitkomst van deze toetsing maakt dat een plan-merbeoordeling benodigd is.
Beknopte plan-merbeoordeling
Bij het beoordelen van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten wordt rekening gehouden met de kenmerken van het plan en de kenmerken van de effecten.
Kenmerken van het plan
De voorliggende wijziging voor geur en trillingen vormt geen kader voor de ligging, aard, omvang, maar wel voor gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere activiteiten. Het omvat het beleidsarm omzetten van regels uit de Bruidsschat over geuremissie van agrarische activiteiten en zuiveringstechnische werken en trillingen veroorzaakt door milieubelastende activiteiten. Deze regels leiden niet tot ingrijpende wijzigingen in de fysieke leefomgeving. De regels bepalen wel mede wanneer toestemmingen kunnen worden verleend of geweigerd. Het gaat dan met name om toestemmingen zoals de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit, vanwege de regels over geur of trillingen. De wijziging ziet niet op regels die zien op effecten op landschap, natuur of cultureel erfgoed. Daarnaast spelen binnen de gemeente op dit moment geen grote milieuproblemen op het gebied van geur en trillingen, die met deze wijziging opgelost moeten worden.
Kenmerken van de effecten
De wijziging omgevingsplan omvat het beleidsarm omzetten van regels over geur en trillingen uit de bruidsschat met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zoals in voorgaande hoofdstukken aangegeven betreft dit met name een voortzetting van geur- en trillingsregels uit het voormalig Activiteitenbesluit. De in dit besluit gehanteerde afstanden en waarden worden met deze wijziging niet aangepast. Dit maakt dat zowel aan de bronzijde als aan de zijde van de ontvanger geen wijzigingen optreden. Naast onze regels in het omgevingsplan staat de provincie Zuid-Holland in haar Omgevingsbeleid ook geen grote geuremitterende activiteiten (als grote veehouderijen) in onze gemeente toe. Dit omdat deze niet passen in de stedelijke omgeving. Dit maakt dat als gevolg van de voorgestelde wijziging geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn.
Conclusie
Voor de voorliggende wijziging is een beknopte plan-merbeoordeling opgesteld. Conclusie is dat door het vaststellen van deze omgevingsplanwijziging geen significante milieueffecten te verwachten zijn. Het opstellen van een plan-mer is daarom niet nodig.
DCMR voert in mandaat taken uit voor de gemeente ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij bedrijven. Hierbij controleren ze ook op de aspecten geur en trillingen. Door het vaststellen van deze wijziging wordt geen effect verwacht op de kosten voor DCMR. DCMR is nadrukkelijk bij de totstandkoming van de regels betrokken.
Bij besluitvorming over de vaststelling van deze wijziging moet de gemeenteraad laten weten hoe inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken. Ook moet vermeld worden wat we met de resultaten van participatie hebben gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit en wordt de motiveringsplicht genoemd. Bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging wordt een uitgebreid participatieverslag gevoegd dat daar invulling aan geeft. Hieronder een korte samenvatting daarvan.
Vooroverleg over het concept-ontwerpwijzigingsbesluit
In het kader van participatie worden de volgende partijen bij de voorbereiding van deze wijziging betrokken:
Provincie Zuid-Holland
Waterschap Hollandse Delta (WSHD)
Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR)
Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond (GGD)
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR)
Beleidsplatform Natuur, Milieu en Duurzaamheid
Gemeenten Hendrik Ido Ambacht, Zwijndrecht, Barendrecht en Rotterdam
Deze partijen zijn gekozen vanwege hun deskundigheid op het gebied van geur en trillingen bij milieubelastende activiteiten of vanwege hun directe belang of (mede)verantwoordelijkheid voor een goede leefomgevingskwaliteit.
De resultaten van de participatie worden verwerkt in een participatieverslag. Dit participatieverslag wordt als bijlage opgenomen bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan voor geur en trillingen.
Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpwijzigingsbesluit
P.M.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-184165.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.