Gemeenteblad van Hoorn
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoorn | Gemeenteblad 2026, 179968 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hoorn | Gemeenteblad 2026, 179968 | beleidsregel |
Beleidsregels inkomensregelingen gemeente Hoorn 2026
Hoofdstuk 1 Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hoorn
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Vermogen: Het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. Wanneer een aanvrager een toeslag alleenverdieners heeft ontvangen, of slachtoffer is van de toeslagenaffaire en hiervoor een schadevergoeding heeft ontvangen, wordt deze toeslag of schadevergoeding niet meegerekend bij het vermogen;
Artikel 3.1. Algemene uitgangspunten
Artikel 3.2. Bijzondere omstandigheden
Noodzakelijke kosten van het bestaan komen normaliter niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat wordt verwacht dat de aanvrager daarin kan voorzien door te sparen of een lening aan te gaan. Wanneer het college echter oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor niet van de aanvrager verwacht kan worden dat hij of zij voor deze noodzakelijke kosten had gereserveerd of hiervoor een lening aangaat, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt.
De kosten voor alimentatie, de betaling van een boete, geleden of toegebrachte schade, premiebetaling en medische kosten zoals genoemd in artikel 14 van de Participatiewet komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, behalve wanneer het college oordeelt dat er sprake is van een zeer dringende reden zoals bedoeld in artikel 16 van de Participatiewet.
Artikel 3.3. Voorliggende voorzieningen
Artikel 3.4. Hoogte van de bijzondere bijstand
Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de prijzengids van het Nibud en bij de tabel met maximumbedragen voor opknapkosten, stoffering en woninginrichting van artikel 7.2 lid 5.
Artikel 3.5. Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening
Artikel 5 Financiële draagkracht voor bijzondere bijstand
Artikel 5.1. Hoe is de draagkracht opgebouwd?
Wanneer de aanvrager een inkomen heeft boven de 120% van de bijstandsnorm en/of in het bezit is van vermogen, dan moet de gemeente vaststellen welk gedeelte van dat inkomen en/of vermogen de aanvrager zelf kan gebruiken om de kosten te betalen. Dit wordt de financiële draagkracht genoemd. Het deel dat de aanvrager niet zelf kan betalen, vergoedt de gemeente vanuit de bijzondere bijstand.
Artikel 5.1.1. Niet in aanmerking genomen toeslagen en bijdragen
Artikel 5.1.2. Beslag en schulden
Het college merkt het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven 120% van de toepasselijke bijstandsnorm aan als draagkracht, tenzij het gaat om woonkosten als bedoeld in artikel 8 van deze beleidsregels. In dat laatste geval merkt het college het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de bijstandsnorm volledig aan als draagkracht.
In afwijking van het gestelde in de voorgaande leden van dit artikel kan bij de vermogensvaststelling in incidentele gevallen de (meer)waarde van motorvoertuigen buiten beschouwing worden gelaten als het motorvoertuig/de motorvoertuigen onmisbaar is/zijn in verband met werk en/of invaliditeit en verkoop van het motorvoertuig in redelijkheid niet kan worden gevergd.
Artikel 5.1.5. Overige bepalingen
Artikel 5.2. Draagkracht uit inkomen en vermogen en draagkrachtperiode
De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1 en is dan geldig voor een periode van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de kosten waarvoor de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, indien sprake is van variabele inkomsten, zoals inkomsten uit arbeid, alimentatie, AOW met pensioen of uitkeringen (waaronder WW of ZW).
De draagkracht wordt berekend zoals is beschreven in artikel 5.1. en is dan geldig voor een periode van zesendertig maanden, te rekenen vanaf de datum van toekenning van de kosten waarvoor de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, indien sprake is van vaste inkomsten zoals AOW zonder pensioen, IOAW, IOAZ en Wajong.
3. De draagkrachtberekening zoals genoemd in lid 1 wordt gemaakt met het inkomen en het vermogen zoals die op het moment van de aanvraag aanwezig zijn. Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. De draagkracht wordt opnieuw berekend en vastgesteld als er sprake is van een substantiële financiële wijziging. Een inkomens- en/of vermogensdaling of -stijging die leidt tot meer of minder recht op bijzondere bijstand, geldt als een substantiële financiële wijziging.
Artikel 7 Veel voorkomende kostensoorten
Artikel 7.1. Duurzame gebruiksgoederen
Artikel 7.2. Verhuizing en woninginrichting
Het college verstrekt bij een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing binnen de gemeente bijzondere bijstand voor het vervoer van huisraad, de woonlasten van de nieuwe woning als er sprake is van dubbele woonlasten, de kosten huurovereenkomst, de waarborgsom, opknapkosten, stoffering en woninginrichting. Het college verstrekt bij een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing naar een andere gemeente alleen bijzondere bijstand voor de kosten van het vervoer van de huisraad.
Artikel 7.3. Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in een detentie
Artikel 7.4. Kosten voor medisch, psychisch of leeftijd gerelateerde beperkingen
Voor de kosten van een uitvaart in Nederland kunnen de nabestaanden bijzondere bijstand aanvragen, wanneer hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om deze kosten te dekken. De nabestaanden kunnen ieder voor zich in hun woonplaats bijzondere bijstand aanvragen voor hun aandeel in de kosten.
Artikel 7.6. Rechtsbijstand en griffierecht
Voor de kosten van rechtsbijstand bij het voeren van een procedure die voor rekening komen van de inwoner (griffierecht, de eigen bijdrage rechtshulp, en andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak) wordt bijzondere bijstand verstrekt. Hierbij geldt als voorwaarde een door de Raad voor Rechtsbijstand verstrekte toevoeging waaruit nut of noodzaak van een te voeren procedure blijkt.
In afwijking van artikel 4 lid 3 van deze beleidsregels verstrekt het college bijzondere bijstand met terugwerkende kracht tot maximaal 3 maanden nadat de kantonrechter een uitspraak overeenkomstig titel 16, titel 19 en/ of titel 20 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan of na de afgiftedatum van de kosten van griffierecht.
Artikel 7.7. Bewindvoering, curatele en mentorschap
Voor de kosten van een curator, bewindvoerder en mentor kan bijzondere bijstand worden aangevraagd als de rechtbank het bewind heeft uitgesproken. Wanneer de aanvraag voor deze kosten is gedaan binnen drie maanden na de datum van de uitspraak door de rechter, wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de ingangsdatum van de bewindvoering, mentorschap of curatele. Voor deze aanvragen telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum als de bewindvoerder is benoemd tussen de 1e en de 15e van die maand, of de 16e dag van de maand als de bewindvoerder is benoemd tussen de 16e en het einde van de maand.
Wanneer het een aanvraag tot verlenging betreft, kan er niet met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verleend. De bewindvoerder dient tijdig voor afloop van de toekenningsperiode een aanvraag tot verlenging in te dienen, zodat de nieuwe toekenning kan aansluiten. Doet de bewindvoerder dit niet tijdig, dan is de aanvraagdatum van de nieuwe aanvraag de ingangsdatum van de nieuwe toekenning.
Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke budgettering aan die- gene die geen betalingen kan verrichten als gevolg van psychische en/of sociale problemen en die wegens omstandigheden geen gebruik kan/wil maken van het voorliggende budgetbeheer van de schuldhulpverleningsorganisatie. Het maximumbedrag is € 80 per maand.
Wanneer een onder bewind, mentorschap of curatele gestelde burger een inkomen op op 120% van de bijstandsnorm heeft, wordt bijzondere bijstand verstrekt voor het loon van de bewindvoerder, mentor of curator en voor de eenmalige extra kosten. Deze eenmalige extra kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als deze zijn bekrachtigd door de rechter. Berekening van een hoger tarief vanwege problematische schulden is toegestaan wanneer de rechtbank dit in de beschikking heeft opgenomen.
Het college verstrekt bijzondere bijstand voor noodzakelijke reiskosten buiten de gemeente Hoorn die verband houden met bijzondere familieomstandigheden. Dit zijn bijvoorbeeld reiskosten voor bezoek aan partner/ echtgenoot en familie (eerste en tweede graad) die wordt verpleegd, verzorgd, uit huis is geplaatst of is gedetineerd.
Het college verstrekt bijzondere bijstand aan een statushouder die deelneemt aan een inburgeringstraject in het kader van de Wet inburgering en daarvoor noodzakelijke reiskosten maakt naar een opleidingsinstituut buiten de gemeente Hoorn. Dit geldt ook voor de reiskosten in verband met examens als die buiten de gemeente Hoorn moeten worden afgelegd.
Artikel 7.9 Bijzondere bijstand voor overbrugging
Artikel 8.1 Uitgangspunten woonkostentoeslag
Als een inwoner een woning huurt onder de huurtoeslaggrens, maar nog geen recht op huurtoeslag heeft, kan tijdelijk bijzondere bijstand worden verleend; De leeftijdsgrens gaat per 1 januari 2026 van 23 naar 21 jaar. Dit artikel geldt dus voor bijvoorbeeld een jongere van 20 jaar. We hebben hier geen limiet aan zitten omdat je vanaf 21 jaar wel recht gaat hebben op huurtoeslag.
Artikel 9. Collectieve zorgverzekering
Inwoners van Hoorn met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm en een vermogen tot de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet kunnen gebruik maken van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering via de gemeente. Deze verzekering biedt de dekking van de basisverzekering en de vergoedingen vanuit een aanvullend pakket. De gemeente betaalt mee aan de premie.
Hoofdstuk 2 Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag
Artikel 13. Referteperiode statushouders
In het kader van artikel 36 Participatiewet wordt voor statushouders de periode van verblijf in het buitenland betrokken bij de vaststelling van de referteperiode die geldt voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag.
Deze periode wordt slechts in aanmerking genomen indien de aanvrager aannemelijk maakt dat gedurende het verblijf in het buitenland geen sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet, noch van vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet, en dat evenmin sprake was van een reëel en concreet perspectief op inkomensverbetering.
Artikel 19 Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Wanneer het medisch advies of de persoonlijke situatie van aanvrager daartoe aanleiding geeft, zal binnen de daartoe in het advies opgenomen termijn, of bij het ontbreken daarvan een redelijke termijn, een nieuw medisch advies worden gevraagd om te beoordelen of aanvrager nog aan de voorwaarden voldoet als bedoeld in artikel 14.
Hoofdstuk 5 Beleidsregels Kindpakket
De onder lid 2 sub d bedoelde mogelijkheid tot het verkrijgen van een computer, kan ééns in de vijf jaar voor kinderen van 4 tot 18 jaar oud worden verstrekt, waarbij maximaal 3 computers binnen één gezin worden verstrekt zolang tot dat gezin meer dan drie kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar behoren.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
In bijzondere gevallen kan door het college worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels, als er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn.
Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze Beleidsregels. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze beleidsregels.
Artikel 2 - Juridische grondslag
Lid 3: In een aantal gevallen staat achter bedragen in deze beleidsregels een peiljaar genoemd of wordt er verwezen naar een wetsartikel. Dit lid 3 zorgt ervoor dat in latere jaren steeds de bedragen en percentages van het desbetreffende jaar van toepassing zijn.
Artikel 3.1 - Algemene uitgangspunten
In paragraaf 2.2 (artikelen 11 tot en met 16) van de Participatiewet staan de algemene voorwaarden voor het recht op (bijzondere) bijstand.
Artikel 3.2 - Bijzondere omstandigheden
Uit artikel 35 Participatiewet (Individuele en categoriale bijzondere bijstand) vloeit voort dat bij een aanvraag om bijzondere bijstand altijd de volgende 4 vragen in een dwingende volgorde moeten worden beantwoord, om vast te stellen of recht bestaat op bijzondere bijstand:
Lid 1: Geeft aan dat het alleen mogelijk is bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke kosten wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden.
Lid 2: Voor kosten die als algemene noodzakelijke kosten worden beschouwd, geldt in principe dat de aanvrager deze zelf moet betalen, door hiervoor te sparen (de reserveringsplicht) of door gebruik te maken van een lening. Het is afhankelijk van de individuele situatie van de aanvrager of de omstandigheden, en daarmee de kosten, als bijzonder en als noodzakelijk kunnen worden beschouwd.
Lid 3: Beschrijft een aantal kostensoorten waarvan wettelijk bepaald is dat deze niet noodzakelijk zijn, maar deze opsomming is niet limitatief. Voor deze kostensoorten is dus geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij hier een zeer dringende reden voor is.
Artikel 3.3 - Voorliggende voorzieningen
Artikel 15 van de Participatiewet bepaalt dat er geen recht op bijstand bestaat wanneer de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die toereikend en passend is. Het recht op bijzondere bijstand geldt ook niet voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden beschouwd. Dit is bijvoorbeeld het geval als er in de voorliggende voorziening een vergoeding gemaximeerd is op een bepaald bedrag.
Artikel 3.4 - Hoogte van de bijzondere bijstand
Voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand hanteren we de richtbedragen van de landelijke Prijzengids voor de bijzondere bijstand van het NIBUD. Een uitzondering hierop zijn de kosten voor woninginrichting, stoffering en opknapkosten. Hiervoor zijn in artikel 7.2 lid 5 andere normbedragen vastgesteld.
Artikel 3.5 - Bijzondere bijstand als gift of in de vorm van een lening
Lid 1: Bijzondere bijstand wordt in principe verstrekt als gift. Artikel 48 tweede lid van de Participatiewet biedt echter de mogelijkheid om in een aantal gevallen bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een lening . In Hoorn verstrekken we bijzondere bijstand in de vorm van een lening in de volgende gevallen:
Lid 2 b: wanneer iemand bijzondere bijstand aanvraagt, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende geld zal beschikken om zelf in de gevraagde kosten te voorzien;
Lid 2c en lid 3: Het komt voor dat bijstandsverlening onvermijdelijk is, maar dat de oorzaak daarvan de aanvrager is aan te rekenen. Er is dan sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarbij de aanvrager door eigen toedoen in een situatie raakt die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. In deze gevallen kan de bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening. Alleen wanneer de aanvrager in zwaar problematische financiële omstandigheden dreigt te raken (denk hierbij aan hoge schulden, dreigende huisuitzetting) kan het college ervoor kiezen om de bijzondere bijstand toch als gift te verstrekken, maar dan alleen voor de strikt noodzakelijke kosten. In deze gevallen geldt het 4-ogenprincipe waarbij de beoordeling door twee personen wordt gedaan.
Artikel 4 - Indienen van een aanvraag
Lid 3: Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend vóórdat de kosten worden gemaakt. Hierop zijn twee uitzonderingen, deze staan in artikel 7.6 (Rechtsbijstand en griffierecht) lid 3 en 4 en artikel 7.7. (Bewindvoering, curatele en mentorschap) lid 1.
Artikel 5.1 – Hoe is de draagkracht opgebouwd?
Lid 2: Om werkende ouder(s) te stimuleren aan het werk te blijven, wordt de eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang bij het berekenen van de draagkracht buiten beschouwing gelaten. Zou deze eigen bijdrage niet buiten beschouwing worden gelaten, dan zou dat nadelig zijn voor de werkende ouder(s).
Artikel 5.1.2 – Beslag en schulden
Lid 1:. Naar aanleiding van een uitspraak van de rechter is de berekening van draagkracht voor bijzondere bijstand iets uitgebreid (ECLI:NL:RBAMS:2022:5913). Deze uitbreiding houdt in dat niet alleen aanvragers met een inkomen waarop beslag ligt, geacht worden geen draagkracht te hebben, maar dat ook aanvragers die aannemelijk kunnen maken dat op korte termijn beslag wordt gelegd, worden geacht geen draagkracht te hebben.
Lid 2: Er bestaat een verschil tussen de draagkrachtberekening voor de bijzondere bijstand en het vrij te laten bedrag bij een (minnelijke) schuldsanering. Een gevolg hiervan kan zijn dat voor sommige aanvragers de aanvraag bijzondere bijstand zou moeten worden afgewezen, terwijl zij volgens de berekening van de Kredietbank of de WSNP géén bestedingsruimte hebben boven het vrij te laten bedrag. Dit doet zich met name voor bij aanvragers die een hoger inkomen hebben dan bijstandsniveau. Door het opnemen van lid 2 wordt dit probleem ondervangen.
Lid 1: De Participatiewet geeft in artikel 31, tweede lid, aan dat inkomensbestanddelen zoals de huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag e.d. niet moeten worden meegerekend bij de vaststelling van (algemene) bijstand. Aangezien deze inkomensbestanddelen als voorliggende voorziening worden beschouwd (zie artikel 3.3. lid 2 van deze beleidsregels) moeten ze bij de draagkrachtberekening niet opnieuw worden meegenomen.
Lid 2: Woonkosten zijn kosten die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden betaald. Al het inkomen boven bijstandsniveau wordt daarom als draagkracht gezien.
Lid 1: Wanneer het vermogen van de aanvrager lager is dan de vermogensgrenzen die worden genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet (2026: voor een alleenstaande: € 8.000 voor een echtpaar of alleenstaande ouder: € 16.000), wordt het niet meegerekend bij de berekening van de draagkracht voor bijzondere bijstand.
Lid 2 t/m 8: Er wordt aangesloten bij de Beleidsregel Vermogen, giften en overige middelen WerkSaam Westfriesland, artikel 6. Hiermee wordt voorkomen dat er andere regels gehanteerd worden voor de bijstand of de bijzondere bijstand.
Lid 2: is vastgelegd dat motorvoertuigen met een gezamenlijke waarde tot € 5.000,- buiten beschouwing worden gelaten bij de vermogensvaststelling. Deze vrijlating voorkomt dat cliënten met een voertuig van beperkte waarde worden geconfronteerd met gevolgen voor het recht op bijstand, aangezien een motorvoertuig in veel gevallen noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren en daarom als algemeen gebruikelijk wordt gezien.
Lid 3: regelt dat, indien de gezamenlijke waarde van motorvoertuigen hoger is dan € 5.000,-, uitsluitend het meerdere boven deze grens als vermogen wordt aangemerkt. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van een gedeeltelijke vrijlating tot het vastgestelde bedrag.
Lid 4: Motorvoertuigen die ouder zijn dan 10 jaar worden geacht volledig te zijn afgeschreven en tellen niet mee bij de waardebepaling. Dit beoogt een praktische en uitvoerbare benadering, omdat oudere voertuigen doorgaans een beperkte economische waarde hebben. Hierbij wordt een uitzondering gemaakt voor voertuigen, die gelet op het merk en type, een waarde boven de € 5.000 vertegenwoordigen. In deze gevallen geldt de in lid 2 genoemde vrijlating.
Lid 5: biedt ruimte voor maatwerk. In incidentele gevallen kan het college besluiten om de (meer)waarde van een motorvoertuig geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te laten wanneer het voertuig onmisbaar is in verband met werk of invaliditeit en wanneer verkoop redelijkerwijs niet van de cliënt kan worden verlangd. Hierbij vindt altijd een individuele beoordeling plaats.
Lid 6: regelt dat voor een objectieve en uniforme vaststelling van de waarde van auto’s en motoren wordt gebruikgemaakt van de ANWB Koerslijst. Dit bevordert rechtsgelijkheid en voorkomt discussie over de waarde van motorvoertuigen. Wanneer een type auto niet op de Koerslijst staat (dit is vaak bij bedrijfsauto’s het geval) gebruik kan worden gemaakt van Autotrader of vergelijkbare sites.
Lid 7: bepaalt dat motorvoertuigen die in het maatschappelijk verkeer worden aangemerkt als klassieker niet automatisch als afgeschreven worden beschouwd. In deze gevallen wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatierapport van een erkend taxateur, omdat klassieke voertuigen een (aanzienlijke) waarde kunnen vertegenwoordigen ondanks hun leeftijd.
Lid 8: Een caravan of boot zijn bezittingen die meetellen bij het bepalen van het vermogen. Er is een uitzondering. Dat is als de cliënt de caravan of boot gebruikt als hoofdverblijf. Dat is vaak het geval bij een woonwagen en woonboot of –schip. In dat geval geldt de vrijlating voor een eigen woning. Deze staat in artikel 34, lid 2, onderdeel e van de wet. Voor de vaststelling van de waarde van een caravan of boot gaan we uit van de waarde in het economisch verkeer. Dit is de prijs die bij vrije verkoop redelijkerwijs kan worden verkregen. Via marktvergelijking kunnen wij de waarde bepalen. Hiervan kijken we naar vergelijkbare caravans of boten op Marktplaats.nl, Botentekoop.nl of andere caravan- en botenhandelsites. Daarbij wordt de laagste reële verkoopwaarde als uitgangspunt genomen.
Lid 9: Wanneer de aanvrager vermogen heeft dat meer is dan de vermogensvrijlating die wordt genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatiewet, dan rekent de gemeente dit meervermogen volledig mee bij de berekening van de draagkracht.
Artikel 5.1.5 – Overige bepalingen
Lid 1: De draagkracht wordt vastgesteld op basis van het laatst bekende inkomen en wordt dan voor een jaar vastgesteld.
Net als bij aanvragers met wisselende inkomsten uit loondienst gaan we bij zelfstandigen, waaronder ZZP’ers, uit van de laatste drie maanden aan inkomsten indien de aanvrager de hoogte van dit inkomen in redelijkheid kan doorgeven bij de aanvraag. Soms is dit echt niet mogelijk, bijvoorbeeld wanneer de aanvrager geen goed inzicht heeft in het inkomen of wanneer er sprake is van lange betaaltermijnen en zeer wisselende kosten. Dan kan ervoor worden gekozen om uit te gaan van het inkomen zoals vermeld in de belastingaangiftes over het meest recente afgesloten kalenderjaar.
Lid 2: Bij de berekening van de draagkracht wordt het inkomen en vermogen van andere inwoners of kostendelers niet meegeteld.
Artikel 5.2 - Draagkracht uit inkomen en vermogen en draagkrachtperiode
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt het college het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking worden genomen.
Lid 1: De draagkracht berekend vanaf de toekenningsdatum. Een (periodieke) toekenning gaat dan ook in vanaf de toekenningsdatum van de kosten.
Lid 2:. Het komt bij Wajongers die in een inrichting verblijven voor dat er sprake is van draagkracht.
In deze gevallen ken je de bijzondere bijstand toe voor 12 maanden en geen 36 maanden.
Lid 3: Wanneer er sprake is van een substantiële financiële wijziging op grond waarvan de draagkracht opnieuw moet worden berekend is afhankelijk van de individuele situatie en wordt naar inzicht van het college bepaald. Een substantiële financiële wijziging is een wijziging waarvan de aanvrager redelijkerwijs had moeten weten dat deze wijziging van invloed is op het recht op bijzondere bijstand.
Lid 4: Als er draagkracht uit inkomen en vermogen is, wordt de volgende volgorde aangehouden voor de verrekening. De draagkracht uit vermogen moet als eerste worden verrekend. Dat is namelijk geld waar iemand nu al over beschikt. Vervolgens verreken je de draagkracht uit het inkomen..
Artikel 35 lid 2 Participatiewet geeft de gemeente de mogelijkheid een drempel te stellen, wat wil zeggen dat bedragen onder een bepaalde hoogte niet worden vergoed. De gemeente Hoorn hanteert geen drempel voor de bijzondere bijstand.
Artikel 7.1 - Duurzame gebruiksgoederen
Lid 1: Van de aanvrager wordt verwacht dat hij of zij voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen geld reserveert, of gebruik maakt van een lening. Als er sprake is van een schuldensituatie wordt de bijstand als gift verstrekt.
Artikel 7.2 – Verhuizing en woninginrichting
Lid 1 en 2: Voorbeelden van een verhuizing in een bijzondere situatie zijn:
Lid 3: Personen die vanuit zo’n situatie een zelfstandige woning betrekken, zijn in de meeste gevallen niet in staat geweest om geld te reserveren voor de noodzakelijke kosten die met het betrekken van een nieuwe woning gepaard gaan. Om die reden wordt bijzondere bijstand verstrekt. De kosten van woninginrichting zijn algemeen duurzame gebruiksgoederen die vanuit het inkomen of vermogen moeten worden betaald (door reservering) en worden als leenbijstand verstrekt. Bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd uitgegaan van de goedkoopste oplossing.
Artikel 7.3 – Doorbetaling van vaste lasten bij verblijf in detentie
Lid 2: Gedetineerden hebben volgens artikel 13 van de Participatiewet geen recht op bijstand. Het college heeft besloten dat bijzondere bijstand mogelijk is voor de kosten van het aanhouden van de woning tijdens een detentieperiode van maximaal drie maanden. Dit met het doel om het huis te kunnen behouden en verdere problemen te voorkomen. De verstrekking van de bijzondere bijstand is ook voor de duur van maximaal drie maanden.
Artikel 7.4 – Kosten voor medisch, psychisch of leeftijd gerelateerde beperkingen
Lid 1: In dit artikel is opgenomen dat onder voorwaarden wel bijzondere bijstand mogelijk is voor pedicurekosten, de eigen bijdrage voor kosten van noodzakelijke maaltijdvergoeding (beide op declaratiebasis) en voor de servicekosten voor inwoners van een verzorgingshuis. Dit is dus in de gevallen als de zorgverzekeraar geen vergoeding biedt.
Lid 1: De kosten voor een uitvaart kunnen sterk variëren. Er wordt rekening gehouden met de persoonlijke voorkeur van de aanvragers tot een maximumbedrag van € 4.200.
Artikel 7.6 - Rechtsbijstand en griffierecht
Lid 1: Denk bij andere noodzakelijke kosten in verband met de rechtszaak bijvoorbeeld aan reiskosten, kosten van de dagvaarding, en kosten van getuigen of deskundigen.
Lid 2: In een beroepszaak kan de rechter contra-expertise vorderen. Deze kosten worden dan door justitie gedragen en komen daarom niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking.
Artikel 7.7 - Bewindvoering, curatele en mentorschap
lid 1 en 2: Normaliter moet bijzondere bijstand van te voren worden aangevraagd (zie art. 4). Omdat de bewindvoerder, mentor of curator pas kennis kan nemen van de hoogte van het inkomen van de onder bewind gestelde na de uitspraak van de rechter en na inventarisatie en beoordeling van de financiële gegevens, is het redelijk dat deze aanvragen voor bijzondere bijstand, en de verlenging hiervan, met enige terugwerkende kracht, namelijk drie maanden, kunnen worden gedaan.
Lid 4: Bij de WSNP wordt de bewindvoerder uit de boedel betaald, dus is er geen bijzondere bijstand mogelijk.
Er wordt geen bijzondere bijstand verleend voor reiskosten die te maken hebben met (re)integratie. Deze kunnen worden voldaan vanuit het participatiebudget.
Er wordt altijd uitgegaan van het goedkoopste alternatief. Als het gaat om reizen per auto, wordt aan- gesloten op de kilometervergoeding van de Belastingdienst. In geval van carpoolen wordt de hoogte van de bijstand afgestemd op het aantal carpoolers. Op declaratiebasis.
In het geval van noodzakelijke reiskosten die een statushouder heeft naar een opleidingsinstituut, wordt vooraf het lesrooster overhandigd.
Artikel 7.9 Bijzondere bijstand voor overbrugging
Lid 1: In sommige gevallen komt iemand in financiële nood als een onvoorzienbare gebeurtenis leidt tot het plotseling wegvallen van inkomen en iemand niet over reserves beschikt. Er kan dan bijzondere bijstand worden verstrekt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is ter over- brugging van een bepaalde periode totdat iemand een uitkering voor levensonderhoud ontvangt.
Lid 2: De hoogte van de overbrugging is maximaal de toepasselijke bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag. Deze wordt vastgesteld op het noodzakelijke bedrag.
Lid 3: De overbrugging wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de lening om niet moet worden verstrekt. Bij inwoners die aan hun inburgeringsplicht voldoen is sprake van bijzondere omstandigheden, de overbrugging wordt om niet verstrekt.
Vanaf 2026 wordt de Huurtoeslag veranderd: meer mensen krijgen recht op deze toeslag. Wat is er veranderd:
Vanaf 2026 kan met een hogere huur ook huurtoeslag aangevraagd worden. Dit kan als iemand aan alle andere voorwaarden van de huurtoeslag voldoet, zoals:
De hoogte van de huurtoeslag wordt wel berekend met de maximale huur. In 2026 is deze maximale huur € 932,93 en voor jongeren tot 21 jaar is dat € 498,20. Bij een lagere huur wordt de huurtoeslag berekend met de huur die iemand nu betaalt.
Huurders hebben straks te maken met twee instanties: de Belastingdienst voor de huurtoeslag en de gemeente voor eventuele aanvulling.
Artikel 8.1 - Uitgangspunten woonkostentoeslag
Lid 1: De woonkostentoeslag is bedoeld voor de woonkosten van een woning.
Lid 2: Voor de huurtoeslag geldt vanaf 2026 een nieuwe leeftijdsgrens voor jongeren: 21 jaar. In 2025 is deze leeftijdsgrens nog 23 jaar. Jongeren onder de 18 jaar hebben geen recht op huurtoeslag behalve bij uitzondering.
Er wordt gekeken naar de oudste bewoner van het huishouden. Woont er iemand van 20 samen met iemand van 25? Dan telt de hogere huurgrens en dus niet die voor jongeren.
Lid 4: Aan toekenning en eventuele verlenging van een woonkostentoeslag is de verplichting verbonden dat de aanvrager zijn of haar best doet om goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de woonkosten omlaag te brengen.
Lid 5: Met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt bedoeld dat iemand bijzondere bijstand aanvraagt terwijl dit te vermijden was. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarbij de aanvrager door eigen toedoen in een situatie raakt die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. In deze gevallen kan de bijzondere bijstand worden verstrekt in de vorm van een lening.
Artikel 9 - Collectieve zorgverzekering
De Participatiewet (artikel 35, derde lid) biedt de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken in de vorm van een collectieve zorgverzekering of een tegemoetkoming in de premie daarvoor. Hoorn biedt zo’n collectieve zorgverzekering aan voor inwoners van Hoorn met een inkomen dat lager of gelijk is aan 120 % van de bijstandsnorm.
De collectieve zorgverzekering biedt tegen een gereduceerde premie een verplichte basisverzekering aan in combinatie met een aanvullende zorgverzekering. Iedereen die aan de inkomensvoorwaarde voldoet kan zonder medische keuringen deelnemen.
De wettelijke eigen bijdrage is iets anders dan het verplicht eigen risico. Het verplicht eigen risico geldt voor alle verzekerden. Dit bedrag wordt jaarlijks door de verzekeraar bepaald en moet door de verzekerde zelf worden betaald.
Toelichting Hoofdstuk 2 Beleidsregels Individuele Inkomenstoeslag
Artikel 10. Voorwaarden individuele inkomenstoeslag
Iedere aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de criteria in artikel 36 van de Participatiewet en die in de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet, maar ook op de vraag of er sprake is van uitzicht op inkomensverbetering en ook op de verrichte inspanningen om tot inkomensverbetering te komen. Bij elke aanvraag dienen dan ook de krachten en bekwaamheden van de aanvrager (en eventuele partner) en de inspanningen die aanvrager heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen, in ogenschouw te worden genomen. Als dit is beoordeeld, kan pas worden vastgesteld of de aanvrager (en/of de eventuele partner) uitzicht heeft op inkomensverbetering. Alleen als daar geen uitzicht op is en er wordt voldaan aan de overige voorwaarden voortvloeiend uit artikel 36 van de wet, de bepalingen in de verordening en in de beleidsregels, is er recht op de individuele inkomenstoeslag.
Als in de periode van 12 maanden voorafgaand aan de peildatum geen boete- en/of maatregelwaardige gedragingen hebben plaatsgevonden wordt ervan uitgegaan, dat er voldoende inspanningen zijn geleverd.
ls één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13 lid 1 van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in artikel 4 lid 2 van de verordening Inkomenstoeslag.
Artikel 11. Recht op individuele inkomensverbetering
Personen met een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, die de hieraan verbonden verplichtingen in voldoende mate zijn nagekomen, worden geacht voldoende inspanningen te hebben geleverd om tot inkomensverbetering te komen.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (zoals bij artikel 9, lid 5, Participatiewet) is hij of zij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen1 per uur (zie artikel 4 van de wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen). Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterde situatie. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Een volledig duurzaam arbeidsongeschikte heeft per definitie geen uitzicht op betaalde arbeid en de daarmee samenhangende inkomensverbetering. Een persoon die op de peildatum een ontheffing van de arbeidsverplichting heeft gekregen heeft ook geen zicht op inkomensverbetering.
Een studie kan op termijn uitzicht geven op inkomensverbetering.
Dit artikel is geen limitatieve opsomming.
1 Het maatmaninkomen is het loon dat iemand zou verdienen als die persoon niet ziek of arbeidsongeschikt was geworden
Lid 1: Een verzoek voor een Individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.
Lid 2 + 3: ls er na een jaar sprake van ongewijzigde omstandigheden en bestaat er volgens de gemeente opnieuw een aanspraak op een bijdrage, dan kan deze bijdrage ambtshalve worden verleend. Dit beperkt de administratieve lasten en bevordert een snelle afhandeling.
Artikel 13 Referteperiode statushouders
In het kader van artikel 36 Participatiewet wordt voor statushouders de periode van verblijf in het buitenland betrokken bij de vaststelling van de referteperiode die geldt voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag.
Deze periode wordt slechts in aanmerking genomen indien de aanvrager aannemelijk maakt dat gedurende het verblijf in het buitenland geen sprake was van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet, noch van vermogen als bedoeld in artikel 34 Participatiewet, en dat evenmin sprake was van een reëel en concreet perspectief op inkomensverbetering.
Indien aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de periode van verblijf in het buitenland aangemerkt als periode waarin het inkomen niet hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm en waarin geen uitzicht bestond op inkomensverbetering, zoals vereist voor toekenning van de individuele inkomenstoeslag.
Toelichting Hoofdstuk 3 Beleidsregels Studietoeslag
Doel van de studietoeslag is om jongeren met een structurele medische beperking die niet kunnen
bijverdienen naast hun studie, een extra (financiële) steun in de rug te bieden. Dat moet ertoe leiden dat meer mensen met een arbeidsbeperking gaan studeren en daarmee een betere kans op de arbeidsmarkt hebben.
Vanaf 1 april 2022 is de regeling van de studietoeslag in de Participatiewet gewijzigd. Uit onderzoek bleek namelijk dat het doel van de regeling niet altijd werd bereikt, omdat de studietoeslag in sommige gemeenten (te) laag was of er te strenger voorwaarden golden.
De aangepaste studietoeslag met minimumbedragen trad op 1 april 2022 in werking. De bedragen voor de studietoeslag en de vrijlating van de stagevergoeding zijn uitgewerkt in een AMvB. Het college verstrekt studietoeslag op grond van het nieuwe artikel 36b van de Participatiewet. Op 28 maart 2024 heeft de Raad de beleidsnota ‘Gelijke kansen voor een zeker bestaan’ vastgesteld. Daarin is afgesproken om de voorwaarden en uitvoering van de studietoeslag aan te passen naar het wettelijk minimum. Met deze nieuwe beleidsregel wordt hier toepassing aan gegeven.
Geen bijstand meer maar toeslag
De studietoeslag is vanaf 1 april 2022 geen bijstand meer. Daarom is er geen vermogenstoets. Ook de gegevens over de woon/leef situatie (gezinssamenstelling) zijn niet van invloed op het recht. Er geldt een leeftijdsgrens van 15 jaar. Het recht is gekoppeld aan het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS.
Ontvangst of recht op studiefinanciering WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS
In de wettekst van artikel 36b van de Participatiewet staat dat een aanvraag kan worden gedaan als iemand studiefinanciering of WTOS ontvangt. Dit moet zo worden gelezen: er bestaat recht op studietoeslag als er recht bestaat op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 WTOS. Of er recht bestaat blijkt uit een beschikking van DUO. Voor het moment waarop is voldaan aan de voorwaarden voor studietoeslag is niet de datum van ontvangst van studiefinanciering of WTOS van belang, maar de datum vanaf wanneer het recht bestaat.
Voorbeeld: De inwoner begint op 1 september 2022 met een opleiding, heeft recht op studiefinanciering met ingang van 1 december 2022 en ontvangt deze voor het eerst op 22 december 2022. Dan bestaat er recht op studietoeslag met ingang van 1 december 2022.
Structurele medische beperking
Een aanvrager moet als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat zijn naast de studie inkomsten te verdienen. Dit wordt aangeduid als een aanvrager met een structurele medische beperking. Zie de artikelsgewijze toelichting voor uitleg wat hiermee wordt bedoeld. Het gaat hierbij alleen om inkomsten uit loondienst of als zelfstandige. Ander inkomen, zoals alimentatie, is niet relevant. Er is geen inkomenstoets voor de studietoeslag en dus ook geen inkomstenkorting.
Inlichtingenplicht en terugvordering Participatiewet
Op grond van artikel 36b lid 4 van de Participatiewet geldt een aparte inlichtingenplicht voor de studietoeslag. Als de inlichtingenplicht wordt geschonden en achteraf blijkt dat op basis van onjuiste informatie ten onrechte of tot een te hoog bedrag studietoeslag is verstrekt, dan vindt terugvordering plaats op grond van artikel 58 Participatiewet overeenkomstig de regels terugvordering van bijstand. Dit volgt uit artikel 58 lid 6 van de Participatiewet.
Stage is vaak een verplicht onderdeel van de opleiding. Maar ook een stage die niet verplicht is draagt bij aan het vergroten van de toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. Onverplichte stages of niet formeel door de onderwijsinstelling erkende stages vallen dus ook onder de vrijlating. Vereist is alleen dat de stage plaatsvindt in het kader van de studie.
Stages die plaatsvinden in het kader van de studie (zowel verplicht als onverplicht) vallen onder de vrijlatingsregeling zoals opgenomen in de wet.
Omdat een wettelijke definitie van het begrip stage ontbreekt, kunnen er onduidelijkheden ontstaan, met name als er ook, of alleen, productieve werkzaamheden worden uitgevoerd en er juridisch sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Als er (ook) sprake is van een arbeidsovereenkomst valt dit niet onder de reikwijdte van artikel 36b lid 5 van de Participatiewet. Betaald werk kan natuurlijk van belang zijn of te maken hebben met de studie die wordt gevolgd maar het verstrekken van studietoeslag in combinatie hiermee verhoudt zich niet met de voorwaarden genoemd in artikel 36b lid 1 van de Participatiewet.
Artikel 14 Structurele medische beperking
De aanvrager die als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven wordt in de beleidsregels aangeduid als een aanvrager met een structurele medische beperking. Onder een medische beperking wordt zowel een fysieke als psychische beperking verstaan. Een individuele sociale beperking zoals het verlenen van mantelzorg valt niet onder deze regeling omdat die niet voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek.
De beperking moet structureel (dus langdurig) van aard zijn en ernstig genoeg om een rechtstreeks verband te kunnen leggen met het niet in staat zijn naast de studie inkomsten te kunnen verdienen.
Voor structureel hanteren we een termijn van 12 maanden. We sluiten hiermee aan bij andere wetgeving binnen het sociale zekerheidsstelsel. Een gebroken been of een medische ingreep met een te verwachten hersteltermijn van minder dan 12 maanden is dus geen structurele medische beperking.
Ook zijn er medische beperkingen die wel structureel zijn, maar iemand niet of beperkt belemmeren om naast de studie inkomsten te verwerven, zoals (milde en enkelvoudige) dyslexie, astma, diabetes, slechtziendheid of een milde vorm van reuma. Natuurlijk moet het college altijd per geval kijken of voldaan is aan de voorwaarden. Het is daarbij niet relevant dat iemand door economische omstandigheden geen inkomsten kan verwerven.
Inkomstenverwerving in combinatie met een studie
In deze beleidsregel is invulling gegeven aan het begrip structurele medische beperking waarbij een onlosmakelijk onderdeel hiervan is dat iemand niet in staat is inkomsten te verwerven naast een studie. Het is aan het college om binnen de kaders van de wet te bepalen wanneer een aanvrager in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijdsstudie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die nodig is om de studie met succes af te ronden. Het college mag geen generieke regels stellen over wanneer een beperking dusdanig is dat iemand naast de studie niet meer kan werken. Dit is een individuele beoordeling die in principe door de medisch adviseur wordt gedaan.
Voor de afweging of mogelijkheden om inkomsten uit arbeid te verkrijgen al dan niet ten koste gaan van de tijd die nodig is om een bepaalde studie af te ronden wordt rekening gehouden met een gebruikelijke studievertraging. Enige vertraging door het verwerven van inkomsten is gebruikelijk, ook voor studenten zonder medische beperking.
Geringe en / of incidentele inkomsten
Gelet op de toelichting bij artikel 36b Participatiewet wordt onder het niet kunnen verwerven van inkomsten bedoeld in het geheel geen inkomsten te kunnen verdienen naast de studie.
Dat betekent dat het college de studietoeslag moet stopzetten als een student wel inkomsten heeft uit arbeid. De omvang van de werkzaamheden of de genoten inkomsten zijn daarbij niet relevant.
Dat geldt ook bij een vakantiebaan. Studenten die in de (zomer)vakantie gaan werken, verliezen tijdelijk het recht op studietoeslag. Ze kunnen na de vakantie wel een nieuwe, verkorte, aanvraag indienen.
In dit artikel staat hoe een aanvraag moet worden ingediend (lid 1). Ook is bepaald welke stukken de aanvrager moet verstrekken bij de aanvraag (lid 2). Deze stukken moet de aanvrager verplicht verstrekken mits die stukken van toepassing zijn. In lid 3 staat dat de aanvrager ook een deskundigenverklaring kan verstrekken. Dit hoeft niet. Maar het kan wel helpen om de medische situatie van aanvrager inzichtelijk te maken. Het inleveren van een deskundigenverklaring betekent niet automatisch dat een medisch advies voor de beoordeling of recht op studietoeslag bestaat niet meer nodig is. Maar soms kan uit de door aanvrager ingeleverde stukken wel al duidelijk zijn dat er sprake is van een structurele medische beperking. Dan kan een medisch advies door een onafhankelijke deskundige achterwege blijven.
Aanvrager hoeft niet te laten weten welke medische beperking hij heeft. Onder bewijs van de structurele medische beperking wordt verstaan een verklaring van een arts of het UWV waaruit dit blijkt. De deskundigenverklaring hoeft nadrukkelijk geen medische gegevens van de aanvrager te bevatten. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens die alleen aan een medische deskundige voor de uitvoering van het medisch advies hoeven te worden gegeven. De verklaring hoeft zich slechts te richten op de vraag of de aanvrager in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden.
Het verstrekken van een studietoeslag is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat als een aanvrager aan de wettelijke voorwaarden voldoet, er recht op studietoeslag bestaat. De wet voorziet niet in een verbod om met terugwerkende kracht studietoeslag te verlenen. Artikel 44 lid 1 van de Participatiewet is immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de studietoeslag.
Dit betekent dat een aanvrager recht op studietoeslag heeft tot 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend. Dat komt omdat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van vijf jaren in rechte afdwingbaar zijn. De terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022 aangezien vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Dit is vastgelegd in lid 3.
Het college hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of een aanvrager met terugwerkende kracht recht heeft op studietoeslag. Dit hoeft alleen als aanvrager daarom verzoekt. Dit is neergelegd in lid 2 van dit artikel. De gedachte hierachter is dat het in lijn in met het doel van de regeling om studietoeslag toe te kennen met ingang van de datum waarop de studietoeslag wordt aangevraagd. Het doel is namelijk het bieden van een steuntje in de rug van mensen met een medische beperking zodat zij zich op het studeren kunnen focussen. Dit omdat de combinatie met een bijbaan niet mogelijk is. Het verlenen van terugwerkende kracht wordt dit alleen op verzoek toegekend.
Uit lid 2 volgt ook dat aanvrager aannemelijk moet maken dat hij ook al voorafgaande aan de aanvraag een structurele medische beperking had die ervoor zorgde dat hij niet kon werken naast de studie. Dat zal niet altijd makkelijk zijn om aan te tonen. Het kan bijvoorbeeld blijken uit de medische voorgeschiedenis, eventueel in combinatie met het medisch advies.
Indien in de periode waarover de studietoeslag wordt met terugwerkende kracht aangevraagd, inkomsten uit arbeid of inkomsten als zelfstandige zijn geweest, is het in beginsel over de hele periode in het verleden niet aannemelijk dat de aanvrager aan de voorwaarden van de studietoeslag voldoet.
Het college waar de aanvrager in de periode waarop de kosten betrekking hebben zijn woonplaats had is bevoegd tot het verstrekken van algemene bijstand. In artikel 36b lid 6 is artikel 40 lid 1 van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing verklaard. Om die reden kan de studietoeslag alleen met terugwerkende kracht worden toegekend over een periode dat een aanvrager woonplaats in de gemeente had.
De duur van de studietoeslag is in principe gelijk aan de duur van de studiefinanciering. Hiervan wordt afgeweken indien uit het medisch advies nadrukkelijk volgt dat er zicht is op verbetering van de medische situatie met consequenties voor het recht op de studietoeslag. In lid 4 is bepaald dat de studietoeslag in dat geval, in afwijking van de hoofdregel, wordt verstrekt voor de periode die in het medisch advies is genoemd.
Artikel 17 Hoogte studietoeslag
Bij het vaststellen van het bedrag voor de doelgroep jonger dan 21 jaar kiest de regering voor een lager minimumbedrag voor de studietoeslag dat evenredig is aan de verhouding van het toepasselijke Jeugd-wettelijk minimumloon (WML) ten opzichte van het reguliere WML. De hoogte van de studietoeslag is dus afhankelijk van de leeftijd. Het recht op een hoger bedrag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop een persoon jarig is.
Toepassing van de wet leidt ertoe dat als een aanvrager jarig wordt in een maand en dat leidt tot een hogere studietoeslag, de studietoeslag over die maand naar rato wordt berekend. De hoogte bestaat dan: uit een percentage vermenigvuldigd met de norm voor de leeftijd voor de verjaardag en een percentage vermenigvuldigd met de norm voor de leeftijd sinds de verjaardag.
Het college mag ten gunste afwijken van de normen bepaald in de AMvB. Het college kiest ervoor dit te doen in de maand waarin aanvrager jarig wordt. Dit om de uitvoering van de studietoeslag te vereenvoudigen. In de maand dat aanvrager jarig wordt en dit leidt tot een hoger bedrag aan studietoeslag, wordt de studietoeslag in die maand gebaseerd op het bedrag dat geldt voor de leeftijd waarop aanvrager jarig is. Dit is geregeld in lid 3. Dus stel aanvrager wordt op 25 juli 20 jaar. Dan wordt de studietoeslag voor de hele maand juli berekend naar het bedrag voor een 20-jarige.
Artikel 36b lid 2 van de Participatiewet biedt de mogelijkheid om af te zien van een medisch advies. Het college kan dit doen op grond van bij het college bekende gegevens of door de aanvrager verstrekte gegevens. Dit kan alleen als op voorhand duidelijk is dat er recht bestaat op een studietoeslag.
Het afzien van een medisch advies mag niet ten nadele van aanvrager zijn. De aanvrager houdt de mogelijkheid een beroep te doen op een onafhankelijk medisch oordeel.
Onder c, d en e wijkt het college af van de hoofdregel. Dit kan alleen omdat al vaststaat dat er geen recht bestaat op studietoeslag. Een medisch advies heeft dan geen invloed meer op het recht op studietoeslag. Dit is het geval als aanvrager is uitgesloten van het recht op studietoeslag. Dit omdat aanvrager geen studiefinanciering ontvangt of een tegemoetkoming op grond van de WTOS. Dit is ook het geval als aanvrager een Wajong-uitkering ontvangt.
Ook is dit het geval als aanvrager al werkt naast de studie (behalve als het een stage betreft). In dat geval bestaat er geen recht omdat aanvrager kennelijk in staat is om te werken naast de studie.
Artikel 19 Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Als het medisch advies daartoe aanleiding geeft kan een nieuw medisch advies worden aangevraagd, gedurende de lopende studietoeslag. Dit is ook mogelijk indien een andere persoonlijke situatie van de aanvrager hiertoe aanleiding geeft. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek heeft dit wel of geen gevolgen voor de studietoeslag. In artikel 16 lid 4 is geregeld dat de duur van de studietoeslag beperkt kan worden indien dit nadrukkelijk is geadviseerd.
Toelichting Hoofdstuk 4 Meedoenbudget
Het Meedoen Budget is de uitvoering van de bevoegdheid van artikel 108 Gemeentewet, de bevoegdheid tot regeling van de huishouding van de gemeente. Inwoners die een bijstandsuitkering via WerkSaam ontvangen krijgen deze voorziening standaard van de gemeente Hoorn.
Gemeente Hoorn zet elk jaar een geldbedrag op de HoornPas — het meedoenbudget — wat besteed kan worden aan activiteiten zoals sportlessen, theater, cursussen en meer.
Het tegoed kan niet worden opgenomen als contant geld. De activiteiten kunnen via de HoornPas rechtstreeks bij de deelnemende organisaties afgerekend worden.
Toelichting Hoofdstuk 5 Kindpakket
Het Kindpakket is de uitvoering van de bevoegdheid van artikel 108 Gemeentewet, de bevoegdheid tot regeling van de huishouding van de gemeente.
Dit is een aparte voorziening voor kinderen tot 18 jaar om de gevolgen van het lage inkomen van de ouder(s)/ verzorger(s) van een kind zoveel mogelijk te beperken. Door dit Kindpakket kunnen kinderen zoveel mogelijk meedoen aan de samenleving net als alle andere kinderen van ouders/ verzorger(s) die geen laag inkomen hebben.
Het college spant zich in om zoveel mogelijk waardevolle faciliteiten voor kinderen door samenwerking tot stand te laten komen waarmee het Kindpakket kan worden aangevuld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-179968.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.