Gemeenteblad van Venray
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Venray | Gemeenteblad 2026, 177669 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Venray | Gemeenteblad 2026, 177669 | beleidsregel |
Beleidsregels Participatie, terug- en invordering en boete 2026 gemeente Venray
De gemeente Venray vindt het belangrijk dat inwoners actief mee kunnen doen in de samenleving en hun financiën op orde hebben. Ook is het belangrijk dat inwoners een eigen huishouden kunnen voeren en dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Inwoners moeten in de eerst plaats daar zelf voor zorgen. Lukt dat niet, dan is het de taak van de gemeente om inwoners te helpen.
Op basis van de landelijke regels en de verordening Sociaal Domein van de gemeente Venray heeft de gemeente aanvullende beleidsregels opgesteld voor de toepassing binnen Venray. Het streven is hierbij dat wij uitgaan van de vragen van de inwoners maar ook van de eigen kracht van de inwoner en de omgeving. Deze beleidsregels geven aanvullend gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
Bij het toepassen van de beleidsregels houdt de gemeente rekening met de doelen van de landelijke wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het gevolg van een besluit past bij de bedoeling van die wetten. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:
|
Inwoners zijn in de eerste plaats (als het mogelijk is) zelf verantwoordelijk om hun eigen doelen te realiseren en zetten zich daar ook voor in. |
|
Inwoners die hulp niet zelf kunnen regelen kan de gemeente extra ondersteunen om mee te doen aan de samenleving. |
|
De gemeente Venray bevordert preventie, een sterke omgeving en een duurzame uitstroom en voorkomt instroom. |
|
Gemeente Venray normaliseert de hulpvraag, versterkt de toegang tot ondersteuning en werkt samen met (zorg)aanbieders. |
Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de regels in de Verordening maar ook van deze beleidsregels. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels.
Hoofdstuk 2. Werken en meedoen in de samenleving.
Dit hoofdstuk gaat over meedoen in de samenleving. Het is belangrijk dat inwoners in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De gemeente verwacht daarom van inwoners met een uitkering die kunnen werken, dat zij werk zoeken. De gemeente wil inwoners daarbij ondersteunen. De gemeente heeft de inwoners goed in beeld en ontsluit daarop een passend aanbod van voorzieningen.
Artikel 2.1 Bepalingen over voorzieningen
In aanvulling op artikel 3.4 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot voorzieningen.
De gemeente kan voor de uitvoering van een re-integratievoorziening aanbieders uit het segment participatie individueel van de regionale aanbesteding Sociaal Domein benaderen om uitvoering te geven aan een re-integratietraject (https://sociaaldomein-limburgnoord.nl/). Naast deze aanbieders kan de gemeente afspraken maken met derden, waaronder werkgevers, maatschappelijke organisaties en vrijwilligersorganisaties.
De gemeente maakt gebruik van www.matchvoorvrijwilligers.nl om inwoners te informeren welke mogelijkheden er zijn binnen sociale activering.
In aanvulling op artikel 3.4.1 lid 4 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot verzekeringen.
Bij de inzet van sociale activering door de gemeente is er onder voorwaarden vanuit de gemeente een vrijwilligersverzekering afgesloten. Deze is te vinden via www.matchvoorvrijwilligers.nl.
Artikel 2.3 NUG’ers (Niet-uitkeringsgerechtigden)
In aanvulling op artikel 3.4.1 lid 11 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende voorwaarden met betrekking tot NUG’ers.
In aanvulling op artikel 3.4.8.2 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende voorwaarden met betrekking tot opstapsubsidie.
Artikel 2.5 Persoonlijke ondersteuning bij werk voor het organiseren van werkbegeleiding via subsidie
In aanvulling op artikel 3.4.6.5 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot subsidie voor interne werkbegeleiding.
Andere voorzieningen en vergoedingen
In aanvulling op artikel 3.5 lid 4 van de Verordening Sociaal Domein gelden de onderstaande bepalingen met betrekking tot de uitstroompremie.
Artikel 2.7 Arbeids- en re-integratieverplichtingen
In aanvulling op artikel 3.6 van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende bepalingen met betrekking tot de arbeids- en re-integratieverplichtingen.
De gemeente verleent aan inwoners met een WLZ-indicatie die verblijven in een instelling ontheffing van de arbeidsplicht, de re-integratieplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 sub a en c van de Participatiewet. Deze ontheffing wordt verleend voor de duur van het verblijf in de instelling en maximaal 3 jaar.
Hoofdstuk 3. Afspraken tussen inwoner en gemeente
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, staan daar plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de bijstandsuitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
Artikel 3.1. Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheden tot herziening, intrekking, terugvordering
De gemeente maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 12, tweede lid, onderdeel c van het Bbz 2004, artikel 39 eerste lid, onderdeel a onder 3 van het Bbz 2004, artikel 39 tweede lid van het Bbz 2004, artikel 41, vierde lid en vijfde lid van het Bbz 2004 en artikel 43, derde lid van het Bbz 2004 toekomt.
Artikel 3.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid
Als de uitkering als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden, zoals bedoeld in artikel 59 van de Participatiewet.
Als de uitkering terecht als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, maar de inwoner toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Artikel 3.3 Brutering van de vordering
De gemeente bruteert de vordering voor zover belasting en premies over de teruggevorderde uitkering niet verrekend kunnen worden met de door de gemeente aan de Belastingdienst af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft.
Artikel 3.4 Uitzonderingen voortvloeiend uit de jurisprudentie
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1, eerste lid, vordert de gemeente, na ontvangst van een signaal van de inwoner, een door haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering terug, tot maximaal 6 maanden na ontvangst van dit signaal van de inwoner, voor zover de uitkering nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend.
Afzien van (verdere) terugvordering
Artikel 3.5 Afzien van verdere invordering / kwijtschelding
Kwijtschelding van (het restant van) een vordering die niet is ontstaan als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht, wordt ambtshalve verleend als de inwoner:
gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan (waarbij dit niet aan de inwoner te verwijten is) en de inwoner het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft voldaan, of;
Artikel 3.6 Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen
In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2 ziet de gemeente af van het nemen van een besluit tot terugvordering indien het terug te vorderen bedrag, na beëindiging van de uitkering, niet meer bedraagt dan € 150,00 (netto). Dit artikel is niet van toepassing op verplichte terugvordering op grond van artikel 58 lid 1 van de Participatiewet.
Artikel 3.7 Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij een schuldregeling
De gemeente aanvaardt het minnelijk voorstel altijd, tenzij belemmeringen zijn aangegeven bij de saldo-opgave. Wanneer een minnelijk voorstel bij voorbaat wordt aanvaard, wordt het minnelijk voorstel zelf niet verstuurd aan de gemeente. De gemeente ontvangt alleen de definitieve uitkomst van het minnelijk voorstel.
Artikel 3.8 Algemeen en het invorderingsbesluit
De gemeente start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. De vordering moet in beginsel binnen 6 weken worden voldaan, gerekend vanaf de dag nadat het terugvorderingsbesluit aan de debiteur is toegezonden.
Artikel 3.9 Invordering door verrekening
Ongeacht de in artikel 3.8 genoemde betalingstermijn gaat de gemeente met inachtneming van artikel 3.1 van deze beleidsregels meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op bijstand of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ.
Artikel 3.10 Uitstel van betaling
De gemeente verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van de inwoner duidelijk is dat de inwoner geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot aflossing van de vordering over te gaan dan wel uitstel bijdraagt tot de oplossing van een schuldenprobleem. De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid van schuldhulpverlening. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor het doen van een aanvraag bij schuldhulpverlening of het opstarten van een andere (vervolg) actie.
Artikel 3.11 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren met een uitkering
Indien de inwoner een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ bedraagt de aflossingsverplichting 5% inclusief vakantietoeslag van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 3.5, derde lid en de volgende, van de IOAW en IOAZ per maand, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475da-dc van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
Artikel 3.12 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering krachtens de Participatiewet, IOAW of IOAZ
De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat de inwoner maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ is ontvangen. Indien de inwoner met dit aflossingsbedrag binnen 24 maanden de vordering zal hebben afgelost, zal de hoogte van het aflossingsbedrag, in beginsel, niet worden aangepast. Bij niet nakoming van de betalingsverplichting kan de gemeente het bedrag eenzijdig wijzigen conform de overige bepalingen in dit artikel.
Indien duidelijk is dat de vordering met het aflossingsbedrag zoals bedoeld in lid 1 niet binnen 24 maanden zal zijn afgelost, zal na afloop van de termijn van zes maanden zoals bedoeld in lid 1 bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld worden op het bedrag als bedoeld in artikel 3.11 eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
Indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
In afwijking van het derde lid wordt, indien de inwoner een inkomen heeft tot 105% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op 5% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld. Bij geen of een lager inkomen dan de bijstandsnorm kan de gemeente akkoord gaan met een individueel te bepalen aflossingsbedrag dan wel uitstel van betaling.
In afwijking van het tweede tot en met vierde lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd, indien er nog geen beslag is gelegd zoals bedoeld in artikel 3.15, en voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. Indien uit de beschikbare gegevens blijkt dat er aanzienlijk meer aflossingsruimte beschikbaar is dan waarmee het betalingsvoorstel rekening houdt, kan door de gemeente een tegenvoorstel worden gedaan.
Artikel 3.15 Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting
Als de inwoner zijn betalingsverplichting niet of niet meer nakomt, gaat de gemeente, na aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, over tot het uitvaardigen van een dwangbevel c.q. het leggen van (executoriaal) beslag conform artikel 60, tweede en vijfde lid van de Participatiewet, de bepalingen uit artikel 4.4.4.2 van de Awb (voor zover van toepassing) en de bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (voor zover van toepassing).
Terugvordering inzake de Bbz 2004
Artikel 3.17 Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal
De gemeente vordert het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 of de achterstanden in betaling, aflossing en rente terug indien:
de financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd.
de inwoner ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 van het Bbz 2004 indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 van het Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.
Artikel 3.19 Algemene bepaling met betrekking tot gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid
Artikel 3.20 Hoogte van de boete
Voor het bepalen van de hoogte van de boete wordt aangesloten bij het Boetebesluit sociale zekerheidswetten.
Hoofdstuk 5. Van oud naar nieuw
Artikel 5.1 Afwijken van de beleidsregels (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien strikte toepassing daarvan leidt tot gevolgen voor een inwoner die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-177669.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.