Gemeenteblad van Ridderkerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2026, 174722 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ridderkerk | Gemeenteblad 2026, 174722 | beleidsregel |
Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2026
Burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk stellen met dit document het Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving 2026 vast. Dit uitvoeringsprogramma geeft invulling aan het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 en beschrijft de concrete activiteiten, prioriteiten en inzet voor vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen de fysieke leefomgeving van de gemeente Ridderkerk voor 2026.
Voor u ligt het Uitvoeringsprogramma Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) 2026 van de gemeente Ridderkerk. Dit programma vormt de jaarlijkse uitwerking van het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 en beschrijft hoe de gemeente in 2026 uitvoering geeft aan haar taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen de fysieke leefomgeving.
Met dit uitvoeringsprogramma wordt invulling gegeven aan de uitvoerende cyclus van het BIG-8-model. Het programma vertaalt de beleidsdoelen, prioriteiten en strategieën uit het VTH-beleid naar concrete werkzaamheden voor 2026 en maakt zichtbaar welke inzet daarvoor nodig is. Daarbij wordt ook beschreven hoe monitoring, evaluatie en verantwoording plaatsvinden.
De overgang van de Wabo-systematiek naar de Omgevingswet heeft geleid tot gewijzigde begrippen, aangepaste procedures en een andere rolverdeling tussen gemeente, initiatiefnemers en kwaliteitsborgers. De kern van de gemeentelijke VTH-taak blijft daarnaast ongewijzigd: het zorgvuldig beoordelen van aanvragen, het toezien op naleving en handhaven waar nodig is.
De uitvoering sluit aan op de prioriteiten uit het VTH-beleid. Binnen vergunningverlening ligt de nadruk in 2026 op een zorgvuldige en tijdige behandeling van aanvragen, met bijzondere aandacht voor vooroverleg bij grote projecten, deugdelijke motivering van besluiten, uitvoerbaarheid en duidelijke communicatie met initiatiefnemers. Binnen toezicht en handhaving ligt de focus op onderwerpen met een verhoogd risico voor de fysieke leefomgeving, zoals grote afwijkingen van vergunningen, constructieve veiligheid, brandveiligheid, illegale bouw, sloopactiviteiten en de behandeling van meldingen en verzoeken om handhaving.
De gemeentelijke werkvoorraad blijft omvangrijk. Voor 2026 wordt uitgegaan van ongeveer 300 vergunningaanvragen, circa 150 conceptverzoeken en vooroverleggen, ongeveer 200 meldingen en overige aanvragen en circa 100 tot 125 bouw gerelateerde meldingen en handhavingsverzoeken. Deze aantallen vragen om een doelgerichte en risicogerichte inzet van capaciteit, waarbij niet alle werkzaamheden met gelijke intensiteit kunnen worden opgepakt. Prioritering is daarom noodzakelijk.
De beschikbare capaciteit bestaat uit vaste formatie, aangevuld met inhuur op vergunningverlening, toezicht en constructieve advisering. Daarmee is de basis aanwezig om de kerntaken uit te voeren, maar het programma laat ook zien dat de verhouding tussen werkvoorraad, personele bezetting en veranderende wetgeving blijvende aandacht vraagt.
Voor het milieudeel wordt aangesloten bij het jaarlijkse werkplan van de DCMR Milieudienst Rijnmond. De milieutaken worden in opdracht van de gemeente uitgevoerd door de DCMR. De gemeente blijft daarbij verantwoordelijk voor de bestuurlijke afstemming, de aansluiting op de gemeentelijke VTH-cyclus en de monitoring van de resultaten.
Dit uitvoeringsprogramma vormt daarmee niet alleen een programma voor de werkzaamheden, maar ook een kader voor sturing, prioritering en verantwoording binnen de uitvoering van de VTH-taken in 2026.
2. Inleiding en doel van het uitvoeringsprogramma
Op 15 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 vastgesteld. In dat beleid zijn de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de fysieke leefomgeving, de probleem- en risicoanalyse, de prioriteiten en de bijbehorende strategieën vastgelegd. Dit uitvoeringsprogramma bouwt daarop voort en beschrijft de concrete inzet voor 2026.
Het uitvoeringsprogramma vormt daarmee de jaarlijkse vertaling van het VTH-beleid naar de uitvoeringspraktijk. In dit document worden de beleidsmatige keuzes voor 2026 uitgewerkt in concrete werkzaamheden, prioriteiten, inzet van capaciteit, afstemming met samenwerkingspartners en de wijze van monitoring en verantwoording.
Het doel van dit uitvoeringsprogramma is in de eerste plaats het inzichtelijk maken welke werkzaamheden de gemeente Ridderkerk in 2026 uitvoert binnen het VTH-domein. In de tweede plaats laat het zien op welke onderwerpen het college bestuurlijk en ambtelijk prioriteit legt. In de derde plaats geeft het inzicht in de relatie tussen werkvoorraad, capaciteit en kwaliteit van uitvoering. In de vierde plaats vormt het programma de basis voor de jaarlijkse monitoring, evaluatie en verantwoording via het VTH-jaarverslag.
Dit uitvoeringsprogramma heeft betrekking op de gemeentelijke VTH-taken binnen de fysieke leefomgeving. Het betreft in ieder geval vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van bouwen, slopen, gebruik, ruimtelijke activiteiten, monumenten en de vergunningplichtige onderdelen van de APV die onder het fysieke domein vallen, zoals de kapactiviteit.
Conform het VTH-beleid vallen de milieutaken niet onder de gemeentelijke uitvoering in eigen beheer. Deze taken zijn belegd bij de DCMR Milieudienst Rijnmond. Voor het milieudeel sluit dit uitvoeringsprogramma daarom aan op het jaarlijkse werkplan van de DCMR en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsafspraken.
Niet alle taken uit de Algemene Plaatselijke Verordening vallen binnen de reikwijdte van dit programma. Voor overige APV-taken wordt verwezen naar de daarvoor geldende afzonderlijke beleids- en uitvoeringskaders. Daarnaast vindt voor specifieke onderdelen, zoals brandveilig gebruik, afstemming plaats met ketenpartners zoals de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.
Na deze inleiding beschrijft hoofdstuk 3 het wettelijk en beleidsmatig kader. Hoofdstuk 4 bevat de omgevingsanalyse en de belangrijkste ontwikkelingen voor 2026. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de organisatie, capaciteit en werkvoorraad. In hoofdstuk 6 worden de prioriteiten voor 2026 uitgewerkt, waarna in de hoofdstukken 7, 8 en 9 respectievelijk de programmering voor vergunningverlening, toezicht en handhaving volgt. Hoofdstuk 10 beschrijft het milieudeel en de samenwerking met de DCMR. Hoofdstuk 11 gaat in op kwaliteitsborging, monitoring en verantwoording. Het document sluit af met een actietabel en bijlagen.
3. Wettelijk en beleidsmatig kader
3.1 Omgevingswet en Omgevingsbesluit
De uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving vindt plaats binnen het stelsel van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. Met de Omgevingswet zijn de regels voor de fysieke leefomgeving samengebracht in één wettelijk kader. Dat vraagt van gemeenten een meer integrale benadering van initiatieven, aanvragen, toezicht en handhaving. Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn daarbij geen losse onderdelen, maar samenhangende schakels binnen één uitvoeringsproces.
Het Omgevingsbesluit verplicht het bevoegd gezag tot het vaststellen van een uitvoerings- en handhavingsstrategie en tot het jaarlijks opstellen van een uitvoeringsprogramma. Daarnaast gelden procescriteria voor prioritering, monitoring, evaluatie en kwaliteitsborging. Dit uitvoeringsprogramma geeft invulling aan deze verplichtingen door zichtbaar te maken hoe de strategische keuzes uit het VTH-beleid worden vertaald naar concrete inzet in 2026.
3.2 Wet kwaliteitsborging voor het bouwen
De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft de gemeentelijke rol in het bouwdomein gewijzigd. Voor bouwwerken in gevolgklasse 1 ligt de bouwtechnische toets niet langer bij de gemeente, maar bij een toegelaten kwaliteitsborger. De gemeentelijke rol verschuift daardoor van preventieve technische toetsing naar beoordeling van bouw- en gereedmeldingen, toezicht op omgevingsveiligheid en handhaving wanneer meldingen onvolledig zijn of voorschriften niet worden nageleefd.
De Wkb leidt in de praktijk niet tot een eenvoudige afname van werkzaamheden. Minder inzet op technische toetsing leidt tot een andere inzet op bouwveiligheid, juridische beoordeling, toezicht naar aanleiding van meldingen en handhaving bij gebrekkige gereedmeldingen of signalen van kwaliteitsborgers. Ook in 2026 blijft dit een relevante ontwikkeling voor de uitvoering van de gemeentelijke VTH-taken.
3.3 VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028
Het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 vormt het primaire beleidsmatige kader voor dit uitvoeringsprogramma. In het beleid zijn missie, visie, omgevingsanalyse, probleem- en risicoanalyse, doelstellingen, prioriteiten en strategieën voor vergunningverlening, toezicht en handhaving uitgewerkt. Daarnaast bevat het beleid een risicomatrix, een toezichtstrategie en een sanctiestrategie. Deze onderdelen worden in dit uitvoeringsprogramma niet opnieuw ontwikkeld, maar toegepast en vertaald naar de uitvoering in 2026.
Het uitvoeringsprogramma moet daarom worden gelezen als de jaarlijkse operationele vertaling van dit beleid.
Ridderkerk hanteert in het VTH-beleid het BIG-8-model als basis voor de beleids- en uitvoeringscyclus. Dit model verbindt de strategische cyclus van missie, omgevingsanalyse, risicoanalyse en prioritering met de operationele cyclus van programmering, uitvoering, monitoring, evaluatie en bijsturing.
Voor dit uitvoeringsprogramma betekent dit dat de keuzes in prioriteiten, inzet en capaciteit herleidbaar moeten zijn tot de risicoanalyse en de beleidsdoelen uit het VTH-beleid. Het uitvoeringsprogramma vormt daarmee de schakel tussen beleid en uitvoering. Het jaarlijkse VTH-jaarverslag vormt vervolgens de terugkoppeling waarin wordt beoordeeld in hoeverre de uitvoering heeft bijgedragen aan de beleidsdoelen en of bijsturing nodig is.
4. Ontwikkelingen en omgevingsanalyse 2026
Ridderkerk is een middelgrote gemeente in Zuid-Holland, strategisch gelegen tussen Rotterdam en Dordrecht. Binnen de gemeente komen verschillende gebiedstypen samen, waaronder woonwijken, bedrijventerreinen, agrarische gebieden, natuur- en recreatiegebieden en de riviergebonden zones langs de grote wateren. Juist deze ruimtelijke diversiteit maakt de gemeentelijke VTH-opgave breed en gevarieerd.
Voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving is dit profiel rechtstreeks relevant. In woongebieden spelen vooral verbouwingen, uitbreidingen, functiewijzigingen, vergunningvrije activiteiten en meldingen van omwonenden. Op bedrijventerreinen spelen bouw, gebruik, brandveiligheid, milieubelasting en de aansluiting tussen ruimtelijke regels en bedrijfsactiviteiten. In het buitengebied en de groenblauwe structuren vraagt de fysieke leefomgeving extra aandacht voor landschap, cultuurhistorie, natuurwaarden en het spanningsveld tussen bescherming en gebruik.
4.2 Ruimtelijke en maatschappelijke dynamiek
Ridderkerk kent in 2026 een blijvend hoge ruimtelijke dynamiek. De gemeente werkt aan woningbouw, herontwikkeling van locaties, kwaliteitsverbetering van de leefomgeving, verduurzaming van gebouwen en de verdere uitwerking van het omgevingsplan. Daarmee is sprake van een fysieke leefomgeving die voortdurend in beweging is. De VTH-opgave beperkt zich daardoor niet tot het behandelen van reguliere vergunningen, maar omvat ook het vroegtijdig beoordelen van initiatieven, het begeleiden van complexe dossiers, het afwegen van gevoelige ruimtelijke ontwikkelingen en het toezien op de kwaliteit van de uitvoering.
Naast de ruimtelijke dynamiek spelen maatschappelijke ontwikkelingen een belangrijke rol. Denk aan de woningbouwopgave, de druk op zorgvuldig ruimtegebruik, de verduurzaming van de gebouwde omgeving, de energietransitie en veranderende verwachtingen van inwoners en ondernemers ten aanzien van dienstverlening en participatie. Deze ontwikkelingen vergroten de behoefte aan duidelijke afwegingen, juridische zorgvuldigheid en een consistente uitvoeringspraktijk.
4.3 Doorwerking van Omgevingswet en Wkb
De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen hebben de uitvoeringspraktijk in Ridderkerk niet eenvoudiger gemaakt, maar wel ingrijpend veranderd. De Omgevingswet vraagt om een meer integrale benadering van initiatieven, waarbij belangen vroegtijdig in beeld moeten worden gebracht en de onderbouwing van besluiten zwaarder weegt. Dat geldt in het bijzonder voor complexe aanvragen, initiatieven met meerdere activiteiten en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA’s).
Ook de Wkb werkt door in de gemeentelijke uitvoering. Minder inzet op preventieve technische toetsing betekent niet automatisch minder werk. De gemeentelijke inzet verschuift naar beoordeling van meldingen, bouwveiligheid, toezicht op de uitvoeringspraktijk, controle op gereedmeldingen en handhaving wanneer de informatievoorziening of naleving tekortschiet. Daarmee is in 2026 nog steeds sprake van een overgangsfase waarin werkprocessen, rolverdeling en informatiepositie verder moeten worden bestendigd.
4.4 Betekenis voor de VTH-uitvoering in 2026
De omgevingsanalyse leidt tot een aantal concrete conclusies voor de VTH-uitvoering in 2026. In de eerste plaats vraagt de combinatie van ruimtelijke dynamiek, veranderde wetgeving en een omvangrijke werkvoorraad om een risicogerichte inzet van capaciteit. Niet alle werkzaamheden kunnen met gelijke intensiteit worden opgepakt; prioritering is noodzakelijk. In de tweede plaats vraagt de aard van de opgaven om vroegtijdige afstemming bij ruimtelijke en bouwkundige initiatieven, zodat juridische, ruimtelijke en technische aandachtspunten tijdig worden onderkend. In de derde plaats blijft het van belang om de verbinding tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving te versterken, zodat voorschriften uitvoerbaar en handhaafbaar zijn en signalen uit de toezichtpraktijk terugvloeien naar de voorkant van het proces.
Uitgangspunt blijft dat de prioriteiten uit het vastgestelde VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 leidend zijn. Indien gedurende 2026 nieuwe uitvoeringsontwikkelingen aanleiding geven tot bijsturing, dan kan dat gemotiveerd worden verwerkt binnen de reguliere planning- en control cyclus en in de jaarlijkse verantwoording.
5. Organisatie, capaciteit en werkvoorraad
5.1 Organisatie van de VTH-uitvoering
De uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving vindt plaats binnen het team VTH van de gemeente Ridderkerk. Binnen dit team worden werkzaamheden uitgevoerd op het gebied van vergunningverlening, toezicht, juridische ondersteuning, beleid, administratie en dossiervorming. De organisatie van de uitvoering sluit daarmee aan op de integrale benadering die de Omgevingswet vraagt, waarbij vergunningverlening, toezicht en handhaving niet los van elkaar worden gezien maar als samenhangende onderdelen van één uitvoeringsketen.
De huidige inrichting van het team wijkt af van de vroegere BAR-brede indeling zoals die in de eerdere Wabo-uitvoeringsprogramma’s werd gehanteerd. Voor dit uitvoeringsprogramma wordt daarom uitgegaan van het actuele formatieoverzicht en de feitelijke organisatie van de uitvoering binnen Ridderkerk.
5.2 Actuele vaste formatie en inhuur
Voor de uitvoering van de VTH-taken in 2026 wordt uitgegaan van de actuele vaste formatie zoals die door de gemeente is aangeleverd. Deze vaste bezetting bedraagt circa 12,1 fte. Daarnaast wordt gewerkt met inhuur voor vergunningverlening, toezicht en constructieve advisering. Binnen het team zijn op het moment van opstellen van dit uitvoeringsprogramma tevens vacatures aanwezig voor een beleidsadviseur VTH en een toezichthouder/bouwinspecteur.
Aanvullend wordt gebruikgemaakt van 1,0 fte inhuur voor vergunningverlening/VTH, 1,0 fte inhuur voor toezicht en 16 uur per week inhuur voor constructieve advisering. Deze inzet maakt het mogelijk om de basisbezetting op peil te houden en de uitvoering van de reguliere werkzaamheden te ondersteunen. Tegelijkertijd blijft het van belang om de beschikbare capaciteit doelgericht te programmeren en af te stemmen op de aard en omvang van de werkvoorraad.
|
Onder meer meldingen, gebruiks- en sloopmeldingen en overige verzoeken |
||
|
Gebaseerd op eerdere uitvoeringspraktijk en huidige inschatting |
Deze aantallen geven richting aan de inzet, maar vormen geen volledig beeld van de totale belasting van het team. Vooral complexe aanvragen, dossiers met meerdere activiteiten, juridische procedures, bouwveiligheidsvraagstukken en handhavingszaken vragen per dossier aanzienlijk meer inzet dan op grond van aantallen alleen zichtbaar is. Daarnaast brengen ook afstemming met DCMR, VRR en andere partners, dossiervorming, monitoring en kwaliteitsborging structurele werkzaamheden met zich mee.
5.4 Betekenis voor de programmering
De verhouding tussen werkvoorraad en beschikbare capaciteit maakt het noodzakelijk om in 2026 risicogericht en programmatisch te werken. Dat betekent niet dat andere werkzaamheden buiten beeld blijven, maar wel dat bij de inzet van capaciteit bewust wordt aangesloten op de prioriteiten uit het VTH-beleid en op de aard en bewerkelijkheid van dossiers.
Voor vergunningverlening betekent dit dat eenvoudige aanvragen doelmatig en voorspelbaar worden behandeld, terwijl complexe aanvragen en initiatieven in een vroeg stadium worden voorzien van voldoende inhoudelijke en juridische afstemming. Voor toezicht en handhaving betekent dit dat de inzet in het bijzonder wordt gericht op activiteiten en situaties met een verhoogd risico voor veiligheid, gezondheid, rechtszekerheid en kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De werkvoorraad wordt daarbij niet uitsluitend beoordeeld op omvang, maar ook op complexiteit, bestuurlijke gevoeligheid, juridische gevolgen en uitvoerbaarheid.
6.1 Uitgangspunt: prioriteiten uit het VTH-beleid
De prioriteiten in dit uitvoeringsprogramma zijn gebaseerd op het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 en sluiten aan op de daarin opgenomen probleem- en risicoanalyse, risicomatrix en uitvoeringsstrategieën. Het uitvoeringsprogramma stelt daarmee geen nieuw beleid vast, maar geeft voor het jaar 2026 een concrete vertaling van de bestuurlijk vastgestelde beleidslijn naar de uitvoeringspraktijk.
De inzet van capaciteit en middelen wordt in de eerste plaats gericht op onderwerpen die vanuit veiligheid, gezondheid, leefomgeving, rechtszekerheid en bestuurlijke verantwoordelijkheid het zwaarst wegen. Dat betekent dat niet alle werkzaamheden met gelijke intensiteit worden opgepakt. De gemeente kiest er bewust voor om in 2026 prioriteit te geven aan die onderdelen waar de risico’s en gevolgen van niet-naleving het grootst zijn.
6.2 Prioriteiten vergunningverlening
Voor vergunningverlening volgt uit het VTH-beleid één duidelijke hoofdprioriteit: het vroegtijdig in gesprek gaan met initiatiefnemers via vooroverleg voor grote projecten. De Omgevingswet vraagt om een zorgvuldige voorbereiding van initiatieven, waarbij in een vroeg stadium duidelijkheid ontstaat over de ruimtelijke, juridische en technische randvoorwaarden. Een goed vooroverleg draagt bij aan betere aanvragen, een voorspelbaarder proces en een grotere kans op tijdige en juridisch houdbare besluitvorming.
Daarnaast sluit het uitvoeringsprogramma aan bij de beleidslijn om eenvoudige aanvragen, waar dat verantwoord kan, doelmatig te behandelen. Door eenvoudige aanvragen efficiënt af te handelen, ontstaat ruimte voor dossiers die vanwege hun omvang, complexiteit of bestuurlijke gevoeligheid meer inzet vragen.
6.3 Prioriteiten toezicht en handhaving
Voor toezicht en handhaving is de gemeentelijke risicomatrix uit het VTH-beleid het uitgangspunt. Die matrix laat zien welke overtredingen vanuit kans en effect het zwaarst wegen en daarom de hoogste prioriteit krijgen. Voor 2026 betekent dit dat de inzet in het bijzonder wordt gericht op onderwerpen met een verhoogd risico voor de fysieke leefomgeving.
Daarnaast geldt dat brandveilig gebruik van bouwwerken waarvoor afstemming met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond nodig is, wordt opgepakt overeenkomstig de bestaande afspraken met de VRR en de jaarlijkse programmering. Onderwerpen met een middenprioriteit, zoals kleinere bouwafwijkingen, strijdig gebruik in relatie tot het omgevingsplan, monumenten en technische eisen bij vergunningsvrije bouwwerken, worden uitgevoerd op basis van risico, signaal, verzoek of beschikbare capaciteit. Laag geprioriteerde onderwerpen worden in beginsel signaalgericht of op verzoek opgepakt.
De prioriteiten werken in 2026 door in de programmering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat betekent concreet dat binnen de beschikbare capaciteit voorrang wordt gegeven aan bouwveiligheid en constructieve veiligheid, brandveiligheid en bestaande bouw met verhoogd risico, grotere en juridisch relevante afwijkingen van verleende vergunningen, sloopactiviteiten en gereedmeldingen die samenhangen met veiligheid en naleving, en meldingen en handhavingsverzoeken met een verhoogde risicoscore of duidelijke maatschappelijke impact.
Deze prioritering betekent niet dat andere werkzaamheden geen aandacht krijgen, maar wel dat de intensiteit van inzet wordt afgestemd op het risico en de bewerkelijkheid van het dossier. Waar directe handhaving niet noodzakelijk of niet proportioneel is, kan worden gewerkt met waarschuwingen, signalering, monitoring of latere opvolging, binnen de kaders van het VTH-beleid en de gemeentelijke sanctiestrategie.
7. Uitvoeringsprogramma vergunningverlening
Vergunningverlening is in 2026 gericht op het nemen van tijdige, juridisch houdbare en inhoudelijk zorgvuldige besluiten binnen de kaders van de Omgevingswet. Daarbij gaat het niet alleen om het afhandelen van aanvragen binnen de geldende termijnen, maar ook om het bieden van duidelijkheid aan initiatiefnemers en belanghebbenden en om het borgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Een besluit moet niet alleen procedureel juist zijn, maar ook uitvoerbaar, handhaafbaar en voldoende gemotiveerd om in bezwaar en beroep stand te kunnen houden.
Vergunningverlening vervult daarmee een centrale rol in de gemeentelijke VTH-keten. Aan de voorkant worden de voorwaarden gecreëerd voor een zorgvuldige uitvoering aan de achterkant. De kwaliteit van vergunningverlening is daarom rechtstreeks van invloed op toezicht, handhaving, rechtszekerheid en de bestuurlijke uitlegbaarheid van besluiten. Dit is ook een proces waar steeds meer aandacht voor is.
De vergunningverlening vindt in 2026 plaats volgens een risicogerichte en integrale werkwijze. Aanvragen en verzoeken worden beoordeeld op aard, complexiteit, impact op de fysieke leefomgeving en de mate waarin interne adviseurs of externe partners moeten worden betrokken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dossiers die met een meer standaardmatige aanpak kunnen worden behandeld en dossiers die vanwege hun juridische, ruimtelijke, technische of bestuurlijke betekenis meer afstemming en verdieping vragen.
Bij eenvoudige aanvragen ligt de nadruk op voorspelbaarheid, duidelijke communicatie en een doelmatige behandeling. Bij complexe aanvragen ligt de nadruk juist op tijdig vooroverleg, zorgvuldige afstemming, juridische kwaliteit en een goede voorbereiding van het besluit. In die werkwijze wordt niet alleen gekeken naar de toelaatbaarheid van een initiatief, maar ook naar de uitvoerbaarheid van voorschriften, de handhaafbaarheid in de praktijk en de aansluiting op toezicht en handhaving.
7.3 Belangrijkste activiteiten in 2026
De prioriteit binnen vergunningverlening ligt overeenkomstig het VTH-beleid nadrukkelijk bij het vroegtijdig in gesprek gaan met initiatiefnemers. Een goed vooroverleg helpt om verwachtingen te verhelderen, dossiers completer in te dienen, benodigde disciplines tijdig te betrekken en de kans op vertraging of juridische kwetsbaarheid te verkleinen.
7.4 Bouwveiligheid als vast aandachtspunt
Bouwveiligheid blijft ook in 2026 een vast aandachtspunt binnen vergunningverlening. In de eerdere uitvoeringsprogramma’s van Ridderkerk werd al nadrukkelijk ingezet op het betrekken van bouw- en sloopveiligheid bij het vooroverleg en de vergunningfase. Onder de Omgevingswet en de Wkb verschuift de gemeentelijke rol deels, maar de verantwoordelijkheid om vanuit de publieke taak oog te houden voor omgevingsveiligheid, bouwlogistiek, sloopveiligheid en uitvoerbare voorschriften blijft bestaan.
Dit betekent dat binnen de vergunningverlening niet alleen naar de juridische toelaatbaarheid van een activiteit wordt gekeken, maar ook naar de vraag of veiligheidsrisico’s voldoende zijn onderkend, of aanvullende voorwaarden nodig zijn en of de doorwerking naar toezicht en handhaving voldoende is geborgd.
7.5 Juridische kwaliteit en termijnen
Een terugkerend aandachtspunt binnen vergunningverlening is de verhouding tussen complexiteit van dossiers en wettelijke termijnen. Onder de Omgevingswet is de vergunning van rechtswege vervallen, maar dit neemt niet weg dat termijndiscipline bestuurlijk, juridisch en organisatorisch van groot belang blijft.
8. Uitvoeringsprogramma toezicht
8.1 Doel en functie van toezicht
Toezicht is in 2026 gericht op het bevorderen van naleving van de regels die gelden binnen de fysieke leefomgeving. Het doel van toezicht is niet uitsluitend het constateren van overtredingen, maar vooral het waarborgen van veiligheid, gezondheid, ruimtelijke kwaliteit en de uitvoering van verleende besluiten. Toezicht vormt daarmee de schakel tussen vergunningverlening en handhaving: het maakt zichtbaar of voorschriften, meldingen en regels in de praktijk ook daadwerkelijk worden nageleefd.
Binnen de Omgevingswet is toezicht nadrukkelijk onderdeel van een integrale uitvoeringsketen. Dat betekent dat signalen uit de toezichtpraktijk moeten terugvloeien naar vergunningverlening, juridische advisering en beleidsontwikkeling. Tegelijkertijd geldt dat de gemeentelijke capaciteit voor toezicht niet onbeperkt is. Daarom wordt de inzet in 2026 gericht en programmatisch georganiseerd.
De gemeente Ridderkerk sluit voor 2026 aan bij de toezichtstrategie uit het VTH-beleid 2025–2028. In dat beleid worden vier hoofdvormen van toezicht onderscheiden. Deze vier vormen blijven ook in 2026 het uitgangspunt voor de uitvoering:
Door deze toezichtvormen in samenhang toe te passen, kan de gemeente de beschikbare capaciteit zo doelmatig mogelijk inzetten.
Binnen de uitvoering van toezicht ligt in 2026 de nadruk op de toezichtsgebieden die in het beleid en de toezichtstrategie als meest relevant naar voren komen. Daarbij gaat het in ieder geval om toezicht op verleende omgevingsvergunningen voor bouw- en ruimtelijke activiteiten, toezicht op bouwactiviteiten en de naleving van bouwvoorschriften, toezicht op bestaande bouw, in het bijzonder waar constructieve veiligheid en brandveiligheid een rol spelen, toezicht op slopen en overige fysieke ingrepen met veiligheids- of ruimtelijke gevolgen, incidenteel toezicht naar aanleiding van meldingen, signalen en klachten en toezicht op meldingen en gereedmeldingen in relatie tot de Wkb.
Niet alle in het beleid benoemde toezichtsgebieden worden in 2026 met dezelfde intensiteit opgepakt. De inzet wordt afgestemd op de prioriteiten, de aard van de werkvoorraad, de beschikbare capaciteit en de mate waarin uitvoering plaatsvindt door of met samenwerkingspartners, zoals de VRR en de DCMR. Milieutoezicht valt daarbij onder de uitvoering door de DCMR en wordt daarom in hoofdstuk 10 afzonderlijk beschreven.
8.4 Toezicht op bouw en veiligheid
in 2026 blijft bouwveiligheid, constructieve veiligheid en brandveiligheid belangrijk. Juist op deze onderdelen kunnen overtredingen leiden tot directe risico’s voor gebruikers, omwonenden en de kwaliteit van de leefomgeving. Toezicht op bouwactiviteiten richt zich niet alleen op de vraag of overeenkomstig vergunning of melding wordt gebouwd, maar ook op de vraag of voorschriften uitvoerbaar zijn, of veiligheidsmaatregelen worden nageleefd en of tijdens de uitvoering signalen ontstaan die vervolgtoezicht of handhaving noodzakelijk maken.
Bij bestaande bouw ligt het zwaartepunt op toezicht waar sprake is van risico’s voor veiligheid of gezondheid, waaronder brandveiligheid en constructieve veiligheid. Voor meldingen brandveilig gebruik en aanverwante onderwerpen vindt afstemming plaats met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, overeenkomstig de bestaande afspraken en taakverdeling.
8.5 Meldingen, signalen en handhavingsverzoeken
Een belangrijk deel van het toezicht in 2026 blijft bestaan uit de behandeling van meldingen, signalen en handhavingsverzoeken. Deze dossiers vragen om een zorgvuldige afweging, omdat zij vaak niet alleen feitelijk maar ook juridisch en maatschappelijk relevant zijn. In de praktijk gaat het bijvoorbeeld om signalen van illegale bouw, bouwen in afwijking van vergunning, strijdig gebruik, onveilige situaties of hinder in de directe leefomgeving.
Voor 2026 wordt voor bouwgerelateerde meldingen en handhavingsverzoeken uitgegaan van een volume van ongeveer 100–125 zaken. De aard en complexiteit van deze zaken loopt sterk uiteen. Dat betekent dat de inzet niet alleen afhankelijk is van aantallen, maar ook van de ernst, handhaafbaarheid, bestuurlijke relevantie en samenhang met andere dossiers.
8.6 Programmatische inzet in 2026
De toezichtinzet in 2026 wordt afgestemd op de prioriteiten uit het VTH-beleid, de actuele werkvoorraad, de signalen uit de uitvoeringspraktijk, de beschikbare capaciteit en inzet van inhuur en de noodzaak om toezicht, juridische opvolging en handhaving goed op elkaar aan te laten sluiten.
9. Uitvoeringsprogramma handhaving
Handhaving is in 2026 gericht op het beëindigen en waar nodig voorkomen van overtredingen binnen de fysieke leefomgeving. Daarmee draagt handhaving bij aan de bescherming van veiligheid, gezondheid, ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en rechtszekerheid. Handhaving is geen doel op zichzelf, maar een noodzakelijk instrument om naleving van regels en besluiten te bevorderen en om corrigerend op te treden waar vrijwillige naleving uitblijft.
Uitgangspunt is de in het VTH-beleid opgenomen lijn dat de gemeente bij geconstateerde overtredingen in beginsel handhavend optreedt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals concreet zicht op legalisatie of onevenredigheid in het specifieke geval. Handhaving vindt daarmee plaats binnen de kaders van zorgvuldigheid, proportionaliteit en bestuurlijke afweging.
9.2 Relatie tussen toezicht en handhaving
Toezicht en handhaving zijn nauw met elkaar verbonden, maar vervullen ieder een eigen rol. Toezicht is gericht op het signaleren, controleren en vaststellen van feiten. Handhaving begint op het moment dat uit toezicht, meldingen of een verzoek om handhaving blijkt dat sprake is van een overtreding die opvolging vraagt. In die fase verschuift de nadruk van constatering naar juridische beoordeling, belangenafweging en het bepalen van een passende interventie.
Die overgang vraagt om een goede samenwerking tussen toezichthouders, juristen en vergunningverleners. Juist in de handhavingspraktijk is het van belang dat dossiers feitelijk goed zijn opgebouwd, juridisch zorgvuldig worden beoordeeld en voldoende duidelijk is of legalisatie nog mogelijk is, welke belangen spelen en welke maatregel in het concrete geval passend is.
De gemeente Ridderkerk sluit in 2026 aan bij de sanctiestrategie uit het VTH-beleid 2025–2028. Daarbij wordt zoveel mogelijk gewerkt volgens een gefaseerde aanpak. Waar dat verantwoord is, wordt eerst ingezet op herstel door waarschuwing, gesprek of een informele interventie. Wanneer dat niet toereikend is, of wanneer de aard van de overtreding daartoe aanleiding geeft, volgt een bestuursrechtelijke maatregel. De inzet van een sanctie is daarmee steeds gericht op het herstellen van de overtreding en het voorkomen van herhaling.
De keuze voor het handhavingsinstrument wordt bepaald door de ernst van de overtreding, het risico voor de fysieke leefomgeving, de houding van de overtreder, de mogelijkheid van herstel en de proportionaliteit van de maatregel. Daarbij wordt tevens beoordeeld of legalisatie nog tot de mogelijkheden behoort.
9.4 Prioritaire handhavingsopgaven in 2026
De inzet op handhaving volgt de prioriteiten uit hoofdstuk 6 en de risicomatrix uit het VTH-beleid. Dat betekent dat in 2026 met name handhavingscapaciteit wordt ingezet op overtredingen die verband houden met grotere bouwafwijkingen en bouwen in strijd met een verleende vergunning, constructieve veiligheid en brandveiligheid, bestaande bouw waar risico’s voor veiligheid of gezondheid aan de orde zijn, sloopactiviteiten zonder of in afwijking van melding of vergunning, gebruik van bouwwerken in strijd met de geldende regels, voor zover dit een duidelijke ruimtelijke, veiligheids- of leefbaarheidscomponent heeft, en het ontbreken van een vereiste gereedmelding of een volledige verklaring van een kwaliteitsborger in het kader van de Wkb.
9.5 Meldingen en verzoeken om handhaving
In 2026 wordt voor bouwgerelateerde meldingen en handhavingsverzoeken uitgegaan van een indicatieve bandbreedte van 100–125 zaken. Deze zaken lopen uiteen in aard en zwaarte. Een deel daarvan kan na feitelijke constatering informeel worden opgelost of blijkt niet tot een overtreding te leiden. Een ander deel vraagt om juridische opvolging, bestuurlijke besluitvorming en soms ook bezwaar- of beroepsprocedures.
Voor de handhavingspraktijk betekent dit dat niet alleen het aantal zaken van belang is, maar vooral ook de complexiteit per dossier. Zaken waarbij meerdere belangen spelen, waarbij legalisatie ter discussie staat of waarbij sprake is van maatschappelijke gevoeligheid, vergen aantoonbaar meer inzet dan standaardzaken.
9.6 Juridische opvolging en kwaliteit
Handhaving vraagt om een zorgvuldige juridische behandeling. Daarbij gaat het onder meer om het toetsen van de bevoegdheid tot handhavend optreden, het beoordelen van legalisatiemogelijkheden, het opstellen van voornemens en besluiten, het bewaken van termijnen, het behandelen van zienswijzen, bezwaar en beroep en het afstemmen met toezichthouders en andere betrokken disciplines. Een goede dossiervorming en een consistente toepassing van de sanctiestrategie zijn essentieel.
9.7 Proportionaliteit en bestuurlijke zorgvuldigheid
Hoewel handhaving in beginsel plaatsvindt wanneer een overtreding wordt vastgesteld, blijft bestuurlijke zorgvuldigheid het uitgangspunt. Niet iedere overtreding vraagt direct om dezelfde reactie. In de gemeentelijke handhavingspraktijk wordt steeds gekeken naar de ernst van de situatie, de gevolgen voor de leefomgeving en de mogelijkheid tot herstel.
Daarmee wordt voorkomen dat handhaving uitsluitend als formeel instrument wordt ingezet. Handhaving blijft in Ridderkerk nadrukkelijk onderdeel van een bredere naleefstrategie, waarin ook voorlichting, gesprekken, waarschuwingen en herstelgerichte interventies een plaats hebben. Waar zwaarder optreden nodig is, gebeurt dat op een navolgbare, proportionele en juridisch goed gemotiveerde wijze.
10. Milieutaken en samenwerking met DCMR
10.1 Positie van milieu binnen de VTH-uitvoering
De milieutaken binnen het VTH-domein worden voor de gemeente Ridderkerk uitgevoerd door de DCMR Milieudienst Rijnmond. In het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028 is vastgelegd dat deze taken niet binnen het gemeentelijke VTH-beleid zelf inhoudelijk zijn uitgewerkt, omdat zij zijn belegd bij de DCMR. Voor dit onderdeel sluit de gemeente aan bij het jaarlijkse werkplan en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsafspraken tussen gemeente en DCMR.
Dat betekent niet dat milieu buiten de gemeentelijke VTH-opgave valt. De gemeente blijft bestuurlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied en houdt daarom ook voor het milieudeel zicht op afstemming, rapportage en verantwoording.
De uitvoering van milieutaken door de DCMR vindt plaats binnen de kaders van het geldende mandaatbesluit van de gemeente Ridderkerk. Op grond daarvan oefent de DCMR namens het college bevoegdheden uit voor zover deze binnen het takenpakket van de DCMR vallen. Daarbij gelden de door het gemeentebestuur vastgestelde beleidskaders en vindt bij beleidsgevoelige zaken of bij zaken met verwachte politieke of maatschappelijke gevolgen vooraf afstemming met de gemeente plaats.
10.3 Afstemming en samenwerking
De samenwerking tussen de gemeente Ridderkerk en de DCMR vindt plaats op basis van het jaarlijkse werkplan, de reguliere uitvoeringsafspraken en periodieke afstemming over voortgang, signalen en relevante dossiers. Waar nodig wordt ook aangesloten bij bredere overleggen binnen het VTH-domein. Op die manier blijft het milieudeel verbonden met de gemeentelijke uitvoeringspraktijk binnen de fysieke leefomgeving.
10.4 Monitoring en verantwoording
De gemeente ontvangt via de reguliere rapportages en overleggen informatie over de uitvoering van de milieutaken door de DCMR. Daarnaast geldt op grond van het mandaatbesluit dat het college afschriften ontvangt van besluiten die in mandaat zijn genomen en dat monitoring plaatsvindt van de rechtstreeks in mandaat uitgevoerde werkzaamheden. De uitkomsten hiervan worden, voor zover relevant, betrokken bij de gemeentelijke monitoring en verantwoording binnen de VTH-beleidscyclus.
Voor het milieudeel geldt daarmee dezelfde bestuurlijke lijn als voor de overige onderdelen van de VTH-uitvoering: uitvoering op basis van vooraf gemaakte afspraken, periodieke monitoring van voortgang en resultaten, en jaarlijkse verantwoording via de gemeentelijke beleidscyclus.
11. Kwaliteitsborging, monitoring en verantwoording
De kwaliteit van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt in Ridderkerk geborgd binnen de kaders van het VTH-beleid Ridderkerk 2025–2028, het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, het VTH-jaarverslag en de geldende landelijke kwaliteitscriteria VTH 3.0. Daarmee wordt aangesloten op de systematiek van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, waarin is vastgelegd dat het bevoegd gezag de uitvoering planmatig organiseert, evalueert en waar nodig bijstuurt.
In 2026 wordt binnen deze lijn ook verder gewerkt aan het borgen van werkprocessen en zaakgericht werken. Daarbij gaat het niet om een afzonderlijke beleidsdoelstelling, maar om een interne kwaliteitsopgave die ondersteunend is aan een efficiënte uitvoering. Heldere werkafspraken, navolgbare dossiers, eenduidige processtappen en goede informatievastlegging zijn noodzakelijk om de uitvoering bestuurlijk uitlegbaar, juridisch houdbaar en organisatorisch beheersbaar te houden.
Monitoring is noodzakelijk om te kunnen volgen of de uitvoering in 2026 aansluit bij de planning, prioriteiten en doelstellingen van het uitvoeringsprogramma. De gemeente maakt daarbij onderscheid tussen kwantitatieve en kwalitatieve monitoring.
Kwalitatieve monitoring richt zich op de manier waarop de uitvoering plaatsvindt en op de vraag of de inzet daadwerkelijk bijdraagt aan de beleidsdoelen. Daarbij gaat het onder meer om tijdigheid van besluitvorming en opvolging, kwaliteit en volledigheid van dossiers, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van vergunningvoorschriften, juridische kwaliteit van besluiten en handhavingsdossiers, naleefgedrag en effectiviteit van interventies, en de vraag of de prioriteiten uit het uitvoeringsprogramma nog aansluiten op de praktijk.
Monitoring wordt in 2026 ondersteund door de bestaande registratiesystemen en managementinformatie. Daarbij blijft het van belang dat informatie niet alleen beschikbaar is, maar ook bruikbaar is voor sturing, voortgangsgesprekken en jaarlijkse evaluatie.
11.3 Jaarverslag en verantwoording
Het uitvoeringsprogramma en het jaarverslag vormen samen de kern van de gemeentelijke VTH-verantwoordingscyclus. Waar het uitvoeringsprogramma de voorgenomen inzet voor 2026 beschrijft, legt het college in het jaarlijkse VTH-jaarverslag verantwoording af over de daadwerkelijke uitvoering en de mate waarin de beoogde doelen zijn gerealiseerd.
Deze sturingsinformatie is indicatief en bedoeld voor voortgang en bijsturing. Waar nodig kan gedurende het jaar nader worden ingezoomd op specifieke onderdelen van de uitvoering.
Op basis van de voorgaande hoofdstukken worden voor 2026 de volgende actiepunten onderscheiden. Deze actiepunten geven richting aan de uitvoering in 2026 en vormen tevens een aandachtspunt voor monitoring en evaluatie in het jaarverslag.
De actietabel is niet bedoeld als uitputtende opsomming van alle reguliere werkzaamheden, maar als overzicht van de belangrijkste uitvoeringsaccenten voor 2026. De voortgang van deze actiepunten wordt betrokken bij de reguliere monitoring en de jaarlijkse verantwoording in het VTH-jaarverslag.
Bijlage 1. Actueel formatieoverzicht VTH
Onderstaand overzicht is gebaseerd op het actuele door de gemeente aangeleverde formatieoverzicht voor 2026.
Aanvullende inzet: 1,0 fte inhuur voor vergunningverlening/VTH, 1,0 fte inhuur voor toezicht en 16 uur per week inhuur voor constructieve advisering.
Bijlage 2. Werkvoorraad en programmering
De onderstaande tabel geeft de kern van de verwachte werkvoorraad weer in aantallen. De feitelijke urenbelasting is moeilijker te kwantificeren, omdat de complexiteit per dossier sterk kan verschillen.
Bijlage 3. Sturingsinformatie 2026
De gemeente volgt de uitvoering in 2026 aan de hand van een beperkt aantal sturingsonderwerpen. Deze sluiten aan op hoofdstuk 11 van dit uitvoeringsprogramma.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-174722.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.