Gemeenteblad van Ermelo
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ermelo | Gemeenteblad 2026, 173948 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ermelo | Gemeenteblad 2026, 173948 | beleidsregel |
Beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026
belanghebbende: degene die een aanvraag doet als bedoeld in de Participatiewet, de IOAW of IOAZ of degene die een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ, dan wel bijzondere bijstand of een inkomens- of studietoeslag of enige vorm van ondersteuning bij de re-integratie in de arbeid als bedoeld in de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ;
inkomsten uit arbeid: inkomsten uit arbeid waarop loonbelasting of inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet dan wel andere wettelijke verplichte bijdragen ingehouden en afgedragen zijn aan de aangewezen uitvoeringsorganen;
inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17 lid 1 Pw, artikel 13 lid 1 van de IOAZ en artikel 30c, lid 2 en 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waarbij belanghebbende onverwijld en uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of recht op bijstand;
sociaal medische indicatie: Dit is een tijdelijke regeling van de gemeente die kinderopvang mogelijk maakt als ouders door medische of sociale problemen (zoals ziekte of crisis) niet zelf voor hun kind kunnen zorgen. Het is bedoeld voor situaties waarin geen reguliere kinderopvangtoeslag wordt ontvangen;
structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon geleken ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het bijverdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie;
structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen. Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bijvoorbeeld bij:
woonkosten: Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag. Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de eigen woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud;
Afdeling 2 Ondersteuning bij arbeidsinschakeling
Artikel 2.3 Participatieplaats
Het college beoordeelt na een periode van negen maanden na de aanvraag van die werkzaamheden of de participatieplaats de kans op inschakeling in het arbeidsproces voor belanghebbende heeft vergroot. Indien dat niet het geval is, wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.
Artikel 2.6 Loonkostensubsidie
De loonwaarde en de loonkostensubsidie worden minimaal één keer per drie jaar opnieuw beoordeeld, tenzij voor alle betrokken partijen duidelijk is dat dit geen meerwaarde zal hebben. Wordt de loonkostensubsidie ingezet bij de voorziening beschut werk, dan worden de loonwaarde en loonkostensubsidie minimaal eenmaal per drie jaar vastgesteld.
Boven op de loonkostensubsidie wordt daarnaast een bedrag voor vergoeding van werkgeverslasten opgenomen, waarbij gedacht kan worden aan premies werknemersverzekering, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremie. Het subsidiepercentage is bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 2.8 Persoonlijke ondersteuning bij werk
Het college kan met een werkgever, die vanuit sociaal ondernemerschap meerdere werknemers in dienst heeft waarvoor persoonlijke ondersteuning bij werk noodzakelijk is, specifieke afspraken maken over de invulling en subsidiëring van individuele of groepsgewijze ondersteuning. De gemiddelde subsidie per werknemer kan niet meer bedragen dan het tarief wat gekoppeld is aan het begeleidingsregime zwaar zoals in artikel 2.10 lid 7 is genoemd.
Artikel 2.9 Onderscheid tussen jobcoaching en werkbegeleiding
Jobcoaching is gericht op baanbehoud en zelfstandig functioneren van een kandidaat. Daarnaast kan jobcoaching gericht zijn op begeleiding van de werkgever met als doel de directe collega’s van de kandidaat en zijn direct leidinggevende zodanig te coachen dat zij na afloop zelfstandig de begeleiding kunnen verzorgen.
Werkbegeleiding is gericht op begeleiding op de werkplek door een collega die getraind is in het begeleiden van de werknemers met een arbeidsbeperking. De focus ligt alleen op de werkplek en niet ook op andere leefgebieden, zoals bij jobcoaching. Deze vorm wordt ingezet als er vooral behoefte is aan constante begeleiding op de werkplek en minder aan ondersteuning op de andere leefgebieden.
Afdeling 3. Arbeids Ontheffingen
Het college kan op individuele basis in de onderstaande gevallen (tijdelijk) ontheffing verlenen van de arbeidsplicht en/of de verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie.
Artikel 2.12 Tijdelijke ontheffing vanwege dringende redenen van medische of sociale aard
Het college verleent, conform artikel 9, tweede lid van de Participatiewet, of artikel 37a, eerste lid IOAW/IOAZ tijdelijk ontheffing van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde met ernstige medische of sociale belemmeringen die als gevolg hiervan niet of nauwelijks in staat kan worden geacht om de arbeidsplicht na te komen. De ontheffing staat in relatie tot de arbeidsmogelijkheden.
De medische of sociale belemmeringen, alsmede de arbeidsmogelijkheden worden in beginsel door een onafhankelijk extern deskundige beoordeeld. Alleen als al wordt beschikt over bewijsstukken die voldoende aantonen dat belanghebbende niet in staat is om te werken door medische of sociale belemmeringen kan worden afgeweken van het inwinnen van advies bij een onafhankelijk extern deskundige.
Artikel 2.13 Ontheffing alleenstaande ouder
Het college verleent een tijdelijke ontheffing van de arbeidsplicht aan een alleenstaande ouder met een zorgplicht voor een kind jonger dan 12 jaar zo lang passende kinderopvang en voldoende scholing ontbreekt en als gevolg hiervan de belastbaarheid van de ouder in redelijkheid geaccepteerde arbeid in de weg staat.
Artikel 2.15 Ontheffing vanwege dringende redenen vanwege werkzaamheden als mantelzorger
Het college verleent in individuele gevallen een ontheffing van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde die noodzakelijke mantelzorg verricht voor een zorgbehoevende bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad met een indicatie van acht uur of meer per week, zo lang hierin niet op andere wijze kan worden voorzien.
Artikel 2.16 Ontheffing bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
Het college verleent, conform artikel 9, vijfde lid van de wet, volledige en permanente ontheffing van de arbeidsplicht, de re-integratieplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden aan een uitkeringsgerechtigde die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Hoofdstuk 3 Inkomensondersteuning
Afdeling 1. Regels over inkomstenvrijlating
Artikel 3.2 Giften en kostenbesparende bijdragen
Kostenbesparende bijdragen en giften boven het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Participatiewet, per kalenderjaar worden individueel beoordeeld. Hierbij wordt bezien of de hoogte en de reden van de gift of kostenbesparende bijdrage vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.
Voedingsgeld, waaraan een Wlz-indicatie ten grondslag ligt, dat door een instelling structureel aan belanghebbende wordt overgemaakt ter compensatie van eten, drinken en wassen op grond van de Wlz, wordt niet als middel in aanmerking genomen.
Artikel 3.4 Materiële en immateriële schadevergoeding
Indien de schadevergoeding voor immateriële schade meer bedraagt dan € 5.000 wordt 2/3 deel van het overschot van het bedrag in aanmerking genomen als vermogen. Er moet altijd een individuele afweging plaatsvinden om vast te stellen of een hoger bedrag moet worden vrijgelaten. Daarnaast blijft de vermogensvrijlating als genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatewet van toepassing.
Een toename van het vermogen als gevolg van een erfenis wordt meegenomen vanaf de datum van overlijden van de erflater. Is het vermogen na een erfenis hoger dan de van toepassing zijnde vermogensgrens dan wordt de te veel betaalde bijstand netto teruggevorderd rekening houdend met de successierechten.
Artikel 3.6 Normwijziging bij verblijf in inrichting
Belanghebbenden die een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen en (tijdelijk) worden opgenomen in een inrichting behouden hun dan geldende bijstandsnorm, gedurende de maand van opname, plus de daaropvolgende twee maanden. Vervolgens wordt de norm per eerste dag van de derde maand omgezet naar de inrichtingsnorm.
Artikel 3.8 Waarde voertuigen bij vermogensvaststelling
De waarde van een vervoermiddel wordt voor het vaststellen van het vermogen als volgt in aanmerking genomen en vastgesteld:
Wanneer de waarde niet bepaald kan worden door de BOVAG/ANWB koerslijst, wordt de waarde bepaald door middel van aankoopbewijzen, leeftijd, opgegeven onderhoudstoestand en vergelijkingen in aanbiedingen op websites voor tweedehands auto's (Autotrack). Dit is de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer, zoals blijkt uit artikel 34 lid l onder a, PW
Artikel 3.10 Bijzondere bezittingen
De actuele waarde van deze bezittingen wordt tot het vermogen gerekend. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer. Als de waardevermeerdering van de onder dit artikel genoemde bezittingen tijdens de bijstand het resterend vrij te laten vermogen overschrijdt dient belanghebbende deze wijziging binnen 14 dagen door te geven.
Artikel 3.12 Zoektermijn jongeren
In afwijking van artikel 41, vierde lid, Participatiewet kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de zoektermijn voor jongeren onder de 27 van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.
Artikel 3.14 Bijstand met terugwerkende kracht
In ieder geval is sprake van individuele omstandigheden waarin het college de bijstand kan toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden is gelegen voor de dag waarop de belanghebbende zich gemeld zoals bedoeld in artikel 44, vijfde lid, Participatiewet, indien:
Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een drempelbedrag voor de bijzondere bijstand toe te passen.
Artikel 4.1 Beoordeling noodzakelijkheid
Artikel 4.10 Aanvullende bijstand voor levensonderhoud voor jongeren
De verhoging, bedoeld in artikel 20, derde lid, Participatiewet, in combinatie met de normen, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, Participatiewet, is niet hoger dan de norm die geldt voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.
De hoogte van de bijzondere bijstand zoals bedoeld in het vierde lid van de alleenstaande of gehuwde jongere betreft maximaal het verschil tussen de verhoging, bedoeld in artikel 20, derde lid, Participatiewet, in combinatie met de normen, bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, Participatiewet, en de norm voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.
Artikel 4.12 Woonkostentoeslag
De woonkostentoeslag is een tijdelijke financiële bijdrage van de gemeente (als vorm van bijzondere bijstand) om de huur of hypotheek te kunnen betalen. U kunt Woonkostentoeslag aanvragen als u buiten uw schuld om de woonkosten niet meer kunt dragen en geen (volledig) recht heeft op huurtoeslag.
Hoogte woonkostentoeslag bij een huurwoning
wanneer de huurtoeslag wordt ontvangen, maar de kale huurprijs de maximale subsidiabele huurgrens van de Wet huurtoeslag (zoals jaarlijks vastgesteld) overschrijft, kan een aanvullende toeslag worden toegekend ter compensatie van de niet-gesubsidieerde huurcomponent. Deze toeslag bedraagt het verschil tussen de kale huurprijs en de maximaal vastgestelde subsidiabele huurgrens van de Wet op de huurtoeslag, verminderd met de individueel vastgestelde draagkracht van de belanghebbende.
Hoogte woonkostentoeslag bij een eigen woning
De hoogte van de woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt per maand vastgesteld volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag. Voor het vaststellen van de rekenhuur bij een eigen woning worden de volgende kosten van de door belanghebbende daadwerkelijke bewoonde woning in ogenschouw genomen:
Indien de kosten genoemd in lid 4 meer bedragen dan de maximale huurgrens, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag tot het bedrag van de maximale huurgrens vastgesteld, volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag. Vervolgens wordt dit verhoogd met het verschil tussen de maximale huurgrens en de kosten voor de eigen woning.
Aan de belanghebbende aan wie de woonkostentoeslag wordt verstrekt, wordt op grond van artikel 55 van de P-wet een inspanningsverplichting opgelegd om de woonlasten in overeenstemming te brengen met zijn financiële middelen. De daartoe behorende verplichtingen worden individueel beoordeeld en vastgelegd in de toekenningsbeschikking.
De woonkostentoeslag wordt in beginsel toegekend voor zes maanden en gaat op zijn vroegst in op de eerste van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
Verlenging met (steeds) dezelfde periode is toegestaan, mits de belanghebbende zich voldoende heeft ingespannen om de woonlasten in overeenstemming te brengen met zijn financiële middelen.
Artikel 4.13 Vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting
Tijdens een tijdelijk verblijf in een inrichting (artikel 1 onder f Pw.) kan voor een belanghebbende die algemene bijstand ontvangt, of zou moeten ontvangen indien deze niet in een inrichting zou verblijven, gedurende maximaal zes maanden bijzondere bijstand worden verleend voor de doorbetaling van de vaste lasten in verband met het aanhouden van de woning. De hoogte van deze bijzondere bijstand bedraagt 65% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Artikel 4.14 Verhuis- en inrichtingskosten
De kosten voor verhuis- en inrichtingskosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan en moeten van het eigen inkomen of uit het vermogen worden betaald. Belanghebbende moet voor deze kosten geld reserveren door vooraf te sparen of door achteraf te lenen. Voor deze kosten wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verstrekt.
Artikel 4.15 Duurzame gebruiksgoederen
Duurzame gebruiksgoederen behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen uit het periodieke inkomen te worden voldaan. Eventueel door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf. Alleen wanneer een persoon door bijzondere omstandigheden voor hem noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen niet kan aanschaffen kan bijzondere bijstand verleend worden.
Artikel 4.17 Extra kosten van bewassing en kledingslijtage
Het college kan aan een belanghebbende bijzondere bijstand verlenen voor extra waskosten en extra kosten voor slijtage van kleding of schoeisel, indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten en deze niet kunnen worden bekostigd uit een voorliggende voorziening zoals de WMO, Wlz of Zvw.
Artikel 4.21 Personenalarmering
Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor aansluitkosten en de abonnementskosten van personenalarmering, indien deze om medische of sociale redenen noodzakelijk is en niet wordt vergoed vanuit een voorliggende voorziening.
Artikel 4.22 Medische en paramedische kosten
De Zorgverzekeringswet, WMO en de Wet langdurige zorg zijn passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische kosten op grond waarvan deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als bedoeld in artikel 15 van de PW. Kosten die onder deze regelingen vallen, maar waarvoor geen (volledige) vergoeding wordt gegeven, komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van het reguliere openbaar vervoer tarief 2e klas voor het goedkoopst mogelijke traject of op basis van de kortste route per auto volgens de ANWB-routeplanner met een kilometervergoeding van€ 0,23 per kilometer. Er wordt geen vergoeding verstrekt als de enkele reisafstand minder dan 15 kilometer bedraagt.
Het college verleent in beginsel geen bijzondere bijstand voor de kosten van een uitvaart. De kosten van een uitvaart behoren tot de incidentele, noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze kosten kan worden voorzien door de nalatenschap van de overledene en/of een uitvaart, levens- of ongevallenverzekering. De wettelijke of per testament bepaalde erfgenamen zijn aansprakelijk voor de kosten van de uitvaart. Elk van de erfgenamen voor een gelijk deel.
Voor de kosten van een uitvaart (begrafenis of crematie) kan bijzondere bijstand worden verleend aan de erfgenamen als hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om de kosten te dekken. Erfgenamen kunnen voor hun eigen aandeel in de kosten bijzondere bijstand aanvragen.
De volgende voorwaarden gelden voor verstrekking:
Vergoeding is mogelijk voor een sobere uitvaart. Dit betekent dat voor bijzondere bijstandsverlening voor uitvaartkosten wordt uitgegaan van een vergoeding van maximaal € 4.300, - (naar rato verdeeld over het aantal erfgenamen). De kosten voor een uitvaart zijn uitgesplitst in de prijzengids van het Nibud. Als de kosten lager zijn, dan wordt het factuurbedrag uitgekeerd;
Afdeling 5. Bijzondere financiële regelingen
Artikel 4.25 Tegemoetkoming eigen bijdrage Kinderopvang
De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt beperkt tot het maximum aantal uren zoals aangegeven in artikel 8a eerste lid van het Besluit kinderopvangtoeslag en is nooit meer dan het aantal uren dat wordt afgenomen.
De tegemoetkoming voor de persoon die uitstroomt naar werk wordt verstrekt voor maximaal 12 maanden.
Afdeling 6. Categoriale bijzondere bijstand
Artikel 4.28 Collectieve zorgverzekering Minima (CZM)
Deelname aan de Collectieve Zorgverzekering Minima wordt beëindigd zodra belanghebbende niet meer voldoet aan de voorwaarden zoals benoemd in lid 3, maar niet eerder dan op de eerstvolgende wijzigingsdatum l januari daaropvolgend. Bij overlijden of verhuizing naar een andere gemeente of het buitenland geldt als beëindigingsdatum de mutatiedatum in de Basisregistratie Personen.
Artikel 4.29 Tegemoetkoming aanvullende zorgverzekering (TAZ)
Op dit artikel is een overgangsperiode van toepassing. Tot 31 december 2026 kan de tegemoetkoming aanvullende zorgverzekering tot 12 maanden terug worden toegekend, indien belanghebbende daar om verzoekt en belanghebbende voldoet aan de voorwaarden zoals benoemd in lid 2 van dit artikel. Vanaf 1 januari 2027 wordt de tegemoetkoming enkel toegekend per kalenderjaar zoals benoemd in lid 3 van dit artikel.
Hoofdstuk 6 Sociaal medische indicatie kinderopvang
Voor een tegemoetkoming voor kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie komen in aanmerking:
Artikel 6.2 Voorliggende voorziening
Het college weigert de tegemoetkoming indien er sprake is van een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn, tenzij een aanvulling op de voorliggende voorziening noodzakelijk is. Tot een voorliggende voorziening wordt gerekend:
Artikel 6.3 Voorwaarden en duur van de tegemoetkoming
Tegelijk met de indicatiestelling wordt door het CJG, klantmanager Meerinzicht of team Jeugd met de ouder(s) een integraal plan van aanpak voor het hele gezin opgesteld om de situatie waarvoor de afgifte van de sociaal medische indicatie noodzakelijk is op te lossen. Het plan vermeldt ook de verwachte tijdsplanning en concrete afspraken met de ouders met betrekking tot te ondernemen acties.
De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als professionele begeleiding, via het Jeugdteam of andere bij het gezin betrokken professionals, wordt ingezet om de problematiek weg te nemen of te verminderen. Het niet meewerken of stopzetten van de professionele begeleiding is een reden om de tegemoetkoming te weigeren of te stoppen.
Op basis van de sociaal medische indicatie is op aanvraag éénmaal verlenging van de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang mogelijk op basis van indicatie van het Centrum Jeugd en Gezin of Team Jeugd. Verlenging vindt alleen plaats als de ouder(s) heeft meegewerkt of in voldoende mate meewerkt aan hulpverlening om de situatie te verbeteren en de noodzaak van kinderopvang weg te nemen. De duur van die verlenging is maximaal 6 maanden.
Artikel 6.4 Tijdelijke indicatie
Indien niet gewacht kan worden op de indicatiestelling kan door het CJG of team Jeugd of een daartoe aangewezen medewerker van Meerinzicht een tijdelijke indicatie worden gesteld voor een maximale termijn van 3 maanden, in de situatie waarin gevreesd moet worden dat hierdoor het herstel van de gewenste situatie in ernstige mate wordt belemmerd, of omdat sprake is van een crisissituatie waarin directe maatregelen genomen moeten worden.
Binnen de termijn als bedoeld in lid l dient de indicatie alsnog door het CJG of team Jeugd te worden gesteld. Indien het CJG of team Jeugd van oordeel is dat opvang op basis van een sociaal medische indicatie niet van toepassing is, eindigt de vergoeding van de kinderopvang bij afloop van de tijdelijke termijn.
Artikel 6.5 Hoogte en omvang van de tegemoetkoming
De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van:
In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, wordt de tegemoetkoming van 100% van de vastgestelde en subsidiabele kosten verleend, indien het inkomen van de ouder(s) op de peildatum niet hoger is dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. In dit geval is de ouder geen eigen bijdrage verschuldigd en vervalt de noodzaak tot het aanvragen van bijzondere bijstand voor de vergoeding van het resterende bedrag.
Hoofdstuk 7 Hardheidsclausule en algemene- en overgangsbepalingen
In voorkomende gevallen van bijzondere omstandigheden kan van deze regels worden afgeweken op grond van artikel 4:48 Awb.
Artikel 7.2 Algemene bepalingen
Er bestaat een groep die door samenloop van regelingen een netto-inkomen (exclusief toeslagen) heeft op het sociaal minimum, maar een lager besteedbaar inkomen heeft omdat zij minder toeslagen krijgen. Dat komt omdat het fiscale inkomen boven het sociaal minimum ligt. Dit wordt de alleenverdienersproblematiek genoemd.
Alleenverdiener: Het huishouden zoals bedoeld in artikel 78f tot en met 78m, hoofdstuk 9a, Participatiewet
Huishouden: Twee personen die fiscaal partner en toeslagpartner van elkaar zijn voor het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
Artikel 7.5 Vaste tegemoetkoming
Vaste tegemoetkoming: Het bedrag dat over de kalenderjaren 2025,2026 en 2027 per jaar wordt vastgesteld bij ministeriële regeling in het kader van artikel 78f tot en met 78m, Participatiewet.
Toelichting beleidsregels Participatiewet Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2026
Bij de definiëring van deze begripsbepalingen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen van de Participatiewet, de IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht als ook de integrale verordening Sociaal Domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde.
Afdeling 1 Algemene bepalingen
Artikel 2.1 Re-integratietraject/ Plan van aanpak
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Afdeling 2 Ondersteuning bij arbeidsinschakeling
Artikel 2.2 Bepalingen over voorzieningen
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 2.3 Participatieplaats
Een participatieplaats biedt de werknemer de mogelijkheid om langere tijd (maximaal 2 jaar) onbetaald werkervaring op te doen. Een participatieplaats is bedoeld voor mensen die een heel kleine kans op werk hebben. De werknemer verricht aanvullende werkzaamheden, geen regulier werk.
Begrip additionele werkzaamheden
Onder 'additionele werkzaamheden' wordt op grond van artikel 10a lid 2 Participatiewet verstaan: primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van de Participatiewet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De zinsnede 'naast of in aanvulling op reguliere arbeid' is bedoeld om duidelijk te maken dat de werkzaamheden niet mogen leiden tot concurrentievervalsing (zie TK 2006-2007, 30 650, nr. 24).
Regulier of additioneel: werkzaamheden boven de formatie en met speciale begeleiding. Een functie is niet per definitie regulier of additioneel. Ook bij vrijwilligerswerk is niet altijd sprake van additionele werkzaamheden, zie (CRvB, 29 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3300).
Het gaat om de wijze waarop activiteiten worden verricht binnen een bepaalde functie. Een functie die binnen een organisatie niet regulier voorkomt, kan met ondersteuning vanuit de organisatie en de gemeente als additioneel worden gecreëerd om te worden ingezet als participatieplaats. Een functie die binnen een organisatie regulier voorkomt kan ook een participatieplaats zijn, maar alleen als deze functie boven de formatie is en alleen met speciale begeleiding kan worden verricht. Het maakt niet uit of het al dan niet een functie is in een commercieel bedrijf.
Een proefplaatsing kan worden ingezet zodat werkgever en werknemer elkaar wederzijds kunnen leren kennen. Na een proefplaatsing weten beide partijen wat ze van de ander mogen verwachten, dit vergroot de kans op het succesvol aangaan van een arbeidsovereenkomst. In de periode van de proefplaatsing kan ook de loonwaarde van de persoon worden gemeten. Op deze manier kan vóór het aangaan van een arbeidsovereenkomst op een objectieve manier vastgesteld worden hoe hoog de inzet van loonkostensubsidie moet zijn.
Beschut werk is werk in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden. Beschut werk is bedoeld voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking. Mensen die alleen kunnen werken in een 'beschutte' omgeving, onder aangepaste omstandigheden. Zij hebben meer begeleiding en aanpassing van hun werkplek nodig dan van een reguliere werkgever is te verwachten, al zijn er soms werkgevers die mensen in beschut werk aannemen of op detacheringsbasis beschut werk bieden.
Het UWV beoordeelt in opdracht van de gemeente of op verzoek van betrokkene zelf of de betreffende persoon voor een beschutte werkplek in aanmerking komt. Geeft het UWV een advies beschut werk af, dan kan de gemeente een indicatie beschut werk afgeven en op zoek gaan naar een passende werkplek. De gemeente heeft contractafspraken met het sociaal ontwikkelbedrijf om de plaatsing te realiseren omdat zij hier de juiste expertise en ook voor velen over een passende infrastructuur beschikken.
Bij de uitvoering van beschut werken wordt invulling gegeven aan de principes 'zo regulier mogelijk' en 'zo lokaal mogelijk'. Dat kan bij een reguliere werkgever zijn, maar kan ook in de beschutte infrastructuur van het sociaal ontwikkelbedrijf zijn.
Beschut werk heeft altijd de vorm van een dienstbetrekking. Op een dienstbetrekking voor beschut werk is het arbeids- of ambtenarenrecht van toepassing. Andere vormen van activering zonder dienstbetrekking, zoals werken met behoud van uitkering, vrijwilligerswerk en (arbeidsmatige) dagbesteding vallen niet onder de definitie van beschut werk volgens de Participatiewet.
De gemeente krijgt jaarlijks een taakstelling en financiële middelen om een x aantal beschut werkplekken te realiseren. Zodra de gemeente de taakstelling gerealiseerd heeft, komen nieuwe geïndiceerden op een wachtlijst. Zodra er ruimte in de taakstelling komt komen jongeren met voorrang in aanmerking voor een werkplek, tenzij er geen passende werkplek voor betrokkene beschikbaar is.
Om de kansen van de geïndiceerden te vergroten kan het college re-integratievoorzieningen inzetten gedurende de tijd dat deze op de wachtlijst staat.
Artikel 2.6 Loonkostensubsidie
Met ingang van 1 juli 2023 kan de aanvraag voor loonkostensubsidie (LKS) worden ingediend tot zes maanden na aanvang van het dienstverband. Zowel een werkgever als een werknemer kunnen een aanvraag LKS indienen. Een aanvraag kan ook worden gestart bij de aanvang van een proefplaatsing.
De loonkostensubsidie is in principe niet gebonden aan een termijn en kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. De loonwaarde en de loonkostensubsidie worden jaarlijks opnieuw beoordeeld, tenzij voor alle betrokken partijen duidelijk is dat dit geen meerwaarde zal hebben. Wordt de loonkostensubsidie ingezet bij de voorziening beschut werk, dan worden de loonwaarde en loonkostensubsidie eenmaal per drie jaar vastgesteld
Boven op de loonkostensubsidie wordt daarnaast een bedrag voor vergoeding van werkgeverslasten opgenomen, waarbij gedacht moet worden aan premies werknemersverzekering, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en pensioenpremie. Het vergoedingspercentage is bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 2.7 Persoonlijke voorzieningen
Voor de doelgroep loonkostensubsidie kunnen persoonlijke voorzieningen worden ingezet.
Onder persoonlijke voorzieningen verstaan we een vervoersvoorziening om een werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te bereiken, een noodzakelijke intermediaire activiteit ingeval er sprake is van een motorische beperking of een meeneembare voorziening voor de inrichting van de werkplek, de productie-en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of de opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Zie hiervoor artikel 10e van de Participatiewet.
Voor tolkvoorzieningen en werkvoorzieningen visueel beperkten is het UWV verantwoordelijk (zie artikel 10e en respectievelijk artikel 1Oh van de Participatiewet.
Artikel 2.8 Persoonlijke ondersteuning bij werk
Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om goed te functioneren en de aan hem opgedragen taken uit te voeren. Persoonlijke ondersteuning bij werk bevat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Jobcoaching wordt in principe in natura aangeboden, tenzij de werkgever of werknemer dit niet wil. Dan kan een jobcoach naar keuze worden aangeboden, mits deze voldoet aan de kwaliteitseisen zoals in de integrale verordening sociaal domein is vastgesteld. In het geval dat de werkgever een eigen jobcoach in dienst heeft of dat er sprake is van een interne werkbegeleider is dan verstrekken wij de vergoeding in de vorm van een subsidie.
Artikel 2.9 Onderscheid tussen jobcoaching en werkbegeleiding
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Bij een 0-urencontract wordt geen subsidie toegekend, omdat niet bepaald kan worden hoeveel uren iemand werkt. Het uitgangspunt voor jobcoaching is een arbeidsduur van minimaal 12 uur per week.
Voor de intensiteit van jobcoaching gelden drie regimes, te weten licht, midden en zwaar, met daarin een afbouw na het eerste jaar. Jaarlijks vindt er een beoordeling plaats in hoeverre het regime nog passend is. De totale ondersteuning is maximaal 3 jaar. Is daarna nog ondersteuning nodig, dan is de vraag of de werkplek wel als passend voor deze persoon aangemerkt kan worden of dat het nodig is dat er naar een andere werkplek gezocht wordt. Het kan ook zijn dat de voorziening beschut werk beter aansluit op de mogelijkheden van de betrokkene.
De toekenning van de regimes vindt plaats op basis van het verwachte aantal benodigde begeleidingsuren per jaar met een maximum aantal uren of een maximale vergoeding. Uitgangspunt bij de berekening is dat een werkweek 36 uur bedraagt en dat een arbeidsjaar 48 werken bedraagt.
Rekenvoorbeeld voor jobcoaching in natura of een jobcoach naar keus van de werkgever:
Uurtarief: €103,24 (tarief 2024). Dit is een all-in tarief exclusief BTW waarin onder andere de reiskosten en reistijd zijn opgenomen.
Bij een contract van 26 uur per week en die valt onder een midden tarief, worden de uren als volgt berekend:
6% x 26 uur x 48 weken= 74,88 uur. We vergoeden echter maximaal 52 uur. De totale Jobcoachingsvergoeding over het eerste jaar is dan 52 uur x €103,24 = € 5.368,48.
Rekenvoorbeeld voor interne jobcoaching (subsidie):
Bij een contractomvang van 26 uur per week valt betrokkene onder het middentarief. De berekening van de subsidie is dan als volgt:
€ 5.583,98/ 36 uur x 26 uur=€ 4.032,87.
Artikel 2.11 Interne werkbegeleiding
Bij een 0-urencontract wordt geen subsidie toegekend, omdat niet bepaald kan worden hoeveel uren iemand werkt. Het uitgangspunt voor jobcoaching is een arbeidsduur van minimaal 12 uur per week en een werkweek van 36 uur. Bij minder uren of een korter dienstverband wordt de subsidie naar rato verstrekt.
Inzet van jobcoaching en interne werkbegeleiding tegelijkertijd heeft niet de voorkeur. Van een jobcoach wordt in principe verwacht dat deze samen met de werkgever kijkt hoe het werk zo ingericht wordt dat betrokkene zelfstandig de taken kan uitvoeren. Indien blijkt dat de inzet van zowel een jobcoach als een intern werkbegeleider nodig is, dan kan de totale totale vergoeding voor een werknemer niet meer bedragen dan het maximumtarief dat gekoppeld is aan het begeleidingsregime ‘zwaar’ voor jobcoaching.
Afdeling 3. Arbeidsontheffingen
Met de komst van de Participatiewet is het niet langer mogelijk ontheffing te verlenen van de re-integratieplicht. Volledige ontheffing is alleen nog mogelijk als iemand volledig duurzaam arbeidsongeschikt is. Alleen op grond van dringende redenen kan tijdelijk ontheffing worden verleend van de arbeidsplicht. Het is dus ook louter (ontheffing van) de arbeidsplicht waarop deze beleidsregel betrekking heeft. De begrippen "dringende redenen" en "tijdelijk" in het tweede lid van artikel 9 van de Participatiewet bieden het college enige beleidsvrijheid.
Het is de bedoeling dat het college kritisch is bij de beoordeling of een belanghebbende al dat niet in aanmerking komt voor ontheffing van de arbeidsplicht. Minder acute medische belemmeringen mogen als zodanig in de meeste gevallen geen aanleiding zijn voor een ontheffing. Eventuele aanwezige belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren kunnen worden weggenomen door het aanbieden van individueel toegesneden voorzieningen. Om een juiste individuele beoordeling te garanderen, verdient het aanbeveling zo veel mogelijk gebruik te maken van de vastgestelde indicaties en adviezen van deskundigen. Onder een deskundige wordt in dit kader een medisch specialist, professionele hulpverlener of een door het college aangewezen medisch adviseur verstaan.
Het verlenen van een ontheffing is uiteindelijk maatwerk en afhankelijk van individuele omstandigheden.
De belanghebbende aan wie de ontheffing wordt verleend kan verplicht worden om zich, conform artikel 55 Participatiewet en op advies van een arts, te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.
Artikel 2.12 Tijdelijke ontheffing vanwege dringende redenen van medische of sociale aard
Medische en/of sociale belemmeringen op zich zijn geen reden voor ontheffing. Algemene factoren (bijvoorbeeld leeftijd of slechte arbeidsmarkt) kunnen nooit als een grond voor ontheffing gelden. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden een uitkeringsgerechtigde wél heeft om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. Hierbij moet rekening worden gehouden met de belemmeringen (bijvoorbeeld rugsparende arbeid of aanpassing van de werkplek). Om zeker te zijn van een juiste, individuele beoordeling maakt het college in de regel gebruik van de adviezen van onafhankelijke externe deskundigen. In sommige gevallen is de individuele beoordeling naar de arbeidsmogelijkheden van een uitkeringsgerechtigde zo voor de hand liggend dat er geen onafhankelijke en externe deskundige geraadpleegd hoeft te worden. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld een extreme (drugs-)verslaving of een terminale ziekte. In gevallen waarbij sprake is van een tijdelijke opname of verslaving wordt ontheffing verleend, waarbij aan de uitkeringsgerechtigde, conform artikel 55 van de Participatiewet, nadere verplichtingen worden gesteld die strekken tot arbeidsinschakeling. Te denken valt aan het zich onder behandeling laten stellen van een arts, psycholoog of afkickcentrum.
Als advies is gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige is de duur van de ontheffing in principe gelijk aan de periode die is aangegeven in het medisch advies, doch maximaal één jaar. Na één jaar moet een herbeoordeling plaatsvinden. Bij het eerstvolgende onderzoek naar de verleende ontheffing(en) toetst het college opnieuw of er (nog) sprake is van dringende redenen.
Artikel 2.13 Ontheffing alleenstaande ouder
lid 1 t/m 5 Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar oud
Alleenstaande ouders die de (volledige) zorg hebben voor kinderen tot 5 jaar kunnen een verzoek indienen voor vrijstelling van de arbeidsplicht en inschrijving bij het UWV. Dit staat in artikel 9a van de Participatiewet en artikel 38 van de IOAW/IOAZ. Het betreft een 'voor wat, hoort wat'-regeling. Het is niet de bedoeling dat de vrijstelling een eenzijdige aangelegenheid is. In combinatie met de zorg voor het kind moet de alleenstaande ouder zorgen dat zijn/haar positie op de arbeidsmarkt verbetert, dan wel niet verslechtert. De re-integratieplicht blijft daarom wel gelden. De re-integratieplicht bestaat bijvoorbeeld uit het volgen van scholing of een opleiding tot startkwalificatieniveau. Binnen zes maanden na het ontheffingsverzoek stelt het college in een plan van aanpak vast hoe de alleenstaande ouder de re-integratieplicht gaat invullen. Het college beoordeelt de voortgang van het plan elke zes maanden. Het college geeft geen ontheffing of trekt de ontheffing in als uit houding en gedraging van de alleenstaande ouder ondubbelzinnig blijkt dat deze de re-integratieplicht niet wil nakomen. De maximale ontheffingsduur is vijf jaar, ongeacht het aantal kinderen, de duur en frequentie van de bijstandsverlening. Perioden waarin het college eerder een ontheffing verleende, bijvoorbeeld bij een eerdere bijstandsverlening of bij een verhuizing, telt het college bij elkaar op. Het college houdt de start van de ontheffingsperiode en de eventuele onderbrekingen bij in het dossier van de betreffende alleenstaande ouder.
Bij co-ouderschap is maatwerk aan de orde. Voor de dagen dat de alleenstaande ouder niet de volledige zorg heeft, blijft de plicht tot arbeidsinschakeling voor hem/haar gelden. Na de periode van vijf jaar ontheffing of als het jongste kind vijf jaar is geworden, gaat de arbeidsplicht gelden.
lid 6. Zorgplicht alleenstaande ouders
In artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet en in artikel 37a, eerste lid, van de IOAW/IOAZ staat dat het college een uitkeringsgerechtigde om individuele redenen tijdelijk een ontheffing verleent van de plicht tot arbeidsinschakeling of een tegenprestatie indien daar dringende redenen voor zijn. Zorgtaken kunnen als dringende reden worden aangemerkt voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van het bieden van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de Participatiewet. Een van de uitgangspunten van de Participatiewet, IOAW en IOAZ is het leveren van maatwerk aan de individuele belanghebbende. Er dient een individuele beoordeling vooraf te gaan aan de beslissing om ontheffing te verlenen op grond van dit artikel en deze ontheffing dient schriftelijk te worden vastgelegd en ook als zodanig aan belanghebbende kenbaar te worden gemaakt.
Het college maakt een afweging tussen de arbeidsplicht en de zorgtaak van de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar en/of kinderen van 12 tot 18 jaar met een handicap. Het college maakt in deze situaties een individuele afweging en kan daarbij bepalen dat sommige vormen van arbeid niet aangenomen hoeven te worden vanwege de individuele situatie. Bijvoorbeeld als de werktijden en reistijden niet te combineren zijn met de zorg voor kinderen en dit niet op te lossen is door het aanbieden van een voorziening, zoals kinderopvang, of aangepaste werktijden.
Om alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar te verplichten om algemeen geaccepteerde arbeid te accepteren moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dat is te lezen in artikel 9, vierde lid, van de Participatiewet en artikel 37a, tweede lid, van de IOAW/IOAZ. Aandachtspunten zijn: passende kinderopvang, tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang en de aansluiting op de schooltijden. Opvang is passend als er binnen de gemeentegrenzen of in de plaats waar de alleenstaande ouder werkt opvang aanwezig is. Uiteraard rust op de ouder(s) een inspanningsverplichting om kinderopvang, tussenschoolse opvang en buitenschoolse opvang te realiseren.
Artikel 2.14 Ontheffing personen verblijvend in Wlz -instelling
Wlz-instellingen zijn instellingen of woonvormen die intensieve zorg, toezicht en begeleiding bieden aan personen met een ernstige geestelijke en/of lichamelijke beperking. Aan de opname in een Wlz-instelling gaat een strenge indicatie vooraf, waarvan medische keuringen deel uitmaken. Het college is van mening dat uit de praktijk gebleken is dat een dergelijke begeleiding en/of behandeling dusdanig intensief is dat de mogelijkheid tot re-integratie erg beperkt is. Als gevolg daarvan wordt aan deze doelgroep ontheffing verleend van de arbeidsplicht en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voor zolang het verblijf in de Wlz-instelling duurt.
Artikel 2.15 Ontheffing vanwege dringende redenen vanwege werkzaamheden als mantelzorger
Mantelzorgers zijn mensen die langdurig, intensief en onbetaald zorgen voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende persoon uit hun omgeving. Mantelzorg is geen vrijwilligerszorg en is informeel van aard. De verplichtingen tot arbeidsinschakeling gelden onverkort voor uitkeringsgerechtigden die taken als mantelzorger uitvoeren, tenzij er redenen zijn voor een tijdelijke ontheffing van de arbeidsplicht.
Vastgesteld moet worden dat het verlenen van zorg niet kan worden gecombineerd met de verplichting tot het verrichten van arbeid voor de duur en het aantal uren waarvoor de mantelzorg noodzakelijk is. Dit is alleen het geval indien:
Indien het college de verrichte mantelzorg niet in redelijke verhouding vindt staan tot de arbeids- en/of re-integratieplicht van betrokkene, kan het college besluiten de ontheffing niet te verlenen. In dat geval dient het college zich wel te vergewissen van een voorhanden zijnde adequaat alternatief voor hulp die de mantelzorger verleent.
Het college kan een externe deskundige om advies vragen over het aantal uren en de looptijd van de ontheffing. Ook kan hiervoor gebruik worden gemaakt van andere indicatiestellingen. De ontheffing vindt in redelijkheid plaats, waarbij de uren die moeten worden besteed aan zorgtaken in relatie moeten staan tot de resterende arbeidsuren, waarbij uitgegaan wordt van een 36-urige werkweek.
Artikel 2.16 Ontheffing bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
Conform artikel 9, lid 5 van de Participatiewet zijn de verplichtingen, zoals bedoeld artikel 9, lid 1, a t/m c van de wet, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt kan als volgt gedefinieerd worden:
2.3.A. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevallen duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% van het maatman inkomen inkomen per uur te verdienen.
2.3.B. In het eerste lid wordt onder ‘duurzaam’ verstaan: een medisch stabiele of verslechterde situatie.
2.3.C Onder ‘duurzaam’ wordt mede verstaan: een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. Het betreft hier een permanente ontheffing.
Hoofdstuk 3 Inkomensondersteuning
In dit artikel zijn de belangrijkste voorwaarden opgenomen die het recht op een vrijlating bepalen. Ten eerste is dit de beoogde doelstelling van de wetgever: het stimuleren van aanvaarding van gehele of gedeeltelijke arbeid door belanghebbenden. Aangenomen wordt dat hier altijd sprake van is, tenzij de aanvaarding van arbeid niet tijdig door belanghebbende gemeld wordt.
Belanghebbenden kunnen niet met terugwerkende kracht gestimuleerd worden om keuzes in het verleden te maken. Als er sprake is van verzwegen inkomsten of fraude kan belanghebbende nu voorgehouden worden dat:
De vrijlating mag niet worden toegepast op de onderdelen uit het inkomen die niet onder de middelen vallen. Niet tot de middelen worden onder andere gerekend de door de werkgever betaalde reiskostenvergoeding, de kilometervergoeding, fietsgeld, koffiegeld, gereedschapsvergoeding, telefoonkostenvergoeding, wasvergoeding ten behoeve van uniformen, overalls en de maaltijdvergoeding.
Wel tot de middelen worden gerekend: het door de werkgever betaalde loon in natura, de winstuitkering en de bonus. Tot de middelen worden eveneens gerekend de zelf verworven inkomsten van marginaal zelfstandigen en cliënten die af en toe een op geld waardeerbare dienst/klus/opdracht uitvoeren (inkomsten op bescheiden schaal), ongeacht of deze een duurzaam karakter hebben.
Personen die bijstand ontvangen en een inkomen (gaan) ontvangen dat net boven de norm uitkomt, zal het college de vrijlating eerst in mindering moeten brengen op de inkomsten. Bedragen de inkomsten na de vrijlating minder dan de norm, dan blijft het recht op (aanvullende) bijstand bestaan. Is het inkomen na de vrijlating gelijk aan of hoger dan de norm, dan bestaat er geen recht meer op bijstand.
Artikel 3.2 Giften en kostenbesparende bijdragen
De Participatiewet bepaalt in artikel 31, tweede lid, onder m, dat giften niet tot de middelen worden gerekend voor zover deze naar het oordeel van het college uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. Met de wijziging van dit artikel sluiten de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde aan bij de landelijke trend om meer ruimte te bieden voor informele steun aan bijstandsgerechtigden.
Vrijlatingsgrens en kostenbesparende bijdragen: Nieuw in dit artikel is dat niet alleen 'giften' (meestal geld), maar ook 'kostenbesparende bijdragen' expliciet worden genoemd. Hierbij valt te denken aan materiële hulp van derden, zoals het betalen van een rekening of het structureel geven van boodschappen. De som van deze bijdragen en giften wordt vrijgelaten tot het wettelijk vastgestelde bedrag per kalenderjaar. Hiermee wordt voorkomen dat kleine gebaren van familie of vrienden direct leiden tot een korting op de uitkering. Boven dit bedrag vindt een individuele beoordeling plaats waarbij maatwerk het uitgangspunt is.
Waardebepaling in natura: Bij bijdragen in natura (zoals goederen of boodschappen) moet de waarde objectief worden vastgesteld om te bepalen of de vrijlatingsgrens wordt overschreden. Hiervoor wordt de waarde in het economisch verkeer gehanteerd of de prijzengids van het NIBUD. Dit zorgt voor een transparante en consistente uitvoering.
Giften met een specifieke bestemming en voertuigen: Giften die bedoeld zijn voor kosten waarvoor men anders bijzondere bijstand of een Wmo-voorziening had kunnen aanvragen, worden volledig vrijgelaten. Dit voorkomt onnodige bureaucratie. Echter, giften in de vorm van een voertuig (of geld direct bestemd voor een voertuig) worden niet als periodiek inkomen gezien, maar als vermogen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.8 om te bepalen of de waarde van het voertuig binnen de grenzen van het vrij te laten vermogen valt. Dit voorkomt dat een kostbare gift direct leidt tot beëindiging van het recht op bijstand, mits het totale vermogen onder de grens blijft.
Meldingsplicht: vertrouwen en handhaving Om de administratieve lasten voor zowel de inwoner als de gemeente te beperken, is de meldingsplicht vereenvoudigd:
Door deze regeling wordt enerzijds de solidariteit in de directe omgeving van de belanghebbende gestimuleerd en anderzijds de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid geborgd.
Het kan voorkomen dat een belanghebbende met een Wlz-indicatie voedingsgeld ontvangt. Dit kan voorkomen bij personen die in een inrichting wonen, of personen die zorg thuis ontvangen (Volledig pakket thuis Wlz). Dit is ter compensatie voor eten, drinken en wassen waar iemand op grond van de Wlz recht op kan hebben. Dit wordt niet altijd in natura verstrekt. Of voedingsgeld voor de bijstand als inkomen moet worden aangemerkt, kunnen meerdere visies worden verdedigd.
Het college overweegt dat voedingsgeld ontvangen vanuit een Wlz-indicatie niet wordt aangemerkt als middel voor de bijstand indien een instelling niet voorziet in voeding in natura. Het uitgangspunt bij de inrichtingsnorm is dat de instelling voorziet in de voedingskosten. In sommige gevallen stelt de instelling hier een bedrag voor beschikbaar aan belanghebbende in plaats van het verstrekken van voeding in natura. Als de instelling wel zou voorzien in voeding wordt dit ook niet aangemerkt als inkomen in natura.
Artikel 3.4 Materiële en Immateriële schadevergoeding
Bij een schadevergoeding wordt onderscheid gemaakt tussen materiële en immateriële schadevergoedingen. Een materiële schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakte kosten zijn, verlies van inkomen of kosten die nog gemaakt moeten worden.
Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Binnen de bijstandsuitkering moet worden gekeken naar de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Is de vergoeding exorbitant hoog, of heeft deze een loondervend karakter, dan kan dat deel wel als middel in aanmerking worden genomen. Voor het gedeelte van de immateriële schadevergoeding dat door de gemeente wordt vrijgelaten, is het aan de belanghebbende om te bepalen waar de vrijgelaten immateriële schadevergoeding voor wordt gebruikt. Invulling geven aan het hervinden van levensvreugde is immers een persoonlijke kwestie.
lid 1. Erfenissen zijn geen giften als bedoeld in onderdeel m van de Participatiewet. Het behandelen van erfenissen als zodanig betreft bovenwettelijk begunstigend beleid. Gezien erfenissen en giften zonder specifieke bestemming allebei ter vrije besteding zijn, worden deze op eenzelfde wijze behandeld.
lid 2. De bijstandsgerechtigde is te allen tijde verplicht om een erfenis te melden bij de gemeente. Ook in de situatie dat de hoogte van de erfenis nog niet is vastgesteld, dient er een melding gemaakt te worden dat er mogelijk recht is op een erfenis.
Artikel 3.6 Normwijziging verblijf in inrichting
Artikel 23 Participatiewet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Van verblijf in een inrichting is sprake vanaf het moment van opname in een inrichting. Bij opname van een belanghebbende in een inrichting wordt de bijstandsnorm gehandhaafd tot en met de laatste dag van de maand van opname, tenzij vooraf bekend is dat belanghebbende zijn woonruimte met ingang van een eerdere datum heeft opgezegd. In dat geval is het reëel de bijstandsnorm te wijzigen in de norm voor verblijf in een inrichting met ingang van de datum waarop de woning is opgezegd.
Vanwege het praktische gegeven dat opnames in inrichting van (zeer) korte duur kunnen zijn en er, met name in het geval van opname in psychiatrische inrichting, sprake kan zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar, is het - mede gelet op de administratieve last - niet wenselijk om de norm (telkens) meteen om te zetten. Dit is eens te meer het geval als het wegvallen van belangrijke bestaanskosten voor belanghebbende niet of slechts in beperkte mate aan de orde is. Bovendien zou in voorkomende gevallen ook steeds bijzondere bijstandsverlening aan de orde kunnen zijn voor de doorlopende vaste lasten.
Wanneer vooraf vaststaat dat de opname van de belanghebbende in een inrichting korter dan 2 maanden zal duren, wordt de bijstandsnorm daarom gehandhaafd. De bijstandsnorm wordt ook gehandhaafd wanneer vooraf vaststaat dat de belanghebbende die in een inrichting verblijft een of meerdere dagen per week thuis verblijft. De toelichting bij artikel 23 Participatiewet motiveert de lagere bijstandsnormen bij verblijf in een inrichting met de mededeling dat personen die ter verpleging of verzorging in een inrichting verblijven, niet geconfronteerd worden met een aantal belangrijke bestaanskosten. In voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke wordt voorzien door de inrichting. De daaraan verbonden kosten zijn begrepen in de verpleeg- of verzorgingsprijs, die over het algemeen uit andere hoofde wordt vergoed (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 51). In situaties waarin de genoemde bestaanskosten niet of slechts in beperkte mate wegvallen door het verblijf in een inrichting, is de motivering voor de toepassing van artikel 23 Participatiewet niet langer meer aan de orde en daarmee de strikte toepassing niet opportuun.
Artikel 3.7 Vermogen in eigen woning
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 3.8 Waarde voertuigen bij vermogensvaststelling
Op grond van artikel 34 Participatiewet worden bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn niet als vermogen aangemerkt. Het college vindt de totale waarde van auto's, motorfietsen, en dergelijke tot een waarde van € 5.000,00 algemeen gebruikelijk (en worden dus niet als vermogen in aanmerking genomen).
De waarde van een caravan of aanhanger wordt volledig in aanmerking genomen en als vermogen aangemerkt. De reden hiervan is dat het bezit van een caravan of aanhanger niet noodzakelijk is voor het verkrijgen van of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Daarvoor is één auto of één motorfiets voldoende.
Voor de vaststelling van de waarde van de auto's, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de koerslijsten van de ANWB (inruilwaarde), zijnde de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 Participatiewet). Van deze goederen die wegens hun leeftijd niet meer in deze koerslijsten zijn opgenomen, wordt aangenomen dat hun waarde nihil is. Van deze uitgangspunten wordt afgeweken indien er aantoonbare verschillen zijn tussen het goed en de uitgangspunten van de koerslijsten, bijvoorbeeld enerzijds een schadeauto en anderzijds een oldtimer. In dat geval wordt de waarde van het voertuig geschat.
Artikel 3.9 Reservering uitvaartkosten
Een verzekering voor de kosten van begrafenis of crematie wordt geacht algemeen gebruikelijk te zijn. Dit kan zowel een verzekering in natura zijn, een verzekering die in contanten uitkeert of een eigen reservering voor die kosten. Indien de verzekering of reservering echter zodanig van vorm is dat gesteld moet worden dat belanghebbende hier niet over kan beschikken, dan kan het college deze op grond van artikel 31 lid 1 Participatiewet niet als middel in aanmerking nemen. Dit zal zich met name voordoen bij uitvaartverzekeringen die in natura uitkeren. Een uitvaartverzekering die in natura uitkeert, wordt altijd vrijgelaten. In het kader van gelijke behandeling van belanghebbende met een verzekering die in natura en die in contanten uitkeert is het redelijk om ook in het tweede geval een bedrag buiten beschouwing te laten. Dit geldt ook wanneer een belanghebbende zelf geld reserveert voor de uitvaart dat niet eerder opvraagbaar is dan na het overlijden van belanghebbende.
Artikel 3.10 Bijzondere bezittingen zoals aandelen, effecten, e-wallet, cryptomunten
Cryptomunten (ofwel cryptocurrency of cryptovaluta) zoals bijvoorbeeld de bitcoin, zijn digitale munteenheden. Als een belanghebbende cryptomunten heeft, dan zijn dat bezittingen als bedoeld in artikel 34 lid 1 onderdeel a Participatiewet waarover belanghebbende beschikt. De cryptomunten dienen te worden toegerekend aan het vermogen van belanghebbende. Dit is alleen anders als sprake is van handel in bitcoins. Dan moeten de inkomsten daarvan worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32 Participatiewet.
Om de waarde van de cryptomunten vast te stellen zal belanghebbende inzage moeten geven in het online transactieoverzicht van de cryptomunten. Onder de waarde moet worden verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt.
Artikel 3.11 Inlichtingenplicht
Artikel 17 lid 1 Participatiewet, artikel 13 lid 1 van de IOAW en IOAZ en artikel 30c lid 3 Wet SUWI schrijven voor dat de van belang zijnde informatie "onverwijld uit eigen beweging" gemeld moeten worden. Op grond hiervan is de belanghebbende slechts verplicht tot het verstrekken van die inlichtingen waarvan het hem 'redelijkerwijs duidelijk moet zijn' dat die van belang zijn voor het recht op een uitkering. Het college moet bepalen binnen welke termijn deze informatie moet zijn ingeleverd om aan het vereiste van "onverwijld uit eigen beweging" te hebben voldaan. Wanneer de belanghebbende al een uitkering ontvangt, dient hij wijzigingen die van invloed kunnen zijn voor het recht op bijstand binnen 14 dagen melden.
Artikel 3.12 Zoektermijn jongeren
Voorheen schreef de Participatiewet dwingend voor dat jongeren tot 27 jaar standaard vier weken moesten zoeken naar werk of scholing voordat zij een aanvraag konden indienen. In het kader van de herijking van de Participatiewet (Participatiewet in balans) is dit uitgangspunt veranderd. Er is nu meer ruimte om af te wijken van de zoektermijn wanneer deze de bestaanszekerheid van de jongeren in gevaar brengt of de re-integratie belemmert.
Directe hulp bij kwetsbaarheid: Dit artikel geeft uitvoering aan de verschuiving van "controle" naar "ondersteuning". Voor kwetsbare jongeren kan het verplicht vier weken wachten leiden tot onoverkomelijke problemen, zoals het oplopen van schulden of het verliezen van onderdak. Het college maakt daarom gebruik van de bevoegdheid om de aanvraag direct in behandeling te nemen wanneer de persoonlijke omstandigheden van de jongere of het gezin daartoe aanleiding geven. Hierdoor kan direct worden gestart met zowel inkomensondersteuning als een passend begeleidingstraject.
Doelgroepen voor directe in behandeling name: In het tweede lid wordt een aantal specifieke situaties benoemd waarbij de zoektermijn in ieder geval niet wordt tegengeworpen. Het gaat hierbij om jongeren die:
Voor deze groepen is de overgangsfase naar zelfstandigheid vaak fragiel. De termijn van 'uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding' borgt dat jongeren die net uit een beschermde omgeving komen, niet tussen wal en schip vallen.
Maatwerk en de menselijke maat: De opsomming in het tweede lid is niet-limitatief. Dit onderstreept de beweging naar de menselijke maat: de consulent beoordeelt per individu of de zoektermijn zinvol is of juist schade aanricht. In situaties van acute nood (bijvoorbeeld bij ernstige psychische problematiek of huiselijk geweld) kan altijd worden afgezien van de zoektermijn.
Het uitgangspunt is dat financiële rust een voorwaarde is voor succesvolle re-integratie. Door bij kwetsbaarheid de aanvraag direct op te pakken, wordt verdere escalatie van problemen voorkomen.
Artikel 3.13 Verkorte aanvraagprocedure na korte onderbreking bijstand
In lijn met de herijking van de Participatiewet (Participatiewet in balans) streeft het college naar een dienstverlening die uitgaat van vertrouwen en het beperken van administratieve lasten voor de inwoner. Wanneer een belanghebbende na een korte onderbreking opnieuw een beroep moet doen op bijstand, is het niet doelmatig om het volledige aanvraagproces opnieuw te doorlopen als de relevante gegevens reeds bij de gemeente bekend zijn.
Efficiëntie en hergebruik van gegevens: Dit artikel regelt dat het college bij een nieuwe aanvraag binnen zes maanden na uitstroom (vanwege werk) of bij wijzigingen in de leefvorm (zoals echtscheiding of samenwonen van twee uitkeringsgerechtigden) gebruikmaakt van de reeds aanwezige dossiergegevens. De inwoner hoeft hierdoor niet opnieuw alle bewijsstukken aan te leveren die niet zijn gewijzigd. Dit leidt tot een snellere besluitvorming en voorkomt dat inwoners onnodig lang zonder inkomen zitten. Het college bepaalt per individueel geval welke aanvullende informatie nog wél strikt noodzakelijk is om het recht op bijstand vast te stellen.
Continuïteit van recht (30-dagen regeling): Een belangrijke toevoeging in het kader van bestaanszekerheid is het vierde lid. Indien de onderbreking van de bijstand korter duurt dan 30 dagen, wordt het recht op bijstand geacht niet te zijn geëindigd. In dat geval is er geen sprake van een nieuwe aanvraag, maar van een voortzetting. Dit voorkomt 'gaten' in de inkomensvoorziening en bespaart zowel de inwoner als de organisatie aanzienlijke administratieve last. Dit is met name relevant voor mensen met onregelmatige kortdurende arbeidscontracten.
Positie van jongeren: Hoewel dit artikel gericht is op versnelling, blijft voor jongeren tot 27 jaar in beginsel de wettelijke zoekperiode van vier weken van kracht. Hiermee wordt beoogd de focus op werk en scholing vast te houden, ook na een korte onderbreking. Echter, in samenhang met artikel 3.12 van deze beleidsregels, behoudt het college altijd de mogelijkheid om van deze zoekperiode af te zien als de individuele situatie van de jongere daar aanleiding toe geeft.
Het uitgangspunt van dit artikel is dat de procedure ondersteunend moet zijn aan de inwoner en dat onnodige bureaucratie wordt vermeden, zeker wanneer de stap naar werk onverhoopt van korte duur is geweest.
Artikel 3.14 Bijstand met terugwerkende kracht
De hoofdregel van artikel 44 Participatiewet is dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend, maar ingaat op de dag dat de belanghebbende zich meldt. In het kader van de herijking van de Participatiewet (Participatiewet in balans) is er echter meer aandacht voor het voorkomen van maatschappelijke schade en het beschermen van de bestaanszekerheid. Dit artikel concretiseert wanneer er sprake is van individuele omstandigheden die een terugwerkende kracht van maximaal drie maanden rechtvaardigen.
Voorkomen van escalatie: Het belangrijkste doel van dit artikel is preventie. Wanneer een inwoner zich te laat meldt – bijvoorbeeld door schaamte, psychische nood of onwetendheid – kunnen de financiële gevolgen in de tussenliggende periode onbeheersbaar worden. Het college hanteert de bevoegdheid om met terugwerkende kracht toe te kennen indien het uitblijven hiervan ernstige gevolgen heeft. Hierbij valt te denken aan:
Spoedige melding na voorliggende voorziening: Een tweede belangrijke grond voor terugwerkende kracht is de situatie waarin een inwoner eerst een andere voorziening heeft aangevraagd (zoals een WW- of ZW-uitkering) die achteraf wordt afgewezen. Als de belanghebbende zich vervolgens direct ("zo spoedig mogelijk") meldt voor bijstand, kan de periode van de aanvraag bij de andere instantie worden overbrugd. Dit voorkomt dat de inwoner wordt gestraft voor het feit dat hij eerst heeft geprobeerd zelfstandig in zijn inkomen te voorzien via een voorliggende regeling.
Individuele onmogelijkheid: Tot slot wordt rekening gehouden met situaties waarin de belanghebbende simpelweg niet in staat was om eerder een aanvraag in te dienen. Dit vergt een individuele beoordeling van de feiten en omstandigheden, waarbij de nadruk ligt op de feitelijke onmogelijkheid om de melding te doen.
Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand
Afdeling1. Algemene bepalingen
Het onderdeel bijzondere bijstand is een uitgebreid en belangrijk onderdeel van deze beleidsregels. Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag inkomen. Bepalend is de draagkracht van de belanghebbende. Het inkomen wordt vergeleken met de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarbij wordt de kostendelersnorm buiten beschouwing gelaten. De bijzondere noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan. De middelen zoals genoemd in de artikelen 31 t/m 33 en een deel van de vermogensbestanddelen van artikel 34 van de Participatiewet worden bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking genomen. Bij het verstrekken van bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de belanghebbende. Het college bepaalt op grond van artikel 35 lid 1 Participatiewet welk deel van het inkomen boven de bijstandsnorm bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen.
Artikel 4.1 Beoordeling noodzakelijkheid
Door bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat een belanghebbende niet over voldoende inkomen of vermogen beschikt om aan bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten te voldoen. Wanneer de belanghebbende geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, de betreffende uitgaven noodzakelijk zijn en voortkomen uit bijzondere omstandigheden, kan bijzondere bijstand worden toegekend. Het gaat altijd om een individuele beoordeling, dus om maatwerk. Dit betekent dat uit de bijzondere individuele omstandigheden de noodzaak van de kosten moet blijken en dat in elke specifieke situatie een zorgvuldige afweging gemaakt moet worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Deze basisuitgangspunten gelden voor iedere aanvraag. Welke kosten daarvoor in aanmerking komen, hangt af van de individuele omstandigheden en wordt dan ook per aanvraag beoordeeld. Het kan hierbij om zeer diverse kostensoorten gaan.
Enkele veel voorkomende kostensoorten zijn in hoofdstuk 4 van deze beleidsregels nader omschreven. Voor het verlenen van bijzondere bijstand is het geen vereiste dat belanghebbende algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt. Ook anderen, die een financiële positie hebben die niet toereikend is om de bijzondere en noodzakelijke kosten te betalen, kunnen een beroep op bijzondere bijstand doen. De Participatiewet is in het stelsel van bestaansvoorzieningen het laatste vangnet. Dat betekent dat bij het bepalen van het recht op bijstand rekening moet worden gehouden met eventuele voorliggende voorzieningen. Volgens artikel 15 lid 1 van de Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op 'een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn'.
Een algemeen uitgangspunt is dat bijzondere bijstand moet worden aangevraagd voordat de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn.
Er kan geen bijstand met terugwerkende kracht worden verleend. Er zijn uitzonderingen op dit uitgangspunt, omdat in bepaalde situaties de aanvraag eenvoudigweg nog niet kan worden ingediend wanneer de kosten nog niet gemaakt zijn. Lid 3 betreft derhalve bijzonder begunstigend beleid, hieronder een nadere toelichting van situaties waarin lid 3 mogelijk van toepassing is:
In bovenstaande gevallen zijn de kosten vaak al voldaan voordat een aanvraag gedaan is. In deze situaties heeft belanghebbende drie maanden de tijd om de aanvraag in te dienen. Het is in principe niet toegestaan om bijstand te verlenen met terugwerkende kracht op basis van artikel 44 lid 1 van de Participatiewet. Dit verbod op bijstandsverlening met terugwerkende kracht geldt ook voor bijzondere bijstand, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. In dat geval kan er gemotiveerd worden afgeweken.
Artikel 4.2 Termijn Periodieke bijzondere bijstand
Voor periodieke bijzondere bijstand kunnen verschillende termijnen bestaan. Bij een periodieke bijzondere bijstand met een duur van langer dan 12 maanden vindt jaarlijks een hercontrole plaats. In 12 maanden kan er immers veel veranderen in bijvoorbeeld de inkomenssituatie, het vermogen, en de gezinssituatie, of woonadres.
Er zijn uitzonderingen waarbij controle op de rechtmatigheid voor periodieke bijzondere bijstand maximaal eenmaal per drie jaar kan plaatsvinden. Dit is het geval in situaties waarin er geen draagkracht is en de verwachting is dat de inkomens- en vermogensgrens niet wijzigt. Hiervan kan sprake zijn bij:
Artikel 4.3 Hoogte van de bijzondere bijstand
De maximale hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op individuele basis of op basis van normbedragen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Per kostensoort wordt aangegeven hoe de hoogte bepaald wordt. Bij het bepalen van de hoogte wordt aangesloten bij de vastgestelde (geïndexeerde) prijzen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Het Nibud is een onafhankelijke stichting die adviseert en informeert over financiën van huishoudens. De gebruikelijke prijzen van een groot aantal kostensoorten worden jaarlijks gepubliceerd in de prijzengids Nibud. Voor een aantal kostensoorten worden afwijkende bedragen gehanteerd indien deze kostensoorten ontbreken in de prijzengids.
Artikel 4.5 Draagkracht in vermogen en middelen
Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag inkomen en weinig tot geen vermogen, waarbij de draagkracht bepalend is. Is er sprake van geen of slechts een beperkte draagkracht, dan kan aanspraak op bijzondere bijstand bestaan voor specifieke kosten, die niet uit het regulier inkomen, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, vermogen of uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan. De bijzondere noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan. Een aantal middelen worden buiten beschouwing gelaten, zoals deze ook voor de algemene bijstand buiten beschouwing worden gelaten. Deze zijn opgenomen in lid 4 van dit artikel.
Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand telt ook het vermogen mee. Immers, iemand met voldoende vermogen is in staat in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Het vermogen wordt vastgesteld op dezelfde manier als voor de algemene bijstandsuitkering. Dat betekent dat volgens artikel 34 lid 3 van de Participatiewet, het vermogen niet meetelt als het onder de vrijlatingsgrens in de Participatiewet blijft. De vermogensgrens staat op 1 januari 2024 voor een alleenstaande op € 7.575,- en voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaande ouders op € 15.150. De bedragen worden halfjaarlijks opnieuw vastgesteld door het Rijk.
Het vermogen dat meer bedraagt dan de genoemde normen in artikel 34 lid 3 Participatiewet, alsmede spaargeld/contanten/saldi voor algemene noodzakelijke kosten, moet eerst aangewend worden voor de betaling van de bijzondere noodzakelijke kosten. Dit betekent dat er geen recht bestaat op bijzondere bijstand indien het vermogen hoger is dan de vermogensgrens.
Het vermogen wordt bepaald op de datum waarop de kosten opkomen. Als het vermogen op dat moment hoger is dan de vrijlatingsgrens, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand.
Het is logisch om een grens te stellen aan het moment van indienen nadat de kosten zich hebben voorgedaan. Om belanghebbende een redelijke termijn tot aanvragen te bieden, kan belanghebbende tot drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen een beroep doen op de bijzondere bijstand.
Uitgangspunt is dat bij een inkomen vanaf 120% tot 150% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, 30% van het meerinkomen moet worden aangewend voor de betaling van de kosten die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Dit is de draagkracht. Is het inkomen meer dan 150% van de geldende bijstandsnorm, dan bestaat er geen recht op bijstand. Het inkomen wordt dan voldoende geacht om in de kosten te kunnen voorzien.
Volgens vaste rechtspraak zijn er kostensoorten die uit een inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Dit worden algemeen noodzakelijke kosten genoemd die ook uit een laag inkomen kunnen worden betaald. Dit inkomen wordt toereikend geacht om voor de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen reserveren, dan wel deze via gespreide betaling achteraf te kunnen voldoen.
Het inkomen wordt vermeerderd met 5% vakantietoeslag. Deze keuze is gemaakt om de uitvoering efficiënt te houden. De gemeente kiest voor een fictief lager inkomen door met een vast percentage vakantietoeslag van 5% te rekenen. Belanghebbende kan feitelijk meer vakantietoeslag ontvangen.
In bijzondere gevallen wordt de draagkracht uit inkomen afwijkend vastgesteld. Er is sprake van een bijzonder geval als het feitelijk besteedbare inkomen zo laag is dat het redelijk is om met deze kosten rekening te houden. Het moet wel gaan om kosten die een verplichtend karakter hebben. Voorbeelden van deze kosten zijn onderhoudsverplichting, beslaglegging, bestuursrechtelijke premie, of woonkosten boven de huurgrens als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag. In deze gevallen wordt rekening gehouden met het wettelijk vrij te laten bedrag of beslagvrije voet indien de individuele situatie daar om vraagt.
Artikel 4.6 Vaststellen vermogen en maandinkomen
Voor het bepalen van het recht op bijzondere bijstand en de hoogte van de draagkracht is een nauwkeurige vaststelling van de financiële positie van de belanghebbende noodzakelijk. Dit artikel regelt de peildata voor zowel het vermogen als het inkomen.
Peildatum vermogen en periodieke bijstand: De hoofdregel voor incidentele kosten is dat het vermogen wordt vastgesteld op de dag waarop de kosten zijn opgekomen. Nieuw is het tweede lid, dat specifiek de peildatum regelt voor periodieke bijzondere bijstand. Hierbij wordt het vermogen aan het begin van iedere maand getoetst. Dit zorgt voor een actueel beeld van de draagruimte gedurende een langer lopend traject.
Correctie voor vaste lasten: Lid 3 vormt een belangrijke uitwerking van de menselijke maat. Het komt voor dat het banksaldo op de eerste dag van de maand (de peildatum) boven de vermogensgrens ligt, bijvoorbeeld omdat de uitkering of het loon net is gestort, maar de huur en vaste lasten nog niet zijn afgeschreven. Door dit lid wordt voorkomen dat iemand voor die specifieke maand wordt uitgesloten van bijzondere bijstand, terwijl het vermogen na betaling van de noodzakelijke vaste lasten feitelijk onder de grens ligt. Hiermee wordt voorkomen dat inwoners met een klein bedrag aan spaargeld direct in de problemen komen bij de betaling van hun vaste lasten.
Vaststellen van het inkomen: Voor het bepalen van het inkomen bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het inkomen in de maand voorafgaand aan de aanvraag. Bij wisselende inkomsten (bijvoorbeeld bij nulurencontracten of wisselende toeslagen) wordt uitgegaan van het gemiddelde van de inkomsten over de laatste drie maanden. Dit gemiddelde biedt een realistischer beeld van de financiële draagkracht dan een enkele momentopname. Indien een periode van drie maanden door bijzondere omstandigheden geen representatief beeld geeft, kan het college op basis van individueel maatwerk besluiten een ruimere referteperiode te hanteren.
Door deze systematiek wordt geborgd dat de draagkrachtberekening zo dicht mogelijk aansluit bij de feitelijke financiële ruimte van de belanghebbende, waarbij wordt voorkomen dat papieren overschotten (zoals nog niet betaalde vaste lasten) leiden tot een onterechte afwijzing.
Artikel 4.7 Draagkrachtperiode
Het draagkrachtjaar begint vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn opgekomen en wordt eenmalig vastgesteld voor de duur van 12 maanden. Bij nieuwe aanvragen van een niet-bijstandsgerechtigde in hetzelfde draagkrachtjaar hoeft de draagkracht niet opnieuw berekend te worden. In de toekennings- of afwijzingsbeschikking wordt de periode van het draagkrachtjaar en de hoogte van de draagkracht benoemd. Aangegeven wordt per welke datum het draagkrachtjaar begint en per welke datum het eindigt.
Artikel 4.8 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode
De vastgestelde draagkracht wordt opnieuw berekend, wanneer binnen de draagkrachtperiode een wijziging heeft plaatsgevonden in de leefsituatie van de belanghebbende. De draagkracht wordt bijvoorbeeld opnieuw berekend bij een wijziging van de woonsituatie, gezinssituatie of het inkomen of vermogen. In het geval van een wijziging van tenminste 20% in het inkomen wordt de draagkracht opnieuw berekend. Bij sterk wisselende inkomsten moet voor de draagkracht een zo reëel mogelijke inschatting worden gemaakt.
Artikel 4.9 Overgangsperiode draagkracht
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 4.10 Aanvullende bijstand voor levensonderhoud voor jongeren
De landelijke bijstandsnorm voor jongeren tot 21 jaar is gebaseerd op de veronderstelling dat ouders de kosten van levensonderhoud dragen (onderhoudsplicht). Met de herziening van de Participatiewet is echter erkend dat jongeren die geen beroep kunnen doen op hun ouders, direct recht moeten hebben op een toereikend inkomen zonder de drempels van de bijzondere bijstand.
Structurele verhoging algemene bijstand: In plaats van het verlenen van bijzondere bijstand voor zelfstandig wonen, verhoogt het college nu de algemene bijstandsnorm voor jongeren die buiten hun schuld niet op hun ouders kunnen terugvallen. Deze verhoging (conform artikel 20 lid 3 Participatiewet) zorgt ervoor dat de jongere een besteedbaar inkomen krijgt dat gelijk is aan de norm van een 21-jarige. Dit biedt de jongere meer financiële zekerheid en stabiliteit.
Onderhoudsrecht en de menselijke maat: De voorwaarden voor de verhoging sluiten aan bij de situaties waarin de ouderlijke onderhoudsplicht redelijkerwijs niet verzilverd kan worden. Hierbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de menselijke maat:
Verstoorde relatie: Indien er sprake is van een ernstig verstoorde relatie of een verleden in de jeugdzorg (uithuisplaatsing), wordt de jongere niet langer gedwongen om eerst juridische procedures tegen de ouders te starten (zoals alimentatie opeisen via het LBIO) als dit de veiligheid of het welzijn van de jongere schaadt. Een verklaring van een deskundige of instantie (zoals politie, psycholoog of jeugdzorg) volstaat hierbij.
Bijzondere bijstand als vangnet: In het vierde lid is een extra vangnet opgenomen. Mocht de verhoogde algemene norm in een specifieke individuele situatie nog steeds niet toereikend zijn om de noodzakelijke kosten van het bestaan te dekken, dan kan het college aanvullend bijzondere bijstand verstrekken. Hiermee wordt maatwerk geborgd voor jongeren in zeer complexe situaties.
Overgangsrecht (1 januari 2026): De leden 6 tot en met 8 regelen de overgang van de oude naar de nieuwe systematiek.
Het doel van dit artikel is om jongeren zonder sociaal vangnet een gelijkwaardige startpositie te bieden als jongeren vanaf 21 jaar, waardoor de focus kan verschuiven van financiële overleving naar re-integratie en participatie.
Artikel 4.11 Overbruggingsuitkering
Aan een belanghebbende die de periode tussen zijn aanvraag en de eerste betaling van de uitkering niet kan overbruggen kan een overbruggingsuitkering worden verstrekt. Een belanghebbende kan in de volgende situaties in aanmerking komen voor een overbruggingsuitkering:
De overbruggingsuitkering is bedoeld om te voorkomen dat een cliënt op het moment van aanvraag met betalingsproblemen te maken krijgt. De praktijk leert dat mensen die bij aanvang van de bijstand al met achterstanden te maken krijgen deze niet meer inlopen. Er kunnen dan ook heel snel schulden ontstaan. Als de Participatiewet geen aanknopingspunten biedt om overbruggingsbijstand in de vorm van een borgtocht of een lening toe te kennen, moet de overbruggingsbijstand om niet te worden verleend.
Voor de terugbetaling van overbruggingsuitkeringen in de vorm van een geldlening sluit het college aan bij hetgeen in het debiteurenbeleid is opgenomen over terugbetalingen van geldleningen, uitgezonderd krediethypotheken. Het overbruggingsbedrag beslaat maximaal een periode van één maand en de hoogte is gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantietoeslag, minus de financiële middelen waarover wordt/kan worden beschikt.
Indien later blijkt dat in verband met een eigen woning, de bijstand in de vorm van een krediethypotheek wordt toegekend, zal ook de incidentele bijstand alsnog als krediethypotheek moeten worden toegekend.
Artikel 4.12 Woonkostentoeslag
Woonlasten worden in de basis beschouwd als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De woonkostentoeslag fungeert als tijdelijk financieel vangnet voor inwoners die geconfronteerd worden met woonlasten die zij, buiten hun schuld om, niet meer kunnen dragen.
Nieuwe systematiek Wet op de huurtoeslag: In de huidige wetgeving is de harde uitsluiting bij een hoge huur versoepeld. Waar voorheen het recht op huurtoeslag volledig verviel bij een huur boven de maximale grens, is dit nu niet meer per definitie het geval. Echter, de belastingdienst vergoedt in de regel slechts tot aan de wettelijk vastgestelde maximale subsidiabele huurprijs. Voor het deel daarboven (de "onvermijdelijke woonlasten") kan de gemeente bijspringen via de woonkostentoeslag om de bestaanszekerheid te waarborgen.
Berekening bij eigen woning: Bij een eigen woning vertalen we de specifieke eigenaarslasten naar een "rekenhuur". Onder deze lasten vallen de hypotheekrente (netto, na aftrek van belastingvoordeel), de onroerende zaakbelasting (eigenaarsdeel), rioolheffing, waterschapslasten en de opstalverzekering. Aflossing op de hypotheek telt niet mee, aangezien dit wordt beschouwd als vermogensopbouw en niet als noodzakelijke kosten van het bestaan.
Tijdelijkheid en de verhuisplicht: De woonkostentoeslag is nadrukkelijk een tijdelijke voorziening (in beginsel 6 maanden). Het doel is om de inwoner de tijd te geven de financiële situatie te stabiliseren of de woonlasten te verlagen. Aan de toeslag wordt een inspanningsverplichting verbonden (verhuisplicht). In het kader van de menselijke maat en de huidige krapte op de woningmarkt, beoordeelt het college individueel of het van een inwoner verwacht kan worden dat er binnen de gestelde termijn een goedkopere woning wordt gevonden. Is er geen passend aanbod beschikbaar, dan kan de termijn worden verlengd.
Geldlening bij overwaarde: Wanneer een woningeigenaar beschikt over een aanzienlijke overwaarde in de woning (boven de wettelijke vrijlatingsgrens), wordt de bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening. Hiermee wordt voorkomen dat publiek geld wordt ingezet om privévermogen te beschermen, terwijl de inwoner wel direct geholpen wordt met de betaling van de maandelijkse lasten.
Artikel 4.13 Vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis
Bij opname in een inrichting worden de vaste lasten, die het gevolg zijn van het aanhouden van de woning, vergoed via bijzondere bijstand. Het gaat dan om woonlasten (de huur inclusief servicekosten) en de vaste leveringskosten (vastrecht) voor gas, water en licht. Deze kosten worden door de energieleverancier per maand, kwartaal of per jaar in rekening gebracht. Dit is vergelijkbaar met een abonnement voor zijn dienstverlening. Het staat los van het werkelijke energieverbruik. Het voorschot op de werkelijke leveringskosten kan immers worden teruggevraagd of er kan worden verzocht om afsluiting van de energieleverancier. In het individuele geval kan bijzondere bijstand voor de werkelijke leveringskosten worden vergoed, bijvoorbeeld als de belanghebbende niet direct in staat is om afsluiting te realiseren.
Artikel 4.14 Verhuis- en inrichtingskosten
De kosten voor een verhuizing en woninginrichting komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Het college hanteert als uitgangspunt dat iedereen van 18 jaar en ouder recht heeft op zelfstandige huisvesting, maar dat personen die zich voor het eerst zelfstandig huisvesten daarvoor moeten reserveren. Wanneer iemand nog niet voldoende heeft gereserveerd, moet hij het zelfstandig wonen uitstellen. Wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden - medische noodzaak of sociale noodzaak voor de nieuwe huisvesting - is verstrekking van bijzondere bijstand voor nieuwe huisvesting mogelijk. Maar als belanghebbende heeft nagelaten te reserveren, wordt ook dan geen bijzondere bijstand verstrekt. De aanvraag kan dan op basis van artikel 35 lid 1 van de Participatiewet worden afgewezen op de grond dat er geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.
De wens om te verhuizen is geen bijzondere omstandigheid. Verhuizingen zijn voorzienbaar (denk aan inschrijving bij woningbouwvereniging) en voor de kosten die met een verhuizing en inrichting samenhangen zal dan ook vooraf gereserveerd moeten worden.
De individuele inkomenstoeslag kan voor 12 maanden worden gereserveerd en worden aangewend voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen.
Een uitzondering op bovenstaande betreft de statushouders die zijn uitgeplaatst en zich hebben gevestigd in de gemeente. Zij hebben recht op leenbijstand voor de eerste woninginrichting. De leenbijstand wordt verstrekt op naam van de huurder(s) van de woning. De hoogte van de bijstand wordt bepaald door het aantal gezinsleden.
Naast de personen genoemd in lid 2, kan alleen in bijzondere situaties bijstand worden verstrekt. Dit is het geval bij een plotselinge verhuizing door medische of sociale redenen, mits er geen beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is. Belanghebbende dient waar mogelijk met schriftelijk bewijs aan te tonen dat deze kosten noodzakelijk zijn. Als bewijsstukken gelden bijvoorbeeld: een proces-verbaal van bijvoorbeeld een burenruzie, echtscheidingsdocumenten, verklaring van een huisarts enzovoort.
Voor een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten op medische of psychosociale gronden is de Wmo 2015 aan te merken als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5 onder de Participatiewet.
Eerste maand huur en administratiekosten
De kosten van eerste huur en administratiekosten horen tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm, door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in principe geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten.
Voor de kosten van de 1e maand huur en administratiekosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Bijzondere bijstand is mogelijk indien de verhuizing sociaal of medisch noodzakelijk is en er door bijzondere omstandigheden niet voor deze kosten gereserveerd kon worden.
In artikel 48 tweede lid onder a Participatiewet is bepaald dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Voor de eerste maand huur ontvangt de belanghebbende over de betreffende periode achteraf bijstandsuitkering. Om die reden wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt.
Artikel 4.15 Duurzame gebruiksgoederen
Duurzame gebruiksgoederen behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen uit het periodieke inkomen te worden voldaan. Eventueel door reservering vooraf dan wel gespreide betaling achteraf. Als een persoon door bijzondere omstandigheden voor hem noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen niet kan aanschaffen, kan op basis van artikel 51 Participatiewet bijzondere bijstand verleend worden in de vorm van een lening.
Bij de vaststelling van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen zoals bijvoorbeeld; een koelkast, kooktoestel, wasmachine, matras(sen) en stoffering (gordijnen,verf, behang en vloerbedekking), worden de prijzen in de Prijzengids van het Nibud (zie: Inventarislijst Nibud) als uitgangspunt gebruikt. De vergoeding bedraagt de minimaal noodzakelijke kosten als deze niet zijn opgenomen in de Nibud prijzengids en maximaal 50% van de bedragen genoemd in de Nibud prijzengids als deze wel zijn opgenomen. Bij de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van het goedkoopste alternatief. Tweedehands is hierbij het uitgangspunt en tevens dient ook gekeken te worden naar gratis mogelijkheden zoals spullen vanuit het sociaal netwerk of liefdadigheidsorganisaties.
Een baby-uitzet bestaat uit duurzame gebruiksgoederen. Een aanvraag voor een baby-uitzet wordt dan ook beoordeeld als een reguliere aanvraag voor duurzame gebruiksgoederen. Ook hiervoor hoort gereserveerd te worden en kan de draagkracht uit inkomen en vermogen gebruikt worden.
Voor de beantwoording van de vraag of er recht bestaat op bijzondere bijstand zullen in het individuele geval de volgende vier vragen beantwoord moeten worden:
Betreft het kosten waarin de algemene bijstand voorziet?
Periodieke dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht voldaan te kunnen worden uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf (zie CRvB 02-11-1999, nr. 98/973 NABW).
Is er sprake van bijzondere omstandigheden?
De geboorte van een kind is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35 lid 1 Participatiewet. Het college zal in geval van een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van baby-uitzet vooral moeten beoordelen of er redenen zijn waardoor belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten. Bij bijzondere omstandigheden kan onder andere gedacht worden aan:
Kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige draagkracht (middelentoets)? In de praktijk zal voor de kosten van een baby-uitzet vooral beoordeeld moeten worden of er zich bijzondere omstandigheden voordoen en of er redenen zijn waardoor belanghebbende niet had kunnen reserveren voor deze kosten. De bijstand kan slechts worden verstrekt wanneer niet voor de kosten kan worden gereserveerd.
Artikel 4.17 Extra kosten van bewassing en kledingslijtage
Een ziekte of handicap kan leiden tot hogere uitgaven voor het wassen of vervangen van kleding en beddengoed dan gebruikelijk is. Dat kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld ongewoon vochtverlies of slijtage door protheses. Ook kan iemand in een relatief korte periode zo sterk afvallen of aankomen, dat een nieuwe garderobe nodig is.
Voor de kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage zijn geen specifieke (landelijke) voorzieningen. Ter voorkoming van extra bewassing bestaat op grond van de Regeling zorgverzekering wel recht op incontinentie-absorptiemiddelen.
Omdat bewassing en kleding behoort tot de algemene kosten van het bestaan waarin een inkomen op bijstandsniveau voorziet, komen alleen de meerkosten voor bijstandsverlening in aanmerking.
Alleen indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten van het bestaan in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze extra kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien er een medische noodzaak is voor het maken van deze kosten. De medische noodzaak van de meerkosten kan worden vastgesteld door een medisch specialist of (bij twijfel) door een onafhankelijke medisch adviseur. In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat het kosten bewassing en/of kleding slijtage betreft en de naam van de behandelend specialist.
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de norm zoals opgenomen in de geïndexeerde Nibud-prijzengids.
Artikel 4.18 Extra warmtekosten
Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet). Voor warmtekosten ofwel meer dan normale verwarmingskosten zijn geen voorliggende voorzieningen.
Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de normale (gemiddeld verbruik) warmtekosten. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten, kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.
Alleen indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden noodzakelijke kosten van het bestaan in het individuele geval, kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze extra kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien er een medische noodzaak is voor het maken van deze meerkosten. De medische noodzaak van de meerkosten kan worden vastgesteld door een medisch specialist of (bij twijfel) een onafhankelijke medische adviseur. In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat het extra stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de behandelend specialist.
De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het verschil tussen het huidige gebruik op basis van meerkosten en het gemiddeld verbruik energiekosten dat een gemiddeld persoon in een vergelijkbare situatie heeft volgens de normen zoals opgenomen in de Nibud-prijzengids.
Veel mensen moeten zich aan een dieet houden om medische redenen. Zij hebben specifieke en/of aangepaste voedingsmiddelen nodig, wat kan leiden tot extra kosten. In beginsel hoeft een voorgeschreven dieet niet altijd te leiden tot hogere voedingskosten en behoren ze in beginsel dan ook tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit heeft tot gevolg dat er geen bijstand kan worden verstrekt voor dieetkosten, tenzij het een dieet betreft dat leidt tot hogere voedingskosten in verband met een medische noodzaak die niet worden vergoed uit een voorliggende voorziening. In dat geval spreken wij van meerkosten van een te volgen individueel noodzakelijk dieet.
De ziektekostenverzekering vergoedt alleen de zogenaamde dieetpreparaten (= zoals drinkvoedingen, sondevoeding enzovoort) en de kosten voor een consult bij een diëtist vanuit de basisverzekering. In deze is de Wlz en Zvw een passende, toereikende voorliggende voorziening.
Indien er sprake is van meerkosten door het medisch noodzakelijk volgen van een dieet is bijzondere bijstand mogelijk. Middels de tabel meerkosten dieetvoedingen van het Nibud kan de hoogte van de meerkosten berekend worden. In deze tabel wordt aan de hand van het ziektebeeld het type dieet (dieetlijst) gekoppeld waarna de meerkosten per jaar worden aangegeven. Deze tabel meerkosten dieetvoedingen is terug te vinden in de Nibud prijzengids. Denk bijvoorbeeld aan een speciaal dieet omdat iemand een leveraandoening heeft of allergisch is voor bepaalde voedingsmiddelen zoals gluten (coeliakie).
Er kan geen bijstand worden verleend voor bijvoorbeeld een afslankdieet. Er zijn speciale gezondheidsprogramma's die vanuit de voorliggende voorziening de zorgverzekering worden vergoed zoals een afslankprogramma die door een medisch arts als noodzakelijk wordt geacht bij betrokkene. Dit soort diëten kunnen dus volledig uit een passende en toereikende voorziening worden bekostigd.
Voorwaarden voor de bijstandsverlening is dat er een schrijven van de behandelende arts/specialist wordt overgelegd, alsmede die van de diëtist(e) waarop de noodzaak en betreffende benaming van het voorgeschreven dieet wordt aangegeven.
Artikel 4.20 Maaltijdvoorziening
De kosten van maaltijden vallen onder de algemene kosten van het bestaan. Bijzondere bijstand kan alleen worden verstrekt voor de meerkosten van een maaltijdvoorziening als hier langdurig (> 1 maand) gebruik van moet worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat iemand langdurig niet in staat is de warme maaltijd te breiden. Voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een medische of sociale indicatie.
De indicatie kan worden opgevraagd via het CIZ, huisarts, behandelend arts of klantmanagers Wmo (indien de klant bekend is bij de Wmo). Ontbreekt er een indicatie, dan zal een medisch advies voor de noodzaak opgevraagd moeten worden.
Bij de berekening van de vergoeding wordt uitgegaan van een maximaal bedrag van € 10,00 per warme maaltijd. De hoogte van de bijstand is gelijk aan de werkelijke kosten voor een warme maaltijd onder aftrek van het bedrag per warme maaltijd die ieder ander gemiddeld persoon maakt voor een warme maaltijd volgens de Nibud richtlijnen. Er wordt in de Nibud-prijzengids een onderscheid gemaakt naar leeftijdscategorie. Het bij de leeftijd van belanghebbende behorend bedrag moet worden gekozen.
Bijzondere bijstand voor maaltijdvoorziening heeft een structureel karakter en zal daarom maandelijks uitbetaald worden. Door middel van een jaarlijks heronderzoek wordt voortzetting beoordeeld en de eigen bijdrage opnieuw vastgesteld. Bij de beoordeling is het geen noodzaak om jaarlijks een medisch advies bij Medisch Ondersteuningsadvies-zaak op te vragen indien duidelijk is dat de medische/sociale noodzaak structureel is. Er dient alleen opnieuw beoordeeld te worden of de situatie ongewijzigd is gebleven en of het bedrag voor de kosten nog voldoet of dat deze moet worden aangepast.
De periodieke bijzondere bijstand wordt pas uitbetaald na inlevering van de nota maaltijdvoorziening. De nota is nodig om de exacte hoogte van de kosten te berekenen die voor vergoeding in aanmerking komen.
Artikel 4.21 Personenalarmering
Personenalarmering is bedoeld voor mensen die ondanks hoge leeftijd, ziekte of een handicap alleen wonen en alarm moeten kunnen slaan als hen iets overkomt. Personenalarmering bestaat uit een alarmunit en een draadloos zendertje, waarmee direct contact kan worden gemaakt met een alarmcentrale.
De huurkosten voor persoonlijke alarmeringsapparatuur zijn verzekerd in de basisverzekering. Men moet dan aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moet er onder meer een medische reden zijn waarom men recht heeft op persoonlijke alarmeringsapparatuur.
De abonnements- en aansluitingskosten op de alarmcentrale worden niet door de basisverzekering vergoed. Voor deze kosten is een vergoeding bijzondere bijstand mogelijk. Indien men uit een aanvullende verzekering hiervoor een vergoeding ontvangt, wordt de vergoeding van deze aanvullende verzekering op de kosten in mindering gebracht.
Artikel 4.22 Medische en paramedische kosten
In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg alle noodzakelijke medische of paramedische kostensoorten vergoeden. Beide regelingen gelden samen als een aan de Participatiewet voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is op basis van artikel 15, lid 1, Participatiewet daarom in beginsel uitgesloten. Als er binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie dient de Participatiewet zich bij die keuze aan te sluiten. Bijstandsverlening is toch mogelijk op basis van artikel 16, lid 1, Participatiewet, als er zeer dringende redenen aanwezig zijn.
Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten welke in zijn algemeenheid uit de bijstandsnorm dienen te worden voldaan. In een aantal bijzondere situaties is het mogelijk om - indien aan de voorwaarden wordt voldaan - bijzondere bijstand te verstrekken, zoals voor het bezoeken van:
In deze situaties moet worden nagegaan of er geen voorliggende voorzieningen zijn zoals bijvoorbeeld reiskostenvergoeding vanuit de zorgverzekering. Reiskostenvergoeding voor bezoeken in het buitenland komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
Er wordt verwacht dat de kosten van vervoer per fiets als regel uit een inkomen op het niveau van een bijstandsuitkering kan worden betaald. Trajecten tot 15 kilometer (enkele reis) kunnen met de fiets worden afgelegd. Daarom worden de vervoerskosten voor trajecten tot 15 kilometer niet vergoed, tenzij er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Wanneer bijzondere bijstand wordt verstrekt voor reiskosten dan wordt de hoogte als volgt bepaald:
Openbaar vervoer: Voor openbaar vervoer wordt uitgegaan van het goedkoopst mogelijke traject tweede klas.De hoogte van de bijzondere bijstand is, wanneer gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer, gelijk aan de kosten zoals die worden berekend op de website 9292OV. Alleen de kosten van de belanghebbende zelf komen voor vergoeding in aanmerking.
Gebruik auto: Het uitkeringsbedrag per kilometer bij eigen vervoer is gelijk aan de onbelaste vergoeding van de Belastingdienst. Dit bedrag is door de Belastingdienst in 2024 vastgesteld op € 0,23 per kilometer, maar verandert regelmatig. Het actuele bedrag dat de Belastingdienst hanteert ten tijde van de aanvraag geldt. Dit kan tussentijds worden aangepast indien de Belastingdienst de onbelaste vergoeding aanpast. De reisafstand wordt bepaald op de kortste route op grond van de ANWB-routeplanner. Eventuele parkeerkosten komen eveneens voor vergoeding in aanmerking.
Reiskosten uithuis geplaatste kinderen
De reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind (al dan niet in een gesloten setting) door ouder(s) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. De noodzaak en frequentie wordt op individuele basis vastgesteld door de SKJ geregistreerde Jeugdprofessional. Er wordt bijzondere bijstand verstrekt voor alle reiskosten wanneer de afstand enkele reis meer dan 15 kilometer is. Onder dit onderdeel wordt ook verstaan: het bezoek van de ouders aan veiligheidstafels (Veilig Thuis), overleggen in verband met (V)OTS en bezoek aan een specialistische aanbieder. Als bewijsstukken voor frequentie dienen overlegd te worden: Overdrachtsdocument van de SKJ geregistreerde Jeugdprofessional met daarin de afgesproken bezoekregeling en frequentie.
Reiskosten schoolgaande kinderen onder de 18 jaar
De reiskosten van schoolgaande kinderen behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het reguliere inkomen bekostigd moeten worden. Daarnaast is er een voorliggende voorziening; de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) en het Provinciaal Groninger Studiefonds. Per 1 januari 2017 geldt voor MBO-scholieren tot 18 jaar dat zij een studentenkaart kunnen aanvragen voor gratis reizen met het openbaar vervoer. In principe worden kinderen geacht naar de dichtstbijzijnde school te gaan die het onderwijs aanbiedt dat het kind moet of wil volgen. Er is sprake van bijzondere reiskosten als de school verder weg is gelegen dan 15 kilometer van de eigen woonplaats. Wordt gebruik gemaakt van speciaal onderwijs, niet zijnde Leerweg ondersteunend onderwijs (LWOO) en praktijkonderwijs, dan is het leerlingenvervoer de voorliggende voorziening en wordt geen bijzondere bijstand verstrekt. Is hier geen sprake van dan wordt bijzondere bijstand verstrekt, mits het noodzakelijk is (onderwijs dat het kind moet volgen) dat het onderwijs verder dan 15 kilometer van de woonplaats gevolgd wordt.
Reiskosten scholieren in Zeewolde
In Zeewolde zijn speciale regels van toepassing voor scholieren op het voortgezet onderwijs die onderwijs volgen in Ermelo of Harderwijk. Scholieren krijgen een vergoeding voor het gebruik van de veerpont voor de maanden dat school wordt gevolgd. Dit betreft het veerpont abonnement voor scholieren voor de maanden september tot juni.
Uitgangspunt voor begrafenis-/crematiekosten is, dat zij tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. De kosten van begrafenis/crematie komen voor rekening van de nabestaanden. In aanmerking voor bijzondere bijstand komen de achterblijvende partner of de erfgenamen in de 1 en 2e graad. De erfgenamen in de 1 en 2e graad zijn voor een evenredig deel verantwoordelijk voor de betaling van de begrafenis-/crematiekosten zoals in het Burgerlijk Wetboek is geregeld. In het geval dat één of meer erfgenamen het evenredig deel niet uit eigen middelen kunnen voldoen, kunnen zij hiervoor bijzondere bijstand aanvragen voor hun deel van de uitvaartkosten op persoonlijke titel in hun eigen woonplaats.
Voordat er bijzondere bijstand toegekend wordt, dient eerst gekeken te worden of er gebruikgemaakt kan worden van een voorliggende voorziening. Daarbij kan gedacht worden aan de volgende middelen (NB een kind wordt tot de leeftijd van 18 jaar meeverzekerd op de begrafenisverzekering van de ouder):
een mogelijke overlijdensuitkering o.g.v. een arbeidsovereenkomst of een uitkering krachtens de ZW, WAO/WIA, Wajong, PW, WW, ANW of AOW. Een overlijdensuitkering op grond van genoemde wetten wordt bruto-netto uitbetaald (bij AOW incl. vakantietoeslag, zonder eventuele toeslag waar de overledene recht op had). Het hierdoor ontstane meerdere ten opzichte van de laatste reguliere betaling wordt geacht voor de begrafenis-/crematiekosten beschikbaar te zijn.
spaargelden en andere in redelijkheid te gelde te maken waarden (aandelen en vorderingen op derden, ook al liggen deze onder het in de nieuwe situatie van toepassing zijnde vrij te laten bescheiden vermogen); ook de eventuele overschrijding van het saldo op een lopende rekening op de dag van overlijden ten opzichte van de tot dan geldende norm moet in beginsel voor de begrafenis-/crematiekosten te worden aangewend;
Voor de verstrekking en de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de Nibud richtlijnen. Meer dan de daarin genoemde kosten en bedragen wordt niet vergoed.
Afdeling 5. Bijzondere financiële regelingen
Artikel 4.25 Tegemoetkoming eigen bijdrage Kinderopvang
Artikel 1.1.3 Wet Kinderopvang (WKO) maakt het mogelijk voor de gemeente een aanvullende tegemoetkoming te verstrekken tot een maximum van 100% van de daadwerkelijk gemaakte kosten. Op grond van dit artikel geldt deze bevoegdheid voor de volgende doelgroepen:
Deze groep wordt aangevuld met ouders die op grond van een sociaal medische indicatie ook een vergoeding voor kinderopvangtoeslag ontvangen op basis van deze beleidsregels.
Daarnaast komen andere doelgroepen die benoemd worden in artikel 1.1 3 vanuit re-integratie en inburgering in aanmerking voor een aanvullende tegemoetkoming van de kinderopvangtoeslag. Dit betreffen inburgeraars en ouders die een uitkering ontvangen en aanvullend werken of die een re-integratietraject volgen. Deze vallen buiten deze regeling voor de bijzondere bijstand.
Voor de te vergoeden de kosten voor kinderopvang is aansluiting gezocht bij deze tarieven, die geregeld zijn in artikel 4 lid 1 van het Besluit kinderopvangtoeslag. Afhankelijk van het soort opvang (dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang) wordt het tarief gehanteerd zoals aangegeven in genoemd artikel.
Er is gekozen voor het vergoeden van 4% van het door de belastingdienst vastgestelde maximale uurtarief. Dit betekent dat voor de meeste doelgroepen een kleine eigen bijdrage resteert. Dit is een bewuste keuze, omdat hierdoor de overgang naar een normale eigen bijdrage van de kinderopvang minder groot is. Ook zorgt een, al dan niet kleine, eigen bijdrage ervoor dat men bewuster omgaat met het al dan niet gebruik van kinderopvang.
In uitzonderlijke gevallen kan een volledige vergoeding van de eigen bijdrage worden toegekend indien dit in het individuele geval noodzakelijk is. Te denken valt aan gevallen waarbij:
Te allen tijde blijft dit een vorm van maatwerk en moet per individuele casus worden afgewogen wat noodzakelijkerwijs nodig is.
Voor het maximaal aantal uren is aansluiting gezocht met artikel 8a van het besluit kinderopvangtoeslag. Daarin is bepaald dat het aantal uren kinderopvang dat voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt, niet meer bedraagt dan 230 uren per kalenderjaar voor ieder kind (2023).
Artikel 4.26 Kosten beschermingsbewind, mentorschap en curatele
Kosten van de bewindvoerder, die voortkomen uit beschermingsbewind (curatele of bewindvoering) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking als de rechter een beschikking heeft afgegeven, de werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht en de kosten daadwerkelijk worden gemaakt.
Artikel 4.27 Eigen bijdrage rechtsbijstand
Als gebruik wordt gemaakt van de diensten van een advocaat, moet daarvoor worden betaald. Soms komen daar ook nog andere kosten bij zoals griffierecht. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand en het maken van kosten van griffierecht in beginsel kan worden aangenomen indien op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. Als dat niet het geval is, dient de gemeente zich aan de hand van de concrete omstandigheden een oordeel te vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Indien een toevoeging is afgegeven door de Raad voor Rechtsbijstand en de kosten zijn vastgesteld, neemt het college de noodzaak van de kosten in beginsel aan. Het college kan een onderzoek instellen om te verifiëren of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn opgekomen.
Als van een toevoeging geen sprake is, moet het college zich aan de hand van de zich in concreto voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel vormen over de noodzaak van de gevoerde procedure. Het ligt dan op de weg van belanghebbende, als aanvrager van de bijzondere bijstand, om de gestelde noodzakelijkheid van de procedure van een toereikende onderbouwing te voorzien en aannemelijk te maken (CRvB 29-9-2020, ECLl:NL:CRVB:2020:2510, CRvB 15-12-2020, ECLl:NL:CRVB:2020:3236 en CRvB 6-9-2022, ECLl:NL:CRVB:2022:2021). Het bestuursorgaan moet dan terughoudend toetsen aan de noodzakelijkheid van een procedure. De toets moet beperkt worden tot de beoordeling of aanleiding bestaat om aan te nemen dat de gevoerde procedure op voorhand kansloos was. Zie hiervoor CRvB 15-12-2020, ECLl:NL:CRVB:2020:3236 en CRvB 15-12-2020, ECLl:NL:CRVB:2020:3236.
Afdeling 6. Categoriale bijzondere bijstand
Artikel 4.28 Collectieve zorgverzekering Minima (CZM)
Gemeenten kunnen naast individuele bijzondere bijstand ook categoriale bijzondere bijstand verlenen voor bijzondere kosten. Dit is echter nog maar beperkt mogelijk. Binnen de bijstand kan het college categoriale bijstand verlenen in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering. Op deze wijze kan de gemeente via categoriale bijzondere bijstand haar minima tegemoetkomen in de maandlasten.
De collectieve zorgverzekering minima bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering waarvoor het college een overeenkomst heeft afgesloten met Zilveren Kruis.
Naast het gestelde in lid 3 gelden de volgende voorwaarden voor belanghebbende:
In aanmerking komen ook de partner en kinderen onder de 18 jaar van belanghebbende, mits zij aan de voorwaarden voldoen.
Ten aanzien van de termijn van deelname wordt aansluiting gezocht bij de systematiek van de Zorgverzekeringswet, namelijk dat men met ingang van 1 januari van het nieuwe kalenderjaar steeds een zorgverzekering/polis afsluit met een looptijd van een heel kalenderjaar.
In sommige gevallen kunnen personen ook tussentijds de collectieve zorgverzekering aanvragen als zij voorheen nog niet verzekeringsplichtig waren. Personen kunnen om verschillende redenen nog geen zorgverzekering hebben, bijvoorbeeld (doch niet uitsluitend):
Ook verzekerden bij Zilveren Kruis kunnen tussentijds overstappen naar de collectieve zorgverzekering Minima.
Artikel 4.29 Tegemoetkoming aanvullende zorgverzekering (TAZ)
Gemeenten kunnen naast individuele bijzondere bijstand ook categoriale bijzondere bijstand verlenen voor bijzondere kosten. Dit is echter nog maar beperkt mogelijk. Binnen de bijstand kan het college categoriale bijstand verlenen in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering. Op deze wijze kan de gemeente via categoriale bijzondere bijstand haar minima tegemoet komen in de maandlasten. Het college kiest ervoor om beide opties aan te bieden, zodat inwoners keuzevrijheid hebben om te kiezen welke van de twee opties het best bij hen past. Belanghebbende kan gebruikmaken van óf een collectieve zorgverzekering minima óf een tegemoetkoming in de aanvullende zorgverzekering.
In combinatie met het gestelde in lid 2 gelden de volgende voorwaarden voor belanghebbende:
De meeste personen zullen per 1 januari een nieuwe verzekering afsluiten. In gevallen waarin personen later instromen, bijvoorbeeld inschrijfdatum BRP, uit dienst defensie, 18-jaar worden of uit detentie gaat de ingangsdatum in per recht verzekerde indien zij niet eerder verzekerd waren.
Uit onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie van december 2018 is gebleken dat de individuele studietoeslag niet aan het gestelde doel voldoet en aanpassing behoeft. Aanpassing is nodig om het doel van de regeling te bereiken: jongeren met een structurele medische beperking die niet kunnen bijverdienen naast en tijdens hun studie, een extra (financiële) steun in de rug te geven. Om deze reden is de regeling van studietoeslag gewijzigd.
De nieuwe studietoeslag treedt in werking per 1 april 2022.
Geen bijstand meer maar toeslag
De studietoeslag is geen bijstand meer. Daarom is er geen vermogenstoets. Ook de gegevens over de woon/leefsituatie (gezinssamenstelling) zijn niet van invloed op het recht. Er geldt geen leeftijdsgrens. Het recht is gekoppeld aan het recht op studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS.
Ontvangst of recht op studiefinanciering WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS
In de wettekst van artikel 36b Participatiewet staat dat een aanvraag kan worden gedaan als iemand studiefinanciering of WTOS ontvangt. Dit moet zo worden gelezen: er bestaat recht op studietoeslag als er recht bestaat op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 WTOS. Of er recht bestaat blijkt uit een beschikking van DUO. Voor het moment waarop is voldaan aan de voorwaarden voor studietoeslag is niet de datum van ontvangst van studiefinanciering of WTOS van belang, maar de datum vanaf wanneer het recht bestaat.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan iemand die begint op 1 september 2022 met een opleiding, heeft recht op studiefinanciering met ingang van 1 december 2022 en ontvangt deze voor het eerst op 22 december 2022. Dan bestaat er recht op studietoeslag met ingang van 1 december 2022.
Structurele medische beperking
Een belanghebbende moet als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat zijn naast de studie inkomsten te verdienen. Zie de artikelsgewijze toelichting voor uitleg wat hiermee wordt bedoeld.
Stage is vaak een verplicht onderdeel van de opleiding en ook al is het niet verplicht, het draagt wel bij aan het vergroten van de toekomstige kansen op de arbeidsmarkt.
Onverplichte stages of niet formeel door de onderwijsinstelling erkende stages vallen dus ook onder de vrijlating. Vereist is alleen dat de stage wel plaatsvindt in het kader van de studie. Zie hiervoor Tweede kamer, 2019-2020, 35394, nr. 5, p. 8.
Inlichtingenplicht en terugvordering
Op grond van artikel 36b lid 4 Participatiewet geldt een aparte inlichtingenplicht voor de studietoeslag. Artikel 17 Participatiewet is niet van toepassing, omdat de studietoeslag geen bijstand betreft. Als de inlichtingenplicht wordt geschonden en achteraf blijkt dat op basis van onjuiste informatie ten onrechte of tot een te hoog bedrag studietoeslag is verstrekt, dan mag het college overgaan tot terugvordering op grond van artikel 58 lid 2 en artikel 36b lid 4 Participatiewet. Dit is een bevoegdheid, geen verplichting.
De studietoeslag voorziet in overgangsrecht in de volgende situatie: de toegekende individuele studietoeslag op basis van de wet van voor 1 april 2022, is hoger dan het bedrag waarop iemand recht heeft op grond van de nieuwe studietoeslag.
Is het toegekende bedrag hoger, dan houdt een belanghebbende dit hogere toegekende recht voor de duur van de toekenning. Bijvoorbeeld als deze is toegekend voor de duur van de studie of voor de duur van een jaar. Bij een nieuw verzoek na afloop van die termijn geldt dan pas de hoogte van de nieuwe studietoeslag zoals geldend per 1 april 2022. Ook wanneer deze lager is dan het eerder toegekende bedrag. Dit is bijvoorbeeld het geval als de studietoeslag is toegekend voor de duur van een jaar.
Is de toegekend individuele studietoeslag op basis van de wet van voor 1 april 2022 lager dan het bedrag op grond van de nieuwe studietoeslag, dan moet dit bedrag direct worden aangepast aan de hoogte van de bedragen zoals die gelden per 1 april 2022.
Alleen de artikelen die toelichting nodig hebben, zijn uitgewerkt.
Artikel 5.1 Voorwaarden studietoeslag
Structurele medische beperking
Voor het recht op studietoeslag is een voorwaarde dat belanghebbende als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek structureel niet in staat is om naast de studie inkomen te verwerven. Zie artikel 36b lid 1 Participatiewet. Het college legt in dit artikel vast wat wordt verstaan onder een structurele medische beperking.
Begrip inkomsten kunnen verwerven
Gelet op de toelichting bij artikel 36b Participatiewet wordt hier bedoeld dat er in het geheel geen inkomen te verwerven. Beoordeeld moet worden of een student met een structurele medische beperking al dan niet voldoende kan werken zonder dat dit ten koste gaat van de studie. Het college mag geen regels stellen over wanneer een beperking dusdanig is dat iemand naast de studie niet meer kan werken. Dit is een individuele beoordeling die in principe door de medisch adviseur wordt gedaan.
Volgens de wet moet iemand (medisch) geen inkomsten naast de studie kunnen verwerven. Dit wordt met een medisch advies vastgesteld. Voor de rest is er geen inkomenstoets. Dit impliceert dat inkomsten op zichzelf niet relevant zijn voor het recht op studietoeslag. Denk aan alimentatie, giften en inkomsten uit vermogen. Bepalend is of iemand door zijn medische beperking niet in staat is naast de studie inkomen te verwerven.
Werkt iemand wel-ook al is dat zeer gering, zoals een vakantiebaan tijdens de zomer als het studiejaar voorbij is- dan vervalt het recht op studietoeslag. Als de vakantiebaan is gestopt, kan een nieuwe aanvraag worden gedaan. Als er nog een recent medisch advies beschikbaar is en de medische situatie niet is veranderd, kan het uitgebrachte advies gebruikt worden. Er hoeft dan geen nieuw medisch advies te worden aangevraagd.
Economische omstandigheden, bijvoorbeeld hoge werkloosheid, spelen bij de bepaling of iemand structureel niet in staat is inkomen te verdienen, uitdrukkelijk geen rol.
Medische beperking moet structureel zijn
Het vereiste dat de medische beperking een structureel karakter heeft, betekent dat bij de beoordeling in ieder geval van belang is dat de medische beperking langdurig is en er binnen een afzienbare termijn geen verbetering te verwachten valt. In lid 1 legt het college vast wat wordt verstaan onder een medische structurele medische beperking. In lid 2 staat wat wordt gezien als structureel.
Lid 3 bevat een opsomming van situaties waarbij op zichzelf geen sprake is van een structurele medische beperking. Een gebroken been of een medische ingreep met bijvoorbeeld een hersteltermijn van een half jaar is volgens de regering geen structurele medische beperking. Hieruit kan worden afgeleid dat als de medische beperking langer duurt dan een half jaar, er wel sprake kan zijn van een structurele medische beperking. Ook zijn er medische beperkingen die wel structureel zijn, maar niet voldoende ernstig. In dat geval kan de belanghebbende naast zijn studie inkomsten verdienen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan iemand met een schildklierafwijking die geen last heeft van complicaties of iemand met een milde vorm, enkelvoudige vorm van dyslexie. Zo iemand is goed in staat met deze chronische ziekte - die wel structureel is - inkomsten uit arbeid verdienen naast de studie. Natuurlijk moet er altijd in het licht van de omstandigheden van het geval worden gekeken of voldaan is aan de wettelijke vereisten.
Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij:
Deze opsomming is niet limitatief. Tevens kan het zo zijn dat iemand met een gebroken been ook een andere medische beperking heeft, waardoor er toch recht op studietoeslag bestaat. Stel nu dat er bij iemand met een gebroken been heftige complicaties optreden, waardoor deze persoon een jaar lang niet in staat is om te werken naast de studie. In dat geval kan worden bekeken of er na een half jaar binnen een periode van 6 maanden geen verbetering valt te verwachten. Zo nee, dan kan dit worden aangemerkt als structureel. Dit is een redelijke termijn, ook gelet op de duur van een studie. Voor wat betreft de termijn van 6 maanden is aansluiting gezocht bij artikel 10 lid 2 en lid 3 Ontslagregeling. Bij ontslag vanwege langdurige ziekte moet ook aannemelijk gemaakt worden dat er na die langdurige ziekte (meestal 2 jaar) geen herstel te verwachten is binnen 6 maanden.
Artikel 5.2 Aanvraag studietoeslag
In dit artikel staat hoe een aanvraag moet worden ingediend (lid 1). Ook is bepaald welke stukken de aanvrager moet verstrekken bij de aanvraag (lid 2). Deze stukken moet de aanvrager verplicht verstrekken, mits die stukken van toepassing zijn. In lid 3 staat dat de aanvrager ook een deskundigenverklaring kan verstrekken. Dit is niet verplicht, maar het kan wel helpen om de medische situatie van belanghebbende inzichtelijk te maken. Het inleveren van een deskundigenverklaring betekent niet automatisch dat een medisch advies voor de beoordeling of recht op studietoeslag bestaat niet meer nodig is. Maar soms kan uit de door aanvrager ingeleverde stukken reeds duidelijk zijn dat er sprake is van een structurele medische beperking. Dan kan een medisch advies door een onafhankelijke deskundige achterwege blijven. De studietoeslag kan dan worden toegekend.
Belanghebbende hoeft niet te laten weten welke medische beperking hij heeft. Onder bewijs van de structurele medische beperking wordt verstaan: een verklaring van een arts of het UWV waaruit dit blijkt. De deskundigenverklaring hoeft nadrukkelijk geen medische gegevens van de belanghebbende te bevatten. Dit zijn bijzondere persoonsgegevens die alleen aan een medische deskundige voor de uitvoering van het medisch advies hoeven te worden verstrekt. De verklaring hoeft zich slechts te richten op de vraag of de belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden.
Medisch advies door onafhankelijke deskundige
Het college vraagt een medisch advies aan voor de beoordeling of recht bestaat op de studietoeslag. Dit blijkt uit artikel 36b lid 2 Pw. Het staat het college vrij hoe zij tot het medisch advies komt. Het college kan een eigen keuze maken voor een instantie.
Het advies bevat nadrukkelijk geen medische gegevens van belanghebbende. Het heeft alleen betrekking op de vraag of de belanghebbende in staat is een eigen inkomen te verwerven naast een voltijd studie, zonder dat dit ten koste gaat van de tijd die benodigd is om de studie met succes af te ronden. Zie hiervoor Tweede Kamer 2019-2020, 35394, nr.5, p. 6. Het college moet bij de advisering de zorgvuldigheidsnormen van de Awb in acht nemen. Dit is het algemene kader van afdeling 3.3 Awb en artikel 3:50 Awb.
Artikel 36b lid 2 Pw biedt de mogelijkheid om af te zien van een medisch advies. Het college kan dit doen op grond van bij het college bekende gegevens of door de belanghebbende verstrekte gegevens.
Dit kan alleen als op voorhand duidelijk is dat er recht bestaat op een studietoeslag. Want van het afzien van een medisch advies mag niet ten nadele van belanghebbende gebruik worden gemaakt. De aanvrager houdt de mogelijkheid een beroep te doen op een onafhankelijk medisch oordeel. Zie hiervoor Tweede Kamer 2019-2020, 35394, nr.5, p.7. In lid 3 wijkt het college af van de hoofdregel. Dit kan alleen omdat al vaststaat dat er geen recht bestaat op studietoeslag. Een medisch advies heeft dan geen invloed meer op het recht op studietoeslag. Dit is het geval als belanghebbende is uitgesloten van het recht op studietoeslag. Dit omdat belanghebbende geen studiefinanciering ontvangt of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS.
Dit is ook het geval als belanghebbende een Wajong-uitkering ontvangt.
Tevens is dit het geval wanneer belanghebbende al werkt naast de studie (behalve als het een stage betreft). In dat geval bestaat er geen recht op medisch advies, omdat belanghebbende kennelijk in staat is om te werken naast de studie.
Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
De duur van de studietoeslag is in principe gelijk aan de duur van de studiefinanciering. Het is verder aan het college om met inachtneming van onafhankelijk medisch advies vast te stellen voor welke duur de studietoeslag wordt verstrekt en hoe het de controle op rechtmatigheid vormgeeft.
Zo kan het onafhankelijk medisch advies aanleiding vormen voor het college om de duur van de studietoeslag niet af te stemmen op de duur van de opleiding, bijvoorbeeld in geval van een medische ingreep waarbij zicht is op verbetering van de medische situatie van betrokkene. Zie hiervoor Tweede Kamer 2019-2020, 35394 nr. 5, p. 9. In dat geval bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd. Dit om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
Artikel 5.4 Toekennen en uitbetalen
Het verstrekken van een studietoeslag is een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat als een belanghebbende aan de wettelijke voorwaarden voldoet, er recht op studietoeslag bestaat. De wet voorziet niet in een verbod om met terugwerkende kracht studietoeslag te verlenen. Artikel 44 lid l Pw is immers niet van overeenkomstige toepassing verklaard voor de studietoeslag.
Dit betekent dat een belanghebbende recht op studietoeslag heeft tot 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop hij zijn aanvraag heeft ingediend. Dat komt omdat financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid tot een termijn van vijf jaren in rechte afdwingbaar zijn. De terugwerkende kracht kan niet verder gaan dan 1 april 2022, aangezien vanaf die datum de nieuwe regels voor de studietoeslag gelden. Dit is vastgelegd in lid 3.
Het college hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of een aanvrager met terugwerkende kracht recht heeft op studietoeslag. Dit hoeft alleen als belanghebbende daartoe verzoekt. Dit is neergelegd in lid 2 van dit artikel. Dit sluit aan bij het doel van de regeling: het toekennen van studietoeslag met ingang van de aanvraagdatum. Het doel is om mensen met een medische beperking een steuntje in de rug te geven, zodat zij zich kunnen focussen op studeren. Dit omdat de combinatie met een bijbaan niet mogelijk is. Omdat het college het verlenen van terugwerkende kracht tot 5 jaar aan een aanvrager niet kan weigeren, wordt dit alleen op verzoek toegekend. Overigens moet uit het medisch advies dan wel naar voren komen dat belanghebbende in het verleden (ook) niet in staat was naast de studie te werken en uiteraard ook niet gewerkt heeft.
Artikel 5.5 Hoogte studietoeslag
Bij het vaststellen van het bedrag voor de doelgroep jonger dan 21 jaar kiest de regering voor een lager minimumbedrag voor de studietoeslag dat evenredig is aan de verhouding van het toepasselijke Jeugd-wettelijk minimumloon (WML) ten opzichte van het reguliere WML. De hoogte van de studietoeslag is dus afhankelijk van de leeftijd. Het recht op een hoger bedrag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop een persoon jarig is. Dit wordt omgerekend naar de maand waarin een persoon jarig is.
Hoofdstuk 6 Sociaal medische indicatie (verder: SMI)
Het doel van de SMI is om ouders te ontlasten en het welzijn van de kinderen veilig te stellen. In de SMI worden twee doelgroepen geformuleerd die voor een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang in aanmerking komen. Te weten ouders met een lichamelijke, zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking die door middel van kinderopvang ontlast worden en ouders van kinderen waarbij als gevolg van de thuissituatie het welzijn in gedrang komt. De regeling is niet gericht op de bevordering van de arbeidsparticipatie van de ouders, maar daar kan op de lange termijn of indirect wel sprake van zijn. Vanaf 1 januari 2021 kunnen gezinnen waarin de ene ouder werkt en de andere ouder een permanente indicatie heeft vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) via de Belastingdienst/Toeslagen kinderopvangtoeslag aanvragen. Deze ouders hoeven met deze wijziging dus geen beroep meer te doen op SMI (Sociaal Medische Indicatie) bij gemeenten.
Deze gegevens maken dat de SMI inhoudelijk gezien aansluit bij een aantal wettelijk kaders namelijk:
Een voorliggende voorziening betreft iedere voorziening waar de aanvrager een beroep op kan doen, zoals kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst of opvang in de directe omgeving (opa, oma of vrienden), maar dit kan ook het opnemen van ouderschapsverlof of zorgverlof zijn. Kinderopvang op basis van de sociaal medische indicatie is een regeling gericht op tijdelijke ondersteuning. De in lid 2 bepaalde duur sluit zo veel mogelijk aan bij de bestaande praktijk. Het is in principe de verantwoordelijkheid van de aanvrager om voor het aflopen van de eerder toegekende tegemoetkoming te zoeken naar alternatieven en als deze er niet zijn, gemotiveerd, verlenging aan te vragen. Uit het indicatieadvies moet daarom blijken dat:
Hoofdstuk 6. Sociaal medische indicatie kinderopvang
Een tegemoetkoming wordt alleen verstrekt indien is gebleken dat er sprake is van een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking van een ouder. De beperking van de ouder moet van dien aard zijn dat het kind waarvoor een indicatie en vergoeding wordt aangevraagd zich zonder de inzet van kinderopvang niet goed en gezond zou kunnen ontwikkelen. De indicatie en vergoeding heeft betrekking op kinderen van 0 tot 4 en op kinderen die het basisonderwijs volgen en in de gemeenten Harderwijk, Zeewolde of Ermelo woonachtig zijn.
Artikel 6.2 Voorliggende voorziening
De tegemoetkoming is bedoeld als vangnet en biedt een tijdelijke oplossing. Van de (alleenstaande) ouder(s) wordt al het mogelijke om niet langer dan noodzakelijk gebruik te hoeven maken van de SMI. Een tegemoetkoming in de kosten kinderopvang wordt alleen verstrekt indien vast staat dat de inzet van kinderopvang noodzakelijk is. Indien er kosteloze of goedkopere alternatieven zijn, dan is er geen sprake van noodzakelijke kinderopvang en wordt de tegemoetkoming geweigerd.
Ad a: Opvangmogelijkheden basisschool, familie of sociaal netwerk
Het eigen sociale netwerk wordt gezien als een voorliggende voorziening op de kinderopvang. Het sociale netwerk is een groep mensen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.
Daarbij horen mantelzorgers, net als (andere) familieleden, vrienden, buren en collega's. Bij de aanvraag wordt besproken of de ouder een beroep kan doen op ondersteuning vanuit het sociale netwerk en in welke mate hiervan sprake kan zijn.
Ad b: Voorzieningen voor de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) en peuteropvang
De gemeenten hebben voor de vergoeding van de kosten voor de peuterspeelzalen per gemeente zelf een eigen beleid opgesteld. Tevens kunnen ouders in de meeste gevallen voor de peuteropvang kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst ontvangen.
Ad c: Kinderopvangtoeslag van de belastingdienst
Indien de (vergoeding van de) opvang vanuit de Wet kinderopvang kan worden ingezet, gaat dit boven de SMl-regeling. Hiervoor gelden andere criteria en spelregels. De ouder kan dan in aanmerking komen voor een kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. Deze toeslag dekt niet alle kosten voor de kinderopvang. Er resteert een eigen bijdrage. Bepaalde doelgroepouders kunnen via bijzondere bijstand in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor deze eigen bijdrage. Dit staat beschreven onder Hoofdstuk 6 - bijzondere bijstand.
Ad d: Betaald of onbetaald (ouderschaps)verlof:
In geval van een partner met inkomsten dient onderzocht te worden of een bijdrage in de ondersteuning vanuit de werkgever tot de mogelijkheden behoort. Dit kan bijvoorbeeld door te onderzoeken of er via de werkgever mogelijkheden zijn voor zorgverlof en/of ouderschapsverlof. Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld de mogelijkheid om (deels) thuis te werken.
Ad e: een voorziening op grond van de Jeugdwet of Wmo;
De Jeugdwet valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente en heeft meerdere uitgangspunten/taken, zoals het versterken van het opvoedkundig klimaat binnen gezinnen en het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van jongeren. Gemeenten hebben ook de plicht om jeugdhulp en ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld aan jongeren met een beperking, stoornis, aandoening of opgroeiproblemen.
In een aantal situaties kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om een kind op een medisch kinderdagverblijf te plaatsen. Het medisch kinderdagverblijf biedt verpleging en verzorging voor kinderen en is bedoeld voor kinderen die sterk achterlopen met hun ontwikkeling. Bijvoorbeeld door psychische, lichamelijke of sociale problemen. Deze voorziening kan overigens zowel onder de Wlz als onder de Jeugdwet vallen. Dit is afhankelijk van de zwaarte van de aangeboden zorg.
De gemeente geeft ondersteuning thuis via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Een voorziening vanuit de Wmo kan voorliggend zijn op de SMl-regeling. Mensen die gebruik maken van de Wmo krijgen hulp van de gemeente middels algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en vervoersvoorzieningen. Een voorbeeld van een wmo-voorziening is individuele begeleiding: het ondersteunen van mensen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, om zo zelfstandig mogelijk te kunnen leven en te participeren in de maatschappij.
Ad f: een voorziening op grond van de Wet langdurige zorg
Indien aan de ouder of het kind bij de aanvraag of op termijn zorg wordt verleend vanuit de Wlz, dan is de Wlz in eerste instantie geheel of gedeeltelijk voorliggend en gaat dit boven de SMl-regeling. De inwoner komt alleen in aanmerking voor zorg vanuit de Wlz als hij of zij vanwege een ziekte of aandoening blijvend is aangewezen op 24 uur per dag zorg of permanent toezicht.
Zorg vanuit de Wlz kan worden georganiseerd in een verpleeghuis, verzorgingshuis, woonvorm voor gehandicapten of bij de inwoner thuis.
In principe wordt de zorg op twee manieren geleverd:
Artikel 6.3 Voorwaarden en duur tegemoetkoming
Indien er een of meerdere hulpverleners betrokken zijn bij het gezin waarop de aanvraag betrekking heeft, dan dient een regisseur aangewezen te worden. Deze regisseur is verantwoordelijk voor het opstellen van een plan van aanpak waarin de noodzaak tot een Sociale Medische Indicatie en de frequentie van de kinderopvang beschreven is. In dit plan zijn eveneens de doelstellingen opgenomen voor de alleenstaande ouder of het gezin waarmee gewerkt gaat worden. Als er geen sprake is van hulpverlening dient het gezin mee te werken aan een onderzoek om vast te kunnen stellen welke problematiek er speelt en of een Sociaal Medische Indicatie noodzakelijk is. Ook hier wordt een integraal plan van aanpak opgesteld. In dit plan staat ook de inspanningsverplichting van ouders om tot een situatie te komen waarin geen SMI meer nodig is en de gevolgen wanneer de alleenstaande ouder of gezin zich niet aan afspraken houdt, zoals vastgelegd in het plan van aanpak.
Een medewerker van het CJG of Team Jeugd geeft bindend advies ten aanzien van de noodzakelijkheid van een SMI-indicatie en de in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen. Dit advies stelt de noodzaak vast van de tegemoetkoming. Deze bindende beoordeling van de noodzakelijkheid vindt hiermee onafhankelijk van verdere verstrekking van de tegemoetkoming plaats.
Artikel 6.4 Tijdelijke indicatie
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 6.5 Hoogte en omvang van de tegemoetkoming
In dit artikel wordt vastgelegd hoe de hoogte van de gemeentelijke tegemoetkoming voor kinderopvang op basis van een sociaal-medische indicatie (SMI) wordt berekend.
Maximum aantal uren: Het maximum aantal te vergoeden uren is vastgesteld op 143 uur per kind per maand. Dit sluit aan bij de gemiddelde behoefte voor volledige opvang (ca. 33 uur per week). Het college toetst op basis van de SMI hoeveel uren in de individuele situatie daadwerkelijk noodzakelijk zijn.
Inkomensgrens en vervallen eigen bijdrage: In het kader van de menselijke maat en het waarborgen van de bestaanszekerheid is een belangrijke wijziging doorgevoerd voor ouders met een laag inkomen:
Inkomens tot 120% van de bijstandsnorm: deze ouders ontvangen een tegemoetkoming van 100% van de subsidiabele kosten. Zij zijn geen eigen bijdrage meer verschuldigd. Dit voorkomt dat ouders met een minimuminkomen een aparte aanvraag voor bijzondere bijstand moeten indienen voor het resterende bedrag, wat de administratieve lasten aanzienlijk vermindert.
Uurtarief: de vergoeding blijft gebaseerd op het landelijk vastgestelde maximum uurtarief. Eventuele meerkosten boven dit fiscale tarief komen voor rekening van de ouders, tenzij individuele omstandigheden aanleiding geven tot maatwerk.
Artikel 6.6 Ingangsdatum tegemoetkoming
Een tegemoetkoming met terugwerkende kracht is in principe niet mogelijk. Dat zorgt er ook voor dat ouders niet met kosten worden geconfronteerd voordat er duidelijkheid is over het recht op een SMI en tegemoetkoming in de kosten. Een overeenkomst of offerte zonder ondertekening wordt beoordeeld bij de aanvraag. In crisissituaties is uitzondering hierop mogelijk; er zijn situaties waarin snelle inzet van de opvang noodzakelijk is.
Artikel 6.7 Betaling tegemoetkoming
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 6.8 Aanvraag sociaal medische indicatie
Naast de genoemde gegevens kan het college ook andere gegevens vragen die het nodig acht om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verklaring met betrekking tot de werktijden van een ouder, bewijsstukken met betrekking tot de ondervonden beperkingen en bewijsstukken met betrekking tot mogelijke behandelingen van de ondervonden beperkingen die van invloed zouden kunnen zijn op de noodzaak tot het afnemen van kinderopvang. Dit is geen limitatieve opsomming.
Artikel 6.9 Inlichtingenplicht
De ouder is verplicht om uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden aan het college waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op vergoeding van de kinderopvang. Dit betreft bijvoorbeeld een wijziging van het inkomen, woonplaats, adres, gezinssamenstelling, aantal uren kinderopvang etcetera Daarnaast houdt de inlichtingenplicht in dat er volledige medewerking wordt verleend aan het vaststellen van het recht op de vergoeding.
We sluiten voor de uitvoering van dit artikel aan bij artikel 17 van de Participatiewet en Hoofdstuk 6, paragraaf 6.2 tot en met 6.4 van de Participatiewet.
Artikel 6.10. Herziening, intrekking en terugvordering
Het college kan per individuele situatie op grond van ten onrechte verstrekte tegemoetkoming, de mate van financiële benadeling en de omstandigheden van de ouder(s)/verzorger besluiten al dan niet tot een herziening of intrekking van de tegemoetkoming over te gaan. Indien hiertoe besloten wordt, vereist het gebruik maken van deze bevoegdheid wel een zorgvuldig onderzoek en besluitvormingsproces.
Hoofdstuk 7. Tegemoetkoming Alleenverdieners
Deze regeling is gebaseerd op artikel 78f tot en met 78m van de Participatiewet (Hoofdstuk 9A. Tijdelijke tegemoetkoming alleenverdieners) en heeft tot doel de inkomenspositie van huishoudens met alleenverdieners te herstellen. Door een samenloop van fiscale regels ontvingen zij minder toeslagen (zoals huur- of zorgtoeslag), waardoor hun besteedbaar inkomen lager uitviel dan dat van een paar met een volledige bijstandsuitkering.
Ambtshalve toekenning Artikel 7.6.1: Het college streeft naar een zo laag mogelijke drempel voor de inwoner. Voor een grote groep alleenverdieners ontvangt de gemeente gegevens van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of de Belastingdienst. In deze gevallen keert de gemeente de vaste tegemoetkoming automatisch (ambtshalve) uit. De inwoner hoeft dan alleen nog een geldig IBAN-nummer en een bewijs van tenaamstelling aan te leveren om de betaling te ontvangen.
Aanvraag op verzoek (Artikel 7.6.2): Huishoudens die niet automatisch in beeld komen, maar wel aan de voorwaarden voldoen, kunnen zelf een aanvraag indienen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Hoogte van de tegemoetkoming Het bedrag van de tegemoetkoming is niet lokaal bepaald, maar wordt jaarlijks landelijk vastgesteld via een ministeriële regeling. De vergoeding wordt per kalenderjaar één keer in zijn geheel uitgekeerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-173948.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.