Gemeenteblad van Bloemendaal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bloemendaal | Gemeenteblad 2026, 173803 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bloemendaal | Gemeenteblad 2026, 173803 | beleidsregel |
Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Bloemendaal 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal;
gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
besluit vast te stellen de volgende regeling:
Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Bloemendaal 2026
Artikel 3 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
Artikel 5 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Artikel 6 Intrekking oude regeling
De Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet 2022 worden ingetrokken.
Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze regeling in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.
Vastgesteld door het college bij besluit van 7 april 2026.
Overveen,
M. Rog,
Burgemeester
P. Küppers,
Gemeentesecretaris
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college op een viertal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden het college onder voorwaarden de mogelijkheid om:
Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt daarenboven dat het college deze ook kan inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 4, derde lid, en 5, derde lid.
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.
Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door het college in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet).
Artikel 2 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
In artikel 2 zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet.
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, achtste lid, van de Wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.
Het is aan het college om te bepalen in welke gevallen het verantwoord is om giften vrij te laten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.
Naast de categoriale vrijlatingsregeling heeft het college verder invulling gegeven onder welke omstandigheden het al dan niet verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. In dit artikel zijn aanknopingspunten gegeven op basis waarvan giften in het individuele geval door het college in elk geval buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 3 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In artikel 3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 4 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Behoudens de gegevens over het hoofdverblijf, de gezinssituatie, het inkomen en het vermogen benut het dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-173803.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.