Gemeenteblad van Hollands Kroon
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hollands Kroon | Gemeenteblad 2026, 173576 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hollands Kroon | Gemeenteblad 2026, 173576 | beleidsregel |
Beleidsregels Marginale Zelfstandigen gemeente Hollands Kroon
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
overwegende dat het ook voor inwoners met recht op een uitkering op grond van de Participatiewet, van wie geconstateerd is dat werkzaamheden als marginaal zelfstandige de enige reële optie richting arbeidsmarkt vormen, belangrijk is om naar vermogen te participeren op de arbeidsmarkt en hun kwaliteiten zoveel mogelijk in te zetten;
overwegende dat het voor degene, die van de gemeente toestemming heeft gekregen om als marginaal zelfstandige werkzaamheden te gaan verrichten, reëel is om bij de vaststelling van de in aanmerking te nemen inkomsten rekening te houden met bepaalde bedrijfskosten;
gelet op de artikelen 4:81 Algemene wet bestuursrecht en 7, 9 en 10 van de Participatiewet;
vast te stellen de 'Beleidsregels Marginale Zelfstandigen gemeente Hollands Kroon’.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
marginaal zelfstandige: een uitkeringsgerechtigde die werkzaamheden verricht in het kader van zelfstandig ondernemerschap, welke naar aard en omvang beperkt zijn, worden uitgevoerd voor eigen rekening en risico, en naar verwachting niet leiden tot een inkomen waarmee duurzaam in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien;
marginale zelfstandige activiteiten: productieve activiteiten van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en die voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd door uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vanwege oorzaken als sociaal-culturele achtergronden, het ontbreken van opleiding, het gebrek aan ervaring met het werken in loondienst, of de lange werkloosheidsduur. Kenmerkend voor de activiteiten is dat deze naar verwachting ook op termijn, niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien;
marktconform tarief: een prijs voor goederen of diensten die in de relevante markt gebruikelijk, reëel en objectief verdedigbaar is. Een tarief wordt als marktconform beschouwd wanneer het aantoonbaar voldoet aan beide van de volgende voorwaarden:
gelijk speelveld / marktvergelijking:
De prijs ligt in lijn met wat andere, vergelijkbare marktpartijen onder normale marktomstandigheden rekenen voor een soortgelijke prestatie. De prijs sluit aan bij gangbare marktprijzen en handelsgebruiken, zodat sprake is van een marktconforme, concurrerende en niet‑afwijkende positionering;
zakelijk openbaar vervoer: betreft het gebruik van openbaar vervoersmiddelen (zoals trein, bus, tram, metro of veerpont) door een uitkeringsgerechtigde of ondernemer, uitsluitend ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden die direct verband houden met de bedrijfsvoering of arbeidsparticipatie. Dit vervoer dient:
Aan uitkeringsgerechtigden bij wie is vastgesteld dat het verrichten van activiteiten als marginaal zelfstandige de enige reëel beschikbare mogelijkheid vormt om, gelet op hun persoonlijke omstandigheden en capaciteiten, naar vermogen te participeren op de arbeidsmarkt, kan het college toestemming verlenen tot het verrichten van dergelijke activiteiten.
Artikel 3. Voorwaarden en verplichtingen
De marginaal zelfstandige blijft volledig en aantoonbaar beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Deze verplichting geldt onvoorwaardelijk en vormt een integraal onderdeel van de arbeids- en re-integratieverplichtingen zoals neergelegd in artikel 9 van de Participatiewet, welk artikel onverkort van toepassing is.
Artikel 4. Verrekening van inkomsten en bedrijfskosten
Bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen uit activiteiten als marginaal zelfstandige, wordt door het college rekening gehouden met bedrijfskosten, voor zover deze aantoonbaar zijn, rechtstreeks verband houden met de uitgeoefende werkzaamheden, noodzakelijk zijn voor het verwerven van de gegenereerde opbrengsten, dan wel voortvloeien uit wettelijke verplichtingen.
Vervoerskosten komen slechts voor verrekening in aanmerking indien zij betrekking hebben op zakelijk vervoer. Dit dient te blijken uit een sluitende en controleerbare kilometeradministratie. De vergoeding bedraagt maximaal € 0,23 per kilometer, conform het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 en jaarlijks aangepast via het Belastingplan. In voorkomende gevallen kunnen kosten van zakelijk openbaar vervoer eveneens in aanmerking worden genomen, mits deze aantoonbaar en noodzakelijk zijn.
Wanneer de uitkeringsgerechtigde is aangemerkt als marginaal zelfstandige, geeft hij het college inzicht in de verwachte inkomsten en de daarmee samenhangende beroepskosten. Het college bepaalt de hoogte van de in aanmerking te nemen inkomsten en beoordeelt halfjaarlijks of de situatie moet worden herzien. Het college beoordeelt op dat moment ook of de uitkeringsgerechtigde nog steeds als marginaal zelfstandige kan worden aangemerkt.
Het verdiende inkomen, zoals dat uit de boekhouding blijkt, is een bruto inkomen. Wanneer dit inkomen uitkomt op een negatief bedrag, wordt het inkomen op nihil gesteld. Het bruto inkomen dient verminderd te worden met te betalen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen om het te kunnen vergelijken met de (netto) bijstand. De herleiding van het bruto inkomen van de marginaal zelfstandige naar netto inkomen vindt plaats met toepassing van een forfaitair percentage, overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van het Bbz 2004.
Artikel 5. Intrekking van de toestemming
Indien het college vaststelt dat niet wordt voldaan aan één of meer van de voorwaarden en verplichtingen zoals opgenomen in artikel 3, dan wel indien voortzetting van de activiteiten als marginaal zelfstandige naar het oordeel van het college niet langer verantwoord is — bijvoorbeeld in geval van structureel negatieve bedrijfsresultaten of het ontbreken van perspectief op enige economische duurzaamheid — kan het college de verleende toestemming tot het verrichten van deze activiteiten intrekken.
Artikel 6. Bijzondere gevallen
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan naar het oordeel van het college zou leiden tot een onevenredige benadeling van de belanghebbende. Bij de beoordeling wordt het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitdrukkelijk betrokken.
Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels marginaal zelfstandigen gemeente Hollands Kroon.
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag volgend op die waarop zij op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt.
Voor bestaande gevallen die op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds gebruikmaken van ondersteuning op grond van het oude niet schriftelijk vastgestelde beleid, geldt een overgangsperiode van maximaal zes maanden. Na afloop van deze periode worden deze beleidsregels volledig van toepassing.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon van 7 april 2026.
Het college van burgemeester en wethouders,
secretaris,
H. van der Woude
wnm burgemeester,
L.A. de Lange
De beleidsregels marginaal zelfstandigen zijn ontwikkeld om een specifieke groep uitkeringsgerechtigden te ondersteunen: mensen die door persoonlijke omstandigheden en structurele belemmeringen een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Voor deze groep is regulier werk in loondienst vaak niet haalbaar, zelfs niet op langere termijn. Tegelijkertijd beschikken zij over vaardigheden, talenten of een netwerk waarmee zij op beperkte schaal ondernemende activiteiten kunnen verrichten.
Het uitgangspunt van deze beleidsregels is dat deze activiteiten niet leiden tot volledige economische zelfstandigheid, maar wél een belangrijke bijdrage leveren aan:
Marginaal ondernemerschap wordt gezien als een participatie-instrument, niet als een route naar volledige uitstroom uit de bijstand. Het biedt een alternatief voor passiviteit en isolement, en sluit aan bij het bredere gemeentelijke beleid gericht op inclusie en armoedebestrijding. Door ruimte te bieden voor ondernemerschap binnen duidelijke kaders, wordt voorkomen dat mensen financieel in de problemen komen door onrealistische verwachtingen of schulden, terwijl zij toch de kans krijgen om actief mee te doen.
Daarnaast dragen deze beleidsregels aan bij:
Kortom, deze beleidsregels zijn een instrument voor maatwerk: zij bieden ruimte voor eigen initiatief, stimuleren participatie en beschermen tegelijkertijd de bestaanszekerheid van kwetsbare inwoners.
Inclusie betekent dat iedereen, ongeacht achtergrond, beperkingen of langdurige werkloosheid, de kans krijgt om mee te doen in de samenleving. Voor sommige mensen is regulier werk in loondienst niet haalbaar door factoren zoals:
Het beleid draagt bij aan gelijke kansen en toegankelijke ondersteuning voor een groep die vaak onzichtbaar blijft:
Door ruimte te bieden voor marginaal ondernemerschap, wordt een vorm van participatie mogelijk gemaakt die aansluit bij de mogelijkheden van deze doelgroep. Dit bevordert eigenwaarde, sociale contacten en een gevoel van bijdrage, ook al is het economisch effect beperkt.
Armoede is niet alleen een financieel probleem, maar ook een sociaal-maatschappelijke uitdaging. Marginaal zelfstandigheid kan:
Door duidelijke kaders te stellen (zoals maximale uren, verplichtingen en verrekening van inkomsten) wordt voorkomen dat mensen financieel in de problemen komen door onrealistische verwachtingen of schulden. Tegelijkertijd wordt rechtmatigheid gewaarborgd en misbruik voorkomen.
Balans tussen stimulans en bescherming
De beleidsregels zoeken een balans tussen:
Ze bieden maatwerk voor een kwetsbare groep die anders buiten het arbeidsproces blijft. Ze sluiten aan bij gemeentelijke doelstellingen op het gebied van participatie, inclusie en armoedebestrijding.
Ze zorgen voor transparantie en rechtszekerheid voor zowel cliënten als uitvoerders.
Deze toelichting geeft nadere uitleg bij de in de beleidsregels gehanteerde begrippen. Het doel is om duidelijkheid te bieden over de interpretatie en toepassing van deze termen in de uitvoering van het beleid.
a. Bbz (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004)
Het Bbz regelt de mogelijkheden voor zelfstandigen om bijstand te ontvangen, bijvoorbeeld bij tijdelijke financiële problemen of bij de start van een onderneming. Het vormt een belangrijk kader voor gemeenten bij het ondersteunen van ondernemers.
Onder een bedrijf wordt zowel een onderneming als een zelfstandig beroep verstaan. Dit onderscheid is relevant omdat beide vormen onder het Bbz vallen, maar de aard van de activiteiten kan verschillen (bijvoorbeeld een winkel versus een freelance beroep).
Het college van burgemeester en wethouders is het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van deze beleidsregels. Alle besluiten over aanvragen en controles worden door of namens het college genomen.
Een goede administratie is essentieel om inzicht te krijgen in de bedrijfsvoering en om vast te stellen of er sprake is van rechtmatigheid. De opsomming geeft concrete handvatten:
Dit voorkomt discussie over wat minimaal vereist is.
Dit begrip duidt op uitkeringsgerechtigden die wel ondernemende activiteiten verrichten, maar niet in staat zijn om daarmee volledig in hun levensonderhoud te voorzien. Het onderscheid is belangrijk voor de hoogte van de uitkering en de verplichtingen.
Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat de beleidsregels niet alleen gelden voor bijstandsgerechtigden op grond van de Participatiewet, maar ook voor personen onder IOAW en IOAZ.
g. Marginale zelfstandige activiteiten
Deze definitie geeft context aan het begrip ‘marginaal zelfstandige’. Het gaat om activiteiten die naar verwachting niet leiden tot een duurzaam inkomen. Dit is relevant voor de beoordeling van aanvragen en voor het bepalen van de mate van ondersteuning.
Een marktconform tarief is een prijs die past bij wat normaal en gebruikelijk is voor een bepaald product of een bepaalde dienst. Het is een redelijke en eerlijke prijs, die je kunt uitleggen en onderbouwen.
Een tarief is marktconform als het aan twee voorwaarden voldoet:
1. De prijs past bij de kosten (kostenoriëntatie)
De prijs moet logisch te verklaren zijn op basis van de kosten die iemand maakt om de dienst of het product te leveren.
2. De prijs past bij wat andere aanbieders vragen (gelijk speelveld / marktvergelijking)
De prijs moet ongeveer overeenkomen met wat andere bedrijven in dezelfde branche rekenen voor een vergelijkbare dienst of product.
Een marktconform tarief is een eerlijke prijs, die zowel past bij de werkelijke kosten als bij de prijzen die vergelijkbare aanbieders rekenen.
Stel: een fietsenmaker wil een band plakken en rekent hiervoor €12. Dit is marktconform als:
Rekent een fietsenmaker €4, dan kan dat niet marktconform zijn, omdat:
Rekent hij €35, dan is dat meestal ook niet marktconform, omdat:
Het onderscheid tussen zakelijk en privégebruik is belangrijk voor de beoordeling van kosten en voor fiscale aspecten. Zakelijk vervoer moet functioneel zijn en aantoonbaar verband houden met de bedrijfsvoering.
Ook hier geldt dat het gebruik van openbaar vervoer zakelijk moet zijn en controleerbaar via bewijsstukken. Dit voorkomt misbruik en maakt de kosten toetsbaar.
k. Zelfstandig ondernemerschap
Deze definitie sluit aan bij fiscale en juridische criteria:
Dit helpt om te bepalen of iemand daadwerkelijk ondernemer is en niet slechts incidenteel activiteiten verricht.
Alle niet-gedefinieerde begrippen volgen de betekenis uit de Participatiewet en het Bbz. Dit voorkomt tegenstrijdigheden en zorgt voor consistentie in de uitvoering.
Dit artikel bepaalt voor welke uitkeringsgerechtigden het college toestemming kan verlenen om activiteiten als marginaal zelfstandige te verrichten. Het uitgangspunt is dat deze mogelijkheid uitsluitend bedoeld is voor personen bij wie andere vormen van arbeidsmarktparticipatie niet reëel haalbaar zijn, gelet op hun persoonlijke omstandigheden en capaciteiten.
Lid 1 Reële mogelijkheid tot participatie
Het college kan toestemming verlenen wanneer is vastgesteld dat het verrichten van activiteiten als marginaal zelfstandige de enige reëel beschikbare optie is om naar vermogen te participeren. Dit betekent dat:
Voordat de uitkeringsgerechtigde start met activiteiten, moet expliciete toestemming van het college zijn verkregen. Dit voorkomt dat activiteiten ongecontroleerd worden gestart en waarborgt dat vooraf duidelijkheid bestaat over de voorwaarden en verplichtingen.
Lid 3 Voortzetting bij aanvang bijstand
Indien iemand al marginaal zelfstandige activiteiten verricht bij aanvang van de bijstandsverlening, kan het college toestemming geven om deze voort te zetten, mits wordt voldaan aan de criteria van lid 1. Dit biedt continuïteit en voorkomt dat bestaande activiteiten onnodig worden beëindigd.
Bij de beoordeling van een verzoek om toestemming hanteert het college ten minste de volgende criteria:
a. Beperkte omvang en geen perspectief op zelfstandigheid
De werkzaamheden zijn naar verwachting van geringe omvang en niet gericht op het op termijn volledig voorzien in het eigen levensonderhoud. Dit onderscheidt marginaal zelfstandigen van startende ondernemers.
Ook op langere termijn zal het inkomen uit deze activiteiten niet toereikend zijn om zelfstandig in het bestaan te voorzien. Dit rechtvaardigt het behoud van een uitkering.
De activiteiten worden uitgevoerd als ondernemer, niet als werknemer. Dit betekent dat de persoon zelf verantwoordelijk is voor kosten, risico’s en eventuele winst of verlies.
d. Aantoonbare afstand tot de arbeidsmarkt
De doelgroep bestaat uit personen met structurele belemmeringen, zoals:
Deze factoren maken reguliere arbeid niet haalbaar.
De uitkeringsgerechtigde behoort niet tot de categorie gevestigde zelfstandigen, starters of pré-starters zoals bedoeld in het Bbz. Dit voorkomt overlap met regelingen die gericht zijn op levensvatbare ondernemingen.
Het toestaan van marginaal zelfstandige activiteiten is een instrument om participatie te bevorderen voor mensen die anders volledig buiten het arbeidsproces zouden blijven. Het biedt ruimte voor eigen initiatief, zonder dat er onrealistische verwachtingen worden gewekt over volledige economische zelfstandigheid.
Artikel 3. Voorwaarden en verplichtingen
Dit artikel bevat de voorwaarden en verplichtingen die onlosmakelijk verbonden zijn aan de toestemming om activiteiten als marginaal zelfstandige te verrichten. Het doel van deze bepalingen is om enerzijds ruimte te bieden voor ondernemende activiteiten, en anderzijds te waarborgen dat deze activiteiten niet leiden tot misbruik van de bijstandsregeling of tot verstoring van de markt.
De toestemming van het college is niet vrijblijvend: zij gaat gepaard met duidelijke verplichtingen die de uitkeringsgerechtigde moet naleven. Deze voorwaarden zijn bedoeld om:
a. Maximale tijdsbesteding (1.225 uur per jaar)
Deze grens sluit aan bij de fiscale norm voor zelfstandigenaftrek, maar hier wordt zij gebruikt als maximum om te voorkomen dat marginaal ondernemerschap uitgroeit tot een volwaardig bedrijf. Het uitgangspunt blijft dat de uitkeringsgerechtigde primair beschikbaar is voor regulier werk.
b. Voldoen aan wettelijke vereisten
De activiteiten moeten voldoen aan alle relevante wet- en regelgeving, zoals fiscale verplichtingen en administratieve eisen. Dit voorkomt dat de gemeente toestemming verleent voor activiteiten die in strijd zijn met de wet.
c. Inschrijving bij de Kamer van Koophandel
Een KvK-inschrijving is verplicht om de status van ondernemer te bevestigen en transparantie te waarborgen.
Door marktconforme prijzen te hanteren, wordt voorkomen dat er sprake is van oneerlijke concurrentie of prijsdumping, wat schadelijk kan zijn voor andere ondernemers.
Een correcte administratie is noodzakelijk voor controle door het college en voor fiscale verplichtingen. Dit omvat facturen, urenregistratie en periodieke overzichten.
De halfjaarlijkse verplichting om een overzicht van de boekhouding te overleggen dient meerdere, nauw samenhangende doelen en vormt een essentieel onderdeel van de uitvoering van het beleid voor marginaal zelfstandigen. De kern van deze status is dat de ondernemingsactiviteiten kleinschalig zijn en niet levensvatbaar als hoofdinkomen, waardoor aanvullende bijstand noodzakelijk blijft. Het college moet daarom periodiek kunnen beoordelen of deze situatie nog steeds op de werkelijkheid aansluit.
Door elke zes maanden de administratie te beoordelen, kan het college vaststellen:
De keuze voor een halfjaarlijkse frequentie is bewust: ondernemingen kennen natuurlijke schommelingen, maar een periode van zes maanden biedt een betrouwbaar en evenwichtig beeld van de ontwikkeling van de activiteiten. Hiermee wordt zowel onder als overrapportage voorkomen.
Daarnaast is de periodieke boekhouding noodzakelijk om te voldoen aan de verplichtingen uit de Participatiewet. De gemeente moet inkomsten uit arbeid of onderneming correct verrekenen met de bijstand. Een actueel overzicht is daarom onmisbaar om:
De halfjaarlijkse rapportage speelt ook een cruciale rol bij het beoordelen van de levensvatbaarheid van de onderneming. Het college moet tijdig kunnen signaleren of de activiteiten zich ontwikkelen in de richting van duurzame zelfstandigheid, óf dat sprake is van een structureel verlieslatende situatie die geen realistisch perspectief biedt. Op deze manier wordt voorkomen dat ondernemingen zonder toekomstperspectief langdurig worden voortgezet.
Tot slot draagt de periodieke controle bij aan de rechtmatigheid, transparantie en handhaafbaarheid van de bijstandsverlening. Activiteiten van marginaal zelfstandigen zijn relatief gevoelig voor fouten of onvolkomenheden in:
Een halfjaarlijkse toetsing biedt het college een stevig fundament om eventuele onduidelijkheden tijdig op te sporen, fraude of onbedoelde schending van de inlichtingenplicht te voorkomen en waar nodig maatregelen te nemen op grond van artikel 54 Participatiewet.
In samenhang bezien waarborgt de halfjaarlijkse boekhoudingsverplichting dus zowel de rechtmatigheid van de bijstand, de juiste beoordeling van de ondernemingsactiviteiten, als de doelmatigheid van het beleid voor marginaal zelfstandigen
De marginaal zelfstandige moet voldoen aan fiscale verplichtingen, waaronder het doen van aangifte. Dit bevestigt de status als ondernemer en voorkomt onregelmatigheden.
Lid 2 Jaarcijfers en belastingaangifte
Uiterlijk op 1 juli van het daaropvolgende boekjaar moeten de jaarcijfers, belastingaangifte en aanslag worden overgelegd. Dit geeft het college inzicht in de financiële resultaten en maakt een rechtmatigheidscontrole mogelijk.
Lid 3 Extra informatie op verzoek
Het college kan aanvullende informatie opvragen wanneer daar aanleiding toe is, bijvoorbeeld bij twijfel over de omvang van de activiteiten of bij signalen van niet-naleving.
Lid 4 Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt
Ondanks de toestemming voor marginaal zelfstandige activiteiten blijft de uitkeringsgerechtigde volledig beschikbaar voor regulier werk. Dit is een kernverplichting uit artikel 9 van de Participatiewet en voorkomt dat ondernemende activiteiten een belemmering vormen voor re-integratie.
Deze voorwaarden zorgen voor een balans tussen het stimuleren van ondernemerschap en het handhaven van de uitgangspunten van de bijstandsregeling: het bevorderen van arbeidsparticipatie en het voorkomen van afhankelijkheid. Marginaal ondernemerschap is een middel tot participatie, niet een route naar volledige economische zelfstandigheid.
Artikel 4. Verrekening van inkomsten en bedrijfskosten
Dit artikel regelt hoe het college omgaat met inkomsten en kosten die voortvloeien uit activiteiten als marginaal zelfstandige. Het uitgangspunt is dat inkomsten uit deze activiteiten volledig worden verrekend met de bijstandsuitkering, conform de Participatiewet. Tegelijkertijd wordt rekening gehouden met noodzakelijke en aantoonbare bedrijfskosten, zodat alleen het netto-inkomen invloed heeft op het recht op bijstand.
Lid 1 Volledige verrekening van inkomsten
Alle inkomsten die de marginaal zelfstandige genereert, worden in beginsel volledig verrekend met de algemene bijstand. Dit volgt uit de Participatiewet, waarin het uitgangspunt is dat alle middelen die iemand kan aanwenden voor levensonderhoud, meetellen bij de vaststelling van het recht op bijstand.
Bij het bepalen van het in aanmerking te nemen inkomen houdt het college rekening met bedrijfskosten, mits deze:
Dit voorkomt dat ondernemers worden benadeeld door kosten die zij moeten maken om inkomsten te genereren.
Lid 3 Uitsluiting van bepaalde kosten
Kosten voor bedrijfsleningen en personeelskosten worden niet als noodzakelijk aangemerkt. Dit is logisch, omdat marginaal ondernemerschap naar aard en omvang beperkt is en niet bedoeld is om een bedrijf met personeel of grote investeringen te ondersteunen.
Kosten voor huisvesting worden uitsluitend geaccepteerd wanneer, gelet op de aard van de werkzaamheden, het noodzakelijk is dat deze activiteiten extern worden verricht en wanneer deze noodzaak blijkt uit de omstandigheden van het geval. Van noodzakelijke externe huisvesting is slechts sprake indien de marginaal zelfstandige voor de uitvoering van zijn bedrijfsactiviteiten moet beschikken over een bedrijfsruimte die naar haar aard niet vanuit de eigen woning kan worden gerealiseerd. Dit doet zich met name voor bij fysieke werkzaamheden die een werkplaats, opslagruimte of stallingsruimte vereisen, zoals reparatie en onderhoudswerkzaamheden aan fietsen, voertuigen of machines.
Deze bepaling is bedoeld om te waarborgen dat de gemeente enkel kosten voor externe huisvesting vergoedt die onmiskenbaar samenhangen met de noodzakelijke uitvoering van het marginaal ondernemerschap. Uitgangspunt is immers dat marginaal zelfstandigen kleinschalige activiteiten verrichten die in beginsel vanuit de woning kunnen worden uitgevoerd, tenzij de aard van het werk dit feitelijk onmogelijk maakt.
Externe huisvesting is alleen noodzakelijk wanneer:
De aard van de werkzaamheden een werkplaats of opslagruimte vereist.
Dit geldt bij activiteiten waarbij sprake is van lawaai, stof of stank, het gebruik van zware machines, het stallen of repareren van voertuigen of fietsen, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, of een behoefte aan fysieke ruimte die een woonruimte niet kan bieden.
De werkzaamheden redelijkerwijs niet vanuit de woning kunnen worden verricht.
Bijvoorbeeld wanneer deze in een woonomgeving onveilig zijn, de woning geen werkplaatsfunctie kan vervullen, VvE‑ of buurtregels de activiteiten verbieden (zoals motorreparaties in een wooncomplex), of wanneer het woongenot van de belanghebbende of buren daardoor ontoelaatbaar wordt verstoord.
Voorbeelden van situaties waarin externe huisvestingskosten wél noodzakelijk kunnen zijn:
Bij de beoordeling van deze kosten geldt steeds het uitgangspunt dat alleen wordt vergoed wat noodzakelijk en aantoonbaar is. Het college beoordeelt de aangevoerde kosten aan de hand van:
Alleen zakelijke vervoerskosten komen in aanmerking, mits deze controleerbaar zijn via een sluitende kilometeradministratie. De vergoeding is gemaximeerd op € 0,23 per kilometer, conform fiscale regelgeving. Ook kosten voor zakelijk openbaar vervoer kunnen worden meegenomen, mits aantoonbaar en noodzakelijk.
Kosten voor het bijhouden van een deugdelijke administratie worden tot maximaal € 2.000 per jaar geaccepteerd. Dit voorkomt dat hoge administratieve kosten ten onrechte het inkomen drukken.
Lid 7 t/m 9 Procedure en herziening
De marginaal zelfstandige moet vooraf inzicht geven in verwachte inkomsten en kosten. Het college bepaalt op basis daarvan:
Het college beoordeelt dit halfjaarlijks en kan de status van marginaal zelfstandige herzien. De uitkeringsgerechtigde kan zelf ook verzoeken om wijziging van de verrekeningswijze.
Lid 10 en 11 Definitieve vaststelling en berekening netto-inkomen
Op basis van jaarcijfers en belastingaangifte stelt het college het definitieve inkomen vast. Het bruto-inkomen wordt herleid naar netto-inkomen, analoog aan artikel 6 lid 2 Bbz, met een forfaitair percentage. Bij een negatief resultaat wordt het inkomen op nihil gesteld.
Deze regeling zorgt voor een eerlijke en transparante verrekening van inkomsten, waarbij rekening wordt gehouden met noodzakelijke kosten. Het voorkomt dat marginaal ondernemerschap leidt tot financieel nadeel, maar waarborgt ook dat de bijstandsuitkering niet wordt gebruikt om een bedrijf te financieren dat niet levensvatbaar is.
Artikel 5. Intrekking van de toestemming
Dit artikel regelt de mogelijkheid voor het college om de eerder verleende toestemming voor het verrichten van activiteiten als marginaal zelfstandige in te trekken. Het college kan de toestemming voor het verrichten van activiteiten als marginaal zelfstandige intrekken wanneer niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, of wanneer de activiteiten niet meer passen binnen het kader van marginaal ondernemerschap.
Toestemming kan worden ingetrokken in de volgende situaties:
Niet (tijdig) overleggen van de halfjaarlijkse boekhouding
De halfjaarlijkse administratie is noodzakelijk voor de vaststelling van inkomsten en voor de beoordeling of de status marginaal zelfstandige nog passend is. Het niet overleggen hiervan betekent schending van de inlichtingenplicht en kan leiden tot opschorting en intrekking (artikelen 17 en 54 Pw).
Onderneming is niet levensvatbaar
Bij achterblijvende of negatieve inkomsten gedurende meerdere beoordelingsperioden, gebrek aan opdrachten, onvoldoende marktactiviteit of het ontbreken van een realistisch perspectief kan de toestemming worden ingetrokken en wordt beëindiging van de onderneming verlangd.
Artikel 6. Bijzondere gevallen
Artikel 6 biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de beleidsregels. Deze afwijkingsbevoegdheid is bedoeld om te voorkomen dat een strikte toepassing van de regels leidt tot gevolgen die in een concreet geval onredelijk of onbillijk uitpakken voor de belanghebbende. De beleidsregels geven richting en zorgen voor rechtsgelijkheid, maar kunnen nooit alle individuele omstandigheden volledig voorzien. Daarom is een vangnetbepaling noodzakelijk.
Het belangrijkste uitgangspunt bij de toepassing van dit artikel is het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit beginsel verplicht het college om steeds te beoordelen of de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zwaar zijn in verhouding tot het doel dat met de beleidsregel wordt nagestreefd. Met andere woorden: de inzet van de beleidsregel mag niet leiden tot een resultaat dat duidelijk onredelijk of buitenproportioneel is.
Deze afwijkingsmogelijkheid wordt uitsluitend toegepast wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden die niet passen binnen de normale werking van de beleidsregels. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om situaties van:
Een marginaal zelfstandige kan door een langdurige ziekenhuisopname tijdelijk geen administratie overleggen of minder uren maken. Strikte toepassing van de regels zou in dat geval leiden tot intrekking van de toestemming en daarmee verlies van inkomsten. In zo’n situatie kan het college op grond van artikel 6 besluiten af te wijken van de verplichting of een ruimere termijn te bieden, omdat de gevolgen anders onevenredig zwaar zouden zijn. Artikel 6 geeft het college daarmee de noodzakelijke flexibiliteit om maatwerk te leveren wanneer dit gerechtvaardigd is. Deze bevoegdheid wordt zorgvuldig toegepast en altijd gemotiveerd in het besluit, zodat duidelijk is waarom in dat specifieke geval is afgeweken van de beleidsregels.
Dit artikel bepaalt de officiële naam van de beleidsregels:
“Beleidsregels marginaal zelfstandigen gemeente Hollands Kroon.”
Dit is van belang voor juridische duidelijkheid en verwijzingen in besluiten en publicaties.
De beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Dit geeft rechtszekerheid: belanghebbenden weten vanaf welk moment de regels gelden.
Dit artikel regelt de wijze waarop wordt omgegaan met situaties waarin belanghebbenden op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds gebruikmaken van ondersteuning op grond van het voorheen geldende, niet schriftelijk vastgestelde beleid. Met deze overgangsbepaling wordt voorzien in een zorgvuldige en rechtszekere overgang van oud naar nieuw beleid.
De overgangsperiode van maximaal zes maanden heeft tot doel om zowel de gemeente als de betrokken belanghebbenden voldoende gelegenheid te bieden om de gevolgen van de nieuwe beleidsregels op een ordelijke wijze te verwerken. Gedurende deze periode blijft de bestaande ondersteuning ongewijzigd van kracht. Dit voorkomt dat belanghebbenden abrupt geconfronteerd worden met mogelijke wijzigingen in de aard, omvang of voorwaarden van de ondersteuning. Tevens wordt hiermee voorkomen dat de gemeente overhaast besluiten moet nemen zonder de vereiste zorgvuldige herbeoordeling conform de nieuwe beleidsregels.
Binnen de gestelde overgangstermijn dient de gemeente de ondersteuning van de betreffende belanghebbenden opnieuw te beoordelen aan de hand van de bepalingen zoals vastgelegd in deze beleidsregels. Na afronding van deze herbeoordeling, en uiterlijk bij het verstrijken van de overgangstermijn, worden de nieuwe beleidsregels volledig van toepassing. De overgangsbepaling brengt geen verlenging van de oude rechten met zich mee na afloop van de termijn; indien geen nieuw besluit is genomen vóór het einde van de overgangsperiode, gelden vanaf dat moment de nieuwe beleidsregels onverkort.
Deze overgangsregeling waarborgt daarmee:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-173576.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.