Subsidieregeling preventie huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld Rotterdam 2027-2028

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

 

gelezen het voorstel van de wethouder Zorg, Ouderen en Jeugdzorg van 17 maart 2026 M2603-3028;

 

gelet op artikel 3, derde lid, artikel 4, tweede lid, artikel 6, derde lid, artikel 7, derde lid, artikel 8, aanhef en onderdeel k, van de SVR 2014;

 

overwegende, dat het wenselijk is een volgende subsidieregeling vast te stellen ter stimulering van activiteiten die gericht zijn op het voorkomen van, het voorkomen van herhaling van en het terugdringen van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld door het maatschappelijke gesprek aan te gaan, vroegtijdig te signaleren en de weerbaarheid te bevorderen, omdat iedere Rotterdammer recht heeft op een gezond en veilig leven;

 

besluit:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    beleidsplan: beleidsplan huiselijk geweld van de gemeente Rotterdam ‘Samen naar een toekomst zonder geweld’ (Gemeenteblad 2024, 61900);

  • -

    huiselijk geweld: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    interventie: doelgerichte en methodische aanpak die bestaat uit concreet uitgevoerde handelingen met een specifiek beoogd effect;

  • -

    kindermishandeling: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    ouderenmishandeling: lichamelijk, psychisch of seksueel geweld, financieel misbruik, of verwaarlozing van een oudere door een persoon die een terugkerende persoonlijke of professionele relatie met de oudere heeft en waarvan de oudere geheel of gedeeltelijk afhankelijk is, waardoor lichamelijke, psychische of financiële schade ontstaat dan wel dreigt te ontstaan;

  • -

    schadelijke traditionele praktijken: vormen van huiselijk geweld die voortkomen uit orthodoxe of conservatieve tradities en rigide opvattingen over seksualiteit en man-vrouwrollen, die plaatsvinden in samenhang met een bepaald collectief gedachtegoed binnen al dan niet gesloten gemeenschappen;

  • -

    seksueel geweld: seksuele handelingen die iemand gedwongen uitvoert, meemaakt of ziet.

Artikel 2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidie door het college voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten die plaatsvinden in het kalenderjaar waarvoor de subsidie is aangevraagd.

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor:

    • a.

      preventieve activiteiten, al dan niet groepsgericht, gericht op het bijdragen aan het voorkomen van, het voorkomen van herhaling van en terugdringen van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken, door middel van:

      • 1°.

        het maatschappelijk gesprek om taboes te doorbreken;

      • 2°.

        het bevorderen van bewustzijn, weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking van slachtoffers, plegers of andere betrokkenen, niet zijnde professionals, waarbij de activiteiten nadrukkelijk een voorkomende, versterkende of signalerende functie hebben;

    • b.

      groepsgerichte preventieve activiteiten in de periode november of december vanaf 2027 in het kader van de Week tegen Kindermishandeling en Orange the World, ter bevordering van het maatschappelijke gesprek om taboes over huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken te doorbreken of het vergroten van kennis om een van de vormen van geweld of mishandeling zo vroeg mogelijk te kunnen signaleren, daarop te handelen en te melden;

    • c.

      innovatieve activiteiten gericht op preventie voldoen aan de volgende vereisten:

      • 1°.

        de aanpak of interventie heeft een meerwaarde ten opzichte van reeds bestaande onderbouwde en effectieve aanpakken;

      • 2°.

        de aanpak of interventie is potentieel effectief; en

      • 3°.

        de activiteit wordt ingezet in het kader van een activiteit als bedoeld in onderdeel a;

    • d.

      innovatieve activiteiten gericht op preventie voldoen daarnaast tenminste aan één van de volgende vereisten:

      • 1°.

        er wordt een nieuwe aanpak of interventie ontwikkeld;

      • 2°.

        een bestaande effectieve preventieve interventie wordt eenmalig doorontwikkeld ten behoeve van:

        • een nieuwe groep slachtoffers, plegers of andere betrokkenen waar de bestaande interventie nu nog niet op wordt toegepast; of

          een nieuwe setting in de wijk, school, thuis of online;

      • 3°.

        er wordt een bestaande preventieve interventie uitgevoerd waar het college nog niet eerder subsidie voor heeft verleend;

      • 4°.

        er wordt een effectieve preventieve interventie uit het buitenland aangepast aan de Nederlandse context, of voor zover van toepassing, aan de Rotterdamse context.

  • 2.

    De activiteiten worden verricht voor:

    • a.

      personen woonachtig in de gemeente Rotterdam;

    • b.

      jeugdigen of jongvolwassenen die, ongeacht hun woonplaats, onderwijs volgen aan een onderwijsinstelling in de gemeente Rotterdam waarbij de activiteit in samenwerking met de onderwijsinstellingen plaatsvindt; of

    • c.

      professionals, ervaringsdeskundigen of vrijwilligers die werkzaam zijn in de gemeente Rotterdam, indien sprake is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 3.

    Indien er sprake is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, wordt de activiteit hoofdzakelijk verricht voor de groepen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a of b en kan de activiteit slechts gedeeltelijk worden verricht voor de groep, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.

Artikel 4 Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen of aan rechtsvormen zonder rechtspersoonlijkheid.

Artikel 5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Uitsluitend de volgende redelijk gemaakte kosten komen voor subsidie in aanmerking, voor zover zij een directe relatie hebben met een subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 3:

    • a.

      loonkosten in verband met de inzet van gekwalificeerde medewerkers, volgens de toepasselijke gemiddelde uurtarieven dan wel gemiddelde cao-conforme uurtarieven;

    • b.

      kosten verbonden aan de benodigde locatie;

    • c.

      materiaalkosten;

    • d.

      organisatie- en administratiekosten;

    • e.

      ontwikkelkosten voor zover deze in verhouding staan tot de overige aangevraagde kosten.

  • 2.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen de kosten voor:

    • a.

      een individueel hulpverleningstraject;

    • b.

      maatwerkondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • c.

      een voorziening in het kader van de Jeugdwet;

    • d.

      zorg in het kader van de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg;

    • e.

      geboden zorg vanuit een strafrechtelijk kader;

    • f.

      trainingen of -cursussen over de meldcode voor professionals werkzaam in de sectoren waarvoor het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt.

Artikel 6 Hoogte van een subsidie

Een subsidie bedraagt ten hoogste:

  • a.

    € 75.000 per activiteit en bij meerdere activiteiten ten hoogste € 200.000 per aanvrager, indien sprake is van een activiteit dan wel activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a;

  • b.

    € 8.000 per aanvrager, indien sprake is van een activiteit dan wel activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;

  • c.

    € 20.000 per aanvrager, indien sprake is van een innovatieve activiteit dan wel activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c.

Artikel 7 Subsidieplafond

  • 1.

    Voor subsidieverlening op grond van deze regeling geldt voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2027 een subsidieplafond van € 1.110.000. Dit bedrag is uitgesplitst naar de volgende deelplafonds:

    • a.

      € 1.000.000 voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a;

    • b.

      € 50.000 voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;

    • c.

      € 60.000 voor innovatieve activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c.

  • 2.

    Het college stelt het subsidieplafond en de deelplafonds voor het kalenderjaar 2028 bij separaat besluit vast.

  • 3.

    De subsidieplafonds en de deelplafonds worden vastgesteld onder voorbehoud dat voldoende middelen door de gemeenteraad op de begroting beschikbaar worden gesteld.

Artikel 8 Wijze van verdeling

  • 1.

    De verstrekking van subsidie geschiedt op basis van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het toepasselijke deelplafond is bereikt. De aanvragen worden gerangschikt per activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen a tot met en c.

  • 2.

    Bij de rangschikking kent het college punten toe aan criteria op basis van de systematiek, bedoeld in bijlage 1 behorende bij deze subsidieregeling.

  • 3.

    Uitsluitend subsidieaanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, met een minimale totaalscore van 100 punten worden in de rangschikking meegenomen.

  • 4.

    Uitsluitend subsidieaanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, met een minimale totaalscore van 80 punten worden in de rangschikking meegenomen.

  • 5.

    Uitsluitend subsidieaanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, met een minimale totaalscore van 100 punten worden in de rangschikking meegenomen.

  • 6.

    In aanvulling op het eerste lid, geldt voor de rangschikking van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, dat bij de verdeling voorrang wordt gegeven aan de twee hoogst gerangschikte aanvragen op een thema, zijnde huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele activiteiten. De verdeling vindt vervolgens uitsluitend plaats op volgorde van de toegekende punten van hoog naar laag.

Artikel 9 Aanvraag

  • 1.

    Onderdelen binnen één deelplafond die inhoudelijk, procesmatig of qua uitvoering onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, worden als één activiteit beschouwd en kunnen niet als afzonderlijke activiteiten worden ingediend

  • 2.

    Een aanvraag voor meerdere activiteiten binnen één deelplafond als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, b dan wel c wordt gebundeld in één subsidieaanvraag.

  • 3.

    Een subsidieaanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor het volgende kalenderjaar kan worden ingediend tot en met 31 mei.

  • 4.

    Een subsidieaanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, kan worden ingediend tot en met 31 mei van het betreffende kalenderjaar.

  • 5.

    Een subsidieaanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, voor het volgende kalenderjaar kan worden ingediend tot en met 31 mei.

  • 6.

    Een subsidieaanvraag wordt elektronisch ingediend onder gebruikmaking van het aanvraagformulier dat bekend is gemaakt op de website Subsidie voorkomen huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld aanvragen | www.rotterdam.nl.

  • 7.

    Het aanvraagformulier wordt volledig ingevuld en voorzien van alle op het aanvraagformulier genoemde gegevens.

Artikel 10 Beslistermijn

Het college beslist binnen 8 weken na het sluiten van de betreffende aanvraagtermijn, welke termijn met ten hoogste 12 weken kan worden verlengd.

Artikel 11 Aanvullende weigeringsgrond

Subsidieverlening wordt geweigerd als de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, reeds worden dan wel kunnen worden, gefinancierd vanuit voorliggende middelen van de aanvrager zelf, door andere overheden of vanuit andere subsidieregelingen, al dan niet van het college.

Artikel 12 Subsidieverplichtingen

  • 1.

    Aan de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, b of c worden in elk geval de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      het nemen van verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en integriteit van professionals en vrijwilligers die worden ingezet bij de feitelijke uitvoering van de activiteiten en het er voor zorg dragen dat zij in het bezit zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag die bij de aanvang van de activiteiten niet ouder mag zijn dan drie maanden;

    • b.

      het inzetten van gekwalificeerd personeel dat voldoet aan de gangbare professionele normen, wetenschappelijke inzichten en standaarden;

    • c.

      het kosteloos meewerken aan een onderzoek door of namens het college naar de kwaliteit en de resultaten van de activiteiten;

    • d.

      het monitoren op de items, genoemd in de verleningsbeschikking en deze geanonimiseerd aanleveren bij de gevraagde rapportages;

    • e.

      het uiterlijk op 1 april van het volgende kalenderjaar aanleveren van een eindrapportage, waarin een overzicht van de gerealiseerde resultaten ten opzichte van de totaal gesubsidieerde activiteiten wordt gegeven, en waarbij wordt beschreven wat de resultaten op de monitoringsitems zijn, waaronder het bereik en de effecten van de beoogde preventieve werking, zoals genoemd in de verleningsbeschikking, een reflectie op de opbrengsten van de activiteit op basis van de monitoringsitems alsmede de wijze waarop de opbrengsten leiden tot resultaat- en kwaliteitsverbetering.

  • 2.

    Daarnaast voldoet de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a of c, aan de volgende verplichtingen:

    • a.

      het uiterlijk op 1 juli van het jaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd aanleveren van een tussentijdse rapportage, waarin:

      • 1°.

        een overzicht wordt gegeven van de gerealiseerde resultaten ten opzichte van de totaal gesubsidieerde activiteiten alsmede een prognose voor de resterende periode; en

      • 2°.

        wordt beschreven wat de tussentijdse resultaten op de monitoringsitems, genoemd in de verleningsbeschikking zijn, waaronder het bereik en de effecten van de beoogde preventieve werking, alsmede een reflectie op de monitoringsitems;

    • b.

      indien aan de orde, het toewerken naar erkenning van de activiteit door een van de landelijke databanken, genoemd in bijlage 2 behorende bij deze subsidieregeling.

  • 3.

    De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk melding aan het college, indien:

    • a.

      niet van alle items monitoringsinformatie kan worden geleverd;

    • b.

      het aanleveren van bepaalde items met monitoringsinformatie volgens de subsidieontvanger niet bijdraagt aan het doel om inzicht te geven in de resultaten, het bereik en de effecten van de activiteiten en het leereffect;

    • c.

      volgens de subsidieontvanger relevante monitoringsitems ontbreken.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2029.

  • 2.

    Deze regeling blijft van toepassing op subsidies verstrekt op grond van deze regeling en op volledige aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor de vervaldatum van deze subsidieregeling.

Artikel 14 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling preventie huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld Rotterdam 2027-2028.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 april 2026.

De secretaris,

G.J.D. Wigmans

De burgemeester,

C.J. Schouten

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

Bijlage 1. Systematiek van rangschikking als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Subsidieregeling preventie huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld Rotterdam 2027-2028

 

  • Voor activiteiten, bedoeld in artikel 3 eerste lid, onderdeel a:

Criterium 1: type activiteit en groep

 

Er wordt beoordeeld in welke mate:

  • 1.

    de activiteit gericht is op het bijdragen aan het voorkomen van, het voorkomen van herhaling van en terugdringen van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken, door middel van

    • a.

      het maatschappelijk gesprek om taboes te doorbreken; of

    • b.

      het bevorderen van bewustzijn, weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking van slachtoffers, plegers of andere betrokkenen, niet zijnde professionals;

  • 2.

    de activiteit gericht is op een groep als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

  • 3.

    realistisch, transparant en inzichtelijk is gemaakt wat de aanvrager gaat doen, met welk beoogd bereik, impact en resultaten;

  • 4.

    de activiteit aansluit op speerpunt 1 als bedoeld in het beleidsplan.

Beoordeling

Puntentelling

Voldoet aan alle onderdelen

40

Voldoet aan drie onderdelen

30

Voldoet aan twee onderdelen

20

Voldoet aan een of geen van de onderdelen

0

 

Criterium 2: kwaliteit van de activiteit

 

Er wordt beoordeeld in welke mate:

  • 1.

    wordt voldaan aan gangbare professionele normen, waaronder de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling;

  • 2.

    de aanvrager aantoonbare kennis heeft op gebied van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken;

  • 3.

    de aanvrager beschikt over een relevant sociaal- en zorgnetwerk in Rotterdam;

  • 4.

    ervaringsdeskundigheid wordt ingezet bij de ontwikkeling of de uitvoering van de activiteit;

  • 5.

    structureel wordt gewerkt aan kwaliteitsverbetering.

Beoordeling

Puntentelling

Voldoet aan alle onderdelen

30

Voldoet aan vier onderdelen

20

Voldoet aan drie onderdelen

10

Voldoet aan twee of minder onderdelen

0

 

Criterium 3: bereik en impact van de activiteit

Er wordt beoordeeld in welke mate de kosten van de activiteit in verhouding staan tot reëel bereik en reële impact.

 

Beoordeling

Puntentelling

Kosten staan in verhouding tot bereik en impact

30

Kosten staan redelijk in verhouding tot bereik en impact

15

Kosten staan in geen verhouding tot bereik en impact

0

 

Criterium 4: effectiviteit van de activiteit

Er wordt beoordeeld in welke mate de activiteit effectief is. Registratie in één van de landelijke databanken met effectieve interventies, genoemd in bijlage 2, is bepalend dan wel een beschrijving door een kennisinstituut of een interventie gebaseerd op wetenschappelijke inzichten of op de praktijk gebaseerde inzichten en standaarden.

 

Interventie is opgenomen in een landelijke databank

20

Interventie is beschreven door een kennisinstituut of er wordt inzichtelijk gemaakt in welke mate de interventie is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten

10

Interventie is niet opgenomen in een landelijke databank noch beschreven door een kennisinstituut en ook niet aannemelijk is gemaakt dat de interventie gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten of op de praktijk gebaseerde inzichten en standaarden

0

 

Criterium 5: diversiteit in aanbod

Er wordt beoordeeld in hoeverre de activiteit bijdraagt aan een evenwichtige verdeling van activiteiten in de stad en een divers aanbod.

 

De activiteit draagt bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

30

De activiteit draagt redelijk bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

15

De activiteit draagt niet bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

0

 

  • Voor activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid onderdeel b:

Criterium 1: type activiteit en doelgroep

 

Er wordt beoordeeld in welke mate:

  • 1.

    het gaat om groepsgerichte preventieve activiteiten in de periode november of december vanaf 2027 in het kader van de Week tegen Kindermishandeling en Orange the World, ter bevordering van het maatschappelijke gesprek om taboes over huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken te doorbreken of bijdragen aan het vergroten van kennis om een van de vormen van geweld of mishandeling zo vroeg mogelijk te kunnen signaleren, daarop te handelen en te melden;

  • 2.

    de activiteit gericht is op een groep als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

  • 3.

    realistisch, transparant en inzichtelijk is gemaakt wat de aanvrager gaat doen, met welk beoogd bereik, impact en resultaten;

  • 4.

    de activiteit aansluit op speerpunt 1 als bedoeld in het beleidsplan.

Beoordeling

Puntentelling

Voldoet aan alle onderdelen

40

Voldoet aan drie onderdelen

30

Voldoet aan twee onderdelen

20

Voldoet aan een of geen van de onderdelen

0

 

Criterium 2: kwaliteit van de activiteit

 

Er wordt beoordeeld in welke mate:

  • 1.

    wordt voldaan aan gangbare professionele normen waaronder de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling;

  • 2.

    de aanvrager aantoonbare kennis heeft op gebied van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken;

  • 3.

    de aanvrager beschikt over een relevant sociaal- en zorgnetwerk in Rotterdam;

  • 4.

    ervaringsdeskundigheid wordt ingezet bij de ontwikkeling of de uitvoering van de activiteit.

Beoordeling

Puntentelling

Voldoet aan alle onderdelen

30

Voldoet aan drie onderdelen

20

Voldoet aan twee onderdelen

10

Voldoet aan een of geen onderdelen

0

 

Criterium 3: bereik en impact van de activiteit

 

Er wordt beoordeeld in welke mate de kosten van de activiteit in verhouding staan tot reëel bereik en reële impact.

 

Beoordeling

Puntentelling

Kosten staan in verhouding tot bereik en impact

30

Kosten staan redelijk in verhouding tot bereik en impact

15

Kosten staan in geen verhouding tot bereik en impact

0

 

Criterium 4: diversiteit in aanbod

 

Er wordt beoordeeld in hoeverre de activiteit bijdraagt aan een evenwichtige verdeling van activiteiten in de stad en een divers aanbod.

 

De activiteit draagt bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

30

De activiteit draagt redelijk bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

15

De activiteit draagt niet bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

0

 

  • Voor activiteiten, bedoeld in artikel 3 eerste lid onderdeel c:

Criterium 1: type activiteit en doelgroep

 

Er wordt beoordeeld in welke mate:

  • 1.

    de activiteit is gericht op het bijdragen aan het voorkomen van, het voorkomen van herhaling van en terugdringen van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken, door middel van

    • a.

      het maatschappelijk gesprek om taboes te doorbreken; of

    • b.

      het bevorderen van bewustzijn, weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking van slachtoffers, plegers of andere betrokkenen, niet zijnde professionals en de aanpak of interventie een meerwaarde heeft ten opzichte van reeds bestaande onderbouwde en effectieve aanpakken en potentieel effectief is;

  • 2.

    de activiteit voldoet aan tenminste één van de vereisten zoals beschreven in artikel 3, eerste lid, onderdeel d;

  • 3.

    de activiteit gericht is op een groep als bedoeld in artikel 3, tweede lid;

  • 4.

    realistisch, transparant en inzichtelijk is gemaakt wat de aanvrager gaat doen, met welk beoogd bereik, impact en resultaten;

  • 5.

    de activiteit aansluit op speerpunt 1 als bedoeld in het beleidsplan.

Beoordeling

Puntentelling

Voldoet aan alle onderdelen

40

Voldoet aan vier onderdelen

30

Voldoet aan drie onderdelen

20

Voldoet aan twee of minder onderdelen

0

 

Criterium 2: kwaliteit van de activiteit

 

Er wordt beoordeeld in welke mate:

  • 1.

    wordt voldaan aan gangbare professionele normen waaronder de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling;

  • 2.

    de aanvrager aantoonbare kennis heeft op gebied van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken;

  • 3.

    de aanvrager beschikt over een relevant sociaal- en zorgnetwerk in Rotterdam;

  • 4.

    ervaringsdeskundigheid wordt ingezet bij de ontwikkeling of de uitvoering van de activiteit.

Beoordeling

Puntentelling

Voldoet aan alle onderdelen

30

Voldoet aan drie onderdelen

20

Voldoet aan twee onderdelen

10

Voldoet aan een of geen onderdelen

0

 

Criterium 3: bereik en impact van de activiteit

 

Er wordt beoordeeld in welke mate de kosten van de activiteit in verhouding staan tot reëel bereik en reële impact.

 

Beoordeling

Puntentelling

Kosten staan in verhouding tot bereik en impact

30

Kosten staan redelijk in verhouding tot bereik en impact

15

Kosten staan in geen verhouding tot bereik en impact

0

 

Criterium 4: effect en leeropbrengst van de activiteit

 

Er wordt beoordeeld in welke mate de impact, effecten en leeropbrengst van de activiteit worden onderzocht.

 

Er wordt inzichtelijk gemaakt hoe impact, effecten en leeropbrengst van de activiteit worden gemeten.

20

Er wordt inzichtelijk gemaakt hoe impact, effecten en leeropbrengst van een deel van de activiteit worden gemeten.

10

Er wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe impact, effecten en leeropbrengst van de activiteit worden gemeten.

0

 

Criterium 5: diversiteit in aanbod

 

Er wordt beoordeeld in hoeverre de activiteit bijdraagt aan een evenwichtige verdeling van activiteiten in de stad en een divers aanbod.

 

De activiteit draagt bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

30

De activiteit draagt redelijk bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

15

De activiteit draagt niet bij aan een evenwichtige verdeling en divers aanbod

0

Bijlage 2. Overzicht van landelijke databanken met effectieve interventies als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b en bijlage 1, van de Subsidieregeling preventie huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld Rotterdam 2027-2028

 

Thema

Beheerder

Databank

Sociale interventies

Movisie; Landelijk Kennisinstituut Sociale Vraagstukken

Databank Effectieve sociale interventies

Jeugdinterventies

Nederlands Jeugdinstituut

Databank Effectieve Jeugd interventies

Preventieve leefstijl interventies

RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, afdeling Gezond Leven

Interventiedatabase Loket Gezond Leven

 

Toelichting op de Subsidieregeling preventie huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld 2027-2028:

Algemeen

Rotterdam werkt aan een veilige stad voor iedereen. Het college vindt dat iedere Rotterdammer een eerlijke kans verdient op een gezond, veilig en betekenisvol leven. Dat betekent onder andere dat elke Rotterdammer zich thuis veilig moet voelen. Samen met onze partners werken we hieraan door het zoveel mogelijk voorkomen, terugdringen en bestrijden van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld in Rotterdam.

 

Betrokkenen bij huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld vinden het vaak ontzettend moeilijk om hierover te praten en hulp te zoeken. Hierdoor blijft het vaak verborgen. Essentieel voor een stevige aanpak is dus het werken aan de eerste stap: huiselijk geweld uit de taboesfeer halen. Als het taboe doorbroken wordt ontstaat ruimte om de volgende stap te zetten: hulp zoeken voor slachtoffers, plegers, omstanders en werken aan duurzaam herstel.

 

Om huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld te voorkomen en (vermoedens van) onveilige situaties te signaleren en melden is het belangrijk dat de kennis over huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld groeit. Bij professionals, maar ook bij Rotterdammers. Zodat professionals weten hoe te handelen en slachtoffers, plegers en omstanders de stap durven zetten naar hulp en ondersteuning. Juist ook als de zorgen nog niet heel groot zijn. Door te werken aan duurzaam herstel kan worden voorkomen dat het geweld terugkeert.

 

Vanuit preventie van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld zetten we in op het vergroten van weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking van slachtoffers. Ook richten we ons op het bevorderen van het herstel van zowel slachtoffers, plegers en andere betrokkenen. Dat helpt om het terugkeren van onveiligheid te voorkomen en de cirkel van geweld te doorbreken.

 

Voor de uitvoering van het Beleidsplan huiselijk geweld ‘Samen naar een toekomst zonder geweld’, is het wenselijk om een nieuwe subsidieregeling vast te stellen voor de beoordeling van subsidieaanvragen voor het voorkomen, signaleren en melden van huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld. Met deze subsidieregeling willen we beter gaan sturen op de preventieve aanpak, door kritisch te kijken welke inzet daadwerkelijk een bijdrage levert aan het voorkomen en terugdringen van onveilige (thuis)situaties. Ook willen we meer eenduidigheid en transparantie aanbrengen in de subsidieverlening. In de (toekomstige) preventieve aanpak gaan we daarom zoveel mogelijk gebruik maken van evidence based interventies, aangevuld met practice based interventies/activiteiten, die aansluiten op de problematiek en behoefte in de stad. In de nieuwe subsidieregeling is gekozen voor een focus op het maatschappelijk gesprek om taboes te doorbreken en het bevorderen van bewustzijn, weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking van slachtoffers, plegers of andere betrokkenen en het bevorderen van deskundigheid te beperken tot activiteiten die betrekking hebben op Orange the World en de Week tegen Kindermishandeling. Daarnaast is de beoordeling voor de verschillende activiteiten aangescherpt. Ten slotte is het in de nieuwe subsidieregeling ook mogelijk om innovatieve activiteiten aan te vragen om ruimte te bieden voor ontwikkeling van de aanpak en innovatie te stimuleren.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 3 Subsidiabele activiteiten

De aangevraagde activiteit dient als geheel uitgevoerd te kunnen worden en niet afhankelijk te zijn van eventuele andere aangevraagde activiteiten.

 

Het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1 ziet op activiteiten gericht op het voeren van het maatschappelijk gesprek, bijvoorbeeld op middelbare scholen of in de Huizen van de Wijk, om taboes rond huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken bespreekbaar te maken en te doorbreken.

 

Het eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2 ziet op activiteiten gericht op het bevorderen van bewustzijn, weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking van slachtoffers, plegers of andere betrokkenen van huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken, bijvoorbeeld door het organiseren van groepstrainingen. Het gaat derhalve niet om activiteiten gericht op professionals of hulpverleners. De activiteiten zijn zoals beschreven preventief en kunnen vanuit de aard en de bedoeling niet zijn gericht op individuele hulpverleningstrajecten (zoals ook uitgesloten in artikel 5 tweede lid).

Hier worden activiteiten bedoeld zoals:

  • -

    bewustwording van risico’s, signalen en patronen;

  • -

    weerbaar maken van personen, door vaardigheden te versterken die helpen om grenzen te stellen, hulp te zoeken of geweldspatronen te doorbreken;

  • -

    veerkracht ontwikkelen om met relationele problemen om te gaan waar een of meer van de verschillende vormen van geweld speelt, dan wel een risico aanwezig is;

  • -

    Zelfbeschikking vergroten, door het versterken van eigen regie, keuzevrijheid en handelingsperspectief bij een of meer van de verschillende vormen van geweld dan wel bij het risico hierop.

Het eerste lid, onderdeel b, ziet op activiteiten in de periode november of december vanaf 2027, waaronder tijdens Orange the World (campagne voor het stoppen van geweld tegen vrouwen en meisjes) of de jaarlijkse landelijke Week tegen kindermishandeling. Dit is een periode waarin veel publieke aandacht uitgaat naar de genoemde vormen van geweld. In deze periode wordt extra aandacht gegeven aan het bespreekbaar maken en het doorbreken van de taboes rondom huiselijk geweld, kindermishandeling, seksueel geweld, ouderenmishandeling of schadelijke traditionele praktijken door het voeren van het maatschappelijk gesprek en het vergroten van kennis.

 

Nieuw in deze regeling ten opzichte van de vorige regeling is het eerste lid, onderdeel c op innovatieve activiteiten gericht op preventie. Daarmee wordt ruimte geboden voor ontwikkeling van de aanpak en wordt innovatie gestimuleerd. Bijvoorbeeld om doelgroepen (zo vroeg mogelijk) te bereiken die nu nog onvoldoende worden bereikt en in te kunnen spelen op ontwikkelingen, inzichten en actualiteiten. Innovatieve activiteiten kunnen op kleine schaal uitgeprobeerd en ontwikkeld worden. De innovatieve activiteiten dienen aan te sluiten bij de doelstellingen zoals genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a (maatschappelijk gesprek om taboes te doorbreken en het bevorderen van bewustzijn, weerbaarheid, veerkracht en zelfbeschikking).

 

In het tweede lid staat toegelicht dat activiteiten gericht mogen zijn op professionals, ervaringsdeskundigen of vrijwilligers indien er sprake is van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. In het derde lid staat toegelicht dat activiteiten in het kader van het eerste lid, onderdeel a en c gedeeltelijk gericht mogen zijn op professionals, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers om de doelstellingen te borgen, maar hier niet volledig op gericht mogen zijn.

 

Artikel 4

Er zal altijd een bepaalde rechtsvorm moeten zijn die de subsidie aanvraagt, uitvoert en ontvangt. Dat kan bijvoorbeeld een BV zijn (met rechtspersoonlijkheid) of een eenmanszaak (zonder rechtspersoonlijkheid). Er is altijd sprake van een KvK-nummer.. Aan natuurlijke personen kan geen subsidie worden verleend.

 

Artikel 5 Subsidiabele kosten

Het college onderscheidt een aantal categorieën subsidiabele kosten. Deze kosten zijn subsidiabel als zij direct gerelateerd zijn aan de activiteiten. De volgende subsidiabele kosten staan in het artikel vermeld:

 

  • loonkosten in verband met de inzet van gekwalificeerde medewerkers, volgens de van toepassing zijnde gemiddelde uurtarieven danwel gemiddelde cao-conforme uurtarieven, bijvoorbeeld van de kosten voor de inzet van een professional in loondienst die een training geeft of de inhuur van een acteur die door het uitvoeren van een theatervoorstelling huiselijk geweld bespreekbaar maakt op scholen;

  • kosten verbonden aan de benodigde locatie, bijvoorbeeld de huur van de locatie waar de activiteit plaatsvindt;

  • materiaalkosten, bijvoorbeeld het cursusmateriaal voor een training;

  • organisatie- en administratiekosten, bijvoorbeeld de kosten voor de inzet van een projectleider of overheadkosten. Ook reële accountantskosten vallen onder overheadkosten.

Kosten dienen hoofdzakelijk betrekking te hebben op de uitvoering van de activiteit. Met name bij innovatieve activiteiten kan er ook sprake zijn van kosten die betrekking hebben op de ontwikkeling van een interventie. Deze moeten echter redelijk in verhouding staan tot de overige aangevraagde kosten gericht op de uitvoering van de activiteit, zodat de activiteiten hoofdzakelijk direct resultaat hebben voor de benoemde doelgroepen.

Activiteiten die niet subsidiabel zijn worden in het tweede lid beschreven.

 

Artikel 6 Hoogte van een subsidie

Er geldt voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, een maximumbedrag van € 75.000 per activiteit en bij meerdere activiteiten € 200.000 per aanvrager. Dat betekent dat eenzelfde aanvrager een subsidieaanvraag voor meerdere activiteiten kan doen binnen dit deelplafond, tot het maximale bedrag van € 200.000. Deze activiteiten moeten gebundeld worden in één aanvraag.

 

Binnen één subsidieaanvraag per deelplafond kan er sprake zijn van meerdere activiteiten. Het geven van een workshop aan jongeren en een weerbaarheidstraining voor slachtoffers huiselijk geweld zijn bijvoorbeeld twee aparte activiteiten. Het aantal activiteiten binnen een subsidieaanvraag wordt bepaald op basis van de mate van onafhankelijkheid tussen de voorgestelde handelingen of gebeurtenissen. Hierbij wordt onder meer gekeken naar de doelstellingen, uitvoering, timing, locatie en financiering van de voorgestelde activiteiten. Er is geen maximum voor het aantal te subsidiëren activiteiten. Er kunnen bijvoorbeeld twee activiteiten van €75.000 worden gesubsidieerd of vier activiteiten van €50.000 of tien activiteiten van €15.000.

Er geldt voor een activiteit, dan wel activiteiten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, een maximumbedrag van € 15.000 per aanvrager en voor een activiteit, dan wel activiteiten, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een maximumbedrag van € 20.000 per aanvrager. De subsidie kan worden verleend voor activiteiten waarvoor de aanvrager geen subsidie heeft aangevraagd of ontvangen voor een activiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a.

 

Artikel 7 Subsidieplafond

Voor een evenwichtige verdeling van de beschikbare middelen over subsidies voor activiteiten die gedurende heel het jaar plaatsvinden, subsidies voor activiteiten in de periode november of december, zoals tijdens Orange the World of de Week tegen kindermishandeling en voor innovatieve activiteiten, zijn deelplafonds vastgesteld.

 

Het bedrag dat beschikbaar is, is vastgelegd in de begroting van de gemeente Rotterdam.

 

Artikel 8 Wijze van verdeling

Een subsidieaanvraag onder deze regeling kan meerdere activiteiten omvatten. Het beoordelen van de aanvragen wordt per activiteit afzonderlijk gedaan.

 

De aanvragen voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a worden bij elkaar gerangschikt na de beoordeling om zo te komen tot een verdeling en honorering van deze aanvragen binnen het daarvoor bestemde deelplafond.

 

Daarbij worden de activiteiten in de periode november of december, zoals tijdens Orange the World of de Week tegen kindermishandeling, apart gerangschikt gelet op de aanvraagtermijn, het lagere benodigde puntenaantal, de eigen beoordelingscriteria en het feit dat er een apart deelplafond is. De innovatieve activiteiten worden ook apart gerangschikt gelet op de eigen beoordelingscriteria en het feit dat er een apart deelplafond is.

 

Derde, vierde, vijfde lid: De activiteit moet een minimumscore behalen om te worden opgenomen in de rangschikking zodat een minimaal kwaliteitsniveau is gewaarborgd. De minimumscore voor een subsidie voor activiteiten in de periode november of december, zoals tijdens Orange the World of de Week tegen kindermishandeling, is lager, omdat gezien het incidentele karakter het minder van belang wordt geacht dat deze activiteiten zijn opgenomen in een landelijke database of zijn beschreven door een kennisinstituut.

 

Zesde lid: Met minimaal 2 activiteiten te subsidiëren voor de thema’s huiselijk geweld, kindermishandeling, ouderenmishandeling, seksueel geweld en schadelijke traditionele praktijken wordt voldoende spreiding beoogd over de verschillende vormen van geweld en wordt geborgd dat activiteiten op alle thema’s voldoende aan bod kunnen komen. In de subsidieaanvraag moet de aanvrager het thema vermelden. Bij de verdeling van subsidie wordt voorrang gegeven aan de twee hoogst gerangschikte activiteiten op de eerdergenoemde thema’s. Vervolgens vindt de verdeling plaats op basis van de rangschikking. Bijvoorbeeld een lager gerangschikte activiteit die zich richt op ouderenmishandeling kan in aanmerking komen voor subsidie, terwijl een hoger beoordeelde activiteit die zich richt op kindermishandeling niet in aanmerking komt, indien er weinig activiteiten ouderenmishandeling zijn opgenomen in de rangschikking.

 

Artikel 9 Aanvraag

In dit artikel wordt omschreven hoe dient te worden gehandeld in relatie tot een subsidieaanvraag waarbij meerdere activiteiten aan de orde zijn.

 

Voor een aanvraag, stelt het college aanvraagformulieren verplicht die gepubliceerd zijn op de in dit artikel vermelde website. Deze formulieren moeten vervolgens op het vermelde webadres worden ingediend.

 

De uiterste aanvraagdatum voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en c is 31 mei voorafgaand aan het jaar van aanvang van de activiteit.

 

De uiterste aanvraagdatum voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b is 31 mei in het jaar van aanvang van de activiteit (binnen deze regeling kan de eerste aanvraag dus worden gedaan in 2027).

 

Artikel 12 Subsidieverplichtingen

De subsidieontvanger dient invulling te geven aan de in dit artikel vermelde subsidieverplichtingen, waaronder het uitsluitend inzetten van uitvoerende medewerkers met een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag.

 

Het college hecht eraan, ongeacht de hoogte van de verleende subsidie, om inzicht te verkrijgen in de resultaten, de effecten van de activiteiten, het bereik en de leeropbrengst van de activiteiten. Hierbij hoort onder andere een verplichte rapportage over de resultaten. De monitoringsitems worden opgenomen in de verleningsbeschikking.

 

Bijlage 1 Systematiek van rangschikking als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Subsidieregeling preventie huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld Rotterdam 2027-2028

 

Criterium 2: onder gangbare professionele normen wordt bijvoorbeeld kennis en gebruik van de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling verstaan, samenwerking in de keten, werken aan competentie en deskundigheid van medewerkers, een cultuursensitieve benadering en het verantwoord omgaan met gegevens.

 

Criterium 2 (alleen voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste, onderdeel a): voor het aantonen van het werken aan kwaliteitsverbetering kunnen evaluaties, onderzoek, impactmetingen en rapportages die in het verleden zijn uitgevoerd als bijlage aan de aanvraag worden toegevoegd of een plan hoe deze tijdens de periode van uitvoering worden ingezet.

 

Criterium 3: de kosten moeten in verhouding staan tot een reëel bereik. Ook is een reële impact van de activiteit van belang. Dit betekent dat de kosten gerechtvaardigd moeten zijn door de verwachte resultaten die de activiteit zal opleveren. Als een activiteit hoge kosten met zich meebrengt, maar tegelijkertijd een aanzienlijke impact heeft op het beoogde doelgebied en een groot aantal mensen bereikt, dan kunnen deze kosten gerechtvaardigd zijn. Het doel is om ervoor te zorgen dat de investeringen in activiteiten leiden tot effectieve resultaten en niet tot overbesteding voor activiteiten met een beperkte impact.

 

Criterium 4 (voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a): de activiteit betreft een effectieve interventie die is opgenomen in de database van Movisie, Nederlands Jeugdinstituut of het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Of de activiteit is beschreven door een kennisinstituut, bijvoorbeeld door Movisie, Pharos, een hogeschool of universiteit. Wanneer er inzichtelijk wordt gemaakt op welke manier de interventie is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten of op de praktijk gebaseerde inzichten en standaarden draagt dit ook bij aan de score op effectiviteit.

 

Criterium 4 (voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c): bij een preventieve activiteit is het van belang dat de impact, effecten en leeropbrengst inzichtelijk worden gemaakt om potentiële effectiviteit in beeld te brengen. Om dit aan te tonen kan een plan hoe dit tijdens de periode van uitvoering wordt ingezet als bijlage worden toegevoegd.

 

Criterium 5: er kunnen punten worden gescoord wanneer de activiteit bijdraagt aan een divers aanbod over de gehele stad. Het doel hiervan is te stimuleren dat activiteiten verschillende gebieden worden uitgevoerd aangezien huiselijk geweld, kindermishandeling, ouderenmishandeling, seksueel geweld en schadelijke traditionele praktijken plaatsvinden in de gehele stad, onder alle lagen en verschillende culturen van de Rotterdamse bevolking.

Naar boven