Gemeenteblad van Leiden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leiden | Gemeenteblad 2026, 171912 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leiden | Gemeenteblad 2026, 171912 | beleidsregel |
Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026
Gelet op de wettelijke grondslag(en) van
overwegende, dat het college van burgemeester en wethouders :
vast te stellen: de Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026.
Deze beleidsregels vervangen de Beleidsregels lager vaststellen bijstandsnorm 2021, die worden ingetrokken. In deze beleidsregels staat uitgelegd wat de gemeente meetelt als vermogen bij het vaststellen van het vermogen wanneer iemand bijvoorbeeld een bijstandsuitkering aanvraagt. Ook staat in deze beleidsregels dat de algemene bijstandsnorm verandert wanneer iemand lage of geen woonkosten heeft of in een inrichting verblijft.
In deze beleidsregels staan verschillende begrippen die zijn bedoeld om de leesbaarheid van de beleidsregels te vergroten. Zo staat de term ‘gemeente’ bijvoorbeeld voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden.
Lid 2 sub 1: De rijksoverheid stelt jaarlijks een minimum basishuur vast. Daarvan verwacht de wetgever dat dit huur is die wordt betaald vanuit de algemene bijstand en niet wordt gedekt door eventuele huurtoeslag. In 2025 is deze basishuur € 199,05 voor eenpersoonshuishoudens en € 197,24 voor meerpersoonshuishoudens.
De (algemene) bijstandsuitkering is bedoeld om mensen te ondersteunen wanneer zij zelf geen geld hebben voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Het rijk verwacht van inwoners dat zij, wanneer zij zelf een vermogen hebben, eerst daarvan gebruik maken voordat zij aanspraak maken op een bijstandsuitkering. Een inwoner mag wel een deel vermogen hebben en alsnog recht hebben op een bijstandsuitkering (artikel 34 van de wet). De wet stelt vast dat het vermogen moet worden vastgesteld en wat de vermogensgrens is. Het college heeft ruimte om in te vullen hoe het vermogen wordt vastgesteld.
In dit hoofdstuk staat uitgelegd wat er naast wat er in de wet staat los wordt gelaten bij het vaststellen van het vermogen. Het vaststellen van het vermogen gebeurt op basis van de wettelijke principes waarbij de gemeente altijd kijkt naar de individuele situatie. De drie artikelen in hoofdstuk 2 zijn nader omschreven omdat dit de meest voorkomende situaties zijn waarin vragen rondom het vaststellen van vermogen opkomen.
Artikel 2.1 Vrijlaten waarde auto’s en motoren
Het college kan een auto of motor buiten beschouwing laten bij het vermogen. Dit kan als het voertuig een hogere waarde heeft dan in lid 1 maar, gelet op de persoonlijke omstandigheden, noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren of voor noodzakelijke zorgtaken. Dit geldt alleen als het niet redelijk is te verwachten dat de belanghebbende de waarde te gelde maakt.
Auto’s, motoren, boten en caravans gelden als bezittingen die meetellen voor de vermogensvaststelling. Op grond van constante jurisprudentie geldt dat een auto, motor, boot of caravan tot het vermogen van de belanghebbende behoort als hij daar daadwerkelijk de beschikking over heeft of redelijkerwijs over kan beschikken. Het college bepaalt dat zij de waarde van een auto of motor tot maximaal € 4.500,- vrijlaat.
In sommige gevallen kan het bezit van een auto om medische redenen noodzakelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan een autobus in verband met een gehandicapt familielid of een aangepaste auto vanwege een functiebeperking. In deze situaties wordt de waarde van de auto niet als vermogen beschouwd. Omdat de auto noodzakelijk is kan deze niet worden verkocht en is er dus niet redelijkerwijs mogelijkheid om over het vermogen te beschikken.
Een auto of een motor kan tot maximaal € 4.500,00 worden vrijgelaten. Als er meerdere auto’s en/of motoren zijn, kan deze vrijlating slechts op één voertuig worden toegepast.
Artikel 3.1 Ontbreken van woonkosten
De algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De algemene bijstandsnorm is daarop afgestemd. Onder noodzakelijke kosten vallen woonkosten tot de minimum basishuur. De Rijksoverheid stelt elk jaar de hoogte van de minimum basishuur vast.
Niet aanhouden van een woonruimte
Lid 1, sub a; wanneer er geen woonruimte wordt aangehouden, bijvoorbeeld omdat iemand dakloos is, gaat het college ervan uit dat deze persoon geen woonkosten heeft. We gaan daarbij uit van de feitelijke situatie. Als de inwoner aannemelijk maakt dat er wel sprake is van kosten voor onderdak ondanks dat er geen woning wordt aangehouden besluit het college op basis van die situatie of de woonkosten onder de basishuur liggen.
Onder de noodzakelijke kosten vallen woonkosten tot de minimum basishuur omdat dat het deel van de huur of woonkosten is dat iemand zelf moet betalen, ook als deze maximale huurtoeslag krijgt. Wanneer iemand deze kosten niet maakt heeft diegene lagere kosten dan waar de algemene bijstandsnorm voor bedoel is.
Een woning waaraan lagere kosten dan de basishuur aan verbonden zijn kan bijvoorbeeld zijn een gekraakte woning, of een woning van een derde die geen of lage kosten of bijdrage doorrekent. Het kan hier ook gaan over bewoning bij een maatschappelijke instantie waaronder (maar niet beperkt tot) een veiligheidshuis, babyhuis, exodushuis, of dak- en thuislozenopvang wanneer er geen mogelijk is tot hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal.
Bijdrage in (een deel van) de woonkosten door een derde (lid 2 sub c en d)
Op grond van artikel 31, tweede lid, onder m van de Participatiewet worden giften niet tot de middelen gerekend tot een bedrag van €1.200 per kalenderjaar. Dit geldt ook voor bijdragen die leiden tot een kostenbesparing (artikel 18, achtste lid, Participatiewet). Voorbeelden zijn: een derde die de huur betaalt of boodschappen verzorgt.
Normverlaging bij structurele situatie
De giftenvrijlating staat los van de normverlaging op grond van artikel 27 Participatiewet. Artikel 27 ziet op de feitelijke woonsituatie. Heeft de belanghebbende structureel lagere woonkosten? Dan kan het college de bijstandsnorm verlagen.
Het college hanteert een termijn van zes maanden om te beoordelen of sprake is van een structurele situatie. Deze termijn sluit aan bij andere termijnen in de Participatiewet, zoals de inkomstenvrijlating (artikel 31, tweede lid, onder n).
Kortdurende bijdragen (korter dan zes maanden) vallen onder de giftenvrijlating van artikel 31 Participatiewet. Structurele bijdragen (zes maanden of langer) leiden tot verlaging van de bijstandsnorm op grond van artikel 27 Participatiewet. Dit geldt ongeacht of het bedrag binnen de jaarlijkse giftenvrijlating van €1.200 valt.
De kortingspercentages zijn gebaseerd op de basishuur uit artikel 16 van de wet op de huurtoeslag (bij geen of lage woonkosten) en de gemiddelde Nibud-bedragen voor gas, elektriciteit en water (bij geen woonlasten).
Bij woonkosten (lid 2 sub b) worden de daadwerkelijke kosten bepaald. Het percentage van de korting wordt vervolgens vastgesteld op een variabel tussen 1 en 10%. Bij woonlasten wordt vastgesteld of belanghebbende wel of geen woonlasten heeft. De korting wordt vastgesteld op 0 of 9%. Dit is een bewuste keuze omdat woonlasten variabel zijn vanwege schommelingen in energieprijzen en het gedragselement bij energieverbruik. Het veelvuldig herberekenen van de korting en ook het korten op lage woonlasten bij bewuste energiebesparing is onwenselijk. 9% van de gehuwdennorm is een optelsom van de gemiddelde NIBUD schattingen voor kosten van gas, water en electriciteit.
Een inwoner heeft geen woonlasten en betaalt €100 woonkosten. De korting wordt vastgesteld op:
Woonkosten: 10% van de gehuwdennorm (€199) – daadwerkelijke kosten (€100) = €99, dat is 5% van de gehuwdennorm
Hoofdstuk 4. Normomzetting algemene bijstand bij verblijf in inrichting
Wanneer een inwoner in een inrichting verblijft, gelden er andere bedragen voor de bijstand. Dit staat in artikel 23 van de wet. Dat komt omdat hun bestaanskosten worden betaald uit andere wetten en voorzieningen dan de Participatiewet.
Artikel 4.1 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting langer dan zes maanden
Wanneer het verblijf in inrichting naar verwachting meer dan 6 maanden duurt, dan verstrekt het college de algemene bijstand tot een maand na de dag van de opname naar de bijstandsnorm die zou gelden wanneer geen sprake zou zijn van verblijf in een inrichting.
Artikel 4.2 Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting korter dan 6 maanden
Verblijf in inrichting met woonkosten of lasten
Artikel 23 van de wet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Wanneer er meer dan de helft van ieder etmaal een mogelijkheid is tot hulpverlening of begeleiding, valt het verblijf onder verblijf in inrichting. Dit staat in begripsbepaling artikel 1 lid f van de wet.
Het kan voorkomen dat iemands woonsituatie onder de definitie van inrichting valt, maar dat deze persoon wel woonkosten maakt. Bijvoorbeeld bij gescheiden wonen en zorg. In dit geval kan de gemeente bijzondere bijstand verschaffen voor woonkosten op basis van artikel 35 van de wet.
We rekenen het moment van opname in een inrichting als het moment van verblijf in een inrichting.
deze beleidsregel bepaalt dat de gemeente bij een verblijf korter dan 6 maanden in een inrichting de eerder geldende bijstandsnorm nog drie maanden na de opnamedatum laat doorlopen. Daarna zet de gemeente de norm om naar de norm voor verblijf in een inrichting.
Tijdelijke opnames duren vaak kort en kunnen meerdere keren kort na elkaar plaatsvinden. In zulke situaties is het niet wenselijk om de norm direct om te zetten. De norm zou dan steeds wisselen, wat onrust veroorzaakt voor zowel de inwoner als de gemeente. Bovendien lopen in deze korte periodes meestal de vaste lasten van de belanghebbende door, waardoor de gemeente telkens bijzondere bijstand zou moeten verlenen.
Bij verblijf langer dan 6 maanden in een inrichting doet deze situatie zich niet voor. Daarom houdt de gemeente in deze gevallen de eerder geldende bijstandsnorm nog één maand na de opnamedatum aan.
Een alleenstaande wordt op 15 juni opgenomen in een inrichting. De alleenstaande norm van artikel 21 sub a van de wet wordt nog tot drie maanden na de dag van de opname verstrekt. Dat betekent dus dat belanghebbende deze norm behoudt tot en met 15 september. Vanaf 16 september geldt de inrichtingsnorm.
Voor bijstandsgerechtigden die op 1 april 2026 een bijstandsuitkering ontvangen waarop hoofdstuk 3 of 4 van de oude beleidsregels van toepassing was, blijven de bepalingen van de oude beleidsregels van toepassing gedurende drie maanden na inwerkingtreding, tenzij belanghebbende om toepassing van de nieuwe regels verzoekt of de nieuwe regels gunstiger zijn.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-171912.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.