Gemeenteblad van Loon op Zand
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Loon op Zand | Gemeenteblad 2026, 168351 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Loon op Zand | Gemeenteblad 2026, 168351 | beleidsregel |
Beleidsregel beoordeling niet in enig opzicht van slecht levensgedrag gemeente Loon op Zand 2026
De burgemeester van de gemeente Loon op Zand,
artikel 4:81 eerste lid Algemene wet bestuursrecht,
artikel. 2:28; 2:38c, 2:80 of 3:3 van Algemene plaatselijke verordening gemeente Loon op Zand,
artikel 8 eerste lid sub b, artikel 31, eerste lid onder b en artikel 35, eerste lid sub b van de Alcoholwet, artikel 30d, vierde lid onder a, artikel 30 f, eerste lid onder c van de Wet op de kansspelen.
Het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen over de beoordeling in enig opzicht van slecht levensgedrag:
De burgemeester op basis van de Algemene plaatselijke verordening bevoegd is te beslissen op aanvragen voor een exploitatievergunning openbare inrichtingen, vergunning voor bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen in een aangewezen gebied, straat of gebouw, vergunning voor de exploitatie van een camping of recreatiepark en vergunning voor een seksbedrijf;
Het daarom ten behoeve van de rechtszekerheid van burgers wenselijk is om nadere invulling te geven aan de wijze waarop de beoordeling plaatsvindt van het criterium ‘niet in enig opzicht van slechts levensgedrag zijn” zoals opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Loon op Zand, de Alcoholwet en de Wet op de kansspelen;
Vast te stellen de Beleidsregel beoordeling niet in enig opzicht van slecht levensgedrag gemeente Loon op Zand 2026.
Exploitanten leidinggevenden, organisatoren, bedrijfsleiders en beheerders hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming of activiteit en de openbare orde en veiligheid. Zij dienen verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik en andersoortige verdovende middelen, te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming en voor het signaleren en melden van missstanden, waaronder mensenhandel en uitbuiting.
Voor meerdere vergunningen die de burgemeester op grond van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Loon op Zand (hierna te noemen APV) en de Alcoholwet en de Wet op de Kansspelen kan verlenen, geldt daarom dat de exploitanten, leidinggevenden en beheerders ‘niet van slecht levensgedrag’ mogen zijn. De burgemeester kan op grond van de APV, de Wet op de Kansspelen dan wel de Alcoholwet de vergunning/ontheffing weigeren als blijkt dat er sprake is van slecht levensgedrag. Wanneer niet langer aan het vereiste levensgedrag wordt voldaan moet de Alcoholwetvergunningen, exploitatievergunning, de aanwezigheidsvergunning of vergunning voor de seksinrichting worden ingetrokken.
De burgemeester heeft bij de invulling van het “slecht levensgedrag-criterium” beoordelingsruimte. De burgemeester moet per geval onderbouwen op basis van welke feiten of omstandigheden er sprake is van slecht levensgedrag. Dit zal namelijk van geval tot geval verschillen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: afdeling) geeft nu met haar uitspraak van 25 mei 2022 (ECLI:NL: RVS:2022:1493) een verdere invullen aan. Een burgemeester moet motiveren waarom een vergunning wordt geweigerd op basis van slecht levensgedrag. De Afdeling noemt dit een verdergaande motivatieplicht. Deze plicht komt voort uit de Dienstenrichtlijn (vrije vestiging van ondernemers). Om discussie over mogelijke strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn te voorkomen is het noodzakelijk dat de burgemeester bij het toepassen van de weigeringsgrond beleidsregels vaststelt.
Uit de uitspraak van 25 mei 2022 volgt dat de feiten en omstandigheden die worden meegewogen in het oordeel over levensgedrag van de betrokkene (in dat geval vergunning aanvrager) relevant moeten zijn voor de exploitatie van het een horecabedrijf. De feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of het horecabedrijf kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat.
Soms staat in wetgeving dat er in ieder geval sprake is van slecht levensgedrag als betrokkene veroordeeld is voor een bepaald misdrijf. De voorwaarde dat een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn, is alleen niet altijd gespecificeerd in wet of beleid. Dit houdt in dat in het besluit van de burgemeester de motivering in ieder geval aan 3 eisen moet voldoen.
Tegen deze achtergrond strekken deze beleidsregels tot invulling van de beoordelingsruimte van de burgemeester over het slecht levensgedrag-criterium.
2.1 Welke gedragingen worden meegewogen
Bij de beoordeling van het levensgedrag worden in de eerste plaats die gedragingen meegewogen die relevant zijn voor de aangevraagde of verleende vergunning.
Met betrekking tot de exploitatievergunning voor een openbare inrichting betekent dit, dat de inrichting geëxploiteerd wordt op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, openbare orde of het woon- en leefklimaat. Voor een alcoholwetvergunning komt daar ook bij dat er geen gevaar en/of gezondheidsrisico’s ontstaan door de alcoholverstrekking.
Voor de beoordeling van het levensgedrag van een leidinggevende, exploitant of beheerder in verband met een Alcoholwetvergunning en een exploitatievergunning en de aanwezigheidsvergunning zijn in ieder geval de volgende categorieën gedragingen relevant:
Bij de beoordeling of een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, wordt gebruik gemaakt van informatie die uit verschillende informatiebronnen wordt verkregen. De gegevens verkregen uit deze diverse bronnen worden vervolgens, in onderlinge samenhang, gewogen.
Hieronder volgt een niet-limitatieve opsommen van de belangrijkste informatiebronnen:
Van personen die betrokken zijn geweest bij deze gedragingen moet worden gevreesd dat ze niet op verantwoorde wijze leiding kunnen geven aan of een openbare inrichting kunnen beheren.
Voor een Alcoholwetvergunning of ontheffing zijn daarnaast de volgende gedragingen relevant bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden, exploitanten of beheerders:
alle gedragingen, voor zover hierboven niet genoemd, die vermeld worden in artikel 3.4 eerste lid van het Alcoholbesluit. Deze gedragingen zijn ook relevant indien er geen sprake is van een veroordeling of wanneer niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.4 tweede en derde lid van voormeld besluit.
Voor vergunningen waarbij ook bezorging plaatsvindt wordt ook naar de volgende gedragingen gekeken:
De gedragingen die worden meegewogen bij de beoordeling omtrent het levensgedrag moeten aannemelijk zijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand (onherroepelijk) is veroordeeld wegens een strafbaar feit door de strafrechter. Ook de hoogte van een eventueel opgelegde straf is niet relevant. Ook indien een persoon niet is vervolgd door het Openbaar Ministerie of sprake is van een sepot kunnen de gedragingen meegenomen worden. De beoordeling vindt tenslotte plaats in een bestuursrechtelijk kader en daarin gelden de strafrechtelijke bewijsregels niet.
In beginsel worden bij de beoordeling alleen gedragingen meegewogen die in een periode van 5 jaar voorafgaand aan het beoordelingsmoment hebben plaatsgevonden. Een (her) beoordeling van het levensgedrag kan ook plaatsvinden nadat een vergunning is afgegeven, omdat er signalen zijn dat er sprak is van slecht levensgedrag. Geconstateerd slecht levensgedrag levert in dat geval een intrekkingsgrond op. Indien er sprake is van een patroon kunnen ook gedragingen of veroordelingen die langer dan 5 jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden, in de beoordeling worden betrokken.
In het algemeen zal één gedraging, zoals bedoeld in 2.1 niet leiden tot het oordeel slecht levensgedrag tenzij dit feit niet-gering. c.q. ernstig is. Of er sprake is van slecht levensgedrag dat moet leiden tot weigering of intrekking van de vergunning wordt per individueel geval bepaald. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om slecht levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in de onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot de conclusie dat er sprake is van slecht levensgedrag. Daarnaast als blijkt dat de persoon structureel gedragingen vertoond van slecht levensgedrag in de voorbije jaren zal dit ook meegewogen worden.
Bij iedere aanvraag voor exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning en vergunning voor een seksinrichting wordt getoetst aan “slecht levensgedrag”. Dit is uiteraard een momentopname. Het is belangrijk om zicht te hebben en te houden op het ondernemersgedrag. Indien blijkt dat er sprake is van slecht levensgedrag, wordt de exploitatievergunning, de Alcoholwet vergunning, de aanwezigheidsvergunning of vergunning voor een seksinrichting ingetrokken. Voor de beoordeling worden deze beleidsregels betrokken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-168351.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.