Subsidieregeling jeugdparticipatie Den Haag 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

 

gelet op artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Den Haag 2020,

 

besluit vast te stellen de Subsidieregeling jeugdparticipatie Den Haag 2026:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    ASV: Algemene subsidieverordening Den Haag 2020;

  • -

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    cofinanciering: bijdrage die een aanvrager met eigen financiële middelen of eigen middelen in natura dan wel financiële middelen, subsidies of middelen in natura van derden levert aan de kosten die verbonden zijn aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, waarbij voornoemde middelen beschikbaar zijn gesteld door het college;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders van Den Haag;

  • -

    kosten voor overhead: kosten die een organisatie structureel maakt voor gebouwen en buitenterreinen, personeel, administratie, ICT en andere vaste lasten, die niet rechtstreeks verbonden zijn met het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten;

  • -

    maatschappelijke betrokkenheid van jeugdigen: bewuste en actieve deelname aan de samenleving, middels vrijwillige inzet van een jeugdigen voor het welzijn van anderen op stads-, wijk- of buurtniveau;

  • -

    participeren: het kunnen uitoefenen van invloed op de invulling van de activiteit door mee te kunnen praten, organiseren of beslissen over de invulling of uitvoering;

  • -

    professional: iemand die beroepsmatig een beroep beoefent, waaronder begrepen het uitoefenen van een beroep in stageverband;

  • -

    talentontwikkeling: het versterken van aanwezige positieve eigenschappen van jeugdigen middels buitenschoolse activiteiten die buiten schooltijd plaatsvinden;

  • -

    vakantieactiviteiten: activiteiten die plaatsvinden buiten schooltijd en in de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgestelde schoolvakanties;

  • -

    vrijwilliger: een persoon die activiteiten voor jeugdigen organiseert of begeleidt zonder dat er sprake is van een (betaalde) dienstbetrekking, niet zijnde een stagiair.

Artikel 1:2 Toepassingsbereik

Deze subsidieregeling is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 3:2 en 4:2 bedoelde activiteiten.

Artikel 1:3 Achterliggend maatschappelijk doel van de subsidie

Het achterliggende maatschappelijke doel van de subsidieregeling is dat alle jeugdigen op een zinvolle manier kunnen participeren en ontdekken waar ze goed in zijn, wat ze kunnen bereiken, en wat ze kunnen betekenen voor een ander.

Artikel 1:4 Doelgroep

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen.

Artikel 1:5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen

  • 1.

    De subsidie heeft uitsluitend betrekking op de redelijkerwijs gemaakte kosten die resteren na aftrek van bijdragen van derden en die naar het oordeel van het college direct zijn verbonden met en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een activiteit als bedoeld in artikel 3:2 en 4:2 van deze subsidieregeling.

  • 2.

    De BTW over de gesubsidieerde kosten komt voor subsidie in aanmerking voor zover die BTW niet teruggevorderd, verrekend of anderszins in mindering kan worden gebracht.

  • 3.

    Niet voor subsidie in aanmerking komen:

    • a.

      vrijwilligersvergoedingen;

    • b.

      de kosten die gemaakt worden voor de waardering van vrijwilligers die meer bedragen dan € 25,00 per vrijwilliger per jaar tot een maximum van € 8.400,- per aanvraag;

    • c.

      onvoorziene kostenposten;

    • d.

      de kosten voor overhead die meer bedragen dan 15 % van de kosten van de subsidiabele activiteiten;

    • e.

      de eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur;

    • f.

      kosten voor activiteiten die in aanmerking komen voor financiering vanuit andere gemeentelijke of niet-gemeentelijke regelingen;

    • g.

      de kosten die eerder door het college zijn gesubsidieerd.

Hoofdstuk 2 Aanvraag subsidie en termijnen

Artikel 2:1 Subsidietijdvak

Een aanvraag voor subsidie op grond van deze subsidieregeling wordt ingediend voor de periode van 1 januari 2027 tot en met 31 december 2028.

Artikel 2:2 Aanvraag subsidie

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt ingediend voor het volledige subsidietijdvak.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8, tweede en derde lid, van de ASV legt de aanvrager de volgende gegevens over:

    • a.

      een verklaring waaruit blijkt in hoeverre de subsidieontvanger als BTW belaste ondernemer is aan te merken; en

    • b.

      een specificatie van verrekenbare en niet verrekenbare BTW; en

    • c.

      een specificatie van de loonkosten met daarbij onderscheid tussen beroepskrachten en stagiairs;

  • 3.

    De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het door het college vastgestelde digitale aanvraagformulier en het begrotingsformat.

Artikel 2:3 Aanvraagtermijn

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de ASV kan een aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk ingediend worden vanaf 15 april 2026 tot en met 27 mei 2026.

  • 2.

    Het college stelt aanvragers die uiterlijk op 13 mei 2026 hun aanvraag hebben ingediend in de gelegenheid hun aanvraag uiterlijk op 27 mei 2026 aan te vullen en geeft daarbij aan welke stukken ontbreken.

Artikel 2:4 Beslistermijn

Het college beslist, in afwijking van artikel 10, eerste lid, van de ASV voor aanvragen op grond van dit hoofdstuk uiterlijk op 30 augustus 2026.

Hoofdstuk 3 Bevorderen van de participatie, onderlinge verbinding, maatschappelijke betrokkenheid en de talentontwikkeling van jeugdigen

Artikel 3:1 Doel van de subsidie

Het doel van subsidie verleend op grond van dit hoofdstuk is het bevorderen van participatie, de onderlinge verbinding, maatschappelijke betrokkenheid en talentontwikkeling van jeugdigen.

Artikel 3:2 Activiteiten

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor activiteiten waarin jeugdigen participeren en die zijn gericht op het bevorderen van onderlinge verbinding, talentontwikkeling en de maatschappelijke betrokkenheid, waarbij geldt dat de activiteiten:

  • a.

    van structurele aard zijn, dat wil zeggen dat de activiteiten door het kalenderjaar heen plaatsvinden en geen eenmalig karakter hebben; en

  • b.

    in groepsverband plaatsvinden; en

  • c.

    voor jeugdigen in de leeftijdscategorie van 12 tot en met 27 jaar worden georganiseerd; en

  • d.

    jeugdigen in minimaal 3 stadsdelen bereiken.

Artikel 3:3 Hoogte van subsidie

De subsidie voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvraag:

  • a.

    maximaal € 75.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

  • b.

    maximaal € 75.000,- voor het kalenderjaar 2028.

Artikel 3:4 Subsidieplafond

  • 1.

    Het subsidieplafond voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt maximaal € 1.000.000,-, waarvan:

    • a.

      maximaal € 500.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

    • b.

      maximaal € 500.000,- voor het kalenderjaar 2028.

  • 2.

    Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid hevelt het college, in geval van onderbesteding van het subsidieplafond van dit hoofdstuk, het resterende budget over naar het subsidieplafond van hoofdstuk.

Artikel 3:5 Wijze van verdelen

  • 1.

    Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen op grond van dit hoofdstuk die in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2.

    Bij de rangschikking van de aanvragen bedoeld voor activiteiten in dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager inzicht heeft in welke behoeften jeugdigen hebben om talenten te kunnen ontwikkelen en betrokken te kunnen zijn bij de maatschappij en dat de activiteiten aansluiten bij deze behoeften:

      • 1◦

        goede aansluiting: 6 punten;

      • 2◦

        redelijke aansluiting: 3 punten;

      • 3◦

        weinig tot geen aansluiting: 0 punten;

    • b.

      jeugdigen worden structureel betrokken bij het opzetten en uitvoeren van de activiteiten, wat blijkt uit welke rol de jeugdigen hebben en hoe de aanvrager ervoor gaat zorgen dat de jeugdigen actief betrokken worden bij het opzetten en uitvoeren van de activiteiten:

      • 1◦

        actief betrokken: 8 punten;

      • 2◦

        betrokken: 4 punten;

      • 3◦

        beperkt betrokken: 2 punten;

      • 4◦

        niet betrokken: 0 punten;

    • c.

      de aanvrager benadert de jeugdigen op een wijze die aansluit op de behoefte van de jeugdigen; dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de jeugdigen op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de jeugdigen zichtbaar en vindbaar zijn:

      • 1◦

        de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 6 punten;

      • 2◦

        de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 3 punten;

      • 3◦

        de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 0 punten;

    • d.

      het aantal vrijwilligers dat betrokken is bij de uitvoering van de activiteiten, wat blijkt uit de verhouding tussen het aantal vrijwilligers en professionals die betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten:

      • 1◦

        75% of meer vrijwilligers ten opzichte van professionals: 4 punten;

      • 2◦

        50% tot 75% vrijwilligers ten opzichte van professionals: 2 punten;

      • 3◦

        25% tot 50% vrijwilligers ten opzichte van professionals: 1 punt;

    • e.

      de aanvrager heeft een relevant netwerk en is in staat goed samen te werken met het netwerk om zo effectiever in samenhang de activiteiten uit te kunnen voeren; dit blijkt uit de contacten van de aanvrager met partners die ook werken met de jeugdigen, de mate waarin de onderlinge kennisdeling en doorverwijzing bij die contacten voorop staat en de actieve wijze waarop de aanvrager invulling geeft aan de samenwerking met die contacten:

      • 1◦

        het netwerk en de samenwerking zijn bovengemiddeld: 6 punten;

      • 2◦

        het netwerk en de samenwerking zijn gemiddeld: 3 punten;

      • 3◦

        het netwerk of de samenwerking is onvoldoende: 0 punten;

    • f.

      de activiteiten zijn gericht op het bevorderen van onderlinge verbinding tussen jeugdigen met een zo groot mogelijke diversiteit, zoals culturele achtergrond, socio-economische status, onderwijsvorm en woonwijk. Dit blijkt uit de beschrijving hoe de aanvrager voor een zo groot mogelijke diversiteit in deelnemers van de activiteiten gaat zorgen:

      • 1◦

        de kans is groot dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 6 punten;

      • 2◦

        de kans is redelijk dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 3 punten;

      • 3◦

        de kans is klein dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 0 punten;

    • g.

      de aanvrager beschikt over cofinanciering:

      • 1◦

        50% of meer van de totale kosten van de activiteiten wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 3 punten;

      • 2◦

        25% tot 50% van de totale kosten van de activiteiten wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 2 punten;

      • 3◦

        minder dan 25% van de totale kosten van de activiteiten wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 0 punten.

  • 3.

    Een aanvraag waaraan minder dan 24 punten zijn toegekend komt niet voor subsidie in aanmerking.

  • 4.

    Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen meer is dan het vastgestelde subsidieplafond, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond in artikel 2:4 bereikt is.

  • 5.

    Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voor gaat.

  • 6.

    Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Hoofdstuk 4 Vakantieactiviteiten

Artikel 4:1 Doel van de subsidie

Het doel van subsidie verleend op grond van dit hoofdstuk is dat meer jeugdigen participeren en het bevorderen van de onderlinge verbinding tussen jeugdigen.

Artikel 4:2 Activiteiten

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor vakantieactiviteiten waarin jeugdigen participeren en onderlinge verbinding wordt bevorderd waarbij geldt dat de activiteiten:

  • a.

    met minimaal 25% vrijwilligers wordt uitgevoerd;

  • b.

    aantoonbaar toegankelijk is voor jeugdigen uit alle stadsdelen van Den Haag;

  • c.

    voor jeugdigen in de leeftijdscategorie van 4 tot 15 jaar wordt georganiseerd; en

  • d.

    waaraan minimaal 500 jeugdigen deelnemen.

Artikel 4:3 Hoogte van de subsidie

De subsidie voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt per aanvraag:

  • a.

    maximaal € 186.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

  • b.

    maximaal € 186.000,- voor het kalenderjaar 2028.

Artikel 4:4 Subsidieplafond

  • 1.

    Het subsidieplafond voor activiteiten op grond van dit hoofdstuk bedraagt maximaal € 722.000,-, waarbij:

    • a.

      maximaal € 361.000,- voor het kalenderjaar 2027; en

    • b.

      maximaal € 361.000,- voor het kalenderjaar 2028.

  • 2.

    Het college kan het subsidieplafond verlagen conform artikel 7, tweede lid, van de ASV.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid hevelt het college, in geval van onderbesteding van het subsidieplafond van dit hoofdstuk, het resterende budget over naar het subsidieplafond van hoofdstuk 3.

Artikel 4:5 Wijze van verdelen

  • 1.

    Het college brengt een rangschikking aan in de aanvragen op grond van dit hoofdstuk die in aanmerking komen voor subsidie.

  • 2.

    Bij de rangschikking van de aanvragen bedoeld voor activiteiten in dit hoofdstuk kent het college punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal:

    • a.

      uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager inzicht heeft in welke behoeften jeugdigen hebben voor de invulling van vakantieactiviteiten:

      • 1◦

        goede aansluiting: 6 punten;

      • 2◦

        redelijke aansluiting: 3 punten;

      • 3◦

        weinig tot geen aansluiting: 0 punten;

    • b.

      jeugdigen worden structureel betrokken bij het opzetten en uitvoeren van de activiteiten, wat blijkt uit welke rol de jeugdigen hebben en hoe de aanvrager ervoor gaat zorgen dat de jeugdigen actief betrokken worden bij het opzetten en uitvoeren van de activiteiten:

      • 1◦

        actief betrokken: 8 punten;

      • 2◦

        betrokken: 4 punten;

      • 3◦

        beperkt betrokken: 2 punten;

      • 4◦

        niet betrokken: 0 punten;

    • c.

      de aanvrager benadert jeugdigen op een wijze die aansluit op de behoefte van de jeugdigen; dit blijkt uit de aanpak voor communicatie die de aanvrager gebruikt om de jeugdigen op diverse en proactieve manieren te bereiken en de mate waarin de activiteiten voor de jeugdigen zichtbaar en vindbaar zijn:

      • 1◦

        de kans is groot dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 6 punten;

      • 2◦

        de kans is redelijk dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 3 punten;

      • 3◦

        de kans is klein dat met de beschreven aanpak voor communicatie de jeugdigen worden bereikt: 0 punten;

    • d.

      er zijn zo veel mogelijk vrijwilligers betrokken bij de uitvoering van de activiteiten. Dit blijkt uit de verhouding tussen het aantal vrijwilligers en professionals die betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten:

      • 1◦

        75% of meer vrijwilligers ten opzichte van professionals: 4 punten;

      • 2◦

        meer dan 50% vrijwilligers ten opzichte van professionals: 2 punten;

      • 3◦

        25% tot 50% vrijwilligers ten opzichte van professionals: 1 punt;

    • e.

      aan de activiteiten neemt een groot aantal jeugdigen deel binnen het subsidietijdvak:

      • 1◦

        2.000 jeugdigen of meer nemen deel aan de activiteiten: 3 punten;

      • 2◦

        1.000 jeugdigen of meer nemen deel aan de activiteiten: 2 punten;

      • 3◦

        500 jeugdigen of meer nemen deel aan de activiteiten: 1 punt;

    • f.

      de activiteiten zijn gericht op het bevorderen van onderlinge verbinding tussen jeugdigen met een zo groot mogelijke diversiteit, zoals culturele achtergrond, socio-economische status, onderwijsvorm en woonwijk. Dit blijkt uit de beschrijving hoe de aanvrager voor een zo groot mogelijke diversiteit in deelnemers van de activiteiten gaat zorgen:

      • 1◦

        de kans is groot dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 6 punten;

      • 2◦

        de kans is redelijk dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 3 punten;

      • 3◦

        de kans is klein dat aan de activiteiten een grote diversiteit van jeugdigen deelneemt: 0 punten;

    • g.

      de aanvrager beschikt over cofinanciering:

      • 1◦

        50% of meer van de totale kosten van de activiteit wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 3 punten;

      • 2◦

        25% tot 50% van de totale kosten van de activiteit wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 2 punten;

      • 3◦

        minder dan 25% van de totale kosten van de activiteit wordt gefinancierd vanuit cofinanciering: 0 punten.

  • 3.

    Een aanvraag komt alleen voor subsidie in aanmerking als daaraan minimaal 22 punten zijn toegekend.

  • 4.

    Wanneer het totaalbedrag van de te honoreren aanvragen meer is dan het vastgestelde deelplafond, honoreert het college de aanvragen in volgorde van de door het college aangebrachte rangschikking, totdat het vastgestelde subsidieplafond in artikel 3:4 bereikt is.

  • 5.

    Als aanvragen na toepassing van het vierde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast aan de hand van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag waarbij het laagste bedrag voor gaat.

  • 6.

    Als aanvragen na toepassing van het vijfde lid gelijk zijn gerangschikt, stelt het college de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Hoofdstuk 5 Weigeringsgronden

Artikel 5:1 Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de Awb en artikel 11, eerste tot en met vierde lid, van de ASV weigert het college een subsidie als het van oordeel is dat:

  • a.

    de activiteiten niet wordt bijgedragen aan het doel en het achterliggende maatschappelijke doel van deze subsidieregeling;

  • b.

    de aanvraag wordt gedaan voor activiteiten die reeds in voldoende mate worden uitgevoerd door anderen of anderszins gefinancierd zijn;

  • c.

    de hoogte van de kosten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet evenredig is tot het doel van deze subsidieregeling;

  • d.

    uit de aanvraag blijkt dat de organisatie van de aanvrager naar gangbare bedrijfseconomische principes financieel ongezond is of de financiële continuïteit dan wel de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is.

Hoofdstuk 6 Verplichtingen en betaling

Artikel 6:1 Verplichtingen

Onverminderd artikelen 12 en 13 van de ASV geldt de verplichting dat de vrijwilligers die jeugdigen begeleiden beschikken over een verklaring omtrent gedrag.

Artikel 6:2 Bevoorschotting

Bevoorschotting van subsidieverleningen op grond van hoofdstuk 2 en 3 vindt plaats op de volgende wijze: 100% van de verleende subsidie in twee gelijke termijnen die in januari 2027 en in januari 2028 worden uitbetaald.

Hoofdstuk 7 Tussentijdse verantwoording

Artikel 7:1 Tussentijdse verantwoording

  • 1.

    De subsidieontvanger maakt voor de tussentijdse verantwoording als bedoeld in artikel 16a van de ASV gebruik van het door het college vastgestelde digitale verantwoordingsformulier.

  • 2.

    Onverminderd artikel 16a van de ASV vindt op initiatief van de subsidieontvanger in september of oktober van 2027 en van 2028 een voortgangsgesprek met het college plaats waarin de voortgang op de activiteiten wordt besproken.

  • 3.

    De subsidieontvanger stuurt minimaal 7 dagen voorafgaand aan het voortgangsgesprek als bedoeld in het tweede lid een ingevuld en door het college vastgesteld format voortgangsgesprek toe.

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 8:1 Evaluatie

Het college evalueert deze subsidieregeling uiterlijk 30 juni 2029.

Artikel 8:2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Gemeenteblad en vervalt 31 december 2030.

Artikel 8:3 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling jeugdparticipatie Den Haag 2026.

Den Haag, 31 maart 2026

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris,

Ilma Merx

de locoburgemeester,

Mariëlle Vavier

Naar boven