Gemeenteblad van Wageningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wageningen | Gemeenteblad 2026, 157264 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Wageningen | Gemeenteblad 2026, 157264 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels met betrekking tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026
Het college van burgemeester en wethouders van Wageningen,
overwegende dat het wenselijk is nadere regels vast te stellen ten aanzien van de uitvoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
artikel 156 Gemeentewet; de artikelen 2.1, 2.2, 2.4, 2.5, 2.6, 2.12 en 3.1 van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026;
besluit vast te stellen de volgende nadere regels met betrekking tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026.
Cliëntondersteuning: onafhankelijke, kosteloze en deskundige ondersteuning, conform artikel 1.1.1, lid 1, van de Wmo 2015, met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.
Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet en/of behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.
Mantelzorg: hulp conform artikel 1.1.1, lid 1, van de Wmo 2015 ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Vertrouwenspersoon jeugdhulp: persoon conform artikel 1.1 van de Jeugdwet die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling.
Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
In dit artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor deze nadere regels.
Hoofdstuk 2 Gemeentelijke toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2.1 Melding hulpvraag en een verzoek om de behoefte aan jeugdhulp te onderzoeken
Voor alle vragen op het gebied van het sociale domein kunnen mensen terecht bij het Startpunt van de gemeente Wageningen. Bij het Startpunt wordt onderscheid gemaakt tussen vragen om informatie en hulpvragen. Hulpvragen kunnen op verschillende manieren worden gedaan:
mondeling, schriftelijk of elektronisch. De hulpvraag wordt geregistreerd en de cliënt krijgt hiervan een ontvangstbevestiging. Bij de ontvangstbevestiging ontvangt de cliënt informatie over onder andere de werkwijze, cliëntondersteuning, vertrouwenspersonen en privacy. Bij spoedeisende zaken, bijvoorbeeld als de situatie voor de cliënt onhoudbaar is of als de veiligheid in het geding is, kan besloten worden om direct een voorziening te treffen. Dit kunnen ook maatregelen zijn op basis van andere wetgeving, zoals de bevoegdheid van de burgemeester om psychiatrische patiënten met dwang op te nemen als er gevaar dreigt (op basis van van de Wet verplichte ggz) en de mogelijkheid van het college om woonurgentie te verlenen op basis van de Huisvestingsverordening.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning
De cliënt wordt gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning.
De cliëntondersteuner kan helpen met:
Naast cliëntondersteuning, kunnen cliënten ook gebruik maken van vertrouwenspersonen voor Jeugd en Wmo. Deze vertrouwenspersonen staan de cliënten bij als zij zich niet goed bejegend voelen.
Artikel 2.3 Persoonlijk plan of familiegroepsplan
In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat het college informatie verschaft over de mogelijkheid van de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen.
Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als: hulpverleningsplan of ondersteuningsplan opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.
In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het verlenen van hulp en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Ook bij de gemeentelijke toegang vindt de gemeente het van belang dat de mogelijkheid wordt geboden om zelf een plan op te stellen.
Op grond van artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet maakt het familiegroepsplan deel uit van het gemeentelijk beleid. Als de cliënt een persoonlijk plan of familiegroepsplan indient, geldt dit als leidend vetrekpunt voor de vraagverheldering en het verdere onderzoek door het college. Het kan zijn dat het college tot een ander advies komt dan waar de cliënt bij het opstellen van het persoonlijk- of familiegroepsplan zelf aan dacht.
In het adviesrapport worden altijd de afwegingen van het college gemotiveerd.
Artikel 2.4 Onderzoek en advies
Het college onderzoekt bij de vraagverheldering middels een gesprek tussen een medewerker Startpunt, en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel met diens vertegenwoordiger en indien van toepassing de mantelzorger en voor zover nodig andere personen, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
Het college zet bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp in op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen- te verkrijgen.
Als uit de vraagverheldering blijkt dat mogelijk een individuele of een maatwerkvoorziening nodig is, dan onderzoekt een consulent samen met de cliënt en indien nodig met hulp van een externe adviseur:
Of er sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de cliënt, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:
welke problemen of stoornissen dat zijn; ii. welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren en voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
Voor of tijdens het gesprek met de consulent verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
De cliënt krijgt een gesprek met een medewerker Startpunt in de vorm van een brede vraagverheldering.
De brede vraagverhelderingsmethode heeft betrekking op verschillende levensgebieden. De medewerker is hierbij altijd bedacht op dieperliggende vragen, ook wel aangeduid als “de vraag achter de vraag”. Als de hulpvragen van de cliënt al voldoende in beeld zijn bij de gemeente, kan er voor gekozen worden om de vraagverheldering over te slaan. Het onderzoek wordt dan vervolgd met een gesprek met een consulent als bedoeld in lid 7 en/of een adviesrapport ten aanzien van de inzet van een voorziening zoals bedoeld in lid 10. Om te voorkomen dat de gemeente uitgaat van verouderde gegevens, zal nadrukkelijk en expliciet aan de cliënt gevraagd worden welke veranderingen/ontwikkelingen er zijn die van belang kunnen zijn voor de vraagverheldering.
De jeugdigen worden zo veel mogelijk bij de vraagverheldering betrokken. Daarnaast gelden de wettelijke bepalingen hierover: tot 12 jaar hebben de ouders de volledige zeggenschap over de kinderen over de hulp die het kind nodig heeft, tussen 12 en 16 jaar mogen de kinderen meebeslissen en vanaf 16 jaar mogen jongeren zelfstandig beslissen over de benodigde hulp.
Bij de vraagverheldering wordt de hulpvraag geconcretiseerd en beoordeeld of inzet van eigen netwerk, voorliggende of algemeen gebruikelijke voorzieningen hulp kan bieden. Als uit de vraagverheldering blijkt dat dit niet (volledig) de hulpvraag beantwoordt, dan onderzoekt de gemeente of er een maatwerkvoorziening (maatschappelijke ondersteuning) of een individuele voorziening (jeugdhulp) nodig is (lid 6).
Op basis van de gesprekken wordt een gespreksverslag gemaakt. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het gespreksverslag toegevoegd. Het ondertekende gespreksverslag kan als aanvraag dienen voor een individuele voorziening (jeugdhulp). Als de cliënt geen verslag wenst, vraagt de gemeente toestemming aan de cliënt om de betreffende gegevens van de cliënt te mogen registreren.
Welke hulp volgens het college precies nodig is, wordt beschreven in het adviesrapport (lid 9). Het uitgangspunt is hierbij “lichtere vormen van hulp als het kan, zwaardere vormen van hulp als het moet”. Als er hulp nodig is, waarvoor een beschikking van de gemeente nodig is, kan het adviesrapport als aanvraag voor deze hulp dienen. De uitkomst van het onderzoek kan ook zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen individuele voorziening of maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure.
Er kunnen meerdere gesprekken nodig zijn om te bepalen welke hulp nodig is.
Om zorgvuldig te bepalen welke hulp nodig is, kan er daarnaast advies worden ingewonnen bij hulpaanbieders of andere deskundigen. In het geval van een behoefte aan jeugdhulp wordt - met in achtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet – dit advies uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
De cliënt wordt geïnformeerd over de mogelijkheid van pgb. Wettelijk is geregeld dat dit in begrijpelijke taal gebeurt. De andere regels die van belang zijn voor een aanvraag zijn opgenomen in Artikel 2.6 Aanvraag en besluit.
Het multidisciplinair cliëntoverleg
Als de hulpvraag complex en/of veelomvattend is, of dat het niet direct binnen de wettelijke kaders past, dan kan de cliënt aangemeld worden bij het multidisciplinair cliënt overleg. Dit gaat altijd in overleg met cliënt. Ook hulpverleners kunnen cliënten bij het multidisciplinair cliëntoverleg aanmelden als zij op basis van de situatie concluderen dat het om een complexe hulpvraag gaat. Hiervoor is toestemming van de cliënt nodig, tenzij het om situaties gaat waar de veiligheid in het geding is. Hier gaat het om de veiligheid van de cliënt zelf en/of van zijn omgeving.
Het multidisciplinair cliëntoverleg bestaat uit een vast team van deskundigen op verschillende gebieden. Per situatie kunnen aan het multidisciplinair cliëntoverleg één of meerdere deskundigen worden toegevoegd. De voorzitter van het multidisciplinair cliëntoverleg maakt een eerste beoordeling van de aanmelding. Zo nodig vraagt deze aanvullende informatie. De voorzitter bepaalt de samenstelling van het multidisciplinair cliëntoverleg voor de bespreking van de hulpvraag. De bespreking van de hulpvraag gebeurt samen met de cliënt of diens vertegenwoordiger. In uitzonderlijke situaties, bijv. bij veiligheidsrisico’s, overlegt het multidisciplinair cliëntoverleg zonder cliënt. Binnen het multidisciplinair cliëntoverleg wordt een plan opgesteld samen met de cliënt. De cliënt conformeert zich aan het plan door ondertekening van het plan.
Als de cliënt meer bedenktijd nodig heeft voor de ondertekening, kan dit in overleg met het multidisciplinair cliëntoverleg/planregisseur. Voor de uitvoering van het plan stelt de planregisseur en de cliënt een ambulant team samen met de benodigde hulpverleners, familie, vrijwilligers. Daarnaast vindt afstemming plaats met andere zorg en onderwijs. Het ondertekende plan is tevens de aanvraag voor individuele en maatwerkvoorzieningen als deze nodig zijn. Ook hierbij geldt dat de cliënt gewezen wordt op de mogelijkheid van een pgb. De gemeente besluit over maatwerk- en individuele voorzieningen. Het advies van het multidisciplinair cliëntoverleg over de benodigde voorzieningen neemt het college over. In heel uitzonderlijke situaties kan het college afwijken van het advies, zij motiveert dit dan in de beschikking aan de cliënt.
In lid 12 is geregeld dat de cliënt gebruik kan maken van een second opinion. Als de cliënt het niet eens is met de voorgestelde oplossing en mediation geen oplossing biedt, kan een second opinion worden gevraagd (bijv. door een bezoek van andere medewerker van de gemeente of een externe organisatie). De gemeente draagt de kosten van de second opinion. Dit geldt ook voor de kosten van een extra medisch advies, indien de cliënt het niet eens is met het medisch advies waarop het plan berust.
In het contact met de cliënt werkt de medewerker van de gemeente volgens het Wagenings Dienstverleningsconcept (zie:
https://wageningen .raadsinformatie.nl/document/9865956/2#search=%22dienstverleningsconcept%22).
Dit betekent onder andere dat:
Bij cliënten die de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn, kan de deskundige in het gesprek een vertaalkastje gebruiken of een tolk inzetten.
Artikel 2.6 Aanvraag en besluit
Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening hoeft niet altijd schriftelijk te worden ingediend. In de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026 is bepaald in welke gevallen een aanvraag voor een maatwerkvoorziening mondeling kan worden ingediend. Als de cliënt mondeling instemt met het advies, wordt die mondelinge instemming beschouwd als een (ondertekende) aanvraag. De instemming wordt vastgelegd in het adviesrapport waarbij de datum en tijdstip van de mondelinge aanvraag zorgvuldig wordt geregistreerd. Uiteraard moet dan ook het onderzoek volledig zijn afgerond. Een mondelinge aanvraag ontslaat het college niet van de verplichting de uitkomsten van het onderzoek vast te leggen in een adviesrapport.
In het artikel is de mogelijkheid opgenomen om een aanvraag ambtshalve in te dienen. Dit is aan de orde als uit het gesprek blijkt dat de voorziening spoedeisend is en dat de cliënt door bijzondere omstandigheden niet in staat is dit zelf aan te vragen.
De cliënt kan altijd een aanvraag indienen, ook als de cliënt het niet eens is met het advies van de consulent. Een aanvraag indienen is namelijk nodig om een beschikking te ontvangen, waarop bezwaar- en beroepsmogelijkheden van toepassing zijn.
Artikel 3.1 Pgb voor hulp uit het sociale netwerk
De beloning van het sociale netwerk met pgb moet beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp (zie artikel 2.2b van de verordening) overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Hierbij wordt in ieder geval gedacht aan de inzet van het netwerk voor diensten, zoals persoonlijke verzorging of de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en specialistische hulp is minder denkbaar.
In gesprekken met de cliënt wordt bekeken wat van het sociale netwerk als gebruikelijke hulp gevraagd en verwacht kan worden. Het sociale netwerk wordt op een zorgvuldige, eenduidige wijze in beeld gebracht.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de cliënt een pgb-plan in. In het pgb-plan is in elk geval opgenomen:
Artikel 3.3 Eenmalige betaling na beëindiging van het pgb bij overlijden of opname in een zorginstelling
Bij overlijden van de budgethouder of als de budgethouder wordt opgenomen in een zorginstelling, eindigt het pgb van rechtswege. De zorgverlener heeft recht op een eenmalige uitkering voor zover er nog budget is. De eenmalige uitkering is bedoeld voor hulpverleners die werknemer of opdrachtnemer zijn van de budgethouder en die plotseling zonder werk komen door de beëindiging van een zorgovereenkomst. De uitkering is nadrukkelijk niet bedoeld voor zorginstellingen.
De hoogte van de eenmalige uitkering hangt af van de zorgovereenkomst die is afgesloten. Gaat het om een overeenkomst van opdracht met een vast maandloon, dan ontvangt de zorgverlener het loon van de laatste volledige maand. In alle andere gevallen ontvangt de zorgverlener het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle maanden. Er moet een geldige zorgovereenkomst zijn afgesloten en er moet voldoende budget zijn.
Een eenmalige uitkering kan schriftelijk worden aangevraagd bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) (of de mogelijke opvolger van het SVB) mits voldoende budget beschikbaar is.
Hoofdstuk 4 Financiële tegemoetkoming aan personen met een beperking of chronische ziekte
Artikel 4.1 Voorwaarden voor tegemoetkoming
De cliënt die voor vergoeding in aanmerking wil komen, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
De gemeenteraad van Wageningen heeft besloten dat alle inwoners die financieel niet zelfredzaam zijn en aanmerkelijke meerkosten hebben, in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Onder financieel niet zelfredzaam verstaan we in ieder geval de inwoners met een inkomen tot en met 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Artikel 4.2 Aanvraag en beschikking
De inwoners die voor deze tegemoetkoming in aanmerking komen, zijn niet allemaal bekend bij de gemeente. Hiervoor is een aanvraagformulier beschikbaar. Inwoners van de gemeente Wageningen worden actief gewezen op de mogelijkheid van tegemoetkoming. Een ondertekend ondersteuningsplan kan dan ook dienen als aanvraag voor tegemoetkoming. Uit dit ondersteuningsplan moet dan wel blijken dat de cliënt aan de voorwaarden voor tegemoetkoming voldoet.
Hoofdstuk 5 Vormen van Jeugdhulp
Artikel 5.1 Overige Algemene voorzieningen
De volgende voorzieningen behoren tot de algemene overige voorzieningen die vrij toegankelijk zijn:
Er wordt onderscheid gemaakt tussen de vrij toegankelijke voorzieningen (de “overige voorzieningen“ op basis van de Jeugdwet, ook wel “algemene voorzieningen” genoemd in de Wmo 2015) en de voorzieningen die de gemeente toekent, dit zijn de individuele voorzieningen. Dit artikel bevat de vrij toegankelijke voorzieningen.
Op 10 november 2025 is het beleidskader Samen Wageningen 2026 vastgesteld.
Samen Wageningen is het brede sociale beleid. Dus alle hulp en ondersteuning bij zorg en welzijn op het gebied van Jeugd, Wmo, Participatie, armoede, vluchtelingen, etc.. Dat gaat over preventieve ondersteuning, zoals welzijnswerk, maar ook over curatieve ondersteuning, zoals specifieke zorgtrajecten. Het beleidskader is te vinden op https://www.wageningen.nl/direct-regelen/zorg-jeugd-inkomen/zorg/beleidsplan-voor-gezondheid-en-zorg-samen-wageningen/
Externe link:https://www.wageningen.nl/direct-regelen/zorg-jeugd-inkomen/zorg/beleidsplan-voorgezondheid-en-zorg-samen-wageningen/ . Preventieve hulp en ondersteuning wordt uitgevoerd vanuit het samenwerkingsverband ‘Welsaam’.
Artikel 5.2 Individuele voorzieningen
De volgende voorzieningen zijn individuele voorzieningen:
Zorg in natura kan alleen maar worden afgenomen van de organisaties waar de gemeente een contract mee heeft gesloten.
Om inzicht te geven welke aanbieders de gemeente heeft gecontracteerd, publiceert de Modulaire gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein Centraal Gelderland de lijst van aanbieders op de website:
Externe link:https://www.inkoopsdcg.nl/home+inkoop/inkoop/zoektool+gecontracteerd+aanbod+sdcg/default.a spx
Artikel 6.1 Eigen verantwoordelijkheid
Voor het organiseren van het vervoer om te komen bij de locatie waar de jeugdhulp wordt verleend, is het uitgangspunt dat de jeugdige en zijn ouders dit zelf of met behulp van het netwerk organiseren.
In de Jeugdwet staat de verplichting (Artikel 2.3, tweede lid) dat vervoer onder jeugdhulp valt als het college oordeelt dat er een noodzakelijkheid bestaat in verband met een medische oorzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Het gaat dan om vervoer naar de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt. Het staat de gemeente vrij om dit naar eigen inzicht te organiseren.
Voor de gemeente is het uitgangspunt dat ouders en/of de jeugdige zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer naar de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, mogelijk met behulp van het eigen netwerk.
Artikel 6.2 Criteria vervoersvoorziening
Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 2.2 t/m 2.2c van de Verordening Jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.
Als ouders en/of jeugdigen wel in staat zijn het vervoer te organiseren maar de afstand en frequentie van vervoer naar jeugdhulp zo groot is, dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt kan een vervoersvoorziening toegekend worden. Om dit te beoordelen maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: aantal maanden x aantal weken per maand x aantal keren per week x afstand enkele reis. Als dit aantal hoger is dan 1000, dan kan een vervoersvoorziening worden toegekend.
Als ouders en /of de jeugdige niet in staat zijn dit zelf of met behulp van het netwerk te kunnen organiseren, dan kan het college een vervoersvoorziening toekennen. Dit kan vanwege lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking, maar ook door beperkte financiële middelen.
Daarnaast kan de afstand en frequentie zo hoog zijn, dat dit redelijkerwijs niet meer van ouders en/of de jeugdige gevraagd kan worden. Om dit te bepalen, maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal weken per maand) x (aantal keren per week) x (afstand enkele reis). Als dit hoger is dan 1000, dan kan een vervoersvoorziening worden toegekend. Deze berekening is gebaseerd op de formule die de zorgverzekeraar gebruikt voor het aanspraak maken op ziekenvervoer.
Artikel 6.3 Soort vervoersvoorziening
Als de gemeente een vervoersvoorziening toekent, dan kent het college de goedkoopst passende vervoersvoorziening toe. Er zijn verschillende mogelijkheden, zoals vergoeding van openbaar vervoer, vergoeding van kilometers of het door de gemeente gecontracteerde vervoer voor specifieke doelgroepen.
Hoofdstuk 7 Inzet kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI)
Kinderopvang via een SMI is bedoeld als tijdelijke oplossing om de ouder(s) te ontlasten en de ontwikkeling van het kind/de kinderen te stimuleren.
Voor kinderopvang op basis van een SMI komen in aanmerking gezinnen of alleenstaande ouders, wonend in de gemeente Wageningen, die geen recht hebben op reguliere kinderopvangtoeslag en die op basis van sociaal medische gronden niet in staat zijn om voor de kinderen tot 13 jaar (dan wel de laatste groep basisschool) te zorgen.
Artikel 7.3 Aanvraag, beoordeling, uitgangspunten en bekostiging
Kinderopvang op basis van SMI wordt bij hoge uitzondering verleend via maatwerk. Maatwerk biedt de gemeente de mogelijkheid om hulp in te zetten die wel bijdraagt aan het gezond en veilig opvoeden van jeugdigen maar formeel geen jeugdhulp is. De inzet van maatwerk verloopt altijd via de gemeente. De inzet van kinderopvang op basis van SMI dient altijd deel uit te maken van een gezinsplan, waarbij er sprake is van complexe problematiek en waarbij er op één of meerdere terreinen hulpverlening wordt ingezet. De inzet van de kinderopvang is altijd tijdelijk. Als er sprake is van een chronische situatie, zoekt de gemeente samen met het gezin naar een oplossing waarin in het gezin ondersteund kan worden zonder langdurige inzet van kinderopvang op basis van SMI.
Hoofdstuk 8 Inzet van Buitenschoolse opvang plus (BSO+)
Jeugdigen van 4-12 jaar die vanwege ontwikkelingsproblemen, sociaal emotionele problemen, een verstandelijke beperking of opvoedingsproblemen geen gebruik kunnen maken van reguliere buitenschoolse opvang (BSO) en die naast naschoolse opvang een extra hulpvraag voor ondersteuning nodig hebben bij het behouden van regie, of bij het versterken van regie of om regieverlies tegen te gaan, kunnen in aanmerking komen voor BSO+.
Bij de regionale contractering is de mogelijkheid om BSO+ in te zetten op twee verschillende vormen: als totaal product en de vorm waarbij werkende ouders de naschoolse opvang betalen
(vanuit de wet kinderopvang) en de gemeente bekostigt de ‘plus’: de extra ondersteuningsbehoefte (vanuit de Jeugdwet): Deze ‘plus’ wordt afgegeven aan de hand van het aantal uren per dag dat de cliënt gebruikmaakt van de naschoolse opvang. Om te bepalen welke bekostiging aan de orde is, kan de gemeente extra informatie vragen aan ouders, zoals de verklaring recht/geen recht op kinderopvang toeslag en een inkomensverklaring.
Hoofdstuk 9 Toeleiding naar dyslexiehulp
Artikel 9.1 Toeleiding naar dyslexiehulp
De hulp aan kinderen in de leeftijd vanaf 7 jaar tot 13 jaar die basisonderwijs volgen met ernstige dyslexie (verder genoemd ED), valt onder de Jeugdwet. De gemeente Wageningen hanteert sinds 2015 de werkwijze die eerder werd gehanteerd door de zorgverzekeraars.
De basisschool heeft hierin een belangrijke rol. Indien de school vermoedt dat er sprake is van ED stelt de school een dossier samen conform het Protocol Dyslexie Diagnose & Behandeling 3.0. Ouders nemen contact met dyslexie aanbieder. De aanbieder beoordeelt de inzet van de school en vraagt na screening van de aanvraag, beschikking diagnostiek aan bij gemeente via het berichtenverkeer. Als verwijzer geeft de aanbieder de naam van de school van het kind. Als uit de diagnose blijkt dat sprake is van ED, dan komt het kind ook in aanmerking voor dyslexiebehandeling. De aanbieder kan dan een aanvraag voor dyslexiebehandeling bij de gemeente indienen. Bij vragen of afwijkende aanvragen nemen de ouders contact op met het Startpunt Wageningen.
Artikel 10.1 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze nadere regels indien toepassing van deze regels onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Ondanks dat het bij de Wmo 2015 en de Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.
In de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Wageningen 2026 wordt in een aantal artikelen het college opgedragen nadere regels te stellen.
De verordening regelt de onderwerpen op hoofdlijnen, de vaststelling van nadere regels is gedelegeerd aan het college.
Het gaat hierbij om de volgende uitwerkingen:
Niet alle uitwerkingen zijn opgenomen in deze nadere regels. Als klachtenregeling voor klachten over de gemeentelijke medewerkers fungeert de huidige gemeentelijke klachtenregeling. Voor de meldingsregeling voor calamiteiten en geweld is een apart protocol opgesteld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-157264.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.