Gemeenteblad van Heeze-Leende
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heeze-Leende | Gemeenteblad 2026, 156336 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heeze-Leende | Gemeenteblad 2026, 156336 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Participatieverordening gemeente Heeze-Leende 2026
De gemeenteraad van de gemeente Heeze-Leende;
na het lezen van het voorstel van het college d.d. 27 januari 2026/ nummer: 454513;
met inachtneming van artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;
gelet op de Wet versterking participatie op decentraal niveau;
gezien de ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet gemeente Heeze-Leende 2023’;
gezien de inspraakreacties en de Nota van Zienswijzen;
besluit vast te stellen, de volgende verordening:
Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
inwonersparticipatie: het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, inwonerscollectieven, dorps/en kernraden, adviesraden, (sociaal)ondernemers en andere maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid. Dit kan in de vorm van informeren, raadplegen, advies vragen en coproduceren /co-creëren (samendoen). Net als het initiatief, ligt ook de besluitvorming over het meewegen van de uitkomst van inwonersparticipatie bij de gemeente.
inwoners-initiatiefvoorstel: een initiatiefvoorstel van inwoners vanaf 12 jaar en inwonerscollectieven, met het doel impact te hebben op de samenleving en/of de leefwereld inwoners. Voorstellen kunnen ook gericht zijn op het bevorderen van de participatie van inwoners of bijdragen aan het de beleidsdoelen of beleidsthema’s van de gemeente.
maatschappelijke partijen: organisaties in gemeente Heeze-Leende zonder winstoogmerk, die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving en/of impact hebben op de samenleving en/of de leefwereld van inwoners en/of bijdragen aan het versterken of realiseren van beleidsdoelen en beleidsthema’s of taken van de gemeente;
maatschappelijk-initiatiefvoorstel: initiatiefvoorstel van maatschappelijke partijen met het doel impact te hebben op de samenleving of op de leefwereld inwoners. Het initiatief kan ook gericht zijn op het bevorderen van inwonersparticipatie, het bijdragen aan de beleidsdoelen of beleidsthema’s van de gemeente en/of gericht zijn op het versterken van de eigen participatie- en organisatiegraad;
sociale onderneming: onderneming van een sociaal ondernemer, zonder winstoogmerk. Een maatschappelijke partij die specifiek gericht is op het leveren van een sociaal en/of duurzame bijdrage aan de samenleving. Sociaal en/of duurzaam door toegankelijkere arbeidsmarkt; aanpakken van sociale problematiek; het versterken van gemeenschappen; maatschappelijke oplossingen gericht op het bevorderen van duurzaamheid of verduurzaming;
participatieve democratie en doe-democratie: de participatieve democratie en de doe-democratie zijn vormen van participatie waarbij er sprake is van meebeslissen en/of zelforganisatie: de vierde en vijfde trede van de participatieladder. Het initiatief, het organiseren daarvan en het (mee)beslissen over het initiatief ligt bij de inwonerscollectieven en/of -samenwerkingsverbanden;
doe-democratie: een vernieuwing van de participatieve democratie waarbij inwoners niet alleen via inspraak invloed uitoefenen op beleid of besluitvorming, maar zich vooral ook richten op het versterken van de organisatie- en inwonerskracht. Inwoners organiseren zich, zijn zelf direct actief en nemen initiatief, zoals het oprichten van een energie- of zorgcoöperatie. Door het zelf te ‘doen’ krijgen zij invloed op beleid of kan een behoefte direct worden vervuld.
participatieplan: een document dat bij een participatieverordening hoort en beschrijft hoe de gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen betrekt bij het maken van nieuw beleid, project of plan. Het plan bevat onder andere het doel van de participatie, wie er betrokken wordt, op welke manier en met welke deadlines, en hoe de resultaten worden teruggekoppeld. De verordening en het bijbehorende plan zorgen voor een transparant en duidelijk proces van participatie.
uitdaagrecht: het recht van maatschappelijke partijen en sociaal ondernemers - zoals genoemd in artikel 1 lid j en m - om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak als bedoeld in artikel 150, lid 3 van de Gemeentewet over te nemen, onderbouwd met argumenten. Dit zijn geen taken waarvoor het wettelijk verplicht is dat de gemeente deze zelf uitvoert.
Artikel 2. Onderwerp en doelstelling participatieverordening
Hoofdstuk 2 - Inwonersparticipatie
Artikel 5. Plan voor inwonersparticipatie
Hoofdstuk 4 - Overheidsparticipatie
Artikel 11. Versterking participatiegraad in dorpen en buurten
De gemeente biedt inwonersverbanden zoals genoemd in lid 1, de mogelijkheid om zelf plannen voor hun dorp of kern te maken en ondersteunt deze, binnen de kaders van haar mogelijkheden en als zij deze plannen (financieel) haalbaar acht. De plannen mogen niet gaan over onderwerpen uit artikel 9 lid 4.
Artikel 13. Procedure van Uitdaagrecht
Het bestuursorgaan wijst een voorstel gemotiveerd af, indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het initiatief voldoet aan de in artikel 12 lid 3, en/of artikel 13 lid 2, genoemde voorwaarden of als het bestuursorgaan de overname van de gemeentelijke taak om andere financiële, juridische en/of praktische gronden niet haalbaar acht.
Artikel 14. Reikwijdte participatie Omgevingswet
Het bestuursorgaan stelt een handreiking voor het organiseren van participatie beschikbaar voor initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen.
Artikel 15. Toepassen participatie bij kerninstrumenten Omgevingswet
Het bestuursorgaan volgt de ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023’ bij participatie voor de kerninstrumenten van de Omgevingswet, waarvoor de gemeente de participatieplicht draagt: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s.
In het vaststellings- of wijzigingsbesluit legt het bestuursorgaan vast:
hoe de gekozen participatie aansluit bij het geldende participatiebeleid.
Hoofdstuk 7 - Evaluatie en Monitoring
Artikel 16. Evaluatie en monitoring
Toelichting op de participatieverordening
Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau
Per 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203). Deze wet heeft tot doel het draagvlak voor gemeentelijk beleid te vergroten door inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties een grotere rol te geven bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
De wet breidt de verplichtingen van gemeenten uit. Gemeenten moeten inwoners voortaan niet alleen betrekken bij de voorbereiding van beleid, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, Gemeentewet).
Daarnaast vervangt de wet de traditionele inspraakverordening door een participatieverordening, die meer recht doet aan de verschillende vormen van participatie die gemeenten kunnen inzetten.
Doelstelling van de participatieverordening
Deze verordening regelt de betrokkenheid van inwoners, (sociaal) ondernemers, maatschappelijke organisaties en/of verenigingen bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid van gemeente Heeze-Leende.
Daarnaast beschrijft de verordening de rol van de bestuursorganen binnen deze participatieprocessen en maakt het duidelijk hoe de participatie werkt (het proces van de stappen die leiden naar het en de stappen hoe dat moet gebeuren (procedure).
Afhankelijk van de bevoegdheid en de taken kan het gaan om een van de bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
De verordening is ook van toepassing op de wijze waarop de gemeente omgaat met inwoners- en maatschappelijk initiatief en met de vraag van initiatiefnemers om ondersteuning voor de uitvoering van hun plannen of voorstellen.
In de participatieverordening is geregeld hoe de participatie waartoe de gemeente verplicht is binnen de (instrumenten van de) Omgevingswet vorm te geven.
De intentie van de participatieverordening
De gemeente heeft met de participatieverordening de intentie om:
De burgemeester heeft hierbij op grond van artikel 170, eerste lid, onderdelen a en c, van de Gemeentewet een zorgplicht. Hij ziet erop toe dat het beleid tijdig wordt voorbereid, vastgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd, en dat de kwaliteit en afstemming van participatieprocessen wordt gewaarborgd.
De invulling van participatie door de gemeente
Met de participatieverordening krijgt de gemeente de mogelijkheid om - samen met haar inwoners - nieuwe vormen participatie te beoefenen. En bij de verschillende participatievormen zien we ook waar en bij wie het initiatiefrecht ligt.
Inwonersparticipatie en niveaus van participeren:
Bij inwonersparticipatie ligt het initiatief en verantwoordelijkheid voor participatie bij de gemeente die inwoners betrekt bij het maken, het uitvoeren en evalueren van beleid. Het doel is dat inwoners meer invloed krijgen op beleid en dat er gebruik wordt gemaakt van de kennis en kunde van inwoners. Hierdoor kan het beleid beter worden afgestemd op de leefwereld van inwoners.
De gemeente bepaalt op welk beleidsonderdeel of in welke fase en op welk niveau van de participatieladder, zal worden geparticipeerd.
De gemeente maakt bij inwonersparticipatie de keus tussen een of meer van de 4 treden van de participatieladder: Informeren, Raadplegen, Adviseren en Co-creëren/ Coproduceren.
Bron: Participatieladder Platform 31
Het gaat bij inwonersparticipatie erom dat inwoners, inwonerscollectieven, dorps/en kernraden, adviesraden, (sociaal)ondernemers en andere maatschappelijke partijen meer invloed krijgen op het beleid, projecten en de besluiten daarover.
Het gaat in principe om alle fasen van beleid: van het maken en het uitvoeren daarvan, tot het evalueren van het beleid. Door gebruik te maken van hun kennis en ervaring sluit het beleid beter aan op hun leefwereld.
Participatie is niet mogelijk bij onderwerpen die verplicht zijn door landelijke wetgeving, bij spoedeisende besluiten of bij zaken die privacygevoelig zijn. Bij inwonersparticipatie is de gemeente initiatiefnemer en worden inwoners uitgenodigd tot participatie. De gemeente geeft per traject duidelijk aan waar inwoners kunnen meedenken en waar niet.
Net als het initiatief, ligt ook de besluitvorming over het meewegen van de uitkomst van inwonersparticipatie bij de gemeente. Zo is er binnen het sociaal domein ervaring opgedaan met participatie door advies te vragen aan de Adviesraad Sociaal Domein (ASD). Ook kan de ASD ongevraagd advies geven over beleid, de uitvoering daarvan en de kwaliteit van voorzieningen binnen het sociaal domein.
Bij overheidsparticipatie zijn het de initiatiefnemende inwoners(collectieven), of sociaal ondernemers of maatschappelijke organisaties die de gemeente vragen om bij hun initiatief te participeren. De gemeente faciliteert en ondersteunt inwoners- en/of maatschappelijk initiatief en uitdagers. Het participatieniveau is afhankelijk van het soort initiatief: co-creëren, meebeslissen en/of zelforganisatie.
Door gebruik te maken van het uitdaagrecht, krijgen initiatiefnemers de mogelijkheid om, onder voorwaarden, taken van de gemeente over te nemen als zij kunnen aantonen dat deze beter of anders kunnen worden uitgevoerd.
De gemeente legt voor alle vormen van participatie in participatieverordening vast, onder welke voorwaarden en via welke procedure participatie mogelijk is.
Vertrekpunten bij de totstandkoming van de participatieverordening
Deze participatieverordening is gebaseerd op de gesprekken in 2025 met verschillende groepen en input van inwoners, ambtenaren, het college en de gemeenteraad. De verordening bouwt voort op eerder vastgesteld beleid zoals de ‘Inspraakverordening 2010’, de ‘Bestuurlijke Visie op inwonersparticipatie Heeze-Leende 2030’, het ‘Beleidsplan Sociaal Domein’ en andere relevante onderzoeken en plannen binnen alle domeinen. De ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet gemeente Heeze-Leende 2023’ blijft als decentraal vastgesteld beleidskader geldig. Dit, vanwege de koppeling van deze participatieverordening met de drie omgevingswet-instrumenten waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor het regelen van de participatie (zie artikel 2 lid 5 en 6 en artikel 14 en 15).
Overwegingen en uitgangspunten voor visie en ambitie participatieverordening
In aansluiting op de doelstellingen die de wetgever voor ogen heeft met de participatieverordening, staan bij het vormen van de visie en het stellen van de ambities daarvoor, een aantal uitgangspunten centraal:
Afwegingen – wat kan op kort termijn en wat kan pas later
De wet schrijft niet voor welke middelen of vormen van participatie gemeenten precies moeten gebruiken. Gemeenten hebben hierin beleidsruimte. Dat betekent dat elke gemeente een eigen afweging kan maken, passend bij hun visie op participatie en afgestemd op de lokale context, beschikbare middelen en ambtelijke capaciteit.
Ondanks de goede intentie om ruimte te creëren voor inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en het uitdaagrecht, zijn er factoren die van invloed zijn op de mogelijkheden en/of het tempo zullen bepalen. De manier waarop participatie wordt ingericht heeft direct invloed op de verwachtingen én de mogelijkheden van inwoners.
Door transparant te zijn over wat nu, volgend jaar of pas later kan, wil de gemeente het vertrouwen van haar inwoners in het ‘toewerken naar het nieuwe samen’ krijgen en vasthouden.
Vanaf 2026: een gefaseerd groeiende en integrale aanpak van leren en verbeteren
De gemeentelijke organisatie is op korte termijn nog onvoldoende toegerust om (volledig) uitvoering te kunnen geven aan de participatieverordening met al haar verschillende participatievormen en -niveaus.
De organisatie gaat in 2026 van start met het verder ontwikkelen van de organisatie. In dit ontwikkeltraject zal worden gewerkt aan het versterken van de ambtelijke capaciteit, het toerusten van de teams in het werken met en vanuit de verordening. Daarnaast heeft het mogelijk maken van meer en verschillende vormen van participatie ook invloed op de inrichting van werkprocessen en de planning van besluitvormingsprocessen. Dit vraagt dan ook om het (her)inrichten van deze processen.
De participatieverordening biedt de kans om verder te oefenen en te verbeteren, in een pilotperiode van één tot twee jaar. In aansluiting op het nodige organisatieontwikkelproces, is alleen een gefaseerd groeiende uitvoeringsaanpak realistisch. Dat betekent dat er in 2026 en 2027 pilotprojecten zullen worden benoemd waarin er volop kan worden geoefend met, en geleerd van participatie.
Het doel is hieruit te leren en te verbeteren terwijl er simultaan wordt gewerkt aan de voorwaarden om participatie volgens ‘de geest van de participatieverordening’ uit te gaan voeren en/of vorm te geven; zowel aan de kant van de gemeente (inwonersparticipatie), als aan de kant van inwoners- en maatschappelijk-initiatief (Overheidsparticipatie).
Gedurende de pilotperiode willen we verschillende manieren van participatie uitproberen en hiervan leren en steeds beter worden. Dit willen we – waar mogelijk en haalbaar - ook doen bij de voorbereiding van het vaststellen en (niet technisch) wijzigen van de instrumenten van de omgevingswet waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor de participatie.
Aansprakelijkheid en aanbesteding bij het uitdaagrecht
Bij de toepassing van het uitdaagrecht gelden enkele juridische aandachtspunten.
Bij het uitdaagrecht moeten ook de regels van het aanbestedingsrecht worden gevolgd. Het uitdaagrecht vervangt deze regels niet, maar kan daar wel binnen worden vormgegeven.
Gemeenten kunnen bij aanbestedingen rekening houden met inwonersinitiatieven door de aanbesteding op het uitdaagrecht af te stemmen. De precieze invulling hiervan verschilt per geval.
In sommige gevallen blijft de gemeente risicoaansprakelijk, ook als een taak wordt uitgevoerd door inwoners of organisaties.
Dit geldt bijvoorbeeld bij werkzaamheden in de openbare ruimte of bij het gebruik van gemeentelijke gebouwen.
De gemeente moet dan afspraken maken over verantwoordelijkheden, veiligheid en risico’s. In de verordening is vastgelegd dat dergelijke afspraken verplicht zijn, inclusief bepalingen over de gevolgen bij het niet nakomen daarvan.
Het is belangrijk dat er mogelijkheden zijn ter dekking van de kosten van participatie. Bij grote projecten maken deze kosten deel uit van het projectbudget. Kleine initiatieven van inwoners kunnen ondersteund worden vanuit subsidieregelingen. Voor grotere budgetaanvragen is aparte besluitvorming door het college of de gemeenteraad nodig. Voor kleine initiatieven is jaarlijks een klein budget beschikbaar.
Het college kan besluiten aanvullende nadere subsidieregels vast te stellen om duidelijkheid te geven over subsidiabele (participatie-)activiteiten, doelen, subsidiegrondslag, voorwaarden, procedures en subsidiebudgetten.
Het college van B en W stelt een subsidieregeling vast en de gemeenteraad stelt het subsidiebudget (subsidieplafond = maximale subsidiebudget) vast.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
De begrippen zijn al duidelijk omschreven in artikel 1.
Hier vindt alleen een verdiepende uitwerking van een aantal begrippen plaats.
Een beleidsvoornemen is het voornemen van een bestuursorgaan om beleid vast te stellen of te wijzigen. Het gaat hierbij niet om concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van beleid. Inspraak is een vorm van participatie bij het van voorgenomen beleid.
Wanneer in deze verordening wordt gesproken over het bestuursorgaan, wordt daarmee verwezen naar het bestuursorgaan dat binnen de gemeente bevoegd is voor het betreffende onderwerp. De gemeente kent drie bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.
Als er een specifiek bestuursorgaan wordt bedoeld, is dit in de tekst expliciet vermeld.
Voorbeeld: In artikel 5 is bepaald dat het college een participatieplan opstelt bij de voorbereiding van beleid voor de gemeenteraad en de gemeenteraad hierover informeert.
Het is afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak wie van de drie bevoegd is en welke van de drie in dat geval bedoeld wordt.
De gemeenteraad is verantwoordelijk voor de vaststelling van de participatieverordening en van eventuele budgetten om de participatie mogelijk te maken.
Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor de uitvoering van de participatieverordening (en zorgt ervoor dat de ambtelijke organisatie het daadwerkelijk uitvoert).
De burgemeester heeft een zorgplicht (artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet).
De zorgplicht van de burgemeester houdt in dat hij erop toeziet dat:
Artikel 2 Onderwerp en doelstelling participatieverordening
Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen de gemeente en inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen (en andere bestuursorganen). Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening is het bieden van een kader bij het maken van die keuzes. Het uiteindelijk doel is dat het eindresultaat van beleid en projecten wordt verbeterd en dat de samenwerking tussen gemeente en inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen wordt versterkt.
Artikel 2- lid 2, geeft de verschillende participatie vormen en hun doelstellingen weer, zoals geregeld in de verordening:
overheidsparticipatie: de manier waarop de gemeente ondersteuning biedt of een bijdrage levert aan initiatiefvoorstellen van inwoners en maatschappelijke partijen met het doel, impact te hebben op de samenleving of op de leefwereld inwoners. Hieronder valt ook het versterken van de participatiegraad ten behoeve van de samenlevingsopbouw van dorpen en kernen;
In artikel 2 lid 3 staat dat het bestuursorgaan participatie volgens deze verordening toepast in alle beleidsdomeinen van gemeentelijk handelen
In lid 4 staat dat elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden, dan wel beleid en/of taken (of een combinatie daarvan), welke vorm van participatie plaatsvindt.
In deze verordening geldt dat elk bestuursorgaan van de gemeente zelf bepaalt of en hoe participatie wordt toegepast binnen zijn eigen beleid, taken of bevoegdheden. En wanneer het gaat om het wel of niet toepassen van het uitdaagrecht, zal het bestuursorgaan moeten afwegen of dat mogelijk bij de (eigen) taken waarvoor zij wordt uitgedaagd. Het bestuursorgaan kan de gemeenteraad, het college van burgemeester & wethouders of de burgemeester zijn.
In artikel 2 - lid 5 wordt de verordening van toepassing verklaard op de participatie bij de voorbereiding van besluiten tot wijziging en vaststelling van gemeentelijke instrumenten onder de Omgevingswet:
De verantwoordelijkheid voor de participatie bij het (betreffende) bestuursorgaan. Zo is het voor iedereen duidelijk dat deze verordening leidend is, behalve in de gevallen waarin de Omgevingswet zelf beperkingen stelt en de gemeente niet de initiatiefnemer is, zoals bij omgevingsvergunningen.
Bij het toepassen van de participatie volgens deze verordening bij de instrumenten van de Omgevingswet, moet het bestuursorgaan rekening houden met wat er staat in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit over vroegtijdige participatie.
Artikel 10.7 – Motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie bij de Omgevingsvisie
Bij het vaststellen van een omgevingsvisie moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn.
Als de visie wordt vastgesteld door de gemeenteraad, moet ook worden vermeld op welke wijze is voldaan aan het decentrale (lees gemeentelijke) participatiebeleid dat van toepassing is.
Artikel 10.2 – Motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie bij het Omgevingsplan
Bij het bekendmaken van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken.
Wanneer het omgevingsplan uiteindelijk wordt vastgesteld, moet worden aangegeven hoe die betrokkenheid is geweest én wat de resultaten daarvan zijn. Ook moet worden aangegeven in hoeverre het decentrale (lees gemeentelijke) participatiebeleid is gevolgd.
Artikel 10.8 – Motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie bij programma’s
Bij het vaststellen van een programma moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding én wat de resultaten zijn. Als het programma wordt vastgesteld door het college van B en W, dan moet worden aangegeven op welke manier het decentrale (gemeentelijke) participatiebeleid is toegepast.
Aanvullend geldt bij het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen ook de eis dat het bestuursorgaan (in deze de raad) - vooraf in de wettelijke kennisgeving - moet aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zullen worden betrokken (art. 10.2 lid 1 Omgevingsbesluit).
Artikel 3. Reikwijdte Inwonersparticipatie
In aanvulling op artikel 2 lid 3 kan het bestuursorgaan bij zijn besluit of inwonersparticipatie plaatsvindt, meewegen of het beleid(s)onderwerp, plan of besluit van directe invloed is op inwoners, maatschappelijke partijen en (lokale) ondernemers. De mate waarin het onderwerp van beleid, plan of besluit van invloed is op inwoners bepaalt (mede) dat inwonersparticipatie echt nodig is.
Hier worden alle redenen genoemd wanneer en waarom er geen inwonersparticipatie zal plaatsvinden.
Artikel 4. Participatieproces – inwonersparticipatie
In dit artikel wordt in lid 1 en 2 bepaald dat het bestuursorgaan bij de start van elk participatieproces, eerst vaststelt of inwonersparticipatie wordt toegepast en zo ja, wat wordt beoogd hiermee. Daarnaast wordt bij de start van de participatieprocedure bekendgemaakt, wie de participanten zijn en welke groepen bij welke onderwerpen zullen worden betrokken.
Ook regelt lid 2 dat het bestuursorgaan inzichtelijk moet maken welk type vraag of vragen voorgelegd zullen worden inwoners. Ook gaat dit artikel in op hoe de participatie wordt vormgegeven (hoe het werkt). Hierbij moet een keuze worden gemaakt voor het niveau van participatie volgens welke trede van de participatieladder volgens artikel 5 lid 3 d. Dit komt overeen met wat hieronder de keuzevraag wordt besproken.
In het gehele proces gaat het vier soorten vragen die de invulling van inwo nersparticipatie bepalen:
De fundamentele vraag: De fundamentele vraag is de grondvraag of kernvraag die onderliggend is aan het participatieproces of het beleidsvoorstel: wat is het raads-/college-vraagstuk dat opgelost moet worden? Het gaat hier om de grote, strategische of maatschappelijke vraag waarop het participatieproces een bijdrage kan leveren. Bijvoorbeeld: “Welke rol wil de gemeente spelen in de versterking van inwonersparticipatie?” of “Wat betekent het voor de leefbaarheid van onze dorpen als inwoners meer zeggenschap krijgen?”
De keuzevraag: De keuzevraag volgt op de fundamentele vraag en richt zich op de te maken keuze(s) binnen het proces: welke alternatieven of varianten zijn er, en welke keuze moet gemaakt worden? Bij participatie betekent dit dat de betrokkenen of het bestuursorgaan keuzes krijgen voorgelegd waarop zij invloed kunnen uitoefenen. Bijvoorbeeld: “Kiezen we voor een participatieaanpak waarbij inwoners coproduceren (cocreatie) of voor het raadplegen zoals dat bij de klassieke inspraakprocedure al mogelijk was of blijft het bij informeren?
De uitwerkingsvraag: De uitwerkingsvraag zoomt in op de inrichting of praktische uitvoering van de gekozen koers: hoe wordt de gekozen variant concreet vormgegeven? Welke stappen volgen, welke middelen zijn nodig, welke groepen worden betrokken? Bijvoorbeeld: “Hoe concretiseren we de co-creatie-fase? Welke groepen nodigen we uit? Welke middelen (budget, tijd, communicatie) zetten we in?”
De borgingsvraag: De borgingsvraag richt zich op de duurzaamheid, verankering en verantwoording van het participatieproces en het gekozen beleid: hoe wordt gegarandeerd dat de gemaakte keuzes blijven werken, worden geborgd in organisatie, besluitvorming en uitvoering, en hoe monitoren we of het effect heeft? Bijvoorbeeld: “Op welke wijze zorgen we dat de betrokken inwoners ook na het proces actief blijven? Hoe rapporteren we over de uitkomsten? Welke monitoring- en evaluatiemomenten zijn er?”
Ook maakt dit artikel maakt duidelijk dat het bestuursorgaan inzichtelijk moet maken hoe het proces eruitziet, welke kaders er gelden, hoe hierover wordt gecommuniceerd.
In het derde lid staat dat het bestuursorgaan op tijd inzicht geeft in de gemeentelijke plannen, zodat inwoners, al dan niet in georganiseerd verband, op tijd invloed kunnen uitoefenen. Dit artikel verplicht tot actieve openbaarheid, zodat inwoners goed kunnen deelnemen aan participatieprocessen. De uitwerking hiervan gebeurt in beleidsregels en procesafspraken.
Als er op basis van voortschrijdend inzicht blijkt dat het wenselijk is om de kaders onder lid 2 e, of de inrichting van het proces aan te passen, zorgt het bestuursorgaan ervoor dat deelnemers hierover zo snel mogelijk worden geïnformeerd.
Artikel 5. Plan voor inwonersparticipatie
In dit artikel is vastgelegd dat het bestuursorgaan een participatieplan opstelt voordat beleid – in alle beleidsdomeinen - wordt voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd. Het initiatief voor participatie ligt bij de gemeente.
Geeft een totaaloverzicht van de inhoud van het participatieplan.
Als participatie mogelijk is, is de volgende stap dat het bestuursorgaan besluit welke vorm of niveau van participatie van de participatieladder mogelijk is. De gemeente is aan zet om participatie te regelen. Zie ook inleidende toelichting hierboven.
Informeren: het gaat hier om het overdragen van informatie aan bewoners/burgers: zij worden op de hoogte gebracht, bijvoorbeeld via een informatiebrief of -bijeenkomst. De invloed van inwoners is hier doorgaans minimaal of niet mogelijk. Dat kan het geval zijn bij situaties waarbij participatie niet mogelijk is bij de wet, een eigen taak is van de gemeente, of omdat de gemeente bijvoorbeeld een verzakking in wegen moet repareren.
Raadplegen of consulteren: inwoners(organisaties) worden gevraagd om hun mening te geven.
Bij deze vorm van participatie kan ruimte voor samen signaleren worden gemaakt. Inwoners(organisaties) kunnen problemen en kansen in hun omgeving herkennen en aangeven, zoals verpaupering of een tekort aan groen. Consultatie kan gebeuren via (online) enquêtes of via een of meer consultatiebijeenkomst(en). Het bestuursorgaan luistert en neemt hun inbreng mee - als dat haalbaar is - bij het nemen van een besluit.
Adviseren: vanuit het principe van samen weten maakt het bestuursorgaan het mogelijk dat - op basis van kennis, deskundigheid, ervaringen en inzichten - inwoners(organisaties) adviezen kunnen geven. Deze adviezen kunnen worden meegenomen in beleid, projecten of besluitvorming. Bestuursorgaan gaat in gesprek met inwoners en neemt het advies of de uitkomst van meedenkproces van inwoners mee in het besluit. In het sociale domein wordt bijvoorbeeld de Adviesraad Sociaal Domein betrokken. In het fysieke domein is er geëxperimenteerd met Omgevingstafels voor advies; de aanpak wordt verbeterd. Ook Dorps- en Kernraden kunnen worden gevraagd om advies.
Trede 4: Samenwerken of co-creëren of coproduceren: vanuit de principes van samen weten, samen denken en/of samen leren maakt de gemeente gebruik van de creativiteit, denkkracht, kennis en kunde van de inwoners. Dit proces wordt ook cocreatie genoemd en wordt ingezet om samen:
Ook is het mogelijk dat er samen wordt geleerd:
Geldt bij zelforganisatie; in principe geen gebruikelijk participatieniveau binnen deze verordening.
In lid 4 van artikel 5 wordt duidelijk gemaakt dat het hier gaat om een bevoegdheid van de gemeenteraad: de besluitvorming. Het college is verantwoordelijk is voor het voorbereiden van de besluitvorming over het beleid en ook voor het opstellen van het participatieplan.
Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en subsidieregelingen vast te stellen voor inwonersparticipatie.
Artikel 6. Zorgplicht bestuursorgaan
Op het bestuursorgaan rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de participatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voor bestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken als de meeste opties nog openstaan en dat inzichtelijk is hoe een proces van participatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Het bestuursorgaan is verplicht om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen. Het ligt voor de hand daarvoor een ambtelijk contactpersoon aan te wijzen. Toegankelijkheid van informatie en processen is een belangrijke kernwaarde. Zo moeten informatie en processen toegankelijk zijn ongeacht achtergrond of beperking. Er zijn verschillende manieren van openbaarmaking mogelijk, zowel via de gebruikelijke online als offline-kanalen.
Artikel 7. Eindverslag participatieproces
Een verslag van alle inwonersparticipatie trajecten waarbij de gemeente initiatiefnemer van participatie is.
Artikel 8. Inspraak en -procedure
Lid1 bepaalt: Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.
Bij inspraak is er sprake van een concreet voornemen, zoals het vaststellen van een vergunning, omgevingsplan of projectbesluit, waarbij als verplicht onderdeel in de procedure, iedereen kan reageren (inspraakprocedure of zienswijzeprocedure genaamd).
Het begrip ‘gemeentelijk beleid’ dient hierbij breed geïnterpreteerd te worden. Het kan ook gaan om inspraak over de uitvoering van gemeentelijk beleid. Denk aan het ontwerp van een fietsverbinding of de herinrichting van de openbare ruimte. Inspraak wordt altijd verleend als de wet dat verplicht.
Elk bestuursorgaan besluit of inspraak wordt verleend als het gaat over eigen bevoegdheden, beleid of taken. Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen. Er moet geen onnodige dubbele inspraak zijn. Juist wanneer participatie volgens deze verordening is geregeld en heeft plaatsgevonden.
Inspraak wordt verleend aan inwoners, organisaties, bedrijven en andere belanghebbenden. Het verslag van de inspraak voldoet aan de AVG.
Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt of een wettelijke regeling een andere procedure voorschrijft. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag via de gebruikelijke gemeentelijke kanalen openbaar.
Participatie in relatie tot inspraak
Participatie is vaak breder en informeler dan inspraak. Inspraak verwijst naar formele inspraakmomenten in wettelijke procedures.
Bij het gebruikmaken van het inspraakrecht kunnen bedrijven, instellingen, maatschappelijke partijen, inwoners en hun organisaties worden geraadpleegd (tweede trede van de participatieladder). Zij kunnen hun zienswijze over het beleid dat wordt voorbereid schriftelijk geven of daarover inspreken bij de gemeenteraad.
Bij inwonersparticipatie (volgens deze participatieverordening), kunnen inwoners en georganiseerde inwoners, inwonerscollectieven, advies-, kern- en dorpsraden, maatschappelijke partijen, ondernemers en sociaal ondernemers, zowel bij het voorbereiden van beleid als bij het uitvoeren en evalueren van beleid worden betrokken. De mogelijkheid bestaat dat participatie, behalve door raadpleging, ook door advies en/of cocreatie wordt ingevuld (derde en vierde trede van de participatieladder).
Als het beleidsvoorstel klaar is - bij de voorbereiding van beleid - is er in een aantal gevallen ook nog formeel inspraak op dit voorstel mogelijk.
Artikel 9. Toepassen overheidsparticipatie
Overheidsparticipatie is wanneer een initiatief uit de samenleving komt en de overheid daarin participeert en/of deze faciliteert/ondersteunt. Het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester reageert op deze initiatieven en neemt een besluit of en op welke manier de gemeente meedoet aan het initiatief en/of hoe het initiatief kan worden ondersteund.
Artikel 10. Indienen inwoners- of maatschappelijk initiatiefvoorstel
Andere zaken die van invloed zijn op het geven van ruimte aan initiatief
In de algemene toelichting is al gezegd dat de gemeente (de komende twee jaar) gaat werken aan het verder versterken van de ambtelijke capaciteit en het toerusten van de teams om te het werken met en vanuit de verordening. De gemeente zal dit realistisch, in fasen en stapsgewijs moeten aanpakken zodat er ook echt kan worden geoefend met participatie en er kan worden geleerd en verbeterd. Maar het vraagt ook tijd en geld om te investeren in de ambtelijke organisatie. Dit betekent dat de gemeente de afweging moet maken of, hoeveel en wanneer zijn de financiële middelen en ambtelijke capaciteit beschikbaar heeft om initiatieven de juiste ondersteuning te kunnen geven.
Alleen initiatiefgerechtigden kunnen een initiatiefvoorstel indienen.
maatschappelijke partijen - genoemd in artikel 1 lid j en m - zoals: maatschappelijke organisaties en sociale ondernemingen, maar ook andere rechtspersonen zoals: verenigingen en stichtingen, coöperaties, inwonerscollectieven en buurtschappen (rechtspersonen: georganiseerd in een stichting, vereniging of coöperatie). Deze partijen hebben tot doel een actieve bijdrage te leveren aan, en/of impact te hebben op de samenleving en/of dragen bij aan realisatie van beleidsdoelen, beleidsthema’s of taken van de gemeente.
Artikel 10 lid 2, 3, 4, 5 en 6
De aanvraag is gericht aan het college van B en W. Het voorstel van initiatief wordt schriftelijk ingediend en is geschreven volgens de punten a t/m h van lid 3.
In het voorstel moet ook aangetoond worden dat er behoefte is aan het initiatief en de indiener moet kunnen aantonen dat hij/zij het initiatief ook kan uitvoeren omdat de kennis en ervaring daarvoor aanwezig is. De initiatiefnemer is maatschappelijk betrokken en kan aantonen dat er steun is voor het initiatiefvoorstel bij inwoners of doelgroepen (draagvlak). Draagvlak kan worden aangetoond:
Het initiatief gaat over een (of meer) van de dorpen/kernen, buitengebieden van gemeente Heeze-Leende. En, het initiatiefvoorstel mag echt niet gaan over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel 9 lid 4.
De gemeente faciliteert - binnen de kaders van haar mogelijkheden - inwoners- of maatschappelijke initiatieven die gericht zijn op:
Het versterken van en/of aansluiting hebben op gemeentelijk beleidsdoelen en -thema’s binnen een van de beleidsdomeinen: fysiek, sociaal, economisch, bijvoorbeeld:
ansluiting bij doelen uit Strategisch beleidsplan en Uitvoeringsplan Sociaal Domein.
Het initiatiefvoorstel dat is gericht aan het college wordt ambtelijk beoordeeld aan de hand van alle gestelde voorwaarden en eisen genoemd in artikel 10. Het bestuursorgaan ontvangt een advies en neemt op basis van het advies een besluit. Daarnaast wordt bij de afweging meegenomen of de gemeente op het moment van de aanvraag beschikt over de financiële middelen en ambtelijke capaciteit om het initiatief de juiste ondersteuning te kunnen geven.
Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om nadere beleidsregels en (subsidie)regelingen vast te stellen voor overheidsparticipatie en/of inwoners- en maatschappelijke initiatiefvoorstellen en jaarlijks een budget beschikbaar stellen. Het college van B en W stelt nadere regels vast en de gemeenteraad stelt budgetten vast.
Artikel 11. Versterking Participatiegraad in dorpen en buurten
De gemeente waardeert de inbreng en betrokkenheid van dorpen en buurten en vindt het belangrijk dat meer inwoners uit kernen, dorpen en buurten meedoen (=versterken participatiegraad). Het versterken van de participatie vraagt om samenwerking en organisatie rondom vraagstukken of thema’s die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het dorp, de kern of de buurt en/of voor haar inwoners. De gemeente wil daarom ondersteuning bieden bij het in collectief verband organiseren van dorps-, kern- of buurtbelangen en de participatie daarbij te bevorderen.
De gemeente kan per dorp, kern of buurt een budget toekennen, dat door de inwoners zelf wordt besteed. Dit kan gefaseerd en binnen de mogelijkheden van de gemeente worden ingevoerd. Bestuursorgaan kan besluiten budget toe te kennen aan het versterken van de organisatiegraad van collectieve verbanden in dorpen, kernen en buurten en/of voor het versterken van de participatie.
De werkwijzen en/of toewijzing van budgetten kunnen worden vastgelegd in nadere kaders en/of regels.
Artikel 12. Toepassen Uitdaagrecht
Elk bestuursorgaan besluit zelf of het uitdaagrecht mogelijk is binnen zijn taken. Dit gaat meestal om taken van burgemeester en wethouders (artikel 150 lid 3 Gemeentewet).Er zijn aanvullende uitsluitingsgronden voor het uitdaagrecht, zoals lopende uitvoeringstrajecten en aanbestedingen boven de Europese drempelwaarde. Het initiatief komt van inwonerscollectieven of maatschappelijke partijen (en dus niet van de gemeente) en is bedoeld voor mede-inwoners. Het is dus geen persoonlijk plan of hobby en heeft geen commerciële doelen. Het gaat om een huidige taak (of een deel daarvan), waarvoor de gemeente een budget heeft.
Artikel 13. Procedure van Uitdaagrecht
Dit artikel gaat over de procedure van indiening van, het toetsen tot aan het nemen van besluit voor, een uitdaagverzoek. Afhankelijk van de taak waarvoor aanvrager uitdaagt kan uitdaagvoorstel kan worden ingediend bij de gemeenteraad of het college van B en W.
Het bestuursorgaan kan nadere kaders of regels met randvoorwaarden stellen.
Artikel 14 en 15 Participatie-instrumenten Omgevingswet
De Omgevingswet benadrukt het belang van vroegtijdige participatie. Dit betekent dat belanghebbenden zoals inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen en andere overheden, al in een vroeg stadium betrokken moeten worden bij de voorbereiding van een besluit tot wijzigen en/of vaststellen van een omgevingsvisie, omgevingsplan of programma’s.
Omgevingswet en participatie bij de kerninstrumenten
De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van de participatie bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling of wijziging van de kerninstrumenten van de Omgevingswet: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s.
Voor al deze drie omgevingswet-instrumenten heeft de gemeente, voor de wijze waarop invulling is gegeven aan participatie, een motiveringsplicht. Dit is geregeld in de artikelen 10.7 lid 2, 10.8 lid 2 en 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit. Hierin wordt gesteld dat bij het vaststellen (en ook wijzigen) van een omgevingsvisie, een programma of een omgevingsplan, de gemeente (achteraf) aan moet geven (motiveren) hoe invulling is gegeven aan het decentrale participatiebeleid over het betrekken van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties (en andere bestuursorganen).
Aanvullend geldt bij het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen ook de eis dat het bestuursorgaan (in deze de raad) - vooraf in de wettelijke kennisgeving - moet aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zullen worden betrokken (art. 10.2 lid 1 Omgevingsbesluit). Deze motiveringsplicht geldt overigens ook als het participatiebeleid voor de Omgevingswet-instrumenten in een beleidsregel wordt neergelegd.
Het van toepassing verklaren van de participatieverordening op de Omgevingswet
In deze verordening wordt geregeld dat deze van toepassing wordt verklaard op de drie omgevingswet-instrumenten waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor de participatie. Een voordeel van het van toepassing verklaren van de Participatieverordening op de Omgevingswet-instrumenten is dat alles is opgenomen in één document. Dit draagt bij aan de overzichtelijkheid en duidelijkheid van de participatie waarbij de gemeente aan zet is om die te regelen. Deze koppeling met (de omgevingswet-instrumenten van) de Omgevingswet is vastgelegd in de doelstelling van de verordening, artikel 2 lid 5 en lid 6 en wordt concreet geregeld in artikel 14 en 15 van hoofdstuk 6: Omgevingswet.
Participatie verantwoordelijkheid bestuursorganen gemeente
Het Omgevingsbesluit geeft aan dat de gemeenteraad verantwoordelijk is voor het organiseren van participatie bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Het college is verantwoordelijk voor participatie bij de programma’s. In bijlage I is deze verantwoordelijkheid voor participatie van deze gemeentelijke bestuursorganen opgenomen.
Decentraal Participatiebeleid Omgevingswet
De gemeente moet voor verschillende instrumenten een decentraal participatiebeleid vaststellen. Dit beleid moet ervoor zorgen dat participatie daadwerkelijk plaatsvindt. Dit beleid heeft de gemeente al in 2023 vastgelegd in de Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023.
Dit wettelijk kader is geldend van 01-01-2024 t/m heden.
In dit beleidskader geeft de gemeente (bevoegd gezag) aan dat zij wettelijk aan zet is voor het regelen van de participatie voor de Omgevingswet-instrumenten en geeft daarvoor beleidslijnen.
Beleidslijn 1: de gemeente als initiatiefnemer - regelt de participatie en motiveert achteraf
Bij start van het proces om te komen tot vaststelling van een omgevingsplan of een nieuw deel daarvan of wijziging van een deel van een omgevingsplan wordt een zgn. participatieplan opgesteld. De impact van het initiatief bepaalt de vorm van het participatieproces en wie worden betrokken. Bij de start van het proces van een omgevingsvisie en omgevingsprogramma, wordt aan participatie aandacht geschonken. De impact bepaalt de vorm van het participatieproces en wie worden betrokken. Als een omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan worden vastgesteld, wordt altijd gemotiveerd hoe participatie is toegepast en wat met de opgehaalde resultaten is gedaan. Als de gemeente initiatiefnemer is voor een omgevingsvergunning, wordt altijd gemotiveerd hoe participatie is toegepast en wat er met de opgehaalde resultaten is gedaan.
Beleidslijn 2: de gemeente als initiatiefnemer - bepaalt participatievorm - participatie niveau
De Omgevingswet laat ook - de gemeente als - initiatiefnemer vrij om een participatievorm te kiezen. Vanwege de noodzaak om integraal af te wegen en om een langdurige beroepsprocedure te voorkomen, is het in zijn/haar eigen belang om adequate en tijdige participatie te voeren.
Voorafgaand aan een participatietraject wordt beoordeeld welke participatievorm en niveau van participatie het beste aansluit bij het voorliggende plan of programma.
Het participatieniveau wordt bepaald aan de hand van een van de vijf participatietreden van de participatieladder, te weten: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en (in mindere mate) meebeslissen.
Het niveau/ de mate van participatie kan binnen een plan of project veranderen, afhankelijk van de fase waarin het plan of project zich bevindt.
Vanuit de gemeente is ervaring opgedaan met de omgevingstafel als vorm voor het regelen van de participatie: een georganiseerde (reeks van) participatiesessie(s) met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om invulling geven aan participatie bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van de kerninstrumenten van de omgevingswet: de omgevingsvisie, het omgevingsplan, de omgevingsprogramma’s.
De aanpak bleek na evaluatie verbetering te behoeven. Een verbeterde aanpak kan worden overwogen bij het vormgeven van de participatie. En het niveau waarop de participatie plaatsvindt kan worden ingevuld de beleidslijnen zoals vastgelegd in de beleidsnota.
Artikel 14. Reikwijdte Participatie Omgevingswet
Het bestuursorgaan stelt een handreiking voor het organiseren van participatie beschikbaar voor initiatiefnemers die een omgevingsvergunning aanvragen.
Artikel 15. Participatie bij kerninstrumenten Omgevingswet
Het bestuursorgaan volgt de ‘Beleidsnota Participatie Omgevingswet Heeze-Leende 2023’ bij participatie voor de kerninstrumenten van de Omgevingswet, waarvoor de gemeente de participatieplicht draagt: omgevingsvisie, omgevingsplan en programma’s.
Toelichting: Dit lid borgt dat participatie plaatsvindt volgens het vastgestelde gemeentelijke beleid en dat de wettelijke plicht voor participatie bij deze instrumenten wordt nageleefd.
In het vaststellings- of wijzigingsbesluit legt het bestuursorgaan vast:
hoe de gekozen participatie aansluit bij het geldende participatiebeleid.
Wanneer gemeente niet aan zet is voor de participatie
Voor (het kerninstrument) vergunningen onder de omgevingswet is de gemeente niet aan zet voor participatie. De inspanningsverplichting voor participatie bij vergunningen ligt bij initiatiefnemers (aanvragers van de vergunning) die een eigen plan hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit is geregeld in artikel 7.4 Omgevingsregeling.
Binnen de omgevingswet zijn initiatiefnemers echter niet verplicht om aan participatie te doen en de wet schrijft ook niet voor hoe dat moet. Initiatiefnemers zijn alleen in de gevallen die de gemeenteraad heeft aangewezen, verplicht om participatie te organiseren. Daarbij moet de initiatiefnemer aangeven of en hoe aan participatie is gedaan en wat de resultaten zijn.
Zo kan de gemeenteraad participatie wel verplicht stellen voor (bepaalde) omgevingsvergunningen. De gemeente Heeze-Leende heeft een Handreiking Participatie1 opgesteld voor initiatiefnemers.
In de tabel in bijlage I staat wie verantwoordelijk is voor participatie bij verschillende instrumenten van de omgevingswet en hoe besluiten worden gemotiveerd.
Verantwoordelijkheden bij verzoek tot wijziging omgevingsplan door derden
Als een derde partij een wijziging van het omgevingsplan aanvraagt, moet deze partij zorgen voor een goed participatieproces. Het bestuursorgaan controleert of aan de eisen is voldaan.
Artikel 16. Evaluatie en monitoring
Dit artikel regelt hoe de verordening wordt geëvalueerd, en hoe rapportage en monitoring plaatsvindt en wie waarvoor verantwoordelijk is. Het doel is om hieruit te leren en te verbeteren.
Evaluatie van pilotprojecten binnen de tweejarige pilotperiode (2026 - 2027), gebeurt na 1 jaar en na afloop van de pilotperiode (waarin er door middel van pilotprojecten is ingezet op oefenen en experimenteren, leren en verbeteren). Tot de pilots kunnen alle participatievormen en initiatieven behoren.
De evaluatie van initiatief- of uitdaagvoorstellen vindt tussentijds tweejaarlijks plaats en na elke raadsperiode.
Het gaat om ingediende voorstellen van:
BIJLAGE I Overzicht participatie verantwoordelijke per instrument van de Omgevingswet
Onderstaande tabel bevat een overzicht per instrument van de regels voor participatie, wie verantwoordelijk is voor de naleving van de participatieregels en waar het staat.
Participatie over omgevingsvergunningen, waarbij de initiatiefnemer aan zet is voor het organiseren van participatie, vindt plaats volgens hetgeen bepaald is in de Omgevingswet en eventuele besluiten van de gemeenteraad over verplichte participatie, zoals bedoeld in artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet.
Het bestuursorgaan stelt voor initiatiefnemers die zelf een project, een activiteit of plan realiseren een “Handreiking Participatie” ter beschikking voor ruimtelijke initiatieven die een omgevingsvergunning aanvragen. Deze handreiking bevordert vroegtijdige participatie en biedt (toetsings-)kaders. Het bestuursorgaan beoordeelt - op basis van het verslag van initiatiefnemer en eventueel op basis van eigen onderzoek - het verloop van het participatieproces en of aan de voorwaarden is voldaan. Als de aanvrager van de vergunning, niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. De aanvrager krijgt wel de kans om dit te herstellen. Zie bijlage I.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-156336.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.