Gemeenteblad van Tilburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2026, 155108 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Tilburg | Gemeenteblad 2026, 155108 | beleidsregel |
Beleidsregels inkomstenvrijlating 2026 gemeente Tilburg
Hoofdstuk 2: Inkomstenvrijlating
Artikel 2: Algemene bepalingen inkomstenvrijlating
Inkomstenvrijlating wordt enkel toegepast wanneer deze bijdraagt aan de arbeidsinschakeling wanneer een belanghebbende (meer) gaat werken en met zijn totale inkomen niet boven de van toepassing zijnde uitkeringsnorm komt. Het college beoordeelt per individueel geval of de vrijlating daadwerkelijk bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Bij belanghebbenden die medisch urenbeperkt zijn of behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie is het tweede lid niet van toepassing. Bij hen draagt inkomstenvrijlating altijd bij aan arbeidsinschakeling als belanghebbende naast zijn uitkering deeltijd werkt/gaat werken en wordt de inkomstenvrijlating direct toegepast op de inkomsten uit legale arbeid die belanghebbende dan ontvangt.
Inkomsten die voortvloeien uit illegale activiteiten (bijvoorbeeld heling of drugsverkoop) en ook inkomsten uit arbeid waarvan geen, niet tijdig of onvolledig opgave is gedaan waardoor sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht en teveel uitkering is verstrekt, worden niet geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling en hierop wordt dus geen inkomstenvrijlating toegepast.
Artikel 3: Herziening en intrekking recht inkomstenvrijlating
Het college herziet het recht op inkomstenvrijlating of trekt dit in als:
Artikel 4: Herziening, intrekking en terugvordering uitkering
Als het college een besluit tot herziening of intrekking als bedoeld in artikel 3 heeft genomen, herziet het college het recht op uitkering of trekt deze in overeenkomstig artikel 54, derde lid, Participatiewet of artikel 17 IOAW/IOAZ en vordert de ten onrechte of te veel verstrekte uitkering terug.
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
In de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) is geregeld dat gedurende een beperkte periode een deel van de inkomsten uit deeltijd arbeid niet wordt verrekend met de uitkering. Dit wordt inkomstenvrijlating genoemd.
Algemeen uitgangspunt voor het toepassen van de inkomstenvrijlating is dat arbeid in deeltijd bijdraagt aan de arbeidsinschakeling en leidt tot verminderde uitkeringsafhankelijkheid op korte termijn met mogelijk uitzicht op volledige uitkeringsonafhankelijkheid in de toekomst.
Een vrijlating van een deel van de inkomsten uit arbeid kan een stimulans zijn om werk te aanvaarden en behouden.
Er bestaan op dit moment wettelijk vier vrijlatingen van inkomsten uit arbeid: de algemene inkomstenvrijlating, de tijdelijke inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor een tot hun last komend kind tot 12 jaar, de inkomstenvrijlating voor mensen die medisch urenbeperkt zijn en de inkomstenvrijlating voor mensen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. Daarnaast is op basis van een kamerbrief gedoogruimte voor de inkomstenvrijlating voor jongeren tot 27 jaar.
Voor de algemene inkomstenvrijlating, de tijdelijke inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders en de inkomstenvrijlating voor jongeren gelden dat deze moeten bijdragen aan de arbeidsinschakeling. In eerdere beleidsregels had het college bepaald dat pas als mensen 24 maanden aaneengesloten een bijstandsuitkering hadden ontvangen, de vrijlating zou bijdragen aan de arbeidsinschakeling. Hierop worden de beleidsregels nu aangepast, omdat dit als te rigide wordt ervaren en wordt er nu aan de uitvoering de ruimte geboden om maatwerk te leveren, dus om in de individuele situatie te bepalen wanneer de inkomstenvrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Deze beleidsregels zijn bedoeld als overgang naar de Participatiewet in balans 2027, waarin alle vrijlatingen geharmoniseerd worden (één percentage van 15% wordt hierin voorgesteld) met een verruiming van, niet meer 6 maanden, maar 12 maanden met de mogelijkheid tot verlenging.
In artikel 31 lid 2 van de Participatiewet zijn voor 4 doelgroepen vrijlatingsregelingen opgenomen:
Deze vier vrijlatingsregelingen verschillen in voorwaarden, duur en vrijlatingspercentage.
Hieruit blijkt dat jongeren tot 27 jaar uitgesloten zijn van het recht op vrijlating, als er geen sprake is van medische urenbeperking of loonkostensubsidie. Dit artikel en de vrijlatingsregelingen worden sterk gewijzigd per 1-1-2027 in het nieuwe artikel 34A Pw:
Artikel 34a. Verrekening inkomsten uit arbeid met de algemene bijstand
Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
Gemeenten hebben van de wetgever de ruimte gekregen om voor jongeren te anticiperen op het nieuwe beleid en ook jongeren die niet vallen onder de doelgroep medisch urenbeperkt of loonkostensubsidie inkomstenvrijlating te geven, te weten 15% gedurende 12 maanden.
Artikel 2: Algemene bepalingen inkomstenvrijlating
In lid 1 staat dat wanneer een uitkeringsgerechtigde (meer) gaat werken, het college ambtshalve toetst of er recht bestaat op inkomstenvrijlating. Dit betekent dat de uitkeringsgerechtigde hier geen aanvraag of verzoek voor hoeft in te dienen en dat het automatisch wordt toegepast wanneer er recht op bestaat en deze inkomstenvrijlating in de individuele situatie van belanghebbende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. De belanghebbende wordt middels een beschikking op de hoogte gesteld van de toepassing van de inkomstenvrijlating.
Lid 2 bepaalt dat de inkomstenvrijlating moet bijdragen aan de arbeidsinschakeling en belanghebbende met zijn totale inkomen niet boven de van toepassing zijnde uitkeringsnorm komt. Inkomstenvrijlating draagt bij aan arbeidsinschakeling wanneer aannemelijk is dat het behouden, aanvaarden of uitbreiden van arbeid een stap vormt richting duurzame participatie of uitstroom uit de uitkering. Denk hierbij aan een uitkeringsgerechtigde die door omstandigheden een paar uur werkt en nu meer uren kan werken, iemand die al langer een bijstandsuitkering heeft nu parttime werk heeft gevonden of iemand die kort een bijstandsuitkering heeft maar echt zijn best heeft gedaan om parttime werk te vinden. Het toekennen van inkomstenvrijlating gebeurt niet standaard bij het verkrijgen van (meer) parttime werk, er wordt altijd per individueel geval getoetst of de vrijlating daadwerkelijk bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Daarnaast is een voorwaarde voor het recht op inkomstenvrijlating dat het totale inkomen van de belanghebbende niet boven de van toepassing zijnde uitkeringsnorm komt. Belanghebbende behoort dan immers niet tot de doelgroep voor het recht op inkomstenvrijlating, omdat ‘belanghebbende algemene bijstand moet ontvangen’ en het recht op algemene bijstand dan beëindigd moet worden in verband met een inkomen boven bijstandsniveau.
In lid 3 staat dat deze voorwaarde niet geldt voor de mensen die medisch urenbeperkt zijn of tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren. Bij hen draagt inkomstenvrijlating altijd bij aan arbeidsinschakeling als belanghebbende naast zijn uitkering deeltijd werkt/gaat werken en wordt de inkomstenvrijlating direct toegepast op de inkomsten uit arbeid die belanghebbende dan ontvangt. Dat is zo in de wet vastgelegd. De reden hiervoor is dat mensen die tot één van deze doelgroepen behoren, in beginsel vaak niet meer uren kunnen werken vanwege hun beperking en een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen. Werken is in dat geval niet lonend, in de zin dat het niet tot meer inkomen leidt dan een volledige bijstandsuitkering. De wetgever vindt het belangrijk dat voor de mensen met een arbeids-/medische urenbeperking werken in deeltijd moet lonen, juist omdat het vanwege de arbeidsbeperking moeilijker is om aan het werk te blijven en (gedeeltelijk) uit de bijstand uit te stromen dan voor mensen zonder een arbeidsbeperking.
In lid 4 is geregeld dat wanneer beide partners aan de voorwaarden voldoen, iedere partner afzonderlijk recht heeft op inkomstenvrijlating. De maximale vrijlating genoemd in de wet, is een bedrag per persoon, niet per uitkering.
Lid 5 bepaalt dat inkomsten die voortvloeien uit illegale activiteiten niet worden vrijgelaten, omdat deze inkomsten niet worden geacht bij te dragen aan de arbeidsinschakeling. Dit geldt eveneens voor inkomsten die belanghebbende niet, niet tijdig of niet volledig heeft doorgegeven, waardoor sprake is geweest van schending van de inlichtingenplicht en waardoor teveel uitkering is verstrekt. De vraag of de vrijlating van inkomsten bijdraagt aan arbeidsinschakeling vergt namelijk een individuele beoordeling die vooraf of bij aanvang van de werkzaamheden plaatsvindt. Als later wordt geconstateerd dat een belanghebbende heeft verzwegen aan het werk te gaan, kan het college die beoordeling niet meer maken. Bovendien wil het college schending van de inlichtingenplicht niet belonen met een inkomstenvrijlating.
In lid 6 staat dat de inkomstenvrijlating één keer per uitkeringsperiode bestaat. Dit is zo in de wet geregeld. Het komt voor dat een belanghebbende volledig uit de uitkering uitstroomt, maar door omstandigheden opnieuw op een uitkering aangewezen raakt. Dit is dan een nieuw recht op bijstand, waardoor de voorwaarde uit lid 2 weer geldt. Dit betekent dat opnieuw beoordeeld moet worden of de vrijlating daadwerkelijk bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.
Als een uitkeringsperiode tijdelijk wordt onderbroken door omstandigheden genoemd in lid 6, wordt de periode vóór en ná de onderbreking als één uitkeringsperiode gezien.
Artikel 3: Herziening en intrekking recht inkomstenvrijlating
In de situatie waarin later blijkt dat ten onrechte een inkomstenvrijlating op de uitkering is toegepast, wordt het recht op de inkomstenvrijlating herzien. Dit betekent dat met terugwerkende kracht een ander besluit over het recht op inkomstenvrijlating kan worden genomen. Het recht op inkomstenvrijlating kan dan met terugwerkende kracht geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.
Artikel 4: Herziening, intrekking en terugvordering uitkering
In artikel 3 staat dat met terugwerkende kracht een andere besluit over het recht op inkomstenvrijlating kan worden genomen in de situatie waarin later blijkt dat ten onrechte een inkomstenvrijlating op de uitkering is toegepast. Omdat inkomstenvrijlating inhoudt dat een deel van de inkomsten uit arbeid niet wordt verrekend met de uitkering, betekent dit dat er teveel uitkering is verstrekt als later blijkt dat er slechts gedeeltelijk of geen recht was op inkomstenvrijlating. In dit artikel wordt geregeld dat de teveel verstrekte uitkering dan door het college wordt teruggevorderd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-155108.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.