Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Gemeente Lansingerland 2025

De raad van de gemeente Lansingerland;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 september 2024

gelet op artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet;

gelezen het advies van de Begeleidingscommissie Accountantscontrole;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a)

    Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b)

    BBV: Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten, inhoudende de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten, uitvoeringsinformatie en informatie voor derden van provincies en gemeenten;

  • c)

    Begroting: het document waarin de voorgenomen gemeentelijke uitgaven en inkomsten bij elkaar worden gebracht, bestaande uit de beleidsbegroting en financiële begroting;

  • d)

    Beleidsveld: onderdeel van een programma bestaande uit een samenstel van een aantal samenhangende activiteiten of een samenstel van (sub)taakvelden;

  • e)

    College: het college van burgemeester en wethouders;

  • f)

    Financiële rechtmatigheid: rechtmatige totstandkoming van de baten, lasten en balansmutaties in overeenstemming met de begroting en met de van toepassing zijnde wettelijke regelingen, waaronder de gemeentelijke verordeningen.

  • g)

    Inkomsten: totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves;

  • h)

    Investering: een opoffering in tijd, geld en/of menskracht waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt;

  • i)

    Investeringskrediet: een budget voor het realiseren van een investering;

  • j)

    Jaarstukken: het document waarin de werkelijke gemeentelijke uitgaven en inkomsten bij elkaar worden gebracht, bestaande uit het jaarverslag en de jaarrekening;

  • k)

    Netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, vorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

  • l)

    Onbenutte belastingcapaciteit onroerende zaakbelasting: verschil tussen de opbrengst onroerende zaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig is voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerende zaakbelasting;

  • m)

    Onduidelijkheid: oordeel van gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat niet met zekerheid is vast te stellen of een bate, last of balansmutatie rechtmatig tot stand is gekomen.

  • n)

    Overhead: het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen (bron: Nota Overhead).

  • o)

    Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

  • p)

    Programma: Samenhangende verzameling van producten, activiteiten en geldmiddelen gericht op het bereiken van vooraf gestelde maatschappelijke doelen;

  • q)

    Raad: de gemeenteraad;

  • r)

    Rapporteringsgrens: Een afwijking wordt gerapporteerd bij een verschil van minimaal € 200.000 óf bij een verschil van ten minste 10% van het geraamde bedrag, met een ondergrens van € 25.000.

  • s)

    Rechtmatigheid: het voldoen aan wet- en regelgeving. Het begrip rechtmatigheid in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording is echter een minder omvattend begrip. Bij rechtmatigheid in het kader van de rechtmatigheidsverantwoording bestaat er een duidelijke relatie met het financiële beheer.

  • t)

    Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

  • u)

    Rechtmatigheidsfout: bate, last of balansmutatie die niet rechtmatig tot stand is gekomen. Rechtmatigheidsfouten treden op bij financiële transacties, waarbij voor financiële beheershandelingen relevante wettelijke voorschriften niet juist zijn toegepast;

  • v)

    Subsidies: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

  • w)

    Uitvoeringswet Fido: De uitvoeringswet financiering decentrale overheden is een uitvoeringsregeling op basis van de Wet Fido. Deze bevat gedetailleerde bepalingen en technische invullingen van wat er in de wet Fido staat.

  • x)

    Verantwoordingsgrens: De verantwoordingsgrens is een totaalbedrag voor rechtmatigheidsfouten én onduidelijkheden in het kader van de financiële rechtmatigheid;

  • y)

    Weerstandscapaciteit: de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet geraamde kosten te dekken.

  • z)

    Wet Fido: de Wet financiering decentrale overheden; deze wet regelt het financieringsbeleid van openbare lichamen, met daarin opgenomen de verwijzing naar de ministeriële Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo).

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2.1 Onderdelen van de begrotings-, en verantwoordingscyclus

De begrotings-, en verantwoordingscyclus bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1.

    de kaderbrief bevat de beleidsmatige en financiële uitgangspunten voor de opstelling van de begroting van het volgende begrotingsjaar met een eerste doorkijk naar het meerjarenperspectief van de drie opvolgende begrotingsjaren. Het document biedt de raad de mogelijkheid om in een vroeg stadium richting te geven aan het beleid en de financiële kaders. Het college biedt de kaderbrief uiterlijk op 15 juni aan de raad aan. De raad stelt deze uiterlijk in juli vast;

  • 2.

    de begroting vormt het integraal afwegingskader voor het gemeentelijk beleid en de bijbehorende middelen. Hierin worden de beleidsvoornemens, prestaties, baten en lasten voor het komende jaar en meerjarenperspectief opgenomen. Het college biedt de begroting, in lijn met paragraaf 1 De begroting van hoofdstuk XIII van De Gemeentewet en uiterlijk op 15 oktober aan de raad aan. De raad stelt deze uiterlijk voor 15 november vast, de uiterste datum voor indiening bij de provincie;

  • 3.

    de zomerrapportage is de eerste beleidsarme tussentijdse rapportage van het begrotingsjaar en kan aanleiding geven tot bijstelling. Hiermee wordt voldaan aan artikel 213a van de Gemeentewet. Het college biedt de rapportage uiterlijk op 15 juni aan; de raad stelt deze uiterlijk in juli van het lopende begrotingsjaar vast;

  • 4.

    de slotwijziging is de tweede beleidsarme tussentijdse rapportage en bevat de laatste technische en financiële bijstellingen van de begroting ter voorbereiding op de jaarstukken. Hiermee wordt voldaan aan artikel 213a van de Gemeentewet. Het college biedt de slotwijziging van het lopende begrotingsjaar uiterlijk op 15 november aan; de raad stelt deze uiterlijk in december vast;

  • 5.

    de jaarstukken vormen de afsluiting van de begrotings- en verantwoordingscyclus en geven een integraal beeld van het gevoerde beleid en de gerealiseerde financiële resultaten in het voorgaande jaar. Het college biedt de jaarstukken, in lijn met paragraaf 2 De Jaarrekening van hoofdstuk XIII van De Gemeentewet en uiterlijk op 1 juli van het daaropvolgende begrotingsjaar aan. De raad stelt deze uiterlijk voor 15 juli daaropvolgend vast, de uiterste datum voor indiening bij de provincie.

Artikel 2.2 Vaststelling programma-indeling en paragrafen

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de onderverdeling van de programma’s in beleidsvelden vast.

  • 3.

    De raad stelt, op voorstel van het college, per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 2.3 Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Met het vaststellen van de begroting stelt de raad voor ieder programma en het overzicht overhead het volgende vast:

    • a.

      wat willen we bereiken: de doelstellingen;

    • b.

      wat gaan we daarvoor doen: de te ondernemen activiteiten en inzet van instrumenten;

    • c.

      wat gaat het kosten: de financiële middelen voor het begrotingsjaar;

    • d.

      de meerjarenraming voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

  • 2.

    De indeling van de jaarstukken is gelijk aan die van de begroting. In tegenstelling tot de begroting, die een vooruitblik biedt, vormen de jaarstukken een terugblik op het afgelopen begrotingsjaar. Daarom luiden de drie centrale vragen in de jaarstukken:

    • a.

      wat wilden we bereiken;

    • b.

      wat hebben we daarvoor gedaan;

    • c.

      wat heeft het gekost.

  • 3.

    In begroting en de jaarstukken wordt een aanvullend overzicht opgenomen bij het taakveld overhead die ten minste bevat:

    • a.

      de bruto overheadlasten;

    • b.

      de aan investeringen, grondexploitaties en onderhoudsvoorzieningen toegerekende overhead;

    • c.

      de extracomptabel toegerekende overhead aan heffingen, tarieven, subsidies en diensten aan derden.

  • 4.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen, het overzicht van de overhead en een overzicht van de baten en de lasten per beleidsveld weergegeven.

  • 5.

    De begroting en jaarstukken bieden een duidelijk, getrouw en stelselmatig inzicht in de financiële positie. Hiermee wordt de raad in staat gesteld een verantwoord oordeel te vormen over het gevoerde en te voeren beleid, inclusief de financiële rechtmatigheid.

  • 6.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het BBV:

    • a.

      van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende reeds gevoteerde investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven;

    • b.

      inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 7.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 8.

    De in de begroting en in de jaarstukken opgenomen verschillenanalyses worden van een toelichting voorzien wanneer op niveau van beleidsveld de rapporteringsgrens wordt overstegen. Hierbij worden baten en lasten afzonderlijk geanalyseerd.

  • 9.

    In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten van€ 200.000 afzonderlijk gespecificeerd.

  • 10.

    De in de begroting en jaarstukken opgenomen beleidsindicatoren worden voorzien van een inhoudelijke toelichting over de ontwikkeling.

  • 11.

    In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

Artikel 2.4 Autorisatie begroting, investeringskredieten en grondexploitaties

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma, het overzicht overhead en het overzicht algemene dekkingsmiddelen voor het komende begrotingsjaar.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de raad een beleidsveld of activiteit dat onderdeel is van een programma, het overzicht overhead of het overzicht algemene dekkingsmiddelen als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren.

  • 3.

    De raad heeft de vrijheid om investeringen voor het huidige jaar dan wel definitief van het Meerjareninvesteringsplan (verder te noemen: MIP) te schrappen. Hierbij kan het verzoek gedaan worden om voor nieuwe investeringen op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet te willen ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie (onderdeel MIP) geautoriseerd.

  • 4.

    Indien het college voorziet dat een geautoriseerd lastenbudget voor een programma of investeringskrediet dreigt te worden overschreden, wordt vooraf aan de raad een voorstel inclusief dekking aangeboden om de extra lasten te autoriseren. In afwijking hiervan geldt dat indien de overschrijding de rapportagegrens niet overschrijdt, het voorstel inclusief dekking ter autorisatie wordt opgenomen in de eerstvolgende tussenrapportage.

  • 5.

    Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van geautoriseerde baten en lasten, investeringskredieten en het bijstellen van het beleid en de budgetten.

  • 6.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voor het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel aan de raad voor. De investering moet onvoorzien, onontkoombaar en niet uitstelbaar zijn. Dit geldt ook voor investeringsuitgaven die volledig gedekt worden door externe subsidies.

  • 7.

    Tenminste één keer per jaar actualiseert de raad de financiële prognoses van de grondexploitaties (Meerjarenprognose Grondexploitaties; MPG). De raad autoriseert daarmee tevens de baten en lasten van de grondexploitaties voor de gehele looptijd van het project. In de Meerjarenprognose Grondexploitaties worden deze baten en lasten per project, per kostensoort en per jaar inzichtelijk gemaakt. In de begroting worden deze baten en lasten voor het begrotingsjaar en de drie daaropvolgende jaren opgenomen op het programma Grondzaken.

  • 8.

    Jaarlijks wordt in de Meerjarenprognose Grondexploitaties een overzicht opgenomen met vrij te geven uitvoeringsbudgetten groter dan € 200.000 voor werkzaamheden die in het komende begrotingsjaar in uitvoering worden genomen. Via het vaststellen van de Meerjarenprognose Grondexploitaties worden deze budgetten door de raad geautoriseerd.

Artikel 2.5 Tussentijdse rapportage

  • 1.

    In de tussentijdse rapportage worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten apart toegelicht wanneer op niveau van beleidsveld de rapporteringsgrens wordt overstegen.

  • 2.

    De tussentijdse rapportage bevat een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming (waarbij gepresenteerd worden 1. De primitieve begroting, 2. De begroting na wijzigingen en 3. De verwachte realisatie van het begrotingsjaar) van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar beleidsvelden;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar beleidsvelden;

    • c.

      het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit de onderdelen a, b en c;

    • e.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het voorlopige resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;

    • g.

      een overzicht van de investeringskredieten waarbij het verschil tussen het gerealiseerde en geraamde investeringskrediet de rapporteringsgrens overstijgt;

    • h.

      de afwijkingen voor het begrotingsjaar op het beleidsveld grondexploitaties groter dan € 1,0 miljoen (baten en lasten apart).

  • 3.

    Door vaststelling van de tussentijdse rapportage autoriseert de raad de wijzigingen van de geautoriseerde budgetten en investeringskredieten en daarmee de uit de tussentijdse rapportage voortvloeiende begrotingswijziging(en).

  • 4.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportage in de raad doet het college tevens voorstellen voor het bijstellen van het beleid.

  • 5.

    De tussentijdse rapportage wordt tevens door het college gebruikt om de raad voor te stellen de restantmiddelen van lopende investeringen of incidentele budgetten alvast over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.

Artikel 2.6 Jaarstukken

  • 1.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 2.

    Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar, voor zover dit niet al bij de tussentijdse rapportage is gebeurd.

Artikel 2.7 EMU-saldo

  • 1.

    Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 3.1 Rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad een overzicht van de afwijkingen wanneer deze opgeteld boven de verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente uitkomen, exclusief de dotaties aan de reserves. Onder afwijkingen wordt verstaan de optelling van rechtmatigheidsfouten en onduidelijkheden.

  • 2.

    Aanvullend op het eerste lid worden, in de paragraaf bedrijfsvoering de geconstateerde afwijkingen toegelicht wanneer op niveau van beleidsveld de rapporteringsgrens wordt overstegen.

  • 3.

    Het college biedt de raad jaarlijks uiterlijk op 31 december ter vaststelling aan:

    • a.

      het normenkader rechtmatigheid, bestaande uit alle relevante interne en externe wet- en regelgeving op basis waarvan de financiële rechtmatigheid wordt beoordeeld;

    • b.

      het voorwaardencriterium, zoals bedoeld in de Kadernota rechtmatigheid van de commissie BBV;

    • c.

      de interne regels ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Artikel 3.2 Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Het college biedt de raad jaarlijks uiterlijk op 31 december ter vaststelling voor dat jaar een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. (Het college operationaliseert het normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing).

Artikel 3.3 Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium dat stelt dat baten en lasten rechtmatig zijn als ze passen binnen de begroting van exploitatie en investeringskredieten die door de raad is goedgekeurd.

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3.

    Bij investeringen wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde investeringskrediet. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere overschrijding van lasten voor de exploitatie als ook investeringen ten opzichte van de begroting na wijziging als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen zijn acceptabel in de volgende situaties:

    • a.

      een overschrijding welke gecompenseerd wordt met direct gerelateerde inkomsten;

    • b.

      er sprake is van een overschrijding op een open-einde regeling;

    • c.

      de overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage;

    • d.

      de overschrijding is toegelicht in een raadsinformatiebrief aan de raad als aanvulling op de laatste tussentijdse rapportage;

    • e.

      De overschrijding dusdanig laat bekend was dat deze niet kon worden meegenomen in de tussentijdse rapportage maar wel tijdig is toegelicht in de jaarrekening.

  • 5.

    Onderschrijdingen van de lasten ten opzichte van de begroting na wijzigingen en afwijkingen op de baten zijn niet onrechtmatig, mits deze tijdig zijn gemeld. Onder tijdig melden verstaan wij dat afwijkingen worden gemeld in:

    • a.

      De tussentijdse rapportages;

    • b.

      Door actieve informatievoorziening van het college aan de gemeenteraad.

  • 6.

    Afwijkingen die niet eerder gemeld konden worden, worden toegelicht in de jaarstukken, waarmee deze tijdig zijn gemeld.

Artikel 3.4 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Bij constatering van misbruik of oneigenlijk gebruik met financiële impact boven de verantwoordingsgrens, rapporteert het college dit in de rechtmatigheidsverantwoording.

Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 4.1 Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een ‘Nota Activabeleid’ aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt ten minste:

    • a.

      de kaders voor het activeren van uitgaven als vaste activa, inclusief grensbedragen en uitzonderingen;

    • b.

      de uitgangspunten voor (her)waardering van activa

    • c.

      de kaders omtrent afschrijvingstermijnen en -methoden per activacategorie;

    • d.

      het beleid voor het omgaan met restwaarden en buitengebruikstelling;

    • e.

      de relatie met investeringsplanning en financiële positie van de gemeente;

    • f.

      de kaders voor de eventuele inzet van kapitaallasten dekkingsreserve(s)

  • 2.

    Het college is verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van het activabeleid en borgt een navolgbare en professionele toepassing in de financiële administratie en verslaglegging.

  • 3.

    Het college biedt de raad jaarlijks een geactualiseerd meerjareninvesteringsplan (MIP) aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daaruit voortvloeiende kapitaallasten voor de meerjarenperiode.

Artikel 4.2 Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een ‘Nota Reserves en Voorzieningen’ aan.

    Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt ten minste:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming, besteding en waarderingsgrondslag van voorzieningen.

  • 3.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve; en

    • d.

      de maximale looptijd.

  • 4.

    Elk jaar vindt een actualisatie van de reserves en voorzieningen plaats ten behoeve van de begroting. Hierbij wordt vastgesteld of de reserves en voorzieningen nog noodzakelijk zijn. Voorstellen voor aanpassing van de reserves en voorzieningen worden opgenomen en toegelicht in de begroting.

  • 5.

    Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

  • 6.

    Het college informeert de raad bij de begroting, de tussentijdse rapportage en de jaarrekening over de ontwikkeling van reserves.

Artikel 4.3 Tarieven goederen, werken en diensten

  • 1.

    De raad stelt jaarlijks bij de begroting de hoogte vast van de gemeentelijke tarieven, rechten, leges en heffingen. Bij de berekening van tarieven gelden de volgende algemene uitgangspunten:

    • a.

      het college houdt rekening met loon- en prijs ontwikkelingen;

    • b.

      de tarieven worden zodanig berekend dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake en dus maximaal 100% kostendekkend zijn;

    • c.

      de ontwikkeling van tarieven past binnen de overige wet- en regelgeving.

  • 2.

    Inzake de kostentoerekening gelden de volgende uitgangspunten voor de kostprijsberekening:

    • a.

      voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt (voor de niet-directe kosten) een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd;

    • b.

      bij de kostentoerekening kunnen naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde en/of noodzakelijk vervanging van activa worden betrokken;

    • c.

      Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid opgenomen in de kostprijs.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

  • 4.

    Bij afwijkingen op geraamde tarieven vanwege publiek belang doet het college vooraf van deze activiteiten een voorstel voor een raadsbesluit waarin dit belang wordt gemotiveerd.

  • 5.

    Bij een tussentijdse wijziging van huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota doet het college vooraf voorstel voor een raadsbesluit waarin dit belang wordt gemotiveerd.

Artikel 4.4 Overhead

  • 1.

    De raad verstaat onder overhead: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen.

  • 2.

    De overhead wordt afzonderlijk verantwoord in het overzicht van baten en lasten. Gemeentelijke overheadskosten worden niet rechtstreeks aan beleidsprogramma’s toegerekend, tenzij sprake is van directe uitvoeringskosten of dit op grond van wet- of regelgeving verplicht is.

  • 3.

    De toerekening van activiteiten aan taakveld 0.4 volgt de beschrijving in bijlage 3 van de ‘Notities overhead 2023’ en is in overeenstemming met de IV3-voorschriften.

  • 4.

    Overheadkosten worden toegerekend aan:

    • a.

      investeringen en grondexploitaties (intracomptabel, op grond van artikel 63 BBV);

    • b.

      onderhoudsvoorzieningen (intracomptabel);

    • c.

      heffingen, tarieven en leges (extracomptabel);

    • d.

      activiteiten die worden bekostigd uit (externe) subsidies of inkomsten van derden (extracomptabel).

  • 5.

    De toerekening van de geraamde overhead vindt plaats via een opslag voor overhead per uur

  • 6.

    Bij de berekening van het bedrag voor de opslag per uur gelden de volgende algemene uitgangspunten:

    • a.

      De overheadslasten zijn gebaseerd op de begrote loon- en materiaalkosten voor overhead;

    • b.

      De totale kosten worden gedeeld door de formatieve directe loonkosten;

  • 7.

    De toereken methodiek is transparant, reproduceerbaar en eenduidig. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van één standaard methodiek. Afwijken mag wanneer wet-, en regelgeving dit afdwingen of het noodzakelijk is voor een getrouw beeld van de cijfers. Afwijkingen van de standaardmethodiek worden gemotiveerd toegelicht in de toelichting bij de begroting of jaarstukken. Voor publiekrechtelijke tarieven wordt de overhead altijd extracomptabel toegerekend.

Artikel 4.5 Financieringsfunctie

  • 1.

    Op grond van artikel 212, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet en met inachtneming van de Wet Fido stelt de raad in deze verordening de kaders voor de uitvoering van de financieringsfunctie vast.

  • 2.

    Het college is bevoegd tot het aantrekken en uitzetten van financiering, binnen de kaders van deze verordening. Financiering en uitzetting geschieden uitsluitend bij financiële instellingen die onder toezicht staan van De Nederlandsche Bank of een EER-toezichthouder en voldoen aan de eisen van de Wet Fido, Ruddo en het Algemeen Monetair Fonds.

  • 3.

    De financieringsfunctie wordt zodanig ingericht dat:

    • a.

      rechtmatigheid, doelmatigheid, prudent en transparantie worden gewaarborgd;

    • b.

      risico's (waaronder rente-, liquiditeits- en kredietrisico’s) worden beheerst;

    • c.

      financiering uitsluitend bedoeld is voor de uitvoering van de publieke en maatschappelijke taak;

    • d.

      interne en externe kosten worden geminimaliseerd.

  • 4.

    De gemeente hanteert het systeem van integrale financiering. Financiering wordt centraal geregeld en niet per project of investering, tenzij de raad expliciet anders besluit op voorstel van het college.

  • 5.

    Financiering geschiedt primair met interne middelen of overtollige liquiditeit. Externe financiering wordt pas aangetrokken als interne middelen ontoereikend zijn.

  • 6.

    Het aantrekken financiering met als enig doel deze tegen een hoger rendement uit te zetten, is niet toegestaan.

  • 7.

    Transacties worden uitsluitend in euro’s verricht. Het aangaan van verplichtingen in andere valuta is uitgesloten.

  • 8.

    Voor de interne toerekening van rentekosten hanteert de gemeente een omslagrente. Bij het vaststellen van de programmabegroting wordt de hoogte van de omslagrente vastgesteld.

  • 9.

    De treasuryactiviteiten worden afgestemd op de financiële positie van de gemeente en gebaseerd op een actuele liquiditeitenplanning op korte (tot 1 jaar) en lange termijn (tot 10 jaar). Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie te allen tijde voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen van de gemeente tijdig en volledig kunnen worden nagekomen.

  • 10.

    Het college voorkomt overschrijding van de wettelijke kasgeldlimiet en de renterisiconorm zoals bedoeld in artikel 1, onderdelen f en h, van de Wet financiering decentrale overheden. Bij dreigende overschrijding informeert het college de raad tijdig.

  • 11.

    Transacties worden in principe elektronisch afgewikkeld; het gebruik en aanhouden van contant geld wordt zoveel mogelijk vermeden, met uitzondering van betalingen door burgers.

  • 12.

    Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

  • 13.

    Bij het afsluiten van leningen en het doen van uitzettingen wordt op basis van concurrentie minimaal bij twee marktpartijen een offerte opgevraagd, waarna op grond van objectieve criteria de meest voordelige aanbieding wordt geselecteerd.

  • 14.

    In de begroting en in de jaarstukken licht het college in de verplichte financieringsparagraaf het financieringsbeleid en de renteresultaten van de gemeente toe.

  • 15.

    Het college richt een overlegvorm in waarin relevante (financiële) professionals participeren, met als doel een deskundige, navolgbare en zorgvuldige uitvoering van de financieringsfunctie te waarborgen. Dit overleg bespreekt onder meer treasuryrapportages, liquiditeitsontwikkelingen, rentevisies en (voorgenomen) transacties, en brengt hierover advies uit aan het college.

  • 16.

    In uitzonderlijke gevallen waarin toepassing van dit artikel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, kan het college gemotiveerd van deze bepalingen afwijken. De raad wordt hiervan in kennis gesteld.

Artikel 4.6 Garantstelling en verstrekte leningen

  • 1.

    Het college is bevoegd garanties af te geven en leningen te verstrekken, met inachtneming van de kaders van deze verordening. Het college draagt zorg voor een professioneel ingerichte en navolgbare werkwijze, waarin helder wordt gemotiveerd waarom tot verstrekking is overgegaan dan wel daarvan is afgezien.

  • 2.

    Garanties en leningen worden uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen die statutair gevestigd zijn in Nederland, en uitsluitend indien:

    • a.

      conform de Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      er sprake is van een publieke taak;

    • c.

      het passend is binnen gemeentelijk beleid;

    • d.

      de verstrekking een aantoonbaar maatschappelijk belang dient;

    • e.

      geen strijd bestaat met de Europese staatssteunregels;

  • 3.

    De rente op verstrekte leningen en premie op garanties is marktconform, met als ondergrens een rente gelijk aan de gemeentelijke kostprijs, vermeerderd met 0,25 procentpunt, en minimaal 0,25%.

  • 4.

    De looptijd van verstrekte leningen of garanties is in beginsel gelijk aan de maatschappelijke levensduur van het gefinancierde object of aan de looptijd van de onderliggende lening, met een maximum van 30 jaar.

  • 5.

    De gemeente stelt zich voor maximaal 80% van de lening garant.

  • 6.

    De aanvrager dient een schriftelijke aanvraag in bij het college met tenminste de volgende informatie:

    • a.

      het doel, de looptijd en de hoogte van de financiering;

    • b.

      een onderbouwing van het publieke of maatschappelijke belang;

    • c.

      financiële gegeven die de kredietwaardigheid en exploitatie onderbouwen;

    • d.

      een toelichting waarom reguliere financiering of garantstelling niet beschikbaar is.

  • 7.

    Aanvragen worden integraal beoordeeld op hun beleidsmatige relevantie, financiële houdbaarheid en risico’s voor de gemeente. Daarbij wordt gelet op onder meer continuïteit van de aanvrager, juridische aspecten, en het effect op de gemeentelijke weerbaarheid. De beoordeling vindt plaats binnen dertien weken na ontvangst van een volledige aanvraag.

  • 8.

    Een garantie of lening wordt slechts verstrekt onder de voorwaarde dat binnen zes maanden na het toekenningsbesluit en vóór de ingangsdatum een uitvoeringsovereenkomst wordt opgesteld en ondertekend.

  • 9.

    Het college rapporteert jaarlijks in de begroting en jaarstukken aan de raad over verstrekte garanties en leningen, inclusief een risicoanalyse in relatie tot het weerstandsvermogen.

  • 10.

    Het college is verantwoordelijk voor een volledige, actuele en controleerbare administratie van alle verstrekte leningen en garanties.

  • 11.

    In uitzonderlijke gevallen waarin toepassing van dit artikel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, kan het college gemotiveerd van deze bepalingen afwijken. De raad wordt hiervan in kennis gesteld.

Artikel 4.7 Budgetoverhevelingen

  • 1.

    Als geraamde activiteiten (deels) niet zijn uitgevoerd binnen het begrotingsjaar en doorgeschoven worden naar een volgend jaar, kan het voordelige resultaat worden voorgesteld tot overheveling. Hiervoor gelden de volgende criteria:

    • a.

      het betreft incidenteel budget;

    • b.

      in het nieuwe jaar is voor deze activiteit geen nieuw budget opgenomen;

    • c.

      de vertraging is aantoonbaar veroorzaakt door overmacht of bijzondere omstandigheden;

    • d.

      de activiteit blijft noodzakelijk wegens urgentie, beleidsmatige noodzaak of afspraken met derden;

    • e.

      Uitvoering in het nieuwe jaar is haalbaar en opgenomen in werkplanningen van betrokken partijen;

    • f.

      het budget is niet eerder overgeheveld.

  • 2.

    Budgetoverhevelingen zijn uitgesloten wanneer:

    • a.

      het budgetten betreft voor grondexploitatie, welke separaat worden bepaald en beschikbaar gesteld middels het Meerjarenprognose Grondexploitaties (MPG);

    • b.

      Budgetten waarvan het resultaat via een raadsbesluit wordt verrekend met een (egalisatie)reserve.

  • 3.

    Een voorstel tot overheveling bevat een volledige en onderbouwde toelichting over de activiteit, reden van vertraging en noodzaak tot uitvoering.

  • 4.

    Overhevelingsvoorstellen worden bij voorkeur bij de jaarrekening gedaan. Als eerder duidelijk is dat met zekerheid vastgesteld kan worden dat uitvoering in het lopende jaar niet meer plaatsvindt, kan overheveling ook via de tussentijdse rapportage worden voorgesteld.

Hoofdstuk 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken

Artikel 5.1 Lokale heffingen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het BBV ten minste op:

    • a.

      een overzicht en vergelijking van de gemeentelijke woonlasten met de landelijke woonlasten en de woonlasten in de omliggende gemeenten;

Artikel 5.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1.

    In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het BBV ten minste op:

    • a.

      de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;

    • b.

      het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;

    • c.

      de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting;

    • d.

      de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan;

    • e.

      de wijze waarop met projectspecifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming en de omvang van het weerstandsvermogen.

  • 2.

    Kengetallen zijn conform ‘Regeling vaststelling wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in begroting en jaarverslag provincies en gemeenten’ en zijn de definities gevolgd die www.waarstaatjegemeente.nl toepast.

  • 3.

    Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt beoordeeld of de gemeente bij een risicoscenario voldoende reserves heeft om die risico’s op de begroting op te vangen. De wijze waarop deze beoordeling plaatsvindt, is nader uitgewerkt in een door de Raad vastgestelde ‘Nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen’, die ten minste eens per vier jaar door het college wordt geactualiseerd.

Artikel 5.3 Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het BBV ten minste op:

    • a.

      de voortgang van het geplande onderhoud;

    • b.

      de eventuele omvang van het achterstallig onderhoud.

  • 2.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college eveneens conform het BBV in de paragraaf Onderhoud Kapitaalgoederen op het inzicht in het beleidskader, de hieruit voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling van de financiële consequenties in de begroting.

Artikel 5.4 Financiering

  • 1.

    In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 BBV op.

Artikel 5.5 Bedrijfsvoering

  • 1.

    In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 BBV op. In de paragraaf bedrijfsvoering bij de jaarstukken neemt het college ten minste op:

    • a.

      de algemene stand van zaken van de bedrijfsvoeringen, waaronder de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand, loonkosten en inhuur derden;

    • b.

      de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering;

    • c.

      de ontplooide activiteiten in het kader van informatieveiligheidsbeleid en de resultaten hiervan;

    • d.

      conform artikel 3.1, tweede lid, van deze verordening: informatie over de financiële rechtmatigheid inclusief een toelichting op alle in de rechtmatigheids-verantwoording zijn opgenomen afwijkingen en eventueel welke maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen;

    • e.

      een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Fido en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;

    • f.

      geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt.

Artikel 5.6 Verbonden partijen

  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eens per vier jaar een geactualiseerde ‘Nota Verbonden Partijen’ aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt ten minste:

    • a.

      de kaders voor de aansturing van, en het toezicht op verbonden partijen;

    • b.

      de uitgangspunten ten aanzien van de informatievoorziening;

    • c.

      de wijze waarop risico’s, financiële belangen en het publieke belang worden gewogen en bewaak.

  • 2.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het BBV ook de in de Nota Verbonden Partijen genoemde informatie op.

Artikel 5.7 Grondbeleid

  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een ‘Nota Grondbeleid’ aan. De raad stelt de nota vast en behandelt ten minste:

    • a.

      de strategische visie en ruimtelijke ambities van de gemeente;

    • b.

      de werkwijze voor het bepalen van onze rol en strategie om beleidsdoelstellingen te realiseren via ruimtelijke plannen;

    • c.

      de beleidsregels en uitgangspunten bij het uitvoeren van de ruimtelijke ambities van de gemeente;

    • d.

      de instrumenten waarmee invulling wordt gegeven aan ruimtelijke ambities.

  • 2.

    De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen netto contante waarde.

  • 3.

    Jaarlijks wordt per project bepaald of de grondexploitatie kan worden afgesloten, waarbij in alle situaties 100% van de opbrengsten gerealiseerd zijn.

  • 4.

    Het college stelt jaarlijks een Kaderbrief Grondprijzen vast met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond.

Artikel 5.8 Openbaarheid

  • 1.

    Volgens artikel 3.5 van de Wet open overheid besteed het college aandacht aan de beleidsvoornemens inzake de uitvoering van de wet. In de jaarstukken doet het college verslag van de uitvoering van de wet, mede in relatie tot de beleidsvoornemens zoals bedoeld in artikel 16a van het BBV.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 6.1 Administratie

  • 1.

    De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij ten minste dienstbaar is voor:

    • a.

      het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de teams;

    • b.

      het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten en subsidiebijdragen;

    • c.

      het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten, investeringskredieten en grondexploitatiebudgetten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

    • e.

      het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

    • f.

      de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 6.2 Financiële organisatie

  • 1.

    Het college draagt zorgt voor:

    • a.

      een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

    • c.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

    • g.

      het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

    • h.

      het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan;

    • i.

      het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 6.3 Interne controle

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 3.

    De accountant voert jaarlijks een controle uit op de getrouwheid van het beeld dat de jaarrekening geeft van de gemeentelijke financiën en op de getrouwheid van de rechtmatigheidsverantwoording op de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen.

Artikel 6.4 Verantwoording en naleving

  • 1.

    Het college is verantwoordelijk voor de naleving van deze verordening, alsmede van de relevante bepalingen uit de Gemeentewet, het BBV en andere van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

  • 2.

    Indien sprake is van afwijking, niet-naleving of structurele tekortkomingen in de uitvoering van deze verordening, informeert het college de raad daarover onverwijld, met een toelichting op de aard, oorzaak en getroffen of voorgenomen maatregelen.

  • 3.

    De raad kan, met inachtneming van artikel 49 en artikel 169 van de Gemeentewet, het college aanspreken op het niet naleven van de verordening, het college of individuele wethouders ter verantwoording roepen, en in het uiterste geval besluiten tot het indienen van een motie van wantrouwen of ontslag.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 7.1 Intrekking oude regeling

  • 1.

    De financiële verordening Gemeente Lansingerland 2024 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarstukken en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarstukken en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 7.2 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking, met dien verstande dat zij van toepassing is op de accountantscontrole van de jaarrekening en Sisa-deel-verantwoordingen van het verslagjaar 2025 en later.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie Lansingerland 2025.

Aldus vastgesteld door de raad van Lansingerland op 17 december 2025

De griffier,

Drs. Eveline Hamelink – van Rens,

de voorzitter,

Jules Bijl

Naar boven