De burgemeester van Tubbergen,
Gelet op artikel 151c van de Gemeentewet, artikel 2:77 van de Algemene plaatselijke verordening Tubbergen (hierna: de APV),
Gehoord de lokale driehoek van Tubbergen op 25 maart 2026, als bedoeld in artikel 13 van de Politiewet 2012,
Overwegende:
In de nacht van 14 op 15 maart 2026 heeft bij de woning aan de Zurinkstraat 37 te Geesteren een vernieling plaatsgevonden. Er is een steen gegooid door de voorruit van de woning. Hierna zijn herstelwerkzaamheden verricht aan de voorruit. In de nacht van 21 op 22 maart 2026 heeft wederom een vernieling aan dezelfde woning plaatsgevonden. Daarbij zijn twee bakstenen, door de voorruit en door de voordeur, van de woning gegooid. De woning is een rijtjeswoning, die momenteel, en ook ten tijde van beide vernielingen, onbewoond is.
De burgemeester is, ter handhaving van de openbare orde en op grond van artikel 151c van de Gemeentewet juncto artikel 2:77 van de APV, bevoegd om voor bepaalde duur camera’s in te zetten om toezicht te houden op openbare plaatsen. De politie is bevoegd om deze camera’s te gebruiken en te bekijken met als doel strafbare gedragingen die de openbare orde en de rust verder kunnen bedreigen, te voorkomen, de openbare orde te handhaven, en de inzet van de politie te verbeteren.
Nu er in korte tijd twee maal een vernieling heeft plaatsgevonden bij dezelfde woning, is sprake van een ernstige verstoring van de openbare orde. Het inzetten van cameratoezicht is gericht op het voorkomen van verdere vernielingen, en draagt bij aan het verbeteren van het veiligheidsgevoel bij de omwonenden en passanten die zich bevinden in de omgeving van de woning. Deze maatregel maakt onderdeel uit van een breder pakket aan maatregelen, waaronder begrepen opsporingsonderzoek en extra toezicht en surveillance. De politie verricht onderzoek naar deze vernielingen en heeft geadviseerd camera’s te plaatsen aan de openbare weg.
De aanwezigheid van camera’s wordt ter plekke op duidelijke wijze kenbaar gemaakt voor een ieder die het gebied betreedt. Indien vóór afloop van de gestelde periode blijkt dat de inzet van camera’s niet langer noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de openbare orde, zal het cameratoezicht worden beëindigd.
De duur van het cameratoezicht en de omvang van het gebied zijn proportioneel in relatie tot het beoogde legitieme doel. Gezien de ernstige verstoring van de openbare orde, en het feit dat dit in korte tijd tweemaal is voorgekomen, weegt het belang van de handhaving van de openbare orde zwaarder dan de mogelijke inbreuk op de privacy van passanten.
BESLUIT