Gemeenteblad van Nunspeet
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nunspeet | Gemeenteblad 2026, 15029 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nunspeet | Gemeenteblad 2026, 15029 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet;
gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 31, artikel 35, lid 1 en 3, artikel 41, artikel 43a, artikel 44 van de Participatiewet en artikel 15a en 16a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
gelet op artikel 5 van de Verordening inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026;
overwegende dat het college nadere regels wil vaststellen voor de uitvoering van inkomensondersteunende regelingen;
Besluit: de Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026 vast te stellen.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
belanghebbende: de rechtmatig in Nederland verblijvende alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden van 18 jaar of ouder die op het moment van aanvraag woonplaats heeft in de gemeente Nunspeet en als zodanig ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie en die voor zichzelf een aanvraag heeft ingediend op grond van deze nadere regels;
inkomensondersteunende regelingen: lokale inkomensregelingen voor inwoners van de gemeente Nunspeet met een laag inkomen, namelijk: de activiteitenbijdrage, de fietsbijdrage, de laptopbijdrage, de bijdrage gemeentelijke belastingen, de bijdrage collectieve zorgverzekering en de bijdrage eigen risico;
Artikel 3. Bewijsstukken bij herhaalde of aanpalende aanvraag
Als belanghebbende een aanvraag indient voor bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag of één van de inkomensondersteunende regelingen en één van deze regelingen binnen drie maanden voorafgaand aan deze aanvraag of voor onbepaalde tijd is toegekend, dan hoeft belanghebbende niet opnieuw de bewijsstukken van het inkomen en vermogen opnieuw aan te leveren. Het college gebruikt in dat geval de gegevens van de eerder ingediende aanvraag. Het kan wel mogelijk zijn dat het college per aanvraag aanvullende gegevens nodig heeft om het recht op specifieke regelingen te kunnen beoordelen.
Artikel 3a. Terugwerkende kracht en zoektermijn
Artikel 4. Ambtshalve toekenning
Aan belanghebbenden aan wie algemene bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet wordt toegekend, wordt ambtshalve de activiteitenbijdrage en de bijdrage gemeentelijke belastingen toegekend vanaf het kalenderjaar waarin de algemene bijstand wordt toegekend. In dit geval wordt afgeweken van de eis dat de belanghebbende minimaal drie maanden een laag inkomen moet hebben gehad.
Artikel 5. In aanmerking te nemen inkomsten
Indien belanghebbende stopt met het verwerven van inkomen uit arbeid en nog niet de volledige periode van inkomstenvrijlating heeft benut, kan de inkomstenvrijlating op een later moment worden hervat wanneer belanghebbende opnieuw inkomsten uit arbeid heeft. De totale inkomstenvrijlating tijdens kan niet langer zijn dan de genoemde termijnen in artikel 31 van de Participatiewet.
Artikel 6. Vaststelling inkomen
Het college kan voor het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand en inkomensondersteunende regelingen in afwijken van artikel 2 lid 2, als:
de belanghebbende inkomen uit een eigen onderneming heeft en in dat geval het inkomen vaststellen aan de hand van de meest recente aangifte inkomstenbelasting, waarbij het maandelijkse inkomen wordt vastgesteld als een gemiddelde van bedrijfsresultaat over de twaalf maanden waarop deze aangifte betrekking heeft. Bij het berekenen van het netto-inkomen wordt de systematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) gehanteerd.
de belanghebbende over onvoldoende gegevens beschikt om het inkomen uit lid 2 te kunnen vaststellen, het gemiddelde inkomen vast stellen aan de hand van tussentijdse cijfers en een door het college vast te stellen periode, waarbij de systematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) wordt gehanteerd.
Bij het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand en de inkomensondersteunende regelingen wordt het inkomen uit particuliere oudedagvoorzieningen bij belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, vrij gelaten overeenkomstig de genoemde bedragen in artikel 33 lid 5 van de Participatiewet. Indien het genoemde inkomen lager is dan het bedrag genoemd in artikel 33 lid 5 van de Participatiewet, worden maximaal de daadwerkelijke netto-inkomsten uit dit inkomen vrijgelaten.
Giften in de vorm van verstrekkingen van erkende charitatieve instellingen, waaronder Stichting Voedselhulp, Stichting Verborgen Armoede Nunspeet, Stichting Babyspullen, het Jeugd- of Volwassenenfonds Sport en Cultuur, diaconie of vergelijkbare instellingen worden niet in aanmerking genomen voor de bijstand of inkomensondersteunende regelingen.
Hoofdstuk 2. Bijzondere bijstand
Paragraaf 1. Algemene bepalingen bijzondere bijstand
Artikel 15. Vorm bijstandsverlening
Bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening als:
Artikel 16. Kwijtschelding geldlening inrichtingskosten
Als een belanghebbende gedurende 36 aaneengesloten maanden volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan wordt het restant van de lening voor inrichtingskosten kwijtgescholden.
Paragraaf 2. Bijzondere kosten
Als de belanghebbende vanuit zijn zorgpolis een vergoeding ontvangt die lager is dan de vergoeding uit het uitgebreidste pakket via de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, dan wordt het verschil van deze vergoeding in mindering gebracht op de maximale bijzondere bijstand zoals genoemd in het tweede lid.
Artikel 23. Personenalarmering
Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de aansluitkosten en de abonnementskosten van personenalarmering, als deze om medische of sociale redenen noodzakelijk is en niet wordt vergoed vanuit een voorliggende voorziening.
Artikel 24. Reiskostenvergoeding
Een reiskostenvergoeding wordt verstrekt ter hoogte van de maximaal onbelaste kilometervergoeding zoals genoemd in artikel 31a lid 2 sub a van de Wet op de loonbelasting 1964.
Artikel 27. Voorwaarden woonkostentoeslag
Woonkosten horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Het uitgangspunt is dat algemene bijstand, in combinatie met huurtoeslag, voorziet in de woonkosten. In situaties waar een persoon een laag inkomen heeft, waarmee hij of zij in een bijzondere situatie niet financieel uitkomt, kan onder omstandigheden een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten.
Artikel 29. Hoogte woonkostentoeslag
Indien artikel 27 lid 4 van toepassing is, dan is de woonkostentoeslag gelijk aan 35% van het verschil tussen de werkelijke huur en de rekenhuur zoals genoemd in artikel 13 van de Wht. Het college maximeert de grens voor werkelijke huur waarover woonkostentoeslag kan worden verstrekt op 125% van de rekenhuur.
Hoofdstuk 3. Bijdrage collectieve zorgverzekering
Artikel 31. Rechthebbenden bijdrage collectieve zorgverzekering
De belanghebbende heeft recht op de bijdrage collectieve zorgverzekering als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.
Artikel 33. Hoogte bijdrage collectieve zorgverzekering
De bijdrage collectieve zorgverzekering is als volgt:
Hoofdstuk 4. Bijdrage eigen risico
Artikel 36. Bijdrage eigen risico
Het college ondersteunt belanghebbenden die chronisch ziek zijn en hierdoor jaarlijks het volledig eigen risico verbruiken met de bijdrage eigen risico. Inwoners worden geacht chronisch ziek te zijn wanneer zij drie aaneengesloten jaren het eigen risico volledig hebben verbruikt.
Artikel 37. Rechthebbenden bijdrage eigen risico
De belanghebbende heeft recht op de bijdrage eigen risico als de belanghebbende:
Artikel 38. Aanvraag bijdrage eigen risico
Als aan de belanghebbende in het voorgaande kalenderjaar al een bijdrage eigen risico is toegekend en de belanghebbende het daaropvolgende kalenderjaar een nieuwe aanvraag indient voor de bijdrage in dat kalenderjaar, dan hoeft de belanghebbende slechts aan te tonen dat het eigen risico voor dat laatste kalenderjaar volledig is verbruikt.
Artikel 39. Hoogte bijdrage eigen risico
De bijdrage eigen risico bedraagt 100% van het verplichte eigen risico van het jaar waarover de bijdrage eigen risico wordt aangevraagd.
Hoofdstuk 5. Activiteiten-, fiets- en laptopbijdrage
Artikel 41. Activiteitenbijdrage
Het college ondersteunt belanghebbenden met weinig financiële middelen om mee te kunnen doen met sportieve, culturele en schoolactiviteiten met de activiteitenbijdrage. Rechthebbenden kunnen deze bijdrage onder andere gebruiken voor de kosten van een lidmaatschap bij een sport- of muziekvereniging of bibliotheek, muzieklessen, sportkleding, schoolspullen, schoolreisjes, etc.. Dit heet de activiteitenbijdrage.
Artikel 42. Rechthebbenden activiteitenbijdrage
De belanghebbende heeft recht op de activiteitenbijdrage als de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.
Artikel 45. Beëindiging activiteitenbijdrage
Indien artikel 43 lid 3 sub b van toepassing is, dan wordt bij beëindiging van de algemene bijstand ook het recht op de activiteitenbijdrage beëindigd per het eerstvolgende kalenderjaar.
Het college ondersteunt belanghebbenden met weinig financiële middelen bij de aanschaf van een fiets voor kinderen. Dit heet de fietsbijdrage.
Het college ondersteunt belanghebbenden met weinig financiële middelen bij de aanschaf van een laptop voor kinderen. Dit heet de laptopbijdrage.
Hoofdstuk 6. Bijdrage gemeentelijke belastingen
Artikel 50. Bijdrage gemeentelijke belastingen
Het college helpt belanghebbenden met weinig financiële middelen bij het betalen van de gemeentelijke afvalstoffenheffing met de bijdrage gemeentelijke belastingen.
Artikel 51. Rechthebbenden gemeentelijke belastingen
De belanghebbende heeft recht op de bijdrage gemeentelijke belastingen als de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.
Artikel 52. Hoogte bijdrage gemeentelijke belastingen
De hoogte van de bijdrage is gelijk aan de aanslag die in het kalenderjaar van de aanvraag is opgelegd voor de gemeentelijke afvalstoffenheffing.
Artikel 54. Herzien en intrekken toekenning bijdrage gemeentelijke belastingen
De bijdrage gemeentelijke belastingen wordt herzien en ingetrokken als op verzoek van de belanghebbende op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 kwijtschelding wordt verleend van de aanslag afvalstoffenheffing.
Hoofdstuk 7. Overige en slotbepalingen
Het college kan overgaan tot herziening van het besluit en de ten onrechte verleende bijdragen terugvorderen als ten onrechte of een te hoog bedrag is verleend voor de bijdrage sport en cultuur, de bijdrage gemeentelijke belastingen, de bijdrage eigen risico of de bijdrage ontwikkelkansen.
Het college kan afwijken van deze nadere regels, als de nadere regels naar het oordeel van het college tot een niet gerechtvaardigde hardheid leidt.
Artikel 57. Onvoorziene omstandigheden
In gevallen waarin niet is voorzien in de uitvoering van deze nadere regels beslist het college.
De activiteitenbijdrage vervangt de bijdrage sport en cultuur. Als belanghebbenden de bijdrage sport en cultuur toegekend hebben gekregen op basis van eerdere verordeningen en beleidsregels, loopt dit recht met ingang van 1 januari 2026 over in het recht op de activiteitenbijdrage. Belanghebbenden die de bijdrage sport en cultuur voor onbepaalde tijd toegekend hebben gekregen, kunnen zodoende ook aanspraak maken op de verkorte aanvraag, zoals genoemd in artikel 3, voor andere inkomensondersteunende regelingen.
Aldus vastgesteld op 23 december 2025,
Burgemeester en wethouders van Nunspeet,
de secretaris, de voorzitter,
A. Heijkamp C.W.J. Blom
Toelichting op de nadere regels
Het college van B&W van de gemeente Nunspeet heeft besloten om nadere regels vast te stellen. De nadere regels vervangen eerder beleidsregels. In deze nieuwe nadere regels zijn verschillende voorgaande beleidsregels gebundeld in één document: Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026. Hierbij stapt het college niet alleen over naar een verzameldocument, maar ook van beleidsregels naar nadere regels. Dit is noodzakelijk, omdat het college aan nadere regels verplichtingen voor de inwoner kan verbinden (waar dit niet mogelijk is bij beleidsregels). Met deze nadere regels worden een aantal nieuwe regelingen vormgegeven (conform het Uitvoeringsplan Bestaanszekerheid en Schulden gemeente Nunspeet 2023). Om de regels goed te kunnen uitvoeren zijn nadere regels van meerwaarde ten opzichte van beleidsregels. Dit komt de rechtsgelijkheid voor de inwoner ook ten goede.
Met deze nadere regels wordt invulling gegeven aan de beleidsruimte van het college en wordt tegelijkertijd invulling gegeven aan de opdracht van de gemeenteraad om verschillende inkomensregelingen uit te werken en uit te voeren.
Voor artikelen die hier niet nader worden genoemd, geldt dat deze ongewijzigd of vergelijkbaar zijn ten opzichte van eerdere beleidsregels of geen verdere toelichting behoeven.
Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen
Het college kiest ervoor om het inkomen van kostendelers en personen wonend in een inrichting af te zetten tegen 120% van de normen zoals genoemd in artikel 20 tot en met 22 van de Participatiewet in plaats van de kostendelersnorm (artikel 22a Participatiewet) en de inrichtingsnorm (artikel 23 Participatiewet). De reden hiervoor is dat de kostendelersnorm is bedoeld om algemene kosten van het bestaan te kunnen delen. De kosten voor maatschappelijke deelname zit hier naar oordeel van het college niet in verweven. Daarom zou het niet terecht zijn de kostendelersnorm voor de inkomensondersteunende regelingen en de IIT te hanteren. Ditzelfde geldt voor inwoners in een inrichting.
Middelen gereserveerd voor een uitvaart worden niet in aanmerking genomen indien de inwoner deze specifiek heeft gereserveerd voor deze bestemming en niet vrijelijk over deze middelen kan beschikken. Denk hierbij aan een uitvaartdeposito of een uitvaartfonds. Deze middelen komen pas vrij na het overlijden. De inwoner kan deze middelen dus niet vooraf aanwenden.
Hoofdstuk 2 – Bijzondere bijstand
Het uitgangspunt is om bijzondere bijstand ‘om niet’ te verstrekken, behalve in de genoemde situaties in dit artikel.
De belanghebbende kan een bedrag vergoed krijgen van maximaal € 2.000,-- per drie kalenderjaren. Een voorbeeld: een belanghebbende doet op 10 juli 2026 een beroep op bijzondere bijstand voor tandartskosten. De bijzondere bijstand kan eens per drie kalenderjaren worden toegekend. Dit betekent dat de periode voor deze persoon loopt van 1 januari 2026 (het eerste kalenderjaar waarin de bijzondere bijstand wordt toegekend) tot en met 31 december 2028.
Het artikel biedt ruimte voor een vergoeding van tandartskosten voor belanghebbenden die niet verzekerd zijn via de uitgebreidste collectieve zorgverzekering via de gemeente. Op de maximale vergoeding wordt dan wel een bedrag in mindering gebracht, namelijk het verschil tussen de vergoeding uit de uitgebreidste gemeentelijke collectieve zorgverzekering en de eigen zorgpolis. Voorbeeld: de maximale vergoeding voor een behandeling in de collectieve zorgverzekering is € 1.000,--. De vergoeding uit de eigen zorgverzekering is € 250,--. Het verschil hiertussen is dus € 750,--. Dit wordt in mindering gebracht op de maximale vergoeding. De behandeling kost in totaal € 3.000,--. Maximaal zou er € 2.000,-- kunnen worden vergoed. Op dit bedrag wordt nog € 750,-- in mindering gebracht, dus de vergoeding voor de inwoner is in dit geval maximaal € 1.250,--.
De maximale bijzondere bijstand voor de kosten van een bril bedraagt maximaal € 350,-- per persoon per drie kalenderjaren. Dit bedrag volgt na een vergoeding vanuit de zorgverzekering. Voorbeeld: een belanghebbende (zonder draagkracht) heeft kosten voor een bril van in totaal € 400,--. Vanuit de zorgverzekering wordt € 100,-- vergoed. De bijzondere bijstand bedraagt dan nog maximaal € 200,--.
De vergoeding wordt eens per drie kalenderjaren verstrekt. Hierbij wordt aangesloten bij de systematiek die ook voor tandartskosten geldt. Zie voor een voorbeeld de toelichting op artikel 19.
De kosten voor een begrafenis of crematie behoren niet tot de kosten van de overledene, maar komen ten laste van de nalatenschap. Is het erfdeel niet toereikend om de kosten te kunnen voldoen? Dan kunnen erfgenamen individueel bijzondere bijstand aanvragen. Een voorbeeld: er zijn vier erfgenamen. De totale kosten voor de uitvaart bedragen € 5.000,--. Eén van de erfgenamen kan de kosten voor de uitvaart niet voldoen. Zijn deel van de kosten bedraagt € 5.000,-- / 4 =
€ 1.250,--. Voor dit deel kan deze persoon bijzondere bijstand ontvangen.
De hoogte van een lening voor duurzame gebruiksgoederen bedraagt 100% van de norm zoals genoemd in de NIBUD-prijzengids. Het college kiest voor 100% om te voorkomen dat inwoners een tweedehands witgoedapparaat aanschaffen met een beperkte levensduur (en op korte termijn opnieuw een beroep doen op bijzondere bijstand voor hetzelfde soort apparaat).
De lijst van witgoedapparaten is niet limitatief. Indien noodzakelijk kan het college voor andere apparaten bijstand in de vorm van een lening verstrekken.
De aanschaf van personenalarmering wordt bijna altijd vanuit de zorgverzekering vergoed. Dit geldt echter niet voor de aansluit- en abonnementskosten. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De bijzondere bijstand wordt in principe per kalenderjaar verstrekt, maar niet eerder dan het moment waarop de personenalarmering is aangesloten.
Een overbruggings- of inrichtingskrediet wordt alleen verstrekt als de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten en er geen voorliggende voorziening mogelijk is. Het inrichtingskrediet bedraagt 60% van de norm conform de NIBUD-prijzengids, omdat verwacht mag worden dat een deel van de goederen tweedehands kan worden aangeschaft. Het krediet is bedoelt voor alle kosten m.b.t. de inrichting van de woning (inclusief witgoed en stoffering).
Bij de woonkostentoeslag geldt dat de aanwezige draagkracht volledig moet worden meegerekend bij de vaststelling van de bijzondere bijstand. Voor de hoogte van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag (Wht). Dit betekent dat:
- de woonkostentoeslag kan worden toegekend vanaf de eerste dag van de eerstvolgende maand volgend op de maand van aanvraag;
- in het geval van huurkosten onder de maximale huurgrens in de Wht, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag bepaald aan de hand van het toetsingsinkomen van het huidige jaar, conform werkwijze van de Belastingdienst;
- de woonkostentoeslag wordt éénmaal per jaar vastgesteld;
- in het geval van een eigen woning worden de woonlasten bepaald als de som van de volgende lasten (rekenhuur):
• de onroerende zaakbelasting, eigenaarsgedeelte;
• een vast bedrag voor kosten van onderhoud van de woning en de centrale verwarmingsinstallatie (indien aanwezig).
Met de aansluiting van de woonkostentoeslagen bij de huurtoeslag, wordt tot uitdrukking gebracht dat woonlasten die boven de toeslaggrenzen uitgaan, voor bijstandsgerechtigden niet verantwoord worden geacht. Indien de bijstandsverlening een langdurig karakter krijgt, wordt een meer bij het inkomen passende huisvesting aangewezen geacht (verhuisplicht).
Voorwaarden bij woonlasten boven de grenzen zoals benoemd in de Wet op de huurtoeslag:
in het geval van een koopwoning betekent dit dat belanghebbende in ieder geval een (erkende) woningmakelaar heeft ingeschakeld die daadwerkelijk marktgerichte activiteiten ontplooit, de woning aanbiedt op de gebruikelijke woningwebsites, de woning aanbiedt voor een reële marktprijs waarbij in beginsel de meest recent vastgestelde WOZ-waarde als uitgangspunt dient en actief op zoek is naar goedkopere woonruimte. Belanghebbende schrijft zich ook in als woningzoekende bij de woningcorporatie en reageert regelmatig op het woningaanbod waarbij een verhuizing binnen de in lid 3 genoemde termijn mogelijk is.
Doordat bij de vaststelling van de woonkostentoeslag meer kostencomponenten zijn dan alleen de rente, krijgt iemand met een eigen woning minder voorlopige teruggaaf van de belastingdienst, dan de mensen met een huurtoeslag en dezelfde rekenhuur. Dit verschil kan worden hersteld met woonkostentoeslag. Derhalve wordt aan belanghebbenden de verplichting opgelegd aangifte in te dienen bij de Belastingdienst, zodat de (voorlopige) teruggave kan worden aangewend ter verrekening van de woonkostentoeslag.
Vanaf 1 januari 2026 wijzigt de Wht. Inwoners met een werkelijke huur boven de rekenhuur grens, komen nu ook in aanmerking voor huurtoeslag. De huurtoeslag wordt voor deze groep echter wel gemaximeerd op de grens van de rekenhuur. Voor dit deel is de huurtoeslag een voorliggende voorziening. Het deel van de huur tussen de werkelijke huur en boven de rekenhuur heet het ‘niet subsidiabele huurdeel’. Gemeenten hebben ruimte om voor dit deel beleid te ontwikkelen. Het college kiest er voor om, als de werkelijke huur hoger is dan de rekenhuur (en er sprake is van bijzondere omstandigheden), de woonkostentoeslag vast te stellen op 35% van dit verschil. Dit percentage komt overeen met de gemiddelde verhouding tussen huurtoeslag en huurkosten. Daarnaast kiest het college er voor om de woonkostentoeslag te maximeren aan de hand van een percentage van de rekenhuur.
Voorbeeld 1: Rekenhuur € 900,07, werkelijke huur € 1.100,--. De woonkostentoeslag bedraagt dan (€ 1.100,-- - € 900,07) * 35% = € 69,98 per maand.
Voorbeeld 2: Rekenhuur € 900,07, werkelijke huur € 1.300,--. De werkelijke huur is in dit geval hoger dan 125% van de rekenhuur. De woonkostentoeslag wordt daarom gemaximeerd op basis van de rekenhuur. 125% van de rekenhuur = 125% * € 900,07 = € 1.125,09. De woonkostentoeslag is daarom (€ 1.125,09 - € 900,07) * 35% = € 78,76 per maand.
Hoofdstuk 3 – Bijdrage collectieve zorgverzekering
De bijdrage wordt direct overgemaakt aan Zilveren Kruis Achmea (de aanbieder van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering).
De hercontroles voor de collectieve zorgverzekering worden in de periode juni – september uitgevoerd. Indien het recht stopt, dan wordt dit per het einde van het kalenderjaar beëindigd. De inwoner heeft hierdoor nog voldoende tijd om een nieuwe zorgverzekering af te sluiten tijdens de overstap-periode vanaf half november tot eind december. Wordt het recht voortgezet? Dan geldt het recht voor het gehele volgende kalenderjaar (omdat tussentijds overstappen naar een andere zorgverzekering niet mogelijk is).
De bijdrage collectieve zorgverzekering wordt voortgezet tot het einde van het kalenderjaar. Ook wanneer iemand tussentijds naar een andere gemeente verhuisd. De inwoner kan namelijk tussentijds niet wisselen van zorgverzekering en is mogelijk afhankelijk van een bijdrage die hiervoor tot het einde van het jaar doorloopt. Vanaf het volgende kalenderjaar kan een verhuisd persoon een beroep doen op een bijdrage in de verzekering bij de nieuwe woongemeente.
Hoofdstuk 4 – Bijdrage eigen risico
Belanghebbenden moeten minimaal drie jaar opeenvolgend het totaal wettelijk eigen risico hebben verbruikt. Vanaf het derde jaar komt deze inwoner ieder jaar opnieuw in aanmerking voor de bijdrage. Een voorbeeld: de belanghebbende heeft in 2024 niet het eigen risico verbruikt. Vanaf 2025, 2026 en 2027 heeft hij wel het volledig eigen risico verbruikt. Hij komt dan voor het eerst in aanmerking voor de bijdrage eigen risico in 2027 (het derde jaar waarin het eigen risico volledig is verbruikt). Ook in 2028 heeft hij het volledig eigen risico verbruikt. Hij komt dan opnieuw in aanmerking voor de bijdrage, omdat hij wederom drie opeenvolgende jaren het volledig eigen risico heeft verbruikt.
De aanvraag kan maximaal één kalenderjaar na het kalenderjaar waarin het eigen risico is verbruikt worden ingediend. Een voorbeeld: de belanghebbende heeft in 2026 zijn volledig eigen risico verbruikt. Hij kan dan een aanvraag voor de vergoeding van het jaar 2026 indienen in 2026 of 2027. Hiermee voorkomt het college dat inwoners niet meer in aanmerking komen wanneer de zorgverlener de facturen pas na overgang naar een nieuw kalenderjaar heeft verwerkt. Tegelijkertijd voorkomt het college dat er nog aanvragen worden ontvangen over veel eerdere kalenderjaren (met de financiële risico’s die daarbij horen).
De bijdrage eigen risico is bedoeld om inwoners met een laag inkomen te ondersteunen die chronisch ziek zijn. Het college gaat er hierbij van uit dat iemand die drie jaar op rij het volledig wettelijk eigen risico heeft verbruikt chronisch ziek is. Door deze aanname hoeft de inwoner geen medische documenten of verklaringen te overleggen.
Hoofdstuk 5 – Activiteiten-, fiets- en laptopbijdrage
Met deze Nadere regels wordt de ‘bijdrage sport en cultuur’ gewijzigd in de ‘Activiteitenbijdrage’. In de activiteitenbijdrage wordt vanaf heden een bedrag opgenomen dat inwoners kunnen besteden voor o.a. schoolspullen en/of schoolreisjes. De titel activiteitenbijdrage dekt de lading daarom beter dan ‘bijdrage sport en cultuur’.
De activiteiten,- fiets- en laptopbijdragen zijn een uitwerking van het Uitvoeringsplan Bestaanszekerheid en Schulden gemeente Nunspeet 2023. Hierin is opgenomen dat er een regeling komt die kinderen ondersteunt bij hun ontwikkeling (via Stichting Leergeld). Het college kon door omstandigheden echter niet aansluiten bij bestaande lokale afdelingen Leergeld, waardoor het een eigen aanpak heeft ontwikkeld voor het ondersteunen van de ontwikkeling van kinderen in de vorm van de activiteiten-, fiets en laptopbijdrage. Deze zijn zodoende ook alleen beschikbaar voor kinderen.
De bijdrage sport en cultuur bedroeg tot en met 2025 € 350,-- per jaar per kind. Dit bedrag wordt vanaf 2026 met € 50,-- per jaar opgehoogd voor kinderen in de activiteitenbijdrage. Deze ophoging betreft de toevoeging van een component voor schoolspullen en schoolactiviteiten.
Er wordt onderscheid gemaakt in de fietsbijdragen per leeftijdscategorie. Kinderen in de leeftijd 4 tot 11 jaar groeien sneller dan kinderen van 12 tot 18 jaar. Daarom kunnen kinderen in de jongste leeftijdscategorie vaker een beroep doen op een bijdrage voor een fiets.
Het college kiest ervoor om inwoners die een inrichtingskrediet hebben ontvangen in de eerste vijf jaar ná dit toekenningsbesluit geen laptopbijdrage te verstrekken, omdat een laptop onderdeel is van dit inrichtingskrediet. Hiermee voorkomt het college een dubbele verstrekking.
De fietsbijdrage is afhankelijk van de leeftijd van het kind, omdat jongere kinderen kleinere en dus goedkopere fietsen, nodig hebben. De bedragen zijn gebaseerd op 60% van de NIBUD-norm (2025), omdat verwacht mag worden dat de ouder ook kijkt of een tweedehandsfiets mogelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat het een fiets- en laptopbijdrage betreft. Als de ouder een duurdere fiets wil kopen, dan staat hem dat vrij. De meerkosten betaalt hij in dat geval zelf. Voor de laptop wordt aangesloten bij 100% van de NIBUD-norm (2025). Het college gaat uit van een afschrijving na vijf jaar. Dit is alleen mogelijk als er sprake is van een nieuw aangeschafte laptop.
Omdat het om een relatief grote aankoop gaat én om mensen die vaak weinig financiële buffer hebben, wordt het bedrag in één keer overgemaakt op de rekening van de inwoner. De inwoner hoeft hiervoor geen aankoopbewijzen te overleggen, omdat voorschieten voor deze groep vaak lastig is. Doordat de inwoner wel altijd zelf een beroep moet doen op de bijdragen en moet aangeven voor welk kind het besteed wordt, zal de kans op oneigenlijk gebruik van de regeling klein zijn.
Hoofdstuk 6 – Bijdrage gemeentelijke belastingen
Er is overwogen de hoogte van de bijdrage vast te stellen naar rato van het aantal nog resterende kalendermaanden van het jaar. Toch is er gekozen voor een toekenning per kalenderjaar. Dit vanwege uitvoeringstechnische redenen. De regeling moet laagdrempelig beschikbaar zijn. Het is lastig de regeling uit te leggen wanneer de bijdrage naar rato zou worden toegekend. Daarbij zou het college ook het risico lopen dat het college een deel van de belastingaanslag zou betalen en de inwoner nog een (klein) deel zelf zou moeten betalen. Hierop zou de inwoner dan vervolgens weer aanmaningen kunnen krijgen, terwijl hij denkt dat de belastingen reeds zijn voldaan. Dit is een onwenselijk effect. Er is daarom gekozen voor een simpele en duidelijke uitvoering door de hoogte van de bijdrage vast te stellen overeenkomst de hoogte van de opgelegde aanslag voor de afvalstoffenheffing. Ook wanneer de toekenning pas op een later moment in het jaar plaatsvindt.
Hoofdstuk 7 – Overige en slotbepalingen
De grondslagen voor terugvorderingen voor bijzondere bijstand en de bijdrage collectieve zorgverzekering zijn niet opgenomen in deze nadere regels, omdat de grondslagen hiervoor al zijn opgenomen in de Participatiewet.
Iedereen die vóór 2026 een doorlopend recht heeft op de bijdrage sport en cultuur, wordt vanaf 2026 geacht een doorlopend recht op de activiteitenbijdrage te hebben. De activiteitenbijdrage vervangt immers de bijdrage sport en cultuur.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-15029.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.