Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen om het gehanteerde inkomensbegrip in overeenstemming te brengen met de uitvoering en in verband met het verhogen van de vermogensgrens voor pensioengerechtigden (Wijzigingsbesluit beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen inkomensbegrip en vermogensgrens)

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

 

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 108 van de Gemeentewet

 

besluit:

Artikel I  

De beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen worden als volgt te gewijzigd:

 

A

 

De tekst van Intitulé komt te luiden:

Beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen gemeente Amsterdam

 

B

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen, eerste lid, onder n, komt te luiden:

 

  • n)

    WML: bruto wettelijk minimumjaarloon berekend met het wettelijk minimumloon per uur bij een 36-urige werkweek, inclusief 8% vakantiegeld, zoals vastgesteld door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 1 juli in het Refertejaar;

C

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen, tweede lid, komt te luiden:

  • 2.

    Voor zover niet anders bepaald, worden de begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet zoals die op de Peildatum golden.

D

 

Artikel 4 Voorwaarden voor verstrekking, eerste lid, onder d, komt te luiden:

  • d)

    De Oudere dient op de Peildatum niet over een vermogen te hebben beschikt dat hoger was dan het op de Peildatum geldende bedrag ingevolge artikel 34, lid 3, Participatiewet, met een verhoging van dit bedrag, namelijk:

    • a.

      voor een alleenstaande: € 2.500 erbij;

    • b.

      voor een alleenstaande ouder: € 5.000 erbij;

    • c.

      voor gehuwden tezamen: € 5.000 erbij.

  • Of op de datum van aanvraag in geval van een minnelijke schuldregeling, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, een schuldregeling van een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie of een inkomen dat heeft geleid tot de verstrekking van voedselpakketten door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland;

E

 

Artikel 4 Voorwaarden voor verstrekking, eerste lid, onder e, komt te luiden:

  • e)

    de Oudere dient over het Refertejaar over een minimuminkomen te beschikken, zoals bedoeld in artikel 6;

F

 

Artikel 4 Voorwaarden voor verstrekking, tweede lid, komt te luiden:

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor een voorziening zoals genoemd in artikel 3.2 van deze beleidsregels gelden naast de voorwaarden genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met e, de volgende nadere voorwaarden:

    • -

      de oudere dient te beschikken over een AOV pas met een indicatie zoals beschreven in de Wmo verordening van de gemeente Amsterdam en de daarbij horende nadere regels.

G

 

Artikel 6 Inkomensbepalingen, komt te luiden:

 

  • 1.

    Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden op de Peildatum de volgende doelgroepen onderscheiden:

    • a)

      de alleenstaande;

    • b)

      de alleenstaande (pleeg)ouder met een kind jonger dan 18 jaar;

    • c)

      de gehuwden of daaraan gelijkgestelden (met kinderen).

  • 2.

    Onder een minimuminkomen wordt verstaan:

    • a)

      voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden (met kinderen): een fiscaal gezinsinkomen, dat minder dan, of gelijk is aan, 130% van het WML;

    • b)

      voor alleenstaande (pleeg)ouders: een fiscaal inkomen, dat minder dan, of gelijk is aan, 90 % van het fiscaal gezinsinkomen bedoeld onder a;

    • c)

      voor alleenstaanden: een fiscaal inkomen, dat minder dan, of gelijk is aan 73,35 % van het fiscaal gezinsinkomen bedoeld onder a;

  • 3.

    In afwijking van lid 2, wordt onder minimuminkomen verstaan:

    Een fiscaal inkomen dat hoger is dan het minimuminkomen, bedoeld in het tweede lid, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Kredietbank Amsterdam, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een schuldregeling bij een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie, of een inkomen op grond waarvan op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland voedselpakketten worden verstrekt door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken aan het betreffende huishouden.

  • 4.

    Indien door wijziging in de gezinssituatie van de aanvrager in de loop van het refertejaar twee of meer minimuminkomensniveaus van toepassing zijn, stelt het college naar evenredigheid een individueel minimuminkomensniveau vast.

  • 5.

    Indien over een refertejaar of een deel daarvan, een inkomenstoets in het kader van een gemeentelijke regeling heeft plaatsgevonden en daarbij is vastgesteld dat het inkomen niet hoger is dan het relevante minimuminkomen, kan het college besluiten dat het inkomen over (dat deel van) de referteperiode niet opnieuw wordt getoetst.

  • 6.

    Het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan het refertejaar is van toepassing indien de gegevens over het refertejaar redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. Hetzelfde geldt voor het vermogensniveau op de peildatum.

Artikel II  

De toelichting bij de Beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

Aan de Toelichting - Algemeen wordt aan het einde de volgende zin toegevoegd:

De inkomens- en vermogensnormen gelden voor alle voorzieningen voor Amsterdamse burgers met een minimuminkomen. De jaarlijks vastgestelde bedragen, die in de uitvoering worden gebruikt, staan vermeld op de website: Wat is een laag inkomen en weinig vermogen | Gemeente Amsterdam.

 

B

 

De toelichting bij artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

 

In het verlengde van het gratis OV is de tegemoetkoming voor ouderen die gebruik maken van het Aanvullend openbaar vervoer en een indicatie, zoals afgegeven op grond van de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (Wmo), vastgesteld.

 

Het Aanvullend openbaar vervoer bevat een aantal vervoersoorten. Voor alle vormen van vervoer is het aanvragen van een AOV-pas noodzakelijk.

 

De tegemoetkoming wordt gegeven in de vorm van uitbetaling van een eenmalig geldbedrag per kalenderjaar. Dit is administratief een eenvoudige manier van compenseren. De vergoeding wordt verstrekt in het kader van het gebruik van het AOV maar is niet direct gekoppeld aan daadwerkelijk gemaakte ritten.

 

C

 

De toelichting bij artikel 4, eerste lid, onder d, komt als volgt te luiden:

 

Het college is in de aangenomen motie van raadsleden Bouhassani (PvdA), Yemane (GroenLinks) en Veldhuyzen (Lijst Ahmadi-Veldhuyzen) van 28 februari 2024 gevraagd om te onderzoeken hoe de vermogensgrens voor de stadspas voor AOW-gerechtigden verhoogd kan worden en hierover te rapporteren aan de raad. De aangenomen motie heeft geleid tot een verhoging van de vermogensgrens voor AOW-gerechtigden.

 

De bedragen van artikel 34, derde lid, Participatiewet vormen het uitgangspunt voor de vermogensgrens. Voor minima die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, is een hoger vermogen van toepassing. Voor een alleenstaande is het maximaal toegestane vermogen € 2.500 meer dan de vermogensgrens uit de Participatiewet, voor een alleenstaande ouder en voor gehuwden gezamenlijk is het toegestane vermogen € 5.000 meer dan de vermogensgrens uit de Participatiewet.

 

D

 

De toelichting bij artikel 6 komt als volgt te luiden:

 

De berekening van het minimuminkomen, dat geldt voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden, is de uitgangsnorm. Het minimuminkomen dat geldt voor alleenstaande ouders en alleenstaanden wordt hiervan afgeleid. De berekende bedragen worden afgerond.

 

Eerder gold een andere systematiek om jaarlijks de toepasselijke normbedragen te bepalen, namelijk op basis van de brutobedragen voor een IOAW-uitkering. Vanaf de overgang naar de huidige systematiek die gebaseerd is op het wettelijk minimumloon, zijn de genoemde percentages gehanteerd zodat van jaar tot jaar sprake was van een doorlopende ontwikkeling van de het toepasselijk minimuminkomen.

Artikel III  

Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel III  

Dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen inkomensbegrip en vermogensgrens.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 maart 2026.

De burgemeester

Femke Halsema

De gemeentesecretaris

Catrien Lenstra

Toelichting

De definities van de Beleidsregels vervoersvoorzieningen minimaouderen worden gewijzigd om het gehanteerde inkomensbegrip in overeenstemming te brengen met de uitvoering en in verband met het verhogen van de vermogensgrens voor pensioengerechtigden.

De jaarlijks vastgestelde bedragen, die in de uitvoering worden gebruikt, staan vermeld op de website: Wat is een laag inkomen en weinig vermogen | Gemeente Amsterdam.

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting

Artikel 1 begripsomschrijvingen

  • 1.n.

    WML: wettelijk minimum loon

Artikel 1 begripsomschrijvingen

  • 1.n.

    WML: bruto wettelijk minimumjaarloon berekend met het wettelijk minimumloon per uur bij een 36-urige werkweek, inclusief 8% vakantiegeld, zoals vastgesteld door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 1 juli in het Refertejaar;

Dit betreft een verduidelijking van het begrip wettelijk minimum loon.

Artikel 1 begripsomschrijvingen

  • 2.

    Voor zover niet anders bepaald, worden de begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand of de Participatiewet zoals die op de Peildatum golden.

Artikel 1 begripsomschrijvingen

  • 2.

    Voor zover niet anders bepaald, worden de begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet zoals die op de Peildatum golden.

Actualisering, de Wet werk en bijstand bestaat niet meer.

Artikel 4 Voorwaarden voor verstrekking

  • 1.d)

    De Oudere dient op de Peildatum niet over een vermogen te hebben beschikt dat hoger was dan het op de peildatum geldende bedrag ingevolge artikel 34 lid 3 Participatiewet, of op de datum van aanvraag in geval van een minnelijke schuldregeling, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, een schuldregeling van een door de gemeenteaangewezen of gemandateerde instantie of een inkomen dat heeft geleid tot de verstrekking van voedselpakketten door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland;

  • 1.e)

    de Oudere dient over het Refertejaar over een minimuminkomen te beschikken genoemd in artikel 6 van deze beleidsregels, of op de datum van aanvraag in geval van een minnelijke schuldregeling, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, een schuldregeling van een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie of een inkomen dat heeft geleid tot de verstrekking van voedselpakketten door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor een voorziening zoals genoemd in artikel 3.2 van deze beleidsregels gelden naast de voorwaarden genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met e, de volgende nadere voorwaarden:

  • 3.a)

    de oudere dient te beschikken over een AOV pas met een indicatie voor één van de drie volgende vervoerssoorten, zoals beschreven in de Wmo verordening van de gemeente Amsterdam en de daarbij horende nadere regels:

    • -

      Deur tot deur Samenreizend vervoer (DTDS),

    • -

      Deur tot deur Plusvervoer (DTDP),

    • -

      Kamer tot kamervervoer (KTK).

Artikel 4 Voorwaarden voor verstrekking

  • 1.d)

    De Oudere dient op de Peildatum niet over een vermogen te hebben beschikt dat hoger was dan het op de Peildatum geldende bedrag ingevolge artikel 34, lid 3, Participatiewet, met een verhoging van dit bedrag, namelijk:

    • a.

      voor een alleenstaande: € 2.500 erbij;

    • b.

      voor een alleenstaande ouder: € 5.000 erbij;

    • c.

      voor gehuwden tezamen: € 5.000 erbij.

  • Of op de datum van aanvraag in geval van een minnelijke schuldregeling, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, een schuldregeling van een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie of een inkomen dat heeft geleid tot de verstrekking van voedselpakketten door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland;

  • 1.e)

    de Oudere dient over het Refertejaar over een minimuminkomen te beschikken, zoals bedoeld in artikel 6;

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor een voorziening zoals genoemd in artikel 3.2 van deze beleidsregels gelden naast de voorwaarden genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a tot en met e, de volgende nadere voorwaarden:

    • -

      de oudere dient te beschikken over een AOV pas met een indicatie zoals beschreven in de Wmo verordening van de gemeente Amsterdam en de daarbij horende nadere regels.

  • 1.d)

    De bedragen van artikel 34, derde lid, Participatiewet vormen het uitgangspunt voor de vermogensgrens. Voor minima die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, is een hoger vermogen van toepassing. Voor een alleenstaande is het maximaal toegestane vermogen € 2.500 meer dan de vermogensgrens uit de Participatiewet, voor een alleenstaande ouder en voor gehuwden gezamenlijk is het toegestane vermogen € 5.000 meer dan de vermogensgrens uit de Participatiewet.

  • 1.e)

    Herhaling eruit gehaald. Voorwaarde staat ook in artikel 5.

  • 2.

    Dit artikellid is geactualiseerd en een verschrijving gecorrigeerd.

Artikel 6 Inkomensbepalingen

  • 1.

    Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden op Peildatum de volgende doelgroepen onderscheiden:

    • a)

      alleenstaanden die op de aanvraagdatum de Pensioengerechtigde leeftijd hebben;

    • b)

      alleenstaande ouders met de Pensioengerechtigde leeftijd met een ten laste komend kind jonger dan 18 jaar;

    • c)

      gehuwden of daaraan gelijkgestelden die beiden de Pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt

    • d)

      gehuwden of daaraan gelijkgestelden waarvan een partner de Pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

  • 2.

    Onder een minimuminkomen wordt verstaan:

    • a)

      een fiscaal gezinsinkomen, dat minder dan of gelijk is aan 130% van het bruto WML voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden of;

    • b)

      een afgeleid percentage van het WML voor alleenstaanden of alleenstaande ouders dat elk half jaar door de directeur Inkomen wordt vastgesteld;

    • c)

      voor personen met de Pensioengerechtigde leeftijd, 130% van de AOW norm, of,

    • d)

      een fiscaal (gezins-)inkomen dat hoger is dan 130% van die normen, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Gemeentelijke Kredietbank, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een schuldregeling bij een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie, of een inkomen op grond waarvan op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland voedselpakketten worden verstrekt door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken aan het betreffende huishouden.

  • 3.

    In het Refertejaar zijn 2 toetsinkomens van toepassing:

    • a)

      voor huishoudens met de Pensioengerechtigde leeftijd het inkomen zoals vermeld in artikel6, het tweede lid onder b of c;

    • b)

      voor huishoudens onder de Pensioengerechtigde leeftijd het inkomen zoals vermeld in artikel 6 het tweede lid onder a of c;

    • c)

      voor gezinnen, waarvan de ene partner op datum aanvraag de Pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, maar de andere nog niet, zal het hoogste toetsinkomen worden toegepast.

  • 4.

    Indien door wijziging in de gezinssituatie ten aanzien van de aanvrager in de loop van het Refertejaar twee of meer minimuminkomensniveaus van toepassing zijn, stelt het College naar evenredigheid een individueel minimuminkomensniveau vast.

  • 5.

    Indien reeds over (een deel van) het Refertejaar een inkomenstoets in het kader van een gemeentelijke regeling heeft plaatsgevonden en daarbij is vastgesteld dat het inkomen niet hoger is dan het relevante toetsbedrag, kan het College besluiten dat het inkomen over (dat deel van) het Refertejaar niet opnieuw wordt getoetst.

  • 6.

    Het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan het refertejaar is van toepassing indien de gegevens over het refertejaar redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. Hetzelfde geldt voor het vermogensniveau op de peildatum.

Artikel 6 Inkomensbepalingen

  • 1.

    Voor het bepalen van de hoogte van het inkomen worden op de Peildatum de volgende doelgroepen onderscheiden:

    • a)

      de alleenstaande;

    • b)

      de alleenstaande (pleeg)ouder met een kind jonger dan 18 jaar;

    • c)

      de gehuwden of daaraan gelijkgestelden (met kinderen).

  • 2.

    Onder een minimuminkomen wordt verstaan:

    • a)

      voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden (met kinderen): een fiscaal gezinsinkomen, dat minder dan, of gelijk is aan, 130% van het WML;

    • b)

      voor alleenstaande (pleeg)ouders: een fiscaal inkomen, dat minder dan, of gelijk is aan, 90 % van het fiscaal gezinsinkomen bedoeld onder a;

    • c)

      voor alleenstaanden: een fiscaal inkomen, dat minder dan, of gelijk is aan 73,35 % van het fiscaal gezinsinkomen bedoeld onder a;

  • 3.

    In afwijking van lid 2, wordt onder minimuminkomen verstaan:

    Een fiscaal inkomen dat hoger is dan het minimuminkomen, bedoeld in het tweede lid, maar waarvan dat meerdere is aangewend ter aflossing van een schuldenlast in het kader van een minnelijke schuldregeling bij de Kredietbank Amsterdam, een opgelegde schuldregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of een schuldregeling bij een door de gemeente aangewezen of gemandateerde instantie, of een inkomen op grond waarvan op basis van de daarvoor geldende toekenningscriteria van Voedselbank Nederland voedselpakketten worden verstrekt door Voedselbank Amsterdam of Voedselbank Gooi en Omstreken aan het betreffende huishouden.

  • 4.

    Indien door wijziging in de gezinssituatie van de aanvrager in de loop van het refertejaar twee of meer minimuminkomensniveaus van toepassing zijn, stelt het college naar evenredigheid een individueel minimuminkomensniveau vast.

  • 5.

    Indien over een refertejaar of een deel daarvan, een inkomenstoets in het kader van een gemeentelijke regeling heeft plaatsgevonden en daarbij is vastgesteld dat het inkomen niet hoger is dan het relevante minimuminkomen, kan het college besluiten dat het inkomen over (dat deel van) de referteperiode niet opnieuw wordt getoetst.

  • 6.

    Het inkomensniveau in het jaar voorafgaand aan het refertejaar is van toepassing indien de gegevens over het refertejaar redelijkerwijs niet beschikbaar zijn. Hetzelfde geldt voor het vermogensniveau op de peildatum.

De berekening van het minimuminkomen, dat geldt voor gehuwden of daaraan gelijkgestelden, is de uitgangsnorm. Het minimuminkomen dat geldt voor alleenstaande ouders en alleenstaanden wordt hiervan afgeleid.

 

Eerder gold een andere systematiek om jaarlijks de toepasselijke normbedragen te bepalen, namelijk op basis van de brutobedragen voor een IOAW-uitkering. Vanaf de overgang naar de huidige systematiek die gebaseerd is op het wettelijk minimumloon, zijn de genoemde percentages gehanteerd zodat van jaar tot jaar sprake was van een doorlopende ontwikkeling van de het toepasselijk minimuminkomen.

 

Naar boven