Gemeenteblad van Heumen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heumen | Gemeenteblad 2026, 149233 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heumen | Gemeenteblad 2026, 149233 | beleidsregel |
Handboek Inrichting Openbare Ruimte HIOR gemeente Heumen
Het HIOR is het Handboek Inrichting Openbare Ruimte van gemeente Heumen. Dit handboek geeft richtlijnen voor het inrichten van straten, pleinen en groen in de gemeente. Het handboek is bedoeld voor iedereen die aan projecten in de openbare ruimte werkt. Dit kan gaan om nieuwe bouwprojecten, onderhoud van bestaande straten en wegen of het herinrichten van een plein.
1.1.1 Waarom hebben we het HIOR?
De gemeente Heumen heeft een Omgevingsvisie. In deze visie staat wat de gemeente in de toekomst wil bereiken. Het HIOR helpt deze visie werkelijk te maken. Het vertaalt ambities en doelen in praktische regels en richtlijnen. Op deze manier zorg je ervoor dat:
Het HIOR is bestemd voor iedereen die betrokken is bij het ontwerpen, plannen en onderhouden van openbare ruimte in gemeente Heumen: planners, ontwerpers, projectleiders, bestuurders, beleidsmedewerkers, beheerders en uitvoeringsorganisaties.
1.1.3 Waar draagt het HIOR aan bij?
Het HIOR draagt bij aan zes belangrijke doelen van gemeente Heumen:
Het HIOR geeft twee soorten informatie:
Dit maakt het HIOR praktisch: het geeft houvast, maar laat ook ruimte voor creativiteit en oplossingen die passen bij de buurt.
Het HIOR geeft richtlijnen en eisen, maar kan niet alles regelen. De gemeente kan altijd besluiten om ervan af te wijken, bijvoorbeeld vanwege bijzondere omstandigheden. Voor vragen kun je contact opnemen met de gemeente Heumen.
1.1.6 HIOR als kader en ondergrens
Het HIOR is geen beperkend product. Het schrijft niet voor: zo moet het, niet anders. Het is eerder een kompas: dit is waar we heen willen. Het HIOR schrijft ook niet voor: dit is alles wat je moet weten. Er is ook ander beleid, andere regelgeving en andere richtlijnen. Het HIOR verbindt deze. Het geeft aan welke onderdelen van welke regelgeving relevant zijn.
Het HIOR is een systematiek. Het geeft aan:
Het HIOR stelt ondergrenzen vast. Dit is het minimum dat we eisen. Alles hoger dan dit minimum is welkom. De gestelde eisen geven gemeentelijke grip en sturing. Het HIOR beschrijft ook waar er ruimte is, zodat meerwaarde kan worden toegevoegd. Dat kan vaak zonder dat het meer geld kost. Die vrijheid geven we graag, als de eindkwaliteit maar goed is.
Soms kan het niet zoals het moet. De bestaande omgeving stelt grenzen. Of een idee is beter dan wat in het HIOR staat. In die gevallen mag je afwijken. Maar je moet het dan verantwoorden en onderbouwen. Je moet kunnen zeggen: we doen het anders, en dit is waarom. Die afwijking moet in overleg met de gemeente en met instemming ervan gebeuren. Dit voorkomt dat het HIOR routinematig genegeerd wordt, maar het voorkomt ook verstikking. Er is ruimte voor lokale (situationele?) creativiteit, zolang het goed doordacht en verantwoord is.
Deze leeswijzer helpt u door het Handboek Inrichting Openbare Ruimte (HIOR) van de gemeente Heumen te navigeren. Afhankelijk van uw rol en doel kunt u hier zien welke hoofdstukken voor u relevant zijn.
Het HIOR bestaat uit zes hoofdstukken die een logisch verband hebben:
Start hier als u het HIOR voor het eerst gebruikt. Dit hoofdstuk legt uit wat het doel van het handboek is, hoe u het kunt gebruiken en wat de grenzen ervan zijn.
H2: Proces en projectmatig werken
Dit hoofdstuk beschrijft hoe u projecten stap voor stap aanpakt in Heumen. Het behandelt:
Lees dit hoofdstuk: Als u een project start of wilt weten hoe het proces verloopt.
H3: Thematische ambities en randvoorwaarden
Dit is het hart van het HIOR. Het beschrijft wat Heumen nastreeft op zes belangrijke thema's:
Voor elk thema geldt: hoe hoog wilt u de ambities leggen? Dit bepaalt wat u daarna concreet doet.
Lees dit hoofdstuk: Voor het bepalen van de koers van uw project en het maken van beleidskeuzes.
H4: Inrichtingseisen per onderdeel
Dit hoofdstuk vertaalt de ambities uit H3 in concrete normen en richtlijnen. Per onderdeel (zoals riolering, verhardingen, groen) staat beschreven wat u moet doen. Dit is het "wat" van de inrichting.
Lees dit hoofdstuk: Als u concrete ontwerpkeuzes moet maken.
H5: Materialisatie en operationele eisen
Dit hoofdstuk gaat dieper in op hoe dingen er uitzien en functioneren. Het beschrijft materiaalkeuzes, afmetingen, kwaliteitseisen en onderhoudsvereisten per onderdeel. Dit is het "hoe" van de inrichting.
Lees dit hoofdstuk: Bij het detailontwerp en als u wilt weten welke materialen geschikt zijn.
H6: Werkafspraken en richtlijnen per onderdeel
Dit hoofdstuk beschrijft hoe u samenwerkt en welke plannen u wanneer moet indienen (zoals inrichtingsplan, waterhuishoudkundig- en rioleringsplan, afvalinzamelingsplan, mobiliteitsplan, groenplan e.d.). De werkafspraken zorgen ervoor dat alle betrokkenen op dezelfde golflengte zitten.
Lees dit hoofdstuk: Doorlopend in uw project, vooral aan het begin en bij overgangen naar een volgende fase.
1.2.2 Leesroutes naar onderwerp
Ik ben bestuurder/beleidsmaker
Ik leg openbare ruimte aan (het betreft aanbrengen van nieuwe inrichting of herinrichting)
Snelle vragen? Gebruik de index/inhoudsopgave
Per onderdeel (riolering, groen, verlichting, etc.) zijn de hoofdstukken 4, 5 en 6 parallel opgebouwd. Dit maakt het gemakkelijk om snel het antwoord te vinden op vragen als:
1.3 Het HIOR in de omgevingswet
1.3.1 Omgevingswet en samenhang
Om de zaken in de fysieke leefomgeving te regelen waren er tot 1 januari 2024 zo’n 40 wetten, 120 Algemene Maatregelen van Bestuur en een paar honderd ministeriële regelingen in werking. Om activiteiten in de fysieke leefomgeving te initiëren moest veel administratief geregeld worden, op diverse bureaus van diverse bestuursorganen.
De omgevingswet is een bundeling van bestaande wet- en regelgeving, waardoor de processen efficiënter moeten verlopen en ruimte wordt geboden voor ontwikkeling en de kwaliteit van de leefomgeving.
Binnen de omgevingswet zijn zo veel producten gebundeld, dat het overzicht soms verloren kan gaan. In figuur 1 is een diagram te zien van de samenhang van producten binnen de omgevingswet.
Figuur 1: samenhang Omgevingswet en verdere uitwerkingen tot aan het HIOR als beleidsregel
Het belangrijkste zijn de Omgevingsvisie en de programma’s die hieruit voortvloeien. De omgevingsvisie is een gemeentebreed document met daarin de strategische langetermijnvisie. Dit is de hoofdlijn voor het toekomstig beleid, waarin de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de voorgenomen ontwikkelingen in het gebruik, beheer, behoud en bescherming van de leefomgeving.
Uit de Omgevingsvisie ontstaan programma’s. Dit is een breed scala aan documenten, wat veel verschillende kanten op kan gaan. Het voornaamste doel van de programma’s is invulling geven aan de uitwerking van de ambities, doelen en opgaven uit de visie.
Figuur 2: Uitwerking Omgevingswet in gemeentelijk beleid - Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma’s
1.3.3 Positie van een HIOR in de Omgevingsvisie en Programma’s
Het HIOR wordt binnen de Omgevingswet vormgegeven als een beleidsregel, niet als een programma. Vaak wordt het HIOR omschreven als een instrument binnen een programma, waarbij de nadruk ligt op inrichtingseisen en operationele normen. In Heumen gaat het echter verder: naast deze technische eisen worden ook de wensen en waarden uit de Omgevingsvisie en het IBOR geïntegreerd.
Figuur 3: Het HIOR als beleidsregel in het stelsel van Heumen
Door deze verbreding sluit het HIOR direct aan bij de visie van de gemeente en geeft het invulling aan de hoofdambities en leidende principes. Het succes van het HIOR ligt in de combinatie van heldere technische kaders en flexibiliteit voor gebiedseigen kenmerken. De beleidsregel is daarom niet alleen normstellend, maar ook richtinggevend voor een duurzame en kwalitatieve inrichting van de openbare ruimte.
2 Proces en Projectmatig werken
De openbare ruimte in Heumen verandert voortdurend. Nieuwe woningen worden gebouwd, bestaande wijken worden vernieuwd en de gemeente onderhoud dagelijks haar straten, pleinen en groenstroken. Al deze veranderingen beginnen met ideeën en eindigen met nieuwe openbare ruimte die tientallen jaren wordt gebruikt én onderhouden. Dat moment waarop iets nieuws in gebruik wordt genomen, noemen we de Overdracht.
Tussen het eerste idee en die oplevering liggen meerdere fasen. In elke fase worden keuzes gemaakt. Dit hoofdstuk geeft aan hoe we die keuzes willen organiseren in Heumen. Het planproces is daarvoor onze kapstok. Dat betekent dat op bepaalde momenten in het proces besluiten worden genomen. Deze besluiten geven richting aan de vervolguitwerking. Het HIOR biedt voor die momenten criteria en handvatten. Voor elk initiatief worden op maat afspraken gemaakt over wat nodig is om te komen tot een vastgesteld plan en een goede oplevering.
2.1 Plan- en besluitvormingsproces
2.1.1 De fasen van het planproces
Elk project volgt dezelfde basale fasering. Het begint met een idee en eindigt met oplevering en overdracht naar beheer:
We maken onderscheid in twee soorten projecten. Het soort project bepaalt wie de besluiten neemt:
Bestuurlijke projecten worden rechtstreeks gestuurd door het college van B&W. Dit zijn vaak de grotere projecten met grote maatschappelijke betekenis, of projecten van externe initiatiefnemers. In deze projecten neemt het college de startbeslissing. Bij vaststelling van het ontwerp beslist het college opnieuw.
Lijnprojecten zijn interne projecten van de gemeente, meestal ingepast in de begroting. Zij worden geleid door vakafdelingen. De vervolgbesluiten nemen afdelingshoofden.
2.2 Waardengedachtegoed in plaats van alleen normen en eisen
2.2.1 De rol van ambities en waarden
Tot nu toe hanteren veel handboeken vooral regels: zo moet het, niet anders. Dit kan knellend werken, vooral in de bestaande kernen waar vaak geldt: “Het kan niet zoals het moet, dus moet het zoals het kan”. Maar er is een ander risico: alleen normen vastleggen kan ervoor zorgen dat we net halen wat we moeten, maar dat we niet verder gaan dan dat minimum. We blijven binnen de lijntjes, in plaats van te streven naar beter.
Daarom beginnen we in Heumen anders. We vragen initiatiefnemers niet alleen naar normen en eisen, maar eerst naar hun visie op waarden. Welke waarden willen jullie realiseren in dit gebied? Waar gaan jullie voor? We geven aan welke waarden de gemeente belangrijk vindt – klimaatbestendig, gezond, inclusief, groen – en vragen: hoe zien jullie dat voor dit project?
Dit werkt twee kanten op. Aan de ene kant: het geeft ruimte. Een ontwikkelaar hoeft niet alles in normen in te passen, maar kan zeggen: we zien het anders, en dit is waarom. Dat kan leiden tot betere oplossingen. Aan de andere kant: deze benadering kan ook bestaande plannen aanscherpen. Als je een gebied hebt waar alles mag, en je vraagt: welke waarden willen we hier realiseren, kan dat bewoners en beleidsmakers motiveren om hoger in te zetten dan het minimum op bepaalde thema’s.
2.2.2 De genen in de organisatie
Dit waardengedachtegoed moet in de genen van de organisatie zitten en worden uitgedragen naar externe initiatiefnemers. Dat betekent dat alle collega's – van beleidsmedewerkers tot beheerders – dit inzien en uitdragen. We moeten niet alleen normen toepassen, maar ook begrijpen waarom. Dat begint met kennisdeling en voortdurende gesprekken. Hoe zorgen we ervoor dat het denken over waarden echt landt, en niet alleen op papier blijft?
Daarom bespreken we in dit handboek niet alleen wat, maar ook waarom. Voor elk onderdeel geven we aan wat onze ambities zijn. Die ambities zijn het waarom. Ze geven houvast aan iedereen die met dit handboek werkt.
2.3 De anterieure overeenkomst: de kapstok voor samenwerking
Wat is een anterieure overeenkomst?
Wanneer een projectontwikkelaar een gebied ontwikkelt of er een gebiedsontwikkeling plaatsvindt, zijn veel partijen betrokken. De gemeente, de ontwikkelaar, mogelijk woningbouwcorporaties, nutsbedrijven, aanwonenden en latere eigenaren. Zonder duidelijke afspraken ontstaat verwarring over wie wat doet, wie wat betaalt, en welke kwaliteit verwacht wordt.
De anterieure overeenkomst is het juridische document waarin we die afspraken vastleggen. Dit gebeurt vóórdat de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. We leggen vast welke delen van het HIOR gelden, welke ambities we willen realiseren, en wat we van de initiatiefnemer verwachten.
In de anterieure overeenkomst leggen we vast:
Per project bepalen we wat er nodig is en welke afspraken daarbij vastgelegd moeten worden in de anterieure overeenkomst.
Timing: omgevingstafel en vergunning
Er is nog een belangrijk punt: wanneer leggen we wat vast?
We werken parallel aan twee processen. Het eerste is de omgevingstafel. Dit is waar gemeente, initiatiefnemer, en belanghebbenden samen de grote lijnen bepalen: welke ambities zijn er, wat willen we met dit gebied, welke functies moeten er landen? Uit die omgevingstafel rolt de strategie voor het project. Deze informatie gaat ook in de anterieure overeenkomst.
Tegelijkertijd kunnen er onderzoeken worden gedaan en plannen worden opgesteld voor o.a. water, bodem, archeologie, etc. Deze kunnen niet wachten tot alles zeker is. Ze moeten daarom parallel lopen. Wanneer vervolgens de omgevingsvergunning wordt aangevraagd, staan strategische keuzes al vast. De vergunning rolt voort uit hetgeen is afgesproken. Dit maakt het proces sneller en transparanter.
2.4 Grote en kleine initiatieven
Niet elk initiatief is even groot. Een klein straatje waar bewoners bloembakken willen plaatsen is heel anders dan de aanleg van een nieuwe woonwijk. We onderscheiden daarom grote en kleine initiatieven.
Grote initiatieven zijn inrichtingsprojecten waarbij de openbare ruimte substantieel verandert. Dit kan zijn: hele wijken, belangrijke verkeersroutes, grotere pleinen, grotere groengebieden, of infrastructurele werken. Bij grote initiatieven gaan we door alle fasen van het planproces heen. We betrekken stakeholders. We nemen formele besluiten. En we leggen afspraken vast in anterieure overeenkomsten of contracten.
Kleine initiatieven zijn inrichtingsaanpassingen in delen van de openbare ruimte, vaak voortkomend uit gebiedsgericht werken of uit ideeën van bewoners. Dit kunnen zijn: het beter maken van een speelplekje, het versterken van groen in een straat, het plaatsen van bankjes, het aanpassen van een bushalte. Bij kleine initiatieven bewegen we sneller en lichter. Maar ook hier gelden ambities en kwaliteitseisen.
2.5 Werken in de openbare ruimte
"Werken in de openbare ruimte" klinkt simpel, maar het omvat veel. Het gaat om alles wat je doet in de straten, pleinen, parken en groengebieden van gemeente Heumen. Het kan gaan om ontwikkelingen, groot onderhoud, renovatie, maar ook om kleinere ingrepen.
Belangrijk om te beseffen: werken in openbare ruimte vraagt actief nadenken over meer dan alleen de technische aspecten. Het gaat ook over hoe je het doet. Hoe zorg je dat buurtbewoners niet al weken zonder goed voetpad lopen? Hoe communiceer je wat je gaat doen en waarom? Hoe zorg je dat de werkzaamheden niet tot onnodige verkeershinder leiden?
We willen dat elk project met dit gedachtegoed start. Het gaat niet alleen om "de gemeente doet dingen", maar om: "hoe doen we het goed?" Dat vraagt voorbereiding, communicatie en “samendenken” met inwoners en andere betrokkenen. Dit is een cruciaal moment, want het bepaalt hoe de openbare ruimte de komende decennia eruit ziet en hoe het wordt onderhouden.
Vastleggen hoe beheer plaatsvindt
In veel projecten stopt het nadenken over kwaliteit op het moment van oplevering. Dan is het: "voilà, hier is jullie nieuwe plein!" En vervolgens wordt het onderhouden op de standaardmanier. Dat kan ervoor zorgen dat de ambities die we hadden – meer groen bijvoorbeeld – langzaam verdwijnen.
We willen dit voorkomen. Daarom leggen we vast: hoe gaat beheer plaatsvinden? Wat zijn de normen? Wat moet een beheerder doen als iets kapot is? Dit zijn geen bureaucratische vragen. Ze bepalen letterlijk wat de buurt ziet en ervaart. Te vaak zijn nieuwe bewoners het niet eens met de manier waarop wij een gebied in beheer hebben. Dit voorkomen we hiermee.
In de initiatieffase dient expliciet opgenomen te worden dat wij openbaar toegankelijke gebieden in beheer en eigendom overnemen. Dit ter voorkoming van moeilijke kwesties rondom de openbaarheid en beheerkwesties zoals op de Promenade, de Herenhof, de Acaciahof en de Kruigang. Hiermee is duidelijk waar de grens ligt op het gebied van onderhoudsplicht en openbaarheid.
Het gedachtegoed over goed werken in de openbare ruimte begint dus niet pas bij de uitvoering. Het begint al in het planproces. Als je een plein gaat renoveren, dan denk je niet pas drie maanden voordat het begint aan communicatie. Je denkt erover na in de planfase. Met welke inwoners moet je zeker spreken? Hoe hou je ze op de hoogte? Hoe werken jullie samen?
Dit gedachtegoed moet ook worden overgedragen aan wie het werk daadwerkelijk uitvoert. Of dat de gemeente zelf is, een aannemer, of een combinatie: iedereen moet begrijpen dat kwaliteit van uitvoering óók inhoudt: hoe je met de buurt omgaat, hoe je communiceert, hoe je zoveel mogelijk hindervrij werkt.
De openbare ruimte is voor iedereen en wordt gebruikt door ouders, kinderen, scholieren, ouderen, mensen met beperkingen, fietsers, automobilisten en nog veel meer. Deze verschillende gebruikers hebben verschillende behoeften. Als we alleen als gemeente beslissen wat er in de openbare ruimte gebeurt, missen we belangrijke inzichten. Participatie – werkelijk samen bepalen hoe dingen gaan, niet alleen toestemming vragen – leidt tot beter passende oplossingen. Het leidt ook tot meer draagvlak. Mensen begrijpen beter waarom bepaalde keuzes gemaakt worden, als ze zelf daaraan hebben meegedaan. En participatie vergroot betrokkenheid: je hebt wat anders met de plek als je zelf hebt meegebouwd.
We definiëren participatie als volgt: het is het proces waarbij gemeente en initiatiefnemer, samen met betrokken inwoners en soms externe deskundigen, via een open houding naar elkaar en een vooraf afgesproken aanpak, gezamenlijk vorm en inhoud geven aan plannen of beleid. Het doel is het benutten van elkaars deskundigheid en het verhogen van draagvlak.
Belangrijk: participatie is niet hetzelfde als inspraak. Inspraak is een wettelijke procedure: je stelt een plan vast, je geeft inwoners twee weken om reacties te geven, je verwerkt die reacties in een eindverslag. Participatie gaat veel dieper. Je betrekt mensen vroeg. Je stelt vragen. Je luistert niet alleen, je werkt samen. Participatie kan inspraak bevatten, maar het gaat veel verder.
In participatieprocessen halen we onderdelen uit het HIOR naar voren die relevant zijn. We vertellen inwoners niet alleen: het gaat zo gebeuren. We leggen ook uit: waarom? Dit is onze visie op een klimaatbestendige inrichting of op inclusiviteit. Wat denken jullie daarvan? Zo kunnen inwoners niet alleen reageren op concrete plannen, maar ook op de waarden eronder. Dit leidt tot betere gesprekken.
2.7 Overdracht openbare ruimte
Als de bouw is voltooid, volgt overdracht. Het project gaat van de bouworganisatie naar de beheerorganisatie.
Bij overdracht controleren we: klopt alles? Zijn alle afspraken nagekomen? Is de kwaliteit goed? Maar we doen nog meer. We overdragen ook het gedachtegoed: waarom hebben we dit zo gemaakt?
De rode lijn van ambitie naar beheer
We noemen dit: de rode lijn van ambitie naar beheer. De lijn start met onze ambities (klimaatbestendig, gezond, inclusief) in H3. Die ambities bepalen wat we in de inrichting van het gebied doen (H4 en H5). En ten slotte bepalen ze ook hoe we het onderhouden. Deze lijn moet van begin tot eind zichtbaar zijn. Niet als je de documenten doorleest, maar als je op het plein staat. Als we zeggen: dit is een gezonde, groene omgeving – en het plein ziet er verwaarloosd uit – dan klopt er iets niet.
2.8 Werkafspraken tussen stakeholders
Al dit voorgaande kan alleen werken als duidelijk is: wie doet wat, op welk moment, en op welke plek? Dit geldt zowel voor gemeente, als voor initiatiefnemer, als voor externe partners. Dit werken we uit in werkafspraken. Die zijn per type plan en per discipline. Bijvoorbeeld: wanneer dient de initiatiefnemer een water- en rioleringsplan in? Met wie wordt het overlegt? Hoe ziet het eruit? Op basis van welke normen? Deze werkafspraken zijn praktisch. Ze voorkomen dat halftijds werk wordt opgeleverd, of dat iets dubbel wordt gedaan.
Veel van deze coördinatie gaat via een casemanager. Dit is één persoon die als gemeentelijk contactpersoon optreedt voor de initiatiefnemer. De contactpersoon zorgt ervoor dat alle vakdisciplines betrokken zijn, dat timing klopt, en dat iedereen hetzelfde doel voor ogen heeft. De casemanager moet vroeg bij het traject betrokken zijn. Die zit aan tafel bij de omgevingstafel, zodat deze persoon weet waar het project heen gaat. De casemanager werkt parallel: terwijl de strategische keuzes lopen via de omgevingstafel en anterieure overeenkomst, zorgt de casemanager dat riolering, verkeer, groen en andere disciplines al aan de slag gaan.
3 Thematische ambities en randvoorwaarden
De openbare ruimte van Heumen is meer dan alleen wegen, groen en water. Het is de plek waar inwoners elkaar ontmoeten, kinderen spelen, ondernemers actief zijn en de toekomst vorm krijgt.
De gemeente Heumen heeft hierover een duidelijke visie: de openbare ruimte moet heel, veilig en toegankelijk zijn ingericht voor iedereen. Deze ambities staan in de vastgestelde gemeentelijke kaders: de Strategische Visie 2030 én de Omgevingsvisie. Dit handboek (HIOR) zet deze ambities concreet om in eisen en randvoorwaarden voor onze openbare ruimte.
Dit hoofdstuk beschrijft zes thematische ambities die voortkomen uit de gemeentelijke kaders. Elk verhaal begint met de vraag: Wat willen we bereiken? Het beantwoordt vervolgens: Waarom is dit belangrijk, wat zegt de gemeente er over? En sluit af met: Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Dit is het hart van het HIOR. Het beschrijft wat gemeente Heumen nastreeft op zes belangrijke thema's:
Voor elk thema geldt: hoe hoog wilt u de ambities leggen? Dit bepaalt wat u daarna concreet doet.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Heumen ervaart steeds heftigere buien, langere perioden van droogte en warmtegolven. Dit raakt alle inwoners: weggespoeld fruit in tuinen, driekwart van het gras dat verdort, oudere mensen die niet meer naar buiten durven in vanwege de hitte.
Tegelijkertijd moet de gemeente in 2050 volledig klimaatneutraal zijn – geen uitstoot van broeikasgassen, volledig gebruik van hernieuwbare energie. Dit is niet alleen een gemeentelijke ambitie – het is ook een regionale opgave (RES, Regionale Energiestrategie) en nationale verplichting.
De Strategische Visie 2030 noemt dit "Natuurlijk duurzaam" en de Omgevingsvisie stelt: "De gemeente is in 2035 (uiterlijk 2050) een klimaatneutrale en klimaatbestendige samenleving."
De openbare ruimte speelt hier een belangrijke sleutelrol. Hemelwater moet op het eigen terrein worden opgeslagen en geïnfiltreerd, want het mag niet naar het gemeentelijk riool. Bomen geven schaduw en helpen tegen oververhitting. Hoe minder verhardingen, des te minder hittestress. En een grotere diversiteit aan beplanting helpt om de natuur in stand te houden en te versterken.
Hemelwater lokaal opvangen en infiltreren. In plaats van al het regenwater meteen af te voeren naar de riolering, volgen we het principe van "op de plaats zelf infiltreren". Dit werkt met oppervlakkige waterberging en infiltratie in wadi's, en ondergrondse infiltratievoorzieningen. Het Beleidsplan water en riolering 2023-2027 schrijft dit voor: "Het bodem- en watersysteem zijn sturend in deze planvorming." Dit betekent dat we nieuwe ontwikkelingen ontwerpen rond de natuurlijke waterhuishouding, niet omgekeerd.
De gemeente heeft een opgave om hemelwater bij hevige regenbuien te verwerken. Waar de waterbergingsopgave ter plaatse niet kan worden opgelost, realiseren we structureel "blauwgroene aders" – groenstroken met waterberging die water afvoert naar bergingslocaties aan de randen van kernen.
Bomen geven schaduw en verkoeling. We streven naar minstens 20% boomkroonbedekking in de openbare ruimte van kernen. Dit is ambitieus, maar nodig om hittestress tegen te gaan. De Omgevingsvisie zegt expliciet: "De gemeente neemt een regisserende rol in het vergroenen van de openbare ruimte (minder stenen, meer bomen)." Bomen worden bij voorkeur geplant in groenstroken in plaats van los in bestrating, zodat ze goed kunnen groeien en dieren er gebruik van kunnen maken.
Minder verhardingen. Verhardingen nemen warmte op en geven dit weer af waardoor extra opwarming ontstaat. Daardoor is het in bebouwd gebied warmer dan in het landelijk gebied. Door minder verharding toe te passen, vindt er minder opwarming plaats. Het kiezen voor lichtere kleuren verharding kan ook helpen voor minder opwarming. Ook het toepassen van één trottoir in plaats van twee trottoirs zorgt voor minder verharding en ruimte voor groenstroken. Bij aanleg van nieuwe openbare ruimte heeft dat onze voorkeur.
Vergroten van biodiversiteit. Door het planten van meer verschillende inheemse bomen en planten is de natuur beter in staat om zichzelf te versterken. Dat is van levensbelang voor de insecten, vogels, vleermuizen, muizen én mensen, zoals ook beschreven in het Programma Landschap en groen.
3.2 Gezonde, veilige en groene leefomgeving
Een gezonde buurt is een plek waar je je veilig voelt en gelijk bent aan je buurman – ongeacht leeftijd, afkomst of fysieke beperking. Gezondheid begint op straat: voldoende ruimte om te bewegen, bomen voor schaduw, banken om uit te rusten, schoon water en schone lucht.
De Strategische Visie 2030 noemde vier kernwaarden, waarvan twee hier direct relevant zijn: Natuurlijk met iedereen (inclusiviteit, iedereen voelt zich veilig) en Natuurlijk groen (Heumen behoud zijn groene karakter). De Omgevingsvisie stelt: "We richten onze openbare ruimte zo in, dat deze uitnodigt tot en ruimte biedt voor beweging en sport."
Banken elke 300 meter op drukke (hoofd)looproutes. Zitgelegenheden hebben armleuningen zodat ouderen makkelijk kunnen gaan zitten en opstaan. Bij voorkeur in de schaduw van bomen. Dit stimuleert beweging en sociale contacten – een cruciale factor voor gezondheid van ouderen.
Speelplekken dichtbij voor kinderen. Kinderen moeten op loopafstand een speelplek kunnen bereiken. We zetten in op natuurlijk spelen (bomen, water, hoogteverschillen) volgens het Beleid speelvoorzieningen: "Heumen zet in op natuurlijk spelen. Dat brengt kinderen in contact met de natuurlijke omgeving."
Verlichting geeft gevoel van veiligheid. Straten, fietspaden en voetpaden zijn verlicht conform NPR 13201. De Strategische Visie stelt: "De fysieke buitenruimte is veilig ingericht voor iedereen. Een veilige woon- en leefomgeving staat centraal." Bij nieuw te plaatsen verlichting wordt een verlichtingsplan opgesteld dat moet voldoen aan de NPR 13201. Dit plan wordt door de directe partner van de gemeente voorzien, op kosten van de initiator.
Bereikbaarheid voor iedereen. Dit is geen toevalligheid maar beleid. Voetpaden minimaal 1.80 m breed, zoveel mogelijk vrij van obstakels. Bij kruisingen op hoofdlooprouten speciale geleide-tegels voor visueel beperkte gebruikers. Inritten met verlaagde trottoirbanden. Speelplekken via halfverharding bereikbaar.
Groene karakter versterken. Heumen versterkt zijn groene karakter door groen functioneel en toegankelijk te maken. We richten openbare ruimte zo in dat groen uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen. Groene ontmoetingsplekken: Parkjes en plantsoenen worden ingericht als plekken waar mensen samenkomen en actief kunnen zijn. Groen in woonwijken: Inheemse beplanting in tuinen en openbare stroken vergroot biodiversiteit en maakt de omgeving aantrekkelijk. Groen voor klimaat en gezondheid: Groene zones zorgen voor verkoeling, schone lucht en een prettige leefomgeving.
Een circulaire economie is een systeem waarbij producten en materialen niet worden weggegooid, maar gedeeld, verhuurd, hergebruikt, gerepareerd, opgeknapt en gerecycled. Hierdoor hebben ze een langere levenscyclus en wordt zowel de hoeveelheid afval als de behoefte aan nieuwe goederen kleiner. Dit is duurzaam – en ook goedkoper op lange termijn. Recyclede materialen zijn minder duur dan nieuw, en afvalscheiding bespaart verwerkingskosten.
De Omgevingsvisie gebruikt de term "verduurzamen": het gaat om het circulair maken van onze materiaalstromen. In het beleid staat: "Alle gebruikte materialen, zowel bij inrichting als onderhoud, zijn zoveel mogelijk recyclebaar zonder waardevermindering" en "Alle afvalstoffen (restproducten uit het onderhoud) uit de openbare ruimte worden gezien als grondstoffen en hebben waarde."
Materialen hebben een tweede leven. PVC-buizen voor riolering bevatten minimaal 40% recyclaat (voor vuilwaterriool) tot 20% voor hemelwater. Beton in rioleringen bevat minstens 10% gerecycled materiaal, conform gangbare normen en technische eisen. Verhardingen worden zoveel mogelijk met hergebruikt materiaal aangelegd. Het beleid stelt: "Het beheer van de openbare ruimte is gericht op levensduur verlengende maatregelen."
Afval wordt gescheiden aan de bron. Het afval wordt gescheiden ingezameld. Bij flats staan verzamelcontainers voor gft, restafval en papier (één per 10 woningen). Op straat staan afvalbakken alleen waar nodig: bij zitbanken, speelplekken en winkelgebieden. Niet te veel bakken – dat trekt ongewenste rommel aan en verspeelt ruimte.
Onderhoudsafval vermijden. Door slim te kiezen voor duurzame materialen en zelfonderhoudende systemen reduceren we de hoeveelheid vervangingsafval.
Inclusief betekent: niemand wordt uitgesloten. Een ouder iemand met lage inkomens woont in dezelfde buurt als een jonge ondernemer. Beide voelen zich thuis. Er is plaats voor iedereen: ouders met kinderwagens, rolstoelgebruikers, mensen met visuele beperking, kinderen, ouderen, ondernemers die wat willen verkopen.
Dit is meer dan fysieke toegankelijkheid – het is samenleving. De Strategische Visie stelt "Natuurlijk met iedereen" centraal: "Dit gaat over de gemeenschap, waarbij iedereen betrokken is en er een inclusieve samenleving ontstaat. Waar nodig fungeert de gemeente als vangnet."
Speelplekken samen ontwerpen. Voor nieuwe speelplaatsen voeren we onderzoek uit naar wie er spelen (welke leeftijdsgroepen, welke interesses) en laten bewoners zelf speeltoestellen voorstellen. Dit werkt beter dan besluiten maken uit een kantoorzitting. De speelpolitiek zegt: "Heumen zet in op natuurlijk spelen."
Toegankelijkheid is standaard, niet uitzondering wetgeving. Voetpaden minimaal 1.80 meter breed. Parkeerplaatsen voor mensen met beperking op plaatsen met de kortste looproute naar de voorzieningen. Inritten altijd met verlaagde trottoirbanden uitvoeren. Dit zijn geen "extra's" – het is de norm.
Verschillende gebruikers, één ruimte. Op een plein kunnen voetgangers, fietsers en auto's veilig samenleven door duidelijke scheiding en laag tempo. Van een langzaam-verkeer-route kunnen voetgangers en fietsers samen gebruikmaken. De inrichting moet duidelijk maken wat mag en wat niet.
Participatie in de praktijk. Bij gemeentelijke initiatieven vragen we in het participatieproces aan bewoners, ondernemers en gebruikers van de openbare ruimte om hun reactie te geven op onze plannen. Zo betrekken we bij projecten in de openbare ruimte het lokale inclusiepanel en de burgeradviesraad als stakeholder om mee te denken over de openbare toegankelijkheid.
Natuurinclusief betekent: je ontwerp laten leiden door de vraag "hoe helpen we de natuur?" in plaats van "hoe passen we natuur in ons plan in?" Dit is een fundamenteel ander uitgangspunt.
De Omgevingsvisie stelt: "De gemeente neemt een regisserende rol in het vergroenen van de openbare ruimte. Buiten de natuurgebieden wil de gemeente de natuurwaarden versterken door de biodiversiteit te vergroten. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten daaraan aantoonbaar bijdragen." En: "Het natuurlijke bodem- en watersysteem is het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen."
Biodiverse plantkeuze. Planten worden gekozen op basis van (1) klimaatbestendigheid (onderzoeken WUR), (2) waarde voor insecten en vogels, en (3) inheemse variatie. We streven naar rassen die al decennia in ons klimaat groeien, maar ook bestand zijn tegen de klimaatverandering. Het beleid zegt: "Het soortenbestand kent een grotere (inheemse) diversiteit. De aanwezigheid van invasieve exoten wordt zoveel mogelijk tegengegaan."
Wadi's met biodiversiteit. Een wadi krijgt verschillende bodemniveaus (net als een natuurlijke poel), waterminnende plant/boomsoorten. Knikken en hellingen volgen natuurlijke vormen. Klinkt simpel, maar dit is anders dan een simpel gegraven verlaging in het maaiveld.
Bomen in groepen. In plaats van losse bomen in bestrating planten we de bomen in groenstroken met voldoende ondergrondse groeiruimte en voeding. Dit zorgt voor robuuste groenvakken en bomenrijen die op hun beurt bijdragen aan een prettige leefomgeving voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Het beleid zegt: "Bomen kunnen tot hun volle wasdom komen. Oude bomen worden gekoesterd."
Minimale verstoring van dieren. Verstrooiing van licht tegengaan. Dit betekent geen lichtvervuiling, want dit verstoort insecten en vogels. Ronde hoeken in verharding in plaats van scherpe hoeken– dit helpt kleine dieren veilig over te steken. Bij extreme droogte nemen we "actief maatregelen in de bescherming tegen droogte en extreme hitte" (volgens de Omgevingsvisie).
Geen giftige bomen en struiken bij speelplekken. Bij speelplekken planten we geen soorten met giftige bessen of doornen.
Ruimte is beperkt en elke keuze heeft gevolgen voor die ruimte. Een extra parkeerplaats betekent minder ruimte voor groen. Een brede weg betekent minder plaats voor bomen. Zorgvuldig ruimtegebruik betekent: weloverwogen keuzes maken, denken aan dubbelgebruik en ervoor zorgen dat iedere vierkante meter slim wordt ingezet.
De Omgevingsvisie stelt: "Heumen is een landelijke gemeente met veel groen en ruimte, rust en een afwisselend landschap. De gemeente wil het groene karakter behouden en de rust, ruimte en de natuur van het buitengebied ontzien." Dit is niet alleen geldend voor het buitengebied – het geldt ook voor de kernen.
Grondwerk sluit aan. Rioleringen, kabels en wegen worden goed afgestemd zodat niet tweemaal wordt gegraven. Dit bespaart kosten en onrust. Het beleid zegt: "Kabels en leidingen worden ingericht op toekomstig gebruik."
Bomen hebben ruimte. Een boom heeft minstens 1,5 × 1,5 m voor zijn spiegel. Ondergronds heeft hij tenminste 9m³ groeiruimte, afhankelijk van de toekomstige grootte van de boom. Dit voorkomt latere problemen en waarborgt een gezonde boom.
Voetpaden niet nog smaller. Ook al willen we meer groen – een voetpad van 1.80 m is het minimum. Smalle paden passen niet bij een inclusieve buitenruimte
Groen en water combineren. Groenstroken kunnen dienen als wateropvang. Door het oppervlakkig afvoeren van hemelwater op naastgelegen groene bermen, kan het water infiltreren en krijgt de beplanting meer water. Er stroomt minder water in het riool en voorkomt daarmee wateroverlast op de lagergelegen delen in de kern.
Toekomst bestendig parkeren. In plaats van veel losse parkeerplaatsen concentreren we deze in parkeerterreinen. Het beleid zegt: "Er wordt rekening gehouden met elektrisch rijden" – wat betekent dat we parkeerplaatsen voorbereiden voor laadpalen. Ook kunnen we parkeerplaatsen gebruiken om ondergronds hemelwater op te vangen en te infiltreren.
3.7 Hoe het samen werkt: integrale afwegingen
Stel je voor: een dorpsplein moet groter worden voor meer voet- en fietsverkeer. Maar het plein is nu al vol. Wat doen we?
Zonder integraal denken: We verwijderen bomen voor meer ruimte. Resultaat: meer plek, maar heter en minder groen. Slecht op alle fronten.
Met integraal denken: We zorgen voor ondergrondse hemelwateropvang en -infiltratie. Regen infiltreert ter plaatse (klimaatbestendig, circulair). We verplaatsen bij nieuwbouw waar mogelijk parkeerplaatsen naar nabijgelegen parkings, met laadpalen voor elektrische auto's (duurzaam, zorgvuldig). We behouden en versterken bomen (gezond, natuurinclusief). We voegen zitbanken toe (inclusief, gezond). We ontwerpen samen met bewoners hoe het plein eruit komt te zien (participatie, veiligheid). Resultaat: meer bewegingsruimte, beter waterbeheer, meer groen, meer banken, meer veiligheid, meer betrokkenheid.
Dit is waar dit handboek zich op richt én mogelijk maakt: geen enkele keuze past slechts één doelstelling. Alles hangt samen.
3.8 Randvoorwaarden: wat altijd geldt
Bij alle keuzes in de openbare ruimte gelden enkele randvoorwaarden die niet onderhandelbaar zijn:
Gezondheid van mensen en omgeving. Bij werkzaamheden in de openbare ruimte wordt gedacht aan de gezondheid van omwonenden en van de mensen die het werk uitvoeren. Dit is beleid, niet toevalligheid.
Materialen zijn veilig en gezond. Wat we gebruiken mag geen giftige stoffen bevatten of uitstoten.
Toekomstig gebruik is mogelijk. De openbare ruimte wordt ingericht op toekomstig gebruik – niet alleen voor vandaag, maar voor de komende decenia.
Werk en participatie gaan samen. Bij werkzaamheden in de openbare ruimte werken mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (blijvend mee). Dit creëert kansen en betrokkenheid tegelijk.
3.9 Samenvatting: De zes ambities en doelstellingen
Dit hoofdstuk beschrijft de tactische inrichtingseisen die voor de verschillende disciplines gelden. Het betreft de functionele eisen en ontwerpuitgangspunten.
De eisen en uitgangspunten staan in onderstaande tabellen, geordend naar de logische werkvolgorde in een project of initiatief.
4.1 Grondwerk, archeologie en bodemkwaliteit
4.3.2 Vuilwaterafvoer (huishoudelijk afvalwater)
4.3.3 Hemelwaterafvoer (regenwater)
4.3.4 Wadi's (Water-Afvoer-Drainage-Infiltratie-voorziening)
4.4.2 Parkeerplaatsen - auto’s en fietsen
4.5.5 Loopverbindingen en bescherming
4.9.1 Algemeen Civiele kunstwerken
4.10 Reiniging en afvalinzameling
4.10.1 Inrichting openbare ruimte
4.10.3 Opstelplaatsen containers laagbouw
4.10.4 Verzamelcontainers bij hoogbouw
5 Operationele inrichtingseisen – materialisatie en specificatie
Dit hoofdstuk beschrijft de operationele inrichtingseisen zoals de specifieke maten, materialen, uitvoeringsdetails en kwaliteitseisen voor de verschillende onderdelen van de openbare ruimte.
5.3.5 Drukriool – Besturingskast minigemaal (moederkast)
5.3.6 Drukriool – Besturingskast minigemaal (dochterkast)
5.3.7 Drukriool – Sloten en aanduidingen
5.3.8 Drukriool – Apparatuur en onderdelen
|
|
Ter plaatse van inritten elementenverhardingen in stroomlagen minimaal 60 mm dik |
|
Inritten naar woonerven, verblijfsgebieden en zijwegen:
|
5.4.9 Mindervalide oversteekplaatsen en geleidetegels
|
|
Uitvoering van de oversteekplaatsen is uitgewerkt in de Details nrs. 24, 25 en 26 in het Detailboek gemeente Nijmegen. |
|
Afvalbaktype Bammens Capitole Prestige RAL 7016 of nader overeen te komen. Bij hondenuitlaatplaatsen de afvalbak voorzien van klep en hondenpoepsymbool. |
5.9.2 Levensduur onderdelen kunstwerken
5.9.5 Aanlegvoorzieningen/Vlonders/Steigers
|
Kunststof dek met epoxy-slijtlaag toepassen ter beperkingen onderhoudskosten |
|
Stroeve deklaag toepassen ter bevordering veiligheid gebruikers |
6 Werkafspraken en richtlijnen per onderdeel
Dit hoofdstuk beschrijft de werkafspraken en richtlijnen voor het uitvoeren van projecten in de openbare ruimte van gemeente Heumen. Het legt vast wat de verantwoordelijkheden zijn van de initiator (projectontwikkelaar, aannemer of gemeente) en op welke momenten welke gegevens moeten worden aangeleverd.
Per onderdeel is aangegeven op welke thema’s dit betrekking heeft.
De onderstaande werkafspraken gelden voor de volgende fasen:
6.1 Algemene werkafspraken geldend voor alle onderdelen
6.1.3 Afstemming met gemeente door initiatiefnemer
6.1.4 Documenten in juiste format
6.1.6 Bestaande planten beschermen
|
Fysieke bescherming tegen beschadiging en belasting. Volgens Handboek Bomen. Inzet toezichthouder gemeente |
|||
|
Reparatie of vervanging op kosten van initiator. Controle en opname |
|
Opstellen ontwerp riolering en waterbeheersplannen (incl. berekeningen) |
|||
|
Plaatsen en aanbrengen van alle riolen, putten en waterwerken |
|||
6.2.2 Schouw (kijken en checken)
6.2.3 Documenten (aanleveren in ontwerpfase)
6.2.4 Documenten (aanleveren na afronding van het werk - revisie)
6.3 Verhardingen (voetpaden, fietspaden, wegen, parkeren en inritten)
|
Opstellen ontwerp alle verhardingen (voetpaden, fietspaden, wegen, parkeren en inritten) (incl. hoogtemetingen) |
|||
|
Controleren en repareren verhardingen (revisie en inspectie) |
|||
6.3.3 Bouwverkeer en bouwterrein
|
Vereist goedkeuring wegbeheerder (gemeente, provincie, Rijk) |
||||
|
APV aanvragen bij gebruik van openbare weg of parkeerterrein |
6.3.4 Documenten (aanleveren in ontwerpfase)
6.3.5 Documenten (aanleveren na afronding van het werk - revisie)
6.4 Groenvoorzieningen (bomen, planten, gras)
|
Inclusief groeipatroon en volgroeide grootte. Volgens Handboek Bomen |
|||
|
Fysieke bescherming tegen beschadiging. Volgens Handboek Bomen |
|||
6.4.2 Onderhoud tijdens bouw (binnen bouwterrein)
6.4.3 Documenten (aanleveren in ontwerpfase)
6.4.4 Documenten (aanleveren na afronding van het werk - revisie)
6.5.2 Documenten (aanleveren in ontwerpfase)
|
Plaats van alle lichtmasten met armatuur en lampen; specificaties van materialen; nummering masten |
||||
|
Ondergrondse kabels en mantelbuizen; details bijzondere installaties |
6.5.3 Documenten (aanleveren na afronding van het werk - revisie)
6.6.2 Goedkeuring en toestemming
6.6.3 Documenten (aanleveren na afronding van het werk - revisie)
(Dit onderdeel betreft bruggen, muren en andere constructies. Werkafspraken worden in volgende update aangevuld.)
6.9 Reiniging en afvalinzameling
6.9.1 Afvalinzameling tijdens bouw
6.9.2 Bereikbaarheid en onderhoud
6.9.3 Ontwerp huisvuilinzameling
6.10 Proces: van schouw tot oplevering
6.10.1 Fase 1: Voor aanvang werk (0-meting)
6.10.2 Fase 2: Tijdens uitvoering
6.10.3 Fase 3: Na afronding werk (eerste oplevering)
6.10.4 Fase 4: Onderhoudstermijn (nazorg)
Extra voor beplanting: In elk najaar tijdens onderhoudstermijn maakt gemeente een opname. Dit bepaalt welke planten niet zijn aangeslagen (inboet). Initiator vervangt deze planten.
Bijlage 1 - Eisen inspectie gegevens riolering
Onderstaande eisen zijn van kracht indien er rioolwerkzaamheden worden uitgevoerd en dienen opgenomen te zijn in de opdracht (bijv. RAW-contract) naar de uitvoerende partij.
25 13 INFORMATIE-OVERDRACHT RIOLERING
De aannemer zorgt voor het inmeten en verwerken van de rioolrevisiegegevens As-built van de aangebrachte Vuilwater-, regenwater- en infiltratie en gemengde riolen en andere afwateringsystemen inclusief de daarin aangebrachte putten en ontstoppingsputten. Van de inlaten, aansluitleidingen voor kolken en lijngoten en huisaansluitingen, uitstroomleidingen, drainagevoorzienigen, hulpstukken, infilratiebuizen, infltratriekratten, infiltratieringen, ingepakte uitstroomvoorzieningen, infiltratievoorzieningen (lava en grindkoffers), waterpasserende voorzieningen, mantelbuizen en bijzondere constructies.
De aannemer verstrekt de rioolrevisietekening(en) in DWG formaat, Conform de NLCS en in PDF op schaal 1:200 of 1:500. Op deze tekening staan de door de opdrachtgever gehanteerde putnummering en de landmeetkundige ingemeten putten t.o.v. het rijksdriehoeknet in coördinaten (x,y,z). De toegestane maximale afwijking van de metingen bedraagt 10 mm.
b.v. overstorten, schuiven, wervelventielen, stuwen, dammen, kruisputten, overstortmuren, infiltratieringen, ingepakte infiltratievoorzieningen (lava en grindkoffers), waterpasserende voorzieningen worden tekstueel genoemd en in de tekening voorzien van een detailtekeningen, met daarop een doorsnede waarin opgenomen alle door opdrachtgever als relevant te benoemen hoogten, lengten, en materialisering
De aannemer dient van de bestanden een analoge en door aannemer gewaarmerkte versie, schaal 1:200, binnen 10 werkdagen na gereedkomen van de rioolwerkzaamheden aan de directie ter acceptatie aan te bieden (Maximale tekeningformaten zijn A0). Indien het werk in fases wordt uitgevoerd moet de aannemer na afronding van elke fase (volgens faseringsplan) de betreffende stukken ter acceptatie aanleveren. En telkens met de “voorgaande versie” verder gaan om zodoende een complete tekening van het gehele projectgebied te krijgen.
De aannemer controleert de revisiegegevens op afwijkingen t.o.v. het bestek en/of de bestektekeningen en rapporteert deze aan de opdrachtgever. In deze rapportage de aard van de afwijking en herstelmaatregel vermelden. Herstelmaatregelen ter acceptatie aan de directie voorleggen. Eventuele kosten die hieruit voortvloeien zijn voor rekening van de aannemer.
Voor het aanleveren van de revisiegegevens gelden de onderstaande uitgangspunten.
In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn een aantal standaardwerken ontwikkeld die de bronhouders helpen bij de opbouw van het bestand:
De formele beschrijving van BGT en IMGeo staat in de gegevenscatalogi. Het objectenhandboek biedt ondersteuning voor de wijze waarop topografische objecten zijn gemodelleerd in de BGT en het IMGeo. Dit gebeurt aan de hand van fotovoorbeelden waarop de begrenzing van objecten en zoveel mogelijk de objecten zelf zijn weergegeven. Het zijn documenten waarin regelmatig mutaties worden doorgevoerd en het is belangrijk om altijd de meest actuele versie te raadplegen. Panden worden de verschillen op hoogte niveau mee gemeten zoals bovenbouw, overkapping, carport.
De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) is een topografisch objectenbestand dat voor heel Nederland uniform is wat betreft inhoud en kwaliteit. Dat betekent dat het bestand gebiedsdekkend is en voldoet aan beschreven kwaliteitsaspecten voor volledigheid, actualiteit en nauwkeurigheid. Het gaat over topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. De inhoud van de BGT is afgestemd op de gezamenlijke informatiebehoefte van de verschillende gebruikers van het bestand. Een belangrijk uitgangspunt is ‘eenmalig inwinnen, meervoudig gebruik’. Het gaat hierbij zowel om de bronhouders (gemeenten, waterschappen, provincies, Ministerie van EZ, Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat en Prorail), als om andere gebruikers en basisregistraties in het stelsel. De BGT wordt na gereedkomen beschikbaar gesteld als open data. Een belangrijk onderdeel van het ontwerp van de BGT is de gegevenscatalogus. Bij het opstellen ervan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de actuele richtlijnen voor de Europese richtlijn INSPIRE, het Basismodel Geo-informatie (NEN 3610) en de stelselcatalogus voor basisregistraties. BGT-gebruikers vinden in deze gegevenscatalogus informatie over de BGT over het doel, het gebruik, de inhoud en kwaliteit. De actuele versie is te vinden op: http://www.geonovum.nl/wegwijzer/standaarden
Het informatiemodel IMGeo is een uitbreiding op de verplichte Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Een wegdeel is in de BGT bijvoorbeeld omschreven als Wegdeel: rijbaan, gesloten verharding. Met IMGeo kan deze beschrijving worden gedetailleerd naar Wegdeel: rijbaan, gesloten verharding, asfaltbeton. Deze uitgebreide objectbeschrijving is vervolgens met verschillende applicaties uit te wisselen. Het verplichte informatiemodel van de BGT vormt een integraal onderdeel van IMGeo. De actuele versie is te vinden op: http://www.geonovum.nl/wegwijzer/standaarden
Digitale objectenhandboek BGT/ IMGeo
Het Objectenhandboek BGT | IMGeo bevat de informatiekundige beschrijvingen van objecttypen, attributen en domeinwaarden van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en het Informatiemodel Geografie (IMGeo). Met dit online Objectenhandboek BGT | IMGeo heeft u toegang tot de actuele definitieve inhoud. De formele beschrijving van BGT | IMGeo staat in de gegevenscatalogi. Het objectenhandboek biedt ondersteuning voor de wijze waarop topografische objecten zijn gemodelleerd in de BGT.
Bijlage 3 - Werkprotocol Basis Registratie Ondergrond (BRO)
De Basisregistratie ondergrond (BRO) vormt het fundament voor beheer en beleid van de ondergrond in Nederland. Niet alles kan op dezelfde plek. Het is dus essentieel om een ruimtelijk en integraal inzicht te krijgen in de ondergrond. Fundament hiervoor zijn eenduidige, betrouwbare data en informatie over de ondergrond van Nederland.
De gemeente Heumen is verantwoordelijk voor de kwaliteit en de volledigheid van de wettelijk vastgestelde basisregistraties. Dit blijkt onder andere uit de verschillende kwaliteitsdashboards van het Kadaster en de jaarlijkse Ensia-verantwoording richting de gemeenteraden en de Rijksoverheid. Net zoals voor de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) en de BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie) moet er voor de BRO, per gemeente afzonderlijk, een Ensia-verantwoording worden afgelegd.
De rechten en plichten van bestuursorganen en van gebruikers zijn vastgelegd in de Wet BRO. Nadere informatie is terug te vinden op de BRO-website van het ministerie.
Om op een juiste wijze de data en informatie over de ondergrond van Nederland volgens de Wet BRO aan te reiken is deze werkbeschrijving opgesteld.
De Basisregistratie Ondergrond (BRO) is verplicht voor gemeenten sinds 1 januari 2018. Dat betekent dat de gemeenten vanaf die datum voor bepaalde objecten de BRO actueel moet houden en het verplicht is om bij haar afwegingen de gegevens in de BRO te gebruiken.
De BRO wordt in stappen, zogenaamde ‘tranches’, opgebouwd. Op dit moment zijn de eerste 4 tranches in werking getreden en per 1 juli 2025 treedt tranche 5 (milieuhygiëne) in werking. Het overzicht van de 5 tranches met bijbehorende startdatum en de te registreren objecten waar gemeenten (als bronhouder) voornamelijk mee te maken kunnen hebben staan in onderstaande tabel.
|
Geotechnische boormonster-beschrijving |
||
|
Grondwatersamenstellingsonderzoek Geotechnische boormonsteranalyse (2) Bodemkundige boormonsteranalyse |
||
|
Geologische boormonsterbeschrijving (2) |
||
|
01-07-20251 |
Milieuhygiënisch bodemonderzoek (SAD IMBRO/A) |
Kijk voor een uitgebreid overzicht van registratieobjecten in het “Naslagwerk Aanleverplicht BRO” of op de BRO-website.
Gezien de wettelijke verplichting om de BRO te gebruiken en actueel te houden is het belangrijk om de manier van werken binnen onze organisatie hierop aan te passen. In dit document staat het werkproces beschreven dat nodig is om als gemeente zo efficiënt en goed mogelijk te kunnen voldoen aan de gestelde eisen van de wet BRO.
Naast deze wettelijke verplichting om objecten te registreren is in de wet BRO ook geregeld dat gemeenten en andere overheidsinstellingen de gegevens in de BRO moeten gebruiken in haar afwegingen. Daar gaat dit document niet over.
Wanneer er door gemeente Heumen een offerte voor werkzaamheden door derden wordt uitgevraagd, waarbij gegevens worden gegenereerd die opgenomen moeten worden in de landelijke voorziening BRO, dan moet al bij de offerteaanvraag voor de potentiële opdracht het uploaden van deze gegevens naar het Bronhouderportaal BRO expliciet genoemd worden. Dit Bronhouderportaal heeft de overheid ter beschikking gesteld om het proces voor aanlevering van gegevens aan de BRO te vergemakkelijken.
Bijlage 1 “BRO Processchema aanlevering” geeft schematisch de te volgen procedure voor opdrachten waarbij BRO-plichtige objecten/gegevens zijn te verwachten weer. In dit processchema worden de volgende rollen onderscheiden:
Medewerker van gemeente Heumen die verantwoordelijk is voor de opdrachtverstrekking en/of uitvoering van het project. Dat is doorgaans de projectleider. Daarmee is de projectverantwoordelijke ook verantwoordelijk voor het kenbaar maken van het project aan de BRO-coördinator, het aanleveren van de gegevens en het uploaden hiervan door de gegevensproducent. Tevens is de projectverantwoordelijke ook (vak)inhoudelijk verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens. Zie hiervoor ook de rol van Kwaliteitscontroleur.
Deze is voor iedere gemeente afzonderlijk benoemd door het college van B&W. De BRO-coördinator leidt de invoering en de bijhouding van de wet BRO binnen gemeente Heumen in goede banen en verzorgt de jaarlijkse Ensia-verantwoording. De coördinator heeft overzicht en adviseert over het genereren en het gebruiken van ondergrondgegevens in alle bedrijfsprocessen. De BRO-coördinator bewaakt de leveringen aan de Landelijke Voorziening en de afhandeling van de terugmeldingen. Binnen gemeente Heumen zorgt de BRO-coördinator ook voor het aanmaken van projecten, projectautorisaties en de machtigingen binnen het BRO-bronhoudersportaal zodat de gegevensproducent/-leverancier de gegevens op een juiste wijze kan uploaden/aanbieden. Hiervoor dient de BRO-coördinator wel gegevens van de projectverantwoordelijke te ontvangen.
Deze controleert na het uploaden in het bronhouderportaal door de gegevensproducent of de gegevens inhoudelijk correct zijn. Dit kan de projectverantwoordelijke of een collega zijn. Ook kan het een eventuele externe/gemachtigde partij zijn die hiertoe vanuit gemeente Heumen opdracht voor heeft gekregen. Deze keuze is aan de projectverantwoordelijke zelf. Na goedkeuring worden de gegevens door de BRO-coördinator aangeleverd aan de Landelijke Voorziening.
Bij de start van een project beoordeelt de projectverantwoordelijke eventueel in overleg met de BRO-coördinator of er binnen het project objecten zijn te verwachten die BRO-plichtig zijn. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van de “Naslagwerk Aanleverplicht BRO”.
Als er sprake is van te registreren objecten is het essentieel dat, bij het verstrekken van een opdracht, het leveren van de wettelijk verplichte gegevens aan het bronhouderportaal van de BRO expliciet is geregeld. De projectverantwoordelijke dient ervoor te zorgen dat de inkoopvoorwaarden van de gemeente Heumen van toepassing wordt verklaart. Daarnaast dient de BRO-clausule (bijlage 2) te worden opgenomen in de opdrachtverstrekking. Ook het BRO-invulformulier (bijlage 3) maakt onderdeel uit van de opdrachtverstrekking (uitvraag/bestek/contracten) en dient door de projectverantwoordelijke samen met externe gegevensproducenten ingevuld te worden.
De projectverantwoordelijke controleert aan de hand van het BRO-invulformulier of de gemeente bronhouder van het gegeven is en zorgt er voor dat het BRO-invulformulier correct wordt geregistreerd en opgeslagen in Decos-Join. Uitgangspunt is dat de gemeente Heumen altijd bronhouder is als zij ook opdrachtgever is.
De projectverantwoordelijke mailt het BRO-invulformulier aan de BRO-coördinator. Daarbij worden de volgende zaken aangegeven:
De BRO-coördinator bereidt de levering van de gegevens aan het BRO-bronhoudersportaal voor en machtigt de partijen (gegevensproducent, kwaliteitscontroleur) voor toegang tot het portaal.
Nadat de gegevensproducent de gegevens heeft ingewonnen moeten de gegevens binnen 20 werkdagen zijn opgenomen in het Bronhoudersportaal. Na instemming door de kwaliteitscontroleur op de ingewonnen gegevens beoordeelt de projectverantwoordelijke zelf of de gegevens compleet zijn (conform opdrachtverstrekking) waarna de BRO-coördinator zorgdraagt voor de definitieve doorlevering in het Bronhouderportaal en daarmee de opname in de LV-BRO.
Bijlage 1: Processchema aanlevering
De Opdrachtnemer dient zijn werkzaamheden zodanig te verrichten dat wordt voldaan aan de verplichtingen die voor gemeente Heumen voortvloeien uit de Wet basisregistratie ondergrond (BRO), waaronder het namens gemeente Heumen uitvoering geven aan de gebruiksplicht, de aanleverplicht, de meldplicht en de onderzoeksplicht met betrekking tot de Landelijke Voorziening BRO (LV-BRO).
<Toelichting: Deze clausule dient te worden opgenomen indien de inkoopvoorwaarden van gemeente Heumen niet van toepassing is verklaard. En bij deze clausule moet worden opgenomen dat dit artikel geldt in afwijking van de DNR, als in de overeenkomst de aansprakelijkheid is beperkt door (verwijzing naar) de DNR. Voldoende duidelijk moet worden gemaakt dat de DNR op dit punt niet van toepassing is.>
Bijlage 3: Invulinstructie format LV BRO
Deze bijlage bevat een invulinstructie ten aanzien van het format van de Landelijke Voorziening Basisregistratie Ondergrond (LV BRO).
Deze invulinstructie bevat de zaken die altijd op een bepaalde wijze moet worden ingevuld; de invulinstructie kan door de publicatie van nieuwe of gewijzigde BRO-catalogi wijzigen. De invulinstructie moet voorafgaand aan de opdrachtverlening door de Opdrachtgever worden aangevuld met zaken die specifiek samenhangen met de te verlenen opdracht.
Bijlage 4 - Protocol overdracht realisatie naar beheer
Dit document is bedoeld om het proces van overdracht van de realisatiefase naar de beheerfase goed te laten verlopen, zodat het beheerteam de nieuw gerealiseerde openbare ruimte in beheer kan nemen.
Als blijkt dat contactpartij (ontwikkelaar en/of aannemer) aan al zijn verplichtingen heeft voldaan kan het werk worden beschouwd als definitief te zijn overgedragen. Hiertoe wordt het formulier “Eindoverdracht” in tweevoud ingevuld. De te ondertekenen partijen zijn enerzijds contactpartij (ontwikkelaar en/of aannemer) en anderzijds de vertegenwoordiger van de gemeente (directie).
1 Checklist over te dragen documenten
1. Veiligheids- en gezondheidsplan & Bestek
|
Veiligheids- en gezondheidsplan & Bestek check projectleider |
||||||
|
1.6. Aanvullende tekeningen b.v. bomenplan, verlichtingsplan e.d. |
||||||
4 Proces verbaal van oplevering
Op <datum> heeft op verzoek van de aannemer, <naam aannemer>, conform par.9 van de U.A.V. 2012 de opneming van het werk plaatsgevonden, omschreven in besteknummer <besteknummer> inzake: “<naam project>”.
Het hierboven genoemde werk kan als opgeleverd worden beschouwd, behoudens de hierna genoemde restpunten:
De onderhoudstermijn als bedoeld in par. 11 van de U.A.V. 2012 bedraagt 6 maanden en eindigt op <datum>. De bankgarantie blijft gehandhaafd tot de aannemer aan al zijn verplichtingen heeft voldaan.
5 Proces verbaal van eindoplevering
Op <datum> heeft op verzoek van de aannemer, <naam aannemer>, conform par.9 van de U.A.V. 2012 de eindopneming van het werk plaatsgevonden, omschreven in besteknummer <besteknummer> inzake: “<naam project>”.
Na de opneming is het werk door de directie, conform par. 10 van de U.A.V. 2012 goedgekeurd.
De onderhoudstermijn voor het onderhavige werk als bedoeld in par. 11 van de U.A.V. 2012 wordt geacht te zijn verstreken.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-149233.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.