Gemeenteblad van Leidschendam-Voorburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leidschendam-Voorburg | Gemeenteblad 2026, 148465 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leidschendam-Voorburg | Gemeenteblad 2026, 148465 | beleidsregel |
Beleidsregels leerlingenvervoer Leidschendam-Voorburg 2026
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.2 Vormen van leerlingenvervoer
De gemeente Leidschendam-Voorburg voert haar wettelijke taak voor het bieden van leerlingenvervoer uit in de vorm van de onderstaande vervoersvoorzieningen:
Conform de verordening staan deze voorzieningen in volgorde. Dat wil zeggen dat eerst de toepasselijkheid van vervoer beginnend bij optie 1 (een fietsvergoeding) wordt besproken met de aanvrager voordat optie 2 (openbaar vervoer) wordt overwogen, enzovoorts.
Artikel 1.3 Meting van de afstand tussen de woning en de school
Voor het meten van de afstand maakt het college gebruik van openrouteservice (ORS), te benaderen via https://openrouteservice.org/. De kortste voor de leerling begaanbare en veilige weg wordt gemeten van huisnummer naar huisnummer. Bij vervoersmiddel wordt gekozen voor de kortste afstand per auto.
Artikel 1.6 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
Als een leerling uit Leidschendam-Voorburg aan wie leerlingenvervoer is toegekend (tijdelijk) in een andere gemeente verblijft als gevolg van een crisissituatie, draagt de gemeente Leidschendam-Voorburg maximaal 6 weken na de feitelijke verhuizing zorg voor leerlingenvervoer. Daarbij moet voldaan worden aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 15, eerste lid van de verordening.
Artikel 1.7 Uitgesloten ritten
Leerlingenvervoer is enkel beschikbaar voor ritten van de woning naar school en terug voor de leerling. Als de leerling begeleiding nodig heeft, wordt ook het vervoer van de begeleider naar school en terug bekostigd. Alle andere ritten en onkosten zijn uitgesloten. Daarmee is een vervoersvoorziening niet mogelijk voor zaken als:
Artikel 1.8 Vervoer naar stage
Uitgangspunt voor het stageadres is dat deze zich zo dicht mogelijk ligt op de route van de woning dan wel de opstapplaats en de school om het zelfstandig reizen van de leerling te stimuleren. Is dit aantoonbaar niet mogelijk, dan moet het stageadres gelegen zijn binnen een afstand van maximaal 20 kilometer vanaf de woning dan wel de opstapplaats of vanaf de school van de leerling. Het college meet de afstand conform artikel 1.3 van deze beleidsregels.
Artikel 1.9 Vervoer naar een buitenschoolse opvang en een opvangadres
Als de leerling op basis van een indicatie (uit hoofde van de Jeugdwet, Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet) naar een buitenschoolse opvang of opvangadres gaat, zijn het eerste en tweede lid van dit artikel niet van toepassing. In een dergelijke situatie moet vervoer onder de betreffende wetgeving worden aangevraagd.
Als het naar oordeel van het college niet aannemelijk is dat zich binnen afzienbare tijd, zijnde binnen het lopende en minimaal het navolgende schooljaar, wijzigingen voor zullen doen in de situatie van de leerling, kan het college ervoor kiezen om een meerjarige beschikking af te geven. Daarbij moet in ieder geval sprake zijn van de volgende omstandigheden:
In het gesprek komen zaken aan de orde als:
De mogelijkheden die de ouders hebben om, al dan niet met behulp van hun sociale netwerk of andere ouders, het vervoer van de leerling zelf uit te (laten) voeren. Dit geldt voor zowel eigen vervoer als begeleiding in het openbaar vervoer. Bij de verkenning van de mogelijkheden kijkt het college onder meer naar de werktijden van de ouders, de mogelijkheid om aanpassingen te doen in de werktijden, de aanwezigheid van andere (zorglocatiegaande) kinderen in het gezin, de samenstelling van het gezin en eventuele medische belemmeringen. Het college kan hiervoor om ondersteunende documenten vragen, zoals een werkgeversverklaring over werktijden.
Het college maakt haar besluit bekend via een beschikking. De beschikking bevat in ieder geval de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de declaratie en uitbetaling. Ook bevat deze de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. De tijdsduur kan één of meerdere schooljaren zijn. Hierbij geldt een maximum van de gehele schoolperiode.
HOOFDSTUK 3: VERVOERSVOORZIENINGEN
Het uitgangspunt van leerlingenvervoer is het gebruik van eigen vervoer of, voor leerlingen die naar het voortgezet onderwijs gaan dan wel leerlingen die de overstap van basis- naar voortgezet onderwijs maken en zich hierop kunnen of willen voorbereiden, openbaar vervoer. In uitzonderingssituaties is aangepast vervoer mogelijk.
Om een leerling op termijn in staat te stellen om zelfstandig te reizen of om op termijn gebruik te maken van een goedkopere vervoersvoorziening, kan het college een vervoerstraining inzetten. De vervoerstraining wordt in overleg met ouders door het college opgenomen in het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan. Als het naar oordeel van het college nodig is, kan ook een deskundige zoals bedoeld in artikel 6 van de verordening worden betrokken om te adviseren over de mogelijkheden met betrekking tot de inzet van een vervoerstraining.
Artikel 3.2 Overbruggingsperiode kosten openbaar vervoer bij zelfstandig reizen
Als een leerling uit het voortgezet onderwijs die reeds leerlingenvervoer ontvangt, heeft geleerd zelfstandig te reizen en voortaan zelfstandig reist, geldt een overbruggingsperiode van 3 maanden waarin bekostiging van openbaar vervoer mogelijk is. Het maakt daarbij niet uit of het voortaan zelfstandig reizen het gevolg is van een vervoerstraining zoals bedoeld in artikel 3.1, een ander traject of andere training (al dan niet aangeboden door een andere organisatie zoals de school), of eigen initiatief dan wel het initiatief van de ouders. Na de overbruggingsperiode maakt de leerling geen aanspraak meer op bekostiging van openbaar vervoer.
Artikel 3.2 Combinatie van vervoersmiddelen
Als de best passende en goedkoopste manier van vervoer bestaat uit een combinatie van verschillende vervoersvoorzieningen (bijvoorbeeld bus en fiets of eigen vervoer en aangepast vervoer), staat het het college vrij om deze wijze van bekostiging te kiezen.
Artikel 3.3 Vergoeding eigen vervoer per auto
Ouders die leerlingen zelf per auto vervoeren of dit door hun sociale netwerk laten doen, kunnen een vergoeding ontvangen. De vergoeding bedraagt € 0,23 per kilometer voor schooljaar 2025-2026 en wordt voor ieder opvolgend schooljaar gelijkgesteld aan de maximale onbelaste kilometervergoeding voor eigen vervoer zoals vastgesteld door de Belastingdienst.
Artikel 3.4 Vergoeding eigen vervoer per fiets
Leerlingen die per fiets reizen, maken aanspraak op een fietsvergoeding. Bekostiging van een fietsvergoeding is mogelijk voor:
Ook de eventuele begeleider ontvangt een vergoeding. Deze vergoeding wordt gegeven voor maximaal 4 ritten per dag: 2 naar en van de leerling en 2 waarbij de leerling aanwezig is.
De vergoeding voor de leerling en/of de eventuele begeleider bedraagt € 0,11 per kilometer voor schooljaar 2025-2026 en wordt voor ieder opvolgend schooljaar gelijkgesteld aan 50% van de maximaal onbelaste kilometervergoeding voor eigen vervoer (zoals bedoeld in artikel 3.3, eerste lid), naar beneden afgerond.
Bij de toekenning van een voorziening voor fietsvergoeding worden de volgende fietsafstanden gehanteerd:
De in dit lid genoemde afstanden hebben geen betrekking op de mate waarin een kind zelfstandig in staat is of moet zijn om deze afstanden af te leggen. Kinderen moeten zich te allen tijde veilig in het verkeer kunnen begeven, waar nodig onder toezicht van een volwassene.
Voor kinderen zonder beperking kunnen ouders een fietsvergoeding aanvragen voor een afstand langer dan de in het derde lid genoemde fietsafstanden. Van leerlingen in het voortgezet onderwijs wordt sowieso geacht dat zij een afstand van 15 kilometer kunnen fietsen, tenzij dit vanwege een beperking niet haalbaar is.
Bij een aanvraag voor bekostiging van openbaar vervoer toetst het college of de leerling in staat is om zelfstandig of onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen. Bij de beoordeling worden de eventuele beperking van de leerling alsook de veiligheid en de afstand van de route in de overweging meegenomen.
HOOFDSTUK 4: VOORWAARDEN VOOR AANGEPAST VERVOER
Artikel 4.3 Toelatingseisen voor aangepast vervoer
Het college kan van de eisen uit lid 1 afwijken als:
Het een éénoudergezin betreft en de ouder niet langer zijn werk kan uitoefenen als hij zorg moet dragen voor de begeleiding naar school van de betreffende leerling. Hiervoor dient een werkgeversverklaring te worden overlegd waaruit per werkdag blijkt, dat het vanwege de werktijden niet mogelijk is om in de begeleiding te voorzien;
Artikel 4.4 Afwijkende schooltijden
Het komt voor dat kinderen vanwege hun beperkingen (tijdelijk) niet in staat zijn de schooltijden aan te houden. Uitsluitend als de structurele beperking (van ten minste zes maanden) van de leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een deel van het schoolprogramma, wijkt het college af van de schooltijden. Hiervoor is toestemming van de leerplichtambtenaar nodig en dient sprake te zijn van een individueel schoolplan en/of een onderwijs-zorgarrangement. Ouders leveren het schoolplan en/of onderwijs-zorgarrangement bij het college aan.
Artikel 4.5 Wachttijden voor leerlingen in het voortgezet (speciaal) onderwijs
Leerlingen in het voortgezet (speciaal) onderwijs kunnen te maken hebben met lesroosters die niet altijd aansluiten op het begin en het einde van de schooldag zoals opgenomen in de schoolgids van de school. Op grond van artikel 14 van de verordening kan het college met betrekking tot de inzet van aangepast vervoer besluiten een wachttijd voor leerlingen te hanteren.
De wachttijd bestaat uit één of meer lesuren, en kan maximaal bestaan uit de periode vanaf het begin van de betreffende schooldag tot het eerste lesuur van de leerling en/of uit de periode vanaf het laatste lesuur van de leerling tot het einde van de betreffende schooldag. Zo kunnen leerlingen op elkaar wachten en collectief vervoerd worden zoals bedoeld in artikel 4.1, tweede lid van deze beleidsregels.
Het college gaat alleen over tot het hanteren van een wachttijd als de tijd die leerlingen op school doorbrengen, zinvol kan worden doorgebracht. Bijvoorbeeld door huiswerk te maken of door deel te nemen aan door school georganiseerde activiteiten. Het college maakt daartoe afspraken met de betreffende school.
Artikel 4.6 Individueel aangepast vervoer
Door verschillende omstandigheden kan het voorkomen dat een leerling niet met collectief aangepast vervoer kan reizen. In deze situaties gelden de volgende regels:
In een aantal situaties bieden bovenstaande opties voor de leerlingen in het gecombineerde vervoer voldoende om te voorkomen dat individueel vervoer wordt ingezet. Dit moet altijd onderzocht worden, voordat individueel vervoer wordt ingezet. Dit moet worden onderbouwd met een medische rapportage. Als er twijfel bestaat over de (medische) noodzaak kan het college een onafhankelijk onderzoek aanvragen, bijvoorbeeld bij een medisch specialist.
Individueel aangepast vervoer is wél mogelijk als de leerling door diens beperking structureel slechts een deel van het schoolprogramma kan volgen. Dit betekent echter niet dat de leerling automatisch aanspraak kan maken op individueel aangepast vervoer; groepsvervoer op afwijkende tijden behoort bijvoorbeeld ook tot de mogelijkheden (conform artikel 4.4, derde lid, van deze beleidsregels). De noodzaak voor individueel aangepast vervoer dient dan ook onderbouwd te zijn door de school en wordt periodiek geëvalueerd.
Bij een klacht die het gevolg is van verwijtbaar gedrag, wordt onderstaande klachtenprocedure doorlopen. Onder verwijtbaar gedrag wordt verstaan: gedrag van de leerling of diens ouder(s) dat in strijd is met de geldende regels, afspraken of redelijke verwachtingen en dat leidt tot problemen of onveiligheid in het leerlingenvervoer.
De vervoerscoördinator start een onderzoek naar de klacht en betrekt waar nodig de vervoerder, de chauffeur, de ouder(s), de school en de consulent van de gemeente. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, stelt de vervoerscoördinator een afsprakenbrief op;
Bij een volgende klacht start de vervoerscoördinator een tweede onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, volgt een gesprek tussen de vervoerscoördinator, de consulent van de gemeente, de ouder(s) en indien van nodig de vervoerder en/of de school. Als de ouders hier niet aan meewerken of als er andere gegronde redenen zijn om de leerling tijdelijk van vervoer uit te sluiten, kan een schorsing per direct volgen voor maximaal één volle schoolweek. De vervoerscoördinator stelt tevens een eerste waarschuwingsbrief op;
Bij een volgende klacht start de vervoerscoördinator een derde onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, volgt er opnieuw een gesprek tussen de vervoerscoördinator, de consulent van de gemeente, de ouder(s) en indien van nodig de vervoerder en/of de school. Verder volgt er per direct een schorsing voor één volle schoolweek. De vervoerscoördinator stelt tevens een tweede waarschuwingsbrief op;
Bij een volgende klacht start de vervoerscoördinator een vierde onderzoek. Als blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of diens ouders, volgt een laatste brief met totale uitsluiting van het vervoer. Deze periode duurt tot het eind van het schooljaar, met een minimum van 3 maanden exclusief schoolvakanties;
Als er een klacht is over de uitvoering van het vervoer, wordt onderstaande klachtenprocedure doorlopen:
Afhankelijk van de aard van de klacht en de uitkomsten van het onderzoek, kan het college een andere vervoersvoorziening (zoals een eigen vervoersvergoeding) aanbieden mits aan de daarbij geldende voorwaarden wordt voldaan en het aannemelijk is dat de overstap naar een andere vervoersvoorziening voor verbetering van de situatie zal zorgen. Het college geeft hiertoe een herziene beschikking af.
HOOFDSTUK 5: ANDERE PASSENDE VOORZIENING
Artikel 5.1 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening
Als het college een aanbieding doet voor een elektrische fiets, gelden de volgende uitgangspunten:
Het college kan ouders een eenmalige compensatie van maximaal € 500 toekennen als ouders na afloop van de looptijd van de overeenkomst zoals bedoeld in sub c de elektrische fiets overnemen van de leasemaatschappij. Ouders moeten daartoe het betalingsbewijs overleggen. Ouders zijn na overname verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie, vervanging bij diefstal, verzekering en eventueel andere bijkomende kosten die samenhangen met het gebruik van de elektrische fiets.
Als het college een alternatieve vervoersvoorziening toekent, maken de ouders gedurende de looptijd van de alternatieve voorziening geen aanspraak op een andere vervoersvoorziening voor de betreffende leerling, tenzij er wijzigingen zijn in de (medische) situatie die aanleiding geven om de vervoersvraag opnieuw te onderzoeken.
Als ouders voor één of meer leerlingen een alternatieve vervoersvoorziening toegewezen hebben gekregen, wordt een alternatieve vervoersvoorziening voor elke volgende leerling uit het gezin alleen toegekend als kan worden aangetoond dat de reeds toegekende voorziening(en) niet kunnen worden ingezet voor het vervoer van de betreffende leerling.
HOOFDSTUK 6: DREMPELBEDRAG EN EIGEN BIJDRAGE
Er zijn twee vormen van eigen bijdrage in het leerlingenvervoer:
Een drempelbedrag per leerling zoals bedoeld in artikel 25 van de verordening. Deze is niet van toepassing op leerlingen met een beperking .Daarnaast is, om het vervoer per fiets te stimuleren, het drempelbedrag niet van toepassing als het college de aanvrager leerlingenvervoering in de vorm van een (elektrische) fietsvergoeding heeft toegekend. Dit heeft betrekking op zowel de kilometervergoeding met de fiets zoals bedoeld in artikel 3.4 van deze beleidsregels (niet in combinatie met eigen of aangepast vervoer), alsook op de vergoeding voor de elektrische fiets zoals bedoeld in artikel 5.1 van deze beleidsregels;
Als bij de aanvraag de gevraagde inkomensgegevens ontbreken, of om een andere reden niet (volledig) kunnen worden beoordeeld, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om binnen deze gegevens binnen 28 kalenderdagen alsnog aan te leveren. Bij uitblijven na deze termijn gaat het college er van uit dat het inkomen van de aanvrager van dien aard is dat het drempelbedrag door het college kan worden geheven. De eigen bijdrage zal dan worden verrekend of worden gefactureerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-148465.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.