Gemeenteblad van Heumen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heumen | Gemeenteblad 2026, 143819 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heumen | Gemeenteblad 2026, 143819 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van de raad van de gemeente Heumen houdende bepalingen over inwonerparticipatie (Verordening inwonerparticipatie gemeente Heumen 2026)
Artikel 13. Nadere regels college
Het college kan over inwonerparticipatie nadere regels vaststellen.
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Heumen in zijn openbare vergadering van 12 maart 2026.
drs. M.J.H.N. Collombon
Griffier
mr. J.W.M.S. Minses
Voorzitter
Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau
Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken.
Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn.
Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet.
Invulling participatieverordening
In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor inwonerparticipatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van inwonerparticipatie zijn. Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt.
Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners en de maatschappelijke partijen van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van inwoners en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder.
Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners en maatschappelijke partijen binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid.
In deze verordening zijn de spelregels voor inwonermacht opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners en maatschappelijke partijen op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook inwonerkracht, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van inwonerkracht is het uitdaagrecht, zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder inwonerkracht plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.
Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie.
Aansprakelijkheid en aanbesteding
Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht.
Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald.
Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen?
Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Hoofdstuk 1 bevat inleidende bepalingen voor het vervolg van de verordening. Zo komen in dit hoofdstuk de definities aan bod.
Een aantal definities verdienen een nadere toelichting.
Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.
Bij dit begrip gaat het om inspraak als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet. Bij inspraak wordt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd of een ander door het bestuursorgaan vastgestelde procedure.
In de verordening zijn alle vormen van inwonerparticipatie, waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip ‘inwonermacht’ geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie, waaronder inspraak, dezelfde spelregels.
Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke partijen om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan de gemeente om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding. Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Ondernemers worden niet gezien als maatschappelijke partij. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven.
Dit begrip is de tegenhanger van het begrip inwonermacht en omvat alle vormen van inwonerparticipatie waarbij inwoners en maatschappelijke partijen zelf het initiatief nemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder het begrip ‘inwonerkracht’ valt ook het uitdaagrecht.
Omdat insteek van de verordening is zowel inwonermacht als -kracht te omarmen én te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip opgenomen: inwonerparticipatie. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke partijen ligt. Samenwerking staat voorop.
Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.
Hoofdstuk 2. Kaders en uitgangspunten
Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die in het algemeen voor alle vormen van inwonerparticipatie gelden. Dit omvat zowel inwonermacht, waaronder inspraak als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet, als inwonerkracht, waaronder het uitdaagrecht als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.
Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen, bestuursorganen en gemeenteambtenaren.
Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie.
Het doel van de verordening, zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt het kader bij het maken van die keuzes.
Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of inwonerparticipatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht.
Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat inwonerparticipatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie van nieuw of gewijzigd beleid uitstrekt. Als inwonerparticipatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie.
Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van inwonerparticipatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht.
Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan
Op bestuursorganen rust de taak om inwonerparticipatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de inwonerparticipatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voor bestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen tijdig worden betrokken. Met andere woorden, als alle opties nog open liggen. Ook moet inzichtelijk zijn hoe een proces van inwonerparticipatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Bovendien bevat de verordening een verplichting om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen. Het ligt voor de hand dat voor inwonerparticipatie een (vaste) contactpersoon wordt aangewezen.
Artikel 5. Experimenteerprogramma
Om de ontwikkeling van participatie te bevorderen, is bepaald dat het college bestuursperiode een programma vaststelt waarin is uitgewerkt hoe de gemeente met inwonerparticipatie wil gaan experimenteren. Dit biedt ruimte om na te gaan hoe de processen rond inwonerparticipatie verlopen zijn, welke lessen daaruit zijn te trekken en wat er nodig is om inwonerparticipatie verder te verbreden en te verdiepen.
In het programma wordt onder andere vastgelegd welke verschillende participatievormen het college wil gaan uitproberen en welke specifieke doelgroepen het college wil bereiken.
Bij experimenten met nieuwe vormen van inwonerparticipatie heeft het overigens de voorkeur om te verkennen of hier ook samenwerking mogelijk is met inwoners en organisaties, zodat ook hun kennis en kwaliteiten kunnen worden benut. Datzelfde geldt voor het opstellen van het experimenteerprogramma. Ook bij het opstellen van het programma kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een rol krijgen. Zij kunnen bijvoorbeeld de gelegenheid krijgen voorstellen voor nieuwe participatievormen te doen.
Het college legt het experimenteerprogramma ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor, zodat de gemeenteraad ook ten aanzien van inwonerparticipatie invulling kan geven aan zijn kaderstellende rol.
Hoofdstuk 3. Inwonerparticipatie
Dit hoofdstuk gaat over de toepassing van inwonerparticipatie in algemene zin. De bepalingen hebben betrekking op zowel inwonermacht als -kracht.
Artikel 6. Plan voor inwonerparticipatie
In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een participatieplan moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de inwonerparticipatie. Eén en ander in lijn met het participatiebeleid van de gemeenteraad.
Voorts zijn de elementen opgenomen die in ieder geval in het participatieplan moeten staan. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke partijen worden opgesteld.
Wat betreft de te kiezen vorm van inwonerparticipatie is aangesloten bij de participatieladder, waarbij elke trap op de ladder meer invloed op de besluitvorming betekent.
De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt.
Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van inwonerparticipatie plaatsvinden.
Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.
Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.
Artikel 8. Ondersteuning bij inwonerparticipatie
Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan de degenen die aan inwonerparticipatie willen deelnemen of een verzoek om inwonerparticipatie hebben ingediend. Dit om ervoor te zorgen dat dit voor alle inwoners mogelijk is.
Hoofdstuk 4. Aanvullende bepalingen inwonermacht
Dit hoofdstuk bevat aanvullende bepalingen specifiek gericht op inwonermacht, waaronder inspraak.
Het bestuursorgaan moet een eindverslag opstellen dat een compleet overzicht geeft van het proces van inwonerparticipatie. In het verslag moeten in elk geval het proces, de reacties en de uitkomsten van de participatie worden beschreven. Het is genoeg om kort te beschrijven wat mensen hebben gezegd en wie dat heeft gedaan. In de eindfase van de participatie moet het bestuursorgaan ook laten weten wat er met de uitkomsten is gedaan.
Het eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd het eindverslag toe te sturen. Daarnaast wordt het eindverslag openbaar gemaakt.
Hoofdstuk 5. Aanvullende bepalingen inwonerkracht
Dit hoofdstuk bevat aanvullende bepalingen specifiek gericht op inwonerkracht, waaronder het uitdaagrecht.
Artikel 10. Verzoek inwonerkracht
Inwonerkracht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen, zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt.
In het verzoek moet in ieder geval de inwonerkracht beschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Daarbij levert de indiener ook specifieke informatie aan met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak.
Voor het indienen van het verzoek wordt een formulier ontwikkeld. Dit moet het indienen van een verzoek vergemakkelijken.
Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat.
Artikel 11. Beoordeling verzoek inwonerkracht
Het college neemt alle verzoeken met betrekking tot inwonerkracht in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan.
Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen.
In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en tevens openbaar maken.
Artikel 12. Uitvoering inwonerkracht
Als het verzoek met betrekking tot inwonerkracht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan met de indiener afspraken over het vervolg en ook over de stappen die volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst.
Het laatste hoofdstuk van de verordening bevat nog een aantal slotbepalingen.
Artikel 13. Nadere regels college
Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken.
Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel motiveren waarom er wordt afgeweken.
Over het toepassen van de hardheidsclausule door het college of de burgemeester dient de gemeenteraad te worden geconsulteerd.
Artikel 15. Verhouding met andere wet- en regelgeving
Dit artikel moet onduidelijkheid of verwarring voorkomen. De verordening heeft geen betrekking op participatie in de zin van de Participatiewet. Ook ziet de verordening niet op participatie die wordt voorgeschreven bij het aanvragen van een vergunning op grond van de Omgevingswet. Tot slot doet de verordening niks af aan de vigerende verordeningen met betrekking tot de burgeradviesraad of subsidies.
De verordening wordt ten minste eenmaal in de vier jaar geëvalueerd. Hiermee kan onder andere worden nagegaan of de doelstelling van de verordening wordt bereikt. Bovendien biedt dit de mogelijkheid om, indien nodig, de verordening bij te werken.
Artikel 17. Inwerkingtreding, citeertitel, intrekking oude verordening en overgangsrecht
De oude verordening blijft van toepassing op reeds gestarte inspraakprocedures op grond van die verordening.
Verder treden de (aanvullende) bepalingen inzake het experimenteerprogramma (artikel 5) en inwonerkracht, waaronder het uitdaagrecht begrepen, (hoofdstuk 5) later in werking, namelijk per 1 januari 2027.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-143819.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.