1e Wijziging van de per 1 oktober 2012 in werking getreden Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland

Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Reimerswaal, Sluis, Terneuzen en Tholen;

 

Overwegende dat zij een gemeenschappelijke regeling tot belastingsamenwerking hebben getroffen en dat deze per 1 oktober 2012 in werking is getreden;

 

dat vanwege recente wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere ontwikkelingen de getroffen regeling wijziging behoeft;

 

dat conform artikel 1 Wet gemeenschappelijke regelingen de gemeenteraden en de algemene vergadering van het waterschap zienswijzen hebben kunnen indienen en dat zij toestemming hebben verleend tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling;

 

besluiten:

 

Vast te stellen de volgende wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland:

 

 

Artikel I

A

In artikel 1 wordt in sub h “algemeen bestuur” vervangen door “dagelijks bestuur”.

Aa

Artikel 2 lid 4 komt als volgt te luiden:

4. Het beheergebied waarvoor deze regeling geldt omvat de gebieden van de deelnemers.

B

Artikel 4 komt als volgt te luiden:

Artikel 4 Te behartigen belangen

  • 1.

    In het kader van deze gemeenschappelijke regeling worden de belangen van de deelnemers, elk voor zover het hun gebied betreft en niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de taakoverdracht aan SaBeWa Zeeland, behartigd op het terrein van:

    • a.

      de heffing en invordering van belastingen, zoals deze zijn opgenomen in de bijlage, categorie A en B, behorende bij deze regeling;

    • b.

      de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken:

  • 2.

    Een deelnemer kan de heffing en invordering van belastingen die nog niet zijn opgenomen in de in lid 1 sub a bedoelde bijlage aan SaBeWa Zeeland overdragen. Het college van de deelnemer dient een verzoek tot overdracht van de betreffende bevoegdheid in bij het algemeen bestuur. Een overdracht van bevoegdheden behoeft de instemming van ¾ van de uitgebrachte stemmen van het algemeen bestuur. Na instemming van het algemeen bestuur draagt het college van de betreffende deelnemer door middel van een delegatiebesluit de bevoegdheid over.

  • 3.

    Het algemeen bestuur is bevoegd om op verzoek van een college van een deelnemer bevoegdheden terug te leggen bij de deelnemer, met dien verstande dat hierbij een opzegtermijn van één jaar in acht wordt genomen en het een belasting betreft die in de bijlage onder categorie B staat.

  • 4.

    Het algemeen bestuur bepaalt de voorwaarden waaronder bevoegdheden worden overgedragen of teruggelegd.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur past bij overdracht of teruglegging van bevoegdheden de bijlage als bedoeld in het tweede lid aan, zendt deze bijlage aan de deelnemers, en draagt ervoor zorg dat de bijlage wordt bekendgemaakt.

C

Na artikel 5 wordt een nieuw artikel 5a ingevoegd luidende:

Artikel 5a Dienstverlening aan derden

SaBeWa Zeeland kan met instemming van het algemeen bestuur ook diensten aan andere gemeenten en waterschappen verlenen als deze in lijn zijn met het doel en de missie van het openbaar lichaam.

D

Artikel 7 komt als volgt te luiden:

Artikel 7 Onverenigbare betrekking

Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met het als ambtenaar werkzaam zijn bij SaBeWa Zeeland, zoals bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017.

E

In artikel 11:

-wordt aan lid 1 de volgende zin toegevoegd: “Indien informatie gevraagd wordt vanuit een of meerdere deelnemers wordt deze informatie, indien deze ook relevant kan zijn voor andere deelnemers, verstrekt aan alle deelnemers.”

-wordt onder vernummering van de huidige leden 2 t/m 5 tot 3 t/m 6 een lid 2 ingevoegd luidende:

  • 2.

    Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken worden middels een tussentijdse rapportage tijdig ter informatie verzonden naar de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap.

F

In artikel 13:

-wordt in de aanhef “onverminderd het bepaalde in artikel 66 lid 1 van de wet” vervangen door “onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet”.

-worden sub e en sub f geschrapt.

G

Na artikel 13 worden twee nieuwe artikelen 13a en 13b ingevoegd luidende:

Artikel 13a Extra zienswijze

  • 1.

    Indien het algemeen bestuur daartoe aanleiding ziet, kan het alvorens het een besluit neemt, het dagelijks bestuur opdragen om het algemeen bestuur van het waterschap en de gemeenteraden van de gemeenten in de gelegenheid te stellen om een zienswijze in te dienen.

  • 2.

    Voorafgaand aan het te nemen besluit waarover de zienswijze gegeven is, stelt het dagelijks bestuur het algemeen bestuur van het waterschap en de gemeenteraden van de gemeenten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 13b Participatie

Het algemeen bestuur kan besluiten, voor zover het daartoe bevoegd is, bij de voorbereiding of evaluatie van een besluit van algemene strekking inspraak te verlenen in overeenstemming met artikel 10, lid 7 en 8, van de wet.

H

In artikel 18:

-wordt in de aanhef “onverminderd het bepaalde in artikel 66 lid 1 van de wet” vervangen door “onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet”

-wordt sub o vervangen door een nieuw sub o dat als volgt luidt:

o. het benoemen, schorsen en ontslaan van de directeur en het overige personeel.

I

Na artikel 18 wordt een nieuw artikel 18a ingevoegd luidende:

Artikel 18a Participatie

Het dagelijks bestuur kan besluiten, voor zover het daartoe bevoegd is, bij de voorbereiding of evaluatie van een besluit van algemene strekking inspraak te verlenen in overeenstemming met artikel 10, lid 7 en 8, van de wet.

J

Artikel 19 komt als volgt te luiden:

Artikel 19 Informatie- en verantwoordingsplicht

  • 1.

    Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden verstrekken aan het algemeen bestuur gevraagd en ongevraagd inlichtingen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden leggen op verzoek van het algemeen bestuur verantwoording af over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

  • 3.

    Artikel 11 lid 1 en lid 2 zijn van overeenkomstige toepassing voor het door het dagelijks bestuur verstrekken van informatie aan deelnemers.

K

In artikel 21 wordt, onder de vernummering van de leden 2 en 3 tot respectievelijk 3 en 4, een nieuw lid 2 ingevoegd luidende:

  • 2.

    Het voorzitterschap dient te rouleren tussen het lid namens het waterschap en een lid namens de gemeenten, met dien verstande dat een voorzitter éénmaal herkozen kan worden voor een nieuwe termijn van vier jaar.

L

In artikel 23 lid 1 wordt “het algemeen bestuur” vervangen door “het dagelijks bestuur”.

M

In artikel 29 lid 2 wordt “het algemeen bestuur” vervangen door “het dagelijks bestuur”.

N

Artikel 30 komt als volgt te luiden:

Artikel 30 Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

  • 5.

    Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.

O

Na artikel 31 wordt een nieuw artikel 31 a ingevoegd luidende:

Artikel 31a Reserve

  • 1.

    Sabewa Zeeland vormt een reserve ten laste van de bijdragen van de deelnemers aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op verzoeken van deelnemers hierover past het dagelijks bestuur de afspraken over het te vormen reserve toe.

P

Artikel 32 komt als volgt te luiden:

Artikel 32 Jaarstukken

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemers te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant.

  • 2.

    De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.

  • 3.

    Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.

  • 4.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast.

  • 5.

    De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden,

  • maar vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarstukken betrekking hebben.

  • 6.

    Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

Q

Artikel 36 komt als volgt te luiden:

Artikel 36 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uittreden uit de regeling.

  • 2.

    Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is het niet mogelijk om uit de regeling uit te treden.

  • 3.

    Voor uittreding wordt een opzegtermijn van tenminste drie jaar in acht genomen.

  • 4.

    Uittreding uit de regeling vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar.

  • 5.

    De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van de algemene vergadering dan wel de gemeenteraad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding welke nadien worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan.

  • 7.

    Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding.

R

Na artikel 36 worden drie nieuwe artikelen 36a, 36b, 36c en 36d ingevoegd luidende.

Artikel 36a Procedure voor vaststelling uittredingsplan

  • 1.

    Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

  • 2.

    Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

  • 3.

    Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende

  • 1.

    voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.

  • 5.

    Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 36b gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 6.

    Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 36b en de vastgestelde jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.

  • 7.

    Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

  • 8.

    Bij de voorbereiding van het uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.

Artikel 36b te vergoeden kosten, uittreedsom

  • 1.

    De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.

 

  • 3.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door SaBeWa Zeeland die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 4.

    Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 36a, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 36, achtste lid, anders is vastgelegd.

  • 5.

    Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

  • 6.

    De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van de daadwerkelijke uittreding.

  • 7.

    Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 36a in relatie tot de verwachtte uittreedsom daartoe aanleiding geeft, kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%.

  • 8.

    Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 36c Verplichtingen uittreder

  • 1.

    De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van SaBeWa Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 36d Overige gevolgen uittreding

  • 1.

    Op moment van uittreding zal SaBeWa Zeeland alle data, benodigd voor het zelf uitvoeren van de belastingtaken van de uittredende deelnemer, eenmalig leveren aan de uittredende deelnemer.

  • 2.

    Van lopende zaken, zoals bezwaar- en beroepsprocedures en nog uit te voeren taxaties, die na het moment van uittreding door Sabewa Zeeland nog moeten worden afgehandeld zullen de kosten worden betaald door de uittredende deelnemer en de eventuele baten ten goede komen van de uittredende deelnemer.

S

In artikel 37 wordt:

-in lid 1 wordt bij sub a de “a” geschrapt en sub b volledig geschrapt.

-lid 2 vervangen door een nieuw lid 2 dat als volgt luidt:

  • 2.

    Het dagelijks bestuur doet het ontwerpvoorstel tot wijziging van de regeling toekomen aan de deelnemers ten behoeve van de zienswijzeprocedure zoals voorgeschreven in artikel 61 lid 3 van de wet. Het door het algemeen bestuur vastgesteld voorstel wordt door het dagelijks bestuur aan de deelnemers verzonden met het verzoek tot het nemen van een besluit omtrent de voorgestelde wijziging. Van hun besluit stellen de deelnemers het algemeen bestuur schriftelijk in kennis.

-lid 5 vervangen door een nieuw lid 5 dat als volgt luidt:

  • 5.

    Een ingevolge lid 4 tot stand gekomen wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze door de gemeente Terneuzen conform artikel 62 juncto artikel 26 lid 1 van de wet is bekend gemaakt.

T

In artikel 39 wordt:

-in lid 3 “artikel 5 van de Archiefwet 1998” vervangen door “artikel 12 van de Archiefwet 1995”.

U

Na artikel 39 wordt een artikel 39a ingevoegd luidende:

Artikel 39a Informatieveiligheid

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft.

  • 2.

    Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemers moeten voldoen.

V

Artikel 41 komt als volgt te luiden:

Artikel 41 Klachtenbehandeling

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een regeling voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.

W

Artikel 45 komt als volgt te luiden:

Artikel 45 Evaluatie

  • 1.

    De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken en de manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd.

  • 2.

    De evaluatie vindt plaats in het jaar voor de verkiezingen van de gemeenteraden, voor de eerste maal in 2029. De evaluatie wordt voorbereid door het dagelijks bestuur en vastgelegd door het algemeen bestuur. Op de besluitvorming is de extra zienswijze van toepassing zoals bedoeld in artikel 13a.

 

Artikel II

De bijlage als bedoeld in artikel 4 lid 1 a:

Belasting-

soort

Reimers-

waal

Terneuzen

Sluis

Hulst

Goes

Borsele

Tholen

Kapelle

Water-

schap

A:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afvalstoffenheffing/Reinigingsrecht

x

x

x

x

x

x

x

x

 

OZB

x

x

x

x

x

x

x

x

 

Rioolheffing

x

x

x

x

x

x

x

x

 

watersysteemheffing

 

 

 

 

 

 

 

 

x

Zuiveringsheffing

 

 

 

 

 

 

 

 

x

Verontreinigingsheffing

 

 

 

 

 

 

 

 

x

Watertoeristenbelasting

 

 

x

 

x

 

 

x

 

Toeristen/verblijfsbelasting

x

x

x

 

x

x

 

x

 

Forensenbelasting

x

x

x

x

x

x

x

x

 

B:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BIZ-Bijdrage

 

x

 

 

 

 

 

 

 

zoutwaterafvoerrecht

x

 

 

 

 

 

 

 

 

Hondenbelasting

 

x

x

x

 

 

 

 

 

Precario

 

 

x

 

x

x

 

 

 

Reclamebelasting

 

 

x

 

x

 

 

 

 

Scheepvaartrechten

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel III

Deze eerste wijziging in werking te laten treden op de dag na de bekendmaking.

Artikel IV

Dit besluit kan worden aangehaald als “eerste wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland”

 

Aldus vastgesteld door

Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen, 2 december 2025

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten:

Borsele, 28 oktober 2025

Goes, 25 november 2025

Hulst, 11 november 2025

Kapelle, 25 november 2025

Reimerswaal, 16 december 2025

Sluis, 18 november 2025

Tholen, 25 november 2025

Terneuzen, 11 november 2025

Toelichting

Algemeen

Op 1 juli 2022 is een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR) in werking getreden. Deze wijziging heeft als voornaamste doelstelling de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken.

De belangrijkste aanpassingen zijn:

  • Meer betrokkenheid gemeenteraden, provinciale staten en algemene besturen van waterschappen bij collegeregelingen (zoals Sabewa) middels o.a. zienswijzeprocedures, langere termijnen planning-en-controlcyclus (P&C-cyclus) en een actieve informatieplicht;

  • Betrokkenheid ingezetenen bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid;

  • Verplichte afspraken rond evaluatie;

  • Verplichte opneming van een uitgebreidere uittredingsregeling.

 

De wetswijziging noopt tot een aanpassing van de per 1 oktober 2012 in werking getreden Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking SaBeWa Zeeland. Voor de aanpassing aan de gewijzigde WGR is mede gebruik gemaakt van de door een juridische werkgroep van de VZG opgestelde nieuwe model-gemeenschappelijke regeling (gedateerd september 2023 en middels een memo van 3 oktober 2023 toegestuurd aan de gemeenten; bij schrijven van 7 april 2025 heeft de VZG dezelfde versie maar dan gedateerd oktober 2023 rondgestuurd). De werkgroep van de VZG heeft in de notitie “Samen komen we verder” de voorgestelde aanpassingen aan de GR ten gevolge van de wijziging van de WGR toegelicht.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de regeling op een aantal punten te actualiseren i.v.m. gewijzigde wetgeving of andere omstandigheden en enige juridisch technische aanpassingen in te voeren.

Per categorie betreft het de volgende wijzigingen, die bij de artikelsgewijze toelichting verder worden geduid.

Vanwege recente wijzigingen wet gemeenschappelijke regelingen:

- Informatie- en verantwoordingsplicht (artikelen 11 en 19);

-Zienswijzeprocedure (artikel 13a);

-Participatie (artikelen 13b en 18a);

-P&C-cyclus (artikelen 30 en 32);

-Uittredingsregeling (artikel 36 t/m 36d);

-Wijziging van de regeling (artikel 37);

-Evaluatie (artikel 45).

Vanwege andere ontwikkelingen:

-Ambtenaar (artikel 7 );

-Bevoegdheden besturen (artikel 13 aanhef en artikel 18 aanhef);

-Aanwijzing voorzitter (artikel 21);

-Ombudsman (artikel 41).

Juridisch-technische aanpassingen:

-Gebied (artikel 2);

-Uit te voeren belastingen (artikel 4);

-Dienstverlening aan niet-deelnemers (artikel 5a);

-Archiefwet (artikel 39 lid 3).

Zienswijzeprocedure

Het ontwerpvoorstel is in september 2024 aan de deelnemers gestuurd in het kader van de wettelijke zienswijzeprocedure voor de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap. De procedure heeft nog geleid tot de volgende aanpassingen:

-bevoegdheid benoemen en instrueren directeur (artikel 13 sub e en f, artikel 18 sub o, artikel 23 lid 1 en artikel 29 lid 2);

-opnemen artikel inzake vormen van een reserve (artikel 31a);

-opnemen artikel inzake informatieveiligheid (artikel 39a).

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Openbaar lichaam SaBeWa Zeeland

In artikel 2 lid 4 werd gesproken van grondgebied van de deelnemers. Bij een waterschap als functioneel bestuurslichaam past een term als grondgebied niet. In de waterschapwetgeving wordt daarom enkel de term gebied gebruikt. In plaats van de term grondgebied is nu de term gebied gebruikt voor de omschrijving van het beheergebied van Sabewa.

Artikel 4 Te behartigen belangen (plus bijlage)

In artikel 4 wordt verwezen naar een bijlage voor de door Sabewa uit te voeren belastingen per deelnemer.

Er is behoefte aan een zekere mate van flexibiliteit wat uit te voeren belastingen betreft. Deelnemers moeten de mogelijkheid hebben om belastingsoorten die ze nu nog zelf uitvoeren, dan wel nieuw in te voeren belastingsoorten, onder te brengen bij Sabewa. Anderzijds moet de mogelijkheid aanwezig zijn om bepaalde belastingen als deelnemer zelf weer te gaan uitvoeren. Artikel 10 lid 2 Wet gemeenschappelijke regelingen biedt de mogelijkheid om bepalingen in een regeling op te nemen omtrent de wijze waarop verandering kan worden gebracht in de overgedragen bevoegdheden. Met het vaststellen van dergelijke bepalingen door de deelnemers stemmen deze in met de mogelijkheid tot overdracht.

In het nieuw artikel 4 wordt in de leden 2 t/m 5 voorzien in procedures om belastingen over te dragen van deelnemer naar Sabewa dan wel terug te leggen naar een deelnemer. Het initiatief daartoe ligt volledig bij de betreffende deelnemer. Terugleggen kan niet voor alle belastingen opgaan omdat daarmee de deelname aan de gemeenschappelijke regeling door een deelnemer in theorie zodanig zou kunnen worden uitgekleed dat deze in feite niet meer echt deelneemt. Omdat te voorkomen wordt in de bijlage dan ook een onderscheid gemaakt in een aantal fundamentele belastingsoorten die niet in aanmerking komen voor teruglegging (categorie A) zoals OZB, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten, rioolheffing, watersysteemheffing, zuiveringsheffing, en meer “vrijblijvende” belastingsoorten die wel zouden kunnen switchen (categorie B) zoals honden- en reclamebelasting, precario en retributies.

Artikel 5a Dienstverlening aan derden

Dit artikel is een aanhaakartikel voor eventuele dienstverlening aan derden (niet deelnemende gemeenten en waterschappen). Deze diensten moeten wel in lijn zijn met de missie en doel van Sabewa.

Artikel 7 Onverenigbare betrekking

Sinds de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren is er geen onderscheid meer tussen ambtenaren en personeel werkzaam op arbeidscontract. Alle medewerkers van overheden zijn nu werkzaam op basis van een arbeidscontract naar burgerlijk recht en daarmee ambtenaar. Een en ander is geregeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017.

Artikel 11 Informatie- en verantwoordingsplicht (algemeen bestuur)

Lid 1 is aangevuld met de bepaling dat door een deelnemer aangevraagde informatie, die relevant kan zijn voor andere deelnemers, aan alle deelnemers wordt verstrekt. In een nieuw lid 2 wordt de actieve informatieplicht nog nader geduid met een aantal specifieke zaken waarover de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap geïnformeerd moeten worden: belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken.

Artikel 13 Bevoegdheden algemeen bestuur

De verwijzing in de aanhef naar artikel 66 lid 1 van de wet is gewijzigd naar artikel 66. Per 1 januari 2015 bevat artikel 66 van de Wet gemeenschappelijke regelingen namelijk nog maar één bepaling en dus geen verschillende leden meer (tot dan toe waren er drie leden). Sub e en f zijn geschrapt. In deze bepalingen was vastgelegd dat het algemeen bestuur de directeur benoemt en instructies geeft. In 2015 is in de Wet Gemeenschappelijke regelingen als vervolg op de dualisering bij de gemeenten en provincies opgenomen dat het dagelijks bestuur bevoegd is voor het personeel, waarbij geen uitzondering is gemaakt voor de directeur.

Artikel 13a Extra zienswijze

Middels een nieuw artikel 13a wordt aan het algemeen bestuur de mogelijkheid geboden om bij een te nemen besluit een zienswijzeprocedure voor de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap te laten voeren. Voor de besluitvorming in het kader van de P&C-cyclus is de betrokkenheid van de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap al geregeld. Gelet op het sterk uitvoerend karakter van een belastingsamenwerking als Sabewa zal er naar verwachting weinig gebruik worden gemaakt van deze procedure. Bij de periodieke evaluatie is deze procedure wel voorzien (zie artikel 45 lid 2).

Artikel 13b Participatie

Ingevolge artikel 10 lid 7 WGR moet de gemeenschappelijke regeling bepalingen omtrent participatie bevatten. Middels een nieuw artikel 13b wordt de mogelijkheid van inspraak voor burgers voorzien.Het is een “kan”-bepaling. Het algemeen bestuur kan inspraak verlenen. De bevoegdheid om belastingverordeningen vast te stellen (het financiële beleid) ligt geheel bij de deelnemers en Sabewa heeft dan ook een sterk uitvoerend karakter. Gelet hierop zal inspraak nauwelijks opportuun zijn bij Sabewa.

Artikel 18 Bevoegdheden dagelijks bestuur

De verwijzing in de aanhef naar artikel 66 lid 1 van de wet is gewijzigd naar artikel 66. Per 1 januari 2015 bevat artikel 66 van de Wet gemeenschappelijke regelingen namelijk nog maar één bepaling en dus geen verschillende leden meer (tot dan toe waren er drie leden).

Middels een nieuw sub o wordt aangegeven dat het dagelijks bestuur bevoegd is tot het benoemen, schorsen en ontslaan van het personeel inclusief de directeur. Zie toelichting bij artikel 13.

Artikel 18a Participatie

Middels een nieuw artikel 18a wordt de mogelijkheid van inspraak voor burgers voorzien.Het is een “kan”-bepaling. Het dagelijks bestuur kan inspraak verlenen. Gelet op het sterk uitvoerend karakter en het fiscale taakveld zal inspraak nauwelijks opportuun zijn bij Sabewa. Zie voorts toelichting bij artikel 13b.

Artikel 19 Informatie- en verantwoordingsplicht (dagelijks bestuur)

Dit artikel is zodanig aangepast dat er naast de informatie- en verantwoordingsplicht richting het algemeen bestuur er ook een informatieplicht van het dagelijks bestuur (als geheel) aan de deelnemers is en wel door artikel 11 lid 1 en 2 van overeenkomstige toepassing te verklaren (zie lid 3).

Artikel 21 Aanwijzing voorzitter

Gelet op de te behartigen belangen is met het oog op een evenwichtige bestuurssamenstelling een nieuw lid 2 ingevoegd (onder vernummering van de bestaande leden 2 en 3 naar 3 en 4) waarin wordt voorgeschreven dat het voorzitterschap rouleert tussen het lid namens het waterschap en een lid namens de gemeenten, waarbij een voorzitter voor maximaal twee aaneengesloten termijnen van vier jaar aangewezen kan worden.

Artikel 23 Directeur

In artikel 23 worden de taken en bevoegdheden van de directeur geregeld. In lid 1 is “algemeen bestuur” vervangen door “dagelijks bestuur”. Zie toelichting bij artikel 13.

Artikel 29 Ambtelijke organisatie

In lid 2 is “algemeen bestuur” vervangen door “dagelijks bestuur”. Zie toelichting bij artikel 13.

Artikel 30 Begrotingsprocedure

Artikel 30 is opnieuw geredigeerd en is tekstueel ontleend aan de model-gemeenschappelijke regeling van de VZG. Het gaat dan o.a. om de termijnen waarmee bij de vaststellingsprocedures rekening gehouden moet worden.

Artikel 31a Reserve

In de model-gemeenschappelijke regeling van de VZG is conform de door de VZG vastgestelde richtlijnen een artikel opgenomen inzake het vormen van een reserve. Ter gelegenheid van de zienswijzeprocedure is voorgesteld om een dergelijk artikel ook op te nemen in de gemeenschappelijke regeling van Sabewa.Bij Sabewa Zeeland was de praktijk dat batige saldi rechtstreeks naar de deelnemers gingen. Met het overnemen in de regeling van het reserveringsartikel van het model wordt er voor Sabewa Zeeland wat meer financiële armslag mogelijk.

Artikel 32 Jaarstukken

Artikel 32 is opnieuw geredigeerd en is tekstueel ontleend aan de model-gemeenschappelijke regeling van de VZG. Het gaat dan o.a. om de termijnen waarmee bij de vaststellingsprocedures rekening gehouden moet worden. Tevens wordt de besluitvorming omtrent de resultaatbestemming geregeld.

Artikel 36 t/m 36d Uittredingsregeling

Middels een nieuw geredigeerd artikel 36 en daaraan toegevoegde nieuwe artikelen 36a t/m 36d is aan een uitgebreide uittredingsregeling vorm gegeven. Ook deze bepalingen zijn voornamelijk gebaseerd op de model-gemeenschappelijke regeling van de VZG.

Gewezen zij op de volgende punten:

-opzegtermijn. In het oude artikel 36 was de opzegtermijn één jaar. In het model van de VZG is deze opzegtermijn drie jaar. In het nieuwe artikel 36 is het model gevolgd, dus een opzegtermijn van drie jaar.

-procedure.De kern van de procedure stond ook in de oude regeling, met name de besluitvorming door het algemeen bestuur aan de hand van een uittredingsplan dat door een onafhankelijke deskundige wordt opgesteld. Middels artikel 36, lid 6 en 7, juncto artikel 36a is deze procedure nu verder uitgewerkt.

-uittreedsom. In artikel 36 b wordt geregeld hoe de uittreedsom wordt bepaald (artikel 36 a lid 7 voegt daar nog een opslag van 10% onvoorzien toe).

Voor het normale geval waarbij een deskundige aan de slag gaat wordt de berekening van de uittreedsom gebaseerd op de daadwerkelijke kosten van de uittreding. Een voorlopige uittreedsom wordt tijdig voorafgaand aan de uittreding bepaald zodat in de P&C-cyclus van zowel de uittreder als het samenwerkingsverband daar rekening mee gehouden kan worden. De definitieve uittreedsom wordt bepaald aan de hand van de jaarrekening van het jaar voorafgaand aan het moment van uittreding.

Deze methode is gebaseerd op jurisprudentie. Daarnaast bestaat de eveneens in jurisprudentie aanbod gekomen methode om de uittreedsom te koppelen aan percentages van de in het jaar voorafgaand aan de uittreding betaalde bijdrage. Dit is een eenvoudiger methode, waarbij het voor iedere partij gelijk duidelijk is wat de financiële verplichtingen zijn. Conform het model van de VZG is deze methode opgenomen voor het geval de kosten van het inzetten van een deskundige niet proportioneel zouden zijn gelet op de te verwachten uittreedsom. Zie artikel 36b lid 7. Daarbij is sprake van 5 jaar met een afbouw van 100% voor het 1e jaar naar 20% voor het 5e jaar. Concreet komt dit neer op een uittreedsom van 300% van de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar voor de uittreding.

Overigens kan de genoemde 300% ook dienen als een eerste indicatie voor een deelnemer die overweegt uit te treden, maar deze indicatie is uiteraard geen certitude voor wat betreft de uitkomst van de berekening van de uittreedsom op basis van de in beeld gebrachte daadwerkelijke kosten.

-overige verplichtingen uittreder. In artikel 36c zijn voor de uittreder verplichtingen opgenomen t.a.v. de formatieproblematiek en eventuele andere verplichtingen van het openbaar lichaam die door de uittreding geraakt worden. De waarde van de formatie en eventueel andere verplichtingen die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam worden gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

Artikel 37 Wijziging van de regeling

In artikel 37 wordt het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling geregeld. Het artikel is aangepast aan de bij de wetswijziging ingevoerde procedure waarbij de gemeenteraden en de algemeen besturen van waterschappen de gelegenheid krijgen om t.a.v. het ontwerp van een regeling of de wijziging daarvan een zienswijze naar voren te brengen (nieuw lid 2). Daarnaast is sinds enige jaren de bekendmakingswijze vereenvoudigd, in die zin dat bekendmaking door één deelnemer wordt gedaan en wel door de gemeente waar de regeling wordt of is gevestigd (of in de gemeenschappelijke regeling moet een andere deelnemer zijn aangewezen). Zie nieuw lid 5.

Ten laatste is sub b van het eerst lid van het artikel geschrapt. Hierin was bepaald dat de plaats van vestiging zoals omschreven in artikel 2 van de regeling de eerste tien jaar na inwerkingtreding van de regeling niet gewijzigd kon worden zonder instemming van de Zeeuws-Vlaamse gemeenten. Nu deze tien jaren verstreken zijn was deze bepaling zinloos geworden.

Artikel 39 Archief

In lid 3 werd verwezen naar artikel 5 van de archiefwet 1998. Dit moet echter artikel 12 van de archiefwet 1995 zijn.

Artikel 39a Informatieveiligheid

Aanvulling voorgesteld in het kader van de zienswijzeprocedure. Het artikel is m.m. conform het betreffende artikel in de model-gemeenschappelijke regeling van de VZG. Overigens gelden verplichtingen tot het beschermen van persoonsgegevens voor Sabewa Zeeland reeds krachtens de AVG en heeft Sabewa Zeeland op basis van de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) informatiebeveiligingsbeleid vastgesteld.

Artikel 41 Klachtenbehandeling

In artikel 41 Klachtenbehandeling werd in lid 2 verwezen naar de Zeeuwse Ombudsman. Dit instituut is echter opgeheven en de taak is overgenomen door de nationale ombudsman, die conform artikel 9:17 Algemene wet bestuursrecht optreedt als ombudsman als er geen regionale of lokale ombudsman is. Hoewel juridisch gezien niet per se nodig wordt voor alle duidelijkheid in de tweede zin van het artikel aangegeven dat voor de behandeling van klachten wordt aangesloten bij de nationale ombudsman (en dus niet meer bij een apart instituut zoals de Zeeuwse Ombudsman).

Artikel 45 Evaluatie

Het oude artikel 45 regelde de toezending van de vastgestelde regeling aan de provincie. Echter deze toezending is in de WGR geschrapt. Vandaar dat dit artikel is verwijderd. Middels een nieuw artikel 45 is een vierjaarlijkse evaluatie van de gemeenschappelijke regeling voorgeschreven en nader uitgewerkt.

 

 

 

 

 

Naar boven