Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026

De raad van de gemeente Schouwen-Duiveland;

 

gelezen het voorstel van het college van 13 januari 2026 zaak 1626881 ;

 

gelet op artikel 149 en 156, lid 1, van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit vast te stellen de

 

Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026:

 

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    begrotingssubsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder c, van de Awb, waarbij de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt;

  • c.

    college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  • d.

    deelwaarneming: een deelwaarneming is het controleren van een klein deel van de administratie om te zien of alles klopt;

  • e.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie heeft vastgesteld;

  • f.

    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

  • g.

    raad: gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  • h.

    egalisatiereserve: een reserve die gevormd wordt uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te kunnen vangen (overeenkomstig artikel 4:72 van de Awb);

  • i.

    subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvlak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies;

  • j.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • k.

    vrij besteedbaar vermogen: de waarde van de bezittingen minus de schulden. In de berekening van het vrij besteedbaar eigen vermogen wordt een toegestane reserve (zie artikel 14) niet meegenomen;

  • l.

    De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L, 2023/2831);

  • m.

    rechtspersoon: een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een stichting.

 

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarop een afzonderlijke, uitputtende verordening van toepassing is en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder a, b en d van de Awb.

  • 2.

    Ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onder d van de Awb kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

 

Artikel 3. Bevoegdheid

  • 1.

    Het college is bevoegd te besluiten tot subsidieverstrekking.

  • 2.

    Het college kan regels (subsidieregelingen) vaststellen ten behoeve van het verstrekken van subsidies.

 

Artikel 4. Begrotingssubsidies

  • 1.

    Het college is bevoegd tot het verstrekken van begrotingssubsidies, met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en - indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder het voorbehoud als bedoeld in artikel 4:34 van de Awb dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2.

    Een begrotingssubsidie kan alleen worden verleend als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie.

  • 3.

    Het college maakt zijn voornemen tot het verlenen van een begrotingssubsidie minimaal acht weken van tevoren bekend, door plaatsing van dat voornemen op de website van de gemeente. In dat voornemen motiveert het college waarom er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria.

  • 4.

    Als door een belanghebbende wordt betwist dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie en het college vasthoudt aan zijn voornemen, motiveert hij in zijn besluit tot subsidieverlening waarom er niettemin maar één serieuze gegadigde is op grond van de gestelde criteria en waarom de ander geen serieuze gegadigde is of waarom de criteria wel aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Als het college niet vasthoudt aan zijn voornemen, wordt de aanvraag voor de begrotingssubsidie afgewezen. De beoordeling van de aanvraag vindt dan plaats op basis van de bepalingen uit deze verordening en, indien van toepassing, de relevante subsidieregeling.

  • 5.

    De bepalingen uit deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op begrotingssubsidies, met uitzondering van artikel 6, eerste, tweede en derde lid, artikel 10 en artikelen 15 tot en met 18.

 

Artikel 5. Staatssteunregels

  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  • 2.

    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het desbetreffende steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

 

Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    Het college stelt de subsidieplafonds vast.

  • 2.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

  • 3.

    Wanneer er sprake is van een subsidieplafond, bepaalt het college bij subsidieregeling of bij besluit tot vaststelling van het subsidieplafond de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

  • 4.

    Een subsidie ten laste van een gemeentelijke begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de gemeentelijke begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

 

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie door een rechtspersoon wordt via de gemeentelijke website met eHerkenning ingediend bij het college. Voor natuurlijke personen geldt DigiD of eIDAS. Als voor indiening van de aanvraag een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt de indiening daarnaast met gebruikmaking daarvan.

  • 2.

    Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten die met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan. Indien op grond van deze verordening voor de vaststelling van de subsidie een controleverklaring is vereist, worden de geraamde en direct aan de subsidiecontrole toerekenbare kosten voor deze verklaring als afzonderlijke post in de begroting opgenomen;

    • d.

      als de aanvrager een rechtspersoon is: de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar;

    • e.

      als de aanvrager een onderneming is:

      • i.

        een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      • ii.

        een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);

  • 3.

    Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten en het jaarverslag van het voorgaande jaar;

  • 4.

    Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.

 

Artikel 8. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag om een subsidie voor één of meer kalenderjaren moet worden ingediend tussen 1 april en 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Een aanvraag om een subsidie boven het bedrag van € 25.000 per kalenderjaar moet uiterlijk 1 juni voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft zijn ingediend.

  • 3.

    Andere aanvragen om subsidie moeten worden ingediend tussen 12 en 26 weken voor aanvang van de activiteit of activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 4.

    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

 

Artikel 9. Beslistermijn en beslissing op de aanvraag

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, uiterlijk op 31 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 8, derde lid, binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.

  • 4.

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd tot 6 weken nadat de eindbeslissing van de Europese Commissie is ontvangen.

  • 5.

    Een subsidie wordt voor maximaal vier kalenderjaren verleend.

  • 6.

    Een subsidie boven het bedrag van € 25.000 per kalenderjaar wordt verleend voor maximaal één kalenderjaar.

 

Artikel 10. Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, weigert het college de subsidie in ieder geval als:

    • a.

      de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt, of

    • b.

      het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.

  • 2.

    Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:

    • a.

      subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of

    • b.

      de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de te subsidiëren activiteiten niet plaatsvinden in de gemeente, niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    • b.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • c.

      als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    • d.

      in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen;

    • e.

      als de activiteiten niet of onvoldoende bijdragen aan het realiseren van de beoogde beleidsdoelstellingen;

    • f.

      als de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd geen of onvoldoende meerwaarde heeft voor het bestaande (activiteiten)aanbod in de gemeente;

    • g.

      als de activiteiten niet vrij en openbaar toegankelijk zijn voor alle inwoners uit de gemeente en/of de activiteiten een politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke boodschap hebben;

    • h.

      als de aanvrager een winstoogmerk heeft;

    • i.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd.

 

Artikel 11. Betaling voorschotten subsidies

  • 1.

    De betaling van het subsidiebedrag of een voorschot daarop voor een kalenderjaarsubsidie tot € 10.000 geschiedt uiterlijk op 15 januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2.

    De betaling van een voorschot voor een kalenderjaarsubsidie boven € 10.000 geschiedt in twee termijnen per jaar te weten uiterlijk op 15 januari en 15 juli.

  • 3.

    De betaling van een voorschot voor een subsidie boven € 10.000 die is verleend voor meer dan één kalenderjaar geschiedt per kalenderjaar uiterlijk op 15 januari.

  • 4.

    De betaling van een voorschot voor een andersoortige subsidie geschiedt binnen zes weken na bekendmaking van de subsidieverleningsbeschikking.

 

Artikel 12. Algemene meldings- en informatieplicht subsidieontvanger

  • 1.

    Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat meteen schriftelijk aan het college.

  • 2.

    Een subsidieontvanger informeert het college meteen schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;

    • d.

      bestuurswisselingen en wijzigingen van de statuten voor zover het betreft de (rechts)vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon.

 

Artikel 13. Aan een subsidie te verbinden (bijzondere) verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht om de gesubsidieerde activiteit(en) te laten plaatsvinden in de gemeente, in overwegende mate gericht te laten zijn op de gemeente of haar ingezetenen en ten goede te laten komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

  • 2.

    Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 3.

    Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 4.

    Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan.

  • 5.

    De subsidieontvanger is in de gevallen, als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan de gemeente Schouwen-Duiveland een vergoeding verschuldigd.

  • 6.

    Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden:

    • a.

      de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer;

    • b.

      onroerende zaken gewaardeerd op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 7.

    Het college stelt zo nodig nadere regels om de hoogte van de verschuldigde vergoeding vast te stellen.

 

Artikel 14. Egalisatiereserve

  • 1.

    De subsidieontvanger van een per kalenderjaar verstrekte subsidie die meer dan € 100.000 bedraagt, vormt een egalisatiereserve en maakt deze inzichtelijk in de administratie. Dit artikel is niet van toepassing op eenmalige subsidies van meer dan € 100.000.

  • 2.

    De egalisatiereserve wordt gevormd door een toevoeging bij een positief eindresultaat en een onttrekking bij een negatief eindresultaat. Het eindresultaat wordt berekend door alle inkomsten (subsidie, eigen bijdrage, bijdragen van anderen) bij elkaar op te tellen en daar de werkelijke kosten van af te trekken.

  • 3.

    Bij de aanvraag tot vaststelling als bedoeld in artikel 17, tweede lid, levert de subsidieontvanger een verantwoording aan over hoe de egalisatiereserve is besteed.

  • 4.

    De subsidieontvanger mag jaarlijks maximaal 10% van het door het college voor dat kalenderjaar verleende subsidiebedrag toevoegen aan de egalisatiereserve.

  • 5.

    De maximale toevoeging aan de egalisatiereserve is het bedrag dat aan de egalisatiereserve kan worden toegevoegd zonder de maximale omvang als bedoeld in het achtste lid daarvan te overschrijden. De maximale onttrekking aan de egalisatiereserve is het bedrag van die reserve.

  • 6.

    De totale egalisatiereserve bedraagt maximaal 25% van de laatst door het college per kalenderjaar verstrekte subsidie. De egalisatiereserve bedraagt ten laagste € 0.

  • 7.

    Indien het voor de toevoeging beschikbare bedrag hoger is dan de maximale toevoeging, kan het college dat bedrag bij de vaststelling in mindering brengen op de subsidie.

  •  

Artikel 15. Vaststelling subsidies tot € 10.000

  • 1.

    Subsidies tot € 10.000 stelt het college direct vast.

  • 2.

    Het college kan voor specifieke subsidies of categorieën subsidies bepalen dat aan vaststelling van een subsidie tot € 10.000 per jaar, een besluit tot verlening voorafgaat. In dat geval dient de subsidieontvanger na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling in bij het college.

  • 3.

    In geval van een besluit tot verlening voorafgaand aan de vaststelling, legt het college in de verleningsbeschikking vast op welk moment de aanvraag tot vaststelling wordt ingediend en op welke wijze moet worden aangetoond dat de activiteiten zijn verricht, de verplichtingen zijn nageleefd en rekening en verantwoording wordt afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.

  • 4.

    In geval van directe subsidievaststelling, is de subsidieontvanger verplicht in het kader van een steekproef aan te tonen dat de activiteiten overeenkomstig de vaststelling zijn uitgevoerd. De steekproef wordt uitgevoerd door de gemeente op grond van de Regel Steekproefsgewijze controle subsidies tot € 10.000 gemeente Schouwen-Duiveland.

 

Artikel 16. Aanvraag vaststelling subsidies tussen € 10.000 en € 100.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 10.000 en ten hoogste € 100.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college, uiterlijk:

    • a.

      Op 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar of de kalenderjaren;

    • b.

      12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, in het geval de subsidie niet voor het tijdvak van één of meerdere kalenderjaren is verleend.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financieel verslag waarin de besteding van de subsidie afzonderlijk inzichtelijk is gemaakt. Dit financieel verslag mag onderdeel uitmaken van de jaarrekening, mits de subsidiebesteding daarin afzonderlijk en controleerbaar is opgenomen.

  • 3.

    Het college kan, wanneer daartoe aanleiding bestaat, binnen de subsidieverantwoording een deelwaarneming uitvoeren en de subsidieontvanger verplichten de hiervoor benodigde gegevens en bescheiden te verstrekken.

  • 4.

    Indien uit de deelwaarneming blijkt dat de subsidieverantwoording onjuist, onvolledig of in strijd met de aan de subsidie verbonden verplichtingen is, kan het college de subsidie lager vaststellen, intrekken of terugvorderen.

  • 5.

    Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking bepalen dat meer, andere, of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

 

Artikel 17. Aanvraag vaststelling subsidies van meer dan € 100.000

  • 1.

    Bij subsidies van meer dan € 100.000 per kalenderjaar of per activiteit, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

    • a.

      Op 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, in het geval de subsidie niet voor het tijdvak van een kalenderjaar is verleend.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;

    • b.

      een financieel verslag waarin de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten afzonderlijk en controleerbaar inzichtelijk worden gemaakt;

    • c.

      een controleverklaring opgesteld door een onafhankelijk accountant, die uitsluitend betrekking heeft op de subsidieverantwoording, overeenkomstig het door het college vastgestelde verantwoording- en accountantscontroleprotocol;

    • d.

      indien sprake is van een subsidieverlening van meer dan € 500.000: de jaarrekening van het betreffende boekjaar, uitsluitend ten behoeve van dossiervorming;

    • e.

      indien de organisatie voor het betreffende boekjaar reeds beschikt over een controleverklaring bij de volledige jaarstukken, kan worden volstaan met deze controleverklaring, mits deze verklaring tevens een expliciet oordeel bevat over de subsidieverantwoording die als bijlage bij de jaarstukken is opgenomen.

  • 3.

    Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking bepalen dat meer andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

 

Artikel 18. Subsidievaststelling door het college subsidies van meer dan € 10.000

  • 1.

    Het college stelt een subsidie als bedoeld in artikel 15, tweede lid, artikel 16, eerste lid en artikel 17, eerste lid uiterlijk 31 oktober volgend op de datum waarop het verzoek tot vaststelling is ingediend vast, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.

  • 2.

    Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd.

  • 3.

    Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

  • 4.

    Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 16, eerste lid en 17, eerste lid, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.

 

Artikel 19. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  • 1.

    Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze.

  • 2.

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities.

  • 3.

    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

 

Artikel 20. Indexering

  • 1.

    Voor structureel verleende subsidies wordt het subsidiebedrag jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de door de gemeenteraad in de Programmabegroting of in andere door de raad vastgestelde financiële besluiten opgenomen indexeringspercentages. De indexering kan zowel positief, negatief als nul zijn.

  • 2.

    Het college past de in het eerste lid bedoelde indexering toe, tenzij de gemeenteraad in de Programmabegroting of in een ander door de raad vastgesteld financieel besluit een afwijkende aanpassing heeft bepaald, dan wel in de toepasselijke subsidieregeling van het college uitdrukkelijk anders is bepaald.

  • 3.

    De gemeenteraad kan, gelet op de ontwikkeling van loon-, prijs- of overige relevante kosten, voor bepaalde programma’s, subsidieregelingen, categorieën subsidies of individuele subsidies een afwijkend indexeringspercentage vaststellen. Dit besluit van de gemeenteraad gaat voor boven de in het eerste lid bedoelde algemene indexering.

 

Artikel 21. Hardheidsclausule

  • 1.

    Als een bij of krachtens deze verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de te dienen belangen, kan het college een andere termijn vaststellen.

  • 2.

    In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.

  • 3.

    Toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit.

 

Artikel 22. Slotbepalingen

  • 1.

    De Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023 wordt ingetrokken per 1 april 2026.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 april 2026.

  • 3.

    Op aanvragen om verlening van subsidie die zijn ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023 van toepassing.

  • 4.

    Op aanvragen om vaststelling van subsidie die zijn verleend voor inwerkingtreding van deze verordening zijn de bepalingen van de ASV 2023 van toepassing.

  • 5.

    Na inwerkingtreding van deze verordening berusten de subsidieregelingen genoemd in bijlage 1 behorend bij deze verordening (mede) op artikel 3, tweede lid, van deze verordening.

  • 6.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026.

 

 

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland in zijn openbare vergadering van 5 maart 2026.

P.M.W. Goossens-Smits, griffier

J. Chr. van der Hoek MBA, voorzitter

TOELICHTING ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING 2026

In de volgende hoofdstukken leest u eerst wat meer over de Algemene subsidieverordening 2026 (ASV) in het algemeen. Vervolgens vindt u toelichtingen van de artikelen uit de ASV 2026.

 

Algemeen

In dit hoofdstuk vindt u eerst een uitleg van wat de ASV inhoudt. Vervolgens leest u over hoe u verantwoording aflegt over de subsidie.

 

TOELICHTING ASV

De ASV is een wettelijk voorschrift dat door de gemeenteraad is vastgesteld

De ASV stelt grenzen over het beleid en het budget voor subsidieverstrekking. Ook legt de gemeenteraad met de ASV de belangrijkste spelregels vast. Het college moet zich hieraan houden bij de subsidieverstrekking.

 

U kunt de ASV niet los zien van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In titel 4.2 van de Awb leest u ook wanneer u subsidie krijgt. De bepalingen in de ASV zijn voor een deel een aanvulling en voor een deel een uitwerking van de Awb. Staat de bepaling ook al in de Awb? Dan is het uitgangspunt dat dit niet ook in de ASV staat.

 

De informatie in de ASV is niet gelijk aan de informatie in wettelijke voorschriften (subsidieregelingen)

In de Awb staat namelijk specifiek beschreven voor welke activiteiten subsidie verstrekt kan worden. Het uitgangspunt van de Awb is dat subsidieverlening een wettelijke grondslag heeft. De ASV biedt meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de subsidieverlener en subsidieontvanger. Dit verbetert niet alleen de rechtszekerheid, maar ook de afwikkeling van de subsidierelatie.

Een wettelijk voorschrift dwingt de subsidieverstrekker om zich af te vragen:

  • 1.

    wat de doeleinden van de subsidieverstrekking zijn;

  • 2.

    welke voorschriften er nodig zijn;

  • 3.

    welke bevoegdheden er nodig zijn.

 

Het wettelijk voorschrift (subsidieregeling) moet aan twee minimumeisen voldoen

Alleen hiermee bereik je de beoogde doelmatigheid en de rechtszekerheid. Beoogde doelmatigheid betekent dat de subsidie ook daadwerkelijk wordt besteed aan de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend en dat hiermee de doelen worden gehaald die de subsidieverstrekker met de subsidieverlening voor ogen heeft. De twee eisen zijn:

  • 1.

    Beschrijf de activiteiten waarvoor de subsidie verleend kan worden.

  • 2.

    De wettelijke regeling moet een basis bieden voor de verplichtingen die de subsidieverstrekker aan de subsidieontvanger oplegt. Dit geldt alleen als dit niet in de Awb zelf staat.

Voor deze twee eisen gelden wel uitzonderingen. Deze zijn vastgelegd in artikel 4:23, derde lid, van de Awb.

 

Verantwoording van de subsidies

De verantwoording van de subsidie gaat uit van de volgende vier punten:

  • 1.

    Een redelijke verhouding (proportionaliteit) tussen het subsidiebedrag en de administratieve lasten.

  • 2.

    Sturing op activiteiten en hoofdlijnen.

  • 3.

    De definities, processtappen en verplichtingen zijn eenvoudig en uniform beschreven.

  • 4.

    Het beleid om misbruik te voorkomen. Hierbij houden we door risicoanalyses toezicht en controle.

 

1. Proportionaliteit door drie standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen

Welk arrangement (regeling) voor u geldt, heeft te maken met de hoogte van het subsidiebedrag. De ASV gaat uit van een redelijke verhouding (proportionaliteit) tussen het subsidiebedrag en de administratieve lasten. Hoe lager het subsidiebedrag, hoe makkelijker de aanvraagprocedure en de verantwoording is. Dit doen wij door drie standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen in te voeren. Welke arrangement wij gebruiken, hangt af van de hoogte van het subsidiebedrag:

  • Tot een bedrag van € 10.000 stellen we de subsidie direct of na verlening officieel vast.

  • Van € 10.000 tot € 100.000 vindt verantwoording over de activiteit(en) plaats.

  • Vanaf € 100.000 legt u verantwoording af over de kosten en activiteit(en).

Voor kleine subsidiebedragen nemen we meer risico en gaan we uit van vertrouwen. Dit betekent dat we bij kleine subsidies niet standaard om een verantwoording vragen. Komt de ontvanger de verplichtingen niet na? Of kan de ontvanger de activiteit waarvoor de subsidie is verleend niet (helemaal) leveren? Dan geldt er een actieve meldingsplicht voor de ontvanger. Wij controleren dit achteraf via steekproeven.

 

2. Sturing op activiteiten en hoofdlijnen

In het verleden was de verantwoording van de meeste subsidies gericht op een verantwoording van de kosten. Doordat de overheid administratieve verplichtingen oplegde, kregen burgers, bedrijven en instellingen te maken met hoge administratieve kosten en uitvoeringskosten. Twee voorbeelden hiervan zijn:

  • gedetailleerde kostenverantwoordingen;

  • verplichtingen over het bijhouden van een urenadministratie.

 

We verminderen de administratieve lasten fors door:

  • meer te kijken naar de afrekening op basis van activiteiten;

  • door de details van de financiële verantwoording bij kleine subsidies weg te laten.

 

3. De definities, processtappen en verplichtingen zijn eenvoudig en uniform beschreven

Dit betekent dat definities, processtappen en verplichtingen bij iedere subsidie eenvoudig en op dezelfde manier zijn beschreven. Bij verplichtingen gaat het om standaard termijnen voor:

  • de subsidieontvanger en de subsidieverstrekker;

  • het toepassen van dezelfde berekeningen van uurtarieven en andere kosten.

 

4. Het beleid om misbruik te voorkomen.

Het vierde uitgangspunt is het werken vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen. We belasten niet meer alle subsidieontvangers in alle gevallen met verantwoordingen, verslagen en controles.

We geven meer aandacht aan de risicogebieden en -groepen en aan de uitzonderingen. Dit betekent dat de subsidieontvanger meer eigen verantwoordelijkheid krijgt. Verricht de subsidieontvanger de activiteiten niet waarvoor subsidie is ontvangen? Of voldoet de subsidieontvanger niet aan de subsidieverplichtingen? Dan moet de subsidieontvanger dit direct schriftelijk melden. Om misbruik te voorkomen, moet de subsidieontvanger aan verplichtingen voldoen. Hierdoor kunnen we op verantwoorde wijze een deel van de sturing loslaten.

 

Toelichting per artikel

 

In dit hoofdstuk leest u van elk artikel een toelichting. Alleen de leden van de artikelen die een toelichting nodig hadden, zijn meegenomen.

 

ARTIKEL 1. DEFINITIES

In dit artikel staan de definities weergegeven uit de verordening. Deze definities gelden niet alleen voor de ASV 2026, maar ook voor de wettelijke subsidieregelingen. De definities staan daarom alleen in de ASV 2026 beschreven. Wij mogen verder niet van deze definities afwijken.

Voor de definitie van ‘subsidie’ geldt een uitzondering

Deze definitie staat niet in de ASV 2026. De definitie van ‘subsidie’ staat namelijk alleen beschreven in artikel 4:21 van de Awb: “de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.”

Ook garanties en leningen kunnen vallen onder het begrip ‘subsidie’. Zie CBb 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:317, en CBb 01-05-2018, ECLI:NL:CBB:2018:237.

 

ARTIKEL 2. REIKWIJDTE

In dit artikel staat beschreven voor welke subsidies de ASV geldt.

Lid 1. De ASV geldt voor bijna alle subsidies die het college verstrekt

De ASV geldt niet voor:

  • 1.

    Subsidies waarop een andere subsidieverordening van toepassing is en waarin alle onderwerpen over die subsidie zijn opgenomen;

  • 2.

    Subsidies waarvoor geen wettelijke basis nodig is (artikel 4:23, derde lid, onder a, b en d van de Awb).

 

Lid 2. Het college krijgt de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren op incidentele subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is (artikel 4:23, derde lid, onder d van de Awb).

Dit geldt alleen als daar een aanleiding voor is. Een incidentele subsidie is bedoeld voor gevallen waarin zowel het aantal subsidieontvangers als het tijdvak van subsidiëring beperkt is. Uit de jurisprudentie volgt dat een subsidie incidenteel is als er geen wettelijk voorschrift, beleidsregel of vaste bestuurspraktijk is omtrent het door het subsidiërend bestuursorgaan verstrekken van subsidie voor de gesubsidieerde activiteit. De incidentele subsidie is dus bedoeld voor gevallen waarin er geen wetgeving of beleid is voor de activiteiten waarvoor de subsidie is aangevraagd, maar het bestuursorgaan de betreffende activiteit toch graag wil subsidiëren. Een duidelijk voorbeeld van een incidentele subsidie is een subsidie voor de viering van een jubileum van een vereniging. Het verstrekken van incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het college.

 

ARTIKEL 3. BEVOEGDHEID

Lid 1. Het college is bevoegd te beslissen tot subsidieverstrekking

Hiermee bedoelen we dat het college beslissingen mag nemen over het verlenen van subsidie. Het begrip ‘subsidieverstrekking’ gaat over alle besluiten en handelingen met betrekking tot subsidies. Denk hierbij aan subsidieverlening en subsidievaststelling. Hieronder vallen de volgende onderdelen:

  • Weigering

  • Bevoorschotting

  • Betaling

  • Terugvordering

  • Wijziging

  • Intrekking

  • Het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures

De bevoegdheid van het college tot subsidieverstrekking geldt niet onbeperkt

Dit komt doordat de gemeenteraad de ASV vaststelt. Hierdoor bepalen zij wat de buitengrens is voor de bevoegdheid tot subsidieverstrekking. Als eerste is deze grens te zien in het gemeentelijk beleid. Hierin staat beschreven dat de gemeenteraad een kaderstellende rol heeft. Ook beschikt de gemeenteraad over het exclusieve budgetrecht. Het college kan alleen subsidie verstrekken als de gemeenteraad daarvoor middelen heeft. Door rekening te houden met deze middelen kan het college de subsidieplafonds vaststellen. Het subsidieplafond is het hoogste bedrag dat beschikbaar is voor een subsidie. Het college weet zo precies welk geld beschikbaar is voor de activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie (artikel 5).

Lid 2. Het college mag subsidieregelingen vaststellen voor het verstrekken van subsidies

Het college bepaalt hierbij wat de regels zijn voor de activiteiten waar subsidie voor wordt verleend. Als het college iets wil regelen over bepaalde onderwerpen, moet dit in de subsidieregeling vastgesteld zijn. Denk hierbij aan:

  • de doelgroepen die voor de subsidie in aanmerking komen;

  • de berekening van de subsidie;

  • de wijze van uitbetalen.

 

In de andere artikelen van de ASV staat dat het college in bepaalde gevallen mag afwijken van de ASV

Soms mag het college in de subsidieregeling afwijken van de ASV, zoals:

  • de artikelen over het afwijken van termijnen;

  • het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie;

  • de wijze van verdelen van het subsidieplafond.

Maakt het college geen gebruik van de bevoegdheid om subsidieregelingen vast te stellen?

Dan is het doorgaans niet mogelijk om subsidie te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat de subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling. In deze subsidieregeling staan de activiteiten vermeld waarvoor het college subsidie verleent.

 

ARTIKEL 4. BEGROTINGSSUBSIDIES

Begrotingssubsidies hebben met name betrekking op subsidies met een gering aantal ontvangers. Door in de begroting de subsidieontvanger en de maximumsubsidie te vermelden, is reeds publieke controle op de subsidiëring mogelijk.

De op het gelijkheidsbeginsel en het bieden van gelijke kansen berustende rechtsnorm dat bij verdeling van schaarse subsidiemiddelen door het bestuur op enige wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare subsidiemiddelen mee te dingen geldt ook voor begrotingssubsidies, waarbij een beperking van mededingingsruimte dan op andere wijze dan in een wettelijk voorschrift moet worden geregeld (ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3399). Deze rechtspraak is in dit artikel verwerkt.

 

ARTIKEL 5. STAATSSTEUNREGELS

Lid 1. Het college is bevoegd om af te wijken van de ASV om te voldoen aan het Europees steunkader

Om ervoor te zorgen dat subsidies in overeenstemming zijn met het Europees steunkader, moet de subsidie voldoen aan het toepasselijke steunkader. Wat een steunkader is leest u bij definities.

Lid 2 en 3. Het toepasselijke kader moet vermeld staan bij subsidies met een steunkader

Maken subsidieregelingen en -beschikkingen gebruik van het Europees steunkader? Dan moet het toepasselijke kader expliciet vermeld staan.

Lid 4 en 5. Steun die valt onder het Europees steunkader moet voldoen aan eisen en voorwaarden

Activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie moeten dan voldoen aan de eisen en voorwaarden van het steunkader (lid 4). Ook ondernemingen komen alleen in aanmerking voor subsidie als de subsidievertrekking voldoet aan de voorwaarden van het steunkader (lid 5).

 

ARTIKEL 6. SUBSIDIEPLAFOND EN BEGROTINGSVOORBEHOUD

Lid 1 en 3. Het college stelt de subsidieplafonds vast en bepaalt dan de wijze van verdeling

Het college stelt binnen de door de raad gestelde kaders (budgetrecht) het subsidieplafond voor het gehele subsidieprogramma vast. Per subsidieregeling kan daarbij nog een apart subsidieplafond worden ingesteld (uiteraard passend binnen het gehele subsidieplafond). Wanneer het college de subsidieplafonds bekendmaakt, maakt het college ook duidelijk hoe het de subsidies verdeelt. Deze informatie staat ook vermeld in artikel 4:26, lid 2 van de Awb. In de ASV staat verder niet beschreven wat de verdeling is van de subsidies.

Het bekendmaken van subsidieplafonds kan ook gedaan worden door te verwijzen naar de subsidieregeling. In de subsidieregeling staat de verdeling van de subsidies namelijk ook vastgelegd. Hierbij is het belangrijk dat het om een geldende subsidieregeling gaat. Is dit niet het geval? Dan moeten de subsidieregeling en het subsidieplafond tegelijk in werking treden. Ook kan de subsidieregeling in werking treden voor het vaststellen van het subsidieplafond. Alleen kunnen hierbij de aanvragen wel pas na het vaststellen van het subsidieplafond ingediend worden. Dienen subsidieaanvragers een aanvraag in voordat het subsidieplafond is vastgesteld? Dan kunnen zij geen bezwaar maken tegen het subsidieplafond. Zie hiervoor ook artikel 4:27, lid 2 van de Awb.

Lid 4. Het college is in bepaalde gevallen verplicht om een begrotingsvoorbehoud te maken als zij de bevoegdheid heeft voor subsidieverlening

Dit betekent dat als het college een subsidie verleent op basis van de gemeentelijke begroting die nog niet is vastgesteld, in de subsidieverleningsbeschikking een voorbehoud moet worden gemaakt voor het verlenen van de subsidie. Dit betekent dat als blijkt dat er onvoldoende geld beschikbaar is gesteld door de gemeenteraad, het college de subsidieverlening kan intrekken. Deze informatie staat ook in artikel 4:34, lid 1 van de Awb.

 

ARTIKEL 7. AANVRAAG

Lid 1. Een subsidieaanvraag gebeurt via de website van de gemeente met eHerkenning of DigiD/eIDAS

Is hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld? Dan moet dit formulier gebruikt worden voor de aanvraag van de subsidie.

Lid 2 en 3. In deze leden staat welke gegevens nodig zijn vanuit de aanvrager

In deze leden staat welke gegevens en documenten een aanvrager in ieder geval moet aanleveren bij een subsidieaanvraag. Dit zorgt ervoor dat het college uw aanvraag goed en volledig kan beoordelen. Het gaat onder andere om een beschrijving van de activiteit (sub a), de doelen (sub b) en de statuten van uw organisatie als u voor het eerst subsidie aanvraagt (lid 3).

Hieronder lichten we enkele onderdelen verder toe.

Lid 2 sub c. De begroting en de controleverklaring

Elke aanvraag moet een begroting en een dekkingsplan bevatten. In de begroting laat u zien wat de verwachte kosten zijn. In het dekkingsplan laat u zien hoe u deze kosten gaat betalen (bijvoorbeeld met de aangevraagde subsidie, eigen inkomsten of subsidies van andere organisaties).

Voor subsidies boven een bepaald bedrag (zie artikel17) stelt de gemeente een controleverklaring van een accountant verplicht. Deze verklaring geeft de gemeente zekerheid dat de subsidie correct is besteed.

Lid 2 sub e. Voor ondernemingen zijn er twee extra eisen voor het aanvragen van subsidie

Bij het verstrekken van subsidie aan een onderneming moet de regeling namelijk overeenkomen met de gegevens in de artikelen 107 en 108 van het VWEU. Het VWEU is het Verdrag over de werking van de Europese Unie. De twee eisen zijn:

  • 1.

    Zorg voor een overzicht van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen voor de activiteiten waar subsidie voor is aangevraagd. Het gaat hierbij om elke vorm die met staatsmiddelen betaald of ontvangen zijn. Hiermee voorkomen we dat ondernemingen subsidies aanvragen die wettelijk niet zijn toegestaan (lid 2, onder e, sub 1°).

  • 2.

    Een subsidie onder een de-minimisverordening verlenen? Dan moet de onderneming een de-minimisverklaring overleggen (lid 2, onder e, sub 2°). Met een ingeleverde de-minimisverklaring moet het college controleren of de subsidie overeenkomt met de de-minimisverordening.

Lid 4. Bij de subsidieregeling kan het college besluiten om af te wijken van de informatie in artikel 6

Dit kan bijvoorbeeld bij het aanvragen van bepaalde subsidies, waarbij het college meer of andere gegevens en documenten eist.

 

ARTIKEL 8. AANVRAAGTERMIJN

In dit artikel staat wanneer de subsidieaanvraag uiterlijk moet zijn ingediend.

Lid 1, 2, 3 en 4. De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie

De ASV maakt onderscheid tussen subsidies die voor één of meerdere kalenderjaren (een tijdvak) worden verstrekt en andere soorten subsidies. Andere soorten subsidies zijn bijvoorbeeld subsidies voor projecten of activiteiten die incidenteel zijn. Deze subsidies verstrekken we niet voor een bepaald tijdvak zoals één of meerdere kalenderjaren. De aanvragen voor de andere soorten subsidies kunnen in principe het hele jaar door worden ingediend, tenzij een subsidieregeling een termijn of uiterste datum heeft. Dan kan de aanvraag niet het hele jaar ingediend worden (lid 4).

 

ARTIKEL 9. BESLISTERMIJN EN BESLISSING OP DE AANVRAAG

In artikel 9 staat wat de termijnen voor het college zijn om beslissingen te nemen over een subsidieaanvraag.

Lid 1, 2 en 3. De beslistermijn is afhankelijk van het soort subsidie

Ook hierbij maakt de ASV onderscheid tussen subsidies die voor een of meerdere kalenderjaren (een tijdvak) worden verstrekt en andere soorten subsidies.

  • 1.

    Voor kalenderjaarsubsidies geldt dat het college uiterlijk op 31 oktober een beslissing neemt (lid 1). Dit is voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor de aanvraag geldt. De subsidieverlening is uiterlijk op 31 december definitief indien:

    • de gemeenteraad de begroting heeft vastgesteld;

    • geen beroep is gedaan op het begrotingsvoorbehoud.

  • 2.

    Voor andere soorten subsidies moet het college de beslissing binnen 12 weken na ontvangst de aanvraag beslissen (lid 2).

Bij de subsidieregeling kan het college besluiten om af te wijken van de beslistermijnen uit het eerste en tweede lid (lid 3).

Lid 4. Wordt de aanvraag voor de subsidie aangemeld bij de Europese Commissie?

Dan stellen we de beslistermijn uit totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Hierdoor voorkomen we dat de subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU.

 

ARTIKEL 10. WEIGERINGSGRONDEN

Lid 1. Hierin staat wat de algemeen geldende redenen zijn om een subsidie te weigeren

Deze redenen (gronden) zijn een aanvulling op de redenen in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb.

Hoewel het om staatssteun gaat, is het soms mogelijk om steun te verlenen via een vrijstellingsverordening. In dat geval kan het college genoegen nemen met een lichte kennisgevingsprocedure. Bij een kennisgevingsprocedure wordt de Europese Commissie op de hoogte gesteld van de steun. Kan er geen steun verstrekt worden via de vrijstellingsverordening? Dan moet er goedkeuring vanuit de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Keurt de Europese Commissie de steun niet goed? Dan moet het college de steun ook weigeren (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).

Staat er een bevel tot terugvordering uit?

Dan verbieden bepaalde Europese steunkaders alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening (dit kan de ASV zijn of een subsidieregeling). Ze verbieden dan niet het verlenen van subsidies in het algemeen. De weigeringsgronden in de ASV zijn hier een verbreding van. Door de formulering in het eerste lid, onder b, geldt dit ook voor subsidies in het algemeen en als er een bevel tot terugvordering uitstaat en niet alleen voor subsidies die op grond van de ASV worden verstrekt.

Lid 2. Hierin is een verplichte weigeringsgrond opgenomen voor subsidieverstrekkingen die in strijd zijn met het Europees Steunkader

Het college moet de subsidie in deze gevallen weigeren, omdat zij anders subsidie verstrekken aan een aanvrager met een onderneming die in moeilijkheden verkeert of omdat de subsidie geen stimulerend effect heeft. Dit blijkt uit het toepasselijke steunkader. Een stimulerend effect betekent dat de aanvrager door de steun in staat is om activiteiten of projecten uit te voeren die zij zonder de steun niet kan uitvoeren. Dit betekent ook dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit start.

De Europese Commissie oordeelt of een onderneming in moeilijkheden verkeert. Dit is het geval als de onderneming vrijwel zeker verdwijnt als de overheid niet ingrijpt op korte of middellange termijn. Meer informatie hierover is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01).

Lid 3. Hierin staan een paar niet verplichte weigeringsgronden

Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is niet verplicht om te weigeren. Deze weigeringsgronden zijn een aanvulling op de regels in artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

De weigeringsgrond van sub a heeft betrekking op drie situaties:

  • als de te subsidiëren activiteiten niet plaatsvinden in de gemeente;

  • als de activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetene, of;

  • als de activiteiten onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

Voor de duidelijkheid: met het woord ‘of’ komt tot uitdrukking dat het college bevoegd is om de subsidie te weigeren als er sprake is van één van de drie genoemde situaties.

Onder c bij lid 3 staat dat het college een aanvraag kan weigeren als de subsidieverstrekking niet is toegestaan, dan nadat deze volgens artikel 108 (derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure)) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidievertrekking die niet is toegestaan, omdat deze óf in strijd is met de toepasselijke cumulatieregels óf een overschrijding is van het toegestane bedrag aan de-minussteun.

Het college kan in deze gevallen weigeren de subsidie te verstrekken of de subsidie melden bij de Europese Commissie. Via de Europese Commissie kan eventueel goedkeuring verkregen worden.

Gaat het college over tot melding? Dan wordt door de standstill-verplichting de beslistermijn uitgesteld totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, lid 4). Besluit de Europese Commissie om de subsidieverstrekking niet goed te keuren? Dan weigert het college de aanvraag alsnog (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die goedgekeurd is, kunnen we uiteraard ook om een andere reden weigeren.

Komt de Europese Commissie tot het oordeel dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU? Dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit blijkt uit artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Hierover staat verder geen bepaling in de ASV, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun komt.

Bij d van lid 3 staat dat het college bevoegd is om in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen. Denk hierbij aan weigeringsgronden die specifiek samenhangen met de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd.

 

ARTIKEL 11. BETALING VOORSCHOTTEN SUBSIDIES

In dit artikel zijn de betalingstermijnen van voorschotten vastgelegd.

 

ARTIKEL 12. ALGEMENE MELDINGS- EN INFORMATIEPLICHT SUBSIDIEONTVANGER

Lid 1. De subsidieontvanger heeft een meldingsplicht aan het college

Voert de ontvanger de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet op tijd uit? Dan moet de subsidieontvanger dit altijd meteen melden aan het college.

Lid 2. De subsidieontvanger heeft een informatieplicht

De subsidieontvanger informeert het college schriftelijk over bijvoorbeeld procedures en wijzigingen. Onder ‘schriftelijk’ wordt ook digitale communicatie verstaan, indien door het college aangeboden.

 

ARTIKEL 13. AAN EEN SUBSIDIE TE VERBINDEN BIJZONDERE VERPLICHTINGEN

Lid 1. Verplichte binding met de gemeente

De verplichting van het eerste lid valt uiteen in drie onderdelen. Voor de duidelijkheid: met het woord ‘en’ komt tot uitdrukking dat een subsidieontvanger moet voldoen aan alle drie de onderdelen van dit artikellid. Deze verplichting ligt daarmee in het verlengde van artikel 10 lid 3 sub a. Als niet wordt voldaan aan één van de onderdelen, bijvoorbeeld als een activiteit niet in de gemeente heeft plaatsgevonden, heeft een subsidieontvanger niet voldaan aan deze verplichting.

Lid 2. De mogelijkheid om een tussenrapportage te vragen is voor het college beperkt

Dit heeft te maken met het beperken van de administratieve lasten. Is er voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend meer dan 12 maanden nodig? Dan mag het college een tussentijdse voortgangsrapportage vragen. Dit geldt alleen niet voor subsidies lager dan € 50.000.

Lid 3. Het college mag in bepaalde gevallen ‘bijzondere’ verplichtingen verbinden aan de subsidie

Dit is een aanvulling op wat staat in artikel 4:37 van de Awb. Zo kan het college verplichtingen opleggen die helpen bij het behalen van het doel van de subsidie. Dit kunnen bijvoorbeeld eisen zijn over de deskundigheid van de personen die de activiteit uitvoeren waar subsidie voor wordt verleend.

Lid 4. Het college mag verplichtingen opleggen die niet te maken hebben met het behalen van het eigenlijke doel van de activiteit

Dit mag het college verder niet zien als een vrijbrief. De verplichtingen moeten namelijk wel een verband hebben met de activiteit waarvoor de subsidie wordt verleend. Deze verplichtingen kunnen bijvoorbeeld gaan over het leveren van extra inspanning om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de activiteiten waarvoor we de subsidie verlenen. Of om activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te voeren. Uit de toelichting op de Awb blijkt dat we met subsidieverplichtingen die geen relatie hebben met het doel van de activiteit waarvoor subsidie wordt verleend, voorzichtig moeten zijn (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Maakt het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik? Dan moeten zij dat duidelijk motiveren.

Lid 5. Heeft het verstrekken van subsidie geleid tot vermogensvorming?

Dan is de subsidieontvanger aan de gemeente Schouwen-Duiveland een vergoeding verschuldigd. Dit staat ook in artikel 4:41 van de Awb. Het gaat hierbij om de volgende gevallen:

  • 1.

    De subsidieontvanger vervreemdt, bezwaart of wijzigt de bestemming van de gebruikte of bestemde goederen. Deze goederen gebruikt de subsidieontvanger voor de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2.

    De subsidieontvanger ontvangt een schadevergoeding voor verlies of diefstal van de gebruikte of bestemde goederen.

  • 3.

    De subsidieontvanger stopt helemaal of gedeeltelijk met het uitvoeren van de activiteiten waar de subsidie is verleend.

  • 4.

    De subsidieontvanger trekt de subsidieverlening of de subsidievaststelling in of beëindigt deze.

  • 5.

    De rechtspersoon (bijvoorbeeld het bedrijf) die de subsidie ontving, wordt ontbonden.

Lid 6 en 7. Hierin staat hoe de hoogte van de vergoeding vastgesteld moet worden

De vergoedingsplicht geldt alleen als dit is weergegeven in de verordening, de subsidieregeling of de subsidiebeschikking. Het college moet hierbij vermelden hoe het de hoogte van de vergoeding heeft berekend. Dit hoeft geen volledige compensatie te zijn. Vaak is dit alleen aan de orde bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het kan ook in andere gevallen voorkomen (lid 6). Daarnaast kan het college zo nodig regels opstellen over het vaststellen van de hoogte van de vergoeding (lid 7).

 

ARTIKEL 14. EGALISATIERESERVE

Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger

Met een egalisatiereserve kan de subsidieontvanger exploitatierisico’s dekken. De egalisatiereserve werkt als een buffer. Hiermee kunnen tekorten in het ene jaar worden opgevangen met overschotten in het andere jaar.

Dit artikel heeft het doel dat de subsidieontvanger de egalisatiereserve doelmatig besteedt

Ook zorgt dit artikel voor een doelmatig beheer van de subsidiegelden. Jaarlijks mogen we maximaal 10 % van de subsidie toevoegen aan de egalisatiereserve. De totale egalisatiereserve mag maximaal 25 % bedragen van de laatst vastgestelde subsidie. De egalisatiereserve mag niet minder zijn dan € 0. De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb.

Dit artikel is op basis van de artikelen 4:58 en 4:72 van de Awb alleen van toepassing als:

  • 1.

    een subsidie voor één of meerdere boekjaren is verstrekt aan een rechtspersoon; en

  • 2.

    dit in de ASV, een subsidieregeling of bij een subsidieverlening van toepassing is verklaard.

Het college heeft afdeling 4.2.8 van de Awb en daarmee ook artikel 4:72 niet van toepassing verklaard. Toch is de bepaling wel gewenst. Daarom namen we de bepaling wel op in de ASV.

Lid 1 en 2. Voor het vormen van een egalisatiereserve maken we onderscheid in een subsidie van meer en minder dan € 100.000 per kalenderjaar

Als uw organisatie meer dan € 100.000 subsidie per jaar ontvangt, bent u verplicht om een egalisatiereserve op te bouwen. U moet deze reserve duidelijk en apart vermelden in uw boekhouding.

 

Subsidieontvangers van andere soorten subsidies mogen geen egalisatiereserve vormen.

De toepassing van lid 1 en 2 heeft alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.

 

Lid 3. Waar mag u het geld voor gebruiken?

Het geld uit de egalisatiereserve mag u alleen gebruiken voor de activiteiten waarvoor u de subsidie heeft gekregen. U zet het in als de subsidie van dat jaar niet genoeg is om alle kosten te dekken. Het is dus bedoeld om tekorten op te vangen.

 

Lid 4. Hoe werkt het vullen en gebruiken van de reserve?

Als u aan het eind van het jaar geld overhoudt (een positief resultaat), voegt u dat geld toe aan de egalisatiereserve.

Als u aan het eind van het jaar geld tekortkomt (een negatief resultaat), haalt u het benodigde bedrag uit de reserve.

 

Lid 5 Verantwoording

Wanneer u de definitieve vaststelling van de subsidie aanvraagt, moet u ook laten zien wat u met de egalisatiereserve heeft gedaan (hoeveel erin is gestopt of eruit is gehaald).

 

Lid 6. Limiet op jaarlijks sparen

U mag jaarlijks niet meer dan 10% van het subsidiebedrag van dat jaar aan de reserve toevoegen. Kreeg u bijvoorbeeld € 200.000 subsidie, dan mag u dat jaar maximaal € 20.000 in de reserve stoppen, ook al hield u eind van het jaar meer geld over.

 

Lid 7. Maximale opname en toevoeging

U kunt nooit meer geld uit de reserve halen dan erin zit. U kunt ook nooit meer geld aan de reserve toevoegen dan de maximale omvang (zie lid 8).

 

Lid 8. Maximale grootte van de reserve

De totale egalisatiereserve mag nooit groter zijn dan 25% van de laatst ontvangen jaarsubsidie. Is uw laatste subsidie € 200.000, dan mag er in totaal nooit meer dan € 50.000 in uw reservepot zitten. Het minimum is uiteraard € 0.

 

Lid 9. Wat gebeurt er met geld dat "over" is?

Stel, u heeft een meevaller die groter is dan wat u maximaal aan de reserve mag toevoegen. De gemeente kan dit extra bedrag dan in mindering brengen op uw subsidie. U moet dit bedrag dan dus terugbetalen.

 

ARTIKEL 15. VASTSTELLING SUBSIDIES TOT € 10.000

Lid 1. Subsidies tot € 10.000 stelt het college direct vast

Deze subsidies kunnen we namelijk op vertrouwen verstrekken. We vragen dan niet standaard om verantwoording. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij het niet nakomen van de verplichtingen (zie artikel 11). We voeren controles uit om dit na te gaan bij de subsidieontvangers (lid 4). Is de subsidieontvanger al (positief) bekend? Dan kan de subsidie bij een klein bedrag direct worden vastgesteld en uitbetaald.

Lid 2. Het college kan bepalen dat eerst een verstrekking voorafgaat aan de vaststelling van de subsidie

Hierbij verstrekken we eventueel een voorschot in één termijn. De lasten worden hierdoor voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker verminderd. Het risico blijft hierbij voor de gemeente beperkt.

Lid 3. In de subsidiebeschikking legt het college de volgende onderdelen vast:

  • 1.

    Wanneer de aanvraag tot vaststelling moet worden ingediend;

  • 2.

    Op welke wijze aangetoond moet worden dat de activiteiten zijn verricht;

  • 3.

    Op welke wijze de verplichtingen zijn nageleefd;

  • 4.

    Op welke wijze er rekening en verantwoording wordt afgelegd over de uitgaven en inkomsten van de activiteiten.

Lid 4. Achteraf kan een risicogericht controle plaatsvinden bij de subsidieontvanger

Hiermee controleren we of de subsidieontvanger de verplichtingen wel nakomt.

 

ARTIKEL 16. AANVRAAG VASTSTELLING SUBSIDIES TUSSEN € 10.000 EN € 100.000

In dit artikel staat hoe subsidieontvangers subsidie tussen € 10.000 en € 100.000 aan het college moeten verantwoorden. Dit proces heet de 'aanvraag tot vaststelling'.

Lid 1. Termijn indiening aanvraag

U moet uw aanvraag tot vaststelling uiterlijk op 1 juni indienen in het jaar nadat de activiteiten hebben plaatsgevonden. Als uw subsidie niet voor een heel kalenderjaar is verleend, geldt een termijn van 12 weken na afloop van de activiteit.

Lid 2 sub a. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag

De aanvraag tot vaststelling moet een compleet beeld geven van wat er met de subsidie is gebeurd. Hiervoor dient u altijd de documenten in genoemd in het tweede lid.

In het inhoudelijk verslag (lid 2 sub a) staat in hoeverre de activiteiten zijn verricht waarvoor de subsidie is verkregen. Ook staat in het verslag of de subsidieontvanger aan de verplichtingen heeft voldaan.

De subsidieontvanger kan ook al vooraf bij de subsidieverlening aangeven op welke manieren de activiteiten en verplichtingen plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals:

  • 1.

    bestuurs- en activiteitenverslagen;

  • 2.

    een managementverklaring;

  • 3.

    een deskundigenverklaring;

  • 4.

    andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie).

Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is gebruikt voor het doel waarvoor we de subsidie verlenen.

Lid 3 en 4. Deelwaarneming

Met een deelwaarneming wordt bedoeld dat het college gericht een nadere controle kan uitvoeren op (een deel van) uw subsidieverantwoording. Dit gebeurt bijvoorbeeld als er onduidelijkheden zijn in het ingediende verslag, als bedragen sterk afwijken van eerdere jaren of als er signalen zijn dat verplichtingen mogelijk niet zijn nagekomen. Het kan ook gaan om een steekproef: in dat geval wordt bij een deel van de subsidieontvangers extra gecontroleerd of de verantwoording juist en volledig is.

Bij een deelwaarneming kan het college u vragen om extra informatie, zoals onderliggende facturen, bankafschriften, contracten, projectadministratie of nadere toelichtingen. U bent verplicht om deze gegevens en bescheiden te verstrekken, zodat het college kan beoordelen of de subsidie rechtmatig is besteed. Het doel van de deelwaarneming is om vast te stellen of uw verantwoording aansluit bij de werkelijkheid en of u zich aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden.

Als uit de deelwaarneming blijkt dat uw verantwoording onjuist, onvolledig of in strijd met de subsidievoorwaarden is, kan dat gevolgen hebben voor de hoogte van de definitieve subsidie. In dat geval kan het college besluiten de subsidie lager vast te stellen dan eerder was verleend. Ook kan het college de subsidie (gedeeltelijk) intrekken of reeds uitbetaalde bedragen (gedeeltelijk) terugvorderen.

Lid 5. Het college kan in een subsidieregeling of verleningsbeschikking aangeven dat zij andere instrumenten willen zien

In een specifieke subsidieregeling of in de 'verleningsbeschikking, kan het college besluiten om andere, meer of juist minder gegevens te vragen. Als dit voor u geldt, staat dit duidelijk in de regeling of in uw beschikking vermeldt.

 

ARTIKEL 17. AANVRAAG VASTSTELLING SUBSIDIES VAN MEER DAN € 100.000

Lid 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag, en een controleverklaring van een accountant

Bij subsidies van meer dan € 100.000 is de verantwoording zwaarder dan bij lagere subsidiebedragen. De gemeente verstrekt in deze gevallen aanzienlijke publieke middelen. Wij willen daarom extra zorgvuldig kunnen toetsen of deze rechtmatig en doelmatig zijn besteed. Daarom is naast een inhoudelijk en financieel verslag ook een controleverklaring van een onafhankelijk accountant verplicht.

Lid 2 sub a. Inhoudelijk verslag

In het inhoudelijk verslag beschrijft u in hoeverre de activiteiten zijn uitgevoerd zoals in de verleningsbeschikking is afgesproken. Ook licht u toe in hoeverre aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.

Lid 2 sub b. Financieel verslag

Het financieel verslag maakt afzonderlijk en controleerbaar inzichtelijk welke uitgaven en inkomsten verbonden zijn aan de gesubsidieerde activiteiten. Dit betekent dat duidelijk moet zijn welke kosten zijn gemaakt voor de gesubsidieerde activiteit, welke inkomsten (zoals eigen bijdragen, overige subsidies of sponsorgelden) hier tegenover staan, en hoe de gemeentelijke subsidie precies in deze financiële stromen is verwerkt.

Lid 2 sub c. Controleverklaring van een onafhankelijk accountant

De controleverklaring van een onafhankelijk accountant geeft het college extra zekerheid over de juistheid en rechtmatigheid van de subsidieverantwoording. De accountant toetst of de verantwoording voldoet aan het door het college vastgestelde verantwoording- en accountantscontroleprotocol. De controleverklaring heeft uitsluitend betrekking op de subsidieverantwoording (inhoudelijk en financieel) en bevestigt dat deze een getrouw beeld geeft en voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden.

Lud 2 sub d en e. Bij subsidieverlening van meer dan € 500.000: ook jaarrekening van het betreffende boekjaar

Bij een subsidieverlening van meer dan € 500.000 moet u daarnaast de jaarrekening van het betreffende boekjaar meesturen. Deze jaarrekening wordt door het college gebruikt voor de dossiervorming en het bredere financieel beeld van uw organisatie. Het gaat hierbij niet om extra controle-eisen, maar om aanvullende informatie die helpt om de subsidierelatie in context te plaatsen (bijvoorbeeld de financiële positie en continuïteit van de organisatie).

Als uw organisatie al beschikt over een controleverklaring bij de volledige jaarrekening, kan in sommige gevallen worden volstaan met die bestaande verklaring. Voorwaarde is dan wel dat de subsidieverantwoording als aparte bijlage bij de jaarstukken is opgenomen én dat de accountant in zijn controleverklaring een expliciet oordeel geeft over die bijlage.

Lid 3. In dit lid staat dat we in een subsidieregeling meer of minder informatie mogen vragen

In bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de eisen zoals opgenomen onder lid 2.

Lid 4. Meerdere subsidies, één controleverklaring

Ontvangt uw organisatie meerdere subsidies van de gemeente die allemaal boven de drempel van € 125.000 uitkomen? Dan hoeft u niet voor elke subsidie een aparte, volledige accountantscontrole te laten uitvoeren. U kunt in dat geval volstaan met één controleverklaring die betrekking heeft op alle betreffende subsidies en de jaarrekening. Dit bespaart u aanzienlijke kosten en administratieve lasten.

 

ARTIKEL 18. SUBSIDIEVASTSTELLING DOOR HET COLLEGE SUBSIDIES VAN MEER DAN € 10.000

Lid 1 en 2. Hierin staat in welke periode het college de beslissing moet nemen

Dit staat ook in artikel 4:13 van de Awb. Deze termijn kan met zes weken worden verdaagd. (lid 2). Ingewikkelde aanvragen kosten namelijk meer tijd. Deze zes weken geven het college meer tijd om een beslissing te nemen.

 

ARTIKEL 19. BEREKENING VAN UURTARIEVEN, UNIFORME KOSTENBEGRIPPEN

Lid 1. Maakt het college gebruik van uurtarieven in een subsidiabel kostenoverzicht?

Dan moeten zij de manier waarop zij de uurtarieven berekenen en de definities die daarbij horen vastleggen in een subsidieregeling.

Lid 3. Is er sprake van een Europees steunkader?

Dan mag het college alleen tarieven en kostenbegrippen gebruiken die in het Europees steunkader zijn vermeld.

 

ARTIKEL 20. INDEXERING

Dit artikel heeft tot doel het financiële kader voor structurele subsidies jaarlijks aan te passen aan de door de gemeenteraad vastgestelde indexeringspercentages. De indexering heeft betrekking op het beschikbare subsidiebudget of het subsidieplafond en leidt niet tot een automatische aanspraak op indexering van het individueel verleende subsidiebedrag. De uiteindelijke hoogte van de subsidie blijft afhankelijk van de ingediende aanvraag en van de jaarlijkse inhoudelijke en financiële afweging door het college en de raad.

Verder regelt dit artikel hoe structurele (meerjarige of jaarlijks terugkerende) subsidies automatisch worden aangepast aan kostenontwikkelingen, zoals loon- en prijsstijgingen. De gemeenteraad stelt hiervoor jaarlijks indexeringspercentages vast in de Programmabegroting of in andere financiële besluiten. Deze indexering kan omhoog (positief), omlaag (negatief) of gelijk blijven (nul zijn).

In principe past het college deze door de raad vastgestelde indexering automatisch toe op de structureel verleende subsidies. Alleen als de raad in de Programmabegroting of in een ander financieel besluit iets anders bepaalt, of als in een specifieke subsidieregeling van het college uitdrukkelijk is afgeweken, geldt een andere aanpassing.

De gemeenteraad kan er bovendien voor kiezen om voor bepaalde programma’s, subsidieregelingen, groepen subsidies of individuele subsidies een afwijkend indexeringspercentage vast te stellen. Dit speciale besluit gaat dan vóór de algemene indexering.

 

ARTIKEL 21. HARDHEIDSCLAUSULE

Lid 1 en 2. Soms mag het college een andere termijn vaststellen voor de subsidieregeling

In uitzonderlijke gevallen is het is niet evenredig om aan een termijn in de ASV vast te houden. De termijn uit de subsidieregeling is dan in strijd met bepaalde belangen (lid 1). Het college kan ook een hardheidsclausule opnemen in de subsidieregeling (lid 2).

 

ARTIKEL 22. SLOTBEPALINGEN

In artikel 22 is het overgangsrecht opgenomen voor aanvragen van verlening en vaststelling van subsidies. Deze verordening (ASV 2026) treedt in werking op 1 april 2026. Alle geldende subsidieregelingen en andere regelingen die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, zijn gebaseerd op artikel 3, tweede lid, van de ASV.

 

Bijlage 1 behorende bij de Algemene subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2026

 

- Programma 1.1 Opvang zwerfdieren

- Programma 3.1 Recreatie, economie en veiligheid

- Programma 3.2 Bestaande, niet commerciële evenementen

- Programma 4.1 Onderwijsachterstandenbeleid

- Programma 4.2 Onderwijsbegeleiding

- Programma 5.1.1 Regeling Revitaliseringsfonds.

- Programma 5.3 Bibliotheekwerk

- Programma 5.4 Lokale omroep

- Programma 5.5 Musea

- Programma 5.7 Sport en beweging, bijzondere (top)sportevenementen

- Programma 5.8 Sport en beweging, algemeen en doelgroepen

- Programma 7.1 Natuur- en milieueducatie

- Programma 7.2 Voorlichting milieubeleid

- Programma 8.1 Beschermde monumenten

- Programma 9.2 Dorpshuizen en gemeenschapshuizen

- Programma 9.3 Vrijwilligersondersteuning

- Programma 9.4 Jeugd

- Programma 9.5 Leefbaarheid

- Programma 9.6 Maatschappelijke dienstverlening

- Programma 9.7 Maatschappelijke ondersteuning (huishoudelijke hulp)

- Programma 9.9 Maatschappelijke participatie

- Programma 9.10 Mantelzorgondersteuning

- Programma 9.11 Peuteropvang en voorschoolse educatie

- Programma 9.12 Innovatie sociaal domein

- Programma 9.13 Subsidies volksfeesten

- Programma 9.14 Diversiteit

 

- Regeling Eenmalige subsidies Maatschappelijke Organisaties

 

Naar boven