Gemeenteblad van Eemsdelta
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eemsdelta | Gemeenteblad 2026, 142655 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eemsdelta | Gemeenteblad 2026, 142655 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp gemeente Eemsdelta 2026
De raad van de gemeente Eemsdelta,
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13-1-2026;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
• de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft neergelegd;
• het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
• het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:
o de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen;
o de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van de hulpvraag en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
o de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;
o de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;
o de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
o de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
o onder welke voorwaarden met een persoonsgebonden budget een persoon uit het sociale netwerk kan worden ingekocht.
besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Eemsdelta 2026.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening komen de volgende begrippen voor:
cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of ouder(s) ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;
(onderzoeks)plan: een ondersteunings- en/of evaluatieplan waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken. Ook staan hierin de bijdragen die het college, de jeugdige en/of ouder(s) en het sociale netwerk hieraan kunnen leveren;
Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de GI nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
Artikel 6 Toegang en aanvraag jeugdhulp via de gemeente
De ouder(s) en/of jeugdige kunnen zelf een familiegroepsplan opstellen, waarin zij samen met hun netwerk aangeven hoe ze de opvoed- en opgroeisituatie kunnen verbeteren. Daarin kunnen zij een oplossing aandragen om de problemen van de jeugdige in eigen kring op te lossen. Het college informeert de ouder(s) en/of de jeugdige over deze mogelijkheid.
Artikel 7. Onderzoek en opstellen (onderzoeks)plan
Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in het (onderzoeks)plan. De jeugdige en/of ouder(s) kunnen binnen een termijn van 14 dagen hierop reageren. Ook legt het college in afstemming met jeugdige en/of ouder(s) hierin afspraken vast over het bespreken van de resultaten van het (onderzoeks)plan.
Paragraaf 4 Zorgplicht en eigen kracht
Artikel 9. Zorgplicht van ouders aan jeugdigen
Ouders zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft waardoor meer ondersteuning of zorg vereist is dan bij een jeugdige die dit niet heeft.
Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
Artikel 11. Eigen kracht – beschikbaarheid ouder
Artikel 12. Eigen kracht – expertise
Daarnaast kan voor het leveren van de noodzakelijke ondersteuning vereist zijn dat er een zekere afstand bestaat tussen de jeugdige en/of ouder(s) en degene die de ondersteuning verleent. In dat geval kan de ondersteuning niet door ouder(s) of het sociaal netwerk geleverd worden en wordt jeugdhulp toegekend.
Paragraaf 5 persoonsgebonden budget
Artikel 16. Onderscheid professionele ondersteuning en informele ondersteuning (uit sociaal netwerk)
Van professionele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het pgb krijgen. De organisatie staat ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). De personen beschikken over de relevante diploma’s om de werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren of;
personen die als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of ouder(s) het pgb krijgen. De zzp’er staat voor deze werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Ook beschikt de zzp’er over de relevante diploma’s of werkervaring die nodig zijn voor uitoefening van deze werkzaamheden, of;
Artikel 17. Voorwaarden/kwaliteitseisen toekenning pgb informeel
De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die geen professional is, mits:
degene die de informele hulp verleent voldoende professionele afstand heeft voor zover de inhoud van de jeugdhulp dit vereist. Er is in elk geval geen sprake van voldoende professionele afstand wanneer een gezinslid of een familielid tot de tweede graad jeugdhulp verleent in de vorm van behandeling. Een behandeling en/of het stellen van een diagnose en/of therapie kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk van de jeugdige behoort;
Artikel 18. Voorwaarden / kwaliteitseisen toekenning pgb formeel
Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de pgb-uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:
Een pgb voor vormen van jeugdhulp en een pgb voor vervoer, waarvoor een tarief is vastgesteld per uur, per dagdeel of per etmaal of retour, mag uitsluitend en alleen besteed worden voor die daadwerkelijk geleverde diensten per uur, dagdeel of etmaal en voor dat vervoer en mag niet anders besteed worden.
Als uit het gesprek en het ondersteunings- en/of evaluatieplan blijkt dat het pgb-tarief niet toereikend is, kan het college hiervan afwijken tot ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. Hiermee moet bij tenminste één jeugdhulpaanbieder ondersteuning kunnen worden ingekocht.
Artikel 20. Hoogte pgb HUS-regeling
De tegemoetkoming voor hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet kan worden toegekend voor informele ondersteuning in de vorm van logeervoorziening / kortdurend verblijf. Deze tegemoetkoming bedraagt € 32,50 per etmaal tot de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet.
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Hoofdstuk 5. Afstemming met andere domeinen
Artikel 25. Afstemming ketenpartners
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen die de ketenpartners in dit hoofdstuk aanbieden zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. Ook ondersteunt het college de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) en/of bij behoud van de continuïteit van de benodigde zorg.
Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan (het verkrijgen van) een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling zoals bedoeld in artikel 1.2 lid 1 sub b van de Wet, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.
Artikel 26. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Afstemming zoals bedoeld in het eerste lid kan zowel plaatsvinden op beleidsniveau voor het maken van algemene werkafspraken als op individueel niveau. Wanneer het voor afstemming in een individueel geval nodig is om gegevens te delen, informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders over de verwerking van hun persoonsgegevens en vraagt indien nodig aanvullende toestemming.
Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 27. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
Het college bedingt bij de door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap
Artikel 29. Betrekken inwoners bij ontwikkelen beleid – Adviesraad Sociaal Domein
Het college stelt de jeugdige en/of ouder(s) en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18-3-2026.
De voorzitter, Ben Visser
De griffier, Tineke Kramer-Klein
TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE EEMSDELTA 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt kort gezegd in dat het college een jeugdhulpvoorziening moet verstrekken als de jeugdige of ouders dit nodig hebben bij problemen met het veilig opgroeien, groeien naar zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en omvang van deze jeugdhulpplicht wordt grotendeels door het college bepaald (maatwerk).
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad in de verordening in ieder geval regels opstelt over:
Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om, rekening houdend met wat in de Jeugdwet staat, nog andere regels te stellen.
Daarnaast kan de gemeenteraad op grond van artikel 8.1.1 lid 3 van de Jeugdwet bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan inkopen bij een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet vaststelt. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.
Het college merkt op dat in de verordening steeds gesproken wordt over jeugdige en/of ouder(s). Het is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige in hoeverre ook daadwerkelijk van de jeugdige verlangd wordt uitvoering te geven aan bepaalde plichten of medewerking te verlenen. Het college hecht in elk geval waarde aan het hoorrecht van het kind op basis van artikel 12 van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Dit verdrag bepaalt dat kinderen hun mening moeten kunnen vormen en uitspreken in alle aangelegenheden die hen aangaan. Aan hun mening moet een passend belang wordt gehecht en kinderen moeten de gelegenheid hebben te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die hen aangaat, rechtstreeks of door tussenkomst van een vertegenwoordiger. Het college zal met de jeugdige zelf spreken voor zover de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van de jeugdige dat toelaat.
Wijzigingen ten opzichte van voorgaande verordening
In deze verordening zijn twee grote (beleids)wijzigingen opgenomen ten opzichte van voorgaande verordening(en) jeugdhulp in onze gemeente.
Het college is van mening dat het passend is om een gezin dat overbelast is en niet meer (goed) in staat is om gebruikelijke ondersteuning te verlenen tegemoet te komen met jeugdhulp. Andersom is het niet nodig om een gezin dat zonder problemen boven gebruikelijke hulpverleent, jeugdhulp toe te kennen. Uitgangspunt in deze verordening is dat de objectieve zorgvraag van een jeugdige en/of ouder(s) leidend is voor de vraag of jeugdhulp kan worden toegekend en dat het daarbij niet relevant is of het om (boven)gebruikelijke zorg gaat. Daarbij wordt nog wel gekeken naar de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van het gezin.
In 2024 is in de jurisprudentie bepaald dat in de verordening opgenomen moet worden wat verstaan wordt onder de eigen kracht van jeugdige en/of ouders. In deze verordening is een nadere invulling gegeven van de eigen kracht waar dit in voorgaande verordening(en) nog niet het geval was.
Algemene (vrij toegankelijke) en individuele voorzieningen
Een voorziening voor jeugdhulp kan verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
De verordening maakt onderscheid tussen algemene (vrij toegankelijke) en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een algemene voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor een algemene voorziening rechtstreeks bij de jeugdhulpaanbieder melden. Een individuele voorziening ziet vaak op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning beoordeelt het college eerst of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke ondersteuning vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare algemene en individuele voorzieningen uitgewerkt in artikel 3 en artikel 4.
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het Sociaal Plein (aanmeldteam) van de gemeente. Jeugdigen en/of ouders kunnen zowel contact opnemen met het Sociaal Plein voor een korte informatievraag als voor een aanvraag om jeugdhulp. Een korte informatievraag handelt het Sociaal Plein direct af. Daarvan wordt geen registratie gemaakt.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Lid 1 onderdeel a: algemene voorziening
Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor jeugdigen en/of ouder(s) voor ondersteuning of hulp. Een toegangsbeoordeling is niet nodig. Dit betekent dat het college voorafgaand geen onderzoek hoeft te doen naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het kan wel zijn dat het collegeonderzoek doet en dan concludeert dat jeugdige en/of ouders het beste gebruik kunnen maken van een algemene voorziening. Voor een algemene voorziening is geen beschikking nodig (zie ook artikel 2 van deze verordening en de toelichting daarbij). De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. Maar in de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever over een ‘algemene’ of ‘vrij toegankelijke voorziening’. Ook de praktijk spreekt vaak over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat 'algemene voorziening' de meest gangbare term is en ook binnen de Wmo 2015 gebruikt wordt, is deze overgenomen in de verordening.
Lid 1 onderdeel b: andere voorziening
Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Zie ook hoofdstuk 5.
Lid 1 onderdeel c: clientondersteuning
Zie de toelichting bij artikel 6 lid 2.
Lid 1 onderdeel h: individuele voorziening
Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk. Hiervoor is een individuele beoordeling en ook een beschikking nodig.
Ter behoeve van de leesbaarheid wordt hier verwezen naar de definitie in de wet. Voor zover hier onbedoeld is afgeweken van de definitie in de wet, is de definitie in de wet leidend.
Lid 1 onderdeel j: (onderzoeks)plan
Het ondersteunings- en/of evaluatieplan is het resultaat van het onderzoek dat het college uitvoert naar de hulpvraag van jeugdigen en/of ouders. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag. Bij een eerste aanvraag gaat het om een ondersteuningsplan; als er al jeugdhulp is toegekend en er wordt een nieuwe aanvraag gedaan, gaat het meestal om een evaluatieplan. Beide kunnen aangeduid worden als “(onderzoeks)plan”.
Ten behoeve van de leesbaarheid wordt hier verwezen naar de definitie in de wet. Voor zover hier onbedoeld is afgeweken van de definitie in de wet, is de definitie in de wet leidend.
Lid 1 onderdeel l: persoonsgebonden budget (pgb)
Een jeugdige of ouder kan een individuele voorziening ontvangen in de vorm van een pgb. Met dit budget kan de jeugdige of ouder zelf de benodigde hulp inkopen. Deze begripsomschrijving benadrukt dat het in deze verordening gaat om het pgb dat verleend kan worden op grond van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
Lid 1 onderdeel p: sociaal netwerk
Tot het sociale netwerk worden gerekend de personen uit de huiselijke kring (o.a. (ex-)partners, gezinsleden, familieleden of mantelzorgers) en andere personen met wie iemand een sociale relatie heeft. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie de jeugdige of ouder regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, medeleden van een vereniging etc. Het begrip ‘sociaal netwerk’ komt ook voor in de Wmo 2015. Bij de uitvoering van de Jeugdwet wordt aangesloten bij deze begripsomschrijving.
De vraag of er personen in het sociale netwerk zijn die een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de hulpvraag komt aan de orde bij het onderzoek dat het college verricht als een jeugdige of ouder zich meldt met een hulpvraag.
Lid 1 onderdeel s: zorg in natura
Als het college aan de jeugdige en/of ouder(s) een individuele voorziening toekent, gaat het meestal om zorg in natura. De toegekende jeugdhulp wordt dan verleend door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al veel definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening met uitzondering van de begrippen jeugdige en ouder. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).
Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen
Artikel 2. Beschikbare algemene voorzieningen
Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Er vindt geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of ouder(s). Het college geeft hiervoor geen beschikking af.
Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat een algemene voorziening beschikbaar en passend is. Het college verwijst dan naar de algemene voorziening en wijst de aanvraag voor een individuele voorziening dan af. Zie hiervoor ook artikel 7 lid 1 onder f van deze verordening.
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het collegeregels stelt over de te verlenen individuele en algemene jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.
Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen
Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen
Soms is een algemene voorziening niet passend of niet voldoende compenserend. Dan kan een jeugdige en/of ouder(s) misschien gebruik maken van een individuele voorziening. Hiervoor is voorafgaand diepgaand onderzoek naar de hulpvraag en de behoefte en persoonskenmerken van de jeugdige nodig. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3 van deze verordening.
In artikel 3 van deze verordening staan de beschikbare individuele voorzieningen. Het geeft de productgroepen weer die worden gehanteerd door de RIGG (Regionale Inkooporganisatie Groninger Gemeenten). Op de website van de RIGG (www.rigg.nl) kan een actueel productenboek met het volledige aanbod
Hierin staat een grondslag opgenomen voor het college om de genoemde voorzieningen in nadere regels nader uit te werken en toe te lichten. De gemeenteraad kan er ook voor kiezen de voorzieningen specifieker uit te werken in de verordening in plaats van deze alleen te benoemen. Dit om meer grip te krijgen op de afbakening van de jeugdhulpplicht. De raad kan dan elementen als doelgroep, activiteiten, doorlooptijd, intensiteit en dergelijke opnemen.
De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten:
• na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts;
• via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting;
• via Veilig Thuis (geen rechtstreekse toegang tot jeugdhulp).
Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis als dat nodig is of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Als uit dit onderzoek blijkt dat jeugdhulp nodig is, motiveert Veilig Thuis ouders tot het accepteren van jeugdhulp en legt contacten met de toegang van de gemeente. De benodigde jeugdhulp wordt dan geïndiceerd door het college. Veilig Thuis kan niet zelfstandig verwijzen, alleen bemiddelen.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via het medisch domein
Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist
De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet zelf welke specifieke vorm van hulp nodig is. Zij verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij moet de jeugdhulpaanbieder zich houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn vastgelegd in deze verordening.
In de regio Groningen zijn met de jeugdhulpaanbieders afspraken gemaakt over doorverwijzing en “(her)indicaties” in het beleidsdocument “de goede toekenning”. Het college kan jeugdige en/of ouders na doorverwijzing en/of herindicatie door de autonome verwijzer een brief sturen waaruit (ook) de betrokkenheid van het college blijkt bij de jeugdhulp. In “de goede toekenning” is afgesproken dat bij een tweede “(her)indicatie” het college meekijkt en oordeelt over de noodzaak van de jeugdhulp.
Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de GI, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht
Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling zelfstandig bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 van de Jeugdwet) tot de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. In het kader van een strafrechtelijke beslissing in het jeugdstrafrecht kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur, en de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.
Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze instanties nodig vinden ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of een strafrechtelijke beslissing. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet). Wel geldt als uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht.
Artikel 6. Toegang en aanvraag jeugdhulp via de gemeente
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij het aanmeldteam (Sociaal Plein) van de gemeente. Het aanmeldteam onderzoekt dan of en zo ja, welke jeugdhulp nodig is.
Jeugdigen en/of ouders kunnen zowel contact opnemen met het Sociaal Plein voor een korte informatievraag als voor een vraag om jeugdhulp. Een korte informatievraag handelt het Sociaal Plein direct af. Daarvan wordt geen registratie gemaakt.
Een jeugdige en/of ouder(s) kunnen een aanvraag (laten) indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb staan regels over de aanvraag(procedure). Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college.
Het college wijst jeugdigen en ouders op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning door middel van informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van o.a. jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning (dit volgt uit artikel 1.1.1 Wmo 2015).
Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.
De jeugdhulpaanbieder moet de jeugdige of ouders bij het leveren van ondersteuning als eerste de mogelijkheid bieden een familiegroepsplan op te stellen. Dat geldt ook voor de gecertificeerde instelling als sprake is van een ondertoezichtstelling. Aanbieders en instellingen kunnen het familiegroepsplan gebruiken bij het bieden van ondersteuning.
De bedoeling van het familiegroepsplan is dat ouders, familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen mee te denken en te helpen aan een oplossing voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp. Het familiegroepsplan is erop gericht om ouders en hun netwerk (met eventuele ondersteuning) in eigen kring de problemen op te kunnen laten lossen, in een prille fase waarin opgroei- en opvoedingsproblemen zijn gesignaleerd.
Het team Jeugd en Jongeren gebruikt de informatie uit het familiegroepsplan als input om het (onderzoeks)plan op te stellen om samen met jeugdige en/of ouder(s) te bepalen welke jeugdhulp noodzakelijk is.
Dit lid geeft aan dat als een jeugdige en/of ouders een pgb willen, ze daarvoor een budgetplan in moeten dienen. Dit budgetplan geldt dan ook als aanvraag. Als jeugdige en/of ouders een losse aanvraag indienen voor een pgb, is het daarna nog vereist om een budgetplan op te stellen.
Informatie over de mogelijkheid tot het aanvragen van een pgb staat op de website van de gemeente.
Deze bepaling regelt dat het college nadere regels kan vaststellen over de aanvraagprocedure.
Artikel 7. Onderzoek en opstellen (onderzoeks)plan
Om de juiste ondersteuning te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen het college en de jeugdige en/of ouder(s) plaatsvindt.
Er geldt geen legitimatieplicht maar het college is wel verplicht zich te vergewissen of het BSN juist is. Daartoe kan het nodig zijn om wel een legitimatiebewijs op te vragen.
In lid 2 en 3 is opgenomen dat zoveel mogelijk beschikbare (relevante) informatie voorafgaand aan het gesprek worden verzameld. Enerzijds door het college zelf en anderzijds moet er door jeugdige en/of ouders gegevens/informatie aan het college verstrekken. Dit maakt deel uit van het (voor)onderzoek. Vanzelfsprekend kan er ook nog informatie na het gesprek worden opgevraagd door het college en/of worden gegeven door jeugdige en/of ouders.
Het college kan in overleg met jeugdige en/of ouders van het (voor)onderzoek zoals bedoeld in lid 2 en 3 afzien. Dit kan in verschillende situaties, bijvoorbeeld als er al recent een onderzoek plaats heeft gevonden, er sprake is van een zeer eenvoudige hulpvraag of juist als er sprake is van spoed. In een later stadium van het onderzoek kan altijd alsnog informatie worden opgevraagd of gedeeld als dat noodzakelijk of gewenst is. Die beoordeling ligt bij het college.
Het team Jeugd en Jongeren gebruikt de informatie uit het familiegroepsplan als input om het (onderzoeks)plan op te stellen om samen met jeugdige en/of ouder(s) te bepalen welke jeugdhulp noodzakelijk is.
De onderdelen a tot en met h zijn de onderwerpen waar het college in ieder geval onderzoek naar moet doen. Zijn de jeugdige en/of ouder(s) al bekend bij het college? Dan hoeven een aantal zaken niet meer uitgediept te worden en kan het college bijvoorbeeld alleen vragen of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Ook kan besloten worden om helemaal van het gesprek af te zien als een gesprek gelet op de beschikbare informatie niet meer nodig is. Komen een jeugdige en/of ouder(s) voor het eerst bij het college? Dan is het gesprek doorgaans nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en/of ouder(s) en hun situatie te krijgen.
In sub a wordt specifiek gesproken over de gezinssituatie. Ook als slechts één jeugdige uit een gezin hulp zoekt/ voor één jeugdige hulp wordt gevraagd, wordt ook gekeken naar de volledige gezinssituatie.
Uit het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en de hulpverlener kan naar voren komen dat er al professionals betrokken zijn. In dat geval kan de toegangsmedewerker ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professional(s). Of de jeugdige en/of ouder kan zelf voor de nodige informatie uit andere domeinen zorgen. De jeugdige en/of ouder(s) hebben een medewerkingsplicht. Dit houdt in dat de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen op de hulpvraag op verzoek van het college verstrekt moet worden. Als de jeugdige en/of ouder(s) dit weigeren, moet het college een besluit nemen op basis van de informatie die er is. Dit kan dan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen. Overigens moet het college bij het treffen van een individuele voorziening op grond van de wet sowieso afstemmen met school; daarvoor is dus geen toestemming vereist.
Het college kan interne of externe deskundigheid inzetten bij het onderzoek naar de hulpvraag van jeugdige en/of ouders.
Het college kan in afstemming met jeugdige en/of ouders afzien van een gesprek. Hier wordt terughoudend gebruik van gemaakt. Uitgangspunt is dat het college minimaal één keer in gesprek gaat met jeugdige en ouders. Daarnaast kan alleen van een gesprek worden afgezien als op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is om voldoende zorgvuldig te kunnen oordelen.
De uitkomst van het onderzoek naar de hulpvraag wordt vastgelegd in een (onderzoeks)plan. Uit het plan moet blijken welke doelen zijn opgesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht wordt. De in lid 6 van deze bepaling genoemde onderzoeksvragen moeten ook terugkomen in het (onderzoeks)plan.
In dit lid is vastgelegd dat het onderzoek namens het college verricht moet worden door een deskundige.
In dit lid is vastgelegd dat voor jeugdige en/of ouders ook kenbaar moet zijn wat de deskundigheid is van de onderzoeker en/of adviseur die namens het college in gesprek met hun gaat of onderzoek uitvoert.
In het algemeen geldt dat jeugdige en/of ouder(s) mee moeten werken aan het onderzoek. Daarbij kan in elk geval gedacht worden aan het aanwezig zijn op een afspraak of het meewerken aan een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen. Wanneer niet meegewerkt wordt aan een onderzoek, betekent dat niet dat de betrokkenheid van het college daarmee automatisch eindigt. Het college kan indiceren op basis van informatie die wel beschikbaar is of stappen ondernemen zoals het doen van een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis.
Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen
In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.
Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (artikel 2.3 Jeugdwet). En als daar sprake van is, moet het college concreet maken om welke problemen en/of stoornissen het gaat. Daarna onderzoekt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (artikel 2.3 Jeugdwet). Vervolgens onderzoekt het college wat jeugdige en/of ouder(s) zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht (zie meer hierover onder artikel 10 en verder). Tot slot kijkt het college of er een algemene voorziening of een andere voorliggende voorziening een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat voor op een individuele voorziening. Dus als er een algemene voorziening passend is voor de hulpvraag van de jeugdige hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als jeugdige en/of ouder(s) gebruik kunnen maken van een andere voorliggende voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet (artikel 1.2 Jeugdwet). Zie ook hoofdstuk 5 voor afstemming met andere velden.
Paragraaf 4 Zorgplicht en eigen kracht
In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat ouders op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen.
Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen ongeacht de zorgvraag van de kinderen. Ouders zijn verplicht om de zorg die nodig is aan hun kind te geven, ook als deze zorgvraag hoger is dan gemiddeld.
De gemeenteraad is van mening dat wanneer ouders niet in staat zijn om de benodigde hulp aan hun kind te leveren, zij ongeacht de hoogte van de zorgvraag in aanmerking moeten kunnen komen voor jeugdhulp. Van ouders die niet aan een gemiddelde zorgvraag van hun kind kunnen voldoen, bijvoorbeeld vanwege overbelasting, kan niet verlangd worden dat zij die zorg toch leveren omdat de zorg "gebruikelijk" zou zijn. Anderzijds mag van ouders die dat kunnen, best verwacht worden dat zij meer hulp leveren aan hun kind dan gebruikelijk is. Er is geen reden om dan simpelweg jeugdhulp toe te kennen omdat de ouder meer doet dan een gemiddelde ouder, oftewel omdat de ouder "bovengebruikelijke" hulp zou leveren. Er wordt daarom in deze verordening geen onderscheid meer gemaakt tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp of zorg van ouder(s) aan jeugdigen.
Voorop staat de zorgplicht van ouders aan hun kind(eren). Daarbij geldt echter wel dat ouder(s) beschikbaar moeten (kunnen) zijn, in staat moeten zijn om de hulp te bieden en dat er geen sprake mag zijn van overbelasting van ouders. Dit wordt uitgewerkt in de volgende artikelen.
Artikel 11 eigen kracht - beschikbaarheid ouder
Van een ouder mag verwacht worden dat deze bijvoorbeeld minder gaat werken om aan de zorgvraag van het kind te voldoen. Wanneer ouders dat niet willen, kunnen zij ervoor kiezen zelf zorg voor hun kind(eren) in te zetten (en dit zelf te bekostigen). Daarbij moet wel gekeken worden of redelijkerwijs gevraagd kan worden aan ouders om minder te gaan werken. Er mogen geen onoverkomelijke financiële problemen ontstaan. Of er sprake is van onoverkomelijke financiële problemen, moet beoordeeld worden per gezinssituatie. In het tweede lid geeft de gemeenteraad het college een kader mee op basis waarvan minimaal beoordeeld moet worden of er sprake is van onoverkomelijke financiële problemen. Het betreft een niet-limitatieve lijst; het is onmogelijk om vooraf alle omstandigheden die relevant kunnen zijn in te kunnen schatten. Met het gegeven kader kunnen gezinnen echter wel grotendeels inschatten wat redelijkerwijs van hen gevergd wordt. Er kunnen altijd extra omstandigheden zijn die meegewogen moeten worden. Het is aan ouders en/of jeugdigen om aannemelijk te maken in hoeverre er sprake is van financieel onoverkomelijke problemen. Het college zal dit moeten toetsen aan de hand van door ouders en/of jeugdige aangeleverde informatie en bewijsstukken. Daarnaast moet een ouder voldoende tijd hebben om te kunnen besteden aan de zorg van een jeugdige. Daarbij wordt gekeken naar de zorg voor andere gezinsleden en de eventuele (mantel)zorg aan anderen. Daarbij geldt dat zorg aan het eigen gezin voorgaat, maar er moet wel beoordeeld worden of mantelzorg overgenomen kan worden door derden, al dan niet betaald.
Het college heeft een onderzoeksplicht ten aanzien van deze factoren, maar de bewijslast ligt bij ouders en/of jeugdige. Het is aan hen om benodigde informatie en gegevens aan te dragen zodat het college een goede beoordeling kan maken.
Artikel 12 eigen kracht - expertise
Verder moeten ouders in staat zijn om de benodigde hulp te kunnen leveren. Vanzelfsprekend zal het voorkomen dat voor de benodigde hulp expertise vereist is. In dat geval wordt eerst gekeken of ouders wellicht zelf de kennis en kunde kunnen aanleren om de jeugdhulp zelf te geven. Er kan dan een indicatie worden afgegeven om dit aan te leren. Kunnen ouders dit niet aanleren, dan zal een jeugdhulpverlener met specifieke kennis en kunde ingezet moeten worden.
Voorts is ook relevant of degene die de jeugdhulp wil leveren, over voldoende professionele afstand beschikt. Eigen kracht kan ook betekenen dat jeugdige en/of ouder(s) hun netwerk inzetten. Daarbij moet wel beoordeeld worden of er voldoende professionele afstand is om de hulp goed te kunnen uitvoeren.
Artikel 13 eigen kracht – overbelasting
Vanzelfsprekend kan als er sprake is van overbelasting niet zonder meer van ouder(s) gevergd worden dat zij zelf alle zorg of hulp aan hun kind leveren. Het college beoordeelt dan of er (tijdelijk) jeugdhulp ingezet moet worden.
Het tweede lid bepaalt welke criteria gehanteerd worden om te bepalen of er sprake is van overbelasting. De criteria zijn overgenomen uit hoofdstuk 4, paragraaf 4.5 van de CiZ indicatiewijzer versie 7.1, uit juli 2014.
Het derde lid geeft aan welke maatregelen ouder(s) dienen te nemen. Als een ouder (dreigend) overbelast is én bijvoorbeeld pgb-uitvoerder is, dan kan de ouder niet langer pgb-uitvoerder zijn. De benodigde hulp moet dan worden geleverd door een ander. De voorkeur gaat daarbij uit naar zorg in natura omdat dit de minste bijkomende inspanningen kent, maar vanzelfsprekend is het ook mogelijk om met het pgb een andere pgb-uitvoerder in te zetten. Als een ouder (dreigend) overbelast is en pgb-houder is, moet beoordeeld worden in hoeverre de werkzaamheden als pgb-houder (te) belastend zijn en er beter overgestapt kan worden naar zorg in natura.
Paragraaf 5 persoonsgebonden budget
Artikel 14 Aanvullende criteria pgb
Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking wil komen voor een pgb, moeten zij een budgetplan opstellen. In lid 1 van deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De Jeugdwet noemt in artikel 8.1.1 namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze criteria komen terug in het budgetplan en het college kan op deze manier toetsen of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.
In deze bepaling zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp.
Er wordt geen pgb verstrekt bij spoedeisende jeugdhulp. Het is dan van belang dat er zo spoedig mogelijk hulp wordt ingezet en er is dan geen tijd beschikbaar voor de beoordeling of jeugdige en/of ouders in aanmerking komen voor een pgb. Vanzelfsprekend is het wel mogelijk dat zodra de jeugdhulp eenmaal loopt, er indien gewenst gewisseld kan worden naar een pgb.
Voordat het college een pgb toekent toetst het college aan de criteria zoals vastgelegd in artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet (zie ook de toelichting bij lid 1). Eén van die criteria is dat de kwaliteit van de in te kopen hulp naar het oordeel van het college geborgd is. In dat kader moet het college, bij de wens om hulp van het sociale netwerk te betrekken, beoordelen of de benodigde hulp wel door het sociale netwerk geboden kan worden. Als de conclusie is dat de ontwikkeldoelen niet bereikt kunnen worden als de betreffende hulp door iemand uit het sociale netwerk wordt geboden, kan dat reden zijn om het pgb te weigeren. De kwaliteit van de in te zetten hulp is dan immers niet geborgd. Tegen deze achtergrond is in deze verordening een uitsluitingsgrond opgenomen voor het ontvangen diverse behandelingen die zouden worden geboden door een persoon uit het sociale netwerk. GGZ-behandeling en de andere genoemde behandelingen of producten, kunnen, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.
Het is noodzakelijk voor de uitbetaling via de svb dat er sprake is van een goedgekeurde zorgovereenkomst. Overigens is voor de HUS-regeling (zie art. 20) ook een goedgekeurde verklaring nodig.
Het college heeft ruimte om nog nadere regels te stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.
Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een pgb-houder of pgb-beheerder als dat een ander is dan de pgb-houder, in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).
Het gaat daarbij om de vraag of de pgb-beheerder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.
Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):
1. aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);
2. inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);
4. coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;
5. voeren van een administratie;
6. verantwoording afleggen en contact met het college; en
7. in algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.
Deze taken dienen als startpunt om op basis van een budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.
Mocht de cliënt, de pgb-houder, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de pgb-beheerder). Ook de pgb-beheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.
In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de pgb-beheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de pgb-beheerder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
Onder a is vastgelegd dat een pgb niet beheerd mag worden door degene die pgb-uitvoerder is. Ook in het geval van gezinssituaties waar bijvoorbeeld moeder de jeugdhulp levert aan de jeugdige, moet goed gekeken worden of het verantwoord is dat de andere ouder het pgb beheert. Er moet immers in principe voldoende afstand zijn om de pgb-uitvoerder als werknemer te kunnen aansturen. Dat is lastig(er) in onderlinge familieverhoudingen.
i. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.
Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.
Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.
ii. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.
iii. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.
iv. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.
v. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.
vi. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.
vii. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.
Artikel 16 Onderscheid formele en informele ondersteuning
Afhankelijk van de hulpvraag kan het college formele of informele ondersteuning inzetten via een pgb. Het is belangrijk om het onderscheid tussen formele en informele ondersteuning in je verordening goed vast te leggen. Het college kan dan namelijk voor informele ondersteuning een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek die de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) hanteert. Wanneer het formele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.
Van formele ondersteuning is, kortweg, sprake als de ondersteuning verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De ondersteuning wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele ondersteuning is ook sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ-registratie heeft.
Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de pgb-beheerder komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele ondersteuning. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele ondersteuning. De achtergrond daarvan is dat ook personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de pgb-beheerder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Informele ondersteuning is alle ondersteuning die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen.
Artikel 17. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb informeel
In de verordening moet opgenomen zijn voor welke soorten jeugdhulp een informeel pgb kan worden afgegeven. In deze bepaling zijn diverse soorten jeugdhulp uitgesloten, met name vanwege het feit dat deze jeugdhulp gegeven moet worden door een professional met voldoende professionele afstand tot de jeugdige en/of het gezin. Dit is ook nog eens expliciet vastgelegd onder e. De productgroepen waarnaar wordt verwezen zijn opgenomen in de verwijsgids van de Regionale Inkooporganisatie Groninger Gemeenten (RiGG) die steeds zorgen voor een actuele versie op hun website www.rigg.nl.
f. Hoewel er geen verslaglegging vereist is zoals bij een professional wel verlangd wordt, is het wenselijk dat de doelen waaraan wordt gewerkt schriftelijk worden vastgelegd. Ditzelfde geldt voor de voortgang.
Ten aanzien van (vermoedens) van kindermishandeling geldt er geen meldcode voor de informele pgb-uitvoerder. Wel wordt van de pgb-uitvoerder verwacht dat deze bij vermoedens van kindermishandeling contact opneemt met Veilig Thuis.
Artikel 18. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb formeel
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.
Bij zorg in natura volgen vele kwaliteitseisen uit de wet. Om te zorgen dat eenzelfde kwaliteitstandaard behaald wordt bij pgb formeel, zijn deze overgenomen in de verordening.
In de verordening wordt in ieder geval bepaald hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde ondersteuning in te kunnen kopen. Ook als de ondersteuning wordt betrokken van het sociaal netwerk
In deze bepaling staat voor welke categorieën jeugdhulp een pgb tarief is bepaald. In het laatste lid staat een bepaling hoe het tarief wordt vastgesteld als er onverhoopt sprake is van een pgb bij een andere categorie jeugdhulp dan hier genoemd.
In deze bepaling is in feite een minimum vastgelegd voor de hoogte van het pgb in individuele gevallen. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende ondersteuning kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is over het algemeen aan deze voorwaarde voldaan. Wel moet het college in ieder individueel geval toetsen of met het vastgestelde tarief inderdaad de benodigde ondersteuning kan worden ingekocht. Blijkt dat niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Bij het inzetten van een pgb binnen het sociale netwerk, kan sprake zijn van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Voor beide type overeenkomsten geldt sinds 1 januari 2018 de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). In deze bepaling is dan ook geregeld dat het informeel pgb-tarief wordt vastgesteld op tenminste het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele ondersteuning vrijwel altijd gaat om ondersteuning uit het sociale netwerk, waarbij de ondersteuning op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, achten we een tarief op basis van het wettelijk minimumloon ook passend.
Artikel 20 Hoogte pgb HUS-regeling
De minister van VWS is van mening dat zorg en ondersteuning die vanuit sociale en morele overwegingen wordt verricht en via een pgb wordt betaald, niet aangemerkt moet worden als een arbeidsrelatie waarop de Wml van toepassing is. Met de ministeriële regeling voor ondersteuning uit het sociaal netwerk bestaat daarom per 1 mei 2019 de mogelijkheid om de verstrekking van vergoedingen voor informele ondersteuning uit een pgb, zo te regelen dat er niet ongewenst een arbeidsrelatie ontstaat. Op basis van deze regeling kunnen pgb-beheerders aan hun informele hulpverlener, vanuit het pgb een tegemoetkoming of vergoeding voor gemaakte kosten geven. Deze tegemoetkoming/onkostenvergoeding valt niet onder de werking van de Wml of overige wetten van het arbeidsrecht.
het college heeft ervoor gekozen om deze regeling toe te passen door aan pgb-beheerders die geen arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht met hun informele hulpverlener wensen, een tegemoetkoming voor logeren en levensmiddelen, kleding of reiskosten te verstrekken.
De pgb-beheerder moet een verklaring indienen bij de SVB om de tegemoetkoming uit te laten betalen aan zijn hulpverlener. Een pgb-beheerder mag voor dezelfde hulpverlener niet zowel een verklaring als een overeenkomst bij de SVB indienen. De pgb-beheerder moet dus de keuze maken tussen het verstrekken van een tegemoetkoming/onkostenvergoeding aan zijn informele hulpverlener, of het sluiten van een overeenkomst met zijn hulpverlener waarop de Wml van toepassing is.
In het derde lid is opgenomen dat het college de tarieven voor de tegemoetkoming kan indexeren zodat deze bepaling ook toekomstbestendig is. Of er geïndexeerd moet worden, wordt ook mede bepaald door het feit of de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een ondersteuning uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 8ab lid 1 van de Regeling Jeugdwet wordt aangepast.
Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag.
Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de ondersteuning nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de ondersteuning. Het besluit tot inzetten van de ondersteuning moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de ondersteuning zijn vastgelegd in een beschikking. Dit kan ook betekenen dat er nog geen (onderzoeks)plan is bij het toekennen van een voorziening. Er is vanzelfsprekend wel altijd een reden om een spoedeisende voorziening toe te kennen. Deze motivering wordt dan ook zo spoedig mogelijk na toekenning alsnog in een (onderzoeks)plan vastgelegd.
Deze bepaling regelt dat van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 3 maanden hun indicatie ‘verzilveren’ door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het bijvoorbeeld gaat om ondersteuning uit het sociale netwerk, het pgb binnen 3 maanden gaan inzetten voor de toegekende jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie veroudert en de situatie op termijn zo wijzigt dat eigenlijk een nieuwe indicatie nodig is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de jeugdhulpvoorziening in te trekken. Er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden van de individuele voorziening (zie artikel 15 lid 2 onderdeel d van deze verordening).
Artikel 22. Inhoud en geldigheidsduur beschikking
Het college geeft een schriftelijke beschikking als het jeugdhulp toekent of als in de tussentijd de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening wijzigen.
Hiertegen kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen, behalve bij de uitvoering van jeugdhulpbepalingen afgegeven door een gecertificeerde instelling.
De jeugdige en/of ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige en/of ouder(s) goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Artikel 23. Herziening, intrekking en terugvordering
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Want ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of (nog steeds) terecht een beroep op de voorziening wordt gedaan.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan beëindigen of wijzigen, dan wel intrekken of herzien. Bij ‘wijzigen’ gaat het om het aanpassen van het besluit naar de toekomst toe.
De tegenhanger is ‘herzien’, wat een wijziging van het besluit over het verleden betreft. Intrekking ziet ook op het verleden: een besluit wordt dan beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb's. Hoewel de Jeugdwet alleen spreekt van ‘herzien’ of ‘intrekken’ is uit de Memorie van Toelichting af te leiden dat hiermee ook beëindigen of wijzigen wordt bedoeld. Dat is daarom expliciet benoemd in deze bepaling. Verder breidt de bepaling de herzienings/intrekkings-bevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura.
Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Vloeien voort uit art. 13 lid 4.
In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door de jeugdige en/of ouder(s) (zie artikel 8.1.4 lid 3 Jeugdwet).
Voordat het college tot invordering kan overgaan, moet het college het bedrag eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt dan ook voor de intrekkingsgrond uit lid 2 sub a (verstrekken onjuiste of onvolledige gegevens). Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Artikel 24. Misbruik en controle
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden opgenomen over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden (informatieplicht, zie artikel 23 lid 1 van deze verordening). Of de regels rondom verantwoording van een pgb. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke gevolgen het kan hebben als zij zich niet houden aan deze verplichtingen.
In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Uit de wetsgeschiedenis kan wel worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).
Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Het toezicht op de kwaliteit wordt gedaan door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover het college signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg stuurt het college deze door naar het TSD.
Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders.
In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie bijvoorbeeld artikel 5:14 Awb). De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Hoofdstuk 5. Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 25. Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet Langdurige Zorg
De Jeugdwet schrijft voor dat op een aantal terreinen verplicht moet worden afgestemd. Het college vindt het belangrijk dat er in de praktijk met alle relevante partijen wordt afgestemd die ook betrokken zijn bij de jeugdige en/of het gezin.
Daarbij kan er sprake zijn van gelijktijdige inzet zoals bijvoorbeeld meestal het geval is bij onderwijs, maar het kan ook gaan om afstemming over overname/voorzetting van ondersteuning zodra de jeugdige 18 wordt.
Als de jeugdige na het 18e jaar nog ondersteuning nodig heeft, waarborgt het college de continuïteit van de hulp en de ondersteuning. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college begeleid wordt. Of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang te hebben van de ingezette ondersteuning wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan ondersteuning. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) ondersteuning kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar. In de werkgroep 18-/18+ regionaal wordt er gesproken over Toekomstplan op basis van de Big 5. De "Big 5" voor jongeren omvat vijf belangrijke leefdomeinen die essentieel zijn voor een stevige basis in de overgang naar volwassenheid: Support, Wonen, School & Werk, Inkomen, en Welzijn.
Hoewel doorgaans vooral gekeken wordt of andere zorg voorliggend is, kan het ook zo zijn dat er zorg uit verschillende wetten tegelijk wordt toegekend. Ook in dat geval is afstemming met de ketenpartners van belang.
Uit de Jeugdwet volgt dat het college een voorziening op grond van de Jeugdwet mag weigeren als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een Wlz-indicatie kan krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit (artikel 1.2 lid 1 sub c Jeugdwet). In deze bepaling is geregeld dat als dergelijke ‘gegronde redenen’ bestaan het college in ieder geval zorgdraagt voor ondersteuning van het gezin in het aanvraagproces bij het CIZ. Pas als jeugdigen en/of ouder(s) weigeren hieraan mee te werken, kan het college de inzet van jeugdhulp weigeren. Wel moet het college kunnen onderbouwen dat inderdaad aanspraak op Wlz-zorg bestaat en altijd het belang van de jeugdige in het oog houden.
Overigens zijn er bepaalde soorten (jeugd)hulp die nooit op grond van de Wlz kunnen worden toegekend zoals bijvoorbeeld pleegzorg. Ook als een jeugdige een Wlz-indicatie heeft, blijft het college dan verantwoordelijk voor die vormen van jeugdhulp.
Dit lid ziet ook op andere wetten dan alleen de Wlz.
Artikel 26. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Dit artikel bevat een zo compleet mogelijke opsomming van de betrokken ketenpartners met wie wordt afgestemd en waarover. Het betreft geen limitatief overzicht. Als er in een concrete casus (nog) een andere partij betrokken is dan hier genoemd, wordt daar vanzelfsprekend indien nodig ook mee afgestemd.
Afstemming met gecertificeerde instellingen
De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat het college, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. In de Jeugdwet staat ook dat zo'n samenwerkingsprotocol verplicht is (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet).
In de strafrechtelijke beslissing kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. Meestal zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen is de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. Het college is betrokken in het trajectberaad. Het is van belang dat het college afspraken maakt met deze instanties. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen.
Afstemming met voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Veel kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf, waar ook voorschoolse educatie wordt geboden. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorziening en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene (en individuele) voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen.
De Jeugdwet draagt het college ook op te overleggen met het onderwijs bij het treffen van een individuele voorziening (zie artikel 2.7 Jeugdwet). Elke school heeft daarom een contactpersoon bij de gemeente, zodat waar nodig makkelijk en snel afstemming gezocht kan worden. Bij schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten wordt hierbij ook de leerplichtambtenaar betrokken (lid 2). Uiteraard worden de jeugdige en ouders betrokken bij dit overleg en de gemaakte afspraken worden vastgelegd in het individuele (onderzoeks)plan van de jeugdige (lid 3).
Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste ondersteuning en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.
Wanneer een gezin te maken heeft met inburgering is dit ook een relevant voor bijvoorbeeld de beschikbaarheid van ouder(s).
De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg (ggz), en (licht)verstandelijk gehandicaptenzorg. De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Langdurige (24-uurs) zorg vanwege (voornamelijk) verstandelijke en/of lichamelijke handicap valt ook niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De aanspraak op deze zorg is geregeld in de Wet langdurige Zorg (Wlz) en, voor zover het vooral somatische problematiek van minderjarigen betreft, in de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Gelet op deze afbakening is het van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 4 en lid 5 Jeugdwet)
Bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, vallen na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. Het college is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar van tevoren, bekeken wordt wat gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is.
Sommige ouders van jeugdigen zullen ook te maken hebben met Wmo-ondersteuning (omdat zij niet zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst.
Afstemming met Wet tijdelijk huisverbod en Veilig Thuis
Veilig Thuis is beschikbaar voor advies voor professionals. Specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eergerelateerd geweld, seksueel misbruik, verwaarlozing of huwelijksdwang. Veilig Thuis kan onderzoek doen en passende ondersteuning inschakelen. Daarom zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. Er is regelmatig een overdrachtstafel waarbij casuïstiek wordt besproken tussen het college en Veilig Thuis.
Hoofdstuk 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 27. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
De gemeente moet regels maken over het waarborgen van een goede prijs en kwaliteitverhouding. Dit is opgenomen in artikel 2.11 van de Jeugdwet. Sinds 1 juli 2024 is artikel 2.3 aan het Besluit Jeugdwet toegevoegd. Dit artikel helpt gemeenten en aanbieders om bij het opstellen van een contract tot een reële prijs te komen. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten (jeugdhulp, kinderbescherming en jeugdreclassering) die derden verlenen in opdracht van het college. In artikel 2.3 Besluit Jeugdwet is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 2).
Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid.
Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college moet rekening houden met een aantal aspecten, zoals de mate van deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden, waaronder de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
Het college moet bij het vaststellen van de tarieven met deze aspecten (naast de prijs) rekening houden Oom te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan is het tarief voor de inschrijvers gelijk aan de vaste prijs.
Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen.
Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van algemene, vrij toegankelijke voorzieningen.
In dit lid is opgenomen dat het college bedingt dat bij onderaannemerschap ook rekening wordt gehouden met het bepaalde in dit artikel.
Hoofdstuk 7. Klachten en medezeggenschap
De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoerig geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven.
Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet.
Artikel 29. Betrekken inwoners bij ontwikkelen beleid
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3 lid 3 van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe inwoners, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid.
Deze bepaling verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier waarborgt het college dat dezelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als het beleid op andere terreinen.
Deze bepaling laat het aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit geldt dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen bij een expert. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of ouders.
Verder staat uitdrukkelijk opgenomen: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college maatwerk te verrichten. Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen kan het bijvoorbeeld spelen bij de regels rondom het verstrekken van een pgb. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.
Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuw verordening in werking treedt.
In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten (op basis van de oude verordening) doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.
Tot slot is in lid 3 vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van de nieuwe verordening beoordeeld worden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-142655.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.