Gemeenteblad van 's-Gravenhage
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Gravenhage | Gemeenteblad 2026, 137559 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| 's-Gravenhage | Gemeenteblad 2026, 137559 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Regeling deeltweewielers Den Haag 2026
Het college zet in op deelmobiliteit als een duurzame en efficiënte vorm van vervoer die bijdraagt aan verminderd voertuigbezit. Tegelijkertijd kan deelmobiliteit druk leggen op de schaarse openbare ruimte en overlast veroorzaken. Om dit te reguleren is een vergunning vereist voor het aanbieden van deelmobiliteit in de openbare ruimte. Deze verplichting is vastgelegd in artikel 2:8 van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV). In dat artikel zijn enkele bevoegdheden bij het college neergelegd. Deze regeling geeft uitvoering aan deze bevoegdheden en heeft specifiek betrekking op het segment deeltweewielers.
De gemaakte keuzes in deze regeling zijn gebaseerd op de ‘Strategie Deelmobiliteit 2030’, het ‘Uitvoeringsprogramma Deelmobiliteit en mobiliteitshubs 2024-2027’ en andere beleidskaders. In deze stukken stelt Den Haag de ambitie om een meer regisserende en simulerende rol te vervullen op het gebied van deelmobiliteit. Dit heeft als doel om beter overlast te voorkomen en te verzekeren dat de toekomstige ontwikkeling van deelmobiliteit in Den Haag alleen plaats kan vinden binnen gestelde kaders.
Deze regeling vertaalt bovenstaande beleidsambities naar concrete en handhaafbare voorwaarden voor het aanbieden van deeltweewielers. Omdat de beschikbare openbare ruimte in Den Haag beperkt is en overaanbod moet worden voorkomen, begrenst deze regeling de totale omvang van het aanbod van bepaalde categorieën deeltweewielers door zowel het aantal vergunningen als het aantal deeltweewielers per vergunning te maximeren. Daarbij worden de schaarse vergunningen verleend aan aanbieders die overlast het beste weten te beperken. Daarnaast worden deeltweewielers door deze regeling uitsluitend toegestaan op locaties waar dit ruimtelijk wenselijk wordt geacht; daartoe wijst het college separaat toelaatgebieden en stallingsplafonds aan. Gezien de snelle opkomst van nieuwe soorten deelvoertuigen worden de toegestane voertuigcategorieën in deze regeling helder afgebakend, zodat ongewenste of onvoorziene typen worden uitgesloten. Ook stelt de regeling operationele eisen aan het gebruik van de openbare ruimte: zo wordt langdurige stilstand tegengegaan en wordt overlast door foutief parkeren voorkomen. Tot slot maakt de regeling datagedreven sturing en handhaving mogelijk via eisen aan data‑uitwisseling en communicatie tussen belanghebbenden, zodat vergunningsvoorwaarden aantoonbaar worden nageleefd, snel kan worden ingegrepen en de overlastduur beperkt blijft.
Voor alle voorwaarden is rekening gehouden met de juridische mogelijkheden en de handhaafbaarheid. Handhaving vindt zowel fysiek als operationeel plaats, op straat en digitaal, op basis van periodieke rapportages en evaluatiegesprekken.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag;
gelet op artikel 2:8, vierde lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag;
besluit vast te stellen de Regeling deeltweewielers Den Haag 2026:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 2 Aanvragen vergunning
In afwijking van het eerste lid wordt de vergunning voor de voertuigcategorie deelfietsen met trapondersteuning verleend voor de duur van de concessieopdracht voor regionale deelmobiliteit in de regio Haaglanden, zoals bedoeld in hoofdstuk 4, en eindigt deze van rechtswege op het moment dat deze concessieopdracht eindigt.
Hoofdstuk 3 Vergunningsvoorwaarden
Artikel 3:2 Maximale hoeveelheid deelvoertuigen per vergunning
Indien de vergunninghouder deelvoertuigen aanbiedt in direct aangrenzende buurgemeenten, mag het in de vergunning vastgestelde maximumaantal deelvoertuigen in Den Haag, ten behoeve van operationele flexibiliteit, op maximaal 25 dagen per kalenderjaar en niet langer dan vijf aaneengesloten dagen, met 25% worden overschreden.
Artikel 3:4 Eisen aan het gebruik van de openbare ruimte en deelvoertuigen
De vergunninghouder zorgt voor tijdige verplaatsing van deelvoertuigen die onveilig, overlastgevend of locatiestrijdig staan, ongeacht of zij daar opzettelijk of onopzettelijk zijn geplaatst door de vergunninghouder, een gebruiker of derden. Dit betekent dat vergunninghouder:
bij onveilig geplaatste deelvoertuigen hulp- en nooddiensten onmiddellijk (op afstand) ondersteunt bij het verplaatsen van deze deelvoertuigen. Indien het deelvoertuig niet door hulpdiensten wordt verplaatst omdat de urgentie dat niet vraagt, zorgt de vergunninghouder ervoor dat het voertuig binnen uiterlijk 8 uur na melding is verplaatst;
Vanaf het moment dat het ‘Nederlands Profiel Data(delen) Deelmobiliteit’ beschikbaar is en de aanbieder dit toepast, verstrekt de vergunninghouder gegevens over zijn deelvoertuigen in de gemeente Den Haag geautomatiseerd aan het college of aan een door het college aangewezen derde partij op basis van het ‘Nederlands Profiel Data(delen) Deelmobiliteit’.
Artikel 3:8 Verwijdering van deelvoertuigen bij beëindiging van bedrijfsactiviteiten
Van beëindiging van de bedrijfsactiviteiten binnen de gemeente Den Haag van de vergunninghouder is sprake als:
de vergunninghouder geen noemenswaardige activiteiten meer laat zien gedurende dertig dagen, waaronder wordt verstaan dat gedurende deze periode geen deelvoertuigen ter gebruik worden aangeboden of er geen operationele handelingen worden verricht die nodig zijn voor het aanbieden van deelvoertuigen, zoals onderhoud, herverdeling of het afhandelen van meldingen;
Hoofdstuk 4 Verdeling vergunning deelfiets met trapondersteuning
Artikel 4:1 Verlening vergunning via de regionale concessieopdracht
De vergunning voor het aanbieden van de voertuigcategorie deelfietsen met trapondersteuning, als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, onder b, wordt uitsluitend verleend aan de aanbieder aan wie de concessieopdracht gegund is voor het aanbieden van regionale deelmobiliteit in de regio Haaglanden georganiseerd door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH).
Overeenkomstig artikel 2:8, derde lid, onder h, van de verordening wordt een aanvraag voor deze vergunning geweigerd indien het ter gebruik aanbieden van deelvoertuigen plaats zou vinden door een aanvrager aan wie de concessieopdracht niet is toegekend. Onverminderd de overige weigeringsgronden uit artikel 2:8 en artikel 1:6 van de verordening en de aanvraagvereisten uit hoofdstuk 2, betekent dit dat een aanvraag tevens wordt geweigerd indien:
Hoofdstuk 5 Verdeling vergunningen deelscooter
Artikel 5:1 Procedure vergelijkende beoordeling van vergunningsaanvragen
Na afloop van het tijdvak als bedoeld in het tweede lid beoordeelt de selectiecommissie als bedoeld in artikel 5:2 de ingediende aanvragen op ontvankelijkheid en vervolgens inhoudelijk op basis van de in te dienen plannen als beschreven in artikel 5:3 en de beoordelingswijze als beschreven in artikel 5:4.
Op basis van de inhoudelijke beoordeling als omschreven in het vierde lid krijgt de aanvraag met het hoogste totaal aantal punten in de beoordeling de hoogste plaats in de rangschikking. Indien aanvragen in de beoordeling een gelijk totaal aantal punten scoren, wordt onderstaande stappen in volgorde doorlopen om te bepalen welke aanvraag een hogere score krijgt:
indien aanvragen in de beoordeling een gelijk totaal aantal punten scoren, dan wordt in de rangschikking een hogere plek gegeven aan de aanvrager die het hoogste scoort op het eerste plan van de in te dienen plannen als beschreven in artikel 5:3, eerste lid. Indien hieruit geen onderscheidend verschil blijkt, worden de scores op het volgende plan met elkaar vergeleken. Deze stap wordt herhaald totdat de scores een onderscheidend verschil aantonen;
indien na de procedure als beschreven onder a nog steeds geen onderscheid kan worden gemaakt op basis van de puntentelling per plan, dan wordt in de rangschikking een hogere plek gegeven aan de aanvrager die de meeste punten behaald heeft op het beoordelingscriterium ‘combinatie’ als beschreven in artikel 5:4, eerste lid, genomen over alle plannen als beschreven in artikel 5:3, eerste lid. Indien hieruit geen onderscheidend verschil blijkt, worden de scores op het beoordelingscriterium ‘betrouwbaar’ met elkaar vergeleken. Deze stap wordt herhaald in de volgorde ‘inhoudelijk’, ‘onderscheidend’, ‘reflecterend’, ‘compleet’ en ‘inzichtelijk’, totdat de scores een onderscheidend verschil aantonen;
indien na de procedure als beschreven onder b nog steeds geen onderscheid kan worden gemaakt op basis van de puntentelling per beoordelingscriterium, dan wordt in de rangschikking een hogere plek gegeven aan de aanvrager die de over alle plannen en beoordelingscriteria het minst vaak een ‘onvoldoende’ gehaald heeft gekregen. Indien hieruit geen onderscheidend verschil blijkt, wordt in de rangschikking een hogere plek gegeven aan de aanvrager die de over alle plannen en beoordelingscriteria het vaakste een ‘goed’ heeft gekregen; en
Indien gedurende de vergunningsduur een vergunning tussentijds beëindigd wordt als bedoeld in artikel 3:8, tweede lid, wordt de vrijgekomen vergunning toegekend aan de eerstvolgende aanvrager volgens de rangschikking als bedoeld in het vijfde lid die nog geen vergunning heeft gekregen. Als deze aanvrager geen gebruik wenst te maken van de vergunning, komt de volgende aanvrager volgens de rangschikking in aanmerking, enzovoort. Als geen enkele andere aanvrager uit de rangschikking de vrijgekomen vergunning wil gebruiken, kan het college voor de vrijgekomen vergunning een nieuw tijdvak openstellen. Als op basis hiervan geen nieuwe vergunninghouder volgt, kan het college, in afwijkijking van artikel 2:1, het vierde lid, de vrijgekomen vergunning aanbieden aan de overgebleven vergunninghouder.
Artikel 5:3 Vereisten en specificaties in te dienen plannen
Ieder plan bestaat in totaal uit maximaal 1500 woorden en bevat maximaal 5 figuren. Hierbij geldt dat ieder figuur niet meer dan 50 woorden mag bevatten, welke niet meetellen in totaal aantal toegestane woorden. Al het meerdere wordt buiten beschouwing gelaten, wat in leesvolgorde neerkomt op alle tekst die voorbij de grens van de 1500 gaat en alle figuren die voorbij de grens van 5 figuren gaan.
De plannen, eventueel aangevuld met een voorblad en inhoudsopgave welke niet meetellen in het aantal toegestane woorden, worden gezamenlijk als 1 pdf-document ingediend. Het document is hierbij dusdanig opgezet dat ieder plan zelfstandig leesbaar is, wat betekent dat er geen verwijzingen gemaakt mogen worden tussen plannen onderling en er bij de beoordeling geen andere informatie geraadpleegd hoeft te worden ter toetsing dan het plan zelf. Bijvoorbeeld externe verwijzingen of hyperlinks worden daarom buiten beschouwing gelaten.
De aanvrager dient een ‘benuttingsplan’ in, waarmee de aanvrager maximaal 150 punten kan scoren. Dit plan staat in het kader van het efficiënt benutten van de schaars beschikbare openbare ruimte in Den Haag door te zorgen dat de deelvoertuigen die op of aan de weg staan zo veel mogelijk gebruikt worden – rekening houdend met lokale verschillen in vervoerspotentie – waarmee onevenredig ruimtegebruik door veelvuldige en langdurige stilstand en de daaruit volgende overlast geminimaliseerd wordt. Dit plan gaat ten minste in op het volgende onderwerp: hoe de aanvrager een zo hoog mogelijk gebruik van de deelvoertuigen realiseert, rekening houdend met lokale verschillen in vervoerspotentie. Hierbij kunnen verschillende strategieën aan bod komen, zoals de proactieve herverdeling van deelvoertuigen en communicatie via de door hem gebruikte mobiele gebruikersapplicatie voor het huren van deelvoertuigen alsook via andere kanalen.
De aanvrager dient een ‘parkeerplan’ in, waarmee de aanvrager maximaal 100 punten kan scoren. Dit plan staat in het kader van het voorkomen van negatieve effecten op de openbare ruimte door het foutief parkeren (onveilig, overlastgevend en locatiestrijdig) van deelvoertuigen door gebruikers, wat kan resulteren in overlast en onevenredig ruimtegebruik alsook negatieve gevolgen voor het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte en het in het geding komen van de veiligheid van het publiek en de doorstroming van het verkeer. Dit plan gaat tenminste in op de volgende onderwerpen:
De aanvrager dient een ‘overlastpreventieplan’ in, waarmee de aanvrager maximaal 100 punten kan scoren. Dit plan staat in het kader van het voorkomen van negatieve effecten op de openbare ruimte door het aanbieden van deelvoertuigen op of aan de weg, wat kan resulteren in overlast en onevenredig ruimtegebruik alsook negatieve gevolgen voor het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte en het in het geding komen van de veiligheid van het publiek en de doorstroming van het verkeer. Dit plan gaat tenminste in op de volgende onderwerpen:
De aanvrager dient een ‘onderhoudsplan’ in, waarmee de aanvrager maximaal 100 punten kan scoren. Dit plan staat in het kader van het efficiënt benutten van de schaarse beschikbare openbare ruimte door het minimaliseren van het aantal deelvoertuigen dat zich in niet-gebruiksklare toestand op de weg bevindt, en daarmee het voorkomen van onevenredig ruimtegebruik en daaruit volgende overlast. In dit plan wordt beschreven hoe de aanvrager ervoor zorgt dat aangeboden deelvoertuigen zoveel mogelijk gebruiksklaar zijn. Dit plan gaat tenminste in op de volgende onderwerpen:
hoe de aanvrager zijn reparatieproces inricht, zodat defecte deelvoertuigen zo spoedig mogelijk verwijderd van de weg worden of ter plaatse gebruiksklaar gemaakt worden, waarbij dit reparatieproces ten goede komt aan een vloot van deelvoertuigen welke aanhoudend in gebruiksklare staat verkeert wanneer aangeboden op of aan de weg;
Artikel 5:4 Beoordelingscriteria en puntentoekenning
Ieder plan als beschreven in artikel 5:3, eerste lid, wordt beoordeeld aan de hand van de zeven beoordelingscriteria als beschreven in onderdelen a tot en met g. Het tussen haken genoemde percentage komt overeen met het aandeel punten dat gehaald kan worden op het desbetreffende criterium in relatie tot het maximaal aantal te behalen punten per plan als beschreven in artikel 5:3, het vierde tot en met het zevende lid. Ieder beoordelingscriterium kan uit verschillende beoordelingsaspecten bestaan, als aangegeven achter de dubbele punt.
De beoordelingscommissie geeft tijdens de beoordelingsprocedure, als beschreven in 5:1, vierde lid, voor elk van de plannen aan ieder van de zeven beoordelingscriteria als beschreven in het eerste lid een van de onderstaande vijf kwaliteitsscores. Het tussen haken genoemde percentage komt overeen met het aandeel van het maximumaantal punten dat de aanvrager op het desbetreffende beoordelingscriterium haalt:
De Regeling deelvoertuigen Den Haag 2020 komt te vervallen op de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
Aanbieders die op het moment van inwerkingtreding van deze regeling deelvoertuigen aanbieden, welke op grond van artikel 2 van de Regeling deelvoertuigen Den Haag 2020 waren vrijgesteld van de vergunningsplicht als bedoeld in artikel 2:8 van de verordening, zijn ontheven van de vergunningsplicht tot het moment van inwerkingtreding van de Regeling deelauto’s Den Haag 2026. Vanaf dat moment geldt de in die regeling vastgestelde overgangstermijn voor dit type voertuigen.
Den Haag, 17 maart 2026
Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
Ilma Merx
de burgemeester,
Jan van Zanen
Artikel 2:1, tweede lid, onder b:
Onder 'feitelijk handelen' wordt verstaan dat de aanvrager reeds actief deelvoertuigen aanbiedt op of aan de weg in Den Haag of elders. Dit kan worden aangetoond met bijvoorbeeld een overzicht van operationele activiteiten, verworven vergunningen, het aantal deelvoertuigen en locaties, rit- en gebruikersstatistieken, financiële gegevens zoals jaarrekeningen, marketingcampagnes en klanttevredenheidsonderzoeken.
Een deel van de vergunningen voor deeltweewielers is beperkt beschikbaar. Voor deze vergunningen is overweging 62 van de Dienstenrichtlijn leidend, waarin wordt voorgeschreven dat bij het bepalen van de vergunningsduur een evenwicht moet worden gevonden tussen de toekomstige toegankelijkheid voor nieuwe aanbieders en een redelijke terugverdientermijn voor bestaande aanbieders. De huidige dynamische markt voor deelmobiliteit kent nog geen vaste terugverdientermijn en winstgevendheid is niet vanzelfsprekend. Op basis van gesprekken met belanghebbenden is een periode van ongeveer vier jaar als passend beoordeeld.
Artikel 3:1 Maximale hoeveelheid vergunningen
De openbare ruimte in Den Haag is zeer beperkt beschikbaar en tegelijkertijd van groot belang voor vele ontwikkelingen die de komende jaren spelen in Den Haag. Een goede en gereguleerde inpassing van deelmobiliteit in de openbare ruimte is daarom essentieel. Om dit te verzekeren, wordt het aantal deelvoertuigen per vergunninghouder en in sommige gevallen ook het aantal uit te geven vergunningen beperkt. De nu gekozen aantallen zijn gebaseerd op de hoeveelheid aanbieders en deelvoertuigen in Den Haag ten tijde van het vaststellen van deze regeling, de verwachte hoeveelheid deelmobiliteitshubs die nabije toekomst gerealiseerd kunnen worden en ervaringen in andere steden.
Artikel 3:2 Maximale hoeveelheid deelvoertuigen per vergunninghouder
Artikel 3:2, tweede lid, onder a:
Deelvoertuigen kennen in het zomerseizoen een hoger gebruik dan in het winterseizoen. Om passend aanbod te verzekeren, en langdurige stilstand in de winter te voorkomen, mogen aanbieders gedurende de zomer meer deelvoertuigen op straat plaatsen.
Artikel 3:3 Toelaatgebieden en stallingsplafonds
De gemeente Den Haag werkt aan een overgang van ‘free-floating’ deelsystemen, waarbij deelvoertuigen zonder vaste locatie worden geparkeerd, naar ‘station-based’ systemen met aangewezen locaties. Hiervoor wordt een fijnmazig netwerk van fysieke mobiliteitshub ontwikkeld. In Den Haag komen regiomobiliteitshubs bij knooppunten zoals stations en P+R-locaties, stads- en wijkhubs bij grote voorzieningen en buurtmobiliteitshubs in woongebieden. De uitgangspunten voor de aanleg van buurtmobiliteitshubs zijn vastgelegd in het besluit aanleg buurtmobiliteitshubs (RIS316427).
Zolang voor een bepaalde voertuigcategorie nog geen volledig netwerk van toelaatgebieden beschikbaar is, kan het college besluiten om tijdelijk free-floating systemen toe te staan. Dit gebeurt door grotere of aaneengesloten toelaatgebieden aan te wijzen zonder stallingsplafond. Vergunninghouders moeten er rekening mee houden dat deze gebieden gedurende de vergunningsperiode aanzienlijk kunnen wijzigen of verkleinen.
Artikel 3:3, derde en vierde lid:
Hierbij geldt dat het aantal stallingplaatsen in een toelaatgebied beperkt kan zijn en er dus geen plaatsgarantie is in de toelaatgebieden
Bij de verwerking van gegevens in het kader van deze regeling, waaronder gegevens die mogelijk herleidbaar kunnen zijn tot individuele personen, wordt volledig gehandeld in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en overige relevante privacywetgeving. Dit betekent dat uitsluitend gegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren en handhaven van deze regeling, dataminimalisatie wordt toegepast en passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen.
Artikel 4:1 Verlening vergunning
De concessieopdracht voor het aanbieden van regionale deelmobiliteit in de regio Haaglanden wordt door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit gebeurt via de officiële publicatiekanalen die gelden voor aanbestedingsprocedures.
Artikel 6:3, eerste en tweede lid:
Deze overgangsbepaling biedt bestaande aanbieders zekerheid dat zij hun deelvoertuigen nog kunnen aanbieden gedurende een jaar. Tegelijkertijd geeft deze bepaling nieuwe aanbieders en het college voldoende tijd om nieuwe vergunningen aan te vragen en te verlenen, indien nodig via de verdelingsprocedure uit hoofdstuk 4 en 5. Hiermee ontstaat een evenwicht tussen continuïteit voor huidige vergunninghouders en voorspelbaarheid voor toekomstige aanbieders van schaarse vergunningen.
In de Regeling deelvoertuigen Den Haag 2020 werden motorrijtuigen, niet zijnde bromfietsen op twee wielen, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet en motorrijtuigen op vier wielen, als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet, vrijgesteld van de vergunningsplicht als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de verordening. Deze overgangsbepaling regelt dat aanbieders van dit type deelvoertuigen deze vrijstelling behouden tot het moment van inwerkingtreding van de Regeling deelauto’s Den Haag 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-137559.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.