Besluit tot eerste wijziging van de Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel

De raad van de gemeente Sint-Michielsgestel

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 december 2025;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen het:

 

Besluit tot eerste wijziging van de Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel

Artikel 1  

Aan de Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel wordt onder vernummering toegevoegd:

 

A

 

Artikel 4.6 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen [Jeugdwet]

 

  • 1.

    Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in ieder geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden.

  • 3.

    In het onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen betrekt het college in elk geval:

    • a.

      de mogelijkheid tot het bieden van gebruikelijke hulp door ouder(s) en/of andere verzorger(s). Bij uitval van één van de ouders wordt daarbij als uitgangspunt genomen dat de andere ouder de gebruikelijke hulp overneemt. Dat geldt ook voor gescheiden ouders. Er wordt dan onderzoek gedaan naar de mogelijkheid tot het bieden van gebruikelijke hulp door de ouder waar de jeugdige niet woont;

    • b.

      de mogelijkheid tot het bieden van bovengebruikelijke hulp door ouder(s) en/of andere verzorger(s) en in hoeverre zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden waarbij dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en er door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen ernstige financiële problemen in het gezin ontstaan;

    • c.

      de mogelijkheid van ondersteuning vanuit het sociale netwerk Hiertoe behoren personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 4.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp niet uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Hierbij houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;

    • c.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • d.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 5.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college in principe geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Er kan slechts, al dan niet tijdelijk, een individuele voorziening worden verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders tekortschieten, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 6.

    Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouders hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouders maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouders om in een inkomen te voorzien.

  • 7.

    Indien sprake is van hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, dan zijn de ouders allereerst verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt of de ouders de mogelijkheid hebben deze hulp te bieden.

  • 8.

    Het college verleent slechts een individuele voorziening bij bovengebruikelijke hulp in kortdurende situaties, als de ouders deze hulp gelet op de criteria zoals genoemd in lid 5 deze hulp redelijkerwijs niet kunnen bieden.

  • 9.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties weegt het college de volgende factoren:

    • a.

      de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de mate van planbaarheid van de hulp;

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

    • d.

      de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige;

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden;

    • f.

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;

    • h.

      het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

    • i.

      de woonsituatie;

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen;

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht; en

    • m.

      (dreigende) overbelasting.

  • 10.

    Het college verleent slechts een individuele voorziening bij bovengebruikelijke hulp in langdurige situaties indien de afweging van factoren bedoeld in lid 9 dit redelijkerwijs noodzakelijk maakt.

  • 11.

    Bij de afweging of sprake is van (dreigende) overbelasting bij (boven)gebruikelijke hulp neemt het college het volgende in aanmerking:

    • a.

      er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige;

    • b.

      als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen;

    • c.

      het college beoordeelt wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen; en

    • d.

      als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten, dan wordt dit eerst van de ouder(s) verwacht. Het verlenen van hulp aan een jeugdige gaat voor op sociale/ maatschappelijke activiteiten.

B

 

Bij artikel 5.2.1 worden de volgende leden toegevoegd:

 

  • 3:

    Vanaf een bedrag van € 15.000 bij woningaanpassingen zetten we in principe in op het stimuleren van verhuizing naar een geschikte woning, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om toch aan te passen. Het uitgangspunt van de gemeente blijft altijd maatwerk en de menselijke maat.

  • 4:

    Het college kan een bouwkundige woningaanpassing - of een Pgb om een voorziening met dit doel in te kopen – bij verkoop van de woning door cliënt terugvorderen, voor zover door de bouwkundige aanpassing sprake is van een meerwaarde. Het college gaat daarbij uit van de waarde van de woning voor en na de aanpassing. Voor het bepalen van de waarde voor de aanpassing kan het college zich baseren op de verkoopprijs van de woning en een taxatierapport. Voor het bepalen van de waarde na verkoop kan het college zich baseren op de verkoopprijs van de woning, aangevuld met een taxatierapport door een door het college in overleg met de cliënt gekozen taxateur. De kosten van de taxatie zijn voor rekening van het college.

C

 

Bij artikel 5.5 worden de volgende leden toegevoegd:

 

  • 4:

    Indien de in lid 3 genoemde voorzieningen beschikbaar en passend zijn, worden geen aanvullende individuele vervoersvoorzieningen verstrekt.

  • 5:

    Een scootmobiel wordt niet verstrekt indien er geen brandveilige stallingsmogelijkheid gerealiseerd kan worden bij de woning van de belanghebbende.

  • 6:

    De gemeente verstrekt geen vervoersvoorziening gericht op woon-werk verkeer en zakelijk verkeer.

Artikel 2  

De Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

Het eerste lid van artikel 7.3.4:

 

De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar:

  • a.

    € 417,- voor een alleenstaande;

  • b.

    € 537,- voor een alleenstaande ouder;

  • c.

    € 596,- voor gehuwden of samenwonenden.

Komt te luiden:

 

De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar:

  • a.

    € 517,- voor een alleenstaande;

  • b.

    € 664,- voor een alleenstaande ouder;

  • c.

    € 739,- voor gehuwden of samenwonenden.

B

 

Het eerste en het tweede lid van artikel 7.4.3:

 

  • 1.

    De bijdrage bedraagt maximaal € 235,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar of ouder is.

  • 2.

    De bijdrage voor een gezinslid dat op de peildatum 3 jaar of ouder is en jonger dan 18 jaar, bedraagt maximaal € 335,-.

Komt te luiden:

 

  • 1.

    De bijdrage bedraagt maximaal € 243,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar of ouder is.

  • 2.

    De bijdrage voor een gezinslid dat op de peildatum 3 jaar of ouder is en jonger dan 18 jaar, bedraagt maximaal € 343,-.

C

 

Het eerste lid van artikel 10.6:

 

  • 1.

    Deze verordening wordt genoemd: Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 gemeente Sint-Michielsgestel.

Komt te luiden:

 

  • 1.

    Deze verordening wordt genoemd: Verordening Sociaal Domein 2024 gemeente Sint-Michielsgestel.

Artikel 3  

In de Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel wordt verwijderd:

 

A

 

Artikel 8.6 Vrijlating giften:

 

  • 1.

    Een gift is geld, een goed of een dienst welke een inwoner ontvangt en waarbij geen sprake is van een tegenprestatie, wederdienst of verplichting.

  • 2.

    Giften tot het bedrag van € 1.800 per kalenderjaar worden vrijgelaten.

  • 3.

    Voor giften geldt een meldingsplicht.

Artikel 4  

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als ‘Besluit tot eerste wijziging van de Gewijzigde Verordening Sociaal Domein 2024 Sint-Michielsgestel’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 februari 2026,

De raadsgriffier,

D.S.J. Thissen

De voorzitter,

E. Smid

Naar boven