Voorbereidingsbesluit sierteelt gemeente Westerveld

Voorbereidingsbesluit sierteelt gemeente Westerveld

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld

Besluit:

Artikel I

Dat de volgende voorbeschermingsregels worden toegevoegd aan het Omgevingsplan van de gemeente Westerveld,

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

Dat de voorbeschermingsregels hierdoor in overeenstemming worden gebracht met de door de gemeenteraad op 17 februari 2026 vastgestelde kaders.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop dit bekend wordt gemaakt.

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 17 maart 2026

D. Bruijn, secretaris

J. Spoelstra, burgemeester

Bijlage A

Voorbereidingsbesluit sierteelt gemeente Westerveld

Voorrangsbepaling

In aanvulling op en/of in afwijking van de bepalingen in het omgevingsplan van de gemeente gelden de navolgende voorbeschermingsregels. Voor zover deze voorbeschermingsregels afwijken van de regels van het omgevingsplan gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepaling

De begripsbepalingen behorende bij dit voorbereidingsbesluit zijn opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen.

Artikel 1.2 Verbodsbepaling

  • 1.

    Het is verboden om een sierteeltactiviteit te verrichten binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties.

  • 2.

    Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op:

    • a.

      bloembollen dan wel bloemgewassen die worden geteeld met gebruikmaking van enkel biologische gewasbeschermingsmiddelen zoals genoemd in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165;

    • b.

      bloembollen dan wel bloemgewassen die worden geteeld met gebruikmaking van minder dan 20 kg gewasbeschermingsmiddelen per hectare per jaar;

    • c.

      sierteeltactiviteiten die reeds zijn aangevangen op het moment van inwerkingtreding van dit voorbereidingsbesluit. Hieronder wordt verstaan sierteelt die feitelijk is aangevangen door het zaaien, planten of anderszins in de grond brengen van de bloembol of het bloemgewas, of waarvoor reeds voorbereidingshandelingen zijn verricht die maken dat een agrarisch perceel het eerstvolgende plantseizoen niet anders dan voor sierteelt kan worden gebruikt;

    • d.

      sierteeltactiviteiten op agrarische percelen die aantoonbaar deel uitmaken van De Drentse Lelie.

Bijlage I Begripsbepalingen

sierteeltactiviteit

De teelt van bloembollen dan wel bloemgewassen, bedoeld als snijbloem, als plantgoed of voor de droge verkoop, van in ieder geval tulpen, lelies, hyacinten, narcissen, dahlia's, irissen, gladiolen en pioenrozen. Hieronder valt niet de teelt van bloembollen dan wel bloemgewassen die niet bedoeld zijn als siergewas maar geteeld worden voor groenbemesting, bodemverbetering, plaagbestrijding of de productie van olie of biobrandstof.

sierteeltgevoelige locaties

Locaties waaraan in het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit één of meer van de volgende functies zijn toebedeeld: 1. een woonfunctie, niet zijnde gronden waarop uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan, en nevengebruiksfuncties daarvan; 2. een onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 3. een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; 4. een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; 5. een recreatiefunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; Tot een sierteeltgevoelige locatie, zoals hiervoor omschreven, behoren ook de daarbij behorende terreinen, zoals – doch niet uitsluitend – tuinen, erven en (toegangs)wegen

Toelichting

Algemene toelichting

Toelichting voorbereidingsbesluit

Algemeen

Op grond van artikel 4.14 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels. Een voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels. Voorbeschermingsregels kunnen bijvoorbeeld een verbod inhouden om activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar die nog niet plaatsvinden (artikel 14 lid 3 Ow).

Het doel van dit voorbereidingsbesluit is om te voorkomen dat activiteiten worden gestart die in strijd zijn met nieuwe omgevingsplanregels die in voorbereiding zijn. Het gaat hier om de regels die de gemeenteraad in het omgevingsplan wil stellen ter beperking van de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt voor met name de volksgezondheid.

Aanleiding voor de afstandsnorm

Op 16 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders[1] van Westerveld een voorbereidingsbesluit genomen, inhoudende dat er per 19 december 2025 geen sierteelt mag plaatsvinden op percelen waar dat op dat moment nog niet plaatsvond (Voorbereidingsbesluit sierteelt Omgevingsplan gemeente Westerveld). Inmiddels zijn door de gemeenteraad op 17 februari 2026 de kader voor een ontwerp-wijziging van het omgevingsplan[2] vastgesteld waarbij het algehele verbod op nieuwe sierteelt wordt vervangen door in beginsel een verbod op sierteelt binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties. Vooruitlopend op die wijziging van het omgevingsplan, past het college het voorbereidingsbesluit van 16 december 2025 aan,[3] om de voorbereidingsbescherming alvast met de ontwerpwijziging van het omgevingsplan in overeenstemming te brengen.

Het onderhavige voorbereidingsbesluit bevat een beperking gericht op het verbieden van nieuwvestiging van sierteelt en op het verbieden van uitbreiding van bestaande sierteelt binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties (hierna: de afstandsnorm). Hiermee is beoogd sierteelt in beginsel te verbieden binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties vanwege de mogelijke risico’s voor in het bijzonder de volksgezondheid. Het staat immers vast dat sierteelt vaak gepaard gaat met een meer dan gemiddeld intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zie ook paragraaf 1.3 hierna). Dit voorbereidingsbesluit heeft geen gevolgen voor bestaand legaal gebruik, maar regelt vooruitlopend op de wijziging van het omgevingsplan alvast een beperking voor sierteelt op locaties waar sierteelt nog niet plaatsvindt en een verbod op uitbreiding van sierteelt op locaties waar dit al plaatsvindt. Eerst met de wijziging van het omgevingsplan zal ook bestaand legaal gebruik beperkt worden.

De afgelopen jaren is sierteelt in toenemende mate onderwerp van een publieke en politieke discussie. Het gaat daarbij met name om zorgen over de mogelijke impact van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid, vanwege de hoge frequentie en grote hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die bij sierteelt worden gebruikt. Daarnaast zijn er gevolgen voor dier en milieu. Ook in Westerveld zorgt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt al enige tijd voor maatschappelijke onrust. Verschillende betrokken partijen hebben bij de gemeente zorgen geuit. Zo maken inwoners en belangenorganisaties zich zorgen over de risico’s voor volksgezondheid, en ervaren telers onzekerheid over de continuïteit van hun bedrijf. Op 27 mei 2025 heeft de gemeenteraad unaniem een motie aangenomen om te onderzoeken of er juridische mogelijkheden zijn om in de gemeente Westerveld de impact van sierteelt tijdelijk (tot ten minste 2030) te beperken.[4] Dit heeft ertoe geleid dat de gemeente Westerveld tot een specifieke regeling komt waarmee een eerste balans wordt getroffen tussen enerzijds de gezondheidsbelangen van omwonenden en anderzijds de bedrijfsbelangen van siertelers.

Bevoegdheid gemeenteraad

Op grond van artikel 2.4 van de Omgevingswet moet de gemeenteraad een omgevingsplan vaststellen met daarin regels over de fysieke leefomgeving, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij betrekt de gemeenteraad ook het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (art. 1.3 aanhef en onder a Omgevingswet). In het omgevingsplan staan regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet). Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeenteraad in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet).

De grondslag voor het stellen van regels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het omgevingsplan door de gemeenteraad volgt dan ook uit de Omgevingswet. Dit zou slechts anders zijn als de Omgevingswet niet van toepassing zou zijn, bijvoorbeeld omdat onderwerpen met betrekking tot (onderdelen van) de fysieke leefomgeving al bij of krachtens een andere wet uitputtend zouden zijn geregeld. Op grond van artikel 12 lid 1, onder a van de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden (2009/128/EG) zijn landen verplicht om kwetsbare groepen te beschermen tegen schade door pesticiden. Het beschermen van kwetsbare groepen tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is echter nog niet uitputtend geregeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De Wgb bevat weliswaar regels over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en gebruiksvoorschriften en beoogt voor het op de markt brengen van die middelen een uitputtend juridisch kader te bieden,[5] maar stelt geen concrete regels aan het gebruik ervan. Evenmin heeft de Wbg tot doel om kwetsbare groepen te beschermen tegen de blootstelling aan (een te hoge concentratie van) gewasbeschermingsmiddelen. Dat is een taak die het Rijk bij de gemeenten heeft belegd. Volgens het Rijk kunnen gemeenten, aanvullend op de risicobeoordeling van middelen: “in nieuw op te stellen bestemmingsplannen (Ruimtelijke Ordening) regels opstellen die bijdragen aan het verminderen van het risico op blootstelling”.[6]

Bovendien wordt in jurisprudentie over “spuitvrije zones” standaard aangenomen dat het aanwijzen van een spuitvrije zone binnen de bevoegdheid van een gemeenteraad valt.[7] In de tot nu toe hierover gewezen zaken was het oude recht nog van toepassing, maar er is geen aanleiding om te menen dat dit onder de Omgevingswet anders is.

De gemeenteraad kan dus onverminderd in het omgevingsplan regels stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Gezien de mogelijke risico’s voor mens, dier en milieu kiest de gemeenteraad er in dit geval voor om, het voorzorgsbeginsel in acht nemend, van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Voorzorgsbeginsel

De Wgb implementeert Europese Verordeningen over gewasbescherming (Verordening (EG) 1107/2009 en EG 528/212). In Verordening (EG) 1107/2009 staat onder andere dat een gewasbeschermingsmiddel, rekening houdend met realistische gebruiksomstandigheden en met bekende cumulatieve en synergistische effecten, geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier mag hebben, rechtstreeks of via drinkwater, levensmiddelen, dierenvoeding of lucht, noch andere indirecte effecten (artikel 4 lid 3, aanhef en onder b) en dat lidstaten op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen kunnen treffen als er onzekerheid bestaat over de risico's voor mens, dier of milieu (artikel 1 lid 4).

Het voorzorgsbeginsel is een beginsel gericht op risicobeheer. Wanneer wetenschappelijk bewijsmateriaal ontoereikend is, geen uitsluitsel geeft of onzekerheden bevat, en er op grond van een voorlopige maar objectieve risico-evaluatie aanwijzingen zijn voor potentieel gevaarlijke gevolgen voor het milieu of de gezondheid van mensen, dieren en planten– is het mogelijk om maatregelen te nemen zonder af te wachten tot alle vereiste wetenschappelijke gegevens ter beschikking staan.[8] Vice versa kan het voorzorgsbeginsel ook vereisen dat een overheid maatregelen neemt in reactie op onzekere risico’s, ondanks een gebrek aan wetenschappelijk uitsluitsel over die risico’s. De keuze van de maatregelen hangt dan af van (onder meer) de ernst van het risico en de mate van wetenschappelijke onzekerheid. Het is aan de overheid om hierin een balans te vinden. Het toepassen van het voorzorgsbeginsel wordt in Verordening (EG) 1107/2009 ook als belangrijke waarborg aangemerkt om schadelijke effecten op de gezondheid van mens of dier en onaanvaardbare effecten voor het milieu te voorkomen.[9]

Ook in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) wordt het voorzorgsbeginsel erkend als grondslag voor regelgeving voor de gemeente. In een zaak over de geitenhouderij-stop overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak dat het voorzorgsbeginsel een grond kan zijn voor het stellen van regels die het grondgebruik beperken. Hoewel de exacte oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij nog nader onderzocht moest worden en het causaal verband niet vaststond, vormden de mogelijke gezondheidsrisico’s voldoende grond voor een gemeente om maatregelen te treffen.[10]

Dit strookt eveneens met de positieve verplichtingen die staten (en afgeleid daarvan decentrale overheden) hebben uit hoofde van artikel 2 en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze artikelen brengen een positieve verplichting voor de Staat met mee om, waar nodig, passende maatregelen te treffen met het oog op de bescherming van het leven en de persoonlijke levenssfeer van mensen. Hieronder kan ook vallen het nemen van maatregelen tegen gevaar waarvan niet zeker is of het zich zal verwezenlijken.[11] Het voorzorgsbeginsel brengt volgens de Raad van Europa dan ook mee dat als er een sterke verdenking is dat een bepaalde activiteit nadelige effecten voor de fysieke leefomgeving kan hebben, het beter is die activiteit nu te beperken dan af te wachten tot er onomstotelijk wetenschappelijk bewijs voorhanden is.[12]

Gewasbeschermingsmiddelen worden in toenemende mate in verband gebracht met verschillende serieuze nadelige gezondheids- en milieueffecten (zie ook paragraaf 1.3). Niet alle effecten zijn tot nu toe even diepgaand of sluitend onderzocht. Toch zijn de verbanden die tot nu toe zijn gebleken volgens de gemeenteraad zodanig dat hij in het kader van zijn belangenafweging vanuit het voorzorgsbeginsel aanleiding ziet om maatregelen te nemen ter regulering van de sierteelt. Hierbij wordt specifiek sierteelt gereguleerd vanwege de gezondheidsrisico’s verbonden aan de daar gangbare hogere gebruiksfrequenties en hoeveelheden van gewasbeschermingsmiddelen in vergelijking met andere gewastypen. Om blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken, is het reguleren van sierteelt daarom een effectieve oplossing.

Gemeenten hebben bovendien nadrukkelijk een taak bij het beschermen van kwetsbare groepen tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. De Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden (2009/128/EG) verplicht landen om kwetsbare groepen te beschermen tegen schade door pesticiden (art. 12 lid 1, onder a). Kwetsbare groepen zijn onder andere: zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen, kinderen en ouderen, alsmede bewoners die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden (art. 3, punt 14 van Verordening (EG) 1107/2009). De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Richtlijnbepaling heeft het Rijk bij gemeenten belegd. Volgens het Rijk kunnen gemeenten dit regelen in hun omgevingsplan, aanvullend op de risicobeoordeling van middelen.[13]

Zowel de Europese autoriteit die gewasbeschermingsmiddelen heeft goedgekeurd (European Food Safety Authority (EFSA)) als de Nederlandse autoriteit die de middelen heeft toegelaten op de Nederlandse markt (het Ctgb) erkent dat er sprake is van een lacune ten aanzien van een aantal gewasbeschermingsmiddelen en – kort gezegd – het effect dat zij mogelijk hebben op mensen, met name ten aanzien van neurologische aandoeningen op de langere termijn.[14]

Ook is door de voorzieningenrechter van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geconstateerd dat de Nederlandse wetgever artikel 12 van Richtlijn 2009/128 EG niet volledig geïmplementeerd heeft.[15] Dit artikel draagt lidstaten op ervoor te zorgen dat het gebruik van pesticiden in bepaalde gebieden wordt geminimaliseerd of verboden, specifiek voor gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt. De wetgever heeft deze bepaling omgezet door in artikel 27 Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een algeheel verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in te voeren, maar de landbouw is van dat verbod uitgezonderd. Dit maakt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw (waaronder ook sierteelt) in de onmiddellijke nabijheid van woningen en omliggende tuinen, waar personen verblijven uit de voorgeschreven kwetsbare groepen, niet onder dit verbod valt. Onder de niet-limitatieve opsomming van kwetsbare groepen vallen onder andere zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen, kinderen en ouderen, maar ook omwonenden die gedurende langere tijd blootgesteld worden aan hoge doses pesticiden (artikel 3, lid 14 Verordening 1107/2009). Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State constateerde ”dat er geen wettelijke voorschriften zijn over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen”.[16] De hoogste bestuursrechter concludeerde dat hierbij bestemmingsplannen van gemeenten kunnen worden betrokken die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van woningen in hun gemeenten reguleren of verbieden. [17] De Afdeling bestuursrechtspraak neemt in inmiddels vaste rechtspraak aan dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk is.[18] Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn, mits locatiespecifiek onderzoek deze aanvaardbaarheid kan onderbouwen.[19] Deze jurisprudentie is in gelijke zin van toepassing op omgevingsplannen.

Ook in andere gemeenten is al gekozen voor een (uitbreidings)verbod op of beperking van sierteelt, zoals in de gemeente De Fryske Marren, de gemeente Haaksbergen en gemeente Opsterland.

Risico’s van gewasbeschermingsmiddelen in sierteelt voor mens, dier en milieu

Gewasbeschermingsmiddelen worden in toenemende mate in verband gebracht met verschillende serieuze nadelige gezondheids- en milieueffecten. Deze effecten heeft de gemeenteraad betrokken in haar belangenafweging om te komen tot het verbod op sierteelt binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties. Om deze afweging inzichtelijk te maken volgt hieronder een korte bespreking van de tot nu toe bekende mogelijke effecten voor mens, dier en natuur die deze keuze hebben ingegeven. Hierbij verdient opmerking dat de gemeenteraad zich in het kader van deze afweging heeft vergewist van de effecten van chemische gewasbeschermingsmiddelen op de fysieke leefomgeving in haar geheel, waaronder zowel mens als ook dier en natuur vallen, maar met het oog op volksgezondheiddeze regeling treft.

Ten aanzien van effecten voor de gezondheid van de mens:

  • Blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is in de buurt van bloembollenvelden aanzienlijk hoger dan op een grotere afstand daarvan. Concentraties gewasbeschermingsmiddelen in de buitenlucht zijn bij omwonenden gemiddeld hoger naarmate ze dichter bij een locatie wonen waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten.[20] Gewasbeschermingsmiddelen worden tot ver in de omgeving van bollenteelt aangetroffen: bijvoorbeeld op 500 meter afstand van de bollenteelt werden nog gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in de urine van omwonenden, in de luiers van kinderen en in huisstof. [21] Ook bleek dat in woningen op 250 meter van de bollenvelden de lucht gemiddeld tien keer hogere concentraties gewasbeschermingsmiddelen bevat dan de lucht bij verder weg gelegen woningen. [22] Huisstof bevatte in die woningen gemiddeld vijf keer hogere concentraties.[23] Hoewel de hier aangetroffen concentraties nog wel binnen de toegestane marges vielen, acht de gemeenteraad het in het kader van de afstandsnorm wel relevant dat nabijgelegen locaties aan aanzienlijk hogere concentraties blootgesteld worden.

  • Blootstelling aan een ‘cocktail’ van gewasbeschermingsmiddelen kan schadelijker zijn dan blootstelling aan individuele middelen, maar bij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel wordt niet gekeken naar de cumulatieve effecten. Dit betekent dat hoewel de aangetroffen concentraties in het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden onder toxicologische grenswaarden bleven, onbekend is wat de effecten zijn van chronische blootstelling aan een cocktail van stoffen. Hiervoor waarschuwen de Gezondheidsraad[24] en het RIVM.[25] Het gaat in dit kader ook over blootstelling via verschillende routes (bijvoorbeeld vanuit de omgeving en via voedsel).[26]

  • Het RIVM constateert dat in de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen de gevolgen op neurotoxiciteit en neurodegeneratieve ziekten zoals Parkinson, Alzheimer en ALS niet goed onderzocht worden, terwijl de relatie hiertussen volgens het RIVM wel plausibel is.[27] Ook het College van toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft gewaarschuwd voor de mogelijke link met Parkinson en het hiaat in de risicobeoordeling.[28] Ook de Gezondheidsraad wijst hierop, evenals de risico’s voor ongeboren en jonge kinderen.[29]

  • Uit EU-breed onderzoek bleek dat onvoldoende wordt gekeken naar de langetermijneffecten op de ontwikkeling van kwetsbare groepen zoals kinderen, en naar de effecten van chronische blootstelling aan een cocktail van middelen.[30]

  • Autisme en ADHD worden in verband gebracht met chronische blootstelling van kinderen aan lage hoeveelheden pesticiden.[31]

  • Er zijn steeds meer aanwijzingen voor een relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en verschillende kankersoorten, longaandoeningen, voortplantingsproblemen en immuniteitsproblemen, zo stelt het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.[32]

  • Het European Environment Agency, een agentschap van de EU gericht op kennis en inzicht over milieu-effecten, signaleert verschillende gezondheidseffecten van pesticiden op de mens, waarbij sterk bewijs is voor gedragsstoornissen en verstoring van hersenontwikkeling bij jonge kinderen, en een vermoeden van een verband met leukemie bij kinderen. Bij volwassenen constateert de EEA vermoedens van een verband met verstoring van het endocriene systeem, het immuunsysteem, het reproductiesysteem, en vormen van kanker.[33]

  • De Gezondheidsraad concludeert dat internationale epidemiologische literatuur aanwijzingen biedt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot gezondheidsschade bij mensen kan leiden en wijst hierbij in het bijzonder op ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en Parkinson. Hierbij merkt de Gezondheidsraad op dat de bepaling van specifieke blootstelling (exacte omvang van het risico en de specifieke verantwoordelijke gewasbeschermingsmiddelen) in onderzoek vaak onduidelijk is. Proefdieronderzoek en onderzoek naar werkingsmechanismen laten echter zien dat de genoemde verbanden plausibel zijn. Nederlands onderzoek geeft geen duidelijke aanwijzingen hiervoor, maar is te beperkt in omvang. De zwakke effecten die wel blijken uit Nederlands onderzoek, sluiten aan bij de sterkere bevindingen uit het buitenland. De onderzoekscommissie van de Gezondheidsraad acht de conclusie gerechtvaardigd dat blootstelling aan chemische gewasbeschermingsmiddelen een risico vormt voor de gezondheid. Tegelijkertijd verwacht de onderzoekscommissie niet dat méér onderzoek op korte termijn tot duidelijkheid zal leiden, zeker niet over langetermijneffecten. Daarom pleit zij voor toepassing van het voorzorgsbeginsel.

In de sierteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bovendien intensiever dan het gemiddelde gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat laat onverlet dat telers zich de afgelopen jaren hebben ingespannen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen (zoals via het programma Duurzame Bollenteelt Drenthe)[34] – en met succes: bij veel sierteeltgewassen, waaronder tulpen, narcissen, hyacinten, en gladiolen, worden ten opzichte van 2020 significant minder gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.[35] Vooral in de lelieteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen sterk teruggedrongen: van 113 kg/ha/jaar naar 46 kg/ha/jaar.[36] Ondanks deze reductie blijft de sierteelt bovenaan staan in de lijst met hoogste gewasbeschermingsmiddelen per hectare.[37] Dit blijkt uit onderzoek van het CBS, dat het gebruik in bepaalde vormen van sierteelt eens per vier jaar in kaart brengt door middel van enquêtes onder telers. De meest recente data zien op het jaar 2024.[38] Het gemiddelde gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gewassen (totaal) was in 2024 5,5 kg/ha/jaar.[1] Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per hectare is in sierteelt aanzienlijk hoger dan dit gemiddelde: 46,5 kg/ha/jaar voor lelies; 14,5 kg/ha/jaar bij tulpen, 8,2 kg/ha/jaar bij gladiolen, 10,9 kg/ha/jaar bij hyacinten, 36,6 kg/ha/jaar bij gerbera’s, 49,5 kg/ha/jaar bij chrysanten en 75,4 kg/ha/jaar bij rozen.[39]

Gezien de verhoogde concentraties gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van de sierteeltvelden, de hiaten in de risicobeoordeling voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen, de verschillende gezondheidsrisico’s en het ondanks reducties nog steeds bovengemiddeld intensieve gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt – acht de gemeenteraad het haar taak om met deze beperking in lijn met het voorzorgsbeginsel te voorkomen dat risico’s voor mens, milieu en dier toenemen door sierteelt.

Hoewel de gemeenteraad beperkingen stelt aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt met het oog op volksgezondheid, is als onderdeel van de bredere context relevant te benoemen dat de nadelige risico’s zich niet beperken tot de gezondheid van de mens. Het intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt kan namelijk ook schadelijke gevolgen hebben voor de natuur (dier en milieu): gewasbeschermingsmiddelen worden bijvoorbeeld in verband gebracht met de afname van insectenpopulaties[40] en biodiversiteit, [41] overschrijdingen van oppervlaktewater, [42] grond- en drinkwatervervuiling, [43] en aantasting van de leefbaarheid van Natura-2000-gebieden.[44]

Rechtspraak

Dat het om deze redenen reguleren van sierteelt een aanvaardbare keuze is, blijkt ook uit rechtspraak over bescherming van omwonenden tegen gewasbeschermingsmiddelen. Zo is meermaals een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het kader van sierteelt in de directe nabijheid van omwonenden toegewezen, zelfs als het ging om toegestane gewasbeschermingsmiddelen.[45] De rechtbank Noord-Nederland overwoog in dit verband: ”[h]et enkele feit dat gewasbeschermingsmiddelen zijn toegelaten, geeft in ieder geval geen garantie op het ontbreken van met name een uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid”.[46]

Belangenafweging

Het bevoegd gezag moet bij de vaststelling van een omgevingsplan functies aanwijzen en regels stellen die het uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig acht. Daarbij heeft het bevoegd gezag de beleidsruimte om de betrokken belangen af te wegen. Dit biedt ruimte om onder andere vanwege (potentiële) gezondheidsrisico’s van een activiteit uit voorzorg die activiteit planologisch niet toe te laten, dan wel om een minimale afstand voor te schrijven tussen de (potentieel) risicovolle activiteit en plaatsen waar mensen – en kwetsbare groepen in het bijzonder – langdurig verblijven.

Met het oog op het voorzorgsbeginsel dienen de eerdergenoemde risico’s voor volksgezondheid te worden afgewogen tegen het belang van sierteelt. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft de gemeenteraad daarin ruimte om prioriteiten te stellen. In dit geval overweegt de gemeenteraad dat aan het potentiële gezondheidsrisico van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt extra gewicht toekomt, nu sierteelt – anders dan de teelt van voedsel – niet bijdraagt aan doelstellingen op het gebied van voedselzekerheid. Tevens richt de gemeenteraad zich met name op sierteelt waarbij sprake is van een hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, aldus het gebruik waarbij sprake is van de grootste potentiële gezondheidsrisico’s. Hoog gebruik wordt hierbij gezien als het gebruik van meer dan 20 kg gewasbeschermingsmiddelen per hectare.

De telers hebben een commercieel belang bij de sierteelt. Voor telers resteert na de regulering nog voldoende van dit commerciële belang, om verschillende redenen. Daarbij staat voorop dat er geen algeheel verbod op sierteelt zal gelden, maar slechts een verbod op het telen hiervan binnen een afstand van 50 meter van sierteeltgevoelige functies. Deze afstand wordt in het ruimtelijk bestuursrecht als uitgangspunt aanvaardbaar geacht als minimale afstand van een agrarisch perceel waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt tot aan een gevoelige locatie.[47] Ten tweede kunnen telers hun bedrijfsactiviteiten met betrekking tot sierteelt voortzetten indien zij overgaan op het gebruik van minder gewasbeschermingsmiddelen of van andere gewasbeschermingsmiddelen, namelijk de biologische variant. Biologische gewasbeschermingsmiddelen zijn immers van het verbod uitgezonderd. Daarnaast kunnen telers het perceel blijven gebruiken voor andere, minder belastende teelt(en), voor zover zij dat niet al deden (sierteelt betreft vaak wisselteelt). Eveneens hebben de telers de mogelijkheid om aan te sluiten op de ontwikkeling van de Drentse Lelie. Dit is een initiatief in Drenthe aan de slag gaan om de lelieteelt te verduurzamen, hetgeen gepaard gaat met het gebruik van minder gewasbeschermingsmiddelen. In het licht van de te dienen belangen (gezondheid van de mens voorop) meent de gemeenteraad dat de commerciële belangen van telers niet onevenredig worden geraakt door dit besluit.

Bovengenoemde potentiële gezondheidsrisico’s gelden voor chemische gewasbeschermingsmiddelen. Van dergelijke risico’s is met betrekking tot biologische gewasbeschermingsmiddelen niet in vergelijkbare mate gebleken. Daarom is sierteelt die behandeld wordt met biologische gewasbeschermingsmiddelen uitgezonderd van het verbod. Voor een specifieke toelichting op wat geldt als biologisch gewasbeschermingsmiddel wordt verwezen naar Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165. Ook geldt dat indien gebruik gemaakt wordt van minder gewasbeschermingsmiddelen, in voorliggend geval ten hoogste 20 kg per hectare per jaar, geen sprake is van grotere potentiële gezondheidsrisico’s dan bij de teelt van reguliere akkerbouwgewassen. Sierteelt met een gebruik tot maximaal 20 kg per hectare per jaar wordt derhalve uitgezonderd van het verbod.

Activiteiten met betrekking tot bloembollen of -gewassen die niet als luxeproduct worden aangemerkt, zoals bloembollen of bloemgewassen bedoeld voor groenbemesting, bodemverbetering, plaagbestrijding of de productie van olie of biobrandstof, vallen niet onder de definitie van sierteeltactiviteit als opgenomen in de definitiebepaling. Dit valt daarom ook niet onder het verbod.

Het verbod is evenmin van toepassing op sierteelt die reeds was aangevangen op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit. Dit omdat een voorbereidingsbesluit bestaand, legaal gebruik niet kan verbieden.

[1] Op basis van artikel 1 lid 10 van Delegatiebesluit Omgevingswet gemeente Westerveld is de bevoegdheid voor het nemen van een voorbereidingsbesluit gedelegeerd aan het college.

[2] Door de gemeenteraad is eveneens verzocht om de mogelijkheden te onderzoeken voor een bindend convenant. Dit convenant moet echter hetzelfde doel vervullen, waardoor ook voor dit spoor het wenselijk is om het eerder genomen voorbereidingsbesluit te wijzigen.

[3] Kamerstukken II, 2017-2018, 34 986, nr. 3, p. 69: 'een voorbereidingsbesluit kan tussentijds worden gewijzigd, maar de werkingsduur wordt hierdoor niet verlengd.'

[4] Zoals genoemd in de toelichting bij Voorbereidingsbesluit sierteelt Omgevingsplan gemeente Westerveld.

[5] Kamerstukken II, 2005-2006, 30 474, p. 33.

[6] Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022 t/m 2025, p. 19.

[7] Zie bijvoorbeeld ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:851.

[8] Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel (COM 2000 1 definitief), p. 10.

[9] Verordening (EG) 1107/2009, considerans 8: ‘Het voorzorgsbeginsel dient te worden toegepast en deze verordening dient te waarborgen dat de industrie aantoont dat de stoffen of producten die worden geproduceerd of op de markt worden gebracht geen enkel schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier hebben, noch enig onaanvaardbaar effect voor het milieu.’

[10] ABRvS 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2791, r.o. 4.3 en 5.1.

[11] Zie bijvoorbeeld HvJ EG 5 mei 1998, C‐157/96 (National Farmers Union e.a.), r.o. 63 en HvJ EG 5 mei 1998, C‐180/96 (BSE), r.o. 99. Zie voor toepassing hiervan door de Nederlandse rechter HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006.

[12] Manual on Human Rights and the Environment, Council of Europe Publishing (2012) p. 139.

[13] Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022 t/m 2025, p. 19.

[14] EFSA Europe, Glyphosate: no critical areas of concern; data gaps identified, 6 juli 2023. Rb. Noord-Nederland, 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333.

[15] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043.

[16] ABRvS 18 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1154, r.o. 23.5.

[17] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043.

[18] Zie bijvoorbeeld ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523.

[19] ABRvS, 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1179, r.o. 5.2.

[20] Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019, p. 23.

[21] Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019.

[22] Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019.

[23] Ten opzichte van de controlegroep van verder weg wonende deelnemers van het onderzoek. Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019.

[27] Heusinkveld e.a., Gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten: mogelijkheden om de toelatingsvereisten te verbeteren, RIVM-rapport 2021.

[28] Brief van Ctgb aan EFSA, 9 maart 2021, kenmerk 202103090024, te raadplegen op de website van het Ctgb.

[29] Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, publicatie nr. 2020/10.

[30] Sustainable Plant Protection Transition (SPRINT), Sprint project results June 2025, p. 7. Zie specifiek Silva e.a.,‘Pesticide residues with hazard classifications relevant to non-target species including humans are omnipresent in the environment and farmer residences’, Environment International. Nov 1;181:108280 (2023), https://doi.org/10.1016/j.envint.2023.108280.

[31] Roberts, Dawley & Reigart, ‘Children's low-level pesticide exposure and associations with autism and ADHD: A review’, Pediatric research 2019, 85(2), p. 234-24. Zie ook Ehrenstein e.a., ‘Prenatal and infant exposure to ambient pesticides and autism spectrum disorder in children: population based case-control study’, The BMJ 2019.

[32] Nederlands Centrum voor Beroepsziekten 2018, Factsheet bestrijdingsmiddelen/pesticiden.

[33] European Environment Agency: how pesticides impact human health (briefing), 26 april 2023.

[34] Zie het bericht op de website van Waterschap Drents Overijsselse Delta, 'Lelieteelt met minder gewasbestrijdingsmiddelen? In Drenthe lukt het!', 26 juli 2025.

[35] CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen, 13 november 2025.

[36] Zie tabel 'gewassen met hoogste gebruik gewasbeschermingsmiddelen per hectare’ in CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen’, 13 november 2025.

[37] CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen’, 13 november 2025.

[38] CBS, 'landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen', 13 november 2025.

[39] CBS, 'landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen', 13 november 2025.

[40] Kleijn e.a., ‘Achteruitgang insectenpopulaties in Nederland: trends, oorzaken en kennislacunes’, Wageningen Environmental Research 2018; Geiger e.a., 'Persistent negative effects of pesticides on biodiversity and biological control potential on European farmland', Basic and Applied Ecology 2010, afl. 11.

[41] Möhring e.a., 'Successful implementation of global targets to reduce nutrient and pesticide pollution requires suitable indicators', Nature Ecology & Evolution 2023, afl. 7.

[42] Bestrijdingsmiddelenatlas, onder ‘landgebruik’, ‘tabel top overschrijdende landgebruiken per jaar’, voor piekbelasting: ‘MAC-MKN’; voor chronische blootstelling: ‘JG MKN/MTR’.

[43] Voor vervuiling van grondwater, zie toelichting bij art. Provinciaal blad van Gelderland 2024, 9506 bij art. 4.20 lid 1, sub f en lid 3 van de Omgevingsverordening Gelderland. Voor vervuiling van oppervlaktewaterlichamen voor drinkwater, zie Van Driezum e.a., Staat Drinkwaterbronnen, RIVM-rapport 2020-0179,

[44] ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1428, r.o. 5.3.

[45] Rb. Limburg, 8 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2330; Rb. Noord-Nederland, 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333; Rb. Oost-Brabant 19 jun i 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3440; Hof Arnhem-Leeuwarden 10 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6083; Hof 's Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043.

[46] Zie Rb. Noord-Nederland, 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333, r.o. 4.7.

[47] Deze afstandsmaatstaf vloeit voort uit jurisprudentie van de ABRvS en wordt ook toegepast bij vaststelling/wijziging van omgevingsplannen. Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1599 en ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.2 Verbodsbepaling

Algemeen

Zoals reeds in het voorgaande toegelicht, ziet de gemeenteraad in de potentiële risico’s die gepaard gaan met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in specifiek de sierteelt aanleiding om aan sierteelt beperkingen te stellen. Met het voorbereidingsbesluit van 16 december 2025 is alle nieuwe sierteelt of uitbreiding daarvan in de gemeente Westerveld verboden, in aanloop naar een wijziging van het omgevingsplan waarin de beperkingen aan sierteelt zouden worden neergelegd.

Inmiddels heeft de raad duidelijk in beeld welke beperkingen in haar ogen evenredig zijn. Uit de stand van de wetenschap blijkt dat er mogelijk een verhoogd risico op gezondheidsproblemen, zoals neurodegeneratieve ziekten (zoals ALS) bestaat door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het is op dit moment echter niet duidelijk hoe sterk dit verband is, en op welke afstand tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dit risico verwaarloosbaar wordt. In het licht van die nu bestaande onzekerheden, meent de raad het niet evenredig om een totaalverbod op sierteelt in de gemeente in te voeren. In plaats daarvan kiest de gemeenteraad ervoor om aansluiting te zoeken bij de inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit blijkt dat een afstand van 50 meter tussen agrarische bedrijvigheid waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies als redelijk wordt beschouwd.[1] Naar het oordeel van de raad wordt op deze manier een aanvaardbaar evenwicht gevonden tussen enerzijds de bescherming van primair gezondheidsbelangen en anderzijds de commerciële belangen van siertelers.

Tegen die achtergrond worden de voorbereidingsregels uit het voorbereidingsbesluit van 16 december 2025 aangepast en in overeenstemming gebracht met de beoogde wijziging van het omgevingsplan, waarin bovenbedoelde afstand van 50 meter tussen sierteelt en sierteeltgevoelige locaties wordt voorgeschreven.

Hierbij wordt opgemerkt dat de gemeenteraad op 17 februari de kaders van de wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van de regulering van sierteelt heeft vastgesteld. Dit betreft met name de afstandsnorm van 50 meter tussen sierteelt en sierteeltgevoelige locaties. De concrete uitwerking wordt voorts binnen deze gestelde kaders uitgewerkt. De gemeenteraad heeft eveneens verzocht om de mogelijkheden voor het afsluiten van een bindend convenant te onderzoeken parallel aan het uitwerken van de wijziging van het omgevingsplan. Deze twee middelen dienen echter hetzelfde doel te bereiken, waardoor het ook ingeval van het opstellen van een bindend convenant wenselijk is om voor te sorteren op de uiteindelijke regeling middels een aangepast voorbereidingsbesluit. Dit aangepast voorbereidingsbesluit sluit zoveel mogelijk aan op de verwachte uiteindelijk regeling. Opgemerkt wordt dat tijdens de uitwerkingsfase de nodige afstemming en participatie plaats zal vinden, hetgeen ertoe kan leiden dat de uiteindelijke regeling in enige mate afwijkt van de regeling in het aangepast voorbereidingsbesluit. De kaders, en dan met name de 50 meter afstandsnorm, zijn echter door de gemeenteraad meegegeven, en staan in de verdere uitwerking niet ter discussie.

Toelichting op artikelen en definities

Met het voorbereidingsbesluit stelt de gemeenteraad beperkingen aan nieuwe sierteeltactiviteiten (of uitbreiding van bestaande sierteeltactiviteiten). Deze zijn niet langer toegestaan op een afstand tot 50 meter van sierteeltgevoelige locaties. Wat onder sierteeltactiviteiten en sierteeltgevoelige locaties wordt verstaan, is nader uitgewerkt in de definitiebepaling.

Met een sierteeltactiviteit wordt bedoeld de teelt van alle bloemen die als snijbloem, plantgoed of voor de droge verkoop zijn bedoeld. Het gaat hier dus om bloemen (zowel bollen als koppen) die voor geen ander doel worden geteeld dan voor de sier of voor de verdere productie van sierbloemen – ook de teelt van bollen die pas elders tot bloem worden gekweekt, valt binnen de reikwijdte van de sierteeltactiviteit. Onder een sierteeltactiviteit valt nadrukkelijk niet de teelt van bloembollen of -gewassen voor groenbemesting, bodemverbetering, plaagbestrijding of de productie van olie of biobrandstof.

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen voor sierteelt waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van biologische gewasbeschermingsmiddelen. Van het gebruik van die gewasbeschermingsmiddelen is niet gebleken van dezelfde potentiële gezondheidsrisico’s als het gebruik van niet-biologische middelen, zodat naar het oordeel van de raad geen aanleiding bestaat om ook aan de biologische sierteelt beperkingen te stellen. Alsmede is middels het tweede lid een uitzondering gemaakt voor sierteelt gebruikmakend van ten hoogste 20 kg gewasbeschermingsmiddelen per hectare per jaar. Dit omdat in dat geval geen sprake is van grotere potentiële gezondheidsrisico’s dan bij de teelt van reguliere akkerbouwgewassen.

Het tweede lid maakt voorts duidelijk dat het voorbereidingsbesluit alleen betrekking heeft op niet-aangevangen sierteeltactiviteiten en nog niet gerealiseerde uitbreidingen van bestaande sierteeltactiviteiten. Een voorbereidingsbesluit kan immers geen beperkingen stellen aan activiteiten die al plaatsvinden. Om echter buiten de reikwijdte van het voorbereidingsbesluit te vallen, is wel vereist dat op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit sierteelt is aangevangen – niet dat slechts sprake is van andere agrarische activiteiten. Van reeds plaatsvindende sierteelt is sprake als op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ofwel al siergewassen zijn geplant of ingezaaid, ofwel dusdanige voorbereidingshandelingen hiertoe zijn getroffen dat het niet meer mogelijk is om een ánder gewas dan siergewassen te planten tijdens het eerstkomende plantseizoen. Dit laatste zou – bijvoorbeeld – aan de orde kunnen zijn als een akker op specifieke wijze is geprepareerd voor sierplanten, terwijl het niet meer mogelijk is om de akker tijdig geschikt te maken voor een ander gewas. Het voorgaande betekent ook dat géén sprake is van reeds plaatsvindende sierteelt, als een sierplant in een voorgaand jaar als wisselgewas is gebruikt maar niet op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit wordt geteeld.

Tot slot is in het tweede lid eveneens, aansluitend op een motie van de gemeenteraad van 17 februari 2026, een uitzondering opgenomen voor de Drentse Lelie. Dit is een initiatief in Drenthe aan de slag gaan om de lelieteelt te verduurzamen, hetgeen gepaard gaat met het gebruik van minder gewasbeschermingsmiddelen. Om gebruik te kunnen maken van deze uitzondering dient de teler dit wel aan te kunnen tonen.

De afstand van 50 meter geldt ten opzichte van sierteeltgevoelige locaties. Sierteeltgevoelige locaties zijn door de raad als volgt ingekaderd: een woonfunctie, niet zijnde een bedrijfswoning; een onderwijsfunctie; een gezondheidszorgfunctie met bedgebied; een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied; en een recreatiefunctie met bedgebied– alle ook met inbegrip van de nevengebruiksfuncties daarvan. Hierbij is van belang dat de nadelige gezondheidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen niet beperkt zijn tot verblijf in de buitenlucht, zodat ook de daarbij behorende terreinen, zoals – doch niet uitsluitend – tuinen, erven en (toegangs)wegen zijn aangewezen.

Deze sierteeltgevoelige locaties zijn in de kern vergelijkbaar met gevoelige functies in wet- en regelgeving die ten aanzien van andere thema’s zijn ingekaderd, zoals aangewezen gevoelige gebouwen/bestemmingen in het kader van luchtverontreiniging als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)[2] dat tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold, en de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.[3]

De opname van de woonfunctie als sierteeltgevoelige functie is ingegeven door de wens om omwonenden te beschermen en sluit bovendien aan op hetgeen in het kader van gewasbeschermingsmiddelen nadrukkelijk is bepaald in Verordening EG 1107/2009, namelijk dat naast mensen die vanwege leeftijd of gezondheid als kwetsbaar gelden (kinderen, ouderen, zwangere vrouwen, etc.), ook mensen die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden vanwege hun hoedanigheid als bijvoorbeeld bewoner (art. 3, punt 14 van Verordening (EG) 1107/2009) beschermd dienen te worden.

De onderwijsfunctie en de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied zijn gericht op het beschermen van kinderen. De gezondheidszorgfunctie met bedgebied is gericht op de gezondheid van kwetsbare groepen of ouderen. De woonfunctie is zoals eerder vermeld gericht op het beschermen van omwonenden die door het feit dat zij in de omgeving van een sierteeltlocatie wonen, langdurig worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Van de woonfunctie als sierteeltgevoelige functie is de bedrijfswoning uitgezonderd. Dit ziet zowel op de woonfunctie van de sierteler dan wel de agrariër die zijn perceel in gebruik geeft aan een sierteler zelf, als op de bedrijfswoningen van derden. Zouden bedrijfswoningen van derden niet uitgezonderd worden, dan zou dit tot gevolg hebben dat de nabijheid van een andere bedrijfswoning, de uitoefening van het eigen bedrijf beperkt. Dat acht de raad onwenselijk. Hierom, en omdat is gangbaar dat bedrijfswoningen minder beschermd worden tegen externe waarden of risico’s, [4] zijn alle bedrijfswoningen van de sierteeltgevoelige functie uitgezonderd.

Door de gemeenteraad is middels een motie op 17 februari 2026 verzocht om in aanvulling op de voornoemde functies eveneens de recreatiefunctie mee te nemen als sierteeltgevoelige locatie. Dit vanwege het feit dat gemeente Westerveld als visie heeft om dé toeristische gemeente van Drenthe te zijn. Het belang van haar recreatieve sector, in combinatie met het feit dat ook bij de recreatiefunctie sprake is van kwetsbare personen, maakt het toevoegen van de recreatiefunctie voor gemeente Westerveld als sierteeltgevoelige locatie zeer wenselijk.

Voor alle opgenomen sierteeltgevoelige locaties geldt dat ook nevengebruiksfuncties van de genoemde functie onder de definitie van sierteeltgevoelige locatie vallen. Het gaat hier om een nevengebruiksfunctie in de zin van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierin wordt onder een nevengebruiksfunctie verstaan: ‘een gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie’. In het geval van een woonfunctie zou een nevengebruiksfunctie bijvoorbeeld een kantoor aan huis zijn. Nevengebruiksfuncties vallen ook onder de sierteeltgevoelige locatie omdat met het oog op de ruimtelijke ordening locaties worden aangewezen. Hierbij is het onwenselijk om een bepaalde locatie in de ene hoedanigheid wél en in de andere hoedanigheid niét als sierteeltgevoelige functie aan te wijzen.

Een sierteeltgevoelige locatie is iedere locatie waar ten minste één van de opgesomde functies planologisch kan worden uitgevoerd. Niet relevant is of de functie daadwerkelijk wordt uitgevoerd, nu de eigenaar of gebruiker op die locaties steeds bevoegd is om het gebruik te wijzigen naar één van die functies.

Vervolgens is van belang dat de afstand van 50 meter in acht moet worden genomen tot aan een locatie waarin één van die functies is toegekend. De afstand geldt dus tot wat onder oud recht nog het bestemmingsvlak heette. Dit betekent bijvoorbeeld dat de afstand van 50 meter niet geldt tot aan de gevel van een woning, maar tot aan de perceelgrens. Zo is verzekerd dat ook terreinen rondom gebouwen – zoals tuinen – eveneens de beoogde mate van bescherming genieten.

[1] Zie bijv. ABRvS 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:804, r.ov. 6.2.

[2] In de daar geregelde gevoelige functies of bestemmingen in het kader van luchtverontreiniging werden personen met verhoogde gevoeligheid voor de relevante stoffen beschermd, zoals kinderen en ouderen.

[3] Art. 3 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) respectievelijk art 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving.

[4] Bijvoorbeeld in het Besluit burgerluchthavens is bepaald dat bedrijfswoningen minder bescherming genieten in het kader van het externeveiligheidsrisico (art. 10) en tegen geluidshinder (art. 12).

Naar boven