Gemeenteblad van Bodegraven-Reeuwijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Bodegraven-Reeuwijk | Gemeenteblad 2026, 132501 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Bodegraven-Reeuwijk | Gemeenteblad 2026, 132501 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
De raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 20‑1‑2026;
gelet op artikel 149 Gemeentewet en artikel 2.4 van de Omgevingswet.
gelet op unaniem aangenomen CDA Amendement 3 Standplaatsen.
Besluit Gewijzigd vast te stellen:
Verordening tot wijziging van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk (20e wijziging).
Erfgoedverordening Bodegraven-Reeuwijk 2019.
De (1e) thematische planwijziging omgevingsplan Bodegraven-Reeuwijk, overeenkomstig de Nota van wijzigingen.
Besluit Vast te stellen:
De beleidsregel ruimtelijke kwaliteit ex artikel 4.19 Omgevingswet voor het werkingsgebied ‘stedelijk gebied’.
Dat de Welstandsnota Bodegraven-Reeuwijk 2017 komt te vervallen voor het werkingsgebied ‘stedelijk gebied’.
De nota beantwoording zienswijzen en bestuurlijk overleg ontwerp eerste thematische planwijziging omgevingsplan, inclusief Nota van wijzigingen.
De motivering behorende bij de eerste thematische planwijziging.
Besluit te bepalen:
Dat de besluiten gewijzigde vaststelling verordeningen Algemene plaatselijke verordening en Erfgoedverordening en de beleidsregel ruimtelijke kwaliteit tegelijkertijd met het besluit eerste thematische planwijziging omgevingsplan Bodegraven-Reeuwijk in werking treden.
Het omgevingsplan Bodegraven-Reeuwijk te wijzigen, zoals is aangegeven in Bijlage A van dit Besluit.
De Algemene plaatselijke verordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk, gedeeltelijk in te trekken, zoals opgenomen in het besluit tot wijziging van de verordening.
De Erfgoedverordening gemeente Bodegraven-Reeuwijk, gedeeltelijk in te trekken, zoals opgenomen in het besluit tot wijziging van de verordening.
De beleidsregel ruimtelijke kwaliteit ex artikel 4.19 Omgevingswet voor het werkingsgebied ‘stedelijk gebied’ van toepassing te verklaren op het besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.
Vastgesteld door de raad Bodegraven-Reeuwijk in zijn openbare vergadering van woensdag 25 februari 2026.
De griffier,
drs. J.H. Rijs
De voorzitter,
mr. M.K.A. Grauss
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Met uitzondering van de afdelingen 5.1, 6.1 en 7.1 is een paragraaf in de hoofdstukken 5, 6 en 7 alleen van toepassing voor zover dat in hoofdstuk 4 is bepaald.
Aan de hoofdstukken 4 tot en met 7 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels over activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7, tenzij anders is bepaald.
Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de hoofdstukken 5, 6 en 7 worden verbonden, over de regels over activiteiten in die hoofdstukken, tenzij anders is bepaald.
Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in de hoofdstukken 5, 6 en 7, tenzij anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daar tegen verzet.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de hoofdstukken 5, 6 en 7 kan worden verbonden.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in de hoofdstukken 5, 6 en 7 worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.
Degene die een activiteit als bedoeld in de hoofdstukken 5, 6 en 7 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 4.5 of artikel 4.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in de hoofdstukken 5, 6 en 7 en maatwerkvoorschriften op grond van die hoofdstukken voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot bouwwerken in het Stedelijk gebied.
Voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken en andere werken gelden de volgende doelen:
het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;
het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;
het beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering;
het versterken van de biodiversiteit;
het stimuleren van een duurzaam Bodegraven-Reeuwijk;
het beschermen van de gezondheid;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat; en
het voorkomen van hinder en overlast.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een hoofdgebouw binnen de locatie stedelijk gebied voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een dakkapel voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een nokverhoging voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een bijbehorend bouwwerk voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een erf- of perceelafscheiding voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een zonnepaneel of zonnecollector voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het wijzigen van een kozijn of gevel voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een bouwwerk in een volkstuin voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een overig gebouw voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het bouwen van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.18, wordt bij het in stand houden van een bouwwerk voldaan aan:
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied.
Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur gelden de volgende doelen:
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheren of aanpassen van infrastructuur;
het beheren of aanpassen van watersystemen;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;
het bevorderen van een aantrekkelijke en bereikbare stad;
het behouden van een adequaat verkeers- en vervoersniveau;
het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid;
het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; en
het bevorderen van een klimaatadaptieve en duurzame inrichting van het openbaar gebied.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij bewerken van grond in openbaar toegankelijk gebied voldaan aan paragraaf 5.3.1 Grondbewerking in openbaar toegankelijk gebied.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het plaatsen van objecten in openbaar toegankelijk gebied voldaan aan paragraaf 5.3.2 Objecten plaatsen in openbaar toegankelijk gebied.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het aanleggen en veranderen van een weg voldaan aan paragraaf 5.3.3 Weg aanleggen en veranderen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het aanleggen en veranderen van een uitrit voldaan aan paragraaf 5.3.4 Uitrit aanleggen en veranderen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het aanbrengen van een terras voldaan aan paragraaf 5.3.5 Terras aanbrengen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het opslaan van voorwerpen en stoffen voldaan aan paragraaf 5.3.6 Opslaan van voorwerpen en stoffen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het Toevoegen van gebouwen of locaties met parkeerbehoefte voldaan aan paragraaf 5.3.7 Toevoegen van gebouwen of locaties met parkeerbehoefte.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het objecten en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg voldaan aan paragraaf 5.3.8 Objecten en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het openen of afdekken van een straatkolk of dergelijke voldaan aan paragraaf 5.3.9 Openen of afdekken straatkolken en dergelijke.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het plaatsen van reclame voldaan aan paragraaf 5.3.10 Reclame plaatsen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het plaatsen van voorwerpen in, op of boven openbaar water in beheer bij de gemeente voldaan aan paragraaf 5.3.11 Voorwerpen plaatsen in, op of boven openbaar water.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij het innemen van een ligplaats met een vaartuig op openbaar water voldaan aan paragraaf 5.3.12 Ligplaats innemen met een vaartuig.
Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.32, wordt bij hebben van een drijvende schiethut in openbaar water voldaan aan paragraaf 5.3.13 Drijvende schiethut hebben.
paragraaf 4.2.3 gaat over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed.
Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed gelden de volgende doelen:
Een monument of archeologisch monument op een locatie met de functie-aanduiding Gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument, voor zover het is opgenomen in Bijlage IV Gemeentelijke monumenten.
Bij het verrichten van een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, wordt voldaan aan paragraaf 5.4.1 Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen.
Een onroerende zaak op een locatie met de functie-aanduiding Cultuurhistorisch waardevolle objecten is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol object, voor zover het is opgenomen in Bijlage III Cultuurhistorisch waardevolle objecten.
Bij het verrichten van activiteiten in, aan of op Cultuurhistorisch waardevolle objecten wordt voldaan aan paragraaf 5.4.3 Activiteiten in, aan, of op cultuurhistorisch waardevolle objecten.
Bij het verrichten van activiteiten binnen een gebied met archeologische verwachtingen wordt voldaan aan paragraaf 5.4.2 Activiteiten binnen gebieden met archeologische verwachtingen.
Voor activiteiten met betrekking tot natuur gelden de volgende doelen:
a. het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
b. de natuurbescherming, waaronder het realiseren van een natuurnetwerk en het beschermen van natuurgebieden;
c. het tegengaan van klimaatverandering;
d. het beheren van watersystemen;
e. het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
f. het beheren van natuurlijke hulpbronnen;
g. een hoge kwaliteit van het openbaar gebied;
h. het beschermen van de omgevingskwaliteit;
i. het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen; en
j. het verbeteren van de biodiversiteit.
Er is een Bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.52, wordt bij het kappen van Beschermde bomen en vellen van beschermde houtopstanden voldaan aan paragraaf 5.5.1 Beschermde bomen kappen en beschermde houtopstanden vellen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.52, wordt bij het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein voldaan aan paragraaf 5.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein.
Voor de activiteit met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen:
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen en verbeteren van de bodem- en grondwaterkwaliteit;
het doelmatig benutten van de bodem;
het zuinig gebruik van grondstoffen;
het doelmatig beheer van afvalstoffen;
het beschermen van de veiligheid;
het beschermen van de natuur; en
het beperken van de luchtverontreiniging.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het oplaten van ballonnen voldaan aan paragraaf 5.6.2 Ballonnen oplaten.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het lozen van afvalwater voldaan aan:
paragraaf 5.6.5 Grondwater bij sanering of ontwatering lozen;
paragraaf 5.6.9 Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken;
paragraaf 5.6.10 Afvalwater lozen bij opslaan en overslaan van goederen;
paragraaf 5.6.12 Afvalwater lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen;
paragraaf 5.6.13 Afvalwater lozen bij calamiteitenoefeningen;
paragraaf 5.6.14 Afvalwater lozen bij telen, kweken, spoelen en sorteren van gewassen;
paragraaf 5.6.15 Afvalwater lozen bij maken van betonmortel; en
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het exploiteren van recreatieve visvijvers voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het wassen van motorvoertuigen voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57 wordt bij het leiden van afvalwater door een olieafscheider in een Zettingsgevoelig gebied voldaan aan paragraaf 5.6.20 Afvalwater door een olieafscheider leiden.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het bereiden van voedingsmiddelen met de volgende apparatuur voldaan aan de paragrafen 5.6.1 Milieu – algemeen en 5.6.21 Niet-industrieel voedsel bereiden.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het slachten van dieren, het bewerken van dierlijke bijproducten en het uitsnijden van vlees, vis of organen voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het in werking hebben van een acculader voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het opslaan van vaste mest voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie of grote hoeveelheden vaste mest voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen voldaan aan:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57, wordt bij het fokken, houden en trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels voldaan aan:
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten met betrekking tot bodem.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.77, wordt bij het graven in de bodem in het gebied Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (beschikt) voldaan aan paragraaf 5.7.1 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.77, wordt bij het verrichten van een activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico voldaan aan paragraaf 5.7.2 Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.77, wordt bij het verrichten van nazorg nadat saneren van de bodem heeft plaatsgevonden voldaan aan paragraaf 5.7.3 Nazorg verrichten na saneren van de bodem.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.77, wordt bij het toepassen van grond en baggerspecie voldaan aan paragraaf 5.7.4 Grond en baggerspecie toepassen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.77, wordt bij het aanleggen, onderhouden en verwijderen van kabels en leidingen voldaan aan paragraaf 5.7.5 Kabels en leidingen aanleggen, onderhouden en verwijderen.
Deze paragraaf gaat over het bouwen en in stand houden van een bouwwerk.
De regels in de afdeling zijn, tenzij anders bepaald, gesteld met het oog op:
het beschermen van stedenbouwkundige waarden;
het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;
het beschermen van de omgevingskwaliteit;
het waarborgen van de veiligheid;
het voorkomen van hinder en overlast;
het beschermen van de gezondheid;
het voorkomen of beperken van wateroverlast;
het waarborgen van de veiligheid van bouwwerken bij wateroverlast, overstromingen;
het beperken van hittestress;
het beperken van de negatieve gevolgen van aanhoudende droogte;
het vergroten van de biodiversiteit; en
het bijdragen aan een groene en gezonde leefomgeving.
De specifieke zorgplicht houdt voor de activiteiten, bedoeld in deze afdeling, in ieder geval in dat bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
Met het oog op het beperken van hittestress is de uitgaande warmeluchtstroom van installaties voor verwarming of koeling van een gebouw niet gericht op verblijfsruimten of langzaam verkeersroutes.
Bij het bouwen van bouwwerken wordt op de volgende wijze gemeten:
bouwhoogte: de afstand vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen;
goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, of gelijk te stellen de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; en
peil:
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang met dien verstande dat, indien een bouwwerk is gelegen aan meerdere wegen, de laagste weg bepalend is;
voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; en
voor een bouwwerk boven water: het plaatselijk aan te houden waterpeil.
Er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over de meetbepalingen.
Op het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van deze afdeling zijn de artikelen 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, 22.30 en 22.31 van toepassing.
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt niet begonnen voordat:
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit, als:
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Als voor de inwerkingtreding van de wet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 4.3 kan in ieder geval worden bepaald:
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de wet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 5.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;
het beschermen van de omgevingskwaliteit;
het voorkomen van hinder en overlast;
het voorkomen of beperken van wateroverlast;
het waarborgen van de veiligheid van bouwwerken bij wateroverlast, overstromingen;
het beperken van hittestress;
het beperken van de negatieve gevolgen van aanhoudende droogte;
het vergroten van de biodiversiteit; en
het bijdragen aan een groene en gezonde leefomgeving.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.
Voor de toetsing aan de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, worden ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2;
een situatietekening van de bestaande toestanden en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing;
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan;
een opgave van de wijze waarop wordt voorzien in warmtewerende oppervlakten; en
een opgave van de wijze waarop wordt voorzien in waterberging en infiltratie.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen afbreuk doet aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; en
minimaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van alle niet noordelijk, noordwestelijk of noordoostelijk georiënteerde gevel- en dakoppervlakte van het bouwwerk en het bij het bouwwerk behorende perceel warmtewerend is.
Er is in ieder geval sprake van een warmtewerend gevel- en dakoppervlakte als bedoeld in artikel 5.20, als de bouwmaterialen een albedofactor groter dan 0,40 hebben.
Er kan een lager percentage dan 40% worden toegestaan als het treffen van voldoende maatregelen aan het bouwwerk redelijkerwijs niet mogelijk is en de oppervlakte van het bij het bouwwerk behorende perceel kleiner is dan 35 m2.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als bij nieuwbouw van een gebouw een hemelwaterberging met een minimale capaciteit van 50 liter per m2 verhard oppervlakte aangebracht en in stand gehouden.
Het opgevangen hemelwater wordt:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid als het realiseren van de waterbergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de hoogte van het vloerpeil van de begane grond vloer van een hoofdgebouw minimaal de hoogte heeft zoals aangegeven bij de omgevingsnormen ‘Peil HDSR’, ‘Peil maatwerk Plassengebied’, ‘Peil maatwerkgebieden’, ‘Peil Rijnland’, als die norm op de locatie van toepassing is, tenzij die hoogte redelijkerwijs niet te realiseren is.
Als de hoogte uit het eerste lid vanwege de toegankelijkheid van het bouwwerk redelijkerwijs niet te realiseren is dan wordt aangetoond dat geen schade door wateroverlast ontstaat bij een bui met een herhalingstijd tot en met 1 x 100 jaar (70mm in één uur).
Het hoofdgebouw wordt in het ‘Locaties bouwen - met een bouwvlak’ gebouwd, als op het bouwperceel een bouwvlak aanwezig is.
De bouwhoogte is niet hoger dan aangegeven bij de omgevingsnorm 'maximale bouwhoogte', als die norm op de locatie van toepassing is.
De goothoogte is niet hoger dan aangegeven bij de omgevingsnorm ‘maximale goothoogte’, als die norm op de locatie van toepassing is.
Gestapelde woningen worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van de omgevingsnorm gestapeld.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen in een voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
een tekening of ingetekende foto met daarop de locatie van de dakkapel;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen afbreuk doet aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Als een dakkapel in hetzelfde woningblok aanwezig is, die met een positief advies van de commissie omgevingskwaliteit is gerealiseerd, voldoet een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak in een bijzonder welstandsgebied, gewoon welstandsgebied, soepel welstandsgebied in ieder geval aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet als de maatvoering, plaatsing en vormgeving van de dakkapel gelijk is aan die dakkapel.
Als geen dakkapel in hetzelfde woningblok aanwezig is, die met een positief advies van de commissie omgevingskwaliteit is gerealiseerd, voldoet een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak in het Gewoon welstandsgebied of een Bijzonder welstandsgebied in ieder geval aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet als de plaats van een dakkapel op een dakvlak en de maatvoering van de dakkapel voldoen aan de volgende eisen:
per hoofdgebouw zijn niet meer dan twee dakkapellen per dakvlak aanwezig;
dakkapellen op één doorgaand dakvlak zijn gelijk uitgevoerd;
dakkapellen zijn niet boven elkaar op hetzelfde dakvlak geplaatst;
een dakkapel is geplaatst in een dakvlak met een helling van minimaal 30°;
een dakkapel is niet geplaatst in het bovenste dakvlak van een mansardekap;
bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok is de hoogte van de dakkapellen gelijk;
bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok is sprake van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn;
een dakkapel is voorzien van:
een plat dak; of
een schuin dak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
de dakhelling van het dak van het hoofdgebouw is groter dan 45°;
de dakhelling van de aankapping is groter dan 25°;
de hoogte van de voet van de dakkapel tot de druiplijn is minder dan 1,3 m; en
de dakkapel is minimaal 1,0 meter onder de nok geplaatst; en
bij plaatsing in een mansardekap sluit het dak van de dakkapel aan op de knik en is de dakhelling gelijk aan de dakhelling van het bovenste dakvlak.
een dakkapel is gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,50 m, als het dakvlak van het hoofdgebouw niet hoger is dan 4m. verticaal gemeten tussen de goot en de nok;
een dakkapel is gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, als het dakvlak van het hoofdgebouw hoger is dan 4 m, verticaal gemeten tussen de goot en de nok;
de onderzijde van dakkapel ligt hoger dan 0,5 m, maar niet hoger dan 1 m boven de dakvoet;
de bovenzijde van de dakkapel ligt meer dan 0,5 m onder de daknok;
de zijkanten van de dakkapel liggen meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; en
de breedte van de dakkapel is maximaal 50% van de breedte van het dakvlak.
Als geen dakkapel in hetzelfde woningblok aanwezig is, die met een positief advies van de commissie omgevingskwaliteit is gerealiseerd, voldoet een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak in het Soepel welstandsgebied in ieder geval aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet als de vormgeving van een dakkapel voldoet aan de volgende eisen:
de indeling en de profielen van de kozijnen van de dakkapel zijn afgestemd op de kozijnen van het hoofdgebouw;
de detaillering is bescheiden zonder nadrukkelijke ornamenten;
het materiaalgebruik van de dakkapel is afgestemd op het hoofdgebouw;
de zijwanden van de dakkapel hebben een terughoudende kleur, of de kleur van de rest van de dakkapel;
het voorvlak wordt grotendeels ingevuld met doorzichtig glas. Dichte panelen zijn ondergeschikt; en
materialen en kleuren van een eventuele kap zijn gelijk aan de kap van het hoofdgebouw.
In aanvulling op artikel 2.29 aanhef, onderdeel b, onderdeel 1° van het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen twee dakkapellen in Soepel welstandsgebied, Gewoon welstandsgebied en Bijzonder welstandsgebied boven elkaar worden geplaatst als wordt voldaan aan de volgende eisen:
In aanvulling op artikel 2.29 aanhef, onderdeel b, onderdeel 1° van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt een dakkapel met een schuin dak alleen gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een nokverhoging te bouwen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nokverhoging worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van de bestaande en nieuwe toestand;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een nokverhoging wordt, als een nokverhoging in hetzelfde woningblok aanwezig is, die met een positief advies van de commissie omgevingskwaliteit is gerealiseerd, alleen verleend als de maatvoering, plaatsing en vormgeving van de nokverhoging gelijk is aan die nokverhoging.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een nokverhoging wordt, als geen nokverhoging in hetzelfde woningblok aanwezig is, die met een positief advies van de commissie omgevingskwaliteit is gerealiseerd, alleen verleend als:
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen afbreuk doet aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet;
sprake is van een enkelzijdige nokverhoging aan de achterkant;
de vorm en maat bij rijwoningen aansluit op aangrenzende panden;
deze de gehele breedte van de woning beslaat of tussen bestaande schoorstenen wordt geplaatst;
deze wordt geplaatst op een dak met een dakhelling van tenminste 30 graden;
de dakhelling van de nokverhoging gelijk is aan de dakhelling van het dak waarop de opbouw wordt geplaatst;
deze naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit;
de hoogte van de goot gelijk aan of lager is dan de bestaande daknok;
het kozijn een hoogte heeft tussen de 0,90 en 1,20 meter, waarbij de onderkant direct aansluit op het bestaande dakvlak; en
deze in stijl, afwerking en kleur is afgestemd op het hoofdgebouw.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken.
Deze paragraaf gaat niet over:
het bouwen van een dakkapel, bedoeld in paragraaf 5.2.3; en
het bouwen van een nokverhoging, bedoeld in paragraaf 5.2.4.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het beschermen van stedenbouwkundige waarden;
het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;
het beschermen van de omgevingskwaliteit;
het voorkomen van hinder en overlast;
het voorkomen of beperken van wateroverlast;
het waarborgen van de veiligheid van bouwwerken bij wateroverlast, overstromingen;
het beperken van hittestress;
het beperken van de negatieve gevolgen van aanhoudende droogte;
het vergroten van de biodiversiteit; en
het bijdragen aan een groene en gezonde leefomgeving.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen:
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een fietsenberging voor zover:
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor kliko-overkluizingen voor zover de hoogte niet meer bedraagt dan 120 centimeter, de diepte niet meer dan 85 centimeter en de breedte niet meer dan 210 centimeter.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er sprake is van een erker die voldoet aan de volgende eisen:
de breedte bedraagt maximaal tweederde van de voorgevel van het hoofdgebouw, met een maximum van 4 m;
de diepte bedraagt maximaal eenderde van de breedte van de erker met een maximum van 1,5 m;
de afstand tot de perceelgrens bedraagt minimaal 0,5 meter, tenzij het twee aaneengesloten erkers betreft;
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt; en
het behoud van een stedenbouwkundige eenheid van de desbetreffende straat wordt in acht genomen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als het bouwwerk in een bijzonder welstandsgebied voldoet aan de volgende eisen:
de hoofdvorm van het bouwwerk is rechthoekig of op de situatie afgestemd;
het bouwwerk is in één bouwlaag en eventueel voorzien van een eenvoudige kap;
het bouwwerk is afgestemd op het oorspronkelijke pand met bescheiden detaillering;
een naar de openbare ruimte gekeerde gevel heeft ramen;
bij integratie in erfafscheiding zijn de materialen en kleuren gelijk aan de erfafscheiding; en
het materiaal en de kleur is overeenkomstig het hoofdgebouw.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als bij nieuwbouw van een gebouw een hemelwaterberging met een minimale capaciteit van 50 liter per m2 verhard oppervlakte aangebracht en in stand gehouden.
Het opgevangen hemelwater wordt:
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid als het realiseren van de waterbergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als minimaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van alle niet noordelijk, noordwestelijk of noordoostelijk georiënteerde gevel- en dakoppervlakte van het bouwwerk en het bij het bouwwerk behorende perceel warmtewerend is.
Het eerste lid is niet van toepassing op een bijbehorend bouwwerk kleiner dan 15 m2.
Er is in ieder geval sprake van een warmtewerend gevel- en dakoppervlakte als bedoeld in artikel 5.43 als de bouwmaterialen een albedofactor groter dan 0,40 hebben.
Er kan een lager percentage dan 40% worden toegestaan als het treffen van voldoende maatregelen aan het bouwwerk redelijkerwijs niet mogelijk is en de oppervlakte van het bij het bouwwerk behorende perceel kleiner is dan 35 m2.
Dit artikel gaat over het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied.
Het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding ligt aan of bij, of is een uitbreiding van, een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben; en
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van ten hoogste 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, is het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding niet hoger dan:
Voor zover wordt gebouwd op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw en voor zover het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding hoger is dan 3 m:
wordt deze voorzien van een schuin dak;
is de dakvoet niet hoger dan 3 m; en
wordt de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3.
De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50 % van dat bebouwingsgebied;
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van erf- of perceelafscheidingen hoger dan 1 m.
Een erf-of perceelafscheiding is niet hoger dan 2 m.
De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat.
De erf- of perceelafscheiding wordt gebouwd achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Het naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd hekwerk wordt aangeplant met groenblijvende levende klimplanten, waardoor een volledige vlakvulling ontstaat.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van zonnepanelen en zonnecollectoren in het achtererfgebied.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het beschermen van stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;
het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;
het beschermen van de omgevingskwaliteit;
het voorkomen van hinder en overlast;
het tegengaan van klimaatverandering; en
het bereiken van een energieneutrale gemeenschap.
Deze paragraaf gaat over het wijzigen van kozijnen en gevels in het voorerfgebied of het naar openbaar toegankelijk gekeerd zijerf.
Bij het wijzigen van een kozijn of gevel aan de voorkant wordt:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het beschermen van stedenbouwkundige waarden;
het beschermen van de architectonische kwaliteit van bouwwerken;
het beschermen van de omgevingskwaliteit;
het voorkomen van hinder en overlast;
het voorkomen of beperken van wateroverlast;
het waarborgen van de veiligheid van bouwwerken bij wateroverlast, overstromingen;
het beperken van hittestress;
het beperken van de negatieve gevolgen van aanhoudende droogte;
het vergroten van de biodiversiteit; en
het bijdragen aan een groene en gezonde leefomgeving.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
als het eigendom van het gebouw is verdeeld in appartementsrechten: een bewijs van de toestemming van de Vereniging van Eigenaren; en
een opgave van de wijze waarop wordt voorzien in warmtewerende oppervlakten.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel wordt alleen verleend als:
het ondergeschikte bouwdeel past binnen de stedenbouwkundige structuur;
de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht; en
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders, niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet.
De uitgaande warme luchtstroom van installaties voor verwarming of koeling van een gebouw is niet gericht op verblijfsruimten of langzaam verkeersroutes binnen een afstand van 5 meter.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken ter plaatse van de locatie Welstandsvrij gebied (volkstuinen).
De maximale aantallen, oppervlakte en bouwhoogte bedragen niet meer dan de in onderstaande tabel opgenomen waarden.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige gebouwen.
Deze paragraaf gaat niet over:
het bouwen van een hoofdgebouw, bedoeld in paragraaf 5.2.2;
het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, bedoeld in paragraaf 5.2.5;
het bouwen van ondergeschikte bouwdelen, bedoeld in paragraaf 5.2.9; en
het bouwen van dakkapellen, bedoeld in paragraaf 5.2.3.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
de plattegronden van alle verdiepingen en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen;
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van naastgelegen bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en
de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overig bouwwerk geen gebouw zijnde te bouwen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
een plattegrond en een doorsnedetekeningen voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, de bestaande situatie;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2;
een situatietekening van de bestaande toestanden en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; en
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
het aangevraagde bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag een bijdrage levert aan het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan de goede omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet; en
de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en locaties naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onevenredig worden aangetast.
Een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in het voor- of achtererfgebied is maximaal 3 m hoog.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de omgevingskwaliteit.
Het uiterlijk van bouwwerken is niet in ernstige mate in strijd met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de wet.
Deze paragraaf gaat over het bewerken van de bodem en beschoeiingen in openbaar toegankelijk gebied.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het bevorderen van een gezonde leefomgeving;
het stimuleren van duurzame mobiliteit;
het bevorderen van de toegankelijkheid;
het behouden en versterken van de biodiversiteit;
de instandhouding van het openbaar toegankelijk gebied;
het voorkomen en beperken van de gevolgen van hittestress;
het voorkomen en beperken van de gevolgen van wateroverlast;
het zoveel mogelijk beperken van bodemdaling/zetting; en
het beheer van de ondergrondse infrastructuur.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
de activiteit noodzakelijk is voor het toegankelijk maken van het openbaar gebied;
de activiteit bijdraagt aan het behouden of versterken van de biodiversiteit;
de activiteit noodzakelijk is voor de instandhouding van het openbaar gebied;
de activiteit bijdraagt aan het beperken van de negatieve gevolgen van klimaatverandering; of
de activiteit bijdraagt aan de bruikbaarheid van het openbaar gebied.
Deze paragraaf gaat over het plaatsen van objecten in openbaar toegankelijk gebied.
Deze paragraaf gaat niet over reclame als bedoeld in Paragraaf 5.3.10 van dit omgevingsplan.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;
het bevorderen van de verkeersveiligheid;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;
het beperken van hinder; en
het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een object te plaatsen in openbaar toegankelijk gebied.
Het is verboden kabels of snoeren voor het laden van elektrische motorvoertuigen of daartoe bestemde kabelgoten, beschermmatten of overige toebehoren op, over of boven openbaar toegankelijk gebied, de weg of een weggedeelte te leggen of te houden.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor containers, insectenhotels en geveltuinen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen, bedoeld in Artikel 5.84, niet onevenredig worden geschaad.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3 houdt voor het plaatsen van een insectenhotel in ieder geval in dat:
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3, houdt voor het aanbrengen van een geveltuin in ieder geval in dat:
Een geveltuin ligt direct langs een gevel op de stoep, op openbaar terrein.
Een geveltuin is maximaal 45 cm breed.
De vrije doorgang tot aan de rand van de stoep is minimaal 1,5 m. Bij een smal obstakel (bijvoorbeeld een lantaarnpaal of verkeersbord) is de vrije ruimte minimaal 1,2 m.
Een geveltuin is maximaal 40 cm diep.
Het is niet toegestaan om bomen of andere diepwortelende planten te planten.
De verwijderde stoeptegels mogen gebruikt worden om een rand langs de geveltuin te maken.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het waarborgen van het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar gebied;
het beperken van hinder;
de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte;
het bevorderen van de verkeersveiligheid;
het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; en
het beschermen van het openbaar groen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als:
de verkeersveiligheid van de weg wordt aangetast;
het doelmatig gebruik van de weg onevenredig wordt gehinderd;
de bereikbaarheid van gronden of gebouwen onevenredig wordt gehinderd;
het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
de openbare weg onaanvaardbaar wordt beschadigd.
Deze paragraaf gaat over het aanleggen van een uitrit naar de openbare weg in beheer bij de gemeente.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;
het bevorderen van de verkeersveiligheid;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;
het beperken van hinder;
het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte; en
het beschermen van het openbaar groen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een tekening of foto met daarop de gewenste ligging van de uitrit;
een foto van de bestaande situatie;
de locatie van de uitrit aan het voor-, zij- of achtererf;
de afmeting van de nieuwe uitrit of de te veranderen bestaande uitrit en de beoogde verandering daarvan;
de te gebruiken materialen; en
de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitrit, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.
De omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitrit naar de openbare weg of het veranderen van een bestaande uitrit wordt alleen geweigerd als:
door de uitrit een verkeersonveilige situatie kan ontstaan;
de aanleg van de uitrit zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
er door het aanleggen van de uitrit meer openbare parkeerplaatsen komen te vervallen dan er op eigen terrein worden gerealiseerd;
er onvoldoende ruimte op eigen terrein is om te parkeren of als parkeren op eigen terrein in strijd is met het omgevingsplan;
het openbaar groen door de uitrit op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
het perceel al door een andere uitrit wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3 houdt voor het aanbrengen van terrassen in ieder geval in dat:
Een terras bevindt zich direct tegen de voorgevel voor de desbetreffende horecagelegenheid, of in geval van een eilandterras minimaal 1,5 meter gelegen vanaf deze gevel.
Een terras:
bevindt zich volledig binnen een straal van 20 meter gerekend vanaf de voorgevel van de bijbehorende horecagelegenheid;
is afhankelijk van de locatie en ligging van het terras niet breder dan de horecagelegenheid waarvoor het gevestigd is; en
is in oppervlakte niet groter dan de exploitatieoppervlakte van de horecagelegenheid binnen.
De vrije doorgang in het voetgangersgebied bedraagt minimaal 3,5 m.
De vrije doorgang op het trottoir bedraagt minimaal 1,50 m.
Er worden geen vlonders over het gehele terras geplaatst.
Terrasafscheidingen zijn boven een hoogte van 0,75 m doorzichtig uitgevoerd.
Terrasmeubilair wordt na sluitingstijd inpandig opgeborgen of, als dit niet mogelijk is, deugdelijk met kettingen vastgemaakt.
Het openbaar terrein waarop een terras is gevestigd moet kosteloos, leeg en schoon ter beschikking worden gesteld als de gemeente dit verzoekt.
Deze paragraaf gaat over het in de openlucht en buiten de openbare weg opslaan van:
Deze paragraaf gaat niet over:
plaatsen van objecten op de weg als bedoeld in paragraaf 5.3.2; en
opslaan van autowrakken als bedoeld in paragraaf 4.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
het opslaan van vaste mest, bedoeld in paragraaf 5.6.28;
het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in paragraaf 5.6.30; en
het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie, bedoeld in Paragraaf 5.6.29.
De eigenaar van of degene die uit anderen hoofde bevoegd is voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen op te slaan en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van de volgende voorwerpen en stoffen:
een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan;
een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan;
kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop, verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
mest en gier;
vuil;
ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde afbraakmaterialen; en
oude metalen.
Het is verboden voorwerpen of stoffen als bedoeld in het eerste lid op te slaan op de volgende locaties:
Deze paragraaf gaat over het toevoegen van gebouwen of locaties met parkeerbehoefte.
Een gebouw met een parkeerbehoefte is een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin een of meerdere van de volgende activiteiten met gebruiksruimte worden of kunnen worden verricht:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw of terrein locaties met parkeerbehoefte toe te voegen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er voldoende parkeergelegenheid, beoordeeld aan de hand van de normen die zijn neergelegd in het geldende parkeerbeleid van de gemeente, op eigen terrein gerealiseerd wordt.
Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg in beheer bij de gemeente.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3, houdt voor het plaatsen en behouden van objecten en beplanting in dat:
Deze paragraaf gaat over het openen of afdekken van een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening.
Het is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken voor degene die daartoe niet bevoegd is.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het behoeden van de staat en werking van de openbare weg en het openbaar water voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg of dat water;
het bevorderen van de verkeersveiligheid;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;
het beperken van hinder; en
het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.122, in ieder geval in dat deze geen hinder of gevaar oplevert voor personen of goederen en geen verkeersonveilige situaties veroorzaakt.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning reclame te plaatsen op of aan een onroerende zaak.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt:
een tekening of ingetekende luchtfoto verstrekt met daarop de locatie van de reclame;
een foto, tekening of duidelijke omschrijving van de reclame verstrekt;
als een object wordt gebruikt: de lengte, breedte en hoogte van dat object aangegeven; en
de voorgenomen tijdsduur van het maken van reclame vermeld.
De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de belangen, bedoeld in Artikel 5.123, onevenredig worden geschaad.
Het is verboden een uitstalling, reclamebord of spandoek in of boven openbaar toegankelijk gebied te plaatsen zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.
Een melding bevat:
De melding wordt voor een spandoek niet eerder gedaan dan 12 weken voor de datum waarop het spandoek wordt opgehangen.
De uitstalling wordt geplaatst op het trottoir of in het voetgangersgebied.
Een uitstalling wordt geplaatst over maximaal de gehele gevelbreedte van het pand waarin de bijbehorende winkel is gevestigd.
Een uitstalling met verkoopwaar wordt direct tegen de gevel geplaatst.
Er is een minimale vrije doorgang aanwezig van:
Een uitstalling zonder verkoopwaar:
Een uitstalling wordt niet vast of nagelvast aan de grond bevestigd.
Per winkel worden maximaal twee uitstalling in de openbare ruimte geplaatst.
Een uitstalling is alleen in de openbare ruimte aanwezig als de bijbehorende winkel geopend is.
Tijdens evenementen is een uitstalling alleen in overleg met de organisator van het evenement toegestaan.
Reclameborden worden alleen geplaatst op de, in opdracht van de gemeente, geplaatste reclamedisplays.
Tijdelijke reclame-uitingen worden geplaatst conform de volgende voorrangsregels:
Tijdelijke reclame-uitingen voor commerciële doeleinden hebben alleen betrekking op een maatschappelijk, educatief, cultureel doel of evenement binnen de gemeente Bodegraven-Reeuwijk.
Er worden uitsluitend reclame-uitingen aangebracht die in overeenstemming zijn met de ten tijde van het aanbrengen geldende Nederlandse Reclame Code, vastgesteld door Stichting Reclame Code, inclusief geldende bijzondere reclamecodes.
Een campagne wordt maximaal voor een aaneengesloten periode van veertien dagen geplaatst.
Campagnes worden niet op zondag verwisseld.
A0-reclamedisplays brengen de verkeersveiligheid niet in gevaar.
A0-reclamedisplays vormen geen belemmering voor doorgaand verkeer en hulpverlenende diensten.
A0-reclamedisplays verstoren niet de zichtbaarheid van de openbare ruimte, de verkeerslichten, verkeersborden en overige verkeersobjecten.
Het spandoek wordt alleen opgehangen:
tussen Wilhelminastraat 1 en Van Tolstraat 2 in Bodegraven;
tussen Brugstraat nummer 8 en 9 in Bodegraven;
aan weerszijden van de brug op de kruising Cortenhoeve – Goudseweg in Bodegraven;
aan weerszijden van de brug op de Breevaart ter hoogte van de brandweerkazerne in Reeuwijk; of
aan weerszijden van de brug over de Breevaart ter hoogte van de kruising Raadhuisweg/Zoutmansweg in Reeuwijk.
Er mogen door de melder maximaal vier spandoeken gelijktijdig worden opgehangen.
De organisatie zorgt zelf voor het plaatsen en verwijderen van de spandoeken.
Een spandoek is maximaal 4 m lang en 1,5 m hoog.
Een spandoek hangt, met uitzondering van de bruglocatie, tenminste 4,1 m boven het wegdek.
Een spandoek hangt maximaal veertien dagen.
Een spandoek wordt verwijderd uiterlijk op de eerste werkdag na afloop van de activiteit waar het betrekking op heeft.
Een spandoek bevat geen aanstootgevende teksten of afbeeldingen.
Alle aanwijzingen van politie, brandweer en medewerkers van de gemeente worden direct en stipt opgevolgd.
Deze paragraaf gaat over het plaatsen van voorwerpen, met uitzondering van vaartuigen, in, op of boven openbaar water.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.3, houdt voor het plaatsen van een voorwerp in, op of boven openbaar water in ieder geval in dat het voorwerp:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een voorwerp, met uitzondering van een vaartuig, in, op of boven openbaar water te plaatsen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen, bedoeld in Artikel 5.133, niet onevenredig worden geschaad.
Het is verboden een voorwerp of vaartuig te laten zinken of in gezonken toestand te laten liggen in het zand van openbaar water.
Deze paragraaf is van toepassing op het innemen van een ligplaats met een vaartuig op de locaties Ligplaatsen overige vaartuigen, Ligplaatsen recreatie en Ligplaatsen woonboten.
Het is op de locatie Ligplaatsen recreatie uitsluitend toegestaan om met een recreatievaartuig een ligplaats in te nemen, een ligplaats te hebben of een ligplaats beschikbaar te stellen.
Het is op de locatie Ligplaatsen woonboten uitsluitend toegestaan om met een woonboot een ligplaats in te nemen, een ligplaats te hebben of een ligplaats beschikbaar te stellen.
Het is op de locatie Ligplaatsen overige vaartuigen uitsluitend toegestaan om met een overig vaartuig een ligplaats in te nemen, een ligplaats te hebben of een ligplaats beschikbaar te stellen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ligplaats in te nemen buiten de locaties Ligplaatsen recreatie, Ligplaatsen woonboten en Ligplaatsen overige vaartuigen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ligplaats in te nemen op, aan of bij een gemeentelijke wal.
Het verbod geldt niet voor het innemen van een ligplaats ten behoeve van in en uitstappen of laden en lossen aan een wal die is bestemd als openbare uitstap-,instap-, los- of laadplaats.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen, bedoeld in Artikel 5.140 niet onevenredig worden geschaad.
Het is verboden een gemeentelijke openbare uitstap-, instap-, los- of laadplaats als opslagplaats van goederen te gebruiken.
Het is verboden een vaartuig vast te maken aan een beschoeiing, berm of aan een achter beschoeiing geplaatst voorwerp.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor de rechthebbende op de betreffende beschoeiing, berm of aan een beschoeiing geplaatst voorwerp.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en het milieu.
Het is verboden een drijvende schiethut te hebben in het Reeuwijkse Plassengebied.
Het verbod geldt niet voor bestaande schiethutten en voor zover er geen vaarverbod voor een gemotoriseerd vaartuig geldt.
Een drijvende schiethut is alleen aanwezig voor een jachthouder die in het bezit is van een geldige jachtakte of een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit.
De drijvende schiethut ligt in het jachtveld waarop de jachthouder gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijk genot van de jacht.
Voor het hebben van een drijvende schiethut moet de jachthouder schriftelijke toestemming hebben van de eigenaar van het kadastrale perceel waarop de schiethut is gelegen.
Voor het hebben van een drijvende schiethut moet de jachthouder tevens schriftelijke toestemming hebben van de aangrenzende eigenaar (van het land, water of eiland). Indien deze bezwaar heeft tegen het hebben van de drijvende schiethut nabij zijn eigendom, dan mag de schiethut niet binnen 50 meter vanaf de grens van de aangrenzende eigenaar worden neergelegd.
Een jachthouder mag in zijn jachtveld per 40 ha maximaal 2 drijvende schiethutten hebben.
Deze paragraaf gaat over het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen op een locatie met de functie-aanduiding ‘gemeentelijk monument’.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.
Degene die een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijke monumentenactiviteit te verrichten.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een gemeentelijke monumentenactiviteit met betrekking tot een monument, voor zover het gaat om:
noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd;
alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of
het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument;
de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en
de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en
als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen: een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.
Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, ook een omschrijving verstrekt van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving.
Bij de aanvraag wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, ook een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Bij een aanvraag als bedoeld in de Artikel 5.153 en Artikel 5.154 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
De omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg, beoordeeld volgens de redengevende omschrijvingen als bedoeld in bijlage IV.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten;
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Aan de omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is, worden in ieder geval voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie.
Een maatwerkvoorschrift kan met het oog op het belang, bedoeld in Artikel 5.151 over een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft worden gesteld op grond van artikel 4.3.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van archeologische monumenten.
Het is binnen de locaties ‘gebied met archeologische verwachting - 1’ verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te bewerken:
Het is binnen de locaties ‘gebied met archeologische verwachting - 2’ verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te bewerken:
Het is binnen de locaties ‘gebied met archeologische verwachting - 3’ verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te bewerken:
Het is binnen de locaties ‘gebied met archeologische verwachting - 4’ verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te bewerken:
Het is binnen de locaties ‘gebied met archeologische verwachting - 5’ verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te bewerken:
Het is binnen de locaties ‘gebied met archeologische verwachting - 6’ verboden zonder omgevingsvergunning graafwerkzaamheden dieper dan de sliblaag te verrichten.
Het verbod geldt niet voor:
het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
bodembewerkingen die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek; en
ophogingen tot een maximum van 50 cm in gebieden met archeologische verwachtingen 2 tot en met 5.
Het verbod geldt binnen de locaties gebied met archeologische verwachting - 1, gebied met archeologische verwachting - 2, gebied met archeologische verwachting - 3, gebied met archeologische verwachting - 4 of gebied met archeologische verwachting - 5 ook niet voor normaal onderhoud aan en vervanging van bestaande bestratingen en beplanting en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij de bestaande maatvoering niet wordt gewijzigd.
Het verbod geldt binnen de locaties gebied met archeologische verwachting - 2, gebied met archeologische verwachting - 3 of gebied met archeologische verwachting - 4 ook niet voor normaal landbouwkundig gebruik van de bodem.
Het verbod geldt op een locatie met de functie-aanduiding gebied met archeologische verwachting - 5 ook niet voor het uitvoeren van grondbewerkingen, als deze niet dieper worden uitgevoerd dan de sliblaag.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:
een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
funderingstekeningen;
als sprake is van een booronderzoek of gravend onderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak of programma van eisen voor het booronderzoek of gravend onderzoek; en
als sprake is van een archeologisch monument of te verwachten archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing, als uit schriftelijke informatie naar het oordeel van het bevoegd gezag blijkt dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is, de archeologisch waarde naar beneden kan worden bijgesteld, of dat de archeologie niet evenredig wordt bedreigd door de voorgenomen plannen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot de onroerende zaken, opgenomen in bijlage III Cultuurhistorisch waardevolle objecten, op een locatie met de functie-aanduiding cultuurhistorisch waardevolle objecten.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een cultuurhistorisch waardevol object, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning:
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor het bouwen van een bouwwerk in een cultuurhistorisch waardevol object, als daardoor de karakteristieke waarden evident niet worden aangetast.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, geldt niet voor zover:
het de sloop betreft:
ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel;
van inpandige delen van een cultuurhistorisch waardevol object die niet medebepalend zijn voor het uiterlijk van het cultuurhistorisch waardevol object;
ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek dat nodig is voor de instandhouding van een cultuurhistorisch waardevol object;
die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar, waarbij de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing acuut dreigt en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; of
de verplaatsing dringend is vereist voor het behoud van het cultuurhistorisch waardevol object.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in, aan of op een cultuurhistorisch waardevol object wordt aannemelijk gemaakt dat de bouwactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de karakteristieke waarde van het cultuurhistorisch waardevol object.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen van een cultuurhistorisch waardevol object worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het cultuurhistorisch waardevol object in relatie tot de voorgenomen sloop:
de volgende tekeningen:
een omschrijving van de sloopmethode; en
als de technische staat of de gebruiksmogelijkheden van het cultuurhistorisch waardevol object ten grondslag liggen aan de voorgenomen sloopactiviteit: een rapport van een onafhankelijke deskundige, dat de volgende gegevens bevat:
een onderbouwde beschrijving van de technische staat van het cultuurhistorisch waardevol object of het onderdeel van het cultuurhistorisch waardevol object waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of
een beschrijving van de mate waarin het cultuurhistorisch waardevol object geschikt is of door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt voor zinvol gebruik overeenkomstig de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten of een ander, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, passend gebruik.
Het verstrekken van een deskundigenrapport als bedoeld in het tweede lid, onder d, is niet nodig als de technische staat of de gebruiksmogelijkheden naar het oordeel van het bevoegd gezag uit andere beschikbare informatie afdoende blijken.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een cultuurhistorisch waardevol object worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de technische staat van het cultuurhistorisch waardevol object;
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het cultuurhistorisch waardevol object in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:
de volgende tekeningen:
een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw;
zo nodig een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van een technisch rapport; en
zo nodig aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de karakteristieke waarde van het cultuurhistorisch waardevol object, beoordeeld volgens de redengevende omschrijvingen als bedoeld in bijlage III.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.
Aan de omgevingsvergunning voor het slopen van delen van een cultuurhistorisch waardevol object die blijkens de aanvraag of blijkens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk worden vervangen, wordt in ieder geval een voorschrift opgenomen waarin de termijn wordt vastgesteld waarbinnen de vervanging van gesloopte onderdelen gereed moet zijn.
Aan een omgevingsvergunning voor gedeeltelijke of volledige verplaatsing van een cultuurhistorisch waardevol object worden in ieder geval voorschriften verbonden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van dat bouwwerk op de nieuwe locatie.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een als zodanig aangewezen beschermde boom te kappen of een beschermde houtopstand te vellen.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de belangen, bedoeld in Artikel 5.174, niet onevenredig worden geschaad.
Deze paragraaf gaat over het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein.
Het is verboden zonder een omgevingsvergunning kampeermiddelen te plaatsen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein.
Het verbod geldt niet:
voor het plaatsen van maximaal één kampeermiddel voor eigen gebruik door een eigenaar van een terrein om en nabij een voor permanent gebruik bestemde woning voor maximaal één week in de periode van 1 april tot 31 oktober;
op terreinen die door jeugd- of sportverenigingen worden gebruikt voor een toernooi of andere activiteit die past binnen de doelstelling van de vereniging; en
op het parkeerterrein aan de Burgemeester Kremerweg voor het parkeren van caravans van kermisexploitanten tijdens de najaarsmarkt in Bodegraven.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4 houdt voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 5.184 in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt in ieder geval ook in dat:
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4 voor zover die ziet op het tweede lid van dit artikel, is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel gaat over activiteiten waarop de paragrafen 5.2.1 en 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing zijn.
De resultaten van het eindonderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in de artikelen 5.7a tot en met 5.7e van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van het milieu.
Deze paragraaf gaat over het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;
de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;
gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;
een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;
informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en
de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater te lozen:
Het eerste lid is niet van toepassing op:
lozingen die op grond van andere bepalingen in dit omgevingsplan zijn toegestaan;
wonen;
een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Op het verlenen van de omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.201 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid gelden niet als:
In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig uit ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in lid 4 tabel Emissiegrenswaarden gemeten in een steekmonster.
Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.
Tabel Emissiegrenswaarden
Stof | Emissiegrenswaarden |
Naftaleen | 0,2 µg/l |
PAK’s | 1 µg/l |
BTEX | 50 µg/l |
Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor | 20 µg/l |
Aromatische organohalogeen-verbindingen | 20 µg/l |
Minerale olie | 500 µg/l |
Cadmium | 4 µg/l |
Kwik | 1 µg/l |
Koper | 11 µg/l |
Nikkel | 41 µg/l |
Lood | 53 µg/l |
Zink | 120 µg/l |
Chroom | 24 µg/l |
Onopgeloste stoffen | 50 mg/l |
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.
Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:
voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;
voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;
voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;
voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;
voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;
voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;
voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;
voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;
voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;
voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;44
voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;
voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;
voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;
voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;
voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;
voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;
voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en
voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:
In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.211, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:
40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;
600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;
1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en
3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.
In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.
Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in onderstaande tabel.
Tabel Emissiegrenswaarden
Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:
Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:
Deze paragraaf gaat over het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.218, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.
Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.
Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.
Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd.
Het eerste lid geldt niet voor afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.
Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:
bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
A-hout en ongeshredderd B-hout;
snoeihout;
banden van voertuigen;
autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;
straatmeubilair;
tuinmeubilair;
aluminium, ijzer en roestvrij staal;
kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf,
lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;
kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;
papier en karton;
textiel en tapijt; en
vlakglas.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.225, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1 en 2, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.
Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.
Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.
Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.
Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.
Deze paragraaf gaat niet over het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 5.239, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, als bedoeld in de artikelen Artikel 5.247 en Artikel 5.248, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.
In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.
Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.
Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.251, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in onderstaande tabel, gemeten in een steekmonster.
Tabel Emissiegrenswaarden
Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Deze paragraaf gaat over het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.256, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.
Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.
Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een recreatieve visvijver.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.261, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.265, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.
In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.
Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.
Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.
Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.
Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:
Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.
Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.
Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op het leiden van afvalwater door een olieafscheider in zettingsgevoelig gebied.
In de directe nabijheid van een olieafscheider wordt een peilbuis geplaatst.
De peilbuis wordt geplaatst door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De positie van de peilbuis wordt bepaald aan de hand van:
De peilbuis is horizontaal gelegen op een afstand:
De peilbuis wordt snijdend met de grondwaterspiegel geplaatst.
Een peilbuis wordt uiterlijk binnen 2 maanden na plaatsing bemonsterd.
Na de eerste bemonstering als bedoeld in het eerste lid, wordt de peilbuis ten minste eenmaal per twee jaar bemonsterd.
Bemonstering vindt plaats door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De monsters worden onderzocht door een laboratorium met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 3000.
De monsters worden onderzocht op aanwezigheid van:
Binnen een maand na afloop van de bemonstering wordt aan het bevoegd gezag een rapportage van die bemonstering verstrekt.
De rapportage voldoet aan de normen voor een verslag, bedoeld in de NEN 5740.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML, conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Als uit de resultaten van de bemonstering blijkt dat het grondwater is verontreinigd tot boven de waarden voor nader onderzoek, bedoeld in onderstaande tabel, wordt binnen 2 maanden een nader onderzoek uitgevoerd naar de omvang van de verontreiniging.
Tabel Waarden voor nader onderzoek
Het nader onderzoek voldoet aan de NTA 5755.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Binnen een maand na afloop van het nader onderzoek wordt aan het bevoegd gezag een rapportage van dat onderzoek verstrekt.
De rapportage voldoet aan de normen voor een rapportage, bedoeld in de NTA 5755.
De resultaten van de bemonstering worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML, conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Als de bodem door de activiteit, bedoeld in Artikel 5.275 is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van de rapportage nader onderzoek, bedoeld in artikel 5.287, eerste lid, de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, van het Besluit bodemkwaliteit.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Ten minste 5 dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 5.282 wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de begindatum.
Ten hoogste 5 dagen na afloop van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 5.282 wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de einddatum.
Ten hoogste vier weken na beëindiging van de herstelwerkzaamheden wordt aan het bevoegd gezag een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000 verstrekt dat in ieder geval de resultaten van de milieukundige begeleiding bevat, bestaande uit de onderdelen:
De olieafscheider wordt onderhouden en geïnspecteerd conform NEN-EN 858-2:2003.
Deze paragraaf gaat over het bereiden van voedingsmiddelen met:
Deze paragraaf gaat niet over een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.285 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.
Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.
Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
Afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt niet geloosd.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:
Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur.
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van Artikel 5.288, vierde lid, toegestaan worden dat afvalwater dat afkomstig is van een voertuig of andere mobiele installatie waarin voedsel wordt bereid, wordt geloosd op het vuilwaterriool.
Bij maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van Artikel 5.288, vijfde lid, toegestaan worden dat afvalwater wordt geloosd zonder een vetafscheider en slibvangput, als dat, gelet op het vetgehalte in het te lozen afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Deze paragraaf gaat over een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf gaat niet over een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.291, is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.
Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.
Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:
het bewerken van dierlijke bijproducten; of
het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in Artikel 5.294 is uitgevoerd.
Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.
Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:
een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;
een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of
een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.
In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van de activiteit wordt een rapport van het bodemonderzoek verstrekt aan het bevoegd gezag.
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de kwaliteitsklasse landbouw/natuur, bedoeld in artikel 25d, van het Besluit bodemkwaliteit
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Deze paragraaf gaat over het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:
Deze paragraaf gaat niet over slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Deze paragraaf gaat ook niet over een windpark met 3 of meer windturbines.
In afwijking van Artikel 5.306, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van Artikel 5.306, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalfmaal de rotordiameter bedraagt.
De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:
Artikel 5.309 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.
Bij een agrarische activiteit is Artikel 5.309 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.
Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.
Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.
Deze paragraaf gaat over het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Deze paragraaf gaat over het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:
worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;
wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en
bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.
Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:
Deze paragraaf gaat over het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.322, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:
Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met aangewezen collectieve festiviteiten.
Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.326, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:
Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:
in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;
in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of
op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Deze paragraaf gaat over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie grote hoeveelheden vaste mest.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
een doelmatig beheer van afvalwater;
het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en
het beschermen van het milieu, waaronder:
het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen;
een doelmatig beheer van afvalstoffen;
het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; en
het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.338, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein;
de ligging en de indeling van de gebouwen;
het gebruik van de te onderscheiden ruimten;
de ligging van de bedrijfsriolering;
op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;
of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en
op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
gegevens over de lozingsroutes; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.
Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plasticfolie zijn verpakt.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.
De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:
Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit, als bedoeld in Artikel 5.345, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;
per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:
per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden:
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.
Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.
Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.
Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem in het gebied Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (beschikt) en het gebied Kleinschalig graven - diffuus bovengrond waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3.
Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:
Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.
Ten minste een week voor het begin van de activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het eerste lid is niet van toepassing:
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.
Deze paragraaf gaat over het verrichten van een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.357 in ieder geval in dat degene die de activiteit verricht in het belang van bescherming van de bodem maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.
Deze paragraaf gaat over het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.
Deze paragraaf gaat over het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1278 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden de kwaliteitseisen, bedoeld in de in het tijdelijk deel van dit omgevingsplan opgenomen geldende nota bodembeheer.
Deze paragraaf is van toepassing op het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld.
In afwijking van de artikelen 4.1222a eerste lid, 4.1230a, eerste lid en 4.1233 van het Besluit activiteiten leefomgeving, hoeft bij het tijdelijk uitnemen van grond bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen (inclusief rioleringen) tot een diepte van 2 meter beneden maaiveld de grond na het tijdelijk uitnemen van die grond niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.
Aan de regels van deze paragraaf wordt voldaan door de eigenaar en gebruiker van de grond waarop de beplanting zich bevindt.
Gronden worden gezuiverd van akkerdistel (Cirsium arvense), akkermelkdistel (Sonchus arvensis), Jacobskruiskruid (Senecio Jacobaes), Ridderzuring (Rumex obtusifolia) en Wilgenroosje (Chamerion angustifolium) voordat deze in bloei komen, voor zover als gevolg van de aanwezigheid hiervan op diens gronden, aan de gronden die bij anderen in eigendom of gebruik zijn, schade of overlast wordt toegebracht of zou kunnen worden toegebracht.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over artikel 8.2, dat een plicht inhoudt om gronden te zuiveren van de in dat artikel genoemde planten.
Voordat wordt beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in de paragrafen 5.2.3 tot en met 5.2.6, of op verzoek van een ander bevoegd gezag over die aanvraag wordt geadviseerd, vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening adviescommissie ruimtelijke kwaliteit gemeente Bodegraven-Reeuwijk.
Het college van burgemeester en wethouders betrekt een archeologisch deskundige bij de beoordeling van het bij de aanvraag overgelegde rapport, bedoeld in Artikel 5.164.
Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een gemeentelijke monumentenactiviteit en het gemeentelijk monument een kerkelijk monument is, neemt het bevoegd gezag pas een beslissing op de aanvraag na overleg met de eigenaar.
Voor zover het gaat om een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, beslist het bevoegd gezag alleen in overeenstemming met de eigenaar.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een aanvraag om een besluit voor die activiteit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit ter inzage is gelegd op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment voor een ambtshalve te nemen besluit voor die activiteit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing als tegen het besluit:
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, en die onherroepelijk is, als een omgevingsvergunning op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning is vereist.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, gelden de voorschriften uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van die activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een melding is vereist.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een melding of kennisgeving van een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als het verstrekken van informatie op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor die activiteit een verplichting geldt om informatie te verstrekken.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een aanvraag om een ontheffing of vergunning voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een melding op grond van dit omgevingsplan, voor zover een melding is vereist.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is, geldt een onherroepelijk maatwerkvoorschrift voor een activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening, zoals die luidde direct voor dat moment, als een maatwerkvoorschrift op grond van dit omgevingsplan. Dit geldt alleen voor zover de gemeente over die activiteit maatwerkvoorschriften kan stellen op grond van dit omgevingsplan.
Als een wijziging van dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing is en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een bouwwerk dat aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning op grond van afdeling 5.2, en dat bouwwerk afwijkt van dit omgevingsplan, mag dat bouwwerk, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
Het eerste lid geldt niet voor bouwwerken die al in strijd zijn met het voorheen geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.
Als een wijziging van dit omgevingsplan van toepassing is op een activiteit met gebruiksruimte als bedoeld in hoofdstuk 6 die al wordt verricht en die in strijd is met de op grond van dat hoofdstuk voor die activiteit aangewezen regels, mag die activiteit in strijd met die regels worden voortgezet zo lang de activiteit niet wordt gewijzigd.
In afwijking van het eerste lid mag de activiteit worden gewijzigd, als:
Het eerste en tweede lid gelden niet voor activiteiten die al in strijd zijn met het voorheen geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.
Het eerste en tweede lid gelden ook niet als dat elders in dit omgevingsplan is bepaald.
Als de activiteit na het tijdstip, waarop de wijziging van het omgevingsplan van kracht is geworden, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, wordt de activiteit daarna niet hervat.
De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, over het bouwen en in stand houden van bouwwerken zijn niet van toepassing voor zover de regels van paragraaf 4.2.1 van toepassing zijn.
Het eerste lid geldt niet voor regels in het tijdelijke deel:
die zijn opgenomen in TAM-omgevingsplannen;
over de bescherming en instandhouding van de belangen van de bestaande molen waarvan de regels zijn verbonden aan de in de bestemmingsplannen Bodegraven Centrum 2022 en Kern Bodegraven opgenomen gebiedsaanduidingen vrijwaringszone - molenbiotoop; en
over de goot- en bouwhoogte van gebouwen en bedrijfswoningen, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Bedrijventerreinen Zuidrand Bodegraven.
De regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de wet, over andere activiteiten dan het bouwen en in stand houden van bouwwerken zijn niet van toepassing, voor zover de regels van paragraaf 4.2.1 en 4.2.3 tot en met paragraaf 4.2.6 van toepassing zijn en de oogmerken van die regels hetzelfde zijn als de oogmerken van de regels in dat tijdelijke deel.
Afdeling 22.2 is alleen van toepassing in het werkingsgebied bruidschat bouwen.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, Artikel 22.287 [Vervallen], Artikel 22.288 [Vervallen], Artikel 22.290 [Vervallen] en Artikel 22.295 [Vervallen] wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
Het eerste lid is van toepassing:
als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:
het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en
de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.
Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.
Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.
De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.
Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:
Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald:
als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;
als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en
of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.
Het eerste lid is niet van toepassing als:
de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;
de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:
de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;
brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;
voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;
gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;
dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en
brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.
Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.
ADR-klasse1 | Omschrijving | Verpakkingsgroep | Toegestane maximum hoeveelheid |
2 UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas | Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) | n.v.t. | 50 kg |
3 | Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton | II | 25 liter |
3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C | Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten | III | 50 liter |
4.1, 4.2, 4.3 | 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide | II en III | 50 kg |
5.1 | Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide | II en III | 50 liter |
5.2 | Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide | n.v.t. | 1 liter |
| |||
De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;
het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en
het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.
Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:
inpandige wijzigingen;
een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;
een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of
een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:
het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.
Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit
Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in artikel 22.29.
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.
Artikel 22.303, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;
voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en
het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen:
Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of
op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in Paragraaf 22.3.7.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:
alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat:
alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;
de beste beschikbare technieken worden toegepast;
geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;
alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;
afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;
metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;
meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;
voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en
afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.
De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:
Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen 22.3.2 tot en met 22.3.26.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:
Voordat de naam of het adres, bedoeld in artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.
Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:
informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;
informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;
andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en
informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
Het eerste lid geldt niet voor:
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
Het eerste lid is niet van toepassing:
als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;
als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of
op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, zijn gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste tot en met vierde niet van toepassing.
Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.
Artikel 22.54 Toepassingsbereik
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
op een niet-geluidgevoelige gevel.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van Artikel 22.54 Toepassingsbereik is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden
De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:
als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;
in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en
als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.
Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.
Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;
bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;
bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.79 Toepassingsbereik; en
als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:
de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of
de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60 Geluid: onderzoek, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Het zesde en zevende lid zijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing op een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;
80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.
Het zesde en zevende lid zijn ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het eerste of tweede lid van dit artikel of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
de grenzen van het terrein; en
de ligging van de gebouwen;
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 22.62 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.
07.00 – 19.00 uur | 19.00 – 23.00 uur | 23.00 – 07.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 75 dB(A) | 70 dB(A) | 65 dB(A) |
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.
07.00 – 19.00 uur | 19.00 – 23.00 uur | 23.00 – 07.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.
Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.
07.00 – 21.00 uur | 21.00 – 07.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 40 dB(A |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 70 dB(A) | 60 dB(A) |
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.
06.00 – 19.00 uur | 19.00 – 22.00 uur | 22.00 – 06.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen | 45 dB(A) | 40 dB(A) | 35 dB(A |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 70 dB(A) | 65 dB(A) | 60 dB(A) |
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.
06.00 – 19.00 uur | 19.00 – 22.00 uur | 22.00 – 06.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;
laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en
het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.
Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.
06.00 – 19.00 uur | 19.00 – 22.00 uur | 22.00 – 06.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 70 dB(A) | 65 dB(A) | 60 dB(A) |
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.
06.00 – 19.00 uur | 19.00 – 22.00 uur | 22.00 – 06.00 uur | |
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten | 55 dB(A) | 50 dB(A) | 45 dB(A) |
Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:
Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.
Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.
Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen en Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein, blijft buiten beschouwing:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en
het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen en Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:
Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein
Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
De waarden, bedoeld in de in Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.75 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.
Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.
Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
De volgende gegevens worden geregistreerd:
de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en
de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.
De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.
Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.79 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:
Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.
Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in Artikel 22.79 Toepassingsbereik op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.
Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en
in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.
Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.
Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.
Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.90 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:
als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
Artikel 22.93 Geur: functionele binding
De waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.
Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
Bij de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen 22.3.6.2 en 22.3.6.4 en Artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Artikel 22.96 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:
Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.
Geurgevoelig object | Waarde |
Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 2,0 ouE/m3 |
Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 3,0 ouE/m3 |
Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 8,0 ouE/m3 |
Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij | 14,0 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 22.98, eerste lid, mag, in afwijking van Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:
een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en
de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in Artikel 22.96 Toepassingsbereik, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.
Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten
Artikel 22.98, eerste lid, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:
een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;
een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:
op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;
in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en
in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en
een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.
Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000 | Afstand |
Gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
Gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.
Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand
Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.
In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.
Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf
Onverminderd de Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.
In afwijking van Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:
Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 22.103, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:
Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op:
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17.
Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.
Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong | Afstand |
Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:
Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.
Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.
Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin | Afstand tot geurgevoelig gevoelig object | |
Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving | Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving | |
Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2 | 50 m | 25 m |
Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2 | 100 m | 50 m |
Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.
Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten | Afstand |
Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom | 100 m |
Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom | 50 m |
Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand
Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.
Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.
Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand, als:
het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond;
de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.114, derde lid, 22.115, tweede lid, 22.116, derde lid, of 22.119, derde lid; en
verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in artikel 22.117, eerste lid, als:
de afstand tussen de activiteit, bedoeld in artikel 22.117, eerste lid, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 22.117, tweede lid;
het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en
verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 22.114, derde lid, 22.115, tweede lid, 22.116, derde lid, 22.117, tweede lid, of 22.119, derde lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.
Artikel 22.121 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.
Activiteit | Geurgevoelig object | Grenswaarde |
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk | Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein | 0,5 ouE/m3 |
Gelegen: – op een gezoneerd industrieterrein; – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of – buiten de bebouwde kom | 1 ouE/m3 |
In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.
Activiteit | Geurgevoelig object | Grenswaarde |
Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996 | Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein | 1,5 ouE/m3 |
Gelegen: – op een gezoneerd industrieterrein; – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; – op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of – buiten de bebouwde kom | 3,5 ouE/m3 |
Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.
Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten
De waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:
Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelen 22.122, tweede lid, en Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, niet worden overschreden.
Regels over ‘Nazorg verrichten na saneren van de bodem’ in paragraaf 5.7.3
Regels over ‘Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde’ in paragraaf 5.7.1
Regels over ‘Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico’ in paragraaf 5.7.2
Regels over ‘Grondwater lozen bij sanering of ontwatering’ in paragraaf 5.6.5
Regels over ‘Afvloeiend hemelwater en grondwater lozen’ in paragraaf 5.6.6
Regels over ‘Huishoudelijk afvalwater lozen’ in paragraaf 5.6.7
Regels over ‘Koelwater lozen’ in paragraaf 5.6.8
Regels over ‘Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken’ in paragraaf 5.6.9
Regels over ‘Afvalwater lozen bij opslaan en overslaan van goederen’ in paragraaf 5.6.10
Regels over ‘Afvalwater lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater’ in paragraaf 5.6.11
Regels over ‘Afvalwater lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen’ in paragraaf 5.6.12
Regels over ‘Afvalwater lozen bij calamiteitenoefeningen’ in paragraaf 5.6.13
Regels over ‘Afvalwater lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen’ in paragraaf 5.6.14
Regels over’ Afvalwater lozen bij maken van betonmortel’ in paragraaf 5.6.15
Regels over ‘Beton uitwassen’ in paragraaf 5.6.16
Regels over ‘Recreatieve visvijver exploiteren’ in paragraaf 5.6.17
Regels over ‘Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken’ in paragraaf 5.6.18
Regels over ‘Motorvoertuig wassen’in paragraaf 5.6.19
Regels over ‘Niet-industrieel voedsel bereiden’ in paragraaf 5.6.21
Regels over ‘Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren’ in paragraaf 5.6.22
Regels over ‘Dieren slachten en dierlijke bijproducten, vlees, vis of organen bewerken’ in paragraaf 5.6.23
Regels over ‘Elektriciteit opwekken met een windturbine’ in paragraaf 5.6.24
Regels over ‘Acculader in werking hebben’ in paragraaf 5.6.25
Regels over ‘Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage’ in paragraaf 5.6.26
Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.227 Toepassingsbereik worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.
Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.
De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.
Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.
Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.
Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.
Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:
de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
de wijze waarop het onderzoek is verricht;
de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;
informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;
bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en
als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.
Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:
de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;
de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.
Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit geïnformeerd over de begindatum.
Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit geïnformeerd over de einddatum.
Regel over ‘Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht’ in paragraaf 5.6.27
Regels over ‘Vaste mest opslaan’ in paragraaf 5.6.28
Regels over ‘Kuilvoer of vaste bijvoermiddelen opslaan’ in paragraaf 5.6.30
Regels over ‘Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels’ in paragraaf 5.6.31
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Regels over ‘Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken’ in paragraaf 5.6.3
Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:
de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;
als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;
als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en
een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en
als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:
de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;
de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en
de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;
informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en
een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of
ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Regels over ‘Vaste mest opslaan’ en ‘Drijfmest, digestaat of dunne fractie opslaan’ In paragraaf 5.6.28 en Paragraaf 5.6.29
Regels over ‘Afvalwater lozen – algemeen’ in paragraaf 5.6.4
Regels over ‘Afvalwater lozen – algemeen’ in paragraaf 5.6.4
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
de snelheid wordt verlaagd;
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:
Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:
Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.
Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen; en
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.
Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:
maatregelen als bedoeld in artikel 22.274, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en
maatregelen als bedoeld in artikel 22.274, onder c, worden getroffen.
Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:
het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of
bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht
Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.
Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:
artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en
artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 22.283 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:
het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;
Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet van dit omgevingsplan;
een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of
artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:
Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld
Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.
Regels over ‘Gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen’ en ‘Activiteiten in of op archeologische monumenten of binnen gebieden met archeologische verwachtingen’ in paragraaf 5.4.1 en paragraaf 5.4.2
Tekeningen als bedoeld in Artikel 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:
Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Regels over ‘Uitrit aanleggen’ in paragraaf 5.3.4
Regels over ‘Beschermde bomen kappen en beschermde houtopstanden vellen’ in paragraaf 5.5.1
Regels over ‘Reclame plaatsen’ in Paragraaf 5.3.10
Regels over ‘Objecten plaatsen in openbaar toegankelijk gebied’ in paragraag 5.3.2
Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.
Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.
Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Bodegraven-Reeuwijk.
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
een op enig drijvend voorwerp aanwezige schuilhut ten dienste van de jacht of ten dienste van beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de Omgevingswet;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
Inventarisatie, beschrijving en waardering bouwkundige objecten en landschappelijke elementen en structuren 2016 - 2017.
Objecten met waarde Redelijk, Hoog en Hoog plus.
Cultuurhistorische Projecten; Weesp februari 2018 (actualisering enkele panden januari en april 2019).

Typologie | Brug |
Beschrijving | Geklonken, stalen ophaalbrug over de Oude Rijn met tolhek. De bruggenhoofden zijn opgetrokken in rode baksteen met betonnen hoekblokken (voorheen natuursteen). Het opschrift aan de bovenkant van de brug (beide zijden) luidt: Nieuwerbrug 1651-1990 |
Datering | In 1990 heeft vernieuwing van zowel de brug als de bruggenhoofden plaats gevonden. |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | - |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Het dorp Nieuwerbrug is ontstaan bij de brug over de Oude Rijn, al in de 16de eeuw hier aanwezig. De huidige handbediende brug is de enige tolbrug van Nederland. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
De brug met tolhek heeft cultuurhistorische waarden als waterstaatkundig en infrastructureel element met een lange geschiedenis over de Oude Rijn. Van belang als object behorend bij het thema specifieke gebeurtenissen of plaatselijke ontwikkelingen. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De brug heeft belangrijke situationele waarde vanwege de beeldbepalende ligging in het dorp: over de Oude Rijn. Ensemblewaarde met nabijgelegen kerkgebouwen. (H)
Waardering: Hoog


Typologie: | Café |
Beschrijving | Nabij de ophaalbrug (Nieuwerbrug) gelegen tweelaags hoekpand onder een plat dak met breed overstek. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen met dito lisenen en spaarvelden en worden afgesloten door een fries met sierbanden in afwisselend gesmoorde dan wel rode baksteen. Profiellijsten en lateien zijn uitgevoerd in beton. De gevelindeling is symmetrisch met per paar gekoppelde vensters met bovenlichten. Een aanbouw van latere datum staat aan de zijde van de brug. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Functionalistisch met traditionele kenmerken |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als herinnering aan de vroegere functie van café, nu restaurant, in de Bruggemeestersstraat nabij de ophaalbrug. (H)
architectuurhistorische waarde:
De kenmerkende geometrisch georiënteerde architectuur met zorgvuldig uitgevoerd metselwerk is van belang als voorbeeld van een ontwerp in functionalistisch stijl met traditionele kenmerken. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Sterk in het oog vallende positie vanwege de ligging op de hoek van de straat nabij de brug. Belangrijke ensemblewaarde in combinatie met brug, Oude Rijn, straatprofiel en kerkgebouwen. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis van één bouwlaag hoog onder een met gesmoorde Tuile du Nordpannen gedekt zadeldak met de nok evenwijdig aan de straat. Centraal in het dak staat een niet oorspronkelijke, dakkapel. De symmetrische vijf-assige voorgevel is een lijstgevel met centraal in de gevel de entree. De gepleisterde kopgevels zijn tuitgevels. De stichtingssteen naast de voordeur heeft het opschrift 1871. |
Datering | 1871 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig sociaaleconomisch belang voor de 19de-eeuwse ontwikkeling van het dorpscentrum rondom de brug. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele stijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Sterk in het oog vallende positie nabij en markant ensemble vormend met kerkgebouwen en brug. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Hotel |
Beschrijving | Aan de Oude Rijn en nabij de brug over de Oude Rijn gelegen hoekpand bestaande uit twee bouwlagen onder een schilddak dat met gesmoorde pannen is gedekt. In het voordakschild staat een dakkapel met een driehoekig fronton en vleugelstukken. De gevels zijn deels gemetseld in rode baksteen en deels gepleisterd en wit geschilderd. Het centrale geveldeel is evenals de hoekpilasters met kapitelen gepleisterd en wit geschilderd. De voorgevel wordt afgesloten door een kroonlijst met een gepleisterd fries met consoles waarboven zich een uitkragende, geprofileerde bakgoot bevindt. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een centrale middenpartij waarin zich de entree bevindt. Hierboven zit een balkon dat door, niet oorspronkelijke, consoles wordt ondersteund. De T-vensters hebben getoogde bovendorpels en zijn deels bezet met glas-in- lood. Ter weerszijden van de entree zit een, niet oorspronkelijk, horizontaal geleed etalagevenster waarvan de bovenlichten bezet zijn met ladderroeden. |
Datering | 1870 (pui uit circa 1920) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Voormalig Hotel van Haaften: een begrip in Bodegraven. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als herinnering aan de functie van voormalig hotel, tevens als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neoclassicistische trant. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het pand heeft belangrijke stedenbouwkundige waarde vanwege de ligging op de hoek van de straat nabij de brug over de Oude Rijn. De zijgevel valt prominent in het oog vanwege de ligging langs het water. Belangrijke ensemblewaarde in combinatie met brug en Oude Rijn. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Pakhuis |
Beschrijving | Langs de Oude Rijn gelegen drielaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De nok ligt evenwijdig aan de Oude Rijn. De gevels zijn niet oorspronkelijk zwart gesausd. De symmetrisch ingedeelde gevelopeningen zijn bezet met niet oorspronkelijke ramen. Aan de achterzijde, langs Buitenkerk, staat een tweelaags bouwmassa met een kapverdieping onder een zadeldak waarvan de nokrichting haaks op de straat ligt. Ook deze gevel is niet oorspronkelijk zwart gesausd en is bezet met niet oorspronkelijke ramen en een entree in een niet oorspronkelijk portiek. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | L/R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L/R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. De architectonische en bouwkundige wijzigingen verzwakken de herkenbaarheid en daarmee de cultuurhistorische waarde. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van gering belang vanwege de gewijzigde verschijningsvorm van de gevels. (L)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege de markante hoofdvorm (silhouet) heeft het complex stedenbouwkundige en beeldbepalende waarden. Vooral de bouwmassa langs de Oude Rijn is beeldbepalend gesitueerd en vormt een belangrijke blikvanger. In combinatie met de in de onmiddellijke nabijheid gesitueerde watertoren is er sprake van een bijzonder historisch stedenbouwkundig ensemble. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Woonhuis, restant van een voormalig complex van vier woningen, bestaande uit een éénlaags pand onder een met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak met aankapping aan de achterzijde. De gemetselde gevels zijn voorzien van sierbanden en bogen in rode verblendsteen. De kopgevel is uitgevoerd met windveren en makelaar. In de voorgevel bevinden zich vier schuiframen met bovenlichten. |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de ontwikkeling van de buurt vanaf 1910. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enige architectuurhistorische waarde. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enig belang vanwege de beeldbepalende ligging aan de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op enige afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype met voorin het onderkelderde woonhuis en achter de stal die lager is onder een met riet gedekt zadeldak. De boerderij heeft een symmetrisch ingedeelde voorgevel die gemetseld is in rode baksteen in kruisverband en voorzien is van rozetankers, windveren, een sierspant met makelaar en schuifvensters (begane grond). |
Datering | 1840 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en de Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde kruispannen gedekt zadeldak. De boerderij heeft voorin het onderkelderde woonhuis en aan de achterzijde de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen in kruisverband en heeft sierbanden. Bogen zijn uitgevoerd in oranje verblendsteen met aanzet- en sluitstenen. Het dakoverstek is voorzien van windveren en hangwerk in de top. Vensters zijn uitgevoerd met T-ramen. De keldervensters bezitten luiken. Op de toegangsdam over de wegsloot staat een giet-/smeedijzeren toegangshek. |
Datering | 1906 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg en de Oude Rijn. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis bestaande uit twee bouwlagen met kapverdieping onder een schilddak met afhangende schilden dat gedekt is met gesmoorde keramische pannen. Het dak is bezet met dakkapellen. Het dakoverstek is breed. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen met enig siermetselwerk in de erkerhoeken. De asymmetrische voorgevel heeft links een dubbele erker met afgeschuinde zijkanten. Rechts in de gevel bevindt zich de entree met zijlichten onder een luifel. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor vroeg 20ste-eeuwse woonhuisontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele bouwstijl met aandacht voor baksteenornamentiek. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering beeldbepalend in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuizen |
Beschrijving | Rijtje van vier woonhuizen bestaande uit twee bouwlagen met kapverdieping onder een schilddak met twee steekkappen die voorzien zijn van relatief brede overstekken en gootklossen. Het dak is gedekt met rood geglazuurde Tuile du Nordpannen. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben gepleisterde sierbanden en stenen lateien. De raamdorpels zijn uitgevoerd in rode strengperssteen. De voorgevel heeft twee risalieten met entrees die door de steekkappen worden afgesloten. |
Datering | 1913 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor vroeg 20ste-eeuwse woonhuisontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancestijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering beeldbepalend in de straat. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuizen |
Beschrijving | Twee gespiegelde woonhuizen bestaande uit twee bouwlagen met kapverdieping onder een met rode keramische pannen gedekt schilddak met twee steekkappen. Deze hebben overstekken, windveren en gootklossen. De gepleisterde, wit geschilderde gevels zijn uitgevoerd met sierbanden in baksteen en dito strekken en bogen boven de gevelopeningen. De voorgevel heeft twee risalieten met erkers waarboven zich een balkon bevindt. De risalieten worden afgesloten door de steekkappen. Rechts in de gevel is een rondboogdoorgang naar het achterterrein. |
Datering | 1915 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor vroeg 20ste-eeuwse woonhuisontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancestijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering beeldbepalend in de straat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Openbare ruimte (straataanleg) |
Beschrijving | Het deel van de Burgemeester van Dobben de Bruijnstraat dat bestaat uit twee rijstroken aan weerszijden van een langgerekte vijver met aflopende walkanten en drie eilanden. Op de eilandjes staan loofbomen en struiken. Op de walkanten staan alleen bomen. De straat is geherprofileerd na 2010. |
Datering | 1930-1935 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | - |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Karakteristieke aanleg voor de periode van het Interbellum. (R)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend voor zijn omgeving. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Hoekpand bestaande uit een tweelaags volume met forse kapverdieping onder een samengesteld steil dak dat is bedekt met gesmoorde geglazuurde Tuile du Nordpannen. Het dak heeft brede overstekken en loopt links door over een erkerachtige, tweelaags aanbouw met afgeschuinde hoek en rechts over een éénlaags volume met afgeschuinde hoeken. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen in halfsteensverband. In het portiek bevindt zich een rondboogentree. |
Datering | 1937 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel-functionalisme. Interbellumarchitectuur. |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een villa uit de periode van het Interbellum en karakteristiek voor de 20ste-eeuwse villaontwikkeling in dit deel van de stad. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in Interbellumarchitectuur waarbij een traditioneel-zakelijke bouwstijl met ambachtelijke opzet en markant pannendak kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Markante hoofdvorm een zeer beeldbepalend gesitueerd op hoek. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Dubbel woonhuis (villa) |
Beschrijving | Dubbele villa die symmetrisch is opgebouwd. Het drie bouwlagen hoge volume heeft een fors schilddak waarvan de zijschilden boven de zijgevels doorlopen tot eenlaags bouwhoogte. De zijgevels vormen daar tevens een luifel waaronder de voordeuren zitten. Het dak is gedekt met rode geglazuurde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen en heeft dakkapellen en brede overstekken. De symmetrische voorgevel heeft twee tweelaags erkers en twee loggia's op de verdieping. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen in halfsteensverband. |
Datering | 1938 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een dubbele villa uit de periode van het Interbellum en karakteristiek voor de 20ste-eeuwse villaontwikkeling in dit deel van de stad. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Markante hoofdvorm en beeldbepalend gesitueerd langs de straat. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis (voormalig zomerhuis). |
Beschrijving | Langgerekte éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak met de nok haak op de straat. Het dak heeft een breed overstek met decoratief gesneden windveren en een makelaar. De in rode baksteen gemetselde symmetrische voorgevel heeft gepleisterde hoeklisenen en een dito getrapte gevelafsluiting. Kenmerkend zijn verder de T-vensters met luiken en keperboogvormige bovenlichten. |
Datering | Circa 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Gele kleurstelling van windveren en pleisterwerk in voorgevel is niet oorspronkelijk. Het pand is het zomerhuis bij de naastgelegen boerderij op nr. 22. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voormalig zomerhuis, als object behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering beeldbepalend in de straat: ensemble met nr. 22. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op zo’n 400 meter van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde keramische pannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin oorspronkelijk de stal. In de huidige situatie heeft het gehele pand een woonfunctie Links van de boerderij staat de herbouwde stal onder een zadeldak. De zadeldaken van beide gebouwen zijn uitgevoerd met een overstek en windveren. De boerderij heeft daarnaast een sierspant met een makelaar. De gemetselde voorgevels van beide gebouwen zijn symmetrisch ingedeeld. Aan de linkerzijgevel van de boerderij is een overkapping gebouwd. Rechts van de boerderij (nr. 50a) staat het oorspronkelijke zomerhuis. |
Datering | Circa 1885 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een doorlopend, met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak. Voorin is de woning ondergebracht en achterin de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen in kruisverband met gebruik van gele baksteen in strekken en muizentand. De topgevel is voorzien van windveren, makelaars en een sierspant. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de windveren, makelaars en sierspant in topgevel kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. De boerderij heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een doorlopend, met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak. Voorin is de woning ondergebracht en achterin de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen in kruisverband met gebruik van gele baksteen in strekken en muizentand. De topgevel is voorzien van windveren, makelaars en een sierspant. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de windveren, makelaars en sierspant in topgevel kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. De boerderij heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met kruispannen gedekt zadeldak met verspringende nokhoogten. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Schuin achter het hoofdvolume staat een met golfplaat gedekte schuur (voorheen riet). De boerderij heeft gemetselde gevels in rode baksteen in kruisverband. De voorgevel is voorzien van windveren, makelaar en een sierspant in de geveltop. De gevel is bezet met T-vensters. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster. Op de dam over de wegsloot staat een giet-/smeedijzeren toegangshek met opschrift. Dit hek is een replica van het oorspronkelijke hek. Het erf is beplant met leilinden. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/h |
Opmerkingen | De met golfplaat gedekte schuur achter de boerderij moet verwijderd worden. De Agrarische beoordelingscommissie (Abc) heeft een advies opgesteld, waaruit blijkt dat deze diagonaal geplaatste bebouwing geamoveerd dient te worden ten behoeve van een doelmatige uitbreiding van het agrarisch bedrijf. Het gebouw is daarnaast voorzien van asbest. Omdat het vanaf 2024 verboden is om nog asbestdaken te hebben, dient. Derhalve dient dit gesaneerd te worden. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels waarbij de windveren, makelaars, het sierspant in de topgevel en het engelenvenster kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met keramische pannen gedekt zadeldak met verspringende nokhoogten. Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. Rechts van het hoofdvolume staat een gemetselde schuur onder een zadeldak met aankapping. De gemetselde gevels zijn uitgevoerd in rode baksteen in kruisverband. De symmetrische ingedeelde voorgevels van de boerderij en de schuur zijn voorzien van windveren en een sierspant in de geveltop. Achter de boerderij staat een hooiberg. Het perceel aan de linkerkant van het erf is gedeeltelijk boomgaard. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels waarbij de windveren en sierspant in topgevels kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak. Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen in kruisverband. De symmetrische voorgevel van boerderij heeft T-vensters en is voorzien van windveren en een sierspant in de geveltop. |
Datering | Circa 1900 (kern uit circa 1800) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de windveren en sierspant in topgevels kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als
karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied
van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg langs een sloot gelegen boerderij bestaande uit een klein hoofdvolume onder een wolfsdak gedekt met dakpannen (voorheen riet). Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. Links van de boerderij staat het zomerhuis met een zadeldak dat gedekt is met rode en gesmoorde Hollandse pannen. Het hoofdvolume heeft gemetselde gevels in rode baksteen in kruisverband met sierbanden en segmentbogen in gele baksteen. De gevel is bezet met sierankers. De vensters bezitten getoogde bovendorpels. |
Datering | 1810 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met elementen uit de neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm redelijk gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse type. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in een traditionele aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype stal onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. De boerderij heeft een symmetrische voorgevel, is gemetseld in rode baksteen en is voorzien van rozetankers en vierruits schuiframen met tweeruits bovenlichten en luiken. Naar de boerderij leidt een oprit tussen twee sloten met aan weerszijden perenbomen. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de symmetrische gevelindeling kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Pal aan de openbare weg gelegen woonhuis bestaande uit een bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak met de nok evenwijdig aan de weg. Het dak is gedekt met gesmoorde, geglazuurde Hollandse pannen. Centraal in het dakschild bevindt zich een dakkapel met zadeldak. De beide kopgevels hebben een overstek, windveren en een makelaar. De symmetrische voorgevel is gemetseld in rode baksteen in kruisverband met aanzet- en sluitstenen in gele baksteen. Deze vijf-assige voorgevel heeft centraal de entree en T-vensters ter weerszijden daarvan. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de laat 19de-eeuwse ontwikkeling van het buitengebied van Nieuwerbrug. (R)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een gemoderniseerd (met pannen gedekt) zadeldak (was rietgedekt). Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. De gevels van de boerderij zijn gemetseld in rode baksteen. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak. De boerderij heeft voorin het onderkelderde woonhuis en aan de achterzijde de stal. Het dakoverstek heeft gesneden windveren en gevel- en hoekmakelaars. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen in kruisverband en heeft strekken boven de gevelopeningen. De vensters zijn uitgevoerd met vierruits ramen met tweeruits bovenlichten. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Rechts van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak met een zelfde windveer als het hoofdgebouw. |
Datering | 1877 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij het engelenvenster en de gesneden windveren en makelaars kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak met een aangekapte dakkapel in de zijdakschilden. De boerderij heeft voorin het onderkelderde woonhuis en aan de achterzijde de stal. De symmetrisch ingedeelde in rode baksteen gemetselde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel met rozetankers en strekken boven de vensters. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst. De ramen zijn uitgevoerd met een bovenlicht. Centraal in de voorgevel bevindt zich de entree die gevat is in een omlijsting van pilasters en een kroonlijst die door twee geprofileerde consoles wordt ondersteund. Ook de (niet oorspronkelijke) voordeur is voorzien van een bovenlicht. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. De zijgevels zijn bezet met staafankers. Aan de rechter zijgevel is een boenhok gebouwd. |
Datering | 1876 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde: Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Transformatorhuisje |
Beschrijving | Transformatorhuisje in de rooilijn van de De Ruijterlaan, vlakbij de hoek met de Bodelolaan. Het huisje heeft een vierkante plattegrond onder een met gesmoorde pannen gedekt tentdak met koperen dakruiter. Daarin zijn ventilatie-openingen verwerkt, noodzakelijk voor de functie van het gebouwtje. Opvallend zijn de robuust geblokte hoeklisenen, met buiten de hoeken uitstekend metselwerk. In de voorgevel bevindt zich een zware ijzeren deur. Links daarvan is een bordje aangebracht met de tekst: ‘levensgevaar hoogspanning bij brand niet openen en geen water spuiten’. De overige gevels zijn gesloten. Het transformatorhuisje is in dezelfde periode gebouwd als de huizen aan de De Ruijterlaan, Bodelolaan en omgeving en sluit daar in vormgeving min of meer op aan. |
Datering | 1954 (BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Lokaal belangrijke cultuurhistorische waarde onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Bodegraven. Monument van bedrijf en techniek. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het gebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van hoofdvorm en detaillering en als onderdeel van de rijke traditie in de vormgeving van het transformatorhuisje in Nederland. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. (H)
Waardering: Hoog plus

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde pannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft getoogde strekken boven de gevelopeningen en een dakoverstek met decoratief gesneden windveren, een sierspant en een makelaar. In de rechter zijgevel ligt de entree in een portiek. De zijgevels bezitten staafankers. De schuiframen in de voor- en zijgevel zijn voorzien van getoogde, met glas-in-lood bezette bovenlichten. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Volgens de informatie van het MIP dateert de boerderij genaamd ‘Oudwaartse Hoeve’ uit 1890. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in de dorpskern van Waarder. De boerderij heeft ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de voormalige agrarische bebouwing van de dorpskern van Waarder. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Maalderij |
Beschrijving | L-vormig bedrijfspand, gedeeltelijk onder zadeldaken, gedeeltelijk plat afgedekt (achterzijde). De maalderij is opgetrokken in rode baksteen met vierkante spaarvelden tussen horizontale banden en lisenen en in de topgevels boog- of kwartcirkelvormige spaarvelden. De plint van het gebouw is gecementeerd. De topgevels hebben uitkragend metselwerk op de hoeken. In de rechtervoorgevel zijn naam en datering aangebracht. Vensters en deuren zijn in hout uitgevoerd. Erboven liggen betonnen lateien, eronder betonnen dorpels. Een aantal gevelopeningen (m.n. topgevels, laaddeuren voorgevel links) is dichtgezet. De zadeldaken zijn gedekt met gesmoorde Tuile du Nordpannen. Het plat afgedekte deel aan de achterzijde is in 1955 toegevoegd (datumsteen) |
Datering | 1915, 1955 (aanbouw) |
Ontwerper | J. Heemskerk, ook architect van het naburige klooster H.H. Petrus en Paulus en de Jozefschool (beide rijksmonument). |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | In 1913 richtten pastoor Antonius Hakkeling van de parochie van de H.H. Petrus en Paulus te Reeuwijk en Cornelis Vermeulen Gzn, voorzitter van de Rooms-Katholieke Land- en Tuinbouwbond Sint-Isidorus, de Rooms-Katholieke Coöperatieve Landbouwvereniging St. Catharina op. Deze bouwde de maalderij voor veevoer aan de Dorpsweg, tegenover de openbare school (http://rhcrijnstreek.nl/bronnen/lokale-historie/plaatsen/bodegraven-reeuwijk/reeuwijk?start=4). In de jaren ’80 van de 20ste eeuw ging het gebouw fungeren als kaaspakhuis. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Lokaal belangrijke cultuurhistorische waarde onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Reeuwijk-Dorp. Monument van bedrijf en techniek, van belang als object behorend bij het thema specifieke gebeurtenissen of plaatselijke ontwikkelingen. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het gebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van hoofdvorm en detaillering van het complex. Dit betreft met name het bouwdeel uit 1915. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de Dorpsweg. Ook dit betreft vooral het bouwdeel uit 1915. (H)
Waardering: Hoog plus.
Deze waardering geldt met name het bouwdeel uit 1915. Het bouwdeel uit 1955 is functioneel uitgevoerd en in stijl aansluitend op het eerdere gebouw. Architectonisch is het echter minder bijzonder (waardering: redelijk).




Typologie | Woningbouwcomplex |
Beschrijving | Ensemble van vier gekoppelde woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken. De kopgevels zijn uitgevoerd als klokgevels. Rechts in de voorgevel bevindt zich de entree. Centraal op de verdieping is een zoldervenster aangebracht. |
Datering | 1898 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Gewijzigde vensters begane grond. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met kenmerkende klokgevels. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs vaart. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woningbouwcomplex |
Beschrijving | Ensemble van vier, per paar gekoppelde, woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken. De daken hebben overstekken met decoratief gesneden windveren en makelaars. De gemetselde voorgevels hebben rechts de entree. De vensters naast de entree zijn gewijzigd. Centraal in de topgevel bevindt zich een venster. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Gewijzigde vensters begane grond. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs vaart. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Dubbel woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken. De daken hebben overstekken met windveren. De gemetselde gevels zijn voorzien van sierbanden en ontlastingsbogen. De symmetrisch ingedeelde voorgevels bezitten twee schuiframen op de begane grond en een centraal geplaatst venster in de topgevel. In de zijgevels bevindt zich de entree. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk.(R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs vaart. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak. Het dakoverstek is voorzien van windveren en een sierspant met een makelaar. De gemetselde gevel heeft op de begane grond rechts in de gevel een erker met afgeschuinde zijkanten en links een entree in een portiek met een zijlicht. De topgevel heeft twee symmetrisch geplaatste vensters en een smal verticaal zoldervenstertje erboven. |
Datering | 1932 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs vaart. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder een steil zadeldak. De gemetselde gevel heeft op de begane grond een rechthoekige erker die bezet is met een horizontaal geleed venster. Links hiervan bevindt zich de entree. Boven het verdiepingsvenster is een sterk verticaal geleed smal zoldervenster aangebracht. |
Datering | 1936 |
Ontwerper | C. Tromp, timmerman/aannemer |
Bouwstijl | Interbellumarchitectuur |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van het gebied langs de vaart. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in Interbellumarchitectuur waarbij het steile dak, de baksteenarchitectuur en de horizontale en verticaal gelede vensterpartijen kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs vaart nabij bruggetje over de vaart. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Dubbel woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder een schilddak met hangende schilden (mansarde). De symmetrisch ingedeelde gemetselde gevel heeft op de begane grond twee gespiegelde erkers met centraal in de gevel twee gespiegelde entrees met zijlichten. De zoldervensters zijn gekoppeld. |
Datering | 1936 |
Ontwerper | C. Tromp, timmerman/aannemer |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs vaart. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak met wolfseind. Het pand heeft gemetselde gevels met links in de voorgevel een erker met afgeschuinde zijkanten. In de rechter zijgevel zit de entree onder een luifel. De voorgevel heeft op de verdieping een centraal geplaatst gekoppeld venster. |
Datering | Circa 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak. Het dakoverstek heeft windveren en een makelaar. De gemetselde voorgevel heeft links een erker met afgeschuinde zijkanten en rechts hiervan de entree met zijlichten in een portiek. Centraal in de topgevel is een drielicht aangebracht. |
Datering | 1928 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enig beeldbepalend belang langs straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Op ruim perceel gelegen vrijstaand woonhuis van een bouwlaag met kapverdieping onder een schilddak met afhangende schilden (mansardedak). Centraal in het voordakschild is een staande dakkapel aangebracht. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is een lijstgevel met sierbanden. De bovendorpels van de gevelopeningen zijn getoogd. De T-vensters hebben identieke bovenlichten. Centraal in de voorgevel bevindt zich de entree met eenzelfde bovenlicht. |
Datering | 1881 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancestijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd lans de Oude Rijn. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Arbeiderswoning |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak met de nok haak op de straat. In het linker dakschild staat een niet oorspronkelijke dakkapel. Het dak heeft een overstek met windveren. De in rode baksteen gemetselde symmetrische voorgevel heeft een gepleisterde plint en strekken boven de vensters. De vensters zijn uitgevoerd met schuiframen. Aan de linker zijgevel bevindt zich een niet oorspronkelijke erker. De entree ligt in de rechter zijgevel. |
Datering | 1875 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als typerende (arbeiders)woning uit de periode van voor de Woningwet 1902. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van gering belang vanwege de kwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige situationele waarde vanwege de vrijstaande ligging. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een samengesteld afgewolfd dak met een steekkap aan de voorzijde. Het dak is gedekt met rode keramische pannen en voorzien van pirons. De nok ligt parallel aan de weg. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft boven de vensters lateien met segmentbogen erboven, een rondboog boven de entree en beschot in de topgevel. Het rechthoekige vlak boven de entree heeft het opschrift Huize Antonia. Links in de voorgevel zit een gemetselde erker met afgeschuinde zijkanten waarboven een gemetselde, opengewerkte balkonomlijsting is aangebracht. Het geveldeel rechts van de erker heeft een entree met boven- en zijlichten die gevat zijn in een rondboog. De ramen zijn uitgevoerd met een bovenlicht. De linker zijgevel heeft vensters die deels voorzien van luiken. De ramen in de rechter zijgevel zijn samengesteld. |
Datering | 1922 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Volgens de bewoners is Huize Antonia de originele naam van het pand (informatie begin 2019). Op een onbekend ogenblik is de naam Huize Antonia vervangen (afgedekt) door de naam Anak Mas, Maleis voor Gouden Kind, die nu weer heeft plaats gemaakt voor de originele naam. Het pand is in 1922 gebouwd in opdracht van de graanhandelaar Dirk Kok voor de prijs van 2000 gulden. (Bron: Groslijst) |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege het ontwerp in traditionele trant. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van situationele waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags, deels onderkelderde bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De nok ligt parallel aan de weg. In het voordakschild staat een dakkapel met een driehoekig fronton en vleugels. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft een gepleisterde plint, segmentbogen met een decoratief gepleisterde sluitsteen boven de gevelopeningen en een fries met consoles waarboven een bakgoot is aangebracht. De boogvelden zijn gepleisterd. Centraal in de gevel zit de entree met een drieruits bovenlicht. De schuiframen bezitten eveneens een drieruits bovenlicht en zijn voorzien van luiken. De keldervensters bezitten diefijzers. De kopgevels hebben een hoger opgemetselde, opengewerkte, tuitvormige beëindiging. De linker zijgevel heeft gevelopeningen die eveneens voorzien zijn van bovenlichten en, op de begane grond, van luiken. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel en de zijgevels. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van situationele waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. (R)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd met riet gedekt zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft vlechtingen in de kopgevel, rollagen boven de vensters en sierankers. De schuiframen zijn voorzien van bovenlichten die met glas-in-lood bezet zijn. De keldervensters in de rechter zijgevel bezitten diefijzers. In de linker zijgevel ligt de entree in een portiek met een rondboog. Het stalgedeelte heeft rechthoekige stalvensters. |
Datering | Circa 1930 (de kern dateert volgens de Groslijst en BAG uit 1876) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voor- en zijgevels. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Zomerhuis |
Beschrijving | Zomerhuis in de in de vorm van een eenlaags bouwmassa onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde pannen. Het dakoverstek heeft windveren en een makelaar. De gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft centraal in de gevel de entree met een bovenlicht en ramen met een bovenlicht ter weerszijde. De verdieping heeft een engelenvenster in de vorm van een keperboogvormig drielicht. Het zomerhuis staat links van de boerderij Hoogeind 34 (rijksmonument). |
Datering | 1875 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een onderdeel van een boerderij-complex van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
De boerderij en het zomerhuis hebben enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het zomerhuis van Hoogeind 36 vormt een ensemble met de boerderij van Hoogeind 34. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt afgewolfd zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het linker dakschild is bezet met niet oorspronkelijke dakkapellen. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft vlechtingen in de geveltop, staafankers en strekken boven de gevelopeningen. Rechts van het midden bevindt zich de entree in een portiek. De deur heeft een bovenlicht dat bezet is met een ijzeren levensboom. De ramen zijn voorzien van een bovenlicht. Aan de rechter zijgevel is een boenhok met lessenaarsdak en entree aangebouwd. |
Datering | Circa 1900 (kern mogelijk 1784 volgens de Groslijst) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen (woonhuis) en een met riet gedekt zadeldak (stalgedeelte). De nokhoogte van de stal is lager dan die van het woonhuis en de plattegrond is smaller dan die van het woonhuis. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, sierbanden en bogen die uitgevoerd zijn in witte baksteen. In de kunststenen lateien is een decoratie aangebracht. In de linker zijgevel bevindt zich een stichtingssteen met het opschrift 1914. De schuiframen hebben een bovenlicht dat bezet is met glas-in-lood. De keldervensters in de rechter zijgevel bezitten diefijzers. In de linker zijgevel ligt de (niet oorspronkelijke) entree in een portiek. Het stalgedeelte heeft ijzeren rondboog stalvensters. Aan de achterzijde van de boerderij staat een hooiberg (nu berging). |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Voormalige zaadhandel Turkenburg |
Beschrijving | Drielaags bouwvolume met kapverdieping onder een samengesteld zadeldak met steekkappen. Het dak is gedekt met gesmoorde en rode kruispannen. De gemetselde gevels zijn gedecoreerd met segmentbogen, consoles, sierbanden, getrapte lijsten en boogvelden van oranje strengperssteen. De gevels zijn voorzien van boogfriezen en lisenen. De vierdelige vensters zijn niet oorspronkelijk. Dirk Turkenburg richtte in 1891 Zaadhandel Turkenburg op, die uitgroeide tot een bedrijf dat een begrip in Nederland werd. |
Datering | Oudste deel 1902, grote(re) uitbreidingen in 1919, 1926 en 1958. |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Torenvolume aan zijde Willemstraat niet oorspronkelijk. In 1972 is het complex aangekocht door de gemeente Bodegraven van de firma Turkenburg; na verbouw is het in 1989 als sociaal cultureel centrum in gebruik genomen (Evertshuis). In 2015 vond opnieuw renovatie plaats. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Enige waarde vanwege de oorspronkelijke functie als zaadhandel. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm van beeldbepalend belang. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Tweelaags hoekpand onder een schilddak dat gedekt is met rode keramische pannen met een dakkapel centraal in het voordakschild. De gemetselde voorgevel is uitgevoerd met sierbanden, lateien en segmentbogen. De zijgevel heeft alleen lateien. De boogvelden en het fries in de voorgevel zijn van gekleurde baksteen. De bakgoot rust op geprofileerde gootklossen. Links in de voorgevel bevindt zich de entree met bovenlicht. De identieke schuiframen hebben eenzelfde bovenlicht. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan het neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering op hoek beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de straat. Het dak is gedekt met rode kruispannen. Het dakoverstek heeft windveren. De hoge schoorsteen is niet oorspronkelijk. De gevels zijn gemetseld en voorzien van sierbanden, segmentbogen en vensteromlijstingen in gele strengperssteen. De voorgevel is symmetrisch ingedeeld met een centrale as waarin zich op elke bouwlaag loodsdeuren bevinden. Boven de bovenste deur zit een hijsbalk. De vensters zijn voorzien van luiken. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1911. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en situering in de straat. (R)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande tweelaags bouwmassa onder een samengesteld keramisch pannendak met steekkappen. In het voor- en zijdakschild bevinden zich dakkapellen. Het brede dakoverstek is voorzien van consoles/gootklossen. De gemetselde gevels hebben een licht uitkragende borstwering die wordt afgesloten door een hardstenen lijst. De voorgevel heeft links een risalerend bouwdeel in de vorm van twee boven elkaar geplaatste erkers met afgeschuinde zijkanten. De gewijzigde schuiframen bezitten bovenlichten. De entree bevindt zich in de aanbouw aan de linker zijgevel onder een luifel. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering in de rooilijn beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande tweelaags bouwmassa onder een samengesteld keramisch pannendak met steekkappen met gekoppelde dakkapellen in het rechter dakschild. Het dakoverstek is breed. De gevels zijn opgetrokken in baksteen. De voorgevel heeft links een risalerend bouwdeel met op de begane grond een erker met een balkon met een gemetselde borstwering erboven. De gewijzigde schuiframen zijn voorzien van bovenlichten. De entree bevindt zich in een aanbouw aan de rechter zijgevel onder een luifel. |
Datering | 1929 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering in de rooilijn beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | School |
Beschrijving | In de zichtlijn van de Koningstraat gelegen halfvrijstaande, langgerekte tweelaags bouwmassa onder een zadeldak met licht uitzwenkende kapvoet. Het dak is gedekt met rode kruispannen. Het dakoverstek heeft sierspanten. De in rode baksteen gemetselde gevels zijn voorzien van ontlastingsbogen, sierbanden en een plintlijst in groen geglazuurde baksteen. De omlijsting van het melkmeisje op de verdieping heeft daarnaast gele strengperssteen. In de topgevel is gepleisterd vakwerk aangebracht. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft schuiframen met bovenlichten en op de verdieping het genoemde melkmeisje met een getoogde bovendorpel. In de rechter zijgevel bevindt zich een stichtingssteen met het opschrift: Groen-van-Prinstererschool M.U.L.O. 1910. Ook de ingangspartij ligt in de zijgevel. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Eclectisch |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een schoolgebouw uit 1910. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een eclectische bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering in de zichtlijn van de Koningstraat beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Gespiegelde tweelaags bouwmassa onder een keramisch zadeldak met de nok evenwijdig aan de straat. In het voordakschild bevinden zich dakkapellen. Het brede dakoverstek rust op consoles/gootklossen. De bakstenen voorgevel heeft links en rechts een risalerend bouwdeel met een tweelaags erker met afgeschuinde zijkanten en beschot tussen beide verdiepingen. In het centrale geveldeel liggen de gespiegelde entrees onder een brede luifel. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van gering belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele bouwstijl. (L)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege ligging in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Lantaarnpaal |
Beschrijving | Vijfarmige straatlantaarn van gietijzer. Donkergroen geschilderd. De lantaarn bestaat uit een gecanneluurde (in lengterichting gegroefde) paal van enkele segmenten die naar boven toe smaller worden. De paal wordt bekroond door vier decoratief uitgevoerde armen met daarop lantaarns, de vijfde en grootste lantaarn staat op het bovenste deel van de paal. Er staan in het centrum van Bodegraven twee identieke exemplaren, een in de Kerkstraat en een op de hoek van de Marktstraat met de Noordstraat. |
Datering | - |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Beide lantaarnpalen zijn in feite van hetzelfde type als de lantaarnpalen die verder in het gebied rond de kerk (Oude Markt 1) staan, maar voorzien van meerdere lantaarns. Ook de lantaarns die in de Kerkstraat aan enkele gevels zijn bevestigd, zijn typologisch verwant. De vijfarmige straatlantaars zijn volgens informatie van bewoners en vanuit de gemeente (juli, september 2017) in de tweede helft van de 20ste eeuw als onderdeel van een renovatie van de dorpskern geplaatst, samen met de genoemde andere lantaarns rond de kerk. Voor beide vijfarmige lantaarns geldt dat de de “kroon” met de armen historisch is, de armaturen (lampen met behuizing) en de masten (deel onder de “kroon”) zijn van recente datum. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van historisch straatmeubilair. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in kern. (H)
Waardering: Hoog plus. Deze waardering betreft alleen de historische “kroon” met de armen, niet de armaturen (lampen met behuizing) en de masten (deel onder de “kroon”).



Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand onder een schilddak met keramische pannen. In het voordakschild bevindt zich een dakkapel. De in rode baksteen uitgevoerde voorgevel is een van oorsprong symmetrische lijstgevel met een kroonlijst met consoles. Getoogde strekken liggen boven de getoogde bovendorpels. De voorgevel heeft hoekpilasters. In het midden bevindt zich een risaliet met een entree met bovenlicht in houten omlijsting met pilasters en kroonlijst. Het rechter deel (nr. 18) heeft twee schuifvensters. In het linker deel (nr. 16) is op de begane grond een niet-passende winkelpui geplaatst. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woonhuis uit 1880. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele stijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand onder een plat dak met een hoger opgemetseld hoekvolume dat ten opzichte van de aangrenzende gevels naar voren springt. Het etalagevenster van de begane grond wordt afgesloten door een betonnen luifel die zich over de risalerende hoekpartij voortzet. De in gele baksteen gemetselde gevels in halfsteensverband zijn voorzien van verdiepte voegen in de voorgevel en in het hoekvolume. Het etalagevenster heeft, boven de betonnen luifel, meerruits bovenlichten. Op de verdieping van het hoekvolume is een verticaal geleed, uitkragend, V-vormig venster aangebracht met vlaggenstokhouder en -mast er onder. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Amsterdamse Schooltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de 19de- en 20ste-eeuwse ontwikkeling van het stadscentrum met winkelwoonhuizen langs de belangrijkste straten. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de Amsterdamse School verwante bouwstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de straat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Kaaspakhuis met woning |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met een kapverdieping onder een schilddak dat is gedekt met gesmoorde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen. In het voordakvlak staat een dakkapel. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft gekoppelde raampartijen met bovenlichten die bezet zijn met glas-in-lood. Rechts in de gevel ligt de entree met boven- en zijlichten die eveneens bezet zijn met glas-in-lood. De gevel wordt afgesloten door een uitkragende bakgoot. Aan de achterzijde staat, aan de Oude Rijn, het voormalige kaaspakhuis is. Het pand is gemetseld in rode baksteen met uitkragende rollagen, bezit houten vensters met horizontale roedenverdeling en wordt afgesloten door een mansardedak. Delen zijn recent gerenoveerd (dak, voor- en achtergevel). |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1925. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij (H), tevens als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn.(H)
architectuurhistorische waarde:
De voorgevel van het woonhuis heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde: Het complex is beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de Kerkstraat en heeft, aan de zijde van de Oude Rijn ensemblewaarde in combinatie met de daar aanwezige historische bedrijfspanden. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend hoekpand. De gemetselde voorgevel heeft sierbanden en gepleisterde aanzet- en sluitstenen boven de vensters van de begane grond. De voorgevel is een lijstgevel met een kroonlijst. Links in de voorgevel bevindt zich de entree. |
Datering | Circa 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand met kapverdieping onder een schilddak met gesmoorde kruispannen. Centraal in het voordakschild staat een dakkapel met driehoekig fronton. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft in de bogen, de boogvelden en de kroonlijst versieringen in de vorm van oranjerode verblendsteen. Zwart gekleurde baksteen is verwerkt in de boogvelden en de consoles. De voorgevel is een drie-assige symmetrische lijstgevel. Links in de voorgevel bevindt zich de entree. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in Kerkstraat nabij Voorplein. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Gespiegeld, twee bouwlagen tellend pand onder een schilddak met gesmoorde Hollandse pannen. De voorgevel in rode baksteen is een lijstgevel met een kroonlijst en sierlijsten in de vorm van uitkragende rollagen boven de gevelopeningen die uitgevoerd zijn in rode en gele baksteen. De sierlijsten zetten zich over de gevel voort. De symmetrisch geplaatste gevelopeningen zijn bezet met twee-, vier- en zesruits schuifvensters. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met classicistische invloed |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele stijl met enige neoclassicistische kenmerken. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege brede, blokvormige massaopbouw en markante kroonlijst van beeldbepalend belang. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Eénlaags pand met kapverdieping onder een zadeldak met wolfseind dat gedekt wordt door gesmoorde Hollandse pannen. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde afgeknotte tuitgevel met links in de gevel de entree. |
Datering | 1860 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een voormalige stadsboerderij. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde: Beeldbepalend gesitueerd in Kerkstraat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand met kapverdieping onder een schilddak. Het centraal in het voordakschild geplaatste dakhuis wordt afgesloten door een trapgevel. De gemetselde voorgevel heeft een centrale risaliet met entree. Links hiervan bevindt zich een erker met balkon. De geveldetaillering is uitgevoerd in de vorm van sierbanden, gepleisterde aanzet- en sluitstenen en neggeblokjes en een decoratief fries. In de linker zijgevel bevindt zich een stichtingssteen met het jaartal 1902. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancestijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woningbouwcomplex |
Beschrijving | Ensemble van vijf gekoppelde woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder mansardedaken met, overwegend, gesmoorde kruispannen. De kopgevels vormen een afwisseling van lijstgevels en trapgevels. De bakstenen gevels zijn versierd met onder meer cordonlijsten, gepleisterde hoek- en neggeblokken en segmentbogen boven de gevelopeningen. De schuifvensters zijn soms samengesteld. Voordeuren bevinden zich in een portiek. Nummer 109, 111 en 113 bezitten als erfafscheiding nog het oorspronkelijke ijzeren sierhekwerk. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van laat 19de-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd vanwege de ensemblewerking. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend hoekpand met kapverdieping onder een schilddak met wolfseind. De voorgevel is een lijstgevel met rechts in de gevel de entree. Strekken in rode baksteen liggen boven de getoogde ovendorpels van de gevelopeningen. De zijgevel heeft staafankers en een bakgoot met gootklossen. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woonhuis uit 1907. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd op hoek en plein. Waardevol ensemble met kerk aan overzijde. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend hoekpand met kapverdieping onder een schilddak met wolfseind. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde drie-assige lijstgevel met rechts in de gevel de entree. Boven de begane grond is een cordonlijst aangebracht. Boven de getoogde bovendorpels van de gevelopeningen liggen strekken in rode baksteen. |
Datering | 1871 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woonhuis uit 1871. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat. (R/H)
Waardering: Hoog

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand, aan één zijde vrijstaand, met kapverdieping onder twee zadeldaken die met gesmoorde Hollandse pannen zijn gedekt. Het pand met oudere kern kreeg aan het begin van de 20ste eeuw een nieuwe straatgevel. Deze gevel is gepleisterd, wit geschilderd en voorzien van in rode strengperssteen uitgevoerde sierbanden, segmentbogen, gevelhoeken en een kroonlijst met gesneden consoles. Het fries is, evenals de boogvelden, gedecoreerd met siermetselwerk. Links in de voorgevel bevindt zich een symmetrisch ingedeelde houten winkelpui in houten omlijsting met een kroonlijst en pilasters en een borstwering met diamantkopmotief. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Eclectisch |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H (winkelpui) |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de ontwikkeling van het stadscentrum rond de eeuwwisseling met winkelwoonhuizen langs de belangrijkste straten. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend hoekpand met kapverdieping onder een zadeldak met wolfseind dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De gevels zijn gemetseld in rode verblendsteen in staand verband en zijn voorzien van sierbanden. De boogvelden zijn gevuld met decoratief gekleurde baksteen. De bakgoot rust op gootklossen. De voorgevel heeft links in de gevel een risaliet met entree. |
Datering | 1920 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Eclectisch |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met decoratieve detaillering. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat en op hoek. Ensemble met buurpand nr. 132. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend vrijstaand pand met kapverdieping onder een afgewolfd schilddak. De gevels zijn gepleisterd en wit geschilderd. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde vijf traveeën brede lijstgevel met centraal in de gevel de entree met een bovenlicht. De vensters zijn bezet met vierruits ramen met tweeruits bovenlichten. In de zijgevel bevinden zich twee zesruits ramen met dito bovenlicht op de verdieping. |
Datering | 1864 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend pand met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde Tuile du Nordpannen. De gemetselde voorgevel heeftsierbanden van rode verblendsteen en dito segmentbogen boven de gevelopeningen. De boogvelden en het fries zijn uitgevoerd in rode en witte verblendsteen. De voorgevel is een lijstgevel met links in de gevel de entree in een portiek. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand met kapverdieping onder een schilddak. De gemetselde gevels hebben siermetselwerk in de sierbanden en in de strekken boven de gevelopeningen. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde drie traveeën brede lijstgevel. In de rechter zijgevel bevindt zich de entree onder een luifel. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ensemble van twee gekoppelde woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder met gesmoorde kruispannen gedekte zadeldaken met de nok evenwijdig aan de straat. Het dakschild van nr. 3 is verlengd en dekt een garageaanbouw. De kopgevels bezitten overstekken met gesneden windveren en een decoratief gesneden makelaar. Op de dakschilden staan niet oorspronkelijke dakkapellen. De in rode baksteen gemetselde voorgevels hebben in gele baksteen uitgevoerde sierbanden en strekken boven de gevelopeningen. De gevelopeningen zijn bezet met T-ramen met bovenlichten. De vensters op de begane grond bezitten luiken. De erfafscheiding wordt gevormd door een sierhekwerk. De rechter zijgevel van nr. 5 heeft een fors, niet oorspronkelijk, venster. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de straat. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd op de hoek van de straat n beeldbepalende waarde vanwege de ensemblewerking. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande bouwmassa van een bouwlaag met kapverdieping onder een met gesmoorde Friese pannen gedekt zadeldak. De nok ligt evenwijdig aan de straat. In het voordakvlak staat een dakkapel. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft sierbanden en segmentbogen boven de lateien die uitgevoerd zijn in witte baksteen. De gevel wordt afgesloten door een fries met siermetselwerk en consoles die de bakgoot ondersteunen. Rechts van het midden bevindt zich, achter een hardstenen stoep, een portiek met een entree met een bovenlicht. De ramen ter weerszijden van de entree zijn eveneens voorzien van een bovenlicht. Op de overgang naar de linker zijgevel is een overeenkomstig venster geplaatst waarvan de ramen bezet zijn met gebogen glas. Op de erfafscheiding staat een ijzeren sierhekwerk. |
Datering | Circa 1920 (datering volgens Groslijst), 1925 (volgens BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de Kerkweg. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ensemble van drie gekoppelde woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder met gesmoorde kruispannen gedekte zadeldaken met de nok evenwijdig aan de straat. Een van de kopgevels heeft een overstek met windveren. Op het voordakschild staat een niet oorspronkelijke, aangekapte dakkapel. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een gepleisterde plint en gepleisterde aanzet- en sluitstenen in de segmentbogen boven de gevelopeningen. De voorgevel wordt afgesloten door een bakgoot die rust op consoles. De gevelopeningen zijn bezet met, grotendeels niet oorspronkelijke, ramen en deuren die voorzien zijn van een bovenlicht. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de straat. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd vanwege de ensemblewerking. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Schoolmeesterswoning |
Beschrijving | Vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een schilddak met een steekkap aan de voorzijde. Het dak is gedekt met rode kruispannen en voorzien van pirons. Het dakoverstek heeft windveren. In het zijdakschild staat een niet oorspronkelijke dakkapel. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft lateien boven de gevelopeningen en beschot in de topgevel. Boven enkele lateien zijn segmentbogen aangebracht die uitgevoerd zijn in groen geglazuurde baksteen. De voorgevel heeft rechts een gemetselde erker met afgeschuinde zijkanten waarboven een balkon is aangebracht met een opengewerkte houten balustrade. Deze gevel wordt afgesloten door een puntgevel. De gevel links van de erker wordt afgesloten door een bakgoot met geprofileerde consoles en bezit de entree achter een stoep. De schuiframen zijn voorzien van meerruits bovenlichten. De entree en de balkondeuren bezitten eveneens een bovenlicht. De goed in het zicht staande rechter zijgevel wordt afgesloten door een bakgoot met geprofileerde gootklossen, heeft staafankers en een schuifraam met een bovenlicht. |
Datering | 1915 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | L/R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een schoolmeesterswoning uit 1915. De waarde is verzwakt vanwege de rond 2000 gesloopte bijbehorende school. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door vrijstaande ligging beeldbepalende waarde. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde dakpannen. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft gesneden windveren, een sierspant en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een centrale ingangspartij met aan weerszijden twee vensters. Deze zijn, evenals die op de verdieping en in de zijgevels, voorzien van bovenlichten met glas-in-lood. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. De boerderij heeft een gecementeerde, geschilderde plint. Het voorhuis heeft getoogde strekken boven de gevelopeningen die uitgevoerd zijn in gele baksteen. De voorgevel is tussen de vensters gedecoreerd met nog drie banden, eveneens in gele steen. Twee leilinden staan voor de voorgevel. Aan de linkerzijgevel bevindt zich een boenhok (nu niet goed te zien vanaf de weg). Op het rechterdakvlak staat een niet-originele (maar ook niet heel recente) dakkapel. Rechts van de boerderij staat een schuur. |
Datering | 1915 (BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de omgeving van de historische dorps kerk van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Gemaal |
Beschrijving | Gemaalgebouw opgetrokken in gele IJsselsteen onder een schilddak met overwegend gesmoorde Hollandse pannen. In de gepleisterde aanbouw bevindt zich de uitlaat. Het waterreservoir heeft houten walkanten. Vensters zijn uitgevoerd in ijzer en bezitten roeden. In de voorgevel is een stichtingssteen aangebracht. Binnen in het gemaal staat een historische zuiggasmotor uit 1935. De dienstwoning bij het gemaal telt een bouwlaag met kapverdieping onder een drieschilddak. |
Datering | 1872 |
Ontwerper | J. Goldberg |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Het gemaal kreeg als naam ‘Hercules’ en bemaalde tussen 1872 en 1878/1979 de Noordzijderpolder, eerst met een stoommachine, later met een elektrische motor. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Het gemaal heeft cultuurhistorische en civieltechnisch-historische waarden als onderdeel van de polderbemaling. Van belang als object(en) behorend bij het thema waterbeheersing. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de voor het gemaal kenmerkende verschijningsvorm. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege de situering in een (nieuwbouw)wijk is de relatie met de omgeving afwezig. Als historisch relict heeft het complex belangrijke historisch stedenbouwkundige waarde. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Bedrijfsruimte annex woonhuis |
Beschrijving | Twee belendende twee bouwlagen tellende panden onder een plat dak (rechts), resp. een zadeldak (links, met kapverdieping). De lijstgevels zijn uitgevoerd met hoogteverschillen. De voorgevel van het rechter pand is voorzien van sierbanden en segmentbogen in gele baksteen. De vensters zijn samengesteld. |
Datering | 1908 (rechter bouwdeel), circa 1930 (linker bouwdeel) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance (rechter bouwdeel), traditioneel (linker bouwdeel). |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling in het stadscentrum en als voorbeeld van een bedrijfsgebouw annex woonhuis. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het ontwerp in neorenaissancestijl (rechter bouwdeel) en traditionele bouwstijl met zakelijke kenmerken (linker bouwdeel). (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van belang voor het totaalbeeld van de straat en ensemblewaarde met het aangrenzende gemeentelijk monument Korte Nieuwstraat 3. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Pakhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een met gesmoorde kruispannen gedekt mansardedak met de nokrichting haaks op de straat. Het dakoverstek heeft windveren. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is opgetrokken in kalkzandsteen met decoratieve accenten in rode baksteen in sierbanden, segmentbogen, boogvelden en rollagen. De centrale as in de voorgevel is bezet met loodsdeuren. De vensters zijn voorzien van houten luiken. In de topgevel bevindt zich een ijzeren roosvenster. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een pakhuis uit 1905. Van belang als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl met opvallende in kalkzandsteen uitgevoerde gevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en situering in de straat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op een ruim perceel, omgeven door sloten, nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is een afgeknotte halsgevel met een kroonlijst. Deze draagt het opschrift Oude Vliet. Het muurwerk heeft strekken boven de gevelopeningen en sierankers. De schuifvensters hebben glas-in-lood bovenlichten. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers en luiken. De entree bevindt zich in de linker zijgevel. Op de dam over de wegsloot staan gemetselde, opengewerkte, voetmuren. |
Datering | 1870 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis van boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen onderkelderd woonhuis van een boerderij, bestaande uit een éénlaags bouwmassa en kapverdieping onder een met riet gedekt zadeldak met de nok haaks op de straat. Het dakoverstek heeft fraai gesneden windveren en een makelaar. De voorgevel is een puntgevel met T-vensters en centraal in de topgevel een decoratief gesneden driedelig venster met een opvallend bovenlicht in de vorm van een ezelsrugboog. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Enige cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een bij een boerderij behorend woonhuis. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (R)
architectuurhistorische waarde: Het woonhuis heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in traditionele trant. Het engelenvenster in de topgevel is architectuurhistorisch zeer waardevol. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van enige stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het woonhuis heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (R).
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op een ruim perceel, omgeven door sloten, nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder respectievelijk een met gesmoorde kruispannen gedekt zadeldak (woonhuis) en een met riet gedekt schilddak met wolfseind (stalgedeelte). Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en een sierspant met een makelaar in de top. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft sierbanden, vensteromlijstingen van oranje verblendsteen en sierankers. De vensters zijn deels voorzien van luiken. |
Datering | 1845 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Stichtingssteen in linker zijgevel (niet leesbaar vanaf openbare weg). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de in oranje verblendsteen uitgevoerde motieven en de windveren en het sierspant kenmerkend zijn. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op een ruim perceel gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft vlechtingen, strekken en sierankers. De voorgevel heeft schuifvensters, het stalgedeelte ijzeren stalvensters. Op de dam over de wegsloot staat een giet- smeedijzeren toegangshek. |
Datering | 1877 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Centraal in de voorgevel gevelsteen met opschrift (niet leesbaar vanaf openbare weg). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij en woonhuis |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind aan de voorzijde. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft sierankers en strekken boven de gevelopeningen. De schuiframen hebben bovenlichten met glas-in-lood. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok aangebouwd. Links van de boerderij staat een woonhuis, mogelijk het zomerhuis, bestaande uit een deels onderkelderde bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. Centraal in de symmetrisch ingedeelde voorgevel zit de entree in een portiek. De deur is, evenals de ramen, voorzien van een bovenlicht. Op de dam over de wegsloot staat een giet-, smeedijzeren toegangshek. |
Datering | 1920 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Centraal in de voorgevel van de boerderij zit een stichtingssteen met een, vanaf de openbare weg niet leesbaar, opschrift. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij en van het woonhuis. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H).
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op enige afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het woonhuis en de stal hebben afzonderlijke zadeldaken met verschillende nokhoogten. De nok ligt evenwijdig aan de weg. De kopgevels hebben windveren, een gevelmakelaar en een sierspant. De in rode baksteen gemetselde voorgevel van het woonhuis heeft een gepleisterde plint, sierbanden en bogen boven de vensters. De boogvelden en de sierbanden zijn uitgevoerd in gele strengperssteen en gekleurde baksteen. Het woonhuis heeft keldervensters met diefijzers en schuifvensters met glas-in-lood bovenlichten. De topgevel is bezet met een T-venster. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters en luiken. Links van de boerderij en via een tussenlid verbonden staat een klein zomerhuis onder een zadeldak dat eveneens de nok evenwijdig aan de weg heeft. Het zomerhuis is deels beklampt met beschot en heeft een halfrond venster in de voorgevel. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Naam op dwarsbalk hangwerk voorgevel: Rhynleven. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex, waarvan het zomerhuis pal in de zichtlijn van de sloot ligt, heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H).
Waardering: Hoog


Typologie | Varkenskot |
Beschrijving | Eénlaags gebouwtje onder een zadeldak met blinde achter- en zijgevels. Het voormalige varkenskot ligt tegenover de boerderij Laageind 41 en is bouwvallig. |
Datering | Eerste helft 20ste eeuw |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorisch waardevol relict uit de periode dat bij vrijwel elke boerderij een varkenskot aanwezig was. Er resteren er tegenwoordig in deze polder nog twee. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van situationele waarde vanwege de vrijstaande ligging op het land tegenover de boerderij Laageind 41. (R/H)
Waardering: Hoog

Typologie | Zomerhuis |
Beschrijving | Aan de rechterzijde van de, nieuw gebouwde boerderij, gelegen zomerhuis bestaande uit een begane grond en kapverdieping onder een zadeldak met de nok haaks op de straat. Het dak is gedekt met gesmoorde pannen. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel is een symmetrisch ingedeelde tuitgevel met staafankers en vensters met niet oorspronkelijke ramen met bovenlichten. Aan de rechter zijgevel is een boenhok met lessenaarsdak aangebouwd. Hierin bevindt zich de entree met een rondboog stalvenster er naast. De linker zijgevel heeft schuiframen en, in het achterste deel, rondboog stalvensters. |
Datering | 1870 (datumsteen) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Enige cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een zomerhuis ooit behorend bij een (nu vernieuwde) boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Als voormalig onderdeel van een boerderijcomplex heeft het zomerhuis landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak dat met riet is gedekt. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft een gepleisterde plint, vlechtingen in de kopgevel, strekken boven de vensters en staafankers. De vensters zijn samengesteld maar zijn overwegend uitgevoerd als meerruits schuiframen met meerruits bovenlichten. De entree in de voorgevel heeft een bovenlicht met een ijzeren levensboom. Langs de voorgevel staan drie lindebomen. Aan de rechterkant van de boerderij, wat naar achteren, staat een zomerhuis uit 1860 tegen de sloot. Het perceel aan de andere kant van de sloot is in gebruik als boomgaard. |
Datering | Circa 1800 (oudere kern) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De eerst bekende bewoning op het perceel is in 1535. In de boerderij is nog een oude rookkast aanwezig. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. De ouderdom van de boerderij, mogelijk uit eind 1600, versterkt de cultuurhistorische waarde. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft vlechtingen in de topgevel, sierankers en strekken boven de van bovenlichten voorziene vensters en de entree. Boven het engelenvenster in de topgevel zijn in gele baksteen uitgevoerde rollagen aangebracht. De keldervensters bezitten luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Tegen de rechter zijgevel is een was- annex boenhok aangebouwd. Achter de boerderij staat een hooiberg met rieten dekking. |
Datering | 1850/1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Het voorhuis van de boerderij dateert uit ca. 1850, de stal uit 1900. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd met riet gedekt zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft vlechtingen in de kopgevel, staafankers en strekken boven de vensters. De vensters zijn bezet met ramen met bovenlichten (niet oorspronkelijk). Boven de begane grond is gespatieerd over de gevel het jaartal 1864 aangebracht. Centraal in de gevel ligt de entree met een bovenlicht. De linker zijgevel heeft niet oorspronkelijke vensters in het woongedeelte en segmentgebogen stalvensters in het stalgedeelte. |
Datering | 1864 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De boerderij verving een voorganger uit 1655 volgens informatie uit de Groslijst. De boerderij is in de jaren ’70 van de 20ste eeuw gerenoveerd, zijgevel en achtergevel zijn vernieuwd. Ramen in de voorgevel en oostgevel zijn vervangen door betonnen kozijnen, een nieuw groot raam is in de oostgevel geplaatst, de originele deur en de oorspronkelijke blinden zijn verwijderd. In het interieur zijn kelders en opkamers verdwenen, evenals de bestede en het kaashuis; de plavuizen vloer is vervangen door een betonnen vloer. Vrijwel alle deuren zijn vervangen en deurposten zijn verhoogd. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (R)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. De boerderij heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Varkenskot |
Beschrijving | Tegenover de boerderij Laageind 49, aan de overzijde van de weg, staat een voormalig varkenskot. Het gebouwtje is bereikbaar via een dam over de wegsloot. Het is een gemetseld eenlaags gebouwtje onder een zadeldak met blinde achter- en zijgevels en een opening in de voorgevel. Het dak is gedekt met rode Hollandse pannen. De topgevels zijn bezet met een staafanker. Aan de linker zijgevel bevindt zich een houten aanbouw van latere datum. Het varkenskot hoort niet bij nr. 49. |
Datering | Circa 1950 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een varkenskot behorende bij een aan de overzijde van de weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Het voormalige varkenskot is een waardevol relict uit de periode dat er bij vrijwel elke boerderij een aanwezig was. Tegenwoordig resteren er nog twee in deze polder. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het voormalige varkenskot is beeldbepalend gesitueerd nabij de openbare weg. Tezamen met de aan de overzijde van de weg gelegen boerderij heeft het voormalige varkenskot ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind boven de achtergevel. Het dakoverstek heeft windveren, een sierspant en een sierlijke makelaar. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft sierbanden en segmentbogen waarin gele baksteen is verwerkt. De lekdorpels zijn uitgevoerd in groen geglazuurde baksteen. De boogvelden zijn bezet met bricorna-steen en decoratief metselwerk. De schuiframen bezitten bovenlichten met glas-in-lood. In de linker zijgevel ligt de entree. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Rechts van de boerderij staat een boenhok onder een zadeldak met een dakoverstek dat voorzien is van windveren en een makelaar. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur, eveneens onder een zadeldak met een dakoverstek met windveren en een makelaar. |
Datering | 1909 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | In 1909 is een eerdere boerderij op deze locatie afgebrand en is de huidige boerderij gebouwd. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en
onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Driebruggen. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Woonblok |
Beschrijving | Tweelaags woonblok onder een schilddak. De bouwmassa heeft vier, oorspronkelijk vijf, entrees. Boven de entrees liggen houten lijsten op gemetselde pilasters. De gevels zijn uitgevoerd in rode baksteen met versieringen in gele baksteen onder meer in de strekken boven de vensters. De samengestelde vensters hebben een meerruits roedenverdeling in de bovenlichten. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met elementen uit neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege het levendige totaalbeeld met siermetselwerk. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door zijn hoofdvorm en oriëntatie op de openbare weg van enige beeldbepalende betekenis. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft decoratief gesneden windveren en een makelaar. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is opgetrokken in rode baksteen in kruisverband en voorzien van sierbanden en gepleisterde aanzet- en sluitstenen. Centraal in de voorgevel ligt de entree. Centraal op de verdieping bevindt zich een engelenvenster. Een meerkantige, stenen hooiberging staat tegen de linker zijgevel. |
Datering | Circa 1870 (oudere kern) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel met centraal in de voorgevel de entree met een bovenlicht. De vensters zijn eveneens voorzien van een bovenlicht. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een gepleisterde plint en op de verdieping, ter weerszijden van de vensters, een driehoekig gepleisterd veld. |
Datering | 1905, 1927 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Op de kroonlijst staat de naam van de boerderij: Hof ter Meije. In 1927 is het schuurgedeelte van de boerderij afgebrand, maar het woonhuis is gespaard gebleven. De toenmalige eigenaar heeft toen besloten een nieuwe schuur te laten bouwen los van het huis en in het huis een nieuwe achtergevel te laten maken. Van de schuur is een bouwtekening in het archief bewaard gebleven, gedateerd 1927. Dat jaartal is ook te vinden op een in de schuur gemetselde gevelsteen (informatie bewoners augustus 2017). In het huis bevindt zich een kelder met daarboven een opkamer. In de kelder is nog de originele pekelbak aanwezig, die werd gebruikt bij het kaasmaken. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Het zijdakschild heeft een niet oorspronkelijke dakkapel. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft schuifvensters en wordt afgesloten door een kroonlijst. De keldervensters zijn voorzien van luiken. Het stalgedeelte heeft houten stalvensters met een roedenverdeling. Links van de boerderij staat een hooiberg. Op de dam over de wegsloot staat een gietijzeren toegangshek. |
Datering | 1843 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Stichtingssteen met opschrift F. Brunt 1843 |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft dankzij de gevelwijzigingen geringe architectuurhistorische waarde (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. De toegevoegde bebouwing op het erf van recentere datum verzwakt de ensemblewaarde. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een doorlopend, met riet gedekt, zadeldak. Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. Links van de boerderij staat het zomerhuis bestaande uit een bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen. Beide gebouwen hebben de kopgevel georiënteerd op de openbare weg. De voorgevels zijn gemetseld in rode baksteen in kruisverband en zijn voorzien van windveren. De windveer van de boerderij heeft decoratief hangwerk met een sierspant en een makelaar. De voorgevels zijn symmetrisch ingedeeld; de schuifvensters zijn vervangen. In de topgevel van het woonhuis bevindt zich een engelenvenster. De boerderij is verbouwd tot woonboerderij (voor 2007) en daarbij zijn o.a. aan de lange gevels de gevelopeningen i.v.m. de woonfunctie gewijzigd. Aan de linkerzijgevel van het zomerhuis is, gedeeltelijk over de sloot, een boenhok aangebouwd. De lange gevel van het boenhok bestaat uit gerabatte delen. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels waarbij de decoratieve windveren en makelaar kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | School met woonhuis |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De nok ligt haaks op de weg. Het dakoverstek heeft windveren en decoratief gesneden hangwerk in de topgevel. Het voorste bouwdeel omvat de woning, het achterste bouwdeel enkele (voormalige) klaslokalen. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is symmetrisch ingedeeld en voorzien van sierbanden en driedelige ontlastingsbogen in gele baksteen. |
Datering | 1906 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een schoolgebouw in het buitengebied uit 1906. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met name wat betreft de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs de openbare weg in het buitengebied. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met geglazuurde kruispannen gedekt zadeldak. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het gebouw ligt parallel aan de weg. De gemetselde kopgevel met dakoverstek, windveren en hangwerk is symmetrisch ingedeeld met centraal in de gevel de entree. De gevel langs de openbare weg heeft (deels gekoppelde) ramen met glas-inlood bovenlichten en keldervensters met luiken. De vensterpartij op de verdieping is niet origineel. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. |
Datering | 1906 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde: Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging parallel aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg gelegen krukhuisboerderij onder een met riet gedekt dak. Deze boerderij van het hallehuistype heeft een dwarsgeplaatst, deels onderkelderd woonhuis met stal erachter zodat een L-vormige plattegrond is ontstaan. Rechts van de boerderij staat een geheel vernieuwd zomerhuis. |
Datering | 1830 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het krukhuistype uit de eerste helft van de 19de eeuw. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde pannen gedekt zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde symmetrisch ingedeelde kopgevel heeft een dakoverstek met windveren, sierankers en links in de gevel een stichtingssteen. De vensters zijn bezet met ramen met een bovenlicht. In de top zit een engelenvenster dat gevuld is met niet oorspronkelijke ramen. De keldervensters zijn bezet met luiken. Aan de rechter zijgevel is een niet oorspronkelijk boenhok gebouwd. Rechts van de boerderij staat een zomerhuis onder een zadeldak waarvan het dakoverstek voorzien is van windveren en een makelaar en de gemetselde gevel gedecoreerd is met sierbanden. |
Datering | 1880, 1952 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | In 1952 is het oorspronkelijke zadeldak vervangen door de huidigemansardekap, met de bijbehorende topgevel (informatie bewoners augustus 2017). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel, inclusief verbouwing in 1952. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een doorlopend, met gesmoorde kruispannen gedekt, zadeldak. De voet van het zadeldak heeft een houten sierlijst. Voorin is de woning ondergebracht, achterin de stal. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok gebouwd. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen in kruisverband en voorzien van een gepleisterde plint en sierankers. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde puntgevel met vier vensters op de begane grond en twee vensters op de verdieping. Boven de vensters zijn gepleisterde aanzet- en sluitstenen aangebracht. De linker zijgevel heeft gewijzigde vensters in het woongedeelte. Het stalgedeelte heeft stalvensters met zesruitsramen. |
Datering | Circa 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de symmetrisch ingedeelde voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. De boerderij heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder respectievelijk een met riet gedekt (woonhuis) en een met gesmoorde pannen gedekt (stal) afgewolfd zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft vlechtingen in de topgevel, sierankers, strekken boven de vensters en T-ramen met bovenlichten die deels bezet zijn met glas-in-lood. De keldervensters zijn voorzien van luiken. Het stalgedeelte heeft segmentgebogen stalvensters. Aan de rechter zijgevel is een boenhok gebouwd. In de linker zijgevel ligt de entree. Rechts van de boerderij staat een zomerhuis onder een met rode pannen gedekt zadeldak waarvan de nok evenwijdig aan de weg ligt. Op de dam over de wegsloot en op de erfafscheiding met de openbare weg staat een sierhekwerk. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde kopgevel van de boerderij is symmetrisch ingedeeld met schuiframen. Rechts van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak met een sierspant in de topgevel. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde kruispannen gedekt zadeldak. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde kopgevel met dakoverstek, windveren, sierspant met makelaar en sierankers is symmetrisch ingedeeld met centraal in de gevel de entree. Boven de gevelopeningen van de begane grond liggen boogvelden met opschriften: Anno vlijt en zorg 1907. De vensters op de begane grond zijn T-vensters met een bovenlicht met glas-in-lood. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster, bestaand uit een T-venster, geflankeerd door vensters met een decoratieve roedenverdeling. De keldervensters in de linker zijgevel zijn voorzien van diefijzers. Links van de hoofdmassa staat het zomerhuis met een boenhok. Het zomerhuis wordt gedekt door een zadeldak, heeft een dakoverstek met windveren en een sierspant met makelaar. De voorgevel heeft rozetankers en gepleisterde aanzet- en sluitstenen boven de gevelopeningen. De vensters zijn T-vensters met een glas-in-lood bovenlicht. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog plus

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met keramische pannen gedekt zadeldak met verspringende nokhoogte. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde kopgevel met dakoverstek, windveren en makelaar is symmetrisch ingedeeld met vier schuiframen op de begane grond en een engelenvenster centraal in de topgevel. Op de hoek van de voor- en linker zijgevel staat een platgedekte aanbouw met de entree. Op de dam over de wegsloot staat een gietsmeedijzeren toegangshek. Aan de achterzijde van de boerderij zijn een melkstal en een ligboxenstal aangebouwd (geen cultuurhistorische waarde). |
Datering | 1876 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak waarvan het voorste deel (woonhuis) is gedekt met gesmoorde pannen en het achterste deel (stal) met plaatmateriaal. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en een makelaar. De gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft staafankers en beschot in de topgevel. De niet oorspronkelijke ramen zijn uitgevoerd met een bovenlicht. Rechts van de boerderij staat een gemetseld zomerhuis onder een met gesmoorde kruispannen gedekt zadeldak. Het dakoverstek van de voorgevel heeft gesneden windveren en een decoratieve makelaar. Op de begane grond bevindt zich een breed niet oorspronkelijk venster. De topgevel is bezet met een engelenraam met een keperboogvormig bovenlicht. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een afgewolfd zadeldak met in de voorgevel twee segmentgebogen stalvensters en een hooideur in de topgevel. |
Datering | Circa 1900 (kern uit 1703 volgens BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels van de bijgebouwen. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder zadeldaken met verspringende nokhoogten. De daken zijn gedekt met gesmoorde Hollandse pannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De voorgevel is gemetseld in rode baksteen, de zijgevels in gele baksteen. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint en een dakoverstek met decoratief gesneden windveren en makelaars. De schuiframen zijn per paar gekoppeld, bezitten getoogde bovendorpels en worden door een segmentboog bekroond. De boogvelden zijn gevuld met siermetselwerk. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster. De keldervensters zijn bezet met diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft in de rechter zijgevel ijzeren stalvensters, in de linker zijgevel zitten hardhouten kozijnen. Rechts van de boerderij staat een houten schuur onder een zadeldak met aankapping aan de rechter zijde. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Middelburg. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder twee afzonderlijk te onderscheiden zadeldaken met verspringende nokhoogten. Het dak van het woonhuis is gedekt met gesmoorde kruispannen, het stalgedeelte eveneens met gesmoorde pannen. De dakkapellen zijn niet oorspronkelijk. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, in het achterstaande bouwdeel de stal. Het dakoverstek heeft oorspronkelijke windveren en vernieuwde makelaars (in oorspronkelijke vorm). De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een gepleisterde plint, sierbanden en aanzet- en sluitstenen in de segment- en rondbogen boven de gevelopeningen. De voorgevel is bezet met T-ramen, op de begane grond voorzien van (niet-originele) luiken. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster. De entree ligt in de voorgevel rechts van het midden en is, evenals de ramen, voorzien van een bovenlicht. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Links van de boerderij staat een niet oorspronkelijke houten schuur. Op de dam over de wegsloot staat een niet oorspronkelijk houten hekwerk. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Het woonhuis was oorspronkelijk laag en rietgedekt, terwijl ook de stal een rieten kap had. Daar zijn later mastiek golfplaten overheen gelegd. De huidige bewoner heeft die na de grote storm in 1990, waarbij een deel van het dak (en de hele achtergevel) er is uitgewaaid, vervangen door gesmoorde dakpannen. Op de plaats van de huidige houten schuur heeft eerst een zomerhuis met melkhuisje gestaan, ooit vervangen door een houten schuur. In 1999 heeft de huidige bewoner deze vervallen schuur vervangen door de op 'schuimbeton drijvende' met poeren ondersteunde schuur die er nu staat. Het eikenhouten onbehandelde hekwerk op de brug is door de huidige bewoner ontworpen en gemaakt. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde: Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Middelburg. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Kleine boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met Tuile du Nordpannen en Muldenpannen, type Marseille . Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel is een tuitgevel met een gepleisterde plint en in gele baksteen uitgevoerde sierbanden en segmentbogen. De gevelafsluiting wordt gevormd door een gepleisterd rondboogfries met gegoten sierbollen op de gevelhoeken. De voorgevel is bezet met niet-originele ramen. Centraal in de voorgevel zit een niet oorspronkelijk raam met een bovenlicht, ter vervanging van een eerdere deur. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. In de rechter zijgevel van het woonhuis zit een stichtingssteen met het opschrift 1910. Het jaartal 1910 is eveneens aangeduid bovenin de voorgevel. Tegen de linker zijgevel is een boenhok aangebouwd (niet in originele staat). |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Middelburg. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, strekken boven de gevelopeningen en een dakoverstek met gesneden windveren en makelaar. Centraal in de voorgevel zit de entree met een bovenlicht. De vensters zijn eveneens voorzien van een bovenlicht. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster met een rondboog bovenlicht. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers. Het stalgedeelte heeft segmentgebogen ijzeren stalvensters. In de rechter zijgevel zit een entree die eveneens voorzien is van een bovenlicht. Rechts van de boerderij staat een gemetseld zomerhuis onder een met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak. De voorgevel is een klokgevel die wordt bekroond door een rondboog met drie vaasvormige sierelementen. Het gepleisterde boogveld van de rondboog draagt het opschrift: Fortuna ut luna (Latijn, letterlijk: het geluk is als de maan, m.a.w.: het wisselt vaak). |
Datering | 1881 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De rechter zijgevel van de boerderij heeft een stichtingssteen met een, vanaf de openbare weg, niet leesbaar opschrift. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij en van het zomerhuis. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Middelburg. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Woningen, winkelwoonhuis (nr. 13) |
Beschrijving | Ensemble van deels gekoppelde woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken, mansardedaken en platte daken. De nokken staan haaks op de straat. De voorgevels zijn een afwisseling van lijstgevels en trapgevels of zijn voorzien van topgevels met dakoverstekken met gesneden windveren en sierlijke makelaars. De bakstenen gevels zijn al dan niet versierd met sierbanden, gepleisterde aanzet- en sluitstenen of bezitten in een afwijkende kleur baksteen verwerkte segmentbogen en boogvelden. Nassaustraat 13 is een winkelwoonhuis met een modern winkelpui. |
Datering | 1905 - 1917 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel en neorenaissancetrant |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Gevelopeningen soms gewijzigd. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling van het stadscentrum. Van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn en ensemblewerking. (R)
Waardering: Redelijk





Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak met nieuwe rieten dekking. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel die door een kroonlijst wordt beëindigd. De voorgevel heeft strekken boven de vensters en sierankers. Links van het midden ligt de entree die gevat is in een houten omlijsting met decoratieve pilasters en een kroonlijst met het opschrift Bouwlust. De paneeldeur is, evenals de ramen, uitgevoerd met een bovenlicht. Het punt waar de boog van de klokgevel begint draagt links het opschrift Anno en rechts 1869. De zijgevels zijn gemetseld in gele baksteen. De keldervensters hebben diefijzers en luiken. Ook de stalvensters in het stalgedeelte bezitten luiken. Links van de boerderij staat het zomerhuis (nr. 11a) waarvan de verschijningsvorm in grote lijnen overeenkomt met die van de boerderij. |
Datering | 1869 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Voormalige boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder zadeldaken met verspringende nokhoogten. De daken zijn gedekt met gesmoorde Tuile du Nordpannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de voormalige stal. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, rozetankers en een dakoverstek met windveren. De ramen bezitten bovenlichten en zijn in de zijgevel voorzien van luiken. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster met een keperboogvormig bovenlicht. |
Datering | 1903 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Als gevolg van de nabijgelegen autosnelweg en de dominant aanwezige geluidsschermen die over de Nieuwdorperweg zijn aangebracht zijn de landschappelijke en ensemblewaarde van het voormalige boerderijcomplex verzwakt. (L)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Voormalige boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd, met riet gedekt zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de voormalige stal. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een gepleisterde plint, staafankers, vlechtingen in de topgevel en rollagen boven de vensters. De gevel wordt afgesloten door een boeibord. De entree ligt in de linker zijgevel. De vensters zijn uitgevoerd met schuiframen. Het voormalige stalgedeelte heeft stalvensters. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok aangebouwd. Op de dam over de wegsloot staat een fors, niet oorspronkelijk houten sierhekwerk. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft, ondanks de wijzigingen op het erf, enige landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek onderdeel van de agrarische bebouwing van Reeuwijk. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met verspringende nokhoogten dat aan de voorzijde is afgewolfd. Het dak is gedekt met gesmoorde Tuile du Nordpannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft rollagen als plintlijst en boven de gevelopeningen. Het dakoverstek heeft windveren en rust op gootklossen. Centraal in de gevel ligt de entree in een portiek achter een stoep. De oorspronkelijke voordeur heeft een bovenlicht. De ramen zijn voorzien van bovenlichten met glas-in-lood. Het gevelvlak op de verdieping ter weerszijden van de vensters draagt het opschrift Gemma’s Hoeve. Tegen de rechter zijgevel is een erker aangebouwd. Het stalgedeelte heeft betonnen stalvensters. Rechts van de boerderij staat een gemetseld bijgebouw onder een zadeldak met windveren. Aan de linkerzijgevel bevindt zich een aanbouw met boenhok. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1930 (datumsteen, informatie bewoners augustus 2017) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype uit de periode van het Interbellum. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak met rieten dekking. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in gele IJsselsteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel die door een kroonlijst wordt beëindigd. Het fries van de kroonlijst draagt het opschrift: Op hoop van zegen. De voorgevel heeft een gepleisterde plint, rozetankers en strekken boven de vensters die in rode baksteen zijn uitgevoerd. De ramen bezitten bovenlichten. In de linker zijgevel is een stichtingssteen aangebracht met het jaartal 1877. Links van de boerderij staat een, herbouwd, zomerhuis. De boerderij is recent verbouwd (informatie bewoners augustus 2017). Daarbij zijn flinke dakkapellen in beide dakvlakken aangebracht; ook zijn o.a. de ramen in de voorgevel vernieuwd. |
Datering | 1877 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm redelijk gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Reeuwijk. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Eenlaags bouwmassa met kapverdieping. De voorgevel is een gemetselde ingezwenkte lijstgevel met sierankers, getoogde strekken boven de T-vensters en een gevelafsluiting in de vorm van een kroonlijst. De voordeur met een bovenlicht is gevat in een kozijn met een kroonlijst. Gekoppeld aan de voordeur zit een vierruits etalagevenster met eveneens een kroonlijst. De vensters op de begane grond zijn voorzien van persiennes. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een winkelwoonhuis uit 1890. Van belang voor de economische geschiedenis van de stad. (R)
architectuurhistorische waarde:
Waardevolle ingetogen opzet in traditionele trant met klassieke kenmerken in entree- en etalagevensteromlijsting. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door zijn hoofdvorm en oriëntatie op de openbare weg van enige beeldbepalende betekenis. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Vrijstaande, tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de straat. Het dak is gedekt met gesmoorde Hollandse pannen. Het dakoverstek heeft niet oorspronkelijke windveren. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft rondbogen boven de gevelopeningen. De boogvelden zijn bezet met decoratief metselwerk. De begane grond heeft een houten deurkozijn met niet oorspronkelijke deuren. De zijgevel heeft staafankers. De vensters in de zijgevels hebben luiken. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | L/R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1900. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Vanwege de wijzigingen gering architectuurhistorische waarde. Enige waarde vanwege het toegepaste siermetselwerk. (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege de markante hoofdvorm. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Ensemble van twee gespiegelde woonhuizen van twee bouwlagen met een kapverdieping. De gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde lijstgevel met getoogde strekken boven de gevelopeningen. Centraal in de voorgevel liggen twee, door een penant van elkaar gescheiden, entrees met bovenlichten. Op de verdieping boven de entrees is een blindnis aangebracht. De T-vensters zijn op de begane grond bezet met glas-in-lood bovenlichten. De gevel wordt afgesloten door een geprofileerde kroonlijst. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in rustige, traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de hoofdvorm en de oriëntatie op de straat. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend vrijstaand woonhuis met kapverdieping onder een mansardedak met wolfseind. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen met getoogde strekken boven de gevelopeningen. De symmetrisch ingedeelde voorgevel wordt afgesloten door een gepleisterde sierlijst met bakgoot erboven. Centraal in de voorgevel ligt de entree met een bovenlicht. De T-vensters zijn op de begane grond voorzien van dubbele luiken. |
Datering | 1919 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met decoratieve detaillering in de vorm van dubbele luiken. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in straat. Vanwege de onbebouwde ruimte aan de linker zijgevel valt het pand sterk in het oog. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Vrijstaande, tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de straat. Het dak is gedekt met keramische pannen. Het dakoverstek is voorzien van gesneden windveren en sierklossen. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft rondbogen boven de gevelopeningen. De vensters bezitten persiennes. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1912. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de markante hoofdvorm. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Ensemble van twee gespiegelde, vrijstaande woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken met de nok haaks op de straat. De gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde ingezwenkte lijstgevel met getoogde strekken boven de gevelopeningen, sierankers en geprofileerde kroonlijsten. Centraal in de voorgevel zijn twee, door een penant van elkaar gescheiden, voordeuren met bovenlicht aanwezig. Ook de schuiframen hebben een bovenlicht. |
Datering | 1919 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in evenwichtige, traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de hoofdvorm en de oriëntatie op de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Half vrijstaand, tweelaags, langgerekte bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de straat. Het dak is gedekt met rode Tuile-du Nordpannen. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft verticale rollagen boven de vensters die zich in horizontale lijn voortzetten over de gevel. De gevel is voorzien van sierankers. De ramen zijn deels bezet met ladderroeden. Het pand is via een niet oorspronkelijk tussenlid verbonden met nr. 37. |
Datering | 1926 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Vensterluiken zijn verwijderd. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1926. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de markante hoofdvorm. Ensemblewaarde met voormalige kaaspakhuis nr. 37. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Half vrijstaand, tweelaags, langgerekte bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de straat. Het dak is gedekt met gesmoorde Hollandse pannen. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft decoraties in gele strengperssteen en houten beschot in de topgevel. Ook in de sierbogen, boogvelden en consoles is gele strengperssteen toegepast. De plintlijst is uitgevoerd in geglazuurde baksteen. De vensters in de voor- en linker zijgevel zijn deels bezet met luiken. Via een niet oorspronkelijk tussenlid is het pand verbonden met nr. 35. |
Datering | 1926 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Gewijzigde indeling vensters/deuren centrale as voorgevel. Zijgevel wit geschilderd pleisterwerk. Niet oorspronkelijke dakkapel in zijdakschild. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1926. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de in de trant van de chaletstijl ontworpen voorgevel waarbij vooral het dakoverstek met windveren, het topgevelbeschot en het siermetselwerk in de boogvelden kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de markante hoofdvorm. Ensemblewaarde met voormalige kaaspakhuis nr. 37. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend pand met kapverdieping. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde ingezwenkte lijstgevel met hoekpilasters. De begane grond heeft centraal in de gevel een winkeldeur met een bovenlicht, gevat in een deurkozijn met pilasters en een kroonlijst. Ter weerszijden van de winkeldeur bevindt zich een etalagevenster met drie gekoppelde bovenlichten die met glas-in-lood bezet zijn. De verdieping telt drie tweeruits schuiframen met tweeruits bovenlichten. De gevel, voorzien van sierankers, wordt afgesloten door een fries en een bakgoot met consoles. Het pand is aan de linker zijde via een osendrop verbonden met het buurpand. Rechts zit een doorgang naar de zijgevel. |
Datering | 1905 (pui), (oudere kern). |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | De gevel is niet oorspronkelijk wit gesausd. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling van het stadscentrum met winkelwoonhuizen langs de belangrijkste straten. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de winkelpui. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn van de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend pand met kapverdieping onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde geglazuurde Hollandse pannen. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een gepleisterde plint, gegoten hoeklisenen, profiellijsten boven de vensters, een getrapt verlopende cordonlijst, kuifjes, T-vensters en een gevel- en hoekbekroning in de vorm van acroteri. Op de gevelsteen centraal in de topgevel is een vrouwenkop met ranken afgebeeld. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft rechts van het midden de entree achter een hardstenen stoepje. Een gietijzeren hekwerk sluit het zijerf af aan de straat. Het achtererf ligt aan de Oude Rijn, het zijerf aan een haaks op de Oude Rijn gesitueerde sloot. |
Datering | 1871 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een classicistische trant waarbij de relatief rijk verwerkte neoclassicistische motieven in de voorgevel kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het pand heeft enige stedenbouwkundige waarde vanwege de beeldbepalende ligging in de rooilijn op een hoek en de ervaarbare situering bij de Oude Rijn. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Pakhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de straat. Het dak is gedekt met gesmoorde Hollandse pannen. De gemetselde voorgevel heeft spaarvelden en lisenen met sierankers. Siermetselwerk van gele baksteen is verwerkt in de bogen en de cordonlijst. De vensters hebben relatief diepe neggen. De kozijnen zijn uitgevoerd met snijwerk. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is een puntgevel met een decoratief element op de top in het verlengde van de centrale as. |
Datering | 1871 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een pakhuis, mogelijk een kaaspakhuis, uit 1871. Als kaaspakhuis van belang behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij (H), tevens van belang als object behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn.(H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en situering in de straat. (R)
Waardering: Hoog

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend pand met kapverdieping onder een samengesteld dak. De voorgevel is geplaatst voor een oudere bouwmassa. De gemetselde voorgevel is een soort verbrede tuitgevel met kwartcirkelvormige vleugelstukken ter weerszijden van de topgevel. De topgevel wordt afgesloten door een fries met een bloktand en sierlijk gesneden consoles en een geprofileerde kroonlijst erboven. De in rode baksteen gemetselde gevel heeft in helderrode baksteen uitgevoerde sierbanden, strekken en bogen. De voormalige winkelpui bestaande uit een entree met een bovenlicht en aangrenzend etalagevenster met hoge borstwering is gevat in een kozijn met een geprofileerde kroonlijst. |
Datering | 1871, winkelpui uit circa 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Als winkelwoonhuis van enig belang voor de economische geschiedenis van de stad. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn. Vanwege de onbebouwde ruimte aan de linker zijgevel valt het pand goed in het oog. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend pand met kapverdieping onder een zadeldak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een symmetrische in- en uitgezwenkte lijstgevel. De voorgevel heeft getoogde strekken boven de gevelopeningen en wordt afgesloten door een geprofileerde kroonlijst. Rechts in de voorgevel ligt de entree met een bovenlicht. De vensters zijn eveneens voorzien van een bovenlicht. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele trant waarbij de verschijningsvorm van de gevelafsluiting kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde: Enige beeldbepalende waarde vanwege de situering in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Vrijstaand, tweelaags, langgerekte bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak met de nokrichting haaks op de straat. (De poort aan de linkerkant grenst aan het naastliggende pand en is in de stijl daarvan uitgevoerd, zie B167.) Het dakoverstek heeft windveren en decoratief gesneden makelaars. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft getoogde strekken boven de gevelopeningen en is bezet met sierankers. Het venster in de topgevel heeft een keperboogvormig bovenlicht. De vensters op de begane grond en in de topgevel zijn voorzien van luiken. Centraal in de voorgevel, in een portiek, bevindt zich de entree met meerruits bovenlichten. Het achtererf ligt aan de Oude Rijn en functioneerde ten behoeve van het transport van kaas in de 19de en 20ste eeuw. De gemetselde, symmetrisch ingedeelde achtergevel heeft een eenlaags rechthoekige aanbouw op de begane grond. De gevelopeningen zijn voorzien van luiken. Het venster in de topgevel is, overeenkomstig de voorgevel, bezet met een keperboogvormig bovenlicht. |
Datering | 1892 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1892. Van belang als object behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij (H), tevens van belang als object behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de decoratieve elementen zoals keperboogvormig bovenlicht en sierlijk gesneden makelaars. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de markante hoofdvorm. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ruim opgezet woonhuis, met twee bouwlagen en een kapverdieping onder een schilddak met een steekkap. Het dak is gedekt met gesmoorde Verbeterde Hollandse pannen. In het voordakschild staat een dakkapel met een tentdak. De gemetselde voorgevel heeft een hardstenen plint, sierbanden, een cordonlijst, gepleisterde aanzet- en sluitstenen in de segmentbogen boven de gevelopeningen en siermetselwerk met gele baksteen in de boogvelden. De voorgevel heeft rechts een risaliet die door een trapgevel wordt beëindigd. In deze risaliet zit de entree. Het gevelvlak links van het risaliet wordt beëindigd door een bakgoot met consoles. De schuiframen zijn al dan niet gekoppeld uitgevoerd. Tussen nr. 27 en nr. 29 bevindt zich een poortje met een overeenkomstige verschijningsvorm. Aan de achterzijde grenst het pand aan de Oude Rijn. |
Datering | 1904 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancestijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege markante hoofdvorm, ligging in de rooilijn en deels vrijstaande situering van beeldbepalend belang. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ruim opgezet woonhuis, met één bouwlaag en kapverdieping onder een met keramische pannen gedekt mansardedak. De symmetrische gevelindeling heeft relatief rijke decoraties zoals een cordonlijst en profiellijsten met geprofileerde sluitstenen boven de gevelopeningen. De gevelafsluiting wordt gevormd door een geprofileerde kroonlijst. In de borstwering onder de vensters zijn gegoten decoraties aangebracht. De vensters, evenals de entree centraal in de voorgevel, zijn gevat in zwaar geprofileerde kozijnen met afgeronde bovenhoeken. Alle gevelopeningen zijn voorzien van een bovenlicht. |
Datering | 1871 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woonhuis uit 1871. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neoclassicistische trant. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege brede, markante hoofdvorm en situering in de rooilijn van de straat van beeldbepalend belang. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen hoog pand met kapverdieping onder een zadeldak met de nok haaks op de straat. De symmetrisch ingedeelde in rode baksteen gemetselde voorgevel is een tuitgevel met verwerking van gele baksteen in de sierbanden, het gevelvlak onder de dorpels van de begane grond en in de gevelafsluiting. De voorgevel heeft rozetankers en gegoten, decoratieve sluitstenen en vensterbanken. De voorgevel wordt afgesloten door een driehoekig fronton in de vorm van uitkragend metselwerk met accenten op de hoeken en op de geveltop. De ramen en de voordeur zijn voorzien van glas-in-lood bovenlichten. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Gevelsteen links van voordeur met opschrift Huize Klein Nijenheim. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in de trant van de neorenaissance. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege markante hoofdvorm en ligging in de rooilijn beeldbepalende waarde. (R)
Waardering: Hoog

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen tellend pand met kapverdieping. In het voordakschild staat een dakkapel met driehoekig fronton. De symmetrisch ingedeelde brede voorgevel is een lijstgevel met gegoten, decoratieve hoekpilasters en cordonlijsten ter weerszijden van de centrale risaliet. De voorgevel wordt afgesloten door een kroonlijst met geprofileerde consoles. De centrale risaliet heeft de entree waarboven een balkon is aangebracht met een ijzeren hekwerk. De balkondeuren bezitten gekoppelde, gepleisterde rondbogen erboven. De entree in het portiek heeft een niet oorspronkelijke deur die gevat is in een decoratieve omlijsting met pilasters, een fries en decoratief gesneden consoles. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Eclectisch |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Als winkelwoonhuis van enig belang voor de economische geschiedenis van de stad. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in eclectische trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Hoekpand van één bouwlaag en kapverdieping onder een met gesmoorde pannen gedekt afgewolfd schilddak. De gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel is een lijstgevel met cordonlijsten en een relatief rijke, gepleisterde vensteromlijstingen met afgeronde bovenhoeken en decoratieve sluitstenen. De éénruitsramen bezitten bovenlichten. De entree ligt in een niet oorspronkelijk portiek links in de voorgevel. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst met gootklossen. De goed in het zicht staande rechter zijgevel heeft niet oorspronkelijke vensters. |
Datering | 1904 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | R (betreft voorgevel. Rechter zijgevel heeft een lage gaafheid.) |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel in neoclassicistische trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd op hoek. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand pand van één bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak. De gemetselde voorgevel is tweelaags en heeft decoratief metselwerk dat is toegepast in de gevelafsluiting en in de rollagen boven de gevelopeningen. Rechts in de voorgevel bevindt zich de entree met een bovenlicht. Ook de éénruits ramen zijn voorzien van bovenlichten. |
Datering | 1929 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de baksteenverwerking in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege de vrijstaande ligging en situering in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Half vrijstaand woonhuis bestaande uit één bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak met de nok haaks op de straat. Het dak is gedekt met gesmoorde pannen. De gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde tuitgevel met strekken boven de gevelopeningen en staafankers. De voorgevel wordt afgesloten door een kroonlijst. Centraal in de voorgevel bevindt zich de entree. De ramen zijn uitgevoerd met bovenlichten. Aan de linker zijgevel zit een gemetselde aanbouw onder een zadeldak waarvan de voorgevel wordt afgesloten door een bakgoot rustend op geprofileerde gootklossen. Centraal in deze gevel, onder de bakgoot, is een dubbel drieruits raam met drieruits bovenlicht aangebracht. Boven dit venster zit een segmentboog. |
Datering | 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de evenwichtige kwaliteit van het ontwerp in traditionele stijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege de vrijstaande ligging en situering in de rooilijn. Waardevol ensemble met nr. 45 en 49. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een samengesteld dak met steekkappen. Het dak heeft een licht uitgezwenkte kapvoet met een breed overstek met consoles. Het dak is gedekt met rode geglazuurde kruispannen. Het zijdakschild heeft een aangekapte dakkapel. De in rode baksteen gemetselde gevels bezitten in witte strengperssteen uitgevoerde segmentbogen en hoekblokjes. De voor- en rechter zijgevel hebben een centrale risaliet met beschot in de top. Het risaliet in de voorgevel heeft een erker met afgeschuinde zijkanten. De risaliet in de zijgevel bezit de entree. De vensters zijn uitgevoerd met schuiframen. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
De villa heeft belangrijke architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Zeer beeldbepalend door de markante hoofdvorm en vrijstaande ligging. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Samengestelde bouwmassa bestaande uit één en twee bouwlagen met kapverdieping onder een samengesteld dak. Het dak is gedekt met rode geglazuurde kruispannen. Het tentdak is gedekt met rode daktegels. De dakkapellen worden gedekt door een tentdak. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben groen geglazuurde baksteen in de sierbanden, de vensterbanken en de boogvelden. De aanzet- en sluitstenen zijn gepleisterd. De voorgevel heeft links een risaliet die beëindigd wordt door een in- en uitgezwenkte klokgevel. In het boogveld boven het bovenlicht van de balkondeuren staat de naam van de villa: Schothorst. Het risaliet heeft op de begane grond een erker met afgeschuinde zijkanten met een balkon erboven. Het geveldeel rechts van de risaliet heeft een entree in een portiek. De afgeschuinde hoek op de overgang van de voor- naar de rechter zijgevel wordt afgesloten door een hoger opgemetseld volume met een tentdak. De vensters zijn uitgevoerd als schuiframen met bovenlichten. |
Datering | voor 1875 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | De bewoners hebben een foto van ongeveer 1875 met het huis erop. Ook laat de foto voor het huis een bruggetje zien (informatie bewoners augustus 2017). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
De villa heeft belangrijke architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Zeer beeldbepalend door de markante hoofdvorm en vrijstaande ligging. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Gespiegeld, vrijstaand dubbel woonhuis van twee bouwlagen met kapverdieping onder twee schilddaken met steekkappen. Het dak is gedekt met rode Tuile du Nordpannen en is voorzien van pirons. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft in gele baksteen uitgevoerde sierbanden en bogen. De boogvelden zijn gevuld met geometrisch siermetselwerk. In een deel van de gevelafsluiting is een muizentand verwerkt. De voorgevel heeft links en rechts een risaliet die tuitvormig wordt beëindigd met een gegoten sierbekroning. Centraal in de gevel, gescheiden door een getoogde poortdeur, liggen twee entrees met een bovenlicht. De bovenlichten van de schuiframen zijn met een meerruits roedenverdeling uitgevoerd. De gemetselde erfafscheiding bestaat uit een bakstenen voetmuur met dito verdeelposten met stalen buizen ertussen. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Erker op de verdieping is niet oorspronkelijk. |


Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Drielaags kaaspakhuis onder een schilddak met gesmoorde kruispannen. De symmetrisch ingedeelde voorgevel, met een centrale as in de vorm van dubbele pakhuisdeuren, wordt afgesloten door een goot op gootklossen, tussen uitkragende gemetselde penanten. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft decoraties van groen geglazuurde baksteen als plintlijst en vensterbanken. De ramen op de tweede verdieping ter weerszijden van de centrale as hebben diagonaal geplaatste bovendorpels. Het achtererf grenst aan de Oude Rijn. |
Datering | 1917 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm en verschijningsvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een kaaspakhuis. Van belang als object behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij (H), tevens van belang als object behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn.(H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en oriëntatie op de openbare weg beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee bouwlagen met kapverdieping onder een samengesteld dak. De gemetselde voorgevel heeft gepleisterde sierbanden, cordonlijsten, neggeblokjes, sluitstenen in de segmentbogen en hoekblokjes. De voorgevel heeft links een risalerend bouwdeel dat door een trapgevel wordt beëindigd. Het terugliggend bouwdeel rechts hiervan heeft links de entree met een balkon erboven. Alle gevelopeningen zijn voorzien van bovenlichten. |
Datering | 1915 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Het pand is recent gerenoveerd. De kozijnen aan de voorzijde en zijgevel zijn vervangen en teruggebracht naar de oorspronkelijke indeling. Het balkon is voorzien van een nieuw hekwerk meer in stijl van het bouwjaar. De stoep is ontdaan van keramisch tegelwerk en voorzien van natuursteen (informatie bewoners augustus 2017). Het pand is samen met het buurpand (nr. 66) onderdeel geweest van het Andrelon complex (idem informatie bewoners). Daartoe behoorde ook pakhuis Phoenix (Vlijt en Phoenix) aan de Oude Rijn. Shampoofabriek Andrélon (later deel van Unilever geworden) kwam voort uit de kapperszaak die André de Jong in 1932 in Bodegraven stichtte. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant waarbij het risaliet met trapgevelbeëindiging kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege de situering in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Op terugspringende rooilijn gesitueerd vrijstaand hoekpand van twee bouwlagen met kapverdieping onder een samengesteld mansardedak met een steekkap. Het dak is gedekt met gesmoorde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen. Het dakoverstek van de risaliet in de voorgevel heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft groen geglazuurde sierbanden en deuromlijsting en gepleisterde aanzetstenen en hoekblokken. De voorgevel heeft links een terugliggend bouwdeel en rechts hiervan twee risalerende bouwdelen. De rechter risaliet heeft een erker met afgeschuinde hoeken met een balkon erboven. Links van de erker bevindt zich de entree. De vensters zijn bezet met schuiframen. De erfafscheiding is uitgevoerd als bakstenen voetmuur met dito verdeelposten met een ijzeren sierhekwerk er tussen. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Eclectisch met kenmerken van neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Het pand is samen met het buurpand (nr. 66) onderdeel geweest van het Andrelon complex (informatie bewoners nr. 64, augustus 2107). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een eclectische bouwstijl met kenmerken van neorenaissance. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering op de hoek op terugspringende rooilijn zeer beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Begraafplaats |
Beschrijving | Begraafplaats met grindpaden geflankeerd door heggen. De begraafplaats wordt van de openbare weg gescheiden door een sloot. De grafstenen en -zerken dateren uit de jaren 20, 30 en 40 van de 20ste-eeuw. De aula is gemetseld in rode baksteen op een kruisvormige plattegrond en heeft een spits en daken met drie schilden in Maasdekking. Enkele ramen zijn met glas-in-lood bezet. |
Datering | 1924 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | - |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De aanleg van de begraafplaats begon in 1919 als gevolg van een besluit hiertoe van de gemeenteraad van Bodegraven in 1918. In december 1919 was de begraafplaats klaar. Hoewel in eerste instantie was gekozen voor de naam Nieuw Rhodus, werd dit op voorstel van het SDAP-raadslid Van Dijk veranderd in Vredehof. In de kapel zijn twee gedenkstenen aangebracht: een met de datum van de legging van de eerste steen (28 januari 1919) door burgemeester H. le Coultre, de andere met de Bijbeltekst van Romeinen 6 vers 22. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
De hoofdstructuur, orthogonale aanleg van het terrein en grafmonumenten geven een beeld van de funeraire cultuur uit de eerste helft van de 20ste-eeuw. De eenvoudige historische begraafplaats is onlosmakelijk verbonden van de geschiedenis van Bodegraven. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De aula en begraafplaats hebben een bijzondere complexmatige samenhang en vormen een waardevol ensemble. De begraafplaats heeft situationele en historisch landschappelijke waarde vanwege de ligging aan de Noordzijde. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand tweelaags pand met kapverdieping onder een afgewolfd zadeldak. In het voordakschild staat een dakkapel. Het dak is gedekt met gesmoorde kruispannen. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een plint en vensterbanken van groen geglazuurde baksteen. Witte strengperssteen is verwerkt in de sierbanden en de bogen. De lateien zijn uitgevoerd in kunststeen. De voorgevel is een drie traveeën brede lijstgevel die wordt afgesloten door een fries met consoles en een kroonlijst. Links van de entree bevindt zich een risalerend bouwdeel. De vensters zijn bezet met schuiframen. Langs de voorgevel ligt een hardstenen stoep. Het pand staat met de achtergevel aan de Oude Rijn en met de zijgevel aan een vaartje dwars op de Oude Rijn. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Zeer beeldbepalend gesitueerd naast aftakking van Oude Rijn. Vormt tezamen met het bruggetje en het water van de Oude Rijn een waardevol ensemble. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woningen |
Beschrijving | Ensemble van per paar gespiegelde woningen van twee bouwlagen met een plat dak. De gemetselde voorgevels zijn in het midden van de gevel of op de hoeken hoger opgemetseld. De erkers hebben afgeschuinde zijkanten. De gespiegelde entrees worden afgesloten door een luifel. De woningen zijn bereikbaar via een bruggetje over de vaart. |
Datering | 1931 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Zakelijke trant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Dakopbouw van latere datum. Het complex is een pendant van nummer 14a, 16, 18, 20. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woningbouwcomplexje uit 1931, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Vanwege latere dakopbouw van verminderd architectuurhistorisch belang. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering langs vaartje. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand tweelaags pand met deels een plat dak en deels een afgewolfd zadeldak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een hardstenen plint, gepleisterde sierbanden en aanzet- en sluitstenen en een gegoten cordonlijst. De voorgevel is een vier traveeën brede langsgevel. Het linker geveldeel springt iets terug. Links van het midden bevindt zich, achter een hardstenen stoep, de entree met een balkon erboven. De begane grond heeft getoogde bovendorpels. De schuifvensters zijn al dan niet gekoppeld uitgevoerd. De voorgevel wordt afgesloten door een fries met consoles/gootklossen en een geprofileerde bakgoot. Rechts bevindt zich een gemetselde muur met een poortdeur. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Pand maakte onderdeel uit van twee, inmiddels gesloopte, bedrijfspanden. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd. (R/H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woningen |
Beschrijving | Ensemble van per paar gespiegelde woningen van twee bouwlagen met een plat dak. De gemetselde voorgevels zijn in het midden van de gevel hoger opgemetseld. De erkers hebben afgeschuinde zijkanten. De gespiegelde entrees staan onder een luifel. |
Datering | 1929-1931 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Zakelijke trant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Dakopbouw van latere datum. Het complex is een pendant van nr. 7, 8, 9, 10. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woningbouwcomplexje uit 1929-1931, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Vanwege dakopbouw van verminderd architectuurhistorisch belang. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering in straat. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Op een ruime kavel gesitueerd vrijstaand pand, van de openbare weg gescheiden door een sloot, bestaande uit een éénlaags, deels onderkelderd, bouwvolume met kapverdieping onder een zadeldak waarop een steekkap met gelijke nokhoogte aangrijpt. Het dak is gedekt met rode geglazuurde Tuile du Nordpannen. In het voordakschild zit een aangekapte dakkapel. Het dakoverstek heeft windveren. Een hoge gemetselde schoorsteen staat op het linker dakvlak. De gemetselde, wit geschilderde gevels zijn aan de voorzijde voorzien van segmentbogen, sierbanden, een plintlijst en hoekblokken van groen geglazuurde baksteen. De voorgevel heeft links een risaliet met een erker met afgeschuinde zijkanten op de begane grond en een balkon hierboven. De topgevel is voorzien van beschot. Rechts van de risaliet ligt de entree achter een stoep. De schuiframen bezitten bovenlichten die bezet zijn met glas-in-lood. Achter de hoofdmassa staat een bijgebouw onder een zadeldak met eenzelfde verschijningsvorm. Op de dam over de wegsloot staat een gietijzeren hekwerk. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met invloed Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering op de hoek op terugspringende rooilijn zeer beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een samengesteld, afgewolfd schilddak dat gedekt is met rode keramische pannen. Het relatief brede dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben sierbanden, lateien en segmentbogen. De voorgevel heeft links een risaliet met op de begane grond een erker met afgeschuinde zijkanten met een balkon erboven. De gevel is bezet met schuifvensters. Nabij de openbare weg staat een sierhekwerk met gietijzeren posten. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Er is sprake van architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Zeer beeldbepalend gesitueerd vanwege vrijstaande ligging op de hoek. Waardevol historisch ensemble met belendende panden nr. 45, 47. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een samengesteld schilddak met steekkappen. Centraal in het voordakvlak zit een aangekapt lessenaarsdak van de onderstaande risaliet. Het dak is gedekt met rode keramische pannen. Het relatief brede dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben lateien en sierbanden en segmentbogen in een afwijkende kleur baksteen. De voorgevel heeft links, rechts en centraal een risaliet met gekoppelde schuifvensters waarvan de bovenlichten meerruits zijn uitgevoerd. De woningen zijn bereikbaar via bruggetjes over de wegsloot. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Er is sprake van architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd aan wegsloot. Waardevol historisch ensemble met buurpand nr. 40. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuizen |
Beschrijving | Blok van vier gekoppelde woningen, één en twee bouwlagen hoog met kapverdiepingen onder mansarde- en zadeldaken. Het dak is gedekt met overwegend gesmoorde keramische pannen. De voorgevels hebben een hoge plint die uitgevoerd is in rode baksteen. Daarboven zijn de gevels gepleisterd en wit geschilderd. De sierbanden, de penanten, het vlechtwerk in de topgevels en de segmentbogen zijn eveneens uitgevoerd in rode baksteen. De twee centrale voorgevels zijn puntgevels. Ter weerszijden hiervan worden de gevels afgesloten door een borstwering tussen hoger opgemetselde penanten. De voorgevel heeft kunststenen lateien. De buitenste woningen zijn voorzien van een rechthoekige erker op de begane grond, de middelste woningen hebben een erker op de verdieping en op de begane grond een portiek met entrees. De schuiframen hebben meerruits bovenlichten. De balkondeuren zijn uitgevoerd met zij- en meerruits bovenlichten. Op de dam over de wegsloot liggen bruggetjes. Het complex is gesitueerd aan twee haaks op elkaar staande sloten en de Oude Rijn. |
Datering | 1918 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Er is sprake van architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd aan sloot nabij Oude Rijn. Door markante hoofdvorm en situering stedenbouwkundige waarde. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Op een ruim kavel gesitueerd, aan voor - en rechter zijde begrensd door een sloot, vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een afgewolfd zadeldak met de nok haaks op de straat. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde klokgevel die wordt afgesloten door een kroonlijst. De gevels zijn gepleisterd en wit geschilderd. De schuiframen bezitten glas-in-lood bovenlichten. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Rond 1970 is het glas-in-lood in de bovenlichten van de ramen verwijderd en zijn ook nieuwe kozijnen aangebracht. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege vrijstaande ligging situationele waarde. In combinatie met sloot en tuin rondom ensemblewaarde. (R/H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op enige afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een doorlopend, met riet gedekt, zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Rechts van de boerderij staat het zomerhuis met een topgevel en windveren. Links staan de overige bedrijfsgebouwen. De in rode baksteen in kruisverband gemetselde voorgevel is voorzien van een overstek met windveren en een decoratief gesneden sierspant en makelaars. De voorgevel is symmetrisch ingedeeld met schuifvensters. Het complex heeft een fruitboomgaard en wordt omgeven door sloten. Op de dam over de wegsloot staat een giet-, smeedijzeren toegangshek. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels waarbij de decoratieve windveren en het sierspant en de makelaars kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde Hollandse pannen gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De keldervensters in de rechter zijgevel zijn voorzien van diefijzers. Links van het hoofdvolume staat de (vernieuwde) schuur. Rechts staat het zomerhuis . De bakstenen schuur heeft windveren. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel van de boerderij heeft niet de oorspronkelijke schuiframen. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Op de dam over de wegsloot staat een giet-, smeedijzeren toegangshek met de naam van de boerderij: RHYNZIGT. |
Datering | 1864 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm relatief gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Redelijk



Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Op de nok staan twee schoorstenen. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is een gemetselde tuitgevel met een gepleisterde plint en staafankers. De ramen zijn niet oorspronkelijk. In de linker zijgevel bevindt zich een niet oorspronkelijke erker met afgeschuinde zijkanten. Rechts van de boerderij staat een zomerhuis onder een met riet gedekt afgewolfd zadeldak. De vensters zijn bezet met meerruits schuiframen. In de voorgevel bevindt zich rechts van het midden de entree met een bovenlicht dat voorzien is van een ijzeren levensboom. |
Datering | 1853 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm relatief gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis met schuur |
Beschrijving | Vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak met een steekkap aan de voorzijde die aangrijpt op de nok. Het dak is gedekt met gesmoorde kruispannen en voorzien van een piron. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft links een risalerend bouwdeel met een erker met afgeschuinde zijkanten waarboven een balkon met een houten balkonhek is aangebracht. Rechts van het risaliet ligt de entree in een portiek achter een stoep. De voorgevel heeft hardstenen lateien en in gele baksteen uitgevoerd metselwerk dat verwerkt is in de bogen, hoekstenen en in de sierbanden. Vensters zijn uitgevoerd met schuiframen. Rechts van het woonhuis staat de gemetselde schuur onder een zadeldak dat eveneens is gedekt met gesmoorde kruispannen. In de topgevel bevindt zich een ijzeren roosvenster. Op de dam over de wegsloot staat een betonnen, wit geschilderde brug met het opschrift: 1934. |
Datering | 1919 (woonhuis), 1934 (brug) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Op de windveren van de steekkap is het opschrift Carpe Diem aangebracht. Latijn voor: pluk de dag. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Het woonhuis met de bijbehorende schuur en brug heeft cultuurhistorische waarde als complexonderdeel van de boerderij. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel van het woonhuis en het ontwerp van de brug. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van situationele waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het woonhuis met de schuur en de brug hebben landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde Hollandse pannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, sierankers en getoogde strekken boven de T-vensters met getoogde bovenlichten van de begane grond. Centraal in de topgevel bevindt zich een engelenvenster met een bovenlicht in de vorm van een ezelsrugboog. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers en luiken. Tegen de linker zijgevel is een boenhok aangebouwd. Rechts van de boerderij staan een hooiberg en een gemetselde schuur onder een zadeldak met een ijzeren roosvenster in de topgevel. |
Datering | 1896 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Op de windveren was eerder het opschrift Vredebest aangebracht. In de rechter zijgevel zit een stichtingssteen met een, vanaf de openbare weg niet leesbaar, opschrift. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij vooral het engelenvenster in de topgevel kenmerkend is. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt (woonhuis) en een met gesmoorde kruispannen gedekt (stalgedeelte) zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft sierlijk gesneden windveren, een sierspant en makelaars. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft sierankers en strekken boven de gevelopeningen van de begane grond. De plint en de gevelhoeken zijn gepleisterd. De vensters bezitten niet oorspronkelijke ramen met een bovenlicht. In de top bevindt zich een engelenvenster. De rechter zijgevel heeft, nabij de hoek met de voorgevel een stichtingssteen met het opschrift 1874. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers. |
Datering | 1874 (woonhuis), circa 1900 (stalgedeelte) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Waarder. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft sierlijk gesneden windveren, een sierspant en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, een profiellijst onder de onderdorpels van de vensters van de begane grond en getoogde strekken boven de gevelopeningen die uitgevoerd zijn in gele baksteen. De sierbanden zijn uitgevoerd in kalkzandsteen. De boogvelden zijn gevuld met bricorna-steen. De vensters zijn bezet met T-ramen. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Tegen de linker zijgevel is een boenhok aangebouwd. Achter het stalgedeelte staan een schuur en een hooiberg. Op de dam over de wegsloot staat een houten dubbel openslaand spijlenhekwerk. |
Datering | 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met Verbeterde Hollandse dakpannen (na renovatie). Beide dakschilden hebben niet oorspronkelijke dakkapellen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en gootklossen. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, staafankers en rondbogen en sierbanden die zijn uitgevoerd in gele baksteen en kalkzandsteen. De boogvelden zijn gevuld met bricorna-steen. De vensterdorpels zijn groen geglazuurd. De ramen zijn voorzien van bovenlichten. De keldervensters bezitten diefijzers. De stalvensters zijn vernieuwd. In de linker zijgevel ligt de entree, eveneens voorzien van een bovenlicht. Deze linker zijgevel heeft een stichtingssteen die het bouwjaar 1913 vermeldt. |
Datering | 1913 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen. De dakkapel is niet oorspronkelijk. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint en sierbanden en rondbogen boven de vensters die zijn uitgevoerd in gele baksteen en kalkzandsteen. De boogvelden zijn met bricorna-steen gevuld. De vensters bezitten T-ramen waarvan de bovenlichten bezet zijn met glas-in-lood. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Rechts van de boerderij staat een gemetseld zomerhuis onder een zadeldak dat via een gemetseld tussenlid met de hoofdmassa is verbonden. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak. De gevels van beide objecten zijn gedecoreerd met sierbanden en in beide topgevels is een roosvenster aangebracht. |
Datering | 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Op de windveren is het opschrift Hora Pint aangebracht. In de linker zijgevel is een stichtingssteen aanwezig met een, vanaf de openbare weg niet leesbaar, opschrift. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in gele handvormsteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel met in rode baksteen uitgevoerde strekken boven de vensters, sierankers en een gevelafsluiting in de vorm van een kroonlijst. Centraal in de voorgevel ligt de entree met een bovenlicht. De entree is gevat in een houten omlijsting met pilasters, kroonlijst en consoles. Het fries boven de deur draagt het opschrift Asturie. De ramen zijn uitgevoerd met bovenlichten. Het stalgedeelte heeft niet oorspronkelijke stalvensters. |
Datering | 1867 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Oud Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen. Het dakoverstek heeft windveren, een sierspant en een makelaar. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint en in gele en oranje rode baksteen uitgevoerde sierbanden, neggeblokken en, van gepleisterde aanzet- en sluitstenen voorziene, segment- en rondbogen. De boogvelden zijn gevuld met bricorna-steen. Centraal in de voorgevel ligt de entree met een smeedijzeren rooster en een bovenlicht in een portiek. De schuiframen zijn uitgevoerd met meerruits bovenlichten. In de top zit een gekoppeld rondboogvenster. Het gevelvlak ter weerszijden van deze rondboogvensters heeft twee gevelstenen met het opschrift Anno en 1909. De keldervensters bezitten diefijzers. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. |
Datering | 1909 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | In de linker zijgevel van het woonhuis is een stichtingssteen aangebracht die de naam van de boerderij aangeeft: Sophiahoeve |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft belangrijke architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in neorenaissancetrant. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Oud Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde Verbeterde Hollandse pannen gedekt zadeldak met wolfseind aan de voorzijde. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in gele handvormsteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel met in rode baksteen uitgevoerde strekken boven de vensters, sierankers en een gevelafsluiting in de vorm van een kroonlijst. Centraal in de voorgevel ligt de entree met een smeedijzeren rooster en een bovenlicht. De ramen zijn eveneens uitgevoerd met bovenlichten. Het stalgedeelte heeft stalvensters. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1877 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De rechter zijgevel heeft een stichtingssteen met een, vanaf de openbare weg niet leesbaar, opschrift. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Oud Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | In de rooilijn van de straat en vrijstaand gelegen éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met aan een zijde rode Tuile du Nordpannen en aan de andere zijde met latere blauwe pannen. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel die door een kroonlijst wordt beëindigd. De voorgevel heeft sierankers, de zijgevel staafankers. De voorgevel heeft in gele strengperssteen uitgevoerde segmentbogen boven de gevelopeningen. Op de verdieping zit een vierruits venster. De begane grond heeft éénruits ramen met bovenlichten. Rechts in de gevel bevindt zich de entree met eveneens een bovenlicht. |
Datering | 1872 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege ligging in de rooilijn enige situationele waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. In het linker dakschild staat een dakkapel. Het dakoverstek heeft decoratief gesneden windveren, makelaars en een sierspant. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen in kruisverband. Gepleisterde sierbanden zetten zich over de bovendorpels van de vensters voort. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Het zomerhuis met een zadeldak en een roosvenster in de topgevel is door middel van niet oorspronkelijk tussenlid met de hoofdmassa verbonden. |
Datering | 1885 (informatie bewoners augustus 2017) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij vooral de rijk gesneden windveren, sierspant en makelaar kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak dat gedekt is met geglazuurde Tuile du Nordpannen. De nok is evenwijdig aan de straat. De kopgevels hebben overstekken met windveren en een sierspant in de top. Nabij de nok staat een gemetselde schoorsteen met siermetselwerk. De symmetrisch ingedeelde, in rode baksteen gemetselde, voorgevel is een langsgevel met een centrale risaliet die in de vorm van een Vlaamse gevel met hoger opgemetselde hoekelementen en windveren in het voordakschild eindigt. Centraal in de risaliet bevindt zich de entree. Sierbanden en segmentbogen zijn uitgevoerd in gele strengperssteen. Boogvelden zijn gevuld met geometrisch uitgevoerd siermetselwerk. |
Datering | 1909 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Stichtingssteen links naast de voordeur. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp waarbij de symmetrisch ingedeelde voorgevel met risaliet en Vlaamse gevel en het siermetselwerk kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering aan de weg. (R)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen, heeft vlechtingen in de topgevel en is bezet met vier schuiframen op de begane grond. Centraal in de topgevel bevindt zich een engelenvenster met een rondboog bovenlicht en zijlichten met kruisvormige roedenverdeling. Achter de boerderij staat een hooiberg. Over de wegsloot ligt een betonnen dam. |
Datering | 1884 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij vooral het engelenvenster in de topgevel kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde voorgevel heeft vlechtingen in de topgevel en geprofileerde rollagen. De gevel is bezet met schuifvensters. Over de wegsloot ligt een betonnen dam. |
Datering | 1860 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een met gesmoorde pannen gedekt zadeldak met de nok haaks op de weg. Op het zijdakschild staat een forse, niet oorspronkelijke dakkapel. De kopgevel heeft een overstek met windveren en een makelaar. De gemetselde voorgevel is een puntgevel met sierbanden en gepleisterde lateien boven de vensters. De vensters zijn bezet met schuiframen. In de topgevel bevindt zich een venster met zijlichten. Over de wegsloot ligt een betonnen dam. |
Datering | 1924 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van gering architectuurhistorisch belang. (L)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering aan de weg en vaart. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde voorgevel is symmetrisch ingedeeld met vierruits schuiframen met tweeruits bovenlichten. Het stalgedeelte heeft stalvensters. In de rechter zijgevel ligt de entree. |
Datering | 1897 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg en de vaart. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij bestaande uit twee afzonderlijke, in elkaars verlengde gelegen volumes onder zadeldaken die gedekt zijn met gesmoorde Hollandse pannen. De nokrichting ligt haaks op de straat. In het voorste bouwvolume is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, in het achterste volume de stal. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde ingezwenkte lijstgevel met een kroonlijst. Boven de gevelopeningen zitten strekken. De vensters zijn bezet met T-ramen. De keldervensters zijn bezet met luiken. De staldeuren bezitten bovenlichten. |
Datering | 1904 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van een afgeleide representant van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft segment- en rondbogen die zijn uitgevoerd in een rodere baksteen. De boogvelden zijn gevuld met geometrisch siermetselwerk in rode en gele baksteen. Het dakoverstek heeft gesneden windveren en een makelaar. De T-ramen bezitten glas-in-lood bovenlichten en zijn in de zijgevel voorzien van luiken. In de topgevel van de voorgevel bevindt zich een engelenvenster met een keperboogvormig bovenlicht. In de rechter zijgevel ligt de entree met een bovenlicht. De keldervensters bezitten luiken. Het stalgedeelte heeft niet oorspronkelijke stalvensters. Tegen de linker zijgevel is een boenhok aangebouwd. Achter de boerderij staat een voormalige hooiberg. Op de dam over de wegsloot staat een ijzeren sierhekwerk. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | In de rechter zijgevel bevindt zich een stichtingssteen met het jaartal 1907. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij het decoratieve metselwerk in de boogvelden en de gesneden windveren en makelaar kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Winkelwoonhuizen |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellende bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak. De voorgevel is een tweelaags opgetrokken lijstgevel. De gemetselde voorgevel heeft wit gepleisterde sierbanden en dito aanzet- en sluitstenen in de strekken boven de gevelopeningen. De gevel wordt door een kroonlijst afgesloten. De vensters zijn bezet met schuiframen. Centraal in de gevel bevindt zich een etalagevenster dat geflankeerd wordt door een entree en afgesloten wordt door een kroonlijst. |
Datering | 1880 (winkelpui circa 1910) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de 19de- en 20ste-eeuwse ontwikkeling van het stadscentrum met winkelwoonhuizen langs de belangrijkste straten. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de straat nabij kerk. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een drieschilddak dat gedekt is met gesmoorde Hollandse pannen. Op het voordakvlak staat een niet oorspronkelijke dakkapel. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft sierbanden, bogen, een fries en boogvelden die uitgevoerd zijn in gele en rode strengperssteen. De voorgevel heeft links een risalerend bouwdeel met een entree dat afgesloten wordt door een opengewerkte borstwering met hoger opgemetselde hoekpilasters. Het terugspringende rechter geveldeel wordt afgesloten door een gemetseld fries met een bakgoot en consoles. De schuiframen bezitten meerruits, met glas-in-lood bezette, bovenlichten. |
Datering | 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Waardevol vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant waarbij vooral het toegepaste siermetselwerk kenmerkend is. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn op hoek. Het historisch-stedenbouwkundige belang van het pand is duidelijk zichtbaar in combinatie met de gerealiseerde nieuwbouw links. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ruim opgezet woonhuis bestaande uit twee bouwlagen met kapverdieping onder een pannengedekt drieschilddak met een piron. Op het voordakschild staat een dakkapel met een tentdak met maasdekking. De voorgevel heeft rechts een risalerend bouwdeel met een tuitgevel. De geveldetaillering bestaat uit decoratief metselwerk zoals sierbanden, ontlastingsbogen, en rollagen uitgevoerd in oranje verblendsteen. In het fries en in de blindnis centraal in de topgevel is de verblendsteen decoratief verwerkt. De natuurstenen lateien zijn gedecoreerd met een horizontale belijning. Het terugliggende geveldeel links van de risaliet wordt afgesloten door een kroonlijst met sierlijk gesneden consoles/sierklossen. De ramen zijn voorzien van bovenlichten die met glas-in-lood zijn bezet. De entree ligt in de risaliet in een portiek en heeft eveneens een bovenlicht met glas-in-lood. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Het huis hoorde bij het R.K complex waartoe ook de naburige kerk behoorde en een inmiddels afgebroken zusterhuis en een school. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Maakt ruimtelijk gezien deel uit van het nabijgelegen historisch ensemble neogotische kerkcomplex. (R/H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een schilddak dat gedekt is met gesmoorde pannen. De nok ligt evenwijdig aan de straat. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde lijstgevel met een gepleisterde borstwering, een cordonlijst en een kroonlijst. Boven de gevelopeningen zitten strekken. Centraal in de gevel bevindt zich de entree in een omlijsting van pilasters en een kroonlijst. De schuifvensters bezitten persiennes. Langs de voorgevel ligt een (vernieuwde) hardstenen stoep. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met neoclassicistische kernmerken |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Waardevol vanwege de karakteristieke verschijningsvorm waarbij de klassieke kenmerken van de voorgevel kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn op hoek. Vormt tezamen met de buurpanden ter linkerzijde, waar ook de molen deel van uitmaakt, een waardevol ensemble. Aan de rechterzijde is het zicht op de Oude Rijn en het voormalige kaaspakhuis waardevol. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Gekoppelde éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder mansardedaken met de nok haaks op de straat. De in rode baksteen gemetselde voorgevels zijn ingezwenkte lijstgevels. Getoogde strekken met gepleisterde sluitstenen bevinden zich boven de gevelopeningen. De gevel is bezet met sierankers. Rechts in de voorgevel bevindt zich de entree. De entree van nr. 42 ligt in een portiek. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | L/R |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | Zijgevels niet oorspronkelijk. Forse dakkapellen op dakschilden. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Nr. 42 heeft enige waarde vanwege het relatief oorspronkelijke karakter van de voorgevel waarbij vooral de forse kroonlijst kenmerkend is. De sterk in het oog vallende gewijzigde zijgevel aan de Molenkade doet afbreuk aan de architectonische waarde. (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn op hoek. In combinatie met de molen aan de overzijde ensemblewaarde. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een met gesmoorde keramische pannen gedekt zadeldak met de nok evenwijdig aan de straat. Het dakoverstek heeft gesneden windveren. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde lijstgevel die in de middenas doorbroken wordt door een centrale risaliet met Vlaamse Gevel, gedekt door een zadeldak. De gemetselde gevel heeft sierankers en getoogde strekken boven de vensters. De entree ligt in de risaliet en heeft een omlijsting van pilasters en een luifel. Boven de entree is een dubbel openslaand raam met keperboogvormig bovenlicht aangebracht. |
Datering | 1898 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel waarbij de verschijningsvorm van de centrale risaliet kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaard
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn op hoek. In combinatie met de molen aan de overzijde waardevol ensemblewaarde. (R/H)
Waardering: Hoog


Typologie | Postkantoor met woonhuis |
Beschrijving | Op de hoek van de Willemsstraat en Prins Hendrikstraat gelegen tweelaags volume onder een samengesteld afgeplat dak. De bakgoten rusten op gootklossen. De gevels zijn gemetseld in rode baksteen in kruisverband. De sierbanden en ontlastingsbogen zijn uitgevoerd in rode verblendsteen. De afgeschuinde hoek heeft een puntgevel. De voorgevel met het risaliet wordt afgesloten door een bakstenen opbouw met een borstwering. Links van de risaliet bevindt zich de entreepartij in een diep portiek. Een ijzeren traliewerk is toegepast boven de toegangsdeuren en een ijzeren balkonhekje met vlaggenstokhouder is aanwezig op de afgeschuinde hoek. Boven de portiekentree is een gevelsteen aangebracht met het opschrift Post & Telegraafkantoor. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor de herinnering aan de oorspronkelijke functie van postkantoor met woonhuis. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door markante hoofdvorm en situering op kruispunt beeldbepalend voor zijn omgeving. (H)
Waardering: Redelijk



Typologie | Winkels en woonhuizen |
Beschrijving | In de rooilijn van de straat gebouwde vrijstaande en aaneengebouwde tweelaags volumes onder grotendeels platte daken. De in rode baksteen gemetselde gevels bezitten decoratieve motieven in de vorm van sierbanden, ontlastingsbogen, boogvelden en aanzet- en sluitstenen. De sierbanden en de ontlastingsbogen zijn uitgevoerd in rode verblendsteen. De bakgoten rusten op gootklossen. |
Datering | 1908-1913 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enige beeldbepalende waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | In de rooilijn van de straat gebouwd vrijstaand woonhuis van twee bouwlagen onder een plat dak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft decoraties in de vorm van sierbanden, lateien, hoger opgemetselde hoekelementen en een bakgoot met sierklossen. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enige beeldbepalende waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Kaaswinkel met woonhuis |
Beschrijving | In de rooilijn van de straat gebouwd, aan een zijde vrijstand, tweelaags bouwvolume onder een schilddak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft decoraties in de vorm van sierbanden, aanzet- en sluitstenen, boogvelden met siermetselwerk en een bakgoot met sierklossen. Rechts in de voorgevel bevindt zich de toegang tot het woonhuis. Links van het midden zit een dubbele deur naar de voormalige winkel. |
Datering | 1913 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de 20ste-eeuwse ontwikkeling van het stadscentrum met winkels en woonhuizen. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enige beeldbepalende waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuizen |
Beschrijving | In de rooilijn van de straat gebouwde tweelaags bouwvolumes onder platte daken. De hoek is afgeschuind en wordt afgesloten door een opengewerkte bakstenen borstwering. De in rode baksteen gemetselde voorgevels zijn voorzien van in gele verblendsteen uitgevoerde elementen zoals sierbanden, boogvelden en consoles. De bakgoot rust op sierklossen. De gevels zijn bezet met enkele deels niet oorspronkelijke schuiframen. De voordeuren bezitten boven- en zijlichten. |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L/R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enige beeldbepalende waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk



Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | In de rooilijn van de straat en aan een zijde vrijstaand tweelaags bouwvolume. Links van het pand ligt een zijtuin met een ijzeren sierhekwerk als erfafscheiding. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is voorzien van in gele verblendsteen uitgevoerde elementen zoals sierbanden, ontlastingsbogen en boogvelden. Dezelfde baksteen is verwerkt in het decoratieve fries in de gevelafsluiting. De bakgoot rust op sierklossen. Links in de voorgevel ligt de entree in de vorm van een paneeldeur met een bovenlicht. De vensters zijn bezet met schuiframen. |
Datering | 1915 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een aan de neorenaissance verwante bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Van enige beeldbepalende waarde in de straat. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis, bedrijfspand |
Beschrijving | Ensemble van gekoppelde panden van één bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken met de nok evenwijdig aan de straat. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een langsgevel met lateien boven de vensters en segmentbogen en sierbanden die in gele baksteen zijn uitgevoerd. De gevel is bezet met sierankers. De gevelafsluiting wordt gevormd door een bakgoot met geprofileerde gootklossen. De bakgoot wordt op regelmatige afstanden doorsneden door hoger opgemetselde penanten. De entrees liggen in portieken. |
Datering | 1913-1915 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Ensemblewaarde met overige vroeg 20ste-eeuwse bebouwing in de straat. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ensemble van gekoppelde panden van één bouwlaag met, elk afzonderlijk, een kapverdieping met mansardedaken die gedekt zijn met gesmoorde Tuile du Nordpannen. De voorgevel is een tweelaags langsgevel die wordt afgesloten door een uitkragende, door sierklossen onderkraagde, bakgoot die wordt doorsneden door vier hoger opgemetselde postamenten. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft decoratief gemetselde rollagen boven de gevelopeningen en rollagen als horizontale sierbanden over de gevel. De ramen zijn uitgevoerd met bovenlichten. De entrees zijn voorzien van zij- en bovenlichten. |
Datering | 1927 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L/R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Ensemblewaarde met overige vroeg 20ste-eeuwse bebouwing in de straat. (R)
Waardering: Redelijk


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Ensemble van per paar gekoppelde panden van één bouwlaag met kapverdieping onder per paar gekoppelde mansardedak en zadeldak met de nok haaks op de straat. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft lateien en in gekleurde baksteen uitgevoerde sierbanden, segmentbogen en keperbogen. In de sierbanden is bricorna-steen verwerkt. De ramen, op de verdieping gekoppeld, zijn uitgevoerd met bovenlichten. De gekoppelde entrees, voorzien van bovenlichten, liggen centraal in de voorgevel. |
Datering | 1912-1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met neorenaissancekenmerken |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Ensemblewaarde met overige vroeg 20ste-eeuwse bebouwing in de straat. (R)
Waardering: Redelijk



Typologie | Arbeiderswoningbouwcomplex |
Beschrijving | Complex voormalige arbeiderswoningen bestaande uit drie blokken die verspringend in de rooilijn zijn gebouwd. De woningen, met voortuintjes, bestaan uit een bouwlaag en kapverdieping onder met gesmoorde Verbeterde Hollandse pannen gedekte mansardedaken met steekkappen. De gekoppelde dakkapellen zijn betimmerd met beschot. De gevels zijn symmetrisch ingedeeld. De in rode baksteen opgetrokken gevels zijn versierd met metselwerkpatronen. De bakgoot heeft een sierlijst. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met enige invloed van de Amsterdamse School |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Als voorbeeld van een sociaal woningbouwcomplex uit de jaren 20 illustratief voor de ontwikkeling van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele stijl met Amsterdamse Schoolinvloed. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de straat en van enig historisch stedenbouwkundige waarde vanwege de verspringende situering van de blokken in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk







Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis, door een smalle doorgang gescheiden van de buurpanden. Het pand is opgetrokken in één bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een langsgevel die wordt afgesloten door een uitkragende bakgoot die links en rechts wordt beëindigd door hoger opgemetselde postamenten. De voorgevel heeft decoratief gemetselde rollagen boven de gevelopeningen en rollagen als horizontale sierbanden over de gevel. De ramen zijn uitgevoerd met bovenlichten. Rechts in de gevel bevindt zich de entree met boven- en zijlichten. |
Datering | Circa 1929 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L/R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Ensemblewaarde met overige vroeg 20ste-eeuwse bebouwing in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand dubbel woonhuis van één bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een tweelaags lijstgevel die wordt afgesloten door een gemetseld fries met geprofileerde consoles en een uitkragende bakgoot. De in rode baksteen gemetselde symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft sierbanden en decoratief gemetselde lijsten rondom de bovenlichten en in het fries van de gevelafsluiting. De ramen zijn uitgevoerd met, deels oorspronkelijke, bovenlichten. Centraal in de gevel bevindt zich de gekoppelde entree met bovenlichten in een portiek. |
Datering | 1915 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Ensemblewaarde met overige vroeg 20ste-eeuwse bebouwing in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee vrijstaande gekoppelde panden van één bouwlaag met kapverdieping onder een gekoppeld mansardedak met de nok haaks op de straat. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft in gekleurde baksteen uitgevoerde sierbanden en segmentbogen. Centraal in de gevel, in een portiek, zijn de gekoppelde entrees aangebracht met een bovenlicht. De vensters zijn bezet met schuiframen die op de verdieping voorzien zijn van zijlichten. |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met neorenaissancekenmerken |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Ensemblewaarde met overige vroeg 20ste-eeuwse bebouwing in de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Op de hoek met de Kerkweg en nabij de brug over de Oude Rijn gelegen hoekpand bestaande uit een bouwlaag met een kapverdieping onder een afgewolfd zadeldak dat gedekt is met gesmoorde pannen. De nok ligt haaks op de kade. De achtergevel is niet oorspronkelijk gepleisterd en wit geschilderd. De in rode baksteen gemetselde gevels langs de Kerkweg en de voorgevel zijn voorzien van strekken boven de gevelopeningen. De gevels hebben staafankers. De voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel die door een kroonlijst wordt afgesloten. GLinks in de gevel bevindt zich de entree naar de verdieping. Rechts van het midden zit de winkelentree. Beide entrees zijn voorzien van een bovenlicht. De vensters bezitten niet oorspronkelijke ramen. De zijgevel heeft twee blindnissen en vier ramen met een bovenlicht. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voormalige grutterswinkel. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Belangrijke stedenbouwkundige waarde vanwege de ligging op de hoek. Beeldbepalend gesitueerd aan de kade, de Oude Rijn en de brug. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woningbouwcomplex |
Beschrijving | Sociaal woningbouwcomplex van per paar gekoppelde woonhuizen van een bouwlaag met kapverdieping onder zadeldaken met verlengde dakschilden aan de achterzijde. De daken zijn gedekt met rode Tuile du Nordpannen en hebben de nokrichting evenwijdig aan de straat en de Breevaart. In het voordakschild staat per woning een dakkapel. Het dakoverstek van de kopgevels is voorzien van windveren. De in rode baksteen gemetselde gevels zijn versierd met rollagen die zich boven het trasraam en ter weerszijden van de bovendorpels in horizontale richting over de gevel uitstrekken. Boven de gevelopeningen zijn meersteens rollagen aangebracht met deels uitgemetselde koppen. De voorgevels worden afgesloten door een bakgoot met gootklossen. De entrees zijn voorzien van een bovenlicht en liggen in de kopgevels. De vensters zijn bezet met ramen die eveneens voorzien zijn van bovenlichten. |
Datering | 1920 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | In de jaren negentig van de 20ste eeuw zijn de woningen gerenoveerd. In 2003 is het funderingsherstel afgerond. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een sociaal woningbouwcomplexje uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. Van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van Reeuwijk-Brug. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met sobere baksteenornamentiek. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde: Beeldbepalend gesitueerd langs de openbare weg en langs de Breevaart. Als complex is sprake van belangrijke ensemblewerking. (H)
Waardering: Hoog







Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde Tuile du Nordpannen. De dakkapellen zijn niet oorspronkelijk. Het dakoverstek heeft niet oorspronkelijke windveren en een makelaar. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint en strekken boven de vensters. De schuiframen zijn uitgevoerd met luiken en glas-in-lood bezette bovenlichten. In de topgevel zit een engelenvenster met een rondboog bovenlicht. Het stalgedeelte heeft ijzeren segmentgebogen stalvensters. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok aangebouwd. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Randenburg. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Sluis |
Beschrijving | Grotendeels vernieuwde sluis met automatisch bediening. De kademuren onder de brug zijn oorspronkelijk. Bruggenhoofden zijn uitgevoerd in beton. De doorvaartdeuren, waaronder een derde incidenteel te openen deur, bevinden zich onder het vaste bruggedeelte. |
Datering | 1895 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
De sluis heeft cultuurhistorische en civieltechnisch-historische waarden als waterstaatkundig en infrastructureel element over de Oude Rijn. De sluis is van groot belang als onderdeel van een belangrijke vaarroute. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De sluis heeft belangrijke situationele waarde vanwege de beeldbepalende ligging over de Oude Rijn. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak met de nokrichting haaks op de Rijnkade. Het dak is gedekt met rode Tuile du Nordpannen. De gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een centrale as met vernieuwde ramen en deuren met bovenlichten. De lateien zijn uitgevoerd in beton. |
Datering | 1933 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Het kaaspakhuis is verbouwd tot woning. Het opschrift boven de begane grond luidt nu: Het Oude Kaashuijs, dat was voorheen: S. Cobel. [..] Kaashandel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L/R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit de jaren dertig van de 20ste eeuw. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij en als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van gering architectuurhistorisch belang. (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en situering aan de Rijnkade. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis/pakhuis |
Beschrijving | Twee gespiegelde panden van twee bouwlagen met kapverdieping onder een samengesteld dak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft centraal in de gevel een gekoppelde entree en op de verdieping twee erkers met afgeschuinde zijkanten. |
Datering | 1928 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit:
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woonhuis met pakhuis uit de jaren twintig van de 20ste eeuw en als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (R)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd aan Oude Rijn. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Pakhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting haaks op de Rijnkade. Het dakoverstek heeft windveren. De gepleisterde en wit geschilderde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een centrale as met pakhuisdeuren. Boven de gevelopeningen zijn segment- en rondbogen in rode baksteen aangebracht. In de boogvelden zijn (originele?) tegeltableaus’s met vogels aangebracht. |
Datering | 1903 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een pakhuis uit 1903 en als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van gering architectuurhistorisch belang. (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en situering aan de Rijnkade. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Schuur / turfschuur |
Beschrijving | Achter het gemeentelijk monument aan ’s-Gravenbroeksweg 8 aan het water staande turfschuur. De schuur is opgetrokken uit gepotdekselde houten delen en heeft een met pannen gedekt dak. In de schuur werden turven opgeslagen. Zowel de voor- als de achtergevel is voorzien van een windveer, de voorgevel daarnaast van een makelaar. Aan de rechterzijgevel is een privaat aangebouwd. |
Datering | 1870 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | L |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | In de schuur is in de jaren ’50 van de 20ste eeuw een kleine vakantiewoning gemaakt, waarvoor de voorgevel sterk is aangepast. Ook de in de zijgevels zijn de meeste gevelopeningen niet oorspronkelijk; de deuren In de achtergevel zijn dat gedeeltelijk wel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Lokaal belangrijke cultuurhistorische waarde als object(en) behorend bij het thema vervening. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de samenhang met het gemeentelijk monument aan nr. 8 en daarmee met het grotere geheel van het bebouwingslint aan de Dorpsweg. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Arbeiderswoning |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis van één bouwlaag met kapverdieping onder een met rode Tuile du Nordpannen gedekt zadeldak met een aankapping aan de achterzijde. Het dakoverstek heeft windveren en een decoratief gesneden makelaar. Centraal in het voordakvlak zit een dakkapel. De gepleisterde en wit geschilderde voorgevel heeft een symmetrische gevelindeling met centraal in de gevel de entree met een bovenlicht en, ter weerszijden, een venster in de vorm van gekoppelde éénruits ramen met bovenlichten en luiken. De voorgevel wordt afgesloten door een bakgoot die ter plaatse van de dakkapel is onderbroken. Het kavel wordt door waterpartijen omgeven. |
Datering | 1840 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een arbeiderswoning uit de eerste helft van de 19de eeuw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van het bebouwingslint. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de indeling van de gevels. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd aan de weg en het water. Belangrijke landschappelijke en ensemblewaarde met het omringende landschap. Het totaalbeeld heeft een schilderachtig karakter. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Direct aan de openbare weg staande langgerekte bouwmassa van één bouwlaag met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde pannen. De nok ligt haaks op de straat. De dakschilden zijn bezet met niet oorspronkelijke dakkapellen. De gevels zijn gepleisterd en wit geschilderd. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde ingezwenkte lijstgevel met niet oorspronkelijke ramen. De indeling van de zijgevels is evenmin oorspronkelijk. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | L |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: L
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van het bebouwingslint. (R)
architectuurhistorische waarde:
Geringe waarde vanwege de vele wijzigingen in de gevels. (L)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het pand is beeldbepalend gesitueerd aan de openbare weg. Ensemblewaarde met achterstaande kerk. (R)
Waardering: Redelijk



Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Modernistische witgepleisterde villa, bestaand uit gekoppelde rechthoekige volumes van een en twee bouwlagen die plat zijn gedekt. Het eenlaags volume dat naar de weg gekeerd is, heeft een halfronde uitbouw met bovenin een eveneens halfronde vensterpartij. |
Datering | 1937 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Modernisme |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een villa in Modernistische trant, karakteristiek voor de 20ste-eeuwse ontwikkeling van Sluipwijk. (H)
architectuurhistorische waarde:
Er is sprake van architectuurhistorische waarde vanwege de bijzondere ontwerpkwaliteit van het pand. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij de openbare weg. De villa is gesitueerd in een ruime tuin en heeft ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van het dorpslint van Sluipwijk. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | In de bocht van de Schinkeldijk gelegen boerderij op T-vormige plattegrond waarbij het woonhuis en de stal haaks op elkaar zijn gebouwd (krukhuistype). Het stalgebouw staat evenwijdig aan de dijk. Het woonhuis en het stalgebouw worden afgesloten door haaks op elkaar staande zadeldaken die gedekt zijn met gesmoorde Friese pannen. De in rode baksteen gemetselde gevels van het woonhuis hebben een gepleisterde plint en in oranje en gele baksteen uitgevoerde strekken, bogen en een profiellijst. Het dakoverstek van de voorgevel heeft windveren, een sierspant en een makelaar. Centraal in de voorgevel zit de van een bovenlicht voorziene entree achter een stoep. De vensters zijn bezet met schuiframen. Centraal in de topgevel zit een gekoppeld meerruits raam. Het stalgedeelte heeft een gepleisterde plint. Deze gevel is geleed door lisenen. De stalvensters zijn rechthoekig uitgevoerd. Rechts van het stalgebouw staat een hooiberg. |
Datering | 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het krukhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in de bocht van de Schinkeldijk. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Tempel. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuizen |
Beschrijving | Ensemble van twee paar gespiegelde woonhuizen, door een smalle doorgang van elkaar gescheiden. Nummer 8 heeft een afgeschuinde hoek als markering van de straathoek. De tweelaags bouwmassa heeft een plat dak. De gemetselde gevels hebben rollagen en sierbanden van rode baksteen. De gevels worden afgesloten door een bakgoot die op de hoeken geflankeerd wordt door hoger opgemetselde gevels. De gevelindeling is symmetrisch met entrees in portieken. De schuiframen, deels gekoppeld, zijn voorzien van bovenlichten. |
Datering | 1921, 1930 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een woningbouwcomplexje uit de eerste helft van de 20ste eeuw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditionele, zakelijke bouwstijl. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs spoor. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Gespiegeld woonhuis van één bouwlaag met kapverdieping onder zadel- en mansardedaken met de nok haaks op de straat. De gemetselde voorgevel is een symmetrisch ingedeelde, ingezwenkte lijstgevel met segmentbogen met gepleisterde aanzet- en sluitstenen. De gevelafsluiting is een geprofileerde kroonlijst. De zijgevels zijn bezet met staafankers. De vensters zijn bezet met schuiframen, deels T-vensters. Centraal in de gevel ligt de gekoppelde entree met een bovenlicht. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De panden hebben beeldbepalende waarde vanwege de vrijstaande ligging en de situering in de rooilijn. (R/H)
Waardering: Hoog

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Dubbel woonhuis van één bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De gemetselde voorgevel is een tweelaags opgemetselde lijstgevel. De gevel heeft sierbanden en segmentbogen met gepleisterde aanzet- en sluitstenen en neggenblokjes. De boogvelden zijn gedecoreerd met siermetselwerk. De gevelafsluiting wordt gevormd door een kroonlijst in de vorm van een fries met sierklossen en een uitkragende bakgoot. De ramen zijn uitgevoerd met bovenlichten. De entrees met bovenlichten liggen in portieken. |
Datering | Circa 1900 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het pand heeft architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De panden hebben beeldbepalende waarde vanwege de vrijstaande ligging en de situering in de rooilijn. De panden liggen in de zichtlijn van de haaks op de Spoorstraat staande straat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Dubbel woonhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een deels plat dak en deels een zadeldak met wolfseind dat gedekt is met rode Tuile du Nordpannen. Het brede dakoverstek heeft windveren. In het zijdakschild zit een aangekapte dakkapel. De gepleisterde en wit geschilderde gevel heeft een plint in rode baksteen en sierbanden en bogen die uitgevoerd zijn in rode strengperssteen. De topgevel is betimmerd met staand beschot. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een centrale risaliet met een gekoppelde entree. De verdieping links en rechts van de risaliet heeft een balkon dat rust op sierspanten en dat wordt omlijst door een houten stijlenhekwerk. De schuifvensters en deuren zijn uitgevoerd met meerruits bovenlichten. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Het woonhuis met villa-achtige verschijningsvorm heeft belangrijke architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Zeer beeldbepalend door de markante hoofdvorm, en ten opzichte van buurpand (nr. 30), op sterk naar voren springende rooilijn. Ensemblewaarde met buurpand nr. 30. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Op een ruime kavel gelegen, vrijstaande, éénlaags bouwmassa met forse kapverdieping onder een samengesteld schilddak met steekkappen en dakkapellen. Het dak is gedekt met rood geglazuurde kruispannen. De dakoverstekken zijn voorzien van windveren. De begane grondgevels zijn gemetseld in rode baksteen, de verdiepingsgevels zijn gepleisterd en wit geschilderd met accenten als rollagen en bogen boven de vensters die uitgevoerd zijn in rode baksteen. De villa heeft een min of meer L-vormige plattegrond en heeft aan de linkerzijde een entree in een portiek. De voorgevel heeft een erker, deels onder dakschilden, deels met een op de verdieping overbouwd balkon. De samengestelde vensters zijn deels bezet met ramen met meerruits roeden. |
Datering | 1903 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
De villa heeft belangrijke architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm met kenmerken van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Zeer beeldbepalend door de markante hoofdvorm, en ten opzichte van buurpand (nr. 28), op sterk terugspringende rooilijn. Ensemblewaarde met buurpand nr. 28 en 32. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Schoolmeesterswoning |
Beschrijving | Vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak met de nok haaks op de Spoorstraat. In het zijdakschild staat een aangekapte dakkapel. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft sierankers, sierbanden en bogen die in iets rodere baksteen zijn uitgevoerd. De boogvelden zijn gepleisterd. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft samengestelde vensters en een engelenvenster in de topgevel met het opschrift 1902 in het boogveld. De goed in het zicht staande rechter zijgevel heeft een centrale risaliet met een entree. Deze risaliet steekt door in het dakvlak en vormt een Vlaamse Gevel. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | L |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een schoolmeesterswoning uit 1902. De waarde is verzwakt vanwege de sloop van de bijbehorende school. (L)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Door vrijstaande ligging beeldbepalende waarde. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een met rode kruispannen gedekt zadeldak met de nok evenwijdig aan de straat. Het voordakschild heeft twee steekkappen. Het dakoverstek heeft sierspanten. De steekkappen hebben een licht uitgezwenkte kapvoet en brede dakoverstekken met windveren en consoles. De gemetselde voorgevel heeft sierbanden en decoratief metselwerk in gekleurde en wit geglazuurde baksteen. Boven de vensters en balkondeuren zitten ijzeren lateien. De topgevels zijn betimmerd met beschot. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft twee risalieten met gekoppelde entrees en een balkon erboven. De schuiframen zijn uitgevoerd met drieruits, met glas-in-lood bezette, bovenlichten. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Belangrijke architectuurhistorische waarde vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in neorenaissancetrant met invloed van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend door de markante hoofdvorm. Ensemblewaarde met woonhuisensemble nr. 46, 48. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Kaaspakhuis met woning |
Beschrijving | Vrijstaande, langgerekte tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een met gesmoorde kruispannen gedekt mansardedak met de nokrichting haaks op de straat. De symmetrisch ingedeelde gemetselde voorgevel wordt afgesloten door een uitkragende bakgoot met consoles en hoger opgemetselde pilasters ter weerszijden. Boven de gevelopeningen zijn lateien en segmentbogen aangebracht. De sierbanden, rollagen, plintlijsten en segmentbogen zijn uitgevoerd in wit en gesmoorde geglazuurde baksteen. De openslaande ramen bezitten bovenlichten met meerruits roeden. |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een voormalig kaaspakhuis met bijbehorende woning uit 1914. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en vrijstaande situering. Ensemblewaarde met naastgelegen woonhuizen nr. 46, 48. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Stationsgebouw met dienstwoning |
Beschrijving | Stationsgebouw met bovenwoning bestaande uit een tweelaags hoofdvolume met kapverdieping onder een zadeldak. Op de begane grond zijn twee wachtkamers gesitueerd, op de verdieping de woning. Het pand heeft een aanbouw in de vorm van een éénlaags bouwmassa onder een drieschilddak met aan de spoorzijde een erker. Aan de pleinzijde bevindt zich de ingangspartij tussen twee stenen halfzuilen met een afzonderlijk te onderscheiden gang. Op de hoek aan de pleinzijde staat een achtkantig torenelement met de entree tot de woning. De gemetselde gevels hebben strekken boven de gevelopeningen, sierankers, een plintlijst, aanzet- en sluitstenen, een profiellijst en hoekblokjes. De voorgevel is met vakwerk uitgevoerd. |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Opgericht in opdracht van de in 1863 opgerichte Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (MESS). Het station verving voorgangers uit respectievelijk 1878 en uit 1894. Voormalige langgerekte loods aan het hoofdgebouw is gesloopt. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
In essentie een goed bewaard voorbeeld van een kleinschalig stationsgebouw met voormalige dienstwoning. Van belang voor de herkenbaarheid en identiteit van het stationsgebied. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de karakteristieke stationsarchitectuur met het hoge bouwdeel en het markante torenachtige volume. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Prominente ligging aan het Stationsplein geeft het gebouw belangrijke stedenbouwkundige en ensemblewaarde. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde dakpannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft eenvoudige windveren. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft een gepleisterde plint, de strekken boven de gevelopeningen zijn uitgevoerd met decoratief metselwerk. De vensters zijn voorzien van glas-in-lood bovenlichten. De entree is opgenomen in een inpandig portiek. De naam van de boerderij, De Vrije Hoeve, is aangebracht boven de gevelopeningen van de begane grond. |
Datering | 1915 (BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Randenburg. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen. Het linker dakvlak heeft een aangekapte dakkapel. Het dakoverstek heeft windveren, uitkragend beschot en een makelaar. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, in gele baksteen uitgevoerde sierbanden, hoek- en neggeblokjes, segmentbogen boven de begane grondvensters en een rondboog boven de verdiepingsvensters waarin eveneens gele baksteen is verwerkt. Centraal in de voorgevel ligt de entree in een portiek. Een tweede entree ligt in de linker zijgevel. De vensters in de voorgevel zijn uitgevoerd met ramen met bovenlichten en zijn voorzien van betegelde lekdorpels. In de topgevel bevindt zich ter weerszijden van het raam met het bovenlicht een eenruitsraam. Het stalgedeelte heeft ijzeren, segmentgebogen stalvensters. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok aangebouwd. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1928 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken van de Chaletstijl en Jugendstil |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de voor de periode (1928) opvallende, in historiserende trant, ontworpen voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buurtschap Randenburg. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woningbouwcomplex |
Beschrijving | Complexmatige woningbouw bestaande uit eengezinswoningen waarvan er 52 in zes blokjes zijn gebouwd. Ze zijn gebouwd in rechte stroken die van elkaar gescheiden zijn door relatief brede straten. De woningen bestaan uit twee bouwlagen onder flauw hellende schilddaken. Ze zijn om en om gesitueerd zodat aan de straat voor- en achtergevels liggen. De in schoon metselwerk uitgevoerde gevels in verschillende kleuren zijn voorzien van brede, verdiepingshoge puien die door verticale stroken van elkaar worden gescheiden. |
Datering | 1958-1959 |
Ontwerper | G. Th. Rietveld |
Bouwstijl | Nieuwe Bouwen |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | De Reeuwijkse burgemeester W.E. baron van Knobelsdorff betrok in de jaren ’50 van de 20ste eeuw bij de ontwikkeling en uitbreiding van Reeuwijk moderne architecten en stedenbouwkundigen. Architect Gerrit Rietveld kreeg in dit kader in 1957 opdracht voor een sociale woningbouw-complex in Reeuwijk-Brug. Hij introduceerde hier het om-en-om principe, het integreren van voor- en achtergevel. Dit was (en is) een bijzonder en vernieuwend element binnen de sociale woningbouw. Het complex is het derde gerealiseerde sociale woningbouw project van Rietveld, naast die in Nagele en in de wijken Hoograven en Tolsteeg in de stad Utrecht. In 1979/80 zijn de gevelpuien en de dakconstructie vervangen. Zie verder: Erik Slothouber, Rietveld in Reeuwijk. Een onderzoek naar Rietvelds Reeuwijkse projecten 1957-1960 (Stichting erven Rietveld, 2017). Ook: https://centraalmuseum.nl/ontdekken/object/?q=Reeuwijk#o:30006885 |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van complexmatige woningbouw uit de jaren vijftig van de 20ste eeuw waarbij gezocht is naar het toepassen van een bijzondere woningplattegrond. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang in het oeuvre van de architect G. Rietveld, met name als een van zijn drie uitgevoerde sociale woningbouw projecten. Vanwege de architectonische wijzigingen aan de gevelpuien en het dak is de architectuurhistorische waarde wel aangetast. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Stedenbouwkundige waarde vanwege de situering en ruimtelijke relatie tot aangrenzende sociale woningbouw. De diversiteit aan bijgebouwen en schuttingen verstoort in de huidige situatie de stedenbouwkundige samenhang van het complex. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een drieschilddak met een piron. Het dak is gedekt met gesmoorde kruispannen. Op het voordakschild staat een niet oorspronkelijke dakkapel. De gemetselde, symmetrisch ingedeelde vier traveeën brede lijstgevel heeft hanenkammen en segmentbogen boven de gevelopeningen en gepleisterde aanzet- en sluitstenen, negge- en hoekblokjes en cordon- en plintlijsten. De gevelafsluiting bestaat uit een kroonlijst met siertegels en consoles in het fries. Rechts van het midden ligt de entree in een portiek. Op de verdieping boven de entree is een balkon aanwezig. Rechts in de gevel bevindt zich de entree met een bovenlicht. Vensters zijn uitgevoerd met schuiframen. |
Datering | 1891 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voormalig herenhuis. Illustratief voor de ontwikkeling van het stadscentrum. (R).
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancestijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in rooilijn. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Dokterswoning |
Beschrijving | Op een hoek gelegen tweelaags bouwmassa. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde en van sierblokken voorziene begane grond en een in rode baksteen gemetselde verdieping. Boven de getoogde strekken van de verdiepingsvensters zit een gepleisterde sierband. De voorgevel wordt afgesloten door een kroonlijst met een fries dat voorzien is van rechthoekige, verdiepte vlakken. De begane grond wordt eveneens door een zwaar geprofileerde kroonlijst afgesloten. De borstwering is van hardsteen. Centraal in de voorgevel zit de entree met een bovenlicht met een balkon erboven. Het balkon wordt door decoratieve consoles ondersteund. De balkondeuren zijn gevat in een kozijn met pilasters met kapitelen en een kroonlijst. Ter weerszijden van de entree zit een niet oorspronkelijk etalagevenster. De vensters zijn uitgevoerd als T-vensters. De bovenlichten zijn deels bezet met glas-in-lood. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voormalige dokterswoning. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in classicistische trant. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De blokvormige bouwmassa en de ligging op de hoek zijn stedenbouwkundig van belang. Het pand is beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn en heeft ensemblewaarde in combinatie met de omringende historische bebouwing. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Kerk |
Beschrijving | De Salvatorkerk staat in een woonwijk uit de jaren ’60 van de 20ste eeuw en heeft een langgerekte onregelmatige plattegrond. De kerk grenst aan kant aan een forse vijverpartij. De in gele baksteen in kettingverband opgetrokken gevels bezitten sterk horizontaal gelede vensterpartijen in de gevel die grenst aan de vijverpartij. De gevel aan de parkeerplaats en de tegenoverliggende zijn sterk verticaal geleed door de aangebrachte nissen met daarin aan de bovenkant en vensters en hoge bijna tot aan de dakrand doorstekende vensterpartijen aan één kant van de nissen. De bouwmassa wordt gedekt door een in hoofdopzet V-vormig dak. Nabij de entree staat een smalle, sterk verticaal gelede, rastervormig opengewerkte klokkentoren. Deze is opgetrokken uit beton, met decoratief uitgevoerde panelen. Aan de vijverkant is een dakopbouw toegevoegd. De keermuur aan het parkeerterrein bij de vijver loopt door in het metselwerk van de kerk en maakt deel uit van het oorspronkelijke ontwerp. |
Datering | 1965 |
Ontwerper | T. Bier van architectenbureau Verschoor en Bier |
Bouwstijl | - |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
De Salvatorkerk is een goed voorbeeld van de manier waarop de naoorlogse ideeën over de zogeheten 'wijkgemeente' werden omgezet in nieuwe kerkelijke architectuur. Er is daarom sprake van religieus-maatschappelijk-historische waarden. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het uit 1965 daterende object is een voorbeeld van een modernistisch vormgegeven kerkgebouw uit de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Karakteristiek is de combinatie van traditionele en modernistische kenmerken zoals het gebruik van bakstenen gevels en de modernistisch vormgegeven klokkentoren met opengewerkte rastervormen. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De kerk heeft belangrijke stedenbouwkundige waarde door zijn prominente en vrijstaande ligging. Door de situering aan de vijverpartij, de opzet en vormgeving van het kerkgebouw met een opmerkelijke klokkentoren, deels verspringende bouwmassa, dakvorm en gevelindelingen is de Salvatorkerk een sterk in het oog vallende blikvanger. (H)
Waardering: Hoog plus


Typologie | Kaaspakhuis |
Beschrijving | Tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak met gesmoorde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen. De in kalkzandsteen gemetselde gevels hebben sierbanden en bogen die uitgevoerd zijn in rode baksteen. De bakgoten rusten op bakstenen consoles. De vensters en ingangspartijen zijn vernieuwd. |
Datering | 1913 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Nieuwbouw aan de zijde van de Weeshuisbaan. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een kaaspakhuis uit 1913. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm. (R)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het van oorsprong deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is gemetseld in rode baksteen en heeft vlechtwerk in de topgevel. De vensters zijn bezet met tweeruits schuiframen. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster met keperboogvormige bovenlichten. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers en luiken. De stalvensters zijn uitgevoerd in ijzer dan wel in beton. In de zijgevels zijn raam- en deurkozijnen gewijzigd. De bijgebouwen zijn niet oorspronkelijk. Over de wegsloot ligt een vlakke betonnen dam. |
Datering | 1870 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij het engelenvenster kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg nabij de Oude Rijn. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met verspringende noklijn. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en een decoratief gesneden sierspant met een makelaar. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft schuiframen met bovenlichten. De keldervensters zijn voorzien van luiken. Op de dam over de wegsloot staan twee gemetselde posten met een dubbel sierhekwerk er tussen. |
Datering | 1899 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Stichtingssteen in voorgevel. Uit een foto van voor 1938 blijkt dat de bovenlichten op de benedenverdieping een roedeverdeling hadden zoals nu nog bij de bovenlichten van de bovenste twee vensters het geval is. Tijdens de verbouwing van 1938 zijn de roeden uit de vier bovenlichten op de begane grond verwijderd en is er glas in lood geplaatst. Wat later is de roedeverdeling van de schuiframen verwijderd (informatie bewoners juli 2017). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de symmetrische indeling en decoratief gesneden sierspant met makelaar kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg nabij de Oude Rijn. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Gemaal |
Beschrijving | Zo’n 350 m landinwaarts gelegen voormalig poldergemaal, met aangebouwde woning. Het gemaal functioneerde ten behoeve van de polder Weijland en bestaat uit een eenlaags bakstenen gebouwtje onder een zadeldak. De gevels van het gemaal zijn gecementeerd. In de grotendeels gesloten aanbouw aan de watergang bevindt zich de uitlaat. In de machinekamer is de installatie nog geruime tijd na buitengebruikstelling van het gemaal aanwezig geweest. Rond 2016 is de pomp echter verwijderd. Bij het gemaal staat een woonhuis uit 1963. |
Datering | 1876, 1963 (woning) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Het gemaal is gebouwd ter vervanging van een watermolen. De bouwer was aannemer/koopman Willem van der Roest uit Oudewater (http://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&tbnummer=01214+l). Het gemaal werkte eerst op stoom, rond 1944 werd een zuiggasmotor geïnstalleerd en rond 1956 ging men over op dieselbemaling (rhcrijnstreek.nl/download.php?id=6819d719-c1b7-4a94-aaff-f152a0f17f35). |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Het gemaal heeft cultuurhistorische en civieltechnisch-historische waarden als onderdeel van de polderbemaling. Van belang als object(en) behorend bij het thema waterbeheersing. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het gemaal heeft situationele en historisch-landschappelijke waarde in het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op enige afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een drieschilddak dat met riet is gedekt. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek aan de voorgevel heeft sierlijk gesneden windveren en een kleine makelaar. De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft schuiframen met bovenlichten. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers. Op de dam over de wegsloot staat een gietijzeren toegangshek. |
Datering | 1868 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Nieuwe, relatief grootschalige bijgebouwen. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de gesneden windveren kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van enige stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande ligging in het buitengebied. De beeldbepalende en historisch-landschappelijke waarde is verminderd door de min of meer grootschalige nieuwe bijgebouwen. (L/R).
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en nabij de Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt afgewolfd schilddak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Tegen de rechter zijgevel is het boenhok uitgebouwd. De gevels zijn wit gesausd boven een zwart geschilderde plint. Het woonhuisdeel heeft schuifvensters en keldervensters met diefijzers. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf maar op details aangetast voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg nabij de Oude Rijn. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en nabij de Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en een decoratief gesneden sierspant met makelaars. De symmetrisch ingedeelde in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft strekken die uitgevoerd zijn in gele baksteen. De schuiframen zijn voorzien van bovenlichten. Rechts van de boerderij staat het zomerhuis dat gedekt wordt door een zadeldak. |
Datering | 1899 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Goed in het zicht staande rechter zijgevel en dakschild gewijzigd. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. De herinneringswaarde is verzwakt door de forse ingrepen in het dakvlak en linker zijgevel. (L/R)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de symmetrische indeling en decoratief gesneden sierspant met makelaars kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. (R/H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en nabij de Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseinden. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft ramen met bovenlichten. Op de dam over de wegsloot staat een ijzeren sierhekwerk met dito posten. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
De symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft enige architectuurhistorische waarde maar de gewijzigde ramen doen enigszins afbreuk. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. De boerderij heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een drieschilddak met wolfseind. Het dak is gedekt met rode Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel is een afgeknotte halsgevel die door een geprofileerde kroonlijst wordt afgesloten. De gevel is bezet met rozetankers. Het woongedeelte heeft schuifvensters, het stalgedeelte ijzeren stalvensters. Rechts van de boerderij staan het gemetselde zomerhuis en een schuur onder een zadeldak. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind en aangekapte dakkapel. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een mansardedak. Tegen de rechter zijgevel van de boerderij is een boenhok aangebouwd dat tot aan de sloot reikt. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel van de boerderij heeft windveren, makelaars, staafankers en schuiframen met glas-in-lood bovenlichten. Centraal in de voorgevel zit de entree met een bovenlicht. De schuur links van de boerderij heeft een symmetrische gevelindeling met een opvallend engelenvenster boven de getoogde poortdeur. Op de dam over de wegsloot staat een ijzeren sierhekwerk met het opschrift Welgelegen. |
Datering | 1898 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels van hoofdmassa en schuur. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met verspringende noklijn. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Links van de boerderij staat het zomerhuis onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde en rode Hollandse pannen. De in gele handvormsteen opgetrokken voorgevel van de boerderij is een tuitgevel met vlechtwerk. Het woonhuisdeel heeft overwegend schuifvensters, het stalgedeelte houten stalvensters. De voorgevel van het zomerhuis is een tuitgevel die gemetseld is in rode handvormsteen met vlechtingen en bezet is met ramen met bovenlichten. Op de dam over de wegsloot staat een ijzeren sierhekwerk. |
Datering | 1750 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | De in gele handvormsteen gemetselde voorgevel van het hoofdvolume is in een latere periode met rode handvormsteen opgemetseld tot tuitgevel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. De relatief hoge ouderdom van de boerderij (1750) versterkt de waarde. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels van boerderij en zomerhuis. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg nabij de Oude Rijn. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft gesneden windveren. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel van de boerderij heeft, evenals het woongedeelte in de linker zijgevel, schuifvensters met getoogde bovendorpels. Het stalgedeelte heeft segmentboogvormige stalvensters. Rechts in de voorgevel bevindt zich de entree die eveneens voorzien is van een bovenlicht. Op de dam over de wegsloot staat een giet- smeedijzeren sierhekwerk. |
Datering | 1901 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij de gesneden windveren kenmerkend zijn. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op behoorlijke afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De boerderij is bereikbaar via een lange oprit die geflankeerd wordt door sloten. De voorgevel staat pal in de zichtlijn van de sloot ter linkerzijde. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde, ingezwenkte lijstgevel die door een geprofileerde kroonlijst wordt beëindigd. De vensters zijn bezet met ramen met een bovenlicht. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | Circa 1900 (1920 volgens BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
De ingezwenkte, symmetrisch ingedeelde, lijstgevel is architectuurhistorisch waardevol. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het landschap. De voorgevel staat beeldbepalend in de zichtlijn van de sloot. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder respectievelijk een wolfsdak met keramische pannen en een rieten dak boven het stalgedeelte. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok gebouwd. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde ingezwenkte lijstgevel die wordt afgesloten door een geprofileerde kroonlijst. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft een gepleisterde plint, in gele baksteen uitgevoerde strekken boven de gevelopeningen en sierankers. Centraal in de voorgevel bevindt zich de entree met een bovenlicht. De ramen zijn voorzien van bovenlichten. Bij de entree van de oprit staat een giet- smeedijzeren hekwerk. |
Datering | Circa 1870 (oudere kern) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Gevelsteen met naamsaanduiding in de zijgevel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt drieschilddak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel heeft een afgeknotte halsgevel met een kroonlijst. De voorgevel is bezet met T-vensters. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. In de linker zijgevel ligt de entree. Rechts van de boerderij staat het zomerhuis onder een zadeldak. Achter de boerderij staat een (niet oorspronkelijke) hooiberg en een schuur. Bij het begin van de oprit staat een ijzeren sierhekwerk. |
Datering | Circa 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een afgeplatschild dak dat met rode keramische pannen is gedekt. In het voordakschild staan dakkapellen met niet oorspronkelijke windveren. De voorgevel is een symmetrisch ingedeelde lijstgevel die wordt afgesloten door een bakgoot met consoles. De gemetselde vijfassige voorgevel heeft sierbanden, segmentbogen en een decoratief gemetseld fries. De vensters zijn uitgevoerd met schuiframen. Centraal in de gevel, in een portiek, ligt de van een bovenlicht voorziene entree. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs openbare weg. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op relatief grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een wolfsdak met rieten dekking. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel heeft vlechtwerk, ramen voorzien van bovenlichten, keldervensters met diefijzers en een engelenvenster in de topgevel. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(e behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de symmetrisch ingedeelde voorgevel waarbij het engelenvenster in de topgevel kenmerkend is. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in het weiland. De boerderij ligt in de zichtlijn van een lange oprit. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en Oude Rijn gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen (woonhuis) en rode Tuile du Nordpannen (stal). Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel heeft een gepleisterde plint en strekken boven de vensters. De schuifvensters bezitten bovenlichten die met glas-in-lood bezet zijn. De kozijnen hebben toognagels. De keldervensters zijn voorzien van luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren rondboog stalvensters. Achter het hoofdvolume staat een gemetselde schuur met een zadeldak en een hooiberg. De dam over de wegsloot wordt geflankeerd door twee gemetselde voetmuren. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Geringe architectuurhistorische waarde. (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg en nabij de Oude Rijn gelegen boerderij op L-vormige plattegrond waarbij de nokrichting van het woonhuis evenwijdig aan de openbare weg ligt met daarachter de stal (krukhuistype). Het woonhuis wordt afgesloten door een met gesmoorde pannen gedekt zadeldak, het stalgedeelte door een drieschilddak. Centraal in de voorgevel zit een dakkapel met een zadeldak. Het dakoverstek van de kopgevels is voorzien van windveren en een gevelmakelaar. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft strekken boven de vensters en een sierband in oranje strengperssteen in de gevelafsluiting. De bakgoot rust op consoles die eveneens zijn uitgevoerd in oranje strengperssteen. De schuiframen zijn bezet met meerruits bovenlichten. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Op de dam over de wegsloot staat een decoratief giet- smeedijzeren toegangshek. |
Datering | 1922 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Stichtingssteen met bouwjaar in voorgevel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het krukhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege het ontwerp van de voorgevel en de kopgevels. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met wolfseind aan de achterzijde. Het woongedeelte is met riet gedekt, het stalgedeelte is gedekt met gesmoorde pannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft decoratief gesneden windveren, beschot en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, sierankers en strekken boven de vensters die zijn uitgevoerd in gele strengperssteen. Het driedelige venster in de topgevel heeft keperbogen die eveneens zijn uitgevoerd in gele strengperssteen. De schuiframen zijn bezet met glas-in-lood bovenlichten en voorzien van luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers. Rechts van de boerderij en de oprit staat een gemetselde schuur onder een zadeldak met overeenkomstig uitgevoerde windveren en stalvensters. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(e behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel in de trant van de Chaletstijl waarbij vooral het drielicht in de topgevel kenmerkend is. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren, een decoratief gesneden sierspant en makelaars. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft sierbanden, bogen en boogvelden die in gele strengperssteen zijn uitgevoerd. De voorgevel heeft schuifvensters en een engelenvenster in de topgevel. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak met dubbele deuren en stalvensters. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(e behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel waarbij het engelenvenster en het sierspant in de topgevel kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde kruispannen gedekt zadeldak met verspringende nokhoogtes. De aangekapte dakkapellen zijn niet oorspronkelijk. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren, een sierspant en makelaars. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft gegoten dateringstenen met het opschrift Anno en 1911. De sierbanden, bogen en boogvelden zijn in gele strengperssteen uitgevoerd. Het woongedeelte heeft schuifvensters. De vierruits keldervensters hebben diefijzers. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Op de dam over de wegsloot staat een giet- smeedijzeren hekwerk. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak met een niet oorspronkelijke dekking. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De (waarschijnlijk niet oorspronkelijke) gepleisterde en wit geschilderde symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel die wordt beëindigd door een kroonlijst. Centraal in de voorgevel bevindt zich de entree in een houten kozijn met een kroonlijst. De ramen van het woonhuis zijn grotendeels niet oorspronkelijk. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Tegen de linker zijgevel van de boerderij is een boen-/washok gebouwd. |
Datering | Circa 1850 (kern uit 1600) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm relatief gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. De relatieve hoge ouderdom van de boerderij waarvan de kern uit 1600 dateert versterkt de waarde. (H)
architectuurhistorische waarde:
De waarde is verzwakt vanwege de architectonische wijzigingen. (L/R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. De bebouwing aan de rechter zijde verzwakt de landschappelijke waarde echter. (R).
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij bestaande uit een deels onderkelderd en één bouwlaag hoog woonhuis met kapverdieping onder een met mat verglaasde Tuile du Nordpannen (2016) gedekt mansardedak met de nok evenwijdig aan de weg. Achter het woonhuis staat een relatief laag stalgebouw met een haaks op het woonhuis geplaatst zadeldak dat met rode pannen is gedekt. Centraal in het voordakschild van het woonhuis staat een dakkapel uit 2016. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is een vier-assige langsgevel met segmentbogen, sierbanden, boogvelden en een fries in de gevelafsluiting. De boogvelden en het fries zijn gevuld met siermetselwerk van oranje en rode baksteen. De bakgoot rust op consoles/sierklossen. Links van het midden bevindt zich een stichtingssteen met het jaartal 1909. Tegen de rechter zijgevel is een boenhok aangebouwd. |
Datering | 1909 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/ kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het woonhuis heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het woonhuis met achterstaand stalgebouw heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H).
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg nabij de Oude Rijn en het dorpscentrum gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een, overwegend, met riet gedekt zadeldak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis aangebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische ingedeelde voorgevel heeft staafankers, strekken boven de gevelopeningen en vlechtingen in de geveltop. De schuiframen zijn geplaatst in kozijnen met toognagels. De gevelopeningen in de linker zijgevel zijn niet oorspronkelijk. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft getoogde ijzeren stalvensters. |
Datering | Circa 1850 (kern uit 1700) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege het ontwerp van de voorgevel in een traditionele, evenwichtige bouwstijl.(R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan de openbare weg nabij de Oude Rijn en het dorpscentrum gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met verspringende nokhoogtes. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dak is gedekt met gesmoorde kruispannen. Het dakoverstek heeft gesneden windveren en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft sierbanden, segmentbogen, boogvelden, neggenblokjes en een gevelsteenomlijsting die, deels op decoratieve wijze, uitgevoerd zijn in gele strengperssteen. De voorgevel heeft T-ramen. De keldervensters bezitten diefijzers, het stalgedeelte ijzeren rondboog stalvensters. Rechts van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak. Het overstek van deze schuur heeft windveren, een sierspant en een makelaar. Centraal in de voorgevel bevinden zich hoge inrijdeuren. In de topgevel zit een rondboogvenster dat geflankeerd wordt door een gevelveld met de afbeelding van een zwaluw. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1917 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Stichtingssteen in rechter zijgevel. Opschrift Voorzorg in gevelstenen in voorgevel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Waardevol vanwege het ontwerp van de voorgevels.(R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Nieuwerbrug. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eén- en tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder samengestelde daken. De daken zijn gedekt met gesmoorde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen. De kopgevel van het linker bouwdeel bestaat uit twee, in schoon metselwerk uitgevoerde puntgevels. De gepleisterde, wit geschilderde en van een blokpatroon voorziene voorgevel is een tweelaags lijstgevel die wordt afgesloten door een geprofileerde kroonlijst. Het rechter bouwdeel heeft pleisterwerkaccenten boven de vensters van de begane grond. De gevel is bezet met sierankers. Rechts van het midden bevindt zicht de entree met een bovenlicht. De ingangspartij is gevat in een omlijsting van in blokpleisterwerk uitgevoerde pilasters en een hoofdgestel dat ondersteund wordt door sierlijk gesneden consoles. Boven deze entree is een blindvenster aangebracht. De vensters zijn bezet met schuiframen. De verdieping heeft deels oorspronkelijke tweeruits schuiframen met tweeruits bovenlichten. Links in de gevel is een niet oorspronkelijke portiekentree aanwezig. Voor de entree staat een stoeppaal met een ijzeren hekwerk. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Het pand grenst met de achtergevel aan de Oude Rijn. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voormalig herenhuis. Illustratief voor de ontwikkeling van het dorpscentrum. (R/H).
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neoclassicistische trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn. Ensemblewaarde omdat het pand een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel vormt van de individueel vormgegeven bebouwing nabij de Oude Rijn en de dorpskern. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak dat gedekt is met riet. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft smalle windveren. De in rode baksteen opgetrokken boerderij heeft opvallende horizontale raampartijen, bestaande uit per paar gekoppelde ramen. De bovenlichten zijn voorzien van glas-in-lood, de daaronder liggende ramen van luiken. Onder het linkerraam in de voorgevel bevindt zich een horizontaal keldervenster. De zijgevels van het stalgedeelte zijn bezet met stalvensters. De ingangspartij ligt in de rechterzijgevel van het woongedeelte in een inpandig portiek, afgesloten door een rondboog. Rechts van de boerderij staat een klein boenhok aan de kavelsloot. |
Datering | 1941 (BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het onderdeel weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voor- en zijgevels. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Waarder. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype waarbij het woonhuis is gedekt met een zadeldak met gesmoorde kruispannen en het stalgedeelte met riet gedekt is. Het woonhuis en het stalgedeelte hebben afzonderlijke kappen met verspringende nokhoogten. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het woonhuis is opgetrokken in rode baksteen, het stalgedeelte in gele baksteen. De symmetrisch ingedeelde voorgevel van het woonhuis heeft een dakoverstek met windveren, een decoratief gesneden sierspant en een makelaar. De boogvelden boven de vensters zijn gevuld met bricorna-steen. De sierbanden zijn uitgevoerd in gele baksteen. De schuifvensters in de voorgevel zijn bezet met ramen met bovenlichten en luiken. De keldervensters bezitten diefijzers en zijn eveneens voorzien van luiken. Het stalgedeelte bezit ijzeren rondboog stalvensters. In de rechter zijgevel ligt de entree die voorzien is van een bovenlicht met een ijzeren levensboom. Achter de boerderij staat een hooiberg. Rechts van de boerderij staat een gemetseld zomerhuis met een tuitgevel. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. De boerderij is beeldbepalend gesitueerd in de zichtlijn van sloten. (H)
Waardering: Hoog



Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt, afgewolfd zadeldak. In het rechter dakvlak staat een aangekapte dakkapel. De nok ligt haaks op de straat. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft getoogde strekken boven de gevelopeningen die in een rodere baksteen zijn uitgevoerd. De gevel is bezet met staafankers en heeft vlechtingen in de topgevel. De schuiframen met eenruits bovenlicht bezitten getoogde bovendorpels. De voorgevel heeft links van het midden de entree in een portiek. In de linker zijgevel ligt eveneens een entree. Beide deuren zijn voorzien van een bovenlicht. De rechter zijgevel heeft een niet oorspronkelijk venster. De meerruits stalvensters zijn in ijzer uitgevoerd. |
Datering | 1896 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De boerderij is na brand herbouwd in 1896. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit in traditionele trant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van Waarder. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eén bouwlaag tellend vrijstaand pand met kapverdieping onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind aan de achterzijde. Het dakoverstek heeft windveren die in de top samenkomen in een niet-oorspronkelijk decoratief (familiewapen) beschilderd vlak onder de tuit van de gevel. De gevels zijn gemetseld in gele IJsselsteen. De topgevel heeft vlechtingen en boven de vensters zijn strekken aanwezig die uitgevoerd zijn in rode baksteen. De vensters zijn op de begane grond uitgevoerd met meerruits schuiframen met drieruits bovenlichten en voorzien van luiken. De verdieping heeft een meerruits raam. De voortuin wordt van de oprit gescheiden door een sierhekwerk. |
Datering | Circa 1770 (datering volgens Groslijst), 1650 (datering BAG) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | De tuit van de topgevel draagt het opschrift De Molshoop. Deze naam draagt de boerderij sinds eind 20ste eeuw toen de familie Mol het pand ging bewonen. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het pand heeft belangrijke stedenbouwkundige en situationele waarde vanwege de ligging aan de smalle weg. Belangrijke ensemble- en landschappelijke waarde in combinatie met de kleinschalige landelijke omgeving. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Voormalige boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met een wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel is uitgevoerd als een combinatie van een klok- en een tuitgevel. Boven de vensters zijn strekken aangebracht. De gevel heeft een gepleisterde plint en is bezet met staafankers. De vensters zijn bezet met meerruits schuiframen. Het voormalige stalgedeelte bezit rondboog stalvensters. De linker en rechter gevelhoek van de voorgevel dragen het opschrift 1848. |
Datering | 1848 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (R/H)
Waardering: Hoog



Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met een wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel met strekken boven de gevelopeningen. De zijgevel heeft een gepleisterde plint. Centraal in de voorgevel bevindt zich de entree. De entree is, evenals de ramen, voorzien van een bovenlicht. Het stalgedeelte bezit rondboog stalvensters. De keldervensters zijn bezet met diefijzers. Op de hoeken van de voorgevel zijn gevelstenen met het opschrift 1860 aangebracht. |
Datering | 1860 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Op oude kaarten staat als naam van de boerderij: Hol van Waarder, mogelijk verwijzend naar de ligging aan het uiteinde van de vroegere gemeente Waarder. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. De boerderij is beeldbepalend gesitueerd in de zichtlijn van sloten en oprit. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met een wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin het oorspronkelijke stalgedeelte (sinds ca. 1965 bij het woongedeelte getrokken). De in gele IJsselsteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft gesneden windveren en een makelaar. De plint is gepleisterd en boven de gevelopeningen van de voorgevel zijn strekken en rondbogen aangebracht die uitgevoerd zijn in rode baksteen. De vensters (gerenoveerd 1995) hebben bovenlichten. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster. De niet-originele entree ligt in de rechter zijgevel en vervangt sinds ca. 1965 de ingang aan de linker zijgevel in het toen gesloopte boenhok. De vensters onder in de linkerzijgevel zijn bezet met luiken. |
Datering | 1875 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Reeuwijk. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Aan de linker zijde aan een steeg gelegen éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een afgewolfd dak. De gemetselde voorgevel is een tweelaags lijstgevel met getoogde strekken boven de getoogde gevelopeningen en sierankers. Het zorgvuldig uitgevoerde voegwerk is oorspronkelijk. De gevel wordt door een kroonlijst afgesloten. De voorgevel heeft schuiframen. De getoogde bovenlichten op de verdieping zijn tweeruits uitgevoerd. Rechts in de gevel ligt de entree die eveneens is voorzien van een getoogd bovenlicht. |
Datering | 1820 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van de in traditionele stijl gebouwde voorgevel waarbij het fijn uitgevoerde voegwerk waardevol is. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege markante hoofdvorm, ligging in de rooilijn en deels vrijstaande situering op de hoek van de steeg van beeldbepalend belang. Waardevol ensemble met buurpand nr. 12. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Aan de rechter zijde aan een steeg gelegen éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een afgewolfd dak. De gemetselde voorgevel is een tweelaags lijstgevel met sierbanden, een cordonlijst, neggen- en hoekblokjes, gepleisterde aanzeten sluitstenen met diamantkopversiering in de segmentbogen boven de gevelopeningen, siermetselwerk in de boogvelden en sierankers. De voorgevel wordt afgesloten door een kroonlijst in de vorm van een fries met sierklossen/consoles en een uitkragende bakgoot. Rechts in de gevel is een portiek aangebracht met de van een bovenlicht voorziene entree. De vensters bezitten niet oorspronkelijke ramen met een bovenlicht. |
Datering | 1865 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissance |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp voorgevel in neorenaissancestijl. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege markante hoofdvorm, ligging in de rooilijn en deels vrijstaande situering op hoek van steeg van beeldbepalend belang. Waardevol ensemble met buurpand nr. 10. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Winkelwoonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand, één bouwlaag tellend pand met kapverdieping onder een mansardedak met een steekkap met een hogere noklijn. De nok van het hoofddak ligt parallel aan de straat. De voorgevel is een langsgevel die in het midden wordt doorbroken door de gemetselde opbouw van het dakhuis. Het dakhuis wordt beëindigd door een topgevel waarvan het dakoverstek voorzien is van geprofileerde windveren, beschot en een sierspant. De houten winkelpui heeft een omlijsting van pilasters, kapitelen en een kroonlijst. De winkelentree ligt in het portiek. De etalagevensters en de entree zijn uitgevoerd met een bovenlicht. In de gevel boven de entree bevindt zich een gekoppeld drielicht met getoogde bovenlichten. Het gevelvlak ter weerszijden van de winkelpui wordt beëindigd door een geprofileerde kroonlijst en is bezet met schuifvensters en een dubbele laaddeur. Alle bovendorpels zijn getoogd uitgevoerd. |
Datering | 1890 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neoclassicistische trant met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor de laat 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse ontwikkeling van het stadscentrum met winkelwoonhuizen langs de belangrijkste straten. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp waarbij de verschijningsvorm van winkelpui en topgevel waardevol is. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege situering op vooruitspringende rooilijn beeldbepalend gesitueerd in de straat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis, op terugspringende rooilijn, bestaande uit twee bouwlagen met kapverdieping onder een met gesmoorde keramische pannen gedekt schilddak met pirons en een relatief hoge gemetselde schoorsteen. Het dakoverstek is zeer breed uitgevoerd. De gemetselde gevels in rode baksteen zijn voorzien van enig siermetselwerk in de vorm rollagen die in de horizontale sierbanden zijn verwerkt. De asymmetrisch ingedeelde voorgevel heeft rechts in de gevel een erker met afgeschuinde zijkanten die door een breed overstek wordt afgesloten. De gekoppelde erkerramen zijn voorzien van bovenlichten die met glas-in-lood bezet zijn. Links in de gevel bevindt zich de entree met een luifel. Boven de luifel zit een bovenlicht. De verdieping is symmetrisch ingedeeld met gekoppelde vensterpartijen. |
Datering | 1930 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Interbellumarchitectuur |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang voor vroeg 20ste-eeuwse woonhuisontwikkeling. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met markant dakoverstek en enige baksteen ornamentiek. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege terugspringende rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een zadeldak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De nok ligt haaks op de weg. De voorgevel is een gemetselde tweelaags lijstgevel met sierbanden, een cordonlijst, neggenblokjes en bogen met aanzet- en sluitstenen. De sluitstenen zijn voorzien van een diamantkop. De boogvelden van de begane grond zijn gevuld met bricorna-steen. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst. Rechts in de gevel ligt de entree die voorzien is van een bovenlicht. Ook de ramen zijn uitgevoerd met een bovenlicht. De rechter zijgevel, voorzien van staafankers, is niet oorspronkelijk wit gesausd. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. Goed zicht op rechter zijgevel. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis met kaaspakhuis |
Beschrijving | Op de hoek van de Wilhelminastraat en de Nieuwstraat gelegen éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde Hollandse pannen. In het dakvlak langs de Nieuwstraat staan twee niet oorspronkelijke dakkapellen. De voorgevel is een in rode baksteen gemetselde tweelaags lijstgevel met strekken boven de gevelopeningen. Rechts in de voorgevel ligt de entree met een bovenlicht dat bezet is met glas-in-lood. Ook de twee naastgelegen vensters hebben, evenals de vensters in de gevel langs de Nieuwstraat, bovenlichten die bezet zijn met glas-in-lood. De zijgevel heeft staafankers. In deze, deels gewijzigde, zijgevel zit een dubbele getoogde poortdeur. |
Datering | 1914 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Enige historische waarde als voorbeeld van een woonhuis met een kaaspakhuis aan de achterzijde. Van belang als object behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (R), tevens van belang als object behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn.(R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege de ligging op de hoek en situering in de rooilijn van de straten van beeldbepalend belang. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis bestaande uit één bouwlaag met kapverdieping onder een afgewolfd mansardedak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. De tweelaags gemetselde voorgevel heeft hoger opgemetselde hoekelementen waartussen een uitkragende bakgoot is aangebracht. De gevel heeft siermetselwerk in de rollagen boven de gevelopeningen. De vensters op de begane grond zijn uitgevoerd met een bovenlicht. Op de verdieping bevinden zich dubbele ramen. De entree met een bovenlicht bevindt zich in het portiek rechts in de gevel. |
Datering | 1926 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp met enige baksteenornamentiek. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand woonhuis bestaande uit één bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak met een aankapping aan de achterzijde. Het dak is gedekt met gesmoorde Hollandse pannen en heeft de nok evenwijdig aan de straat. Het dakoverstek van de kopgevels is uitgevoerd met windveren en een makelaar. Centraal in het voordakschild staat een dakkapel met een fronton en vleugels. De gemetselde, symmetrisch ingedeelde voorgevel wordt afgesloten door een kroonlijst. Centraal in de voorgevel ligt de entree met een bovenlicht. Ter weerszijden van de entree zit een schuifvenster met meerruits roeden. De rechter zijgevel is gepleisterd. |
Datering | 1850 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege vrijstaande situering op terugspringende rooilijn achter een voortuin. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Eénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak met gesmoorde kruispannen. De gemetselde, tweelaags voorgevel is rijk gedecoreerd met segment- en rondbogen, sierbanden, groen geglazuurde baksteen, rode en crèmekleurige strengperssteen en gegoten ornamenten zoals siervazen en afdekelementen. Het portiek met de entree, rechts van het midden, heeft een betegelde lambrisering en een met graniet ingelegde vloer. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst. De entree is, evenals de ramen, uitgevoerd met een bovenlicht. |
Datering | 1910 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Eclectisch |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel met rijk toegepaste baksteenornamentiek. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Enige beeldbepalende waarde vanwege vrijstaande situering op terugspringende rooilijn achter voortuin. (R)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Dubbel, gespiegeld, woonhuis van twee bouwlagen met kapverdieping. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft segmentbogen, rollagen en sierbanden die uitgevoerd zijn in gele baksteen. De gevelafsluiting wordt gevormd door een bakgoot en een fries dat voorzien is van consoles/gootklossen en siermetselwerk. De centraal in de gevel gelegen gekoppelde entrees zijn uitgevoerd met een bovenlicht. Ook de ramen zijn uitgevoerd met een bovenlicht. |
Datering | 1909 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | L/R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn van de straat. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Vrijstaande bouwmassa op samengestelde plattegrond met kapverdiepingen onder een samengesteld fors en steil schilddak met steekkappen dat is gedekt met gesmoorde Romaanse pannen. Het zijdakschild is bezet met een horizontaal gelede dakkapel. De bakgoten bezitten brede overstekken die zich even de hoek omzetten. De overwegend in gele baksteen gemetselde gevels in staand verband hebben dorpels en een balkonmuurafdekking van rode tegels en betonnen lateien/luifels boven de vensterpartijen. De voorgevel heeft een risalerende middenpartij met een erker en een gemetseld balkon erboven. Dit risaliet wordt door een steile puntgevel beëindigd. Links, in het terugspringende geveldeel, ligt de entree met een luifel er boven. De vensterpartijen zijn samengesteld uitgevoerd. |
Datering | 1935 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel-functionalisme. Interbellumarchitectuur |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Opschrift Sursum Corda (Latijn voor: Verheft het hart) op bakgoot boven vensterpartij balkon. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een villa uit de periode van het Interbellum en karakteristiek voor de 20ste-eeuwse villaontwikkeling in dit deel van de stad. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in Interbellumarchitectuur waarbij een traditioneel-zakelijke bouwstijl met ambachtelijke opzet en markant pannendak kenmerkend zijn. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Markante hoofdvorm en zeer beeldbepalend gesitueerd in de zichtlijn van de Burgemeester Le Coultrestraat. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Dubbel, gespiegeld, woonhuis van twee bouwlagen met kapverdieping onder schilddaken met gesmoorde kruispannen. In het dakschild staan niet oorspronkelijke dakkapellen. De overgang van de voor- naar de linker zijgevel is afgeschuind. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft sierbanden, strekken en uitgemetselde consoles onder de bakgoot die in witte baksteen zijn uitgevoerd. Centraal in de gevel liggen de gekoppelde entrees met een bovenlicht. De schuiframen op de begane grond zijn voorzien van bovenlichten met glas-in-lood. De niet oorspronkelijke ramen op de verdieping hebben eveneens bovenlichten. De gekoppelde entrees liggen in portieken en zijn ook weer voorzien van bovenlichten met glas-in-lood. |
Datering | 1922 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van vroeg 20ste-eeuwse woningbouw, van belang voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege het decoratief toegepaste metselwerk in de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn en op straathoek. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand hoekpand in de vorm van een tweelaags bouwmassa met een plat dak. Aan de linker zijgevel zit een rechthoekige erker met een balkon erboven. Aan de achtergevel bevindt zich een éénlaags keukenaanbouw. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben siermetselwerk in de vorm van meersteens rollagen boven en onder de vensters en in de gevelafsluiting. De vensters zijn samengesteld en voorzien van bovenlichten. Rechts in de voorgevel ligt de entree met boven- en zijlichten. De bovenlichten zijn bezet met decoratief gekleurd glas-in-lood. De oorspronkelijke erfafscheiding is uitgevoerd in de vorm van een bakstenen voetmuur met dito verdeelposten en een buizenhekwerk ertussen. |
Datering | 1925 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel-functionalisme, Interbellumarchitectuur |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een woonhuis uit de periode van het Interbellum. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditioneel-zakelijke bouwstijl met aandacht voor ambachtelijke metselwerkdetails. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Markante blokvormige hoofdvorm en beeldbepalend gesitueerd op hoek. (R/H)
Waardering: Hoog


Typologie | Woonhuis en bedrijfsruimte, timmerfabriek aan de Rijnkade |
Beschrijving | Aan de Wilhelmimastraat een bouwmassa bestaande uit twee bouwlagen met kapverdieping onder een schilddak met gesmoorde pannen. Het dakoverstek is breed. In het voordakschild staan drie staande dakkapellen die eveneens voorzien zijn van een breed dakoverstek. De in rode baksteen gemetselde voorgevel heeft een in beton uitgevoerde latei boven de begane grond en rollagen boven de gevelopeningen. De samengestelde vensters zijn op de begane grond voorzien van meerruits ramen en op de verdieping van een bovenlicht dat bezet is met glas-in-lood. Op de verdieping bevinden zich twee erkers met afgeschuinde zijkanten. Links en rechts in de voorgevel ligt de entree onder een luifel waarboven een bovenlicht is geplaatst. Centraal in de voorgevel bevinden zich dubbele bedrijfsdeuren. Het woonhuis behoort bij de voormalige timmerfabriek Van den Oudenrijn, gesitueerd aan de Rijnkade. Het bedrijfsgebouw bestaat uit een gekoppelde tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder mansardedaken met de nok haaks op de kade. De daken zijn gedekt met gesmoorde pannen. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben boven de gevelopeningen rollagen en betonnen lateien, aan de bovenkant afgewerkt met naar voren springend siermetselwerk. De verdiepingen zijn bij beide gevels identiek uitgevoerd en symmetrisch ingedeeld met een centrale laaddeur geflankeerd door vierkante zesruits (verdieping) dan wel staande tweeruits ramen (kapverdieping). Het linkerdeel heeft op de begane grond aan de rechterzijde dubbele deuren. De vensters op de begane grond zijn zowel aan de linker- als aan de rechterzijde uitgevoerd als kruisvensters met vierruitsramen. |
Datering | Woonhuis: 1929, timmerfabriek: 1928 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Woonhuis: Traditioneel-functionalisme, Interbellumarchitectuur, timmerfabriek: traditioneel |
Gaafheid | Woonhuis: R, timmerfabriek: R |
Afleesbaarheid | Woonhuis: H, timmerfabriek: H |
Uniciteit | Woning: R, timmerfabriek: H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: woonhuis: R, timmerfabriek: R/H
Cultuurhistorische waarde woonhuis
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van woonhuis annex bedrijfsruimte. Van belang als object behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn.(H) voor de (ontwikkelings)geschiedenis van de wijk. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van enig belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in de rooilijn. (R)
Waardering: Redelijk
Cultuurhistorische waarde timmerfabriek
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van een fabriekscomplexje rond 1928. Ook van belang als object(en) behorend bij het thema ontwikkeling bedrijvigheid oevers Oude Rijn. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van gering architectuurhistorisch belang. (L)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege markante hoofdvorm en situering aan de Rijnkade. (H)
Waardering: Hoog.

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Met rechter zijgevel aan steeg gelegen éénlaags bouwmassa met kapverdieping onder een mansardedak dat gedekt is met gesmoorde pannen. De in kalkzandsteen gemetselde voorgevel is een tweelaags lijstgevel met sierbanden, segmentbogen, gevelhoeken en raamomlijstingen in rode baksteen. De boogvelden zijn gevuld met geometrisch siermetselwerk. Ook het fries is bezet met siermetselwerk. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst in de vorm van een fries met sierklossen/consoles en een uitkragende bakgoot. Links in de gevel ligt de entree met een bovenlicht. De ramen bezitten bovenlichten en zijn, op de begane grond, voorzien van persiennes. |
Datering | 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp voorgevel in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn en in zichtlijn van straat. (R/H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Twee door een smalle doorgang van elkaar gescheiden gespiegelde en geschakelde éénlaags bouwmassa's met kapverdiepingen onder mansardedaken. De in rode baksteen gemetselde voorgevels zijn tweelaags lijstgevels met een gepleisterde plint, sierbanden, segmentbogen (verdieping) en hanenkammen (begane grond) met gepleisterde aanzet- en sluitstenen. De sluitstenen van de hanenkammen zijn uitgevoerd met diamantkoppen. De boogvelden zijn bezet met geometrisch siermetselwerk. Ook het fries is voorzien van siermetselwerk. De gevels worden afgesloten door een kroonlijst in de vorm van een fries met sierklossen/consoles en een uitkragende bakgoot. Ramen en deuren zijn voorzien van een bovenlicht. De vensters op de begane grond zijn deels voorzien van persiennes. |
Datering | 1907, 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp van de voorgevels in neorenaissancetrant. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalende waarde vanwege situering in de rooilijn en in zichtlijn van straat. (R/H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Bedrijfspand/kaaspakhuis |
Beschrijving | Op de hoek van de Willem de Zwijgerstraat en de Sportlaan gelegen bedrijfspand van Noordhoek & Zn onder een plat dak met een gemetseld torenachtig volume met een vlaggenstokhouder ter hoogte van de onderliggende entree. De gemetselde gevels worden afgesloten door een fries met witte vlakverdeling en een dakoverstek daarboven. De gevelopeningen worden afgesloten door lateien. De gekoppelde, samengestelde vensterpartijen zijn voorzien van meerruits bovenlichten. De voorgevel heeft centraal in de gevel een entree en vensterpartijen waarboven een zeer brede rechthoekige luifel is aangebracht. Rechts van de entree bevindt zich een erker met gekoppelde raampartijen met bovenlichten. Boven de voorgevel en de linker zijgevel is een reeks oeil de boeufs aangebracht die zich in een horizontale, verspringende lijn over de voorgevel uitstrekt. De symmetrisch ingedeelde rechter zijgevel heeft centraal in de gevel een (kantoor)entree in een portiek, geflankeerd door gekoppelde vensterpartijen. Voor de vensterpartijen liggen gemetselde plantenbakken in één lijn met de bordestrap naar de kantooringang. De linker zijgevel is, op de oeils de boeuf na, blind. De aanbouw aan de achtergevel dateert uit een latere periode. |
Datering | 1955 |
Ontwerper | Architectenbureau Stuurman, Waddinxveen (nu SP Architecten, Rotterdam, zie http://www.sparchitecten.nl) |
Bouwstijl | Traditioneel functionalisme |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Naast de entree een bord met opschrift: Chauffeur denk om de kinderen. Laat een ander mede opletten wanneer u achteruit rijdt. Pand gebouwd voor huidige firma F. Noordhoek en Zoon BV Kaas-Export, opgericht in 1912. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als goed voorbeeld van een naoorlogs bedrijfspand. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van bijzonder belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in een traditioneel functionalistische bouwstijl waarbij de traditionele kenmerken zoals het metselwerk en het fries zijn afgewisseld met functionele elementen zoals het platte dak, de brede luifel en de oeil de boeufs. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege de prominente en vrijstaande ligging op de hoek is sprake van stedenbouwkundige en beeldbepalende waarden. (H)
Waardering: Hoog




Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaand, twee bouwlagen tellend pand onder een plat dak. De in rode baksteen gemetselde voorgevel wordt afgesloten door een uitkragende bakgoot met een boeibord erboven. De voorgevel heeft op de begane grond een relatief brede erker met gekoppelde vensters. De erker wordt door een uitkragende gootlijst afgesloten en heeft een hoge gemetselde borstwering waarvan het bovendeel als plantenbak is ontworpen. De gootlijst boven de erker zet zich in horizontale richting voort als luifel boven de entree en zet zich als sierband even de hoek om. De verdieping heeft een horizontale geleding met gekoppelde, openslaande vensters. |
Datering | Circa 1925 |
Ontwerper | L. van der Vlugt |
Bouwstijl | Traditioneel-functionalistische trant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Stichtingssteen in rechter zijgevel. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van enig belang voor de 19de- en 20ste-eeuwse ontwikkeling langs de Zoutmansweg. (R)
architectuurhistorische waarde:
Van belang in het oeuvre van L. van der Vlugt (1894-1936), die samen met J.A. Brinkman mededirecteur was van het architectenbureau Brinkman en Van der Vlugt. Het ontwerp is uitgevoerd in een traditioneel-functionalistische trant waarbij de nadruk op horizontaliteit kenmerkend is. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Vanwege de vrijstaande situering enige beeldbepalende waarde. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis (villa) |
Beschrijving | Vrijstaande tweelaags bouwmassa met kapverdieping onder een samengesteld schilddak met een steekkap dat is gedekt met gesmoorde Romaanse pannen. Het dak is voorzien van brede overstekken. De topgevel heeft windveren. De in rode strengperssteen gemetselde gevels hebben strekken boven de vensters met aanzetstenen en decoratief metselwerk op de erkerhoeken en aan weerskanten van de entree. De voorgevel heeft links een bouwdeel met een topgevel. Rechts van de topgevel bevindt zich een tweelaags driekantige erker. De ramen zijn voorzien van bovenlichten die bezet zijn met glas-in-lood. De erfafscheiding bestaat uit een in strengperssteen gemetselde voetmuur met stalen buizen. |
Datering | 1924 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel-functionalisme / Interbellumarchitectuur |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Stichtingssteen met bouwjaar links naast voordeur. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Van belang als voorbeeld van een villa uit de periode van het Interbellum en karakteristiek voor de 20ste-eeuwse villaontwikkeling in dit deel van de stad. (R/H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in Interbellumarchitectuur. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Markante hoofdvorm en zeer beeldbepalend gesitueerd op hoek. (H)
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan het eind van een oprit gelegen kleine boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder respectievelijk een zadeldak met gesmoorde Tuile du Nordpannen en een afgewolfd drieschilddak met gesmoorde Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen. De daken hebben verspringende nokhoogten. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft gesneden windveren en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel heeft sierankers en strekken boven de vensters met gegoten aanzet- en sluitstenen. De vensters zijn bezet met schuiframen. In de topgevel is een engelenvenster geplaatst. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Aan de rechter zijde van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak. Op de dam over de wegsloot staat een niet oorspronkelijk sierhekwerk. |
Datering | 1881 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel met het engelenvenster en de gesneden windveren. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met Tuile du Nordpannen gedekt zadeldak. Oorspronkelijk was voorin het deels onderkelderde woonhuis aangebracht, achterin de stal. Nu heeft het geheel, na in- en uitwendige verbouwing, een woonfunctie. Het dakoverstek heeft gesneden windveren, een sierspant en een makelaar. De in kalkzandsteen opgetrokken voorgevel heeft sierbanden, bogen en boogvelden, uitgevoerd in rode baksteen. Aan de linker zijde van de boerderij staat een geheel nieuw opgetrokken zomerhuis uit 2007. |
Datering | 1908 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | L |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (R)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (R)
Waardering: Redelijk

Typologie | Woonhuis |
Beschrijving | Vrijstaande bouwmassa bestaande uit één bouwlaag met kapverdieping onder een schilddak met steekkappen. Het dak is gedekt met rode geglazuurde Tuile du Nordpannen en gedecoreerd met sierbollen. De dakoverstekken bezitten windveren. De in rode baksteen gemetselde gevels hebben stenen lateien boven de vensters. Segmentbogen, vensterdorpels en de plintlijst zijn uitgevoerd in geglazuurde, gesmoorde baksteen. De topgevels zijn voorzien van gepleisterd vakwerk. De voorgevel heeft rechts een risaliet met een puntgevel. De risaliet heeft een erker met afgeschuinde zijkanten met een balkon erboven dat door een houten spijlenhekwerk is omgeven. De schuiframen zijn voorzien van bovenlichten die bezet zijn met glas-in-lood. De rechter zijgevel heeft rechts in de gevel een risaliet met een puntgevel en een entree met een bovenlicht. In de linker zijgevel zit een erker van klein formaat. Op de dam over de wegsloot staat een oorspronkelijk giet- smeedijzeren sierhekwerk. |
Datering | 1909 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Chaletstijltrant |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
architectuurhistorische waarde:
Waardevol vanwege de karakteristieke verschijningsvorm in de trant van de Chaletstijl. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige en landschappelijke waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde pannen gedekt zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren en een sierspant. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel heeft muurankers en schuifvensters met strekken erboven met decoratief gepleisterde sluitstenen. In de rechter zijgevel bevindt zich de entree met een bovenlicht. Deze zijgevel heeft eveneens schuifvensters en, in het stalgedeelte, ijzeren stalvensters. Op de dam over de wegsloot staan twee niet oorspronkelijke, gemetselde entreeposten. |
Datering | 1898 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | L/R (met name vanwege sloop zomerhuis) |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Het bij de boerderij behorende zomerhuis, oorspronkelijk rechts van de boerderij, is gesloopt en vervangen door een woonhuis. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. De sloop van het zomerhuis en de nieuwbouwwoning die er voor in de plaats is gekomen doet afbreuk aan de waarde als complex. (L/R)
architectuurhistorische waarde:Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. De complex- en ensemblewaarde is verminderd door de sloop van het bijbehorende zomerhuis en de bouw van een, historisch niet bij de verschijningsvorm van de boerderij passende, nieuwbouwwoning. (L/R).
Waardering: Redelijk

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Kleine boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak dat gedekt is met gesmoorde Hollandse pannen. Op het rechter dakschild staat een aangekapte dakkapel. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis aangebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel is een ingezwenkte lijstgevel die wordt afgesloten door een kroonlijst. Boven de vensters zitten strekken. De gevels zijn bezet met vier- en zesruits schuiframen en keldervensters met diefijzers. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Tegen de rechter zijgevel is een boen-/washok met lessenaarsdak aangebouwd. |
Datering | 1865 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt afgewolfd zadeldak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft vlechtingen in de topgevel, staafankers en rollagen boven de vensters. De vensters bezitten toognagels. De van bovenlichten voorziene ramen zijn niet oorspronkelijk. In de rechter zijgevel ligt de entree onder een luifel. Het stalgedeelte heeft segmentgebogen ijzeren stalvensters. In de voorgevel is een stichtingssteen ingemetseld met het opschrift 1863. Links van de boerderij, verbonden door een tussenlid, staat het uit een latere periode daterende gemetselde zomerhuis (Zuidzijde 48a) onder een zadeldak met rechts in de voorgevel de entree. |
Datering | 1863 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder zadeldak met verspringende nokhoogten. Het woonhuis is gedekt met gesmoorde Hollandse pannen, het stalgedeelte heeft een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren, een sierspant en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint en strekken boven de gevelopeningen. De ramen zijn voorzien van bovenlichten. De keldervensters bezitten, evenals de stalvensters, luiken. Links van de boerderij staat een gemetseld zomerhuis onder een zadeldak waarvan het dakoverstek, net als dat van de boerderij, voorzien is van windveren, een sierspant en een makelaar. Op de dam over de wegsloot staat een ijzeren toegangshek. |
Datering | Circa 1890 (kern uit 1773) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij en van het zomerhuis. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan het eind van een lange oprit gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder zadeldaken. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek van het woonhuis heeft windveren en een makelaar. De in rode baksteen gemetselde voorgevel is gedecoreerd met sierbanden en bogen in rode strengperssteen. De voorgevel is bezet met schuifvensters en een engelenvenster in de topgevel. De keldervensters bezitten diefijzers. Rechts van de boerderij, op een ten opzichte van de boerderij naar voren springende positie, staat een forse gemetselde schuur onder een afgewolfd zadeldak. De voorgevel heeft betonnen lateien boven de liggende meerruits ramen en een centrale as met inrijdeuren en laaddeuren op de verdieping. Achter de schuur staat een hooiberg. |
Datering | 1905 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak waarvan het woonhuis is gedekt met gesmoorde kruispannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft gesneden windveren, een sierspant en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft decoratieve stenen lateien en ontlastingsbogen van geel geglazuurde baksteen. De ramen zijn uitgevoerd met een bovenlicht. De keldervensters zijn voorzien van diefijzers, het stalgedeelte van ijzeren stalvensters. De entree met een bovenlicht bevindt zich in de voorgevel, rechts van het midden. Op de dam over de wegsloot staat een gietsmeedijzeren toegangshek. |
Datering | 1919 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | De oorspronkelijke schuur is gesloopt en vervangen. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
De boerderij heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van het woonhuis. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan een lange oprit gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrische voorgevel heeft vlechtingen in de topgevel, sierankers en schuiframen met glas-in-lood bovenlichten. Aan de rechterkant van de boerderij staat het boenhok aan de sloot. Achter de boerderij staat naast de hooiberg een grote stenen garage(stal) met een groene schuur erachter. Achter de hooiberg staat nog een oude stenen stal. |
Datering | 1901 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak waarvan het woonhuis is gedekt met riet en het stalgedeelte met rode Verbeterde Hollandse pannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft staafankers, segmentbogen boven de vensters met gepleisterde aanzet- en sluitstenen en twee gevelstenen met het opschrift Anno en 1902 in de topgevel. Het dakoverstek heeft windveren met gesneden ornamenten. De boogvelden zijn bezet met mozaïektegels. De ramen zijn voorzien van bovenlichten. In de linker zijgevel ligt de entree in een portiek. De keldervensters bezitten diefijzers en luiken. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. Links van de boerderij staat een gemetseld zomerhuis onder een zadeldak. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1902 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Aan het eind van een lange oprit gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een zadeldak met gesmoorde kruispannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint en segmentbogen boven de vensters die zijn uitgevoerd in gele strengperssteen. Het dakoverstek is voorzien van windveren en een makelaar. De vensters zijn gevuld met ramen met tweeruits bovenlichten. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. |
Datering | Circa 1910 (kern uit 1803) |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging in de zichtlijn van een lange oprit en sloot. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met een wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, strekken boven de gevelopeningen die zijn uitgevoerd in gele strengperssteen en hoeklisenen met een blokprofilering. Het dakoverstek heeft windveren met niet oorspronkelijke decoratief gesneden makelaars en een sierspant. Centraal in de voorgevel ligt de entree met een bovenlicht. Links van deze entree is een stichtingssteen ingemetseld met het jaartal 1878. De vensters zijn voorzien van ramen met bovenlichten die deels bezet zijn met glas-in-lood. Centraal in de topgevel is, op de plaats van een voormalige blindnis, een venster met een klepraam bovenlicht aangebracht. De kelder- en stalvensters zijn in hout uitgevoerd. Rechts van de boerderij staat een voormalig zomerhuis onder een zadeldak waarvan het dakoverstek, net als dat van de boerderij, voorzien is van windveren en een makelaar. Achter de boerderij staat een hooiberg. Op de dam over de wegsloot staat een niet oorspronkelijk stalen sierhekwerk. |
Datering | 1878 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | L/R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Gemaal |
Beschrijving | Zo’n 400 m landinwaarts gelegen voormalig poldergemaal ten behoeve van de Zuidzijderpolder bestaande uit een eenlaags bakstenen gebouwtje onder een zadeldak met een entreeaanbouwtje aan de linker voorzijde. Het dakoverstek heeft windveren en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft segmentbogen boven de vensters en ijzeren roedevensters. Het interieur bevat een Pannevis centrifugaalpomp, aangedreven door een elektromotor. In 2006 is het gemaal buiten bedrijf gesteld. |
Datering | 1875 |
Ontwerper | Mogelijk W.C. en K. de Wit |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | Gevelsteen in kopgevel met bouwjaar. Verbouwd Circa 1935 en 1964. Het gemaal is in 1875 gesticht als hulpgemaal voor de windmolenbemaling van de Zuidzijderpolder en kreeg de naam Noodhulp. Zie verder: https://www.rijnland.net/overrijnland/erfgoed/artikelen-gebouwen-en-kunstwerken/gemaal-zuidzijderpolder Het gemaal is gedeeltelijk overwoekerd met klimop (2017) en daardoor slecht te zien. Debouwkundige staat is slecht. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Het gemaal heeft cultuurhistorische en civieltechnisch-historische waarden als onderdeel van de polderbemaling. Van belang als object(en) behorend bij het thema waterbeheersing. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Het gemaal heeft situationele en historisch-landschappelijke waarde in het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt zadeldak met wolfseind aan de achterzijde. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode handvorm baksteen opgetrokken voorgevel heeft een gepleisterde plint, strekken boven de vensters en vlechtingen in de topgevel. Het dakoverstek heeft windveren met een sierspant en een makelaar. De vensters zijn bezet met vierruits schuiframen met tweeruits bovenlichten. Centraal in de topgevel is een oeil de boeuf aangebracht. Links van de boerderij staat, via een tussenlid verbonden met de boerderij, een gemetseld zomerhuis onder een zadeldak waarvan het dakoverstek eveneens is voorzien van windveren, een sierspant en een makelaar. De symmetrisch ingedeelde voorgevel van dit zomerhuis heeft centraal in de voorgevel de entree met een bovenlicht. De ramen zijn eveneens uitgevoerd met een bovenlicht. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster met een rondboog bovenlicht. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1885 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken van de Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij en van het zomerhuis. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Kleine boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft vlechtingen in de topgevel, sierankers en niet oorspronkelijke ramen met een bovenlicht. Boven de gevelopeningen zitten segmentbogen met gepleisterde aanzet- en sluitstenen. De vensters op de begane grond zijn voorzien van luiken. De keldervensters bezitten diefijzers. Het stalgedeelte heeft stalvensters. |
Datering | 1877 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder met gesmoorde Verbeterde Hollandse pannen gedekte zadeldaken met verschillende nokhoogten. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren, een sierspant en een makelaar. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft gepleisterde sierbanden, gegoten gevelstenen en sierankers. De segmentbogen en gevelsteenomlijstingen zijn uitgevoerd in rode strengperssteen. De boogvelden van de begane grond zijn gevuld met decoratief gekleurd metselwerk. De schuifvensters zijn bezet met vier- en zesruits ramen. Het stalgedeelte heeft ijzeren stalvensters. |
Datering | 1912 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel met kenmerken Chaletstijl |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Gevelsteen met naam (Java Rust) en geschilderde datering. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Kleine boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak dat gedekt is met gesmoorde kruispannen. Voorin is het woonhuis ondergebracht, achterin de stal. Het dakoverstek heeft windveren. De in rode baksteen opgetrokken voorgevel heeft een gepleisterde plint, strekken boven de vensters en staafankers. In het gevelvlak boven het linker en rechter schuifvenster van de begane grond zijn twee gevelstenen aangebracht met een figuratieve voorstelling. De vensters zijn uitgevoerd met T-ramen. |
Datering | 1879 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | Nieuwbouwwoning links van de hoofdmassa. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Enige cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van enig belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. De nieuwbouw van het woonhuis links van de hoofdmassa doet afbreuk aan de herinneringswaarde. (L/R)
architectuurhistorische waarde:
De voorgevel heeft enige architectuurhistorische waarde. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van enige situationele waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. De verschijningsvorm van de nieuwbouwwoning verzwakt de ensemblewaarde van het historische complex. (L)
Waardering: Redelijk

Typologie | Arbeiderswoningen |
Beschrijving | Ensemble van drie woningen van één bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak met de nokrichting evenwijdig aan de straat. Het dak is gedekt met gesmoorde kruispannen. Het dakoverstek bij de kopgevels heeft windveren. De in rode baksteen gemetselde gevel heeft sierankers, sierbanden, segmentbogen en vensteromlijstingen van rode kalkzandsteen. De gevelafsluiting wordt gevormd door een fries met rode kalkzandsteen, geprofileerde gootklossen en een uitkragende bakgoot. De boogvelden zijn gevuld met geometrisch metselwerk van witte en rode kalkzandsteen. De schuiframen en entrees bezitten bovenlichten die bezet zijn met glas-in-lood. |
Datering | 1911 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Neorenaissancetrant |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van rijtje vroeg 20ste-eeuws arbeiderswoningen. Sociaalhistorische waarde vanwege functie als klein complex arbeiderswoningen. (H)
architectuurhistorische waarde:
Van belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp in neorenaissancetrant. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd langs de openbare weg en de Oude Rijn. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, sierankers, strekken boven de vensters en vlechtingen in de topgevel. De vensters zijn bezet met ramen met bovenlichten. Ook de entree, rechts in de voorgevel, heeft een bovenlicht. De keldervensters bezitten diefijzers. Het stalgedeelte heeft meerruits stalvensters met luiken. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak. |
Datering | 1885 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Schuur bij boerderij |
Beschrijving | Aan de linkerzijde en op terugspringende rooilijn van een historische boerderij gelegen gemetselde schuur van een bouwlaag met kapverdieping onder een zadeldak dat gedekt is met rode Hollandse pannen. De voorgevel is een tuitgevel met staafankers, sierbanden en diverse bogen in gele strengperssteen. De rondboog- en roosvensters zijn bezet met ramen met ijzeren raamroeden. De schuur is een bijgebouw van het historisch boerderijcomplex. |
Datering | 1871 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een bij de historische boerderij behorende schuur. Belangrijke complexwaarde van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
De schuur heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel. (R/H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De schuur heeft als onderdeel van het boerderijcomplex landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H).
Waardering: Hoog


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een doorlopend dak. Het voorhuis/woongedeelte heeft een met riet gedekt wolfsdak; het achterliggende stalgedeelte is gedekt met gesmoorde Tuile de Nordpannen. De boerderij heeft een in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel met sierankers, strekken boven de vensters en vlechtingen in de topgevel. De vensters op de begane grond hebben glas-in-lood bovenlichten. Daarboven bevinden zich schuifvensters. Het stalgedeelte is voorzien van stalvensters. Aan de rechterzijgevel van de boerderij is een boenhok aangebouwd. Daarachter bevindt zich een vrij recente uitbouw of verbouw van een eerder bouwdeel. Links van de boerderij staat een gemetselde schuur onder een zadeldak, gedekt met gesmoorde Hollandse pannen. De voorgevel is een afgeknotte halsgevel met een houten kroonlijst, twee vensters met roedenverdeling op de begane grond en een deur met bovenlicht op de verdieping, geflankeerd door dichtgezette gevelopeningen. De voorgevel heeft dezelfde sierankers als de boerderij. In de zijgevels van de schuur zitten ijzeren stalvensters. Een vernieuwde ingang ligt in de rechterzijgevel. Achter deze schuur staat een tweede schuur, opgetrokken in rode bakstenen en met een dak gedekt met rode Hollandse dakpannen. De zijgevels hebben ijzeren stalvensters. Achter de boerderij staat een hooiberg. |
Datering | 1870 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Nabij het Fort Wierickerschans gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met riet gedekt wolfsdak. De boerderij is, inclusief het stalgedeelte, in 2000 geheel tot woning verbouwd. Het rechter zijdakschild heeft een niet oorspronkelijke loggia, het linker dakschild een niet oorspronkelijke dakkapel; in totaal zijn drie dakramen in de dakvlakken aangebracht. De in rode baksteen opgetrokken symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft een gepleisterde plint, sierankers, strekken boven de vensters en vlechtingen in de topgevel. De linker zijgevel is niet oorspronkelijk gepleisterd. De ramen, evenals de entree in de linker zijgevel, zijn uitgevoerd met bovenlichten. |
Datering | 1880 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | R/H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging nabij het Fort Wierickerschans. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Redelijk


Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Op grote afstand van de openbare weg gelegen boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een afgewolfd zadeldak waarvan het woonhuis is gedekt met riet en de stal met gesmoorde pannen. Voorin is het deels onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De in rode baksteen opgetrokken, symmetrisch ingedeelde voorgevel heeft vlechtingen in de kopgevel, strekken boven de vensters en sierankers. De schuiframen zijn voorzien van bovenlichten die met glas-in-lood bezet zijn. De keldervensters bezitten diefijzers. |
Datering | 1875 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: R/H
Cultuurhistorische waarde historische waarde / kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft enige architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevel van de boerderij. (R)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalen ligging op behoorlijke afstand van de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven. (H)
Waardering: Hoog

ZH-RG-133-35
Oorspr. Functie | Klokkentoren |
Huidige functie | Klokkentoren |
Omschrijving | Kleine ca. 15 m hoge toren met vierkante plattegrond (ca. 3 bij 3 meter). Opgebouwd uit drie lagen, naar boven iets verjongend. Elk der vier gevels wordt bekroond door een kleine steile tympaan, waarin een wijzerplaat is opgenomen. Met entree aan de straat gesitueerd. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Rondbogen boven vensters en galmgaten. Entree met gekorniste rondboog. |
Vensters/deuren | Kleine rondboogvensters met glas in lood. Entreedeuren met panelen. |
Dak | Vierzijdige steile pyramide-spits met asbestleien in maasdekking. IJzeren sierbol en windvaan. |
Bijz. bijgeb./hek | Door tussenlid verbonden met brugwachterwoning (tolhuis). |
Bijzonderheden | In voorgevel een plaquette met jaartallen 1813-1913, verwijzend naar honderd jaar onafhankelijkheid. De toren wordt wel “Onafhankelijkheidstoren” genoemd. In de linker zijgevel is een stichtingssteen met datum 24 juni 1914. De klok werd en wordt volgens een overeenkomst geluid voor diensten van de tegenover de toren gesitueerde uit 1917 daterende gereformeerde kerk, hoewel de toren (eigendom van het “brugbestuur”) geen formele relatie met de kerk heeft. De bouwaanvraag dateert van 24 maart 1914. Het ontwerp is van Dirk de Bruin, timmerman. De toren is niet op palen gefundeerd, maar slechts op een betonplaat van 3,50 x 3,50 x 0,50 m. De muurdikte varieert van 45 cm onderaan tot 27 cm bovenaan. |
Motivatie | Van grote betekenis voor de locale geschiedenis vanwege relatie met brug en tolhuis en de unieke relatie met de kerk. Tevens beeldbepalende blikvanger; belangrijk voor het silhouet van Nieuwerbrug. |
Bouwjaar | 1914 |
Score | 16 |

ZH-RG-133-36
Oorspr. Functie | Kerk (gereformeerd) |
Huidige functie | Kerk (protestant) |
Omschrijving | Zaalkerk op rechthoekige plattegrond (17,4 bij 10,4 meter), met lengteas loodrecht op straat. Hoofdingang in symmetrische voorgevel. In de rechter zijgevel een zijentree uitkomend in consistorie. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Middendeel voorgevel een halve steen uitspringend. Gekorniste entreepartij met segmentboog. Rondbogen boven vensters. Natuurstenen consoles, aanzet- en sluitstenen. Boven in voorgevel een tandlijst. Zijgevels onderbroken door lichte steunberen. Ter hoogte van consistorie in elke zijgevel twee rondboognissen. Voorgevel bekroond door kleine vierzijdige houten lantaarn (of dakruiter), mogelijk ooit bestemd voor luidklok. |
Vensters/deuren | Boven entree driedelige vensterpartij bestaand uit groot rondboogvenster geflankeerd door twee kleinere rondboogvensters. In zijgedeelten van voorgevel en in de zijgevels rondboogvensters van diverse afmetingen, voorzien van glas in lood.. In linker zijgevel nabij de voorgevel een kleine deuropening met rondboog en houten deur; hier bevond zich de “waterplaats”. Entreedeur waarschijnlijk vernieuwd. |
Dak | Zadeldak met wolfseind, gesmoorde kruispannen. |
Bijz. bijgeb./hek | IJzeren hekwerk langs de straat. |
Groenaanleg | Smalle plantenperken rond kerkgebouw. Links een kleine tuin. |
Bijzonderheden | De bouwvergunning werd verleend op 5 september 1917. De kerk werd januari 1918 in gebruik genomen. Het ontwerp was van aannemer Cornelis Zaal te Bodegraven, die ook in Bodegraven een gereformeerd kerk had gebouwd. Interieur: houten tongewelf. Fraai pijporgel; door neorococo decoratie oogt het ouder dan het is. Het dateert uit 1920 en werd gebouwd door de firma Standaart te Rotterdam.. Het grootste deel van het interieur en het glas in lood van de vensters in de zijgevels dateert uit de jaren 60. In 2010 is de fundering versterkt en de dakruiter gereconstrueerd. |
Motivatie | Bepalend voor het beeld van de kern van Nieuwerbrug in samenhang met brug, tolhuis en klokkentoren. |
Bouwjaar | 1917 |
Score | 16 |


zh-rg-131-35
Functie | Apotheek |
Omschrijving | Hoekpand opgebouwd uit twee bouwlagen en zolderverdieping. Met voorgevel (symmetrische lijstgevel) en entree gesitueerd aan de Brugstraat, rechter zijgevel gelegen aan Wilhelminastraat. Aan achterzijde éénlaagse aanbouw. |
Gevels | Wit geschilderd pleisterwerk. Op eerste verdieping voorgevel schijnvoegen. Hoekpilasters met spaarvelden. Hoofdgestel opgebouwd uit gepleisterd fries en houten kroonlijst. Puilijst met bewerkte consoles. Winkelpui met pilasters en drie geprofileerde rondbogen met kuifjes. Rechter zijgevel glad afgewerkt. |
Vensters/deuren | Schuifvensters, gedeeltelijk gerenoveerd. Nieuwe deur. |
Dak | 3-schildsdak met gesmoorde Oudhollandse pannen. Dakkapel met fronton en klauwstukken. |
Bijz. bijgeb./hek | Aan achterzijde, zijde Wilhelminastraat, recente éénlaagse uitbouw. |
Motivatie | Markante lijstgevel, mede beeldbepalend door situering aan het kruispunt. |
Bouwjaar | 1871 |
Score | 18 |


Functie | Opslagruimte |
Omschrijving | Op ca. 12 meter van de straat gesitueerd gebouwtje met symmetrische topgevel. Begane grond en dakverdieping. Entree in voorgevel. Aan de achterzijde een lage aanbouw. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Gele baksteen decoratief toegepast in segmentbogen boven de vensters, ruitvormige versieringen boven de vensters op de begane grond en in een laag halverwege venster op bovenverdieping. Boven in de voorgevel een klein houten voorschot. |
Vensters/deuren | Op de begane grond twee zesruits vensters. Dubbele deur met kraaldelen. |
Dak | Zadeldak, gesmoorde Oudhollandse pannen, houten windveren. |
Groenaanleg | Enkele bomen op het voorerf. |
Bijzonderheden | Vroeger in gebruik als werkplaats/laboratorium bij de apotheek voor fabricage van o.a. pillen en gedistilleerd water. |
Motivatie | Karakteristiek pand vanwege detaillering en situering. |
Bouwjaar | 1923 |
Score | 19 |


zh-rg-124-34
Functie | Boerderij |
Omschrijving | Boerderij bestaande uit woonhuis met kopgevel richting straat en erachter een lagere stal. Daarachter een nog lagere en oudere stal. Achter dit hoofdvolume, buiten, de hooiberg. Rechts, achter sloot, het zomerhuis. Voorgevel is halsgevel. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Verwerking van gele baksteen in speklagen, bogen en boogvelden. Rozetankers. Gepleisterde plint. |
Vensters/deuren | T-ruit schuifvensters. Houten stalvensters met luiken. Oorspronkelijke voordeur. |
Dak | Zadeldaken rietgedekt. |
Bijz. bijgeb./hek | Zomerhuis met zadeldak, 6-ruits schuifvensters. Hooiberg. |
Groenaanleg | Rechts van het perceel een sloot. 2 beuken voor de voorgevel, 1 beuk langs sloot. |
Motivatie | Redelijk gave boerderij. Karakteristiek voor bouwtijd. |
Bouwjaar | ca. 1900 |
Score | 16 |

ZH-RG-129-13
Oorspr. functie | Boerderij |
Huidige functie | Boerderij |
Omschrijving | Boerderij op rechthoekige plattegrond, Zuid-Hollands type. Op ca. 100 meter van de weg gelegen. Voorgevel is ingezwenkte lijstgevel. Entree in rechter zijgevel. Aan achterzijde het stalgedeelte, dat één volume vormt met het voorhuis. |
Gevels | Rode baksteen, voorgevel kruisverband; zijgevels halfsteens verband. Segmentbogen boven vensters. Spatrand van lichtgrijs geschilderd pleisterwerk. Houten hoofdgestel, ijzeren sierankers. De ingezwenkte gedeelten van de voorgevel steken iets uit en worden ondersteund door consoles. |
Vensters/deuren | In voorgevel originele zesruits schuifvensters. In rechter zijgevel nieuwe voordeur en woonkamerraam. IJzeren stalvensters. |
Dak | Zadeldak met wolfseinden. Rietdekking. |
Bijz. bijgeb./hek | Rechts een klein (bouwvallig) zomerhuis. Achter de boerderij een met riet gedekte hooiberg. Nieuwe stal op achtererf. |
Groenaanleg | Tuin aan voorzijde en linkerzijde. Grasstroken rond erf. |
Motivatie | Markante boerderij in grotendeels authentieke staat. Karakteristiek voor agrarisch gebied; schaalvergroting in bedrijfstak vormt bedreiging. |
Bouwjaar | 1876 (Stichtingssteen in voorgevel). |
Score | 15 |
Gemeente | Reeuwijk |
Plaats | Waarder |
Adres | Dorp 13 (was 17) |
Object | Hervormd verenigingsgebouw |
Kad. aand. | B1757 |
Eigenaar | Kerkvoogdij der Hervormde Gemeente van Waarder c.a. |
Oorspr. functie | School |
Bouwjaar | 1882 |
Beschrijving
Dit gebouw is op zeer korte afstand ten zuiden van de Hervormde Kerk van Waarder gesitueerd. De oorspronkelijke hoofdbouwmassa wordt gevormd door een bouwlaag met een kap.
Aan de oost- en zuidzijde is het gebouw in de loop van deze eeuw verbouwd en uitgebreid. Daarbij werden toiletten, een keuken, een berging, een vergaderruimte en een gang in de plat afgedekte vorm aan het oorspronkelijke gebouw toegevoegd.
De kap, in de vorm van een zadeldak, is afgedekt met gesmoorde Hollandse dakpannen. De oorspronkelijke noord- en zuidzijde worden gevormd door zogenaamde tuitgevels. Alle gevels zijn met name opgetrokken in rode baksteen met in de oudste gevelvlakken in gele baksteen uitgevoerde versieringen ("speklagen", "muizetand", boven het blind venster in de noord- en gevelopeningen in noord- en westergevel aangebrachte korfbogen, bakstenen vlechtingen in de bijbehorende boogvelden en 3 gestileerde bloemmotieven in voornoemd blind venster).
Naast het blind venster op begane grond bevinden zich in de noordgevel een gevelopening op de verdieping (kozijn met middenstijl), 3 muurankers en 2 gevelstenen waarop vermeld de eerste steenlegging en het bouwjaar. De oorspronkelijke 6 gevelopeningen in de westgevel (2 aan 2 per lokaal, thans nog zichtbaar aanwezig door de gehandhaafde korfbogen) zijn in deze eeuw samengetrokken tot in totaal 3 grote openingen. De goten worden gedragen door gemetselde consoles, in totaal 15 langs de westgevel.
De voornoemde uitbreidingen zijn zeer sober van karakter en voegen niets toe aan de monumentale waarde van dit pand.
Motivering
Deze oudste, nog als zodanig herkenbare, dorpsschool in de gemeente Reeuwijk (alhier enig in zijn soort) heeft in stedenbouwkundig en cultuur-historisch opzicht een belangrijke relatie met de nabijgelegen Hervormde Kerk. Beide zijn vanuit de historie nauw aan elkaar verwant. Mede door de sloop van de aanpalende oude onderwijzerswoning vormt het pand, met name in de oude hoofdbouwmassa, nog een van de weinige onderdelen van de oorspronkelijke dorpsbebouwing van Waarder en de vroegere bebouwing direct rondom de Kerk. Daardoor is het gebouw van wezenlijk belang voor de historische stedenbouwkundige context van voornoemd monumentaal kerkgebouw.
De oorspronkelijke bouwmassa en gevelarchitectuur zijn nog goed herkenbaar aanwezig. De voor een dergelijke school rijk versierde gevels zijn voor Reeuwijk uniek en worden vanuit architectonisch oogpunt voor het geheel van de gemeente als waardevol geacht.
RWV/3466 NE/21/10-7*
Omschrijving monument (monumentnummer 2000.03.)
Vrijstaande voormalige boerderij met een voorhuis gebouwd in 1862 en een achterhuis gebouwd in ca 1790, beide met wit gepleisterde gevels. De panden zijn thans als woonhuis in gebruik en worden verbonden door een houten schuur met tussenlid. De panden zijn in 1979 en in 1989 verbouwd. In 1992 werd het voorhuis in oude “tiltwoning”-stijl hersteld (waarbij de staanders en het balkenplafond weer zichtbaar werden) en werd het achterhuis tot atelier verbouwd.
Op het terrein bevinden zich een houten schuur, een tuinhuisje, een kippenhok en een kas die niet beschermingswaardig zijn.
Voorhuis
Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak met wolfeinden gedekt met riet. Op de nok, waarvan de richting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen. De wit gepleisterde gevel zijn voorzien van een grijs geschilderde plint.
Voorgevel
De begane grond heeft een venster met een vierruits roedenverdeling en drie recent gewijzigde vensters waarvan de meest rechter zich voor de helft in een eenlaagse aanbouw met plat dak bevindt. Op de verdieping bevindt zich een venster met vierruits roedenverdeling.
De gevelopeningen hebben geglazuurde lekdorpels. In de top van de gevel is een gevelsteen ingemetseld met het jaartal “1862".
Linkerzijgevel
De gevel heeft een groot recent vervangen venster dat het dak doorsteekt en als dakkapel overkapt is. Links bevindt zich een klein lager geplaatst venster. In het dak zijn verspreid in totaal drie dakvensters toegevoegd.
Geheel links is de schuur en het verbonden tussen deel zichtbaar.
Rechterzijgevel
Hetlinker uitspringende geveldeel heeft twee recent gewijzigde vensters met geglazuurde lekdorpels. De gevel wordt afgesloten met een gootlijst op klossen. De rechterzijde heeft een venster met vierruits roedenverdeling.
Het rechter gevelvlak heeft een toegang met een vensterpartij aan de linkerzijde onder een houten afdak dat op houten stutten steunt. Rechts bevindt zich een recent vervangen koppelvenster met twee vensters met bovenlichten.
Achtergevel
De gevel is blind en wordt deels ingenomen door het tussen lid.
Achterhuis
Het achterhuis bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak gedekt met rode Hollandse pannen. Op het uiteinde van de nok waarvan de richting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen.
Voorgevel
De tuitgevel wordt op de begane grond door het lessenaarsdak van de schuur tot aan de verdieping aan het zicht onttrokken. De verdieping heeft een venster met een hardstenen lekdorpel. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar.
Linkerzijgevel
De gevel wordt grotendeels aan het zicht onttrokken door een aangebouwde houten schuur met een lessenaarsdak gedekt met golfplaten. De gevel van de schuur heeft in totaal twee vensters. In het dak van het huis is een dakvenster toegevoegd.
Rechterzijgevel
Geheel links is het tussen deel zichtbaar en heeft een groot venster. De gevel is links voorzien van een recent vervangen venster. Centraal bevindt zich een smaller recent vervangen venster en rechts een dubbel recent vervangen venster. De vensters kunnen geblindeerd worden met luiken. Onder de dakrand zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een mastgoot.

Vrijstaande voormalige boerderij met een voorhuis gebouwd in 1862 en een achterhuis gebouwd in ca 1790, beide met wit gepleisterde gevels. De panden zijn thans als woonhuis in gebruik en worden verbonden door een houten schuur met tussenlid. De panden zijn in 1979 en in 1989 verbouwd. In 1992 werd het voorhuis in oude “tiltwoning”-stijl hersteld (waarbij de staanders en het balkenplafond weer zichtbaar werden) en werd het achterhuis tot atelier verbouwd. Op het terrein bevinden zich een houten schuur, een tuinhuisje, een kippenhok en een kas die niet beschermenswaardig zijn.
Voorhuis
Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak met wolfeinden gedekt met riet. Op de nok, waarvan de richting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen. De wit gepleisterde gevel zijn voorzien van een grijs geschilderde plint.
Voorgevel
De begane grond heeft een venster met een vierruits roedenverdeling en drie recent gewijzigde vensters waarvan de meest rechter zich voor de helft in een eenlaagse aanbouw met plat dak bevindt. Op de verdieping bevindt zich een venster met vierruits roedenverdeling. De gevelopeningen hebben geglazuurde lekdorpels. In de top van de gevel is een gevelsteen ingemetseld met het jaartal “1862".
Linkerzijgevel
De gevel heeft een groot recent vervangen venster dat het dak doorsteekt en als dakkapel overkapt is. Links bevindt zich een klein lager geplaatst venster. In het dak zijn verspreid in totaal drie dakvensters toegevoegd. Geheel links is de schuur en het verbonden tussendeel zichtbaar.
Rechterzijgevel
Het linker uitspringende geveldeel heeft twee recent gewijzigde vensters met geglazuurde lekdorpels. De gevel wordt afgesloten met een gootlijst op klossen. De rechterzijde heeft een venster met vierruits roedenverdeling. Het rechter gevelvlak heeft een toegang met een vensterpartij aan de linkerzijde onder een houten afdak dat op houten stutten steunt. Rechts bevindt zich een recent vervangen koppelvenster met twee vensters met bovenlichten.
Achtergevel
De gevel is blind en wordt deels ingenomen door het tussen lid.
Achterhuis
Het achterhuis bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak gedekt met rode Hollandse pannen. Op het uiteinde van de nok waarvan de richting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen.
Voorgevel
De tuitgevel wordt op de begane grond door het lessenaarsdak van de schuur tot aan de verdieping aan het zicht onttrokken. De verdieping heeft een venster met een hardstenen lekdorpel. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar.
Linkerzijgevel
De gevel wordt grotendeels aan het zicht onttrokken door een aangebouwde houten schuur met een lessenaarsdak gedekt met golfplaten. De gevel van de schuur heeft in totaal twee vensters. In het dak van het huis is een dakvenster toegevoegd.
Rechterzijgevel
Geheel links is het tussen deel zichtbaar en heeft een groot venster. De gevel is links voorzien van een recent vervangen venster. Centraal bevindt zich een smaller recent vervangen venster en rechts een dubbel recent vervangen venster. De vensters kunnen geblindeerd worden met luiken. Onder de dakrand zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een mastgoot.
Waardering
De v.m. boerderij aan het Dorp 21 is van belang omdat:
het een voorbeeld is van een vm. boerderij uit ca. 1790 en 1862,
de bouwmassa’s intact zijn en delen van het interieur van het voorhuisin originele staat teruggebracht zijn,
de detailleringen van het metselwerk gaaf zijn,
deze zich voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
deze herinnert aan de economische geschiedenis van Waarder.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de commissie de panden aan het Dorp 21 een monument in de zin van artikel 1, lid 1 sub a van de monumentenverordening Reeuwijk vanwege de cultuurhistorische waarden.
Zij adviseert u dan ook de panden aan het Dorp 21 aan te wijzen tot gemeentelijk monument en te registreren op de gemeentelijke monumentenlijst.
006
Omschrijving Kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk van Waarder
Zaalkerk van 1881 met rondom bakstenen gevels en een dak met drie schilden dat is gedekt met gesmoorde pannen. De kerk is zeven traveeën lang. Die traveeën zijn met behulp van lisenen, die aan de bovenzijde door middel van tandlijsten met elkaar zijn verbonden, van elkaar gescheiden.
Exterieur
Westgevel
De westgevel is een tuitgevel met een gestucte plint, een gestucte cordonlijst over de gehele breedte en een middenrisaliet. De risaliet bezit een hoog rondboogvormig spaarveld met gestucte sluitsteen en is op de begane grond voorzien van een ingangspartij die bestaat uit een kozijn met dubbele deuren en een bovenlicht. Het kozijn is voorzien van een omlijsting in neo-classicistische stijl, met pilasters en een fronton. Boven deze entree bevinden zich vier ankers die het jaartal 1881 vormen. Erboven, in het spaarveld, bevindt zich een rondboogvormig venster met stalen roeden. Onder het venster bevindt zich een rechthoekige nis met siermetselwerk en erboven is een rondboog met gestucte sluitsteen gemetseld. In de bovenzijde van de risaliet is een cirkelvormige nis met ter decoratie vier gestucte stenen aangebracht. De zijkanten van de top van de risaliet zijn voorzien van schouders met dekstenen en eronder sierankers. De top is aan de bovenzijde afgezet met een gestucte lijst en wordt bekroond door een kleine trap met dekstenen.
De gevelgedeelten aan weerszijden van de risaliet bezitten op de begane grond elk een ingangspartij die bestaat uit een kozijn met dubbele deuren en een bovenlicht. Beide kozijnen zijn voorzien van een omlijsting in neoclassicistische stijl, met pilasters en een fronton. Erboven bevindt zich een rondboog vormig venster met een stalen roedenverdeling. De geveldelen zijn aan de bovenzijde afgezet met een gestucte lijst.
Zuidgevel
De zuidgevel bezit per travee een rondboogvormig venster met stalen roeden verdeling. Erboven zijn rondbogen gemetseld. De gevel is aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudige gootlijst. Tegen de meest oostelijke drie traveeën is in 1987 nieuwbouw geplaatst.
Noordgevel
De noordgevel is vanaf de openbare weg niet zichtbaar.
Oostgevel
De oostgevel is vanaf de openbare weg niet zichtbaar.
Interieur
In het interieur is een mechanisch kerkorgel aanwezig. Het kerkorgel werd in 1902 gebouwd door Jan Proper uit Kampen. In 1946 verving orgelbouwer Bergmeyer de holpijp 8' door een celeste 8'. Bij de restauratie van het orgel in 1971 voegde orgelbouwer Lois J. Kramer uit Boskoop een Mixtuur toe aan het manuaal. Ook bouwde Kramer in 1971 het vrije pedaalmechaniek en voegde een Gedekt 8' toe aan het pedaal.
In 1993 is het orgel gerestaureerd en geheel geïntoneerd door de orgelbouwers Gebr. Reil te Heerde. Het orgel heeft een manuaal en een vrij pedaal wat gekoppeld kan worden aan het manuaal. De dispositie van het orgel is:
Manuaal: | Prestand 8' |
- | Gamba 8' |
- | Celeste 8' |
- | Roerfluit 8' |
- | Oktaaf 4' |
- | Spitsfluit 4' |
- | Quint 2 2/3' |
- | Oktaaf 2 |
- | Cornnet 3 pijpen per toets |
- | Mixtuur 4 pijpen per toets |
- | Trompet 8' |
Pedaal: | Bourdon 16' |
- | Gedekt 8' |
- | Fluit 4' |
Belang van het object
De Gereformeerde Kerk te Waarder is van algemeen lokaal belang wegens haar schoonheid. De oorspronkelijke structuur en schaal van het complex zijn nog intact. Het complex als geheel is zondermeer gaaf. De kerk is architectuurhistorisch van belang.

Aanwijzing gemeentelijk monument: B384
Typologie | Maalderij |
Beschrijving | L-vormig bedrijfspand, gedeeltelijk onder zadeldaken, gedeeltelijk plat afgedekt (achterzijde).De maalderij is opgetrokken in rode baksteen met vierkante spaarvelden tussen horizontale banden en lisenen en in de topgevels boog- of kwartcirkelvormige spaarvelden. De plint van het gebouw is gecementeerd. De topgevels hebben uitkragend metselwerk op de hoeken. In de rechtervoorgevel zijn naam en datering aangebracht. Vensters en deuren zijn in hout uitgevoerd. Erboven liggen betonnen lateien, eronder betonnen dorpels. Een aantal gevelopeningen topgevels, laaddeuren voorgevel links) is dichtgezet. De zadeldaken zijn gedekt met gesmoorde Tuile-du-Nord pannen. Het plat afgedekte deel aan de achterzijde is in 1955 toegevoegd (datumsteen). |
Datering | 1915, 1955 (aanbouw) |
Ontwerper | J. Heemskerk, ook architect van het naburige klooster H.H. Petrus en Paulus en de Jozefschool (beide rijksmonument). |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | R/H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | In 1913 richtten pastoor Antonius Hakkeling van de parochie van de H.H. Petrus en Paulus te Reeuwijk en Cornelis Vermeulen Gzn, voorzitter van de Rooms-Katholieke Land~ en Tuinbouwbond Sint- Isidorus, de Rooms-Katholieke Coöperatieve Landbouwvereniging St. Catharina op. Deze bouwde de maalderij voor veevoer aan de Dorpsweg, tegenover de openbare school (Bron RHC Rijnstreek). In de jaren ’80 van de 20ste eeuw ging het gebouw fungeren als kaaspakhuis. |
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde/kenmerkendheid:
Lokaal belangrijke cultuurhistorische waarde onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van Reeuwijk-Dorp. Monument van bedrijf en techniek, van belang als object behorend bij het thema specifieke gebeurtenissen of plaatselijke ontwikkelingen. (H)
architectuurhistorische waarde:
Het gebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van hoofdvorm en detaillering van het complex. Dit betreft met name het bouwdeel uit 1915. (H)
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de Dorpsweg. Ook dit betreft het bouwdeel uit 1915. (H)
Waardering: Hoog plus
Deze waardering geldt met name voor het bouwdeel uit 1915. Het bouwdeel uit 1955 is functioneel uitgevoerd en in stijl aansluitend op het eerdere gebouw. Architectonisch is het echter minder bijzonder (waardering: redelijk).

zh-rg-132-12
Functie | Woonhuizen |
Omschrijving | Rijtje van 5 woonhuizen, elk onder afzonderlijke kap (nok loodrecht op gevel). Tezamen verenigd achter een 2-laagse lijstgevel. Pand nr. 5 onderscheidt zich door grotere kap en grotere vensters op eerste verdieping; overige panden identiek van opzet. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Segmentbogen boven vensters en deuren. Gemetselde pilasters. Gepleisterde plint. IJzeren sierankers, houten hoofdgestel. Knipvoegen. |
Vensters/deuren | Houten schuifvensters. Vensters van nr. 9 en eerste verdieping nr. 6 gerenoveerd. Voordeuren allemaal vervangen. |
Dak | Nr. 5 mansardedak, dakkapel met fronton. Gesmoorde Tuile-du-Nord. Overige daken zadeldaken met wolfseinden aan voorzijde. Gesmoorde Oudhollandse pannen. |
Bijzonderheden | Bouwjaar volgens gevelsteen rechts naast voordeur nr.7. |
Motivatie | De vijf panden zijn een gaaf architectonisch geheel en vormen een karakteristieke gevelwand. |
Bouwjaar | 1887 |
Score | 18,5 |

ZH-RG-133-33
Oorspr. Functie | Woonhuis |
Huidige functie | Woonhuis |
Omschrijving | Statig woonhuis op vrijwel vierkante plattegrond, opgebouwd uit begane grond en dakverdieping. Voorgevel is symmetrische tweelaags lijstgevel, waarin zich de entree bevindt. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Vensters in voorgevel voorzien van geprofileerde afgeronde omlijsting. Langs onderzijde vensters bovenverdieping loopt een cordonlijst. |
Vensters/deuren | Schuifvensters met afgeronde hoeken. Bovenlichten met nieuw glas in lood. Voordeur waarschijnlijk vernieuwd. |
Dak | Zadeldak met wolfseind aan voorzijde, gesmoorde Hollandse dakpannen. Nieuwe dakkapel. |
Groenaanleg | Fraaie formele voortuin. |
Bijz. bijgeb./hek | Authentiek entreehek bij inrit erf. |
Bijzonderheden | Vernieuwd gedeelte aan achterzijde. |
Motivatie | Markant herenhuis. Karakteristiek door detaillering voorgevel. |
Bouwjaar | Ca. 1890 |
Score | 15 |


Functie | Woonhuis |
Omschrijving | Woning op rechthoekige plattegrond, opgebouwd uit begane grond en dakverdieping. Entree in voorgevel. |
Gevels | Rode (IJssel-)baksteen, kruisverband, rollagen boven vensters. Vlechtingen in de voorgevel. Plint en linker zijgevel gepleisterd. Aan achterzijde een kleine houten aanbouw. IJzeren ankers. |
Vensters/deuren | Roedenvensters met luiken. Voordeur en venster eerste verdieping waarschijnlijk vernieuwd XXb. |
Dak | Half schilddak met wolfseind aan voorzijde. Rietdekking. Aan achterzijde dakvoet iets verhoogd boven een klein venster. |
Bijz. bijgeb./hek | Op achtererf aan het water van de Oude Rijn een grote karakteristieke houten schuur (XXa/b). Links naast de woning een -eveneens karakteristieke- grote houten schuur (XXa/b) met daarachter een zeer bouwvallige half gesloopte arbeiderswoning (XIXA). |
Motivatie | Woning karakteristiek, hoge ouderdom; schuren beeldondersteunend. |
Bouwjaar | Woning: XVIId/XVIIIa |
Score | 19,5 |

ZH-RG-124-18
Oorspr. Functie | Woonhuis |
Huidige functie | Woonhuis-kantoor |
Omschrijving | Pand opgebouwd uit twee lagen en zolderverdieping. Symmetrisch opgezet, oorspronkelijk waarschijnlijk twee onder één kap. Voorgevel is lijstgevel. Verdiept entreeportiek met twee entrees. |
Gevels | Rode baksteen , staand verband. Strekken boven vensters. Entreeportiek met dorpel en stijlen rustend op consoles, bekroond door een op consoles rustende kroonlijst. Op eerste verdieping boven entreeportiek een gepleisterd blindvenster met decoratieve groeven. Gevel bekroond door houten hoofdgestel. |
Vensters/deuren | Zesruits schuifvensters. Kozijnen met toognagels. In entreeportiek twee voordeuren met panelen. Nieuwe deur in linker zijgevel. |
Dak | Schilddak, gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse pannen. |
Bijzonderheden | Achterterrein volgebouwd. |
Motivatie | Grotendeels authentiek, beeldbepalend element in gevelwand Kerkstraat. |
Bouwjaar | Ca. 1875 |
Score | 15 |

zh-rg-124-21
Functie | Woonhuis |
Omschrijving | 2-laags pand bestaande uit voorhuis en smaller achterhuis. Beide onder eigen dak. Voorgevel aan straat is lijstgevel met decoratie d.m.v. gegoten en gepleisterde onderdelen. Midden boven voorgevel de dakkapel. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Gepleisterde plint. Gegoten hoekblokken, aanzet- en sluitstenen, consoles en lisenen. Houten cordonlijst, goot en kroonlijst. In boogvelden gele en zwarte tegeltjes. |
Vensters/deuren | 2-ruits schuifvensters. Oorspronkelijke houten deur. |
Dak | Schilddak met gesmoorde Hollandse pannen. Dakkapel met houten gebroken tympaan. |
Bijz. bijgeb./hek | Gietijzeren hek naar achterterrein. |
Motivatie | Redelijk gaaf pand. Karakteristiek voor bouwtijd. |
Bouwjaar | ca. 1895 |
Score | 16 |

ZH-RG-121-32
Oorspr. Functie | Woonhuis/bankgebouw |
Huidige functie | Woonhuis/kantoor |
Omschrijving | Halfvrijstaand pand, opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Entree rechts in voorgevel inzijrisaliet, dat wordt bekroond door een rijk gedetailleerd trapgeveltje met kleine frontonbekroning. Linker hoek afgeschuind en risalerend, met op de eerste verdieping een klein balkon, rustend op consoles. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Korfboog boven entree, segmentbogen boven vensters op begane grond, rondbogen boven vensters op eerste verdieping. Wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen toegepast in spekbanden, aanzet-/sluitstenen, consoles, cordonlijsten en andere geveldecoraties. |
Vensters/deuren | Schuifvensters. Houten voordeur uit 1932. |
Dak | Plat dak met steile dakschilden en steekkapje, gedekt met gesmoorde kruispannen. Op de linker hoek en gemetselde dakkapel met decoraties. |
Bijzonderheden | Bouwaanvraag voor verbouwing Middenstandsbank in 1932; wijziging interieur en voordeur. |
Motivatie | Rijk gedetailleerd, markant voorbeeld van neo-Renaissance invloed. Beeldbepalend in gevelwand. |
Bouwjaar | 1889 |
Score | 15 |


ZH-RG-121-31
Oorspr. Functie | Woonhuis en winkel |
Huidige functie | Woonhuis en winkel |
Omschrijving | Twee in samenhang ontworpen winkelpanden met bovenwoningen. Beide opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Gesitueerd op hoek, van Kerkstraat en Oude Markt. Het hoekpand heeft een afgeschuinde hoek, die wordt bekroond door een hoektorentje met loggia. In de afgeschuinde hoek bevindt zich een winkelentree met daarboven een uitkragend balkon. De twee panden zijn door een éénlaags tussenlid onderling verbonden. Totaal grondoppervlak ca. 20 x 7 m. |
Gevels | Pleisterwerk; wit geschilderd. Rode baksteen decoratief toegepast in banden, rollagen en segmentbogen. Op tweede verdieping gemetselde dakkapellen met hoekkantelen (of pinakels). |
Vensters/deuren | Enkele en samengestelde schuifvensters. Drie grote winkelvensters met segmentboog. Deuren meest vernieuwd; alleen voordeur links naast tussenlid oogt authentiek. |
Dak | Plat dak met stijle dakschilden, gedekt met losenges (eternitleien?). Hoektorentje met pyramidedak. |
Bijzonderheden | Bouwaanvraag gedateerd 27 oktober 1904. Ontworpen door Cornelis Scheer, timmerman/aannemer te Bodegraven. |
Motivatie | Grotendeels authentiek, door onderlinge samenhang en markante architectuur beeldbepalend voor aanzicht Oude Markt |
Bouwjaar | 1904 |
Score | 15 |

zh-rg-124-26
Functie | Lantaarnpaal |
Omschrijving | Vijfarmige straatlantaarn van gietijzer met elektrische lamp, Groen geverfd. |
Bijzonderheden | Hiervan staan vele enkelvoudige exemplaren in de kern. In de Kerkstraat zijn dergelijke lantaarns aan de gevels bevestigd als straatverlichting. Op de hoek Marktstraat/Noordstraat staat een 2e vijfarmige. |
Bouwjaar | - |
Score | 3 |


B070 Z-18/062285-doc, 19111266
Kadastrale aanduiding: 6574 (Kerkstraat) en 7166 (Markstraat hoek Noordstraat)
Typologie | Lantaarn (m.u.v. paal) |
Beschrijving | Vijfarmige straatlantaarn van gietijzer. Donkergroen geschilderd. De lantaarn bestaat uit een gecanneluurde (in lengterichting gegroefde) paal van enkele segmenten die naar boven toe smaller worden. De paal zelf is echter geen gemeentelijk monument. De paal wordt bekroond door vier decoratief uitgevoerde armen met daarop lantaarns, de vijfde en grootste lantaarn staat op het bovense deel van de paal. Er staan in het centrum van Bodegraven twee identieke exemplaren, een in de Kerkstraat en een op de hoek van de Marktstraat met de Noordstraat. |
Datering | - |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R |
Opmerkingen | Beide lantaarnpalen zijn in feite van hetzelfde type als de lantaarnpalen die verder in het gebied rond de kerk (Oude Markt 1) staan, maar voorzien van meerdere lantaarns. Ook de lantaarns die in de Kerkstraat aan enkele gevels zijn bevestigd, zijn typologisch verwant. |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde / kenmerkendheid:
Illustratief als voorbeeld van historisch straatmeubilair. (H)
architectuurhistorische waarde:
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Beeldbepalend gesitueerd in kern. (H)
Waardering: Hoog plus
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer B 3722
Beschrijving complex
Kerk
Zaalkerk gebouwd in 1871 met aan de westzijde, een in de as geplaatste torenopbouw. De kerk is gebouwd achter de middeleeuwse voorganger, die na de bouw is gesloopt waardoor de grote open ruimte voor de kerk is ontstaan. Het zadel dak van de kerk is voorzien van verbeterde Hollandse pannen en de torenspits is gedekt met leien in Maasdekking. De kerk is vijf traveeën lang en bezit rondom bakstenen gevels. De traveeën zijn met behulp van lisenen van elkaar gescheiden. Alle gevels zijn voorzien van een uitkragende borstwering en de zijgevels bezitten cordonlijsten die tevens als lekdorpel voor de erboven gelegen vensters fungeren. De lisenen zijn op dezelfde hoogte van een afzaat voorzien.
Exterieur
Westgevel
De westgevel bezit een middenrisaliet en aan weerszijden daarvan twee boven elkaar geplaatste rondboogvormige vensters met een stalen zesruits roeden verdeling. De vensters bezitten hardstenen onderdorpels. De beide geveldelen aan weerszijden van de risaliet volgen aan de bovenzijde de dakvorm van de kerk en zijn afgezet met een kunststenen lijst. Aan de buitenzijde zijn ze afgezet met een liseen. De risaliet zelf is op de begane grond voorzien van een rondboogvormig kozijn dat verdiept ís aangebracht en waarin twee deuren en een rondboogvormig bovenlicht met luiken. Voor de entree bevindt zich een bakstenen trap. Boven de ingangspartij is een gestucte rondboog geplaatst die eindigt op horizontale cordonlijsten ter hoogte van het kalf van het kozijn. Boven de ingangspartij is de risaliet onderbroken door een gestucte geprofileerde lijst. Erboven bevindt zich een cirkelvormig venster met bijzondere stalen roedenverdeling. Boven het venster is een kunststenen waterlijst aangebracht die tevens als lekdorpel van twee erboven gelegen rondboogvormige galmgaten fungeert. Om alle rondboogvensters zijn bakstenen rondbogen gemetseld, De risaliet is aan de bovenzijde beëindigd door een gestucte lijst en wordt bekroond door een torenopbouw waarvan de gevels rondom blind zijn. Aan de voorzijde is een klok aangebracht, De toren bezit een tentdak.
Zijgevels
Beide zijgevels (noord en zuid) zijn identiek. De traveeën zijn, met uitzondering van de meest westelijke travee, elk voorzien van een rondboogvenster met stalen traceringen. De meest westelijke travee is blind. De vensters zijn voorzien van een gemetselde rondboog. Verspreid over de gevels zijn ankers zichtbaar. Beide gevels zijn afgesloten door een eenvoudige gootlijst.
Oostgevel met consistoriekamer
De oostelijke kerkgevel is een tuitgevel waartegen een eenvoudige consistoriekamer met lessenaarsdak is geplaatst. De aanbouw bestaat uit een begane grond en bezit rondom bakstenen gevels. De plint is gestuct. De zuidgevel bezit een schuifvenster met een zesruits roedenverdeling. In de hoek van de aanbouw en de zuidgevel van de kerk staat een bakstenen aanbouwtje met lessenaarsdak. De noordzijde van de consistoriekamer bevat een kozijn met deur en gedeeld bovenlicht. Naar deze entree leidt een hardstenen trap. De oostzijde van de aanbouw bezit twee schuifvensters met elk een onderraam met vierruits en een bovenraam met tweeruits roedenverdeling.
Interieur
In het interieur is een preekstoel uit 1679 aanwezig. Op de grond liggen diverse oude grafzerken, die dateren van voor de reformatie. Onder andere zijn de volgende opschriften zichtbaar:
Pastoor CleasJanszoon 1494 en 1514
Uit de periode 1690-1750 dateren de volgende opschriften:
Jacobus van Rijt
Fredericus Kramer
Petrus Beekhof
Pastorie
De pastorie is gebouwd in 1896 en bestaat uit een kelder, een begane grond en een zolderverdieping. Het pand bezit een mansardekap gedekt met gesmoorde kruispannen en rondom bakstenen gevels.
Voorgevel
De rode bakstenen voorgevel is een lijstgevel die is verlevendigd met speklagen. De borstwering op de begane grond is aan de bovenzijde afgesloten door een geprofileerde waterlijst die tevens dienst doet als lekdorpel voor de erboven gelegen vensters. De begane grond bezit in het midden een kozijn met deur en bovenlicht en aan weerszijden daarvan twee T-vensters. Boven alle gevelopeningen van de begane grond zijn rondbogen met gestucte sluit- en aanzetstenen gemetseld. De boogvelden zijn gevuld met tegeltjes. Tussen de begane grond en de verdieping bevindt zich een waterlijst die tevens dienst doet als lekdorpel voor de drie erboven gelegen T-vensters. Boven deze vensters zijn segmentbogen met gestucte aanzet— en sluitstenen gemetseld. De gevel is aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudige kroonlijst op gedecoreerde consoles.
Linker zijgevel
De linker zijgevel is opgetrokken in gele ijsselstenen en is aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudige gootlijst. Links bevinden zich op kelderniveau twee kozijnen met tralies, Erboven bevinden zich twee T-vensters met rode bakstenen segmentbogen. Verspreid over de gevel zijn meerdere ankers zichtbaar. In het dakschild erboven is een dakraam aangebracht.
Rechter zijgevel
De rechter zijgevel is opgetrokken in gele ijsselstenen en is aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudige gootlijst. Links en rechts bevindt zich een T-venster met erboven een rode bakstenen segmentboog. Verspreid over de gevel zijn meerdere ankers zichtbaar. In het dakschild erboven is een dakraam aangebracht.
Achtergevel
Tegen de begane grond van de achtergevel is recentelijk een aanbouw met lessenaarsdak opgetrokken. De zolderverdieping bezit nog twee authentieke T-vensters. De bovenzijde van de gevel volgt de vorm van het mansardedak en is voorzien van windveren en een gevelmakelaar.
Kerkhof
Aan de zuidzijde van het complex bevindt zich een kerkhof dat vanaf de Nieuwdorperweg bereikbaar is. Het kerkhof is gesloten verklaard. Op het kerkhof bevindt zich een baarhuisje, waarvan de gevels zijn opgetrokken uit kalkzandsteen. De topgevel en de achtergevel van het baarhuisje zijn afgedekt met een rollaag. In de bovenzijde van deze gevels bevindt zich een cirkelvormig venster.
Belang van het complex
Het hierboven beschreven kerkelijk complex van de Nederlands Hervormde Kerk te Reeuwijk-Dorp is van algemeen lokaal belang wegens zijn schoonheid. De oorspronkelijke structuur en schaal van het complex zijn nog intact. Het complex is zowel in het geheel als op onderdelen zondermeer gaaf. De kerk is vanuit alle richtingen zichtbaar en is daarmee ook ruimtelijk, stedenbouwkundig en landschappelijk van belang.
Monumentnummer: 2000.01
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 2353
RWV/3465 JJ/4/9-18A*
Omschrijving van het monument
Vrijstaand voormalig raadhuis van Lange Ruige Weide gebouwd in 1927 van rode baksteen in Vlaams verband, thans in gebruik als bankgebouw. Het pand bestaat uit een begane grond en een zolder verdieping onder een zadeldak gedekt met gesmoorde Tuile du Nordpannen. Op de nok waarvan de richting haaks op de weg staat, staan een schoorsteen en een houten klokkentoren. De gevels zijn voorzien van een trasraam, siermetselwerk en worden afgesloten met overstekende gedecoreerde daklijsten die tevens dienst doen als goten. In de voorgevel zijn twee natuurstenen hoek gevelstenen verwerkt met in de linker het opschrift “ANNO” en in de rechter “1927".
Voorgevel
De gevel heeft op de begane grond een gekoppeld venster met een breder centraal venster met bovenlicht met aan weerskanten smallere vensters met bovenlichten en een inpandige brievenbus. Op de verdieping bevindt zich centraal een verdiepte liggende gemetselde cirkel met siermetselwerk en afgezet met een rollaag geflankeerd door twee op hun kant geplaatste driekantige vensters met vierruits roeden verdeling. Het geheel wordt omzoomd door een gemetselde rollaag. De gevel wordt afgesloten met het dakoverstek, een gemetselde rollaag en een gemetselde makelaar in de top van de gevel.
Aan de linkerzijde bevindt zich een eenlaagse aanbouw met de entree. Het linker gevelvlak heeft een liggend klapvenster met een gemetselde strekkenlaag en een geglazuurde lekdorpel. Rechts bevindt zich een toegang onder een afdakje die via een trap met twee treden en een hellingbaan te bereiken is. Links van de toegang is in de gevel een staande gedeeltelijk opengewerkte post gemetseld. Een iets uitspringende gemetselde strekkenlaag band loopt langs de bovenzijde aan de rechterkant door.
Linkerzijgevel
De aanbouw bedekt grotendeels de gevel. Bovenaan de gevel is een siermetselrand aangebracht. De gevel wordt afgesloten met een geprofileerde bakgoot. Het platte dak van de aanbouw vertoont halverwege een verspringing.
Rechterzijgevel
De gevel heeft een gekoppeld venster met een breder centraal venster met bovenlicht met aan weerskanten smallere vensters met bovenlichten, een reclame venster met een houten omlijsting en een tweede gekoppeld venster. De gevelopeningen hebben gemetselde strekkenlagen en hardstenen lekdorpels.
Rechts bevindt zich een inham vooraf gegaan door een opstap waar zich een gekoppeld venster met een breder centraal venster en aan weerszijden smallere vensters met bovenlichten bevindt. Onder de lekdorpel is een dichtzetting zichtbaar. Onder de daklijsten is een siermetselrand aangebracht.
In het verlengde van het reclame venster staat in het dak een recht afgewerkte dakkapel met twee gekoppelde vensters waartussen een opengewerkte gemetselde post is geplaatst. De vensters hebben een groot vensters met aan een kant een smal venster met een drieruits roedenverdeling. Ter hoogte van de daklijst is een bloembak geplaatst.
Geheel rechts is een eenlaagse aanbouw geplaatst met een gekoppeld venster. Op het dak staat een rechtafgewerkt dakkapel met dezelfde dakrandafwerking als de daklijst.
Achtergevel
De gevel wordt deels ingenomen door een eenlaagse aanbouw met plat dak. Op de verdieping is een ongedeeld venster met een in drieën gedeeld bovenlicht en een deur die toegang verschaft tot het balkon.

Waardering
Het bankgebouw aan de Kerkweg 4 van belang omdat:
Monumentnummer: 99.03.
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 2696
RWV/3465 JG/15/3-1*-12*
Omschrijving van het monument
Vrijstaand gedeeltelijk onderkelderd voormalige dokterswoning thans als herenhuis in gebruik, gebouwd in 1880-1890 van rode baksteen in kruisverband met een gedeeltelijk herbouwd tweelaags koetshuis in dezelfde Renaissancistische bouwstijl. Het pand is in de periode 1998-1999 gerestaureerd. De vensters op de begane grond zijn recent voorzien van geïsoleerd glas. Rond het pand is een tuin aangelegd voorzien van een laag ijzeren hek met pijlpunten. Aan de straatzijde staan ter hoogte van de stoep twee grote oude bomen. De beschrijving is opgesteld op basis van de huidige situatie. Het pand heeft in oorsprong een rechthoekige plattegrond, met uitzondering van een serre en een aanbouw. Het bestaat uit een kelder, een begane grond, een verdieping en een zolderverdieping met een plat dak met dakschilden die gedekt zijn met gesmoorde Hollandse pannen. In het voordakschild staat een schoorsteen.
Herenhuis
Voorgevel
De symmetrische gevel telt vijf traveeën en heeft een inpandige brievenbus, speklagen en sierstenen van gele baksteen. De gevel heeft een gepleisterde plint dat tot onder de dorpels van de vensters van de begane grond reikt en is afgezet met een cordonlijst die dienst doet als lekdorpel. In het plint bevonden zich muisroosters. De centrale toegang is te bereiken via een trap met twee treden afgedekt met hardstenen platen. De entree bestaat uit een hardstenen dorpel, een deur met getoogd bovenlicht met glas-in-lood en twee lantaarns. Aan weerszijden van de ingang bevinden zich twee ongedeelde schuifvensters. De getoogde gevelopeningen zijn voorzien van verspringende strekkenlagen met gemetselde sierstenen. Op de verdieping, die aangegeven is met een tweede cordonlijst, bevinden zich vijf ongedeelde schuifvensters. De gevel wordt afgesloten met een kroonlijst. In de as van de ingang staat op het dak een dakkapel met afgerond dak, een venster en is voorzien van windveren.
Linkerzijgevel
De gemetselde gevel heeft een brede gepleisterde plint voorzien van een keldervenster. De gevel telt op de begane grond twee getoogde schuifvensters waarvan de rechter onderaan gedeeltelijk geblindeerd is en een kleiner getoogd schuifvenster aan de linkerzijde. De verdieping wordt aangegeven door een gepleisterde cordonlijst en bevat een schuifvenster en een klein rechtkantig venster aan de rechterzijde. De gevelopeningen hebben gemetselde verspringende strekkenlagen en gepleisterde lekdorpels. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een boeiboord.
Rechterzijgevel
De wit gepleisterde gevel heeft een brede plint en bevat in het linker gevelvlak een half schuifvenster. De helft van de gevel wordt op de begane grond aan de rechterzijde ingenomen door een eenlaagse serre met plat dak voorzien van een kroonlijst. De verdieping, aangegeven door een cordonlijst, telt aan de linkerzijde een half recent vervangen venster en twee vensters aan de rechterzijde. De getoogde gevelopeningen hebben gepleisterde lekdorpels. De gevel wordt afgesloten met een boeiboord. In het dak is een dakvenster toegevoegd.
Achtergevel
De grijs gepleisterde gevel heeft een wit geschilderde brede plint. De linker helft van de gevel heeft op de begane grond twee schuifvensters. Het rechter gevelvlak wordt ingenomen door een eenlaagse aanbouw met toegang en venster onder een plat dak afgesloten met een boeiboord die bijna tot aan de verdieping reikt. De verdieping, aangeven door een cordonlijst, bevat een klein rechtkantig venster en een getoogd schuifvenster. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een boeiboord. In het dak zijn twee dakvensters toegevoegd.
Koetshuis
Het koetshuis heeft een rechthoekige plattegrond en is gebouwd van rode baksteen in kruisverband. Het bestaat uit een begane grond en een verdieping onder een man-sardedak gedekt met dakplaten. De gevels zijn voorzien van brede grijs gepleisterde plinten.
Voorgevel
De gevel heeft gemetselde speklagen van gele baksteen en telt op de begane grond twee toegangen met getoogde dubbele deuren. Op de verdieping bevindt zich een getoogd venster. De gevelopeningen hebben gemetselde verspringende strekkenlagen en sierstenen van gele bakstenen. De gevel wordt afgesloten met overstekende daklijst.
Rechterzijgevel
De gevel telt aan de linkerzijde twee halve getoogde vensters en een toegang met een getoogde houten deur. De gevelopeningen zijn voorzien van gemetselde verspringende strekkenlagen en geglazuurde lekdorpels. Aan de rechterzijde bevindt zich een tussenlid met toegang en plat dak afgesloten met een daklijst dat in verbinding staat met de aanbouw aan de achterzijde van het herenhuis.
Achtergevel
De gevel wordt op de begane grond centraal voor twee derde ingenomen door een aangebouwde serre met plat dak afgesloten met een daklijst. Op de verdieping bevindt zich een venster. De gevelopening is voorzien van een verspringende strekkenlaag. De gevel wordt afgesloten met een overstekende daklijst.
Waardering
Het pand aan de Kerkweg 15 is van belang omdat:
het een goed voorbeeld is van een herenhuis uit het begin van deze eeuw,
de bouwmassa in originele staat is,
het invloeden heeft van de neo-renaissance,
de architectuur van de voorgevel evenwichtig is en zich kenmerkt door gave verhoudingen,
de detaillering exclusief het aangebrachte isolatieglas overwegend in originele staat zijn,
het zich voegt in de rooilijn en het past in het straatbeeld,
het herinnert dat een dokterswoning is geweest.



Monumentnummer: 99.04.
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 2236
RWV/3465 JJ/18/3-14*
Omschrijving van het monument
Vrijstaand gedeeltelijk onderkelderd voormalig winkel-woonhuis, thans als woonhuis in gebruik, gebouwd in het einde van de 19de eeuw van rode en gele baksteen in kruisverband. Het pand bestaat uit een kelder, een begane grond en een zolderverdieping onder een geknikt schilddak dat gedekt is met een gedeelte onder een voordakschild met gesmoorde kruispannen. In het dakschild en op het dak staan twee schoorstenen. Het pand heeft een ruim aangelegde voor- en zijtuin met twee bomen aan de straatzijde.
Voorgevel
De gevel van rode baksteen met gepleisterde speklagen en een grijs gepleisterde plint telde oorspronkelijk vijf traveeën. Links van de centrale toegang bevinden zich twee ongedeelde schuifvensters. Een gepleisterde waterlijst fungeert als lekdorpel. De gevelopeningen met rechte onderzijde en segmentboogvormige bovenzijde zijn voorzien van gemetselde verspringende strekkenlagen, gepleisterde sierstenen en gedecoreerde sluitstenen. De entree wordt gevormd door twee deuren in een portiek voorzien van een hardstenen opstapje. Gezien de gevelopeningen is de plaats van de linker deur met bovenlicht en ijzeren rooster origineel en vormde deze voorheen een centrale toegang. Een tweede toegang met deur en bovenlicht is toegevoegd waarvoor het portiek is verbreed. De bovenzijde van het portiek is voorzien van een granito latei waarboven twee segmentbogen zichtbaar zijn. Een gedeelte van de tweede gevelopening loopt boven een groot recent vervangen venster met gepleisterde lekdorpelrechts door. De gevel wordt afgesloten door een kroonlijst. In het dak staat een recht afgewerkt dakkapel met klein puntdak afgesloten met een doorlopende daklijst voorzien van pinakels. Aan weerszijden van een klapbaar venster zijn in houtwerk gecanneleerde pilasters met blokkapitelen zichtbaar.
Linkerzijgevel
De gele bakstenen gevel is voorzien van speklagen en gemetselde verspringende strekkenlagen in rode baksteen. De brede grijs gepleisterde plint bevat een muisrooster en een groter. De begane grond heeft aan de rechterzijde een half raam en links boven het onderkeldervenster een klein ongedeeld schuifvenster. Een derde venster is geblindeerd en grotendeels bedekt met een aangebouwde serre. Geheel links is een eenlaagse aanbouw toegevoegd. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een boeiboord. In het dak is een dakvenster toegevoegd.
Rechterzijgevel
De gele bakstenen gevel is voorzien van speklagen in rode baksteen. De grijs gepleisterde plint telt acht muisroosters. De gevel is blind maar heeft centraal een rechtkantige gemetselde uitstulping. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een boeiboord. In het dak staat een recht afgewerkt dakkapel en er is een dakvenster toegevoegd.
Achtergevel
De gele bakstenen gevel heeft een brede grijs gepleisterde plint, speklagen en gemetselde verspringende strekkenlagen in rode baksteen. Op de begane grond telt de gevel aan de linkerzijde twee T-vensters met gepleisterde lekdorpels. Het rechter gevelvlak wordt ingenomen door een eenlaagse aanbouw onder een lessenaarsdak met doorgetrokken zijpanelen, die gebouwd is in 1937. De verdieping heeft twee T-vensters met gepleisterde lekdorpels. Onder de dakrand zijn muurankers zichtbaar.
De houten aanbouw aan de achtergevel wordt conform een verleende bouwvergunning in 2000 vervangen door een stenen aanbouw.

Waardering
Het woonhuis met de tuin en de bomen aan de Kerkweg 18 is van belang omdat:

Oorspr. Functie | Woonhuis |
Huidige functie | Woonhuis |
Omschrijving | Twee huizenblokken, bestaand uit resp. 4 en 2 woningen. Gespiegeld geschakeld, opgebouwd uit twee woonlagen. Entreepartijen voorzien van luifels. Levendige gevelbeëindiging door toepassing van lijsten en borstweringen van ongelijke hoogte. |
Gevels | In voorgevels (volgens bouwbestek opgebouwd uit boerengrauw en kalkzandsteen) speelse vlakverdeling door afwisseling van rode baksteen en wit geschilderd pleisterwerk. Gevelbetimmeringen met horizontale houten delen. |
Vensters/deuren | Samengestelde vensters en houten deuren met kleine ruitjes. Gedeeltelijk vernieuwd/vereenvoudigd. |
Dak | Platte daken. |
Bijz. bijgeb./hek | Lage gemetselde muurtjes langs trottoir. |
Groenaanleg | Voortuintjes (Belangrijk element in straatprofiel). |
Bijzonderheden | Bouwplan gedateerd 1 juli 1922; ontwerp van D. Scheer en S. Karman. Tweede bouwaanvraag 2 maart 1923. |
Motivatie | Grote ensemblewaarde. Markante architectuur met invloed van Amsterdamse School. |
Bouwjaar | 1922 - 1923 |
Score | 15 |


zh-rg-131-17
Functie | Voormalig kaaspakhuis |
Omschrijving | Klein voormalig kaaspakhuis op rechthoekige plattegrond, met voorgevel (symmetrische topgevel) aan straat gesitueerd. Lengteas loodrecht op straat. Opgebouwd uit twee bouwlagen en dakverdieping. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Boven vensters enkele rollagen of dubbele verspringende rollagen. Metselwerk voorgevel verlevendigd door toepassing van verticaal metselwerk boven vensters op begane grond en van vlechtingen boven in topgevel. Boven dubbele deuren een betonnen latei. |
Vensters/deuren | Houten roedenvensters, in zijgevels voorzien van luiken. Op begane grond en eerste verdieping originele houten deuren met ruitjes en panelen. In enkele vensters op begane grond diefijzers. |
Dak | Zadeldak met rode Tuile du Nord. Houten goten op klossen. |
Motivatie | Gaaf pakhuis, uitwendig nagenoeg in oorspronkelijke staat. Karakteristiek voor plaatselijke nijverheid. |
Bouwjaar | 1920 |
Score | 20 |


zh-rg-132-06
Functie | Woonhuis |
Omschrijving | Vrijstaand woonhuis op rechthoekige plattegrond, opgebouwd uit begane grond en dakverdieping. Lengterichting haaks op de straat. Tweelaagse voorgevel, voor tweederde bekroond met houten kroonlijst. Rechter deel gevelbekroning bestaat uit borstwering, geflankeerd door kantelen met siervazen. Boven entree een iets uitspringende rondboog; op eerste verdieping drie lisenen onder borstwering. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Gepleisterde plint. Gele strengperssteen decoratief toegepast in spekbanden, rondboog boven entree en segmentbogen boven vensters. Op eerste verdieping kunststeen latei boven venster. Vensterbanken van oranje geglazuurde baksteen. Vernieuwde knipvoegen. |
Vensters/deuren | Vernieuwd maar in oorspronkelijke vorm. Houten schuifvensters met bovenlichten met roedenverdeling. Houten voordeur. |
Dak | Afgeplat zadeldak, dakschilden gedekt met gesmoorde muldenpannen. Nieuwe dakkapel in rechter dakschild. |
Motivatie | Redelijk gaaf en oorspronkelijk. Deel van gevelwand. Karakteristiek voor bouwtijd. |
Bouwjaar | 1908 |
Score | 15 |




zh-rg-134-08
Functie | Boerderij |
Omschrijving | Boerderij van traditioneel Zuid-Hollands type (“langhuis”) op rechthoekige plattegrond met symmetrische voorgevel. Hoofdgebouw ("winterhuis") wordt geflankeerd door koetshuis (links) en zomerhuis (rechts). Zomerhuis door tussenlid verbonden met het hoofdgebouw. Lengte-assen evenwijdig. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Gepleisterde plint. Boven vensters gemetselde segmentbogen, in de voorgevel van het hoofdgebouw voorzien van aanzetstenen en versierde sluitstenen (kunststeen). In de voorgevel van het koetshuis zijn i.p.v. bogen geprofileerde lijsten (kunststeen/pleisterwerk) toegepast. De entreepartij in voorgevel hoofdgebouw: houten deuromlijsting met kroonlijst rustend op consoles. |
Vensters/deuren | Houten schuifvensters, bij het hoofdgebouw op de begane grond voorzien van zonneblinden (zgn. Persiennes). Oorspronkelijke voordeur met gietijzeren sierpanelen. In voorgevel van het zomerhuis zesruitsschuifvensters en op zolderverdieping een ijzeren roosvenster. In voorgevel koetshuis openslaande koetsdeuren (hierachter een nieuwe glaspui) geflankeerd door kleine vensters met geometrische roedenverdeling. Soortgelijke roedenverdeling in het bovenlicht van de hooideur op de zolderverdieping. In het stalgedeelte van het hoofdgebouw en in de zijgevels van het koetshuis en het zomerhuis ook ijzeren stalvensters. |
Dak | Zadeldaken met gesmoorde Oudhollandse pannen (koetshuis en zomerhuis) en rieten dekking (hoofdgebouw); in rieten dak zijn recent enkele gewelfde dakkapellen aangebracht. De drie daken worden elk beëindigd door windveren met bewerkte makelaars. |
Bijz. bijgeb./hek | Hooiberg aan de achterzijde. |
Groenaanleg | Grasstroken, diverse bomen rond erf. |
Bijzonderheden | In de (aan de sloot grenzende) rechter zijgevel van het zomerhuis is een gedeeltelijk dicht gemetselde rondboog, die duidt op vroegere aanwezigheid van een spoelbordes voor het reinigen van melkbussen, hiervoor werden vaak aparte houten spoelhokken gebouwd. |
Motivatie | Karakteristiek en vrij gaaf voorbeeld van regionale boerderij-architectuur. Samenhang in detaillering van de afzonderlijke gebouwen. |
Bouwjaar | ca. 1880 |
Score | 21 |


ZH-RG-129-07
Oorspr. Functie | Boerderij |
Huidige functie | Boerderij |
Omschrijving | Boerderij op rechthoekige plattegrond, traditioneel Zuid-Hollands type, op ca 25 m van de weg gelegen. Erf omgeven door sloten. Symmetrische voorgevel. Entree in linker zijgevel. Voorhuis links onderkelderd. Tegen linker zijgevel naast entree een afgeschuinde erker. Aan rechter zijgevel een aangebouwd (later dichtgemaakt) boenhok. met gebogen gevelbeëindiging. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Strekken boven vensters. Spatrand grijs pleisterwerk. |
Vensters/deuren | In voorgevel zesruits schuifvensters. Op eerste verdieping een engelenraam met diagonale roedeverdeling in zijlichten. In linker zijgevel twee keldervensters met diefijzers. |
Dak | Zadeldak, rietdekking. Windveren met sierlijk zaagwerk. Hangend zaagwerk met krulversiering en bewerkte makelaar. |
Bijz. bijgeb./hek | Links achter op het erf bevond zich een zomerhuis (inmiddels gesloopt) met zadeldak; rietdekking. In voorgevel zesruits schuifvensters en een engelenraam met de zelfde vorm als het engelenraam in de boerderij. Links terzijde van boerderij een gemetselde schuur met zadeldak. Op achtererf een hooiberg, afgewerkt met golfplaat. Bij oprit erf een ijzeren toegangshek met smeedwerk. |
Groenaanleg | Voortuin met kronkelende grindpaden. Grasstroken rond erf. |
Bijzonderheden | De boerderij heet “Veldzicht”. |
Motivatie | Zeer karakteristiek boerderijcomplex met rijke detaillering. Grotendeels authentiek; meerwaarde door aanwezigheid van boenhok. |
Bouwjaar | Ca. 1895 |
Score | 17 |

ZH-RG-129-05
Oorspr. Functie | Woonhuizen en zondagsschool |
Huidige functie | Woonhuizen |
Omschrijving | Blokje van drie aan elkaar gebouwde panden met drievoudige ingezwenkte lijstgevel. Linker- en middendeel van de drielinggevel identiek ingedeeld. Het rechter geveldeel (de vroegere zondagsschool) is symmetrisch ingedeeld. Opbouw: begane grond en dakverdiepingen. Entrees in voorgevel. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Segmentbogen en rondbogen (bij rechter geveldeel) boven vensters. Houten hoofdgestel. IJzeren sierankers. Spatrand grijs pleisterwerk. |
Vensters/deuren | Schuifvensters (vereenvoudigd). In rechter geveldeel twee ijzeren rondboogvensters en een ijzeren roosvenster. Vernieuwde toegangsdeur. |
Dak | Zadeldaken met gesmoorde kruispannen. |
Groenaanleg | Voortuintjes. |
Motivatie | Zeer karakteristiek geheel door drieling-opbouw. Herinnering aan het geestelijk leven door herkenbaarheid van religieuze functie in het rechtergevelgedeelte. |
Bouwjaar | Ca. 1896 (gebaseerd op kadastrale gegevens) |
Score | 16 |

Aanwijzing gemeentelijk monument: B133
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 1578
Typologie | Boerderij |
Beschrijving | Boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype onder een met gesmoorde kruispannen gedekt zadeldak. Voorin is het onderkelderde woonhuis ondergebracht, achterin de stal. De gemetselde kopgevel met dakoverstek, windveren, sierspant met makelaar en sierankers is symmetrisch ingedeeld met centraal in de gevel de entree. Boven de gevelopeningen van de begane grond liggen boogvelden met opschriften: anno vlijt en zorg 1907. De vensters op de begane grond zijn T~vensters met een bovenlicht met glas-in-lood. In de topgevel bevindt zich een engelenvenster, bestaand uit een T-venster, geflankeerd door vensters met een decoratieve roedenverdeling. De keldervensters in de linker zijgevel zijn voorzien van diefijzers. Links van de hoofdmassa staat het zomerhuis met een boenhok. Het zomerhuis wordt gedekt door een zadeldak, heeft een dakoverstek met windveren en een sierspant met makelaar. De voorgevel heeft rozetankers en gepleisterde aanzet- en sluitstenen boven de gevelopeningen. De vensters zijn T-vensters met een glas-in-lood bovenlicht. |
Datering | 1907 |
Ontwerper | - |
Bouwstijl | Traditioneel |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | R/H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde kenmerkendheid:
Belangrijke cultuurhistorische waarde als een in hoofdvorm gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een boerderij van het Zuid-Hollandse langhuistype. Van belang als object(en) behorend bij het thema weidebedrijf/kaasmakerij.
architectuurhistorische waarde:
Het complex heeft architectuurhistorische waarde vanwege de ontwerpkwaliteit van de voorgevels.
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
Er is sprake van stedenbouwkundige waarde vanwege de vrijstaande en beeldbepalende ligging aan de openbare weg. Het complex heeft landschappelijke en ensemblewaarde als karakteristiek en onlosmakelijk onderdeel van de agrarische bebouwing van het buitengebied van Bodegraven.
Waardering: Hoog plus

ZH-RG-128-28
Oorspr. Functie | Pastorie |
Huidige functie | Pastorie |
Omschrijving | Woonhuis op vierkante plattegrond, opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Half vrijstaand, met linkerzijde vastgebouwd aan kerk. Entree met trapbordes aan rechter zijgevel. Voorgevel symmetrisch opgezet met middenrisaliet bekroond door tuitgevel. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Boven vensters gepleisterde tudorbogen. Spatrand en cordonlijst: grijs geschilderd pleisterwerk. Onder kroonlijst gemetseld fries met tandlijsten. |
Vensters/deuren | Schuifvensters met tweeruits bovenlichten. Boven in middenrisaliet een ijzeren roosvenster. |
Dak | Afgeplat schilddak met steekkap, gedekt met maasleien. |
Bijz. bijgeb./hek | Pastorie vormt ensemble met naastgelegen kerk (Meije 126). |
Groenaanleg | Tuin rechts en aan achterzijde. |
Motivatie | Zeer karakteristiek in samenhang met de RK kerk. Grotendeels authentiek |
Bouwjaar | 1871 (opschrift op het orgel in de kerk herinnert aan 25 jarig jubileum in 1896). |
Score | 16 |



ZH-RG-128-26
Oorspr. Functie | RK kerk |
Huidige functie | RK kerk |
Omschrijving | Eénbeukig kerkgebouw met driezijdig gesloten koor. Entree in aan de voorzijde uitspringende toren. Toren voorzien van overhoekse steunberen. In voorgevel en zijgevels steunberen aan weerszijden van vensters. In zijgevels vijf vensterassen. Lage aanbouw aan achterzijde. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Spitsbogen boven vensters. Gele baksteen decoratief verwerkt in bogen. Tudorboog boven kleine entree in linkerzijde van de toren. Entreepartij met spitsboog; boogveld en wimberg met gotische traceringen. Entreepartij, lekdorpels en dekstenen van steunberen uitgevoerd in wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen. Grijs geschilderde spatrand. Zijgevels aan bovenzijde afgewerkt met bloktand en muizetandlijsten. Oplopend gemetseld fries boven in voorgevel. Spitsboog-spaarveld in voorzijde toren. |
Vensters/deuren | Spitsboogvensters met glas in lood. In het koor drie spitsboogvensters met oorspronkelijk glas in lood met diverse voorstellingen; o.a. Maria en de geboorte van Christus. Glas in lood zijgevels vernieuwd. |
Dak | Zadeldak, beëindigd met drie dakschilden. Leien in Rijndekking. Achtzijdige torenspits met maasdekking. |
Bijz. bijgeb./hek | Rechts een pastorie (Meije 125), vastgebouwd aan kerk. Op achterterrein bij het kerkhof een zgn. Lourdesgrot met Mariabeeld. Kerkhof met priestergraf, oudste datering 1899. |
Interieur | Houten tongewelf met ijzeren trekstaven. Houten korbelen met decoraties. Orgel waarschijnlijk uit bouwtijd. Orgelgalerij met houten panelen, rustend op twee slanke ronde zuilen. Bij entree onder orgelgalerij een klein weiwaterbakje en twee offerblokken. Kerkbanken van later datum. |
Groenaanleg | Tuin naast pastorie. Perken en heesters rond kerkhof. |
Bijzonderheden | Aan onderzijde orgelfront een opschrift herinnerend aan 25 jarig bestaan kerk 1871-1896. In de toren een uurwerk uit 1903. |
Motivatie | Van grote cultuurhistorische waarde. Grotendeels authentiek. Markant silhouet, tevens van grote landschappelijke betekenis. |
Bouwjaar | 1871 |
Score | 18 |
Accessienummer: 0003627
ZH-RG-156-09
Beschrijving | Zuidhollands langshuis boerderij onder rieten kap en met kopgevel naar straat gekeerd. Deze is een afgeknotte halsgevel met houten kroonlijst. Is tevens symmetrisch ingedeeld, de voordeur in het midden, in houten omlijsting van pilasters, hoofdgestel en consoles. Hierboven een engelenvenster. Verder strekken boven vensters. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Zware houten kroonlijst. Houten deuromlijsting. Strekken boven de vensters. Sierankers. |
Vensters/deuren | Houten 6-ruits schuifvensters. Houten engelenvenster met roedeverdeling. IJzeren stalvensters. Houten toegangsdeur. Deuren waarvan 2 van begin 20e eeuw. |
Dak | Rieten zadeldak met wolfseind. |
Bijz. bijgeb./hek | Zomerhuis en een stal, alle 2 uit bouwperiode maar van later datum en beide tevens met gevelstenen met datum 1e steenlegging. |
Groenaanleg | Omringd door slootjes. Bereikbaar over bruggetje. 3 fraaie beuken aan voorzijde. |
Bijzonderheden | Aan beide uiteinden van de voorgevel bovenlijst 2 steentjes met datering. Verder ook in rechter zijgevel dateringsteen. |
Bouwjaar | 1872 |
Monumentnummer: 99.05.
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 1505
RWV/3466 NB/32/2-22*-33*
Omschrijving van het monument
Een vrijstaande aula gebouwd in het eerste kwart van de 20e eeuw van rode baksteen in halfsteensverband gelegen op een begraafplaats met symmetrische aangelegde grindpaden en een gravenschikking die de paden volgt. De aula is verhoogd aangelegd ten opzichte van het omringende landschap. Op de begraafplaats staan eenvoudige grafstenen opgesteld waarvan er nog enkele dateren uit de jaren ‘20 en ‘30 van de twintigste eeuw. In de as bevindt zich een gedenksteen van Hendrik Verhoog. De aula bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een samengesteld schilddak gedekt met gesmoorde romaanse pannen. In de nok van het grote dak staat een schoorsteen. Het heeft een rechthoekige plattegrond met aanbouw aan de voorzijde die haaks staat op de hoofdbouwmassa. Hierin bevindt zich de entree. De gevels hebben gemetselde plinten van grove baksteen en worden afgesloten met een verspringende wit geverfde kunststenen kroonlijst met grijze lijst.
Voorgevel
Het linker gevelvlak telt twee vierkante vensters met gemetselde rollagen en keramische lekdorpels. Een grote getoogde toegang met dubbele ruitdeuren bevindt zich hier rechts van. De getoogde gevelopening is voorzien van een gemetselde verspringende strekkenlaag met wit geverfde betonnen hoekblokken, aanzetstenen, sierstenen en een sluitsteen. Hiernaast bevindt zich een aanbouw onder een schilddak met aan de linkerzijde twee zesruits vensters met glas-in-lood. De gevelopeningen zijn voorzien van gemetselde verspringende strekkenlagen, wit geverfde betonnen aanzetstenen en keramische lekdorpels. De voorzijde heeft centraal een getoogde toegang met deur die via een gemetselde opstap te bereiken is. De getoogde gevelopening is voorzien van een gemetselde verspringende strekkenlaag en wit geverfde betonnen aanzetstenen. Aan weerszijden van de toegang bevinden zich twee kleine vierkante vensters met gemetselde rollagen en keramische lekdorpels. De rechterzijde is blind. Het meest rechter deel van de gevel bevat een derde toegang met een gemetseld opstapje. De getoogde gevelopening is voorzien van een gemetselde verspringende strekkenlaag en wit geverfde betonnen aanzetstenen.
Linkerzijgevel
Links bevat de gevel een toegang met een deur met ruiten en een gemetseld opstapje. De gevelopening is voorzien van een gemetselde verspringende strekkenlaag en wit geverfde betonnen aanzetstenen. De gevel wordt afgesloten met een springende daklijst.
Rechterzijgevel
De gevel bevat een klein vierkant venster met gemetselde rollagen en een keramische lekdorpel. Aan de rechterzijde bevindt zich een zesruits venster met glas-in-lood. De gevelopening is voorzien van een gemetselde strekkenlaag en wit geverfde aanzetstenen en een keramische lekdorpel.
Achtergevel
De gevel telt aan de linkerzijde drie zesruits vensters met glas-in-lood. Het rechter gevelvlak bevat een getoogde toegang met deuren met ruiten en een vierruits venster met glas-in-lood. De gevelopeningen zijn voorzien van gemetselde verspringende strekkenlagen en wit geverfde betonnen hoekstenen, aanzetstenen en keramische lekdorpels.




Waardering
De begraafplaats met de aula aan de Molendijk 32 te Waarder is van belang omdat:
een voorbeeld is van een aula uit het eerste kwart van de 20e eeuw,
het onderdeel uitmaakt van een begraafplaats en de bouwmassa gaaf is,
de detaillering van het metsel- en siermetselwerk gaaf is,
de schikking van de graven authentiek is,
de verhoogde ligging van de aula goed is afgestemd op de landschappelijk omgeving,
het herinnert aan de sociale geschiedenis van Waarder,
het een cultuurhistorische waarde heeft.
Monumentnummer: 2000.06
RWV/2811 LC/45/5-20*
Omschrijving van het monument
Vrijstaande v.m. boerderij in oorsprong gebouwd in de 19e eeuw van gele baksteen in kruisverband. Het aan de rechterzijde aangebouwde deel en het herbouwde en vergrote boenhok zijn niet authentiek en behoren niet te worden beschermd. Aan de linkerzijde bevindt zich een zomerhuis dat aan het pand is gebouwd. De gevels van het voorhuis zijn authentiek. Naar achteren toe zijn onder invloed van verbouwingen de gevels zijn gewijzigd en zijn er zowel aan de linkerzijgevel als aan de rechterzijgevel delen aangebouwd en/of gewijzigd. De aanbouw aan de linkerzijgevel is in de vorm van een zomerhuis gebouwd.
Boerderij
Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak met aan de voorgevel een wolfeind en aan de achtergevel een schilddak gedekt met riet. Op de nok, waarvan de richting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen. De gevels zijn voorzien van een wit/grijs gepleisterde doorlopende plint. De vensters zijn alle recent gewijzigd.
Voorgevel
De begane grond heeft vier vensters met gemetselde strekkenlagen in rode baksteen en geglazuurde lekdorpels. Op de verdieping bevindt zich een vierdelig venster met boven de twee centrale venster een twee driekantige venster die een bekroning vormen. De gevelopening is voorzien van een gemetselde rollaag van rode baksteen en een geglazuurde lekdorpel. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. Langs de randen van de gevel zijn vlechtingen zichtbaar.
Linkerzijgevel
Het rechter oorspronkelijke gedeelte van de gevel is blind. Vanaf de vensterpartij met in totaal drie vensters is nieuwer metselwerk zichtbaar. Geheel links is nieuwer metselwerk van lichtere baksteen zichtbaar die in een recente aanbouw doorloopt. Het nieuwste gedeelte van de gevel heeft twee kleine vensters en een ingangspartij. In het dak staan aan weerszijden twee dakkapellen met elk drie vensters. Tussen de dakkapellen is een dakvenster toegevoegd.
Rechterzijgevel
Het linker oorspronkelijke gedeelte van de gevel is blind. Vanaf de vensterpartij met in totaal drie vensters is nieuwer metselwerk zichtbaar. Geheel rechts is nieuwe metselwerk van een lichtere baksteen zichtbaar die in een recente dwars geplaatste aanbouw doorloopt. In het dank van het voorhuis staat een dakkapel.
Zomerhuis aan de linkerzijgevel
Het zomerhuis is gebouwd met gele baksteen en heeft een met riet gedekt zadeldak met wolfeinden. De voorgevel heeft twee recent geplaatste vensters op de begane grond en een klein venster op de verdieping. In de linkerzijgevel bevinden zich twee vensters.
Waardering
De v.m. boerderij exclusief het boenhok en de aanbouw aan de rechterzijde aan de Nieuwdorperweg 45-45a is van belang omdat:
het een goed voorbeeld is van een boerderij uit de 19e eeuw,
de bouwmassa ondanks de wijzigingen intact is en de wijzigingen geen afbreuk doen aan de waarde van het pand,
de detaillering van het metselwerk gaaf zijn,
het zich voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het herinnert aan de economische geschiedenis van Reeuwijk.


Oorspr. Functie | Kerk |
Huidige functie | Kaaspakhuis |
Omschrijving | Aan L-vormige binnenplaats gelegen voormalige zaalkerk op rechthoekige plattegrond. Entree in voorgevel. Opgebouwd uit begane grond en dakverdieping met vliering. Entree in symmetrisch ingedeelde zeer sobere voorgevel. Rechter zijde grenzend aan belendende bebouwing. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Rondbogen (voorgevel) en spitsbogen (zijgevel) boven vensters. Linker zijgevel onderbroken door gemetselde lisenen. |
Vensters/deuren | Voorgevel: grote openslaande houten deuren. Op bovenverdieping twee kleine rondboogvensters met sierlijke roedeverdeling. Op vlieringniveau een klein rondboogvenstertje. In linker zijgevel drie houten spitsboogvensters met gebogen roeden (oorspronkelijke kerkramen). In de achterste drie traveeën zijn de kerkramen vervangen door pakhuisluiken. |
Dak | Mansardedak, gesmoorde Oudhollandse pannen. Houten windveren met onderaan een kleine gezaagde versiering. |
Bijzonderheden | In 1887 gebouwd door uit de NH kerk getreden “dolerende” gereformeerden (bron: “Bodegraven, ’t deftige dorp”). |
Motivatie | Van grote lokaalhistorische betekenis door de unieke combinatie van twee belangrijke aspecten in de geschiedenis van Bodegraven: geestelijk leven en kaashandel. |
Bouwjaar | 1887 |
Score | 14 |


Functie | (Voormalig) kaaspakhuis |
Omschrijving | Pakhuis op rechthoekige plattegrond, met lengte-as loodrecht op straat gesitueerd. Begane grond, dakverdieping met vliering. Symmetrische voorgevel is tussenvorm van trapgevel en topgevel. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Rollaag op plinthoogte. Boven vensters en deuren lateien van kunststeen. |
Vensters/deuren | Vensters met diefijzers, daarachter schuifvensters (dichtgezet). Dubbele deuren op begane grond en eerste verdieping. |
Dak | Mansardedak; Tuile du Nord. |
Motivatie | Karakteristiek voor plaatselijke nijverheid. Uiterlijk nauwelijks gewijzigd. |
Bouwjaar | 1940 |
Score | 17 |

Oorspr. functie | Kaaspakhuis |
Huidige functie | Kaaspakhuis (kaashandel E. Korver) |
Omschrijving | Dubbel kaaspakhuis, bestaand uit twee volumes, die elk zijn opgebouwd uit twee lagen en een dakverdieping. Twee entrees in voorgevel. Links een steegje met toegang tot achtererf. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Licht gebogen strekken boven vensters. Aanzet- en sluitstenen en spekbanden uitgevoerd in wit geschilderd pleisterwerk/kuststeen. In rechter gedeelte is kalkzandsteen decoratief verwerkt in strekken, spekbanden en rond roosvenster. |
Vensters/deuren | Voorgevel: grote openslaande houten deuren op begane grond en eerste verdieping. Links op eerste verdieping twee vensters met opslaande zesruitsramen. Op tweede verdieping links een ijzeren roosvenster. Vensters van het rechter pakhuisgedeelte zijn voorzien van zonneblinden (persiennes). |
Dak | Links zadeldak, gesmoorde Oudhollandse pannen. Rechts zadeldak met gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse dakpannen. Houten windveren. |
Bijzonderheden | In voorgevel linkerdeel een stichtingssteen uit 1892. |
Motivatie | Grotendeels authentiek en nog steeds in functie als kaaspakhuis. |
Bouwjaar | 1892 |
Score | 13 |



zh-rg-127-03
Functie | Woonhuis-winkel |
Omschrijving | Pand opgebouwd uit twee lagen en vliering. Rijk gedetailleerde tuitgevel met Art Nouveau kenmerken. Op begane grond rechts een vrij nieuwe winkelpui. |
Gevels | Lichtrode strengperssteen/verblendsteen in kruisverband. Kunststeen lateien boven vensters en boven blindnis op eerste verdieping. Decoratieve banden van gele en groen geglazuurde baksteen. Groen geglazuurde baksteen aan weerszijden van blindnis en ook verwerkt in ontlastingsbogen en een grote Tudorboog boven in de gevel. Hardstenen lekdorpels. |
Vensters/deuren | Schuifvensters met 2- en 3-delige bovenlichten met glas in lood. Geheel nieuwe winkeldeur en etalage. |
Dak | Zadeldak met gesmoorde Oudhollandse pannen. |
Bijzonderheden | In blindnis op de eerste verdieping een tegeltableau (geglazuurd) met voorstelling van een druivenplukker. |
Motivatie | M.u.v. winkelpui gaaf en rijk gedecoreerd. Art Nouveau kenmerken. Tegeltableau zeer karakteristiek. |
Bouwjaar | ca. 1905 |
Score | 19 |





zh-rg-124-36
Functie | Kerk (Evangelisch-Luthers) |
Omschrijving | Zaalkerkje op rechthoekige plattegrond, onder zadeldak. Voorgevel is een symmetrische topgevel met entreeportiek. Gebouwd in eclectische bouwstijl, die verwant is aan de zgn. Waterstaatsstijl uit de eerste helft van de 19de eeuw. Aan achterzijde een aangebouwde consistorie (gebouwd in 1956). |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Gepleisterde plint. Hardstenen stoep. In voorgevel gepleisterde lisenen, profiellijsten en met daklijn meelopend rondboogfries. Portiek met geprofileerde rondboog en driekwartzuilen. Boven entree een blindnis met decoratie. Topgevel bekroond door smeed-/gietijzeren windwijzer in de vorm van een zwaan. Zijgevels elk in vijf vlakken verdeeld door gemetselde pilasters. Daarop het hoofgestel, bestaand uit een gemetseld fries met spaarvelden en een houten geprofileerde kroonlijst. Voegwerk vernieuwd. |
Vensters/deuren | IJzeren rondboogvensters met traceringen, diagonale roeden en vierpas-motief. Dubbele deur met panelen en profiellijsten (oorspronkelijk). Aan weerszijden van de entreepartij kleine dubbele rondboogvensters met diagonale roedenverdeling. |
Dak | Zadeldak met gesmoorde Oudhollandse pannen. |
Interieur | Neo-Louis XV orgel uit 1874 van gebr. Adema (Amsterdam). Zijmuren elk in vijf vlakken gedeeld door pilasters met spaarvelden en kapitelen. Muren en pilasters wit geschilderd pleisterwerk. Orgel geflankeerd door houten borstwering met panelen en profiellijsten. Houten tongewelf. Onder orgelbalkon nieuw metselwerk aangebracht bij renovatie in 1967-1968. |
Bijzonderheden | De stichtingssteen herinnert aan het afbranden op 31 mei 1870 (bij de grote dorpsbrand) en aan het leggen van de eerste steen op 10 maart 1871. De kerk had aanvankelijk een voorplein, geflankeerd door de pastorie en een woonhuis. Door de doorbraak van de Marktstraat in 1956 kwam de linker zijgevel van de kerk aan de straat te liggen. De kerk is verbouwd in 1956-1957, waarbij de consistorie werd aangebouwd en het middelste venster van de voorgevel werd vervangen door een blindnis met “Lutherroos”-reliëf. |
Motivatie | Vrij gaaf, met markante stijlkenmerken. Van historische betekenis vanwege duidelijke de relatie met de grote dorpsbrand van 1870. |
Bouwjaar | 1871 |
Score | 19 |

ZH-RG-127-02
Oorspr. Functie | Woonhuis |
Huidige functie | Kantoor/woonhuis |
Omschrijving | Half vrijstaand pand rechthoekige plattegrond, met lengteas loodrecht op straat gesitueerd. Links grenzend aan steegje, rechts aan voorplein Lutherse kerk. Opgebouwd uit twee lagen en zolderverdieping. Voorgevel is symmetrisch ingedeelde lijstgevel met opvallende combinatie van kroonlijst en boogfries. Deze gevelbekroning is doorgezet in de zijgevel. De achtergevel is een sobere tuitgevel. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen toegepast in boogfries, cordonlijst en geprofileerde vensteromlijstingen. Vensteromlijstingen op begane grond voorzien van decoratie en sluitsteen. Plint met spaarvelden, grijs geschilderd. |
Vensters/deuren | T-schuifvensters, op b.g. vereenvoudigde schuifvensters. Houten voordeur uit eerste helft 20ste eeuw. In achtergevel op eerste verdieping twee blinde vensters en op tweede verdieping twee kleine tweeruitsvensters. |
Dak | Half schilddak, grijze betonpannen. Houten dakkapel. |
Bijzonderheden | Dit pand is de overgebleven helft van een tweeling, die het voorplein van de Lutherse kerk flankeerde. |
Motivatie | Markante architectuur. Rijk gedetailleerd, beeldbepalend onderdeel van gevelwand. Samenhang met Lutherse kerk. |
Bouwjaar | Ca. 1871 |
Score | 17 |


zh-rg-127-16
Functie | Bedrijfsruimte |
Omschrijving | Tussen de Noordstraat en de Oude Rijn gesitueerd 5-laags voormalig fabrieksgebouw op rechthoekige plattegrond. Met lange zijden (6 vensterassen) langs de straat en het water gelegen. Korte zijden verdeeld in 5 vensterassen. Gevels (met verhoogde midden traveeën)verlevendigd door toepassing van spaarvelden met segmentbogen. IJzeren sierankers. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband, knipvoegen. Segmentbogen boven spaarvelden. Speklagen van gele baksteen toegepast in lisenen tussen spaarvelden. Begane grond straatzijde bekleed met nieuwe natuursteen. |
Vensters/deuren | Grotendeels vernieuwd; stalen roedenvensters op begane grond rivierzijde mogelijk origineel. |
Dak | Plat |
Bijz. bijgeb./hek | Op de oostelijke hoek aan de rivierzijde een ca. 35m hoge ronde schoorsteen, opgetrokken uit felrode baksteen met ijzeren ringen als versteviging. Door een tussenlid is het hoofdgebouw verbonden met een (ouder) bijgebouw; tweelaags met zolderverdieping onder mansardedak. |
Bijzonderheden | Pand is bekend onder de naam “De Phoenix”. In 1915 gebouwd als uitbreiding van de 1905 gebouwde olieslagerij van de Zaanse firma Honig. Het oudste gedeelte is het bijgebouw met mansardedak. |
Motivatie | Beeldbepalend, ook voor het silhouet van Bodegraven. Waardevol uit oogpunt van de industriële archeologie. |
Bouwjaar | 1915 |
Score | 16,5 |




zh-rg-127-34
Functie | (Woon-)boerderij |
Omschrijving | Boerderijcomplex, bestaande uit: hoofdgebouw (woonhuis) met links aangebouwd zomerhuis en op het achtererf van links naar rechts: een klein gemetseld voormalig koetshuis (tevens kaasmakerij/ spoelruimte schuur/stal, een grote gemetselde stal en een grote houten schuur. Alle gebouwen met lengte-as loodrecht op de weg gericht. Erf omgeven door sloten, op ca. 60 meter van de weg gelegen. Toegang via de oprijlaan. |
Gevels | Hoofdgebouw: rode baksteen in kruisverband, strekken boven de vensters, vlechtingen in de voorgevel. Gepleisterde plint. In het zomerhuis gele baksteen decoratief gebruikt in banden en ook in segmentbogen en boogvelden boven twee vensters. Kleine stal/schuur: in voorgevel gepleisterde hoekpilasters en gebroken cordonlijst. Segmentbogen boven de deur en vensters. Grote stal: in de voorgevel (tuitgevel) gele baksteen decoratief gebruikt in rondboog en boogveld boven de hooideur op bovenverdieping. |
Vensters/deuren | Hoofdgebouw: zesruits-schuifvensters, zomerhuis T-schuifvensters. Voorgevel kleine schuur: getoogde T-schuifvensters. Grote stal: ijzeren stalvensters. |
Dak | Woonhuis zadeldak met wolfseinden, rietdekking. Overige daken zadeldaken met gesmoorde holle pannen. Bij zomerhuis windveren met makelaar en Tuile du Nord pannen. |
Interieur | In de woonkamer (voorzijde woonhuis) een schouw met een (gerestaureerde) romantische landschapsschildering; waarschijnlijk eerste kwart 19de eeuw. Draagconstructie met zware grenenhouten standvinken. |
Bijz. bijgeb./hek | Bij begin oprijlaan toegangshek met op peilers de naam “DIJKZIGT”. Aan linkerzijde erf aan sloot gesitueerd houten spoelhok met lessenaardak. |
Groenaanleg | Rijen bomen aan weerszijden van de oprijlaan. Leilinden voor de voorgevel van het woonhuis. |
Bijzonderheden | Hoofdgebouw, waarschijnlijk midden 18de-eeuw met 19e -eeuwse voorgevel welke kenmerken vertoont van het in de regio traditionele “langhuis”-boerderijtype. |
Motivatie | Redelijk gaaf boerderijcomplex; karakteristiek element in het landschap, met name door de samenhang van de afzonderlijke componenten. |
Bouwjaar | Hoofdgebouw: midden 18e eeuw, Bijgebouwen: ca. 1895, Grote stal: 1913. |
Score | 19 |
Monumentnummer: 2000.04.
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 1047
RWV/3466 LA/14/10-35*
Omschrijving van het monument
Vrijstaande boerderij “Oosterhoeve” uit ca. 1845 met mogelijk een oudere kern gebouwd van rode baksteen in kruisverband en waarschijnlijk gefundeerd op tonnen met slierten. Op het erf staan een stal (1904), een schuur, een hooiberg en een wagenschuur. Het erf wordt van de weg afgescheiden door een smeedijzeren hek voorzien van gedecoreerde punten.
Boerderij
Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak deels gedekt met riet en deels met gesmoorde muldenpannen. Op de nok, waarvan de richting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen. In de het linkerdakvlak staat een recent gebouwde dakkapel.
Voorgevel
De gevel heeft op de begane grond twee ongedeelde schuifvensters. De gevelopeningen hebben gemetselde strekkenlagen en rollagen. Rechts is op de gevel een koedecoratie aangebracht. Op de overgang naar de verdieping is een gevelsteen met het opschrift “Oosthoeve” ingemetseld. Op de verdieping bevindt zicht een zesruits schuifvenster met zesruits bovenlicht. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. Langs de randen van de gevel zijn vlechtingen aangebracht.
Linkerzijgevel
De gevel rechts een recent vervangen half venster, een toegang en links een aanbouw onder lessenaarsdak gedekt met gesmoorde pannen. De voorgevel heeft aan de linkerzijde een toegang en rechts een kleine aanbouw met een klein venster onder een plat dak.
Rechterzijgevel
De gevel heeft links twee vensters en een toegang. Het rechtergedeelte heeft twee meerruits stalvensters en een klein venster en wordt de gevel afgesloten met een mastgoot. Onder de dakranden zijn muurankers zichtbaar.
Waardering
De boerderij aan het Oosteinde 14 van belang omdat:
het een goed voorbeeld is van een boerderij uit ca 1845 met mogelijk een oudere kern,
de bouwmassa intact is,
de detaillering van het metselwerk gaaf zijn,
het zich voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het herinnert aan de economische geschiedenis van Waarder.

Monumentnummer: 2001.01
RWVI/2811 KB/15/WWVIII/11-3*-10*
Omschrijving van het monument
Vrijstaande boerderij “Zomerlust” van het Zuid Hollandse type gebouwd in het 4de kwart van de 19de eeuw van handgevormde gele baksteen in kruisverband en rode baksteen in halfsteensverband. Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een wolfdak gedekt met Tuile du Nordpannen. De nokrichting staat haaks op de weg. Het voorhuis is gebouwd van gele baksteen, het achterste deel gebouwd is van rode baksteen. Op het terrein staat een vrijstaande stenen schuur. Het erf wordt door middel van een verharde overkluizing met een hek van de openbare weg gescheiden. Op het terrein staat een vrijstaande stenen schuur. Het erf wordt door middel van een verharde overkluizing met een hek van de openbare weg gescheiden.
Voorgevel
De symmetrische gevel met ingezwenkte lijstgevel heeft aan weerszijden van de toegang twee meerruits schuifvensters (4+2). De toegang wordt geflankeerd door gedecoreerde houten pilasters en wordt bekroond door een kroonlijst die op twee consoles rust. Tussen de consoles is de benaming “Zomerlust” geschilderd. De entree bestaat uit een hardstenen dorpel, een deur voorzien van een rooster met koekop en een bovenlicht. De gevelopeningen zijn voorzien van gemetselde strekkenlagen in rode bakstenen en geglazuurde lekdorpels. Op de verdieping bevinden zich twee gedeelde schuifvensters met gedeelde bovenlichten. De gevelopeningen hebben houten lekdorpels en gemetselde strekkenlagen in rode baksteen. Over de gevel zijn zes grijs geschilderde rozetankers zichtbaar. De ingezwenkte delen van de gevel zijn afgezet met grauwe bakstenen rollagen en wordt afgesloten met een kroonlijst.
Linkerzijgevel
Het rechtergevel van gele backsteen heeft twee meerruits schuifvensters (4+2). Het linkergedeelte van rode baksteen heeft een portiek met toegang met een segmentboogvormige gevelopening afgezet met een gemetselde strekkenlaag. Links is een meerruits schuifvenster zichtbaar (6+3). Boven een toegang is recent een luifel aangebracht. Onder de dakrand zijn muurankers zichtbaar. De gevel wordt afgesloten met een mastgoot.
Rechterzijgevel
Het linker gevelvlak van gele baksteen heeft een schuifvenster (4+2). Het rechter gevelvlak van rode baksteen heeft een laag geplaatst venster dat geblindeerd kan worden met een luik, een laag en twee hoog geplaatste vensters voorzien van kruisroeden, twee schuifvensters (6+3) en twee T-schuifvensters met gedeelde bovenlichten. De gevel wordt afgesloten met een mastgoot op ijzeren steunen. In het dak is een dakvenster toegevoegd.
Schuur
De schuur is gebouwd van rode baksteen in halfsteens verband met speklagen en siermetselwerk in gele baksteen. De bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak gedekt met gesmoorde verbeterde Hollandse pannen. De nokrichting staat haaks op de weg.
Voorgevel
De gevel is voorzien van een grijs gepleisterde plint. De begane grond heeft drie en de verdieping twee stalvensters met meerruits roedenverdeling. De gevel wordt afgesloten met het dakoverstek op houten klossen.
Linkerzijgevel
De gevel is recent vernieuwd en voorzien van aanbouwen. Enkel links bevinden zich authentieke stalvensters. De gevel wordt afgesloten met een mastgoot op ijzeren steunen. In het dak zijn kleine dakvensters en dakkapellen toegevoegd.
Waardering
De boerderij aan de Oud Reeuwijkseweg 15 is van belang omdat:
het een goed voorbeeld is van een boerderij van het Zuid Hollandse type gebouwd in het vierde kwart van de 19de eeuw,
de bouwmassa’s intact zijn,
de detaillering van het metselwerk en de vensters gaaf zijn,
de detaillering va het metselwerk en de vensters gaaf zijn,
het zich voegt de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het herinnert aan de economische geschiedenis van Reeuwijk.




Monumentnummer: 2000.08
RWV/2811 NE/8/8-2*
Omschrijving van het monument
Vrijstaande gedeeltelijk onderkelderde boerderij “Wiltenburg” in oorsprong gebouwd in de 17e eeuw en recent ingrijpende gerestaureerd waarbij grote delen van de gevels zijn vernieuwd. Het is gebouwd in gele baksteen in kruisverband. Het erft is via een toegangspoort van twee meerkantige bakstenen pylonen voorzien van hardstenen plinten en afdekplaten met aan weerzijden hekken te betreden. Dit toegangshek is aangewezen als rijksmonument en niet betroken bij de aanwijzing als gemeentelijk monument.
De overige niet beschreven gebouwen op het erf zijn niet beschermenswaardig. Op is dat de stal met de z.g. “drijvende kelder” met oudste gedeelte is van het complex en uit de bouwtijd stammen.
Boerderij
Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak met wolfeinden dat gedekt is met riet. Op de nok waarvan de richting evenwijdig loopt aan de hoofdweg, staan drie schoorstenen. De voorste deel van de boerderij is gewijzigd en de vensters van de zijgevels van het woongedeelte zijn recent vervangen.
Voorgevel
De gevel is recent gewijzigd en is voorzien van een trasraam. Links van de toegang bevindt een gekoppeld venster ter hoogte van de opkamer en rechts een gekoppeld venster met twee vensters met bovenlichten. Op de verdieping bevinden zich drie recent vervangen vensters. Aan de linkerzijde staat verdiept ten opzichte van de voorgevel een bakhuis van rode baksteen in halfsteensverband onder een lessenaarsdak gedekt met rode pannen. De gevel heeft links een vierruits venster en rechts een toegang met opgeklampte deur.
Rechterzijgevel
In het linker gevelvlak bevinden zich twee recent vervangen vensters. Rechts hiervan is een bouwnaad zichtbaar en vertoont het dak op dezelfde hoogte een knik. In het rechtervlak van het woongedeelte bevinden zich aan weerszijden van een toegang twee recent gewijzigde vensters. De entree bestaat uit een deur met bovenlicht voorzien van een levensboom. Tussen de deur en het rechter venster gaat het metselwerk over in rode baksteen in kruisverband. In dit dakdeel zijn twee dakvensters toegevoegd. Van de gevel van gedeelte van de schuur is enkel geheel links een toegang en twee vensters die geblindeerd kunnen worden met luiken zichtbaar. In het dak is een dakvenster toegevoegd.
Boenhok (thans varkensschuur)
Het boenhok is gebouwd van rabat delen en bestaat uit een begane grond en een verdieping onder een zadeldak gedekt met gesmoorde Hollandse pannen. De gevels zijn voorzien van een grijs gepleisterde plint. De gevels aan de kopse kanten worden afgesloten met een brede daklijst voorzien van windveren en pinakels. De gevels aan de waterzijde heeft een toegang en een venster. De gevel links hiervan heeft een liggend venster.
Waardering
Het boerderijcomplex aan de Oukoopsedijk 8 van belang omdat:
het een goed voorbeeld is van een boerderij uit de 17de eeuw met boenhok,
de bouwmassa’s intact zijn,
het zich voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het ambachtelijke vaardigheid toont in het metselwerk,
het herinnert aan de ontwikkeling en economische geschiedenis van Reeuwijk.

Kadastrale aanduiding: : L 530 en 532
Het betreft een object dat belang is vanwege het feit dat het de oudste boerderij van Reeuwijk uit de akkerbouwtijd is, dat het al op een kaart uit 1615 voorkomt, dat het gelegen is aan de dorpslint met cultuurhistorisch gezien een waarde “zeer hoog”, dat het nabij het veenstroompje “Oude Bodegrave” was gelegen, dat het op een markant punt in de gemeente Reeuwijk, namelijk polder Roggebroek is gelegen, dat op de schuur nog de woorden staan “Dolik wacht u”, hetgeen betrekking heeft op een ziekte uit de periode van 1750 tot 1790.





zh-rg-131-27
Functie | R.K. Kerk |
Omschrijving | Neo-gotische kruisbasiliek met 3-zijdige absis. Een zware vierkante toren met overhoekse steunberen met verjongingen aan voorzijde, geplaatst in de as van het schip. Toren bekroond door 8-kantige spits en op elke hoek een klein spitsje. Alle spitsen bekroond door ijzeren decoratie. Links aan de voorzijde doopkapelletje aangebouwd aan oostelijke zijbeuk. Muren van de zijbeuken door steunberen onderverdeeld in vier traveeën. Gevels van transept bekroond door kruisbloem. Aan beide zijden van het koor een aangebouwde kapel/ consistorie. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Gemetselde spitsbogen. Aan de bovenzijde van de gevels steeds een fries van samengestelde of enkele muizentandlijsten. (Natuur) stenen gevelafdekkingen, gootlijsten, afdekstenen, vensterbanken en venstertraceringen. In de toren galmgaten met houten galmborden. Entreepartij: baldakijn bekroond met kruisbloem. Archivolten met kwartzuilen. Stenen heiligenbeelden. Voegwerk (oorspronkelijk knipvoegen) op enkele plaatsen vervangen door platte voegen. |
Vensters/deuren | Spitsboog- en roosvensters met glas-in-lood en deels voorzien van stenen traceringen. In de middenbeuk kleine spitsboogvensters zonder traceringen. Houten deuren met ijzerbeslag. Spitsboogvensters van de absis zijn bij de renovatie in 1965 dichtgemetseld. |
Dak | Zadeldak met steekkappen en 3-schilds beëindiging boven absis. Zijbeuken en kapellen onder afzonderlijke kappen/ dakschilden. 8-kantige torenspits. Dakbedekking: leien in Maasdekking. |
Bijz. bijgeb./hek | Pastorie gebouwd in 1964, door een tussenlid met de kerk verbonden. |
Interieur | Grotendeels gewijzigd bij de renovatie in 1965 of verloren gegaan bij de brand in 1982. Maarschalkerweerd orgel uit 1897 van elders afkomstig. In het koor gemetselde kruisgewelven. Pilaren voorzien van kwartzuilen. Metselwerk verlevendigd met patronen van zwart en crème geschilderde baksteen. Glas in lood ramen met voorstellingen van heiligen. Houten tongewelf in schip en transept na 1982 gereconstrueerd. Muurwerk voorzien van een isolatieschil van porisosteen. |
Groenaanleg | Ommuurd kerkhof links naast kerk; priestergraf met kruisbeeld. Aan voorzijde een gazon en enkele hoge bomen. |
Bijzonderheden | Heiligenbeeld van St. Willibrordus boven de ingang. Kerk in 1865 ontworpen door de bekende architect dr P. J. H. Cuypers (1827-1921) ; gelijkenis met kerk te Kranenburg bij Vorden (G.) van de zelfde architect. Niet zijn meest geslaagde project; Cuypers was ontevreden over de uitvoering van de spits. |
Motivatie | Vroeg ontwerp van Cuypers. Markante architectuur, uitermate beeldbepalend voor het straatbeeld en het gehele silhouet van Bodegraven. Van cultuur- en architectuurhistorische waarde. |
Bouwjaar | 1866-67 |
Score | 21 |


ZH-RG-124-13
Oorspr. Functie | Woonhuis (pastorie) |
Huidige functie | Kantoor |
Omschrijving | Monumentaal herenhuis op vrijwel vierkante plattegrond, opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. |
Gevels | Rode baksteen, staand verband. Crème geschilderd pleisterwerk/kunststeen toegepast in rustica hoenblokken , geprofileerde lijst boven vensters begane grond. Houten hoofdgestel, op de hoeken bekroond door vazen op sokkels (waarschijnlijk kunststeen). Gemetselde strekken boven vensters. Houten deuromlijsting. |
Vensters/deuren | Zesruits schuifvensters (gedeeltelijk vereenvoudigd). Houten deur met panelen. |
Dak | Afgeplat schilddak, gesmoorde Tuile du Nord. Houten dakkapellen. |
Motivatie | Beeldbepalend voor dorpskern. Historisch interessant vanwege oorspronkelijke functie. |
Bouwjaar | - |
Score | 15 |
Monumentnummer: 2000.02
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer A 2906
RWV/3465 JE/10/R 8*
Omschrijving van het monument
Vrijstaand gemaal gebouwd in 1911 van rode baksteen in kruisverband. Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak gedekt met Tuile du Nordpannen. In de rechter zijgevel is een hardstenen gevelsteen ingemetseld met het opschrift:
Gesticht in 1911 | - |
L. Boerefijn | voorz |
W.M.N. Doornman | secr. |
Z. van Ingen | penn |
H. van Ingen | - |
W. Hoogendoorn Heemer | - |
J. Boer AZ | - |
Rondom het gemaal is een stepje aangelegd met klinkerbestrating.
Voorgevel
De tuitgevel heeft een trasraam en is door lisenen in drie traveëen met verdiepte gevelvlakken verdeeld. In de middelste travee bevindt zich een toegang. In de buitenste traveëen bevinden zich een stalen venster met een negenruits roedenverdeling. De gevelopeningen hebben hardstenen afzaten en kunststenen lateien. Ter hoogte van de borstwering van de zolderverdieping zijn aan de schouders vertandingen zichtbaar. De lisenen zijn door middel van metselwerk horizontaal met elkaar verbonden. De top van de gevel is voorzien van een frontonvormig verdiept veld waarin zich een cirkelvormig stalen venster met waaiervormige roedenverdeling bevindt.
Linkerzijgevel
De gevel is vanaf de openbare weg niet zichtbaar.
Rechterzijgevel
De gevel vertrapt naar rechts toe. De gevel is door lisenen in twee traveëen met verdiepte gevelvlakken verdeeld. De traveëen zijn elk voorzien van een hardstenen plint en hebben elk een stalen venster met negenruits roedenverdeling. De gevelopeningen zijn voorzien een hardstenen afzaten en kunststenen lateien. De gevel wordt aan de bovenzijde afgesloten door een gootlijst.
Achtergevel
De tuitgevel heeft een bakstenen onderbouw waar zich het pompmechaniek van het gemaal bevindt. De begane grond is links voor 2/3 gepleisterd en heeft stalen vensters met een negenruits roedenverdeling. De gevelopeningen zijn voorzien van hardstenen afzaten en kunststenen lateien. Het rechter gevelvlak wordt aan de rechterzijde voor 1/3 ingenomen door een eenlaagse bakstenen aanbouw met plat dak. In elke van de drie gevels bevinden zich liggende stalen vensters met negenruits roedenverdeling. De gevelopeningen hebben hardstenen afzaten en kunststenen lateien. De top van de gevel is voorzien van een frontonvormig verdiept veld waarin zich een cirkelvormig stalen venster met waaiervormige roedenverdeling bevindt.
Waardering
Het gemaal aan de Prinses Beatrixkade 10 is van belang omdat:
het een uniek voorbeeld is van een pompgemaal uit 1911,
de bouwmassa intact is en de architectuur evenwichtig van opbouw is en zich kenmerkt door gave verhoudingen,
het ambachteljkheid vertoont en de detaillering van het metselwerk en de vensters overwegend gaaf zijn, het zich voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het herinnert aan de oorspronkelijke functie en het een bijzondere ligging heeft.

Monumentnummer: 2000.07
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer B 3899
RWV/2811 HT/5-9?R2/R3/RWV/5-2*
Omschrijving van het monument
Vrijstaand voormalig raadhuis van de gemeente Reeuwijk gebouwd in 1918 door architect Heemskerk. Het pand is gebouwd van rode baksteen in kruisverband en thans in gebruik als wooncomplex. Het pand bestaat uit een begane grond, een verdieping en een zolderverdieping onder een samengesteld schilddak met verschillende steekkappen gedekt met rood geglazuurde Tuile du Nordpannen. Op de nok van het hoofddak staan aan weerszijden twee schoorstenen. De gevels zijn voorzien van uit gemetselde plinten afgezet met een hardstenen afzaat. Alle gevels zijn ter hoogte van de zolderverdieping wit gepleisterd en worden afgesloten met een dakoverstek op gedecoreerde hout klossen. De gevelopeningen hebben gemetselde strekkenlagen en hardstenen lekdorpels.
Voorgevel
De symmetrische gevel heeft een midden risaliet met aan weerskanten twee hoekrisalieten. De linker hoekrisaliet is op de begane grond voorzien van een driezijdige erker met in elke zijde een T-schuifvenster. Het midden gedeelte van de erker springt ook over de verdieping uit en vormt daar een bakstenen loggia op een vierkante grondslag onder een lessenaarsdak. De loggia bezit aan de drie zijde rondboogvormige openingen en aan de gevel zijde een toegang met twee openslaande deuren. De gevel wordt afgesloten met een gepleisterde topgevel en het dakoverstek op houten klossen. In het gevelvlak rechts van de linkerrisaliet bevindt zich op de begane grond een toegang met bovenlicht die via een trap met twee treden te bereiken is. Rechts een gekoppeld venster met drie ongedeelde schuifvensters waarvan de middelste breder is dan de buitenste. De gevelopeningen hebben bovenaan een gemetselde hanekam. De verdieping heeft links een schuifvenster en rechts een gekoppeld venster met drie ongedeelde schuifvensters waarvan de middelste breder is. In het dak staat dakkapel met twee klapvensters onder een tentdak. Het middenrisaliet heeft op de begane grond een bakstenen loggia met een centrale toegang die via twee hardstenen trappen te bereiken is. De loggia heeft aan drie zijden rondboogvormige openingen op gemetselde zuilen met natuurstenen kraagstenen. Boven de centrale rondboog is het wapen en de naam “Reeuwijk” als sluitsteen aangebracht. Boven de twee andere bogen zijn natuurstenen gevelstenen met “1918” ingemetseld. De loggia is voorkiem van een kruisgewelf en de entree bestaat uit een rondboogvormige gevelopening met authentieke deuren met bovenlichten met een tienruits roedenverdeling.
De loggia vormt op de verdieping een balkon die via twee openslaande deuren met bovenlicht te bereiken is. Ter hoogte van de zolderverdieping gaat de middenrisaliet over in een torenachtig element dat wordt bekroond door een tentdak en een klokketorentje. De gevel is voorzien van een venster met in- en uitgezwenkte zijposten en een negenruits roedenverdeling. Erboven is een tweezijdige uithangende wijzerplaat geplaatst. De borstwering is aan de bovenzijde wit gepleisterd en wordt afgesloten met het dakoverstek op gedecoreerde houten klossen. Het gevelvlak rechts van de middenrisaliet heeft een gekoppeld venster met drie ongedeelde schuifvensters waarvan de middelste breder is. De gevelopening heeft een gemetselde hanekam. Rechts bevindt zich een ongedeeld schuifvenster. Op de verdieping bevindt zich links een gekoppeld venster met drie ongedeelde schuifvensters waarvan de middelste breder is dan de buitenste twee. Rechts heeft de gevel een ongedeeld schuifvenster. De gevel wordt afgesloten met een wit gepleisterde rand en het dakoverstek op gedecoreerde houten klossen. In het dak staat een dakkapel met twee klapvensters onder een tentdak. Het rechter risaliet heeft op de begane grond een driezijdige erker met in elke zijde een T-schuifvenster. Op de verdieping bevindt zich een gekoppeld venster met twee schuifvensters. De wit gepleisterde gevel van de zolderverdieping heeft een recent vervangen venster. De gevel wordt afgesloten met het dakoverstek op houten klossen.
Linkerzijgevel
De begane grond heeft rechts een ongedeeld schuifvenster en links een driezijdige aangebouwde serre die op de verdieping dienst als balkon. De verdieping heeft links een gekoppeld kozijn met openslaande deuren met aan weerszijden halve vensters. In het rechter gevelvlak bevinden zich twee ongedeelde schuifvensters. De gevel wordt afgesloten met een wit gepleisterde rand en het dakoverstek op houten klossen. In het dak staan twee dakkapellen met twee vensters onder tentdaken.
Rechterzijgevel
De gevel vertoon een verspringing. In het link gevelvlak heeft de begane grond drie ongedeelde schuifvensters en een recent vervangen venster. De gevelopeningen hebben gemtselde hanekammen. Op de verdieping bevinden zich twee ongedeelde schuifvenster en een gekoppeld venster met twee schuifvenster. De gevel wordt afgesloten met een wit gepleisterde rand en het dakoverstek op houten klossen. In het dak staan twee dakkapellen met twee klapvensters onder tentdaken. Het rechter recent aangebouwde gevelvlak heeft op de begane grond een schuifvenster, een toegang met geflankeerd venster met bovenlichten en een gekoppeld venster met twee ongedeelde schuifvensters. Ter hoogte van de gemetselde strekkenlagen is een grijze horizontale band zichtbaar. Op de verdieping bevinden zich vier recent vervangen vensters. De gevel wordt afgesloten met een wit gepleisterde rand en het dakoverstek op houten klossen. In het dak staan twee rechtafgewerkte dakkapellen met twee ventsters.
Achtergevel
De gevelindeling sluit aan bij die van de voor- en zijgevels.
Waardering
Het voormalige raadhuis aan de Raadhuisweg 5-9 is van belang omdat:
het een uniek voorbeeld is van een raadhuis uit 1918,
de bouwmassa intact is,
de detailleringen van het metselwerk en de vensters overwegend gaaf zijn,
het zich voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het herinnert aan de bestuurlijke geschiedenis van Reeuwijk.


Monumentnummer: 99.02
RWV/2811 HE/34/1-29*
Omschrijving van het monument
Vrijstaand landhuis “Huize Suetwijk” met schuur gebouwd in 1926 van wit gepleisterde baksteen in kruisband. De begane grond van de rechter zijgevel bevat een gevelsteen met het opschrift “De eerste stenen gelegd door Pr en Cs Kersbergen lz 21 mei 1862”. Het pand is in de huidige vorm in 1926 ontstaan toen twee arbeiderswoningen uit 1862 samengevoegd en verbouwd werden tot een van de eerste landhuizen in Reeuwijk. Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak gedekt met opnieuw verbeterde Hollandse pannen. Op de uiteinden van het dak staan twee schoorstenen die verdikt op de zijgevels doorlopen. Op de nok van het dak bevindt zicht een bel. In ca. 1920 is aan de linker zijgevel een aanbouw geplaatst.
Woonhuis
Voorgevel
Het pand wordt door een lage haag van de weg afgescheiden. De symmetrische wit gepleisterde gevel heeft aan weerszijden van een centrale toegang twee schuifvensters met vierruits roeden gedeelde onder ramen en gedeelde bovenlichten. De vensters kunnen geblindeerd worden met luiken. De gevelopeningen zijn voorzien van kunststenen lekdorpels. De entree bestaat uit een hardstenen dorpel, een deur, een plat afdak aan de bovenzijde voorzien van ijzeren sierkrullen en een gedeeld bovenlicht. Boven de toegang is tussen het opschrift “Huyze Suetwijk” in metaal uitgevoerd, een metalen schild met het familiewapen aangebracht. De gevel wordt afgesloten met een omgekorniste kroonlijst op houten klossen. In het dak staat een breed recht afgewerkt dakkapel met een verdeling in drieën. Aan weerszijden bevinden zich twee vensters die door twee halve gedeelde vensters geflankeerd worden. Links is een eenlaagse aanbouw met plat dak afgewerkt met een boeiboord zichtbaar.
Linkerzijgevel
De begane grond wordt grotendeels ingenomen door een eenlaagse aanbouw met plat dak voorzien van een balkon met ijzeren balustrade. Op de verdieping bevinden zich aan weerszijden van de verdikte schoorsteen twee toegangsdeuren met meerruits roedenverdeling. De randen van de gevel zijn voorzien van een wit geschilderde tandlijst.
Rechterzijgevel
De begane grond telt een zesruits schuifvensters en een recent vervangen venster die geblindeerd kunnen worden met luiken. Op de verdieping bevindt zich een derde zesruits schuifvenster dat geblindeerd kan worden met luiken. De randen van de gevel zijn voorzien van een gemetselde tandlijst. De schoorsteen in de top van de gevel heeft een getande onderzijde.
Achtergevel
Het rechter gevelvlak wordt ingenomen door een eenlaagse aanbouw met dubbele toegangsdeuren. Boven het linker gevelvlak bevindt zich op dezelfde hoogte als de aanbouw een balkon met een ijzeren balustrade. In de gevel zijn op de begane grond een toegang met een deur meerruits roedenverdeling met aan weerzijden een rij van ruiten geplaatst en een breed gedeeld bovenlicht. Aan de linkerzijde bevinden zich vier smalle gedeelde vensters. De verdieping telt een recht afgewerkt dakkapel met link drie vierruits klapvensters en recht aan weerszijden van een toegang met deur en meerruits roedenverdeling twee vierruits klapvensters.
Schuur
Voorgevel
Ter hoogte van de achtergevel van het woonhuis staat een tweelaagse schuur. Op de begane grond is links een toegang met een deur naar een tussenlid zichtbaar. De gepleisterde begane grond van de schuur bevat een gedeeld venster. Vanaf de verdieping is de gevel bedekt met wit geverfde houten panelen.
Linkerzijgevel
De begane grond wordt door het tussenlid aan het zicht onttrokken. In het dak is een groot dakvenster toegevoegd.
Achtergevel
De begane grond wordt door het tussenlid aan het zicht onttrokken. De verdieping is voorzien van wit geschilderde houten panelen.
Waardering
Het landhuis aan de Ree 34 is van belang omdat:
het een van de eerste landhuizen in Reeuwijk is dat in 1926 tot stand is gekomen door de samenvoeging van twee arbeiderswoningen uit 1826,
de bouwmassa uit 1926 ondanks de wijzigingen intact is en de wijzigingen geen afbreuk doen aan de waarde van het pand,
de detailleringen van het metselwerk en de vensters gaaf zijn,
het zicht voegt in de rooilijn en wat schaal en maat betreft past in de omgeving.




zh-rg-124-31
Functie | Watertoren |
Omschrijving | Ronde ca. 40 m. hoge toren opgebouwd uit: basement met acht steunberen, een naar boven iets toelopend middengedeelte en een uitkragende cilindrische bovenbouw. |
Gevels | Rode baksteen; metselwerk opgebouwd uit koppenlagen. Boven in basement uitspringende lagen. Betonnen steunberen. Boven de vensters betonnen lateien en gemetselde rondbogen. Boven in het middengedeelte rondlopend een rondboogfries. Betonnen kraag met consoles. Bovenbouw: metselwerk van gele baksteen tussen betonnen lisenen. Betonnen balustrade. |
Vensters/deuren | Kleine ijzeren vensters. Gladde deur met ruitje. In de bovenbouw kleine betonnen vensters. |
Dak | Plat. |
Bijzonderheden | Bovenbouw vernieuwd eind jaren ’50; was oorspronkelijk uitgevoerd in rode baksteen met kantelen. Ontwerp van bureau Visser & Smit. |
Motivatie | Van industrieel-archeologisch belang. Bepalend voor silhouet van Bodegraven. |
Bouwjaar | 1907 |
Score | 19 |
Monumentnummer: 2000.05
RWV/2811GE/6-8/6-34*/12-29a*-30a*-32a*
Omschrijving van het monument
V.m. winkel/woonhuis met vrijstaande v.m. kerk die gelegen is achter het winkel/woonhuis. Het v.m. winkel/woonhuis is gebouwd in de 19de eeuw en de v.m kerk in het einde van de 19de eeuw. De v.m. kerk is de eerste gereformeerde kerk in Reeuwijk en heeft tot aan de bouw van de Ark in de jaren ‘70 als zodanig gefunctioneerd.
V.m. winkel/woonhuis
Het pand heeft wit gepleisterde gevels in imitatie blokverband, voorzien van een zwart geschilderde plint. Het pand bestaat uit een begane grond en een zolderverdieping onder een zadeldak gedekt met riet. Op de nok van het dak, waarvan de nokrichting haaks op de weg staat, staat een schoorsteen. Langs de voor- en rechterzijgevel zijn lage heggen geplaatst die het terrein van de straat afscheiden. De toegang bevindt zich in de rechter zijgevel.
Voorgevel
De symmetrische gevel met afgeknotte tuitgevel heeft een centrale toegang met aan weerszijden een recent vervangen vensters. De toegang heeft een grijs geschilderde imitatie natuurstenen posten die een architraaf ondersteunen. De entree bestaat uit een deur afgezet met decoratief fries en een bovenlicht. Op de verdieping bevindt zich een schuifvenster. De gevelopeningen hebben houten lekdorpels en in pleisterwerk uitgevoerde sierstenen. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. Aan de linkerzijde is een meerkantige aanbouw met plat dak gebouwd en heeft drie schuifvensters met geslepen glas in de bovenlichten.
Linkerzijgevel
De begane grond ís vanaf de straat niet zichtbaar. In het dak is een dakvenster toegevoegd.
Rechterzijgevel
De gevel heeft een T-venster, een zesruits schuifvenster, een toegang en een venster met twee draairamen. Over de gevel zijn muurankers zichtbaar. In het dak is een dakraam toegevoegd.
Voormalige kerk
De voormalige kerk is gebouwd van rode baksteen in kruisverband en heeft een mansardedak dat aan beide zijden wordt afgesloten met een windveer. Het dak is gedekt met gesmoorde Tuile du Nordpannen.
Voorgevel
De gevel heeft drie geledingen en heeft op de begane grond boven de toegang een houten luifel, hangend aan metalen steunen. In de top van de gevel bevindt zich een spitsboogvenster met glas-in-lood. De toegang wordt gevormd door een getoogd kozijn met dubbele houten deuren met venster. De zijgevels bestaand uit 6 geledingen met in: elke geleding een venster met glas-in-lood. Boven het venster een rollaag en aan de onderzijde een gemetslede lekdorpel. De achtergevel bestaat uit drie geledingen met in de beide zijgeledingen een toegang met deur en in de middelste geleding op verdiepingshoogte een rond venster met roedenverdeling.
Waardering
Het complex van een v.m. woon/winkelhuis met een v.m. kerk aan de ‘s-Gravenbroekseweg 6-8 is van belang omdat:
het een goed voorbeeld is van een voormalige kerk met een vrijstaand v.m. winkel/woonhuis uit het einde van de 19de eeuw,
de bouwmassa’s intact zijn,
de detaillering van het pleisterwerk redelijk gaafis,
het qua situering herinnert aan de bouw en het gebruik van de kerk,
het wat schaal en maat betreft past in de omgeving,
het de eerste gereformeerde kerk in Reeuwijk was en herinnert aan de sociale geschiedenis.





Kadastrale aanduiding: sectie en nummer E 1181 en 1051
Omschrijving van het monument
Kerkelijk complex van de Nederlands Hervormde Gemeente van Sluipwijk
Kerk
Zaalkerk, gebouwd in 1862-1863 op dezelfde plaats als een vorig, middeleeuws gothisch kruiskerkje, met aan de westzijde een in de as geplaatste torenopbouw. Het zadeldak is voorzien van gesmoorde kruispannen. De kerk is zes traveeën lang en bezit rondom bakstenen gevels. De traveeën zijn met behulp van eenvoudige lisenen van elkaar gescheiden. Alle gevels zijn voorzien van een gestucte plint en de zijgevels bezitten over de gehele lengte een waterdorpel, die tevens als lekdorpel voor de erboven gelegen vensters fungeert. In 1933 werd aan de achterzijde een consistoriekamer bijgebouwd.
Westgevel
De westgevel bezit een middenrisaliet en aan weerszijden daarvan twee boven elkaar geplaatste spitsboogvormige vensters met diagonale roedenverdeling. De onderdorpels en de bovenzijden van de vensters zijn gepleisterd. De beide geveldelen aan weerszijden van de risaliet volgen aan de bovenzijde de dakvorm van de kerk en zijn afgezet met een kunststenen lijst. De risaliet zelf is op de begane grond voorzien van een hoge rechthoekige nis. In die nis bevindt zich een kozijn met twee deuren. De bovendorpel van kozijn en deuren vormen een tudorboog. Boven de ingangspartij zijn twee spitsbogen op gedecoreerde kunststenen kraagsteentjes gemetseld, Ter halve hoogte van de gevel is de risaliet onderbroken door een gestucte geprofileerde lijst. Erboven bevindt zich een spitsboogvormige nis, waarin een rondboogvormige nis is gemetseld. De rondboogvormige nis is voorzien van een cirkelvormig venster met bijzondere roedenverdeling. Boven de spitsboogvormige nis is een kunststenen waterlijst aangebracht. De risaliet wordt bekroond door een torenopbouw waarvan de gevels rondom blind zijn. De toren is aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudige lijst met balustrade en wordt bekroond door een achtzijdige lantaarn met acht steunen en acht openingen en een achtzijdige torenspits. Op de spits staat een haan.
Noordgevel
De traveeën zijn voorzien van een spitsboogvenster met ijzeren vorktraceringen. De meest westelijke travee is echter blind en het spitsboogvenster van de op één na meest westelijke travee loopt minder ver naar onder door, De gemetselde spitsbogen boven de vensters bezitten een gestucte sluitsteen. De bovenzijde van de gevel is afgesloten door een eenvoudige gootlijst. Halverwege de noordgevel zijn recentelijk enkele moderne aanbouwen geplaatst.
Zuidgevel
De traveeën zijn voorzien van een spitsboogvenster met ijzeren vorktraceringen. De meest westelijke travee is echter blind en het spitsboogvenster van de op één na meest westelijke travee loopt minder ver naar onder door, De gemetselde spitsbogen boven de vensters bezitten een gestucte sluitsteen. De bovenzijde van de gevel is afgesloten door een eenvoudige gootlijst.
Oostgevel
Tegen de oostgevel is later een eenvoudige aanbouw met zadeldak geplaatst. De zuidzijde hiervan bezit drie vensters met elk een zesruits roedenverdeling.
Pastorie
Pand van rond 1900, bestaande uit een begane grond en een zolderverdieping. Het tentdak heeft een zeer flauwe helling en is gedekt met rubberoïd shingles. Het pand bezit rondom bakstenen gevels. In het pand zijn de balken verwerkt uit de kerk die in 1862 werd gesloopt.
Voorgevel
De voorgevel bezit een gestucte plint. De borstwering is aan de bovenzijde afgesloten door een geprofileerde lijst, die tevens als lekdorpel voor de erboven gelegen vensters dienst doet. De begane grond bezit in het midden een portiek dat is omlijst door houten lisenen en een hoofdgestel. Het portiek is voorzien van een hardstenen stoep en is aan de bovenzijde verrijkt met houtsnijwerk. In het portiek bevindt zich een kozijn met authentieke deur en een bovenlicht. Aan weerszijden van de entree bevinden zich twee T-vensters, waarvan de bovenramen zijn gevuld met glas-in-lood. Aan weerszijden van de onderdorpels is ter decoratie een gele steen geplaatst. Boven de vensters zijn strekken gemetseld die zijn voorzien van gele aanzetstenen en een gedecoreerde sluitsteen. Tussen de begane grond en de verdieping zijn vier rozetankers aangebracht. Daarboven bevindt zich een geprofileerde lijst, die tevens als lekdorpel voor de erboven gelegen vensters dienst doet, De verdieping bezit vier schuifvensters met gedeelde onder- en bovenramen. Aan weerszijden van de onderdorpels is ter decoratie een gele steen geplaatst. Boven de vensters zijn strekken gemetseld die zijn voorzien van gele aanzet stenen en een gedecoreerde sluitsteen. De bovenzijde van de gevel is voorzien van een fries met siermetselwerk, een tandlijst en een eenvoudige daklijst.
Linkerzijgevel
De linker zijgevel bezit rechts een venster, maar is verder blind. In het dakschild boven deze gevel bevindt zich een dakkapel.
Achtergevel
De achtergevel is vanaf de openbare weg niet zichtbaar.
Rechterzijgevel
De rechter zijgevel is vanaf de openbare weg niet zichtbaar.
Kerkhof
De uit 1872 daterende tuinmuur rondom de kerk is gebouwd van IJsselsteentjes met een betonnen afdekplaat met daaronder een bloktand. De oorsprong van de tuinmuur is vermoedelijk even oud als de eerste kerk, namelijk anno 1311. De toegang tot de kerk liep in het verleden over het kerkhof. Op het kerkhof heeft een baarhuisje gestaan, tot 1874 ten zuiden van de toren. In dat jaar kreeg de Goudse aannemer B. van Wingerden opdracht een nieuw baarhuisje te bouwen, rechts achter op het kerkhof. Het baarhuisje is gesloopt na het beëindigen van begrafenissen op het kerkhof.
Belang van het complex
Het hierboven beschreven kerkelijk complex van de Hervormde kerk te Sluipwijk is van algemeen lokaal belang wegens schoonheid en cultuurhistorische waarde. De oorspronkelijke structuur en schaal van het complex zijn nog grotendeels intact. Het complex als geheel - behoudens het interieur van de kerk - en karakteristieke onderdelen als de toren en de orgelkast in de kerk, zijn zondermeer gaaf. In de kerk zijn vooraan boven de kerkeraads- en kerkvoogdij banken twee kleine, uit het oude gotische kerkje afkomstige grafstenen in de muur gemetseld. De grafsteen boven de kerkeraadsbank is die van de eerste hervormde predikant, ds. N. Ruyt. Het gebrandschilderde glas is rond 1950 aangebracht. Het is een schenking, zoals bij één van de ramen op een plaquette vermeld staat. De kerk is vanuit alle richtingen zichtbaar en is daarmee ook ruimtelijk, stedenbouwkundig en landschappelijk van belang. Plaatselijk is het complex tevens cultuurhistorisch van belang.
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer C 2709, C 3461 ged.
Omschrijving van het monument
Twee woningen welke onder één kap gerealiseerd zijn, gebouwd tussen 1920 en 1923 van rode baksteen in halfsteensverband. De panden zijn als sociale huurwoningen gebouwd. De beschrijving is opgesteld op basis van de huidige situatie. De panden hebben van oorsprong een rechthoekige plattegrond, met aan de achterzijde een aanbouw waar vroeger het toilet en een schuurtje in waren gelegen. De woning heeft een zadeldak met aan de achterzijde doorlopend een lessenaarsdak waar vroeger de keuken gesitueerd was en een plat dak ter plaatse van de schuur en het toilet. De kappen zijn voorzien van Tuile du Nord pannen.
Voorgevel
Een symmetrische gevel telt vijf traveeën en twee rollagen. Boven de kozijnen van de begane grond bevinden zich rollagen waar om de andere strek een kop een centimeter uitsteekt. In de linker woning zijn op de begane grond de schuiframen vervangen door vast glas met klepraam. In de rechterwoning zitten de originele schuiframen met bovenlichten in glas en lood. Onder de kozijnen zijn gemetselde rollagen aangebracht. Op de kap staat de linkerwoning een dakkapel welke voorzien is van drie ramen van gelijke breedte. De woning is voorzien van een bakgoot op klossen.
Linkerzijgevel
De gemetselde gevel heeft twee rollagen. De gevel telt op de begane grond twee kozijnen voorzien van vast glas en bovenlicht. De verdieping is voorzien van een klein langwerpig kozijn welk voorzien is van twee draairamen.
Rechterzijgevel
De gemetselde gevel heeft twee rollagen. De gevel telt op de begane grond twee kozijnen voorzien van vast glas en bovenlicht. De verdieping is voorzien van een klein langwerpig kozijn welk voorzien is van twee draairamen.
Achterkant
Aan beide woningen is een aanbouw gerealiseerd ten tijde van de bouw van de woningen. ‘s-Gravenbroekseweg 118 is nog in authentieke staat, dat wil zeggen dat in de aanbouw de berging en het toilet gesitueerd is. ‘s-Gravenbroekseweg 120 heeft in de achterzijde van de woning een kozijn met dubbele deur geplaatst en in de aanbouw een badkamer gerealiseerd. Tevens is in de aanbouw de hoofdingang van het gebouw gemaakt middels een kozijn met een voordeur en aan beide zijde hiervan een glasstrook. Op het achterdakvlak zijn op beide woningen een dakkapel geplaatst. De dakkapel is in drie gelijke delen verdeeld. Het middelste gedeelte is voorzien van een paneel met aan beide zijden daarvan een draairaam.




Historie eerste sociale huurwoningen te Reeuwijk
Uit het boekje “Samen onder dak” , 2002;
Op 1 augustus 1901 trad de Woningwet in werking. Op basis van deze Woningwet werden de gemeenten verplicht om voor de minder draagkrachtige burgers behoorlijke huurwoningen te bouwen. De rijksoverheid moest eraan te pas komen om er voor te zorgen dat er in Reeuwijk werkelijk gebouwd ging worden. Middels een brief in 1919 werd de gemeente aangemoedigd om tot woningbouw over te gaan.
Tussen 1920 en 1923 heeft de gemeente 24 sociale huurwoningen gebouwd, te weten 6 aan de Middelweg, 14 aan de Raadhuisweg en 4 aan de ‘s-Gravenbroekseweg te Reeuwijk. De woningen aan de ‘s-Gravenbroekseweg hebben de huisnummers 118, 120, 122 en 124 gekregen. Gezien het bovenstaande zijn de woningen aan de ‘s-Gravenbroekseweg de eerste sociale huurwoningen van de gemeente Reeuwijk.
Technisch gezien zijn de panden nog in redelijke staat. Om de panden in grote lijnen te behouden en om de eigenaar het - financieel gezien - interessanter te maken om de panden in deze staat te laten behouden, zouden de panden aangewezen kunnen worden als gemeentelijk monument.

ZH-RG-122-32
Oorspr. functie | Pastorie |
Huidige functie | Pastorie |
Omschrijving | Woonhuis, opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Entree rechts in voorgevel in zijrisaliet. Zijrisaliet bekroond door een rijk gedecoreerde halsgevel. Linker gevelgedeelte bekroond door kroonlijst met consoles. Aan linker zijgevel is een erker aangebouwd. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Hanenkammen boven vensters. Spekbanden, waterslaglijsten, spaarvelden onder vensters begane grond, aanzet- en sluitstenen met diamantkop uitgevoerd in wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen. In fries onder kroonlijst spaarvelden met geglazuurde tegels. |
Vensters/deuren | Schuifvensters (deels vereenvoudigd); op eerste verdieping een samengesteld schuifvenster. Boven in zijrisaliet een klein ovaal venster. Vernieuwde voordeur. |
Dak | Half schilddak (drieschildsdak), gedekt met gesmoorde kruispannen. Steekkapje achter halsgevel zijrisaliet. Dakkapel bekroond door vierzijdig spitsje gedekt met maasleien. |
Bijz. bijgeb./hek | Pastorie is bijgebouw van Geref. kerk. IJzeren hekwerk rond voortuin. |
Groenaanleg | Voortuin |
Bijzonderheden | Architect Cornelis Zaal Azn, Bodegraven. Interieur verbouwd in 1959. |
Motivatie | Markante architectuur met invloed van neo-Renaissance; vormt ensemble met kerkgebouw. |
Bouwjaar | 1898 |
Score | 16 |


ZH-RG-122-32
Oorspr. functie | Kerk (gereformeerd) |
Huidige functie | Kerk (protestant) |
Omschrijving | Symmetrisch opgezet kerkgebouw op T-vormige plattegrond, opgebouwd uit schip en dwarsschip. Hoofdentree in risalerend middendeel van de voorgevel, bekroond door klokkentorentje. Entreeportaal met pilasters en tympaanbekroning. Zijgevels voor zien van steunberen. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Rondbogen boven vensters. Aanzet- en sluitstenen, dekstenen van steunberen, cordonlijsten en spekbanden uitgevoerd in wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen. In middenrisaliet voorgevel een spaarveld met tegeltableau waarop tekst “Gereformeerde Kerk”. |
Vensters/deuren | Rondboogvensters met glas in lood, gemetselde montants. In middengedeelte van kopgevels dwarsschip een vijftal kleine gekoppelde rondboogvensters. Daarboven in elk der kopgevels een roosvenster, voorzien van gekleurd glas in lood en traceringen van wit geschilderd kunststeen. Vernieuwde entreedeuren. |
Dak | Samengesteld zadeldak met wolfseinden. Gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse dakpannen. Klokkentorentje met achtzijdige spits, koperdekking. |
Bijz. bijgeb./hek | Rechts pastorie, ensemble vormend met kerk.(Zie Spoorstraat 9) IJzeren hekwerk om voorplein. |
Interieur | Houten tongewelf met ijzeren trekstaven. Galerij in dwarsschip. Van Leeuwen orgel uit 1912 (gerestaureerd 1995). Interieur grotendeels vernieuwd in 1958. |
Bijzonderheden | Architect Cornelis Zaal Azn, Bodegraven. Bouw van de kerk hing samen met landelijke ontwikkeling in de Geref. kerk (Samengaan in 1892 van Chr. Geref. kerk en Nederduits Geref. kerk). In 1958 werd het bouwvallig geworden torentje vervangen door een veel grover exemplaar. Aan achterzijde een recent aangebouwde ontvangst- en vergaderruimte” ’t Centrum”. |
Motivatie | Markante architectuur met invloed van neo-Renaissance. |
Bouwjaar | 1898 |
Score | 15 |


zh-rg-123-03
Functie | Woonhuis met zakelijke bestemming |
Omschrijving | Villa op T-vormige plattegrond. Het linker gedeelte opgebouwd uit twee bouwlagen en een zolderverdieping. Aan de voorzijde een afgeschuinde erker met een balkon er bovenop. Aan de achterzijde een lage aanbouw. Het rechter gedeelte (loodrecht aansluitend op het linker gedeelte) is opgebouwd uit een begane grond en een dakverdieping met vliering. Aan de voorzijde rechts een afgeschuinde erker met een balkon er bovenop. Links daarvan de entree. Aan de achterzijde tweelaagse uitbouw. |
Gevels | Wit geschilderd pleisterwerk. Rode baksteen in segmentbogen en strekken boven de vensters, en decoratief verwerkt in banden en hoekaccenten. Plint: rode baksteen, kruisverband. Hangend zaagwerk ondersteund door bewerkte korbelen en muurstijlen. Houten balustrades rond balkons. Oorspronkelijke knipvoegen. |
Vensters/deuren | Houten schuifvensters, in bovenlichten vernieuwd glas in lood. Openslaande balkondeuren. |
Dak | Twee loodrecht op elkaar aansluitende zadeldaken met uitkragende aankappingen, ondersteund door korbelen en muurstijlen. Dakkapellen. Rode kruispannen. Platte daken op de aanbouwen aan de achterzijde. |
Bijz. bijgeb./hek | Aan de achterzijde een wit gepleisterde berging met zadeldak. |
Groenaanleg | Tuin aan voor- en linkerzijde. |
Bijzonderheden | Ontwerp beïnvloed door Chaletstijl. |
Motivatie | Beeldbepalende villa in de totale samenhang van de Spoorstraat. Markante detaillering. |
Bouwjaar | ca. 1905 |
Score | 18,5 |

ZH-RG-123-05
Oorspr. functie | Woonhuis |
Huidige functie | Woonhuis |
Omschrijving | Vrijstaand woonhuis, opbouw: begane grond en dakverdieping met vliering. Linker gevelgedeelte iets uitspringend. Entree in uitbouw aan linker zijgevel. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Wit en groen geglazuurde baksteen decoratief toegepast in banden en segmentbogen. Op begane grond segmentbogen boven vensters en portiek. Op eerste verdieping twee grote segmentbogen, die elk doorlopen boven drie vensters. Op vlieringniveau houten voorschot onder gootlijst. |
Vensters/deuren | Schuifvensters met glas in lood in bovenlichten. |
Dak | Samengesteld zadeldak met wolfseinden. Dakvoet met gebogen aankapping. Rode Tuile du Nord. Pirons met bolversiering. Dakkapel. |
Bijzonderheden | Zelfde architectuur als Spoorstraat 46-48. architect Cornelis Zaal Azn, Bodegraven. |
Motivatie | Markante architectuur; architectonische relatie met andere panden in Spoorstraat (46-48, 39 t/m 45). |
Bouwjaar | 1910 |
Score | 15 |


zh-rg-131-08
Functie | Woonhuizen |
Omschrijving | Blok van 4 geschakelde woningen, opgebouwd uit een begane grond en dakverdieping met vliering. Gevelwand symmetrisch opgezet: 39-41 en 43-45 ten opzichte van elkaar gespiegeld. Entrees twee aan twee geschakeld. In het midden van de gevelwand een toegang naar het achterterrein. Twee markante overhoeks geplaatste uitspringende hoektorentjes. Aan de linker kopgevel een aangebouwde erker met balkon er bovenop. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Crèmekleurig geglazuurde baksteen toegepast in segmentbogen boven de vensters, in banden en decoratieve accenten. Plint afgewerkt met afgeschuinde groen geglazuurde baksteen. Geveltoppen met vakwerkstructuur uitgevoerd in wit geschilderd pleisterwerk. Originele knipvoegen. |
Vensters/deuren | Houten schuifvensters, bovenlichten met glas in lood tussen verticale roeden. Bij nr. 45 zijn nog louvre-luiken aanwezig. Deuren met ruitjes en panelen. |
Dak | Zadeldaken met steekkap en wolfseinden aan de straatzijde. Uitkragende aankappingen ondersteund door kleine korbelen en muurstijlen. Rode kruispannen. Pirons met bolversiering. Houten windveren. Op de hoektorentjes vierzijdige pyramide-spitsjes gedekt met ronde schubvormige losenges. |
Bijz. bijgeb./hek | Gelegen aan de hoek Spoorstaat/Spoorlaan. nr. 45 met houten zonneblinden op de begane grond en serreaanbouw en een balkon aan 2 zijden. |
Bijzonderheden | Ontwerp geïnspireerd door Chaletstijl. |
Motivatie | Karakteristieke gevelwand; beeldbepalend voor entree Spoorstraat. Architectonisch geheel. |
Bouwjaar | 1906 |
Score | 18 |

ZH-RG-131-10
Oorspr. functie | Woonhuis |
Huidige functie | Woonhuis |
Omschrijving | Dubbel woonhuis, gespiegeld. Entrees samen in een portiek. Opbouw: begane grond en dakverdieping met vliering. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Wit en groen geglazuurde baksteen decoratief toegepast in banden en segmentbogen. Op begane grond segmentbogen boven vensters en portiek. Op eerste verdieping twee grote segmentbogen, die elk doorlopen boven drie vensters. Op vlieringniveau houten voorschot onder gootlijst. |
Vensters/deuren | Schuifvensters met glas in lood in bovenlichten. Vensters links voorzien van zonneblinden (persiennes). |
Dak | Zadeldak met wolfseinden. Dakvoet met gebogen aankapping. Rode Tuile du Nord. Pirons met bolversiering. Vernieuwde dakkapellen. |
Bijzonderheden | Bouwaanvraag gedateerd maart 1910; architect Cornelis Zaal Azn, Bodegraven. |
Motivatie | Markante architectuur; architectonische relatie met andere panden in Spoorstraat (32, 39 t/m 45). |
Bouwjaar | 1910 |
Score | 15 |

ZH-RG-131-06
Oorspr. functie | Hotel |
Huidige functie | Woonhuis/café |
Omschrijving | Half vrijstaand pand, links gesitueerd aan zijstraat. Opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Voorgevel is lijstgevel met vier vensterassen. Entree rechts in voorgevel. |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Strekken boven vensters. Houten hoofdgestel. Houten entreeomlijsting met hoofdgestel en pilasters met kapitelen. |
Vensters/deuren | Vereenvoudigde schuifvensters met op eerste verdieping glas in lood in bovenlichten. |
Dak | Zadeldak met wolfseind. Gesmoorde dakpannen van recente datum (sneldekpannen). |
Bijzonderheden | Pand dateert van kort voor de grote brand van 1870. Heeft die brand ternauwernood overleefd en is zichtbaar op foto van de puinhopen na de brand. In 1906 stond het pand bekend als hotel Blom; in dat jaar is het achtergedeelte een laag hoger gemaakt (bron: bouwaanvragen streekarchief te Woerden). |
Motivatie | Relatie met brand in 1870, van lokaal historisch belang. Beeldbepalend voor straatbeeld. |
Bouwjaar | Ca. 1869 |
Score | 15 |


ZH-RG-134-19
Oorspr. functie | Gemaal |
Huidige functie | Gemaal |
Omschrijving | Gemaal op vrijwel vierkante plattegrond, gesitueerd aan het einde van een doodlopende weg. Entrees in achtergevel en linker zijgevel. Opbouw: begane grond en dakverdieping . |
Gevels | Rode baksteen in kruisverband. Boven oudste vensters rondbogen. Overige vensters voorzien van rollagen. |
Vensters/deuren | In linker (oudste gedeelte) twee rondboogvensters aan weerszijden van een dichtgemetselde entree met rondboog. |
Dak | Zadeldak, rode Hollandse dakpannen. |
Bijzonderheden | In rechter zijgevel twee gevelstenen met de naam Bulaeus Brack (voorzitter van het polderbestuur dat het gemaal in 1892 liet bouwen. In achtergevel een stichtingssteen uit 1843, afkomstig van een molen die door het gemaal is vervangen. In de machinekamer een marmeren stichtingsplaquette uit 1892. Machinerie: dieselmotor uit 1975 van het merk Industrie. Jaffa centrifugaalpomp uit ca. 1935. In het oudste gedeelte zijn - gedeeltelijk ingemetseld - de originele stoomketels nog aanwezig. Deze zijn bewaard gebleven doordat zij na de vervanging van de stoommachine door een dieselmotor zijn gebruikt voor olieopslag. |
Motivatie | Monument van bedrijf en techniek; bijzonder vanwege nog aanwezig stoomketels. Door aanwezigheid van onderdelen uit drie perioden wordt de ontwikkeling van de techniek zichtbaar. |
Bouwjaar | 1892, verbouwd en uitgebreid ca. 1935. |
Score | 14 |

Aanwijzing gemeentelijk monument: B288
Kadastrale aanwijzing: sectie en nummer C 8191
Typologie | Kerk |
Beschrijving | De Salvatorkerk staat in een woonwijk uit de jaren ’60 van de 20ste eeuw en heeft een langgerekte onregelmatige plattegrond. De kerk grenst aan kant aan een forse vijverpartij. De in gele baksteen in kettingverband opgetrokken gevels bezitten sterk horizontaal gelede vensterpartijen in de gevel die grenst aan de vijverpartij. De gevel aan de parkeerplaats en de tegenoverliggende zijn sterk verticaal geleed door de aangebrachte nissen met daarin aan de bovenkant en vensters en hoge bijna tot aan de dakrand doorstekende vensterpartijen aan kant van de nissen. De bouwmassa wordt gedekt door een in hoofdopzet V-vormig dak. Nabij de entree staat een smalle, sterk verticaalgelede, rastervormig opengewerkte klokkentoren. Deze is opgetrokken uit beton, met decoratief uitgevoerde panelen. Aan de vijverkant is een dakopbouw toegevoegd. De keermuur aan het parkeerterrein bij de vijver loopt door in het metselwerk van de kerk en maakt deel uit van het oorspronkelijke ontwerp. |
Datering | 1965 |
Ontwerper | Bier van architectenbureau Verschoor en Bier |
Bouwstijl | - |
Gaafheid | H |
Afleesbaarheid | H |
Uniciteit | H |
Opmerkingen | - |
Waardering
Scores gaafheid, afleesbaarheid en uniciteit: H
Cultuurhistorische waarde
historische waarde/ kenmerkendheid:
De Salvatorkerk is een goed voorbeeld van de manier waarop de naoorlogse ideeën over de zogeheten ’wijkgemeente’ werden omgezet in nieuwe kerkelijke architectuur. Er is daarom sprake van religieus maatschappelijk-historische waarden.
architectuurhistorische waarde:
Het uit 1965 daterende object is een voorbeeld van een modernistisch vormgegeven kerkgebouw uit de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Karakteristiek is de combinatie van traditionele en modernistische kenmerken zoals het gebruik van bakstenen gevels en de modernistisch vormgegeven klokkentoren met opengewerkte rastervormen.
stedenbouwkundige waarde of ensemblewaarde:
De kerk heeft belangrijke stedenbouwkundige waarde door zijn prominente en vrijstaande ligging. Door de situering aan de vijverpartij, de opzet en vormgeving van het kerkgebouw met een opmerkelijke klokkentoren, deels verspringende bouwmassa, dakvorm en gevelindelingen is de Salvatorkerk een sterk in het oog vallende blikvanger.
Waardering: Hoog plus

Oorspr. Functie | Woonhuis |
Huidige functie | Woonhuis |
Omschrijving | Half vrijstaand pand, opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Voorgevel is lijstgevel met drie vensterassen. Entree rechts in voorgevel. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Segmentbogen (begane grond) en hanekammen (verdieping) boven vensters. Wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen toegepast in aanzet- en sluitstenen met diamantkop, hoekblokken met diamantkop, cordonlijsten en spekbanden, consoles en in decoraties entreepartij. Onder de houten kroonlijst een door consoles onderbroken fries, waarin spaarvelden met decoratie van gekleurde geglazuurde tegels. |
Vensters/deuren | Vereenvoudigde schuifvensters, voordeur met panelen en ruitjes. |
Dak | Zadeldak met wolfseind, gesmoorde kruispannen. |
Bijzonderheden | Volgens archief bouwaanvragen is een achteraanbouw gerealiseerd in 1933. |
Motivatie | Zeer markante en rijk gedetailleerde voorgevel. Beeldbepalend in straatbeeld, vrijwel geheel authentiek. |
Bouwjaar | Ca. 1895 |
Score | 15 |

ZH-RG-132-18
Oorspr. Functie | Woonhuis (dokterswoning) |
Huidige functie | Woonhuis |
Omschrijving | Vrijstaand herenhuis op vrijwel rechthoekige plattegrond. Opgebouwd uit twee lagen en dakverdieping. Entree links in zijrisaliet voorgevel. Zijrisaliet wordt bekroond door trapgeveltje met decoraties. Aan rechter zijgevel een uitbouw met erker. |
Gevels | Rode baksteen, kruisverband. Segmentbogen boven vensters. Wit geschilderd pleisterwerk/kunststeen toegepast in spekbanden, aanzet- en sluitstenen met diamantkop en decoraties trapgeveltje. Onder de houten kroonlijst een door consoles onderbroken fries, waarin spaarvelden met decoratie van gekleurde geglazuurde tegels. |
Vensters/deuren | Vereenvoudigde schuifvensters, voordeur met ruitjes en panelen. |
Dak | Half schilddak met steekkapje aansluitend op trapgeveltje. In het voorste dakschild een kleine dakkapel bekroond door een met lood gedekt spitsje. Geglazuurde groene dakpannen. |
Bijz. bijgeb./hek | Voortuin omgeven door ijzeren hekwerk. |
Bijzonderheden | Bij een recente renovatie zijn de dakpannen en de knipvoegen in het metselwerk (gedeeltelijk) vervangen. De dakgoten boven de zijgevels zijn vervangen door iets buiten de gevel uitkragende houten (bak-)goten. Volgens het archief bouwaanvragen is de uitbouw aan de rechter zijgevel gerealiseerd in 1939. |
Groenaanleg | Voortuin. |
Motivatie | Markant voorbeeld van neo-Renaissance invloed. Beeldbepalend in het straatbeeld door rijke detaillering en authenticiteit. |
Bouwjaar | Ca. 1890 |
Score | 15 |
Woonhuis met bijbehorend erf, voorzien van een grindverharding
Kadastrale aanduiding: sectie en nummer B 2735
Omschrijving van het monument
Vrijstaand (deels onderkelderd) woonhuis, gebouwd in 1924/1925 in een voor die tijd karakteristieke stijl, bestaande uit een begane grond en een zolderverdieping en een éénlaagse aanbouw met plat dak, met bijbehorend erf voorzien van grindverharding. Het pand wordt aan de rechterzijde gemarkeerd door een afgeschuinde hoek met een vierkante toren. De toren heeft een wat uitlopende spitse kap met hoekkepers en een torenspits met windvaan, bekleed met lood. Het pand heeft een zalderdak, beëindigd met windveren aan de linkervoorzijde, opvolgend door een verhoofd schilddak met schoorsteen en een wolfseind aan de achterzijde. Het dak heeft hoek- en kilkepers en is gedekt met rode Tuile du Nord pannen.
Voorgevel
De voorgevel bestaat uit twee traveëen. De travee aan de linkerzijde springt naar voren en wordt beëindigd door een geprofileerde windveer met klossen en een makelaar. De gevel is gebouwd in vlaamsverband met rode baksteen waalformaat en een rollaag als plintlijst met daaronder muisroosters en een cordonlijst. In het linker travee bevinden zich twee gevelopeningen met schuifvensters met elk een ongedeeld onderraam en een bovenraam met verticale roede. De zolderverdieping bezit een gevelopening met een gekoppeld kozijn met schuiframen en houten luiken. In het midden van de voorgevel bevindt zich een anker. Het rechter travee van de begane grond heeft een gevelopening met een schuifvenster met een ongedeeld onderraam en een bovenraam met verticale roede. Halfsteens waterslag.
Het afgeschuinde deel van de gevel, de toren, breekt door het dakvlak heen en is voorzien van een schuifvenster met een bovenraam met verticale roede en houten luiken, een bakstenen rollaag met afwisselend uitkragende baksteen en halfsteens rollaag. De toren, met boven het begane grondraam een anker, wordt beëindigd door een eenvoudig geprofileerde gootlijst op klossen. Alle gevelopeningen van de begane grond en de eerste verdieping zijn voorzien van luiken en worden bekroond door een bakstenen rollaag met afwisselend uitkragende baksteen. In het bovenraam van de schuifvensters bevindt zich gekleurd glas-in-lood. Halfsteens waterslagen.
Linkerzijgevel
De linkerzijgevel heeft met een rollaag als plintlijst met daaronder muisroosters en een cordonlijst. Aan de voorzijde bevindt zich in een gevelopening een schuifvenster met een ongedeeld onderraam en een bovenraam met verticale roede. Halfsteens waterslag en steens rollaag met afwisselend uitkragende baksteen. Eenvoudige balklaagankers. De gevel wordt beëindigd door een eenvoudig geprofileerde gootlijst op geprofileerde klossen. In het dakvlak bevindt zich een 15-pans Velux dakraam.
Rechterzijgevel
In de rechterzijgevel bevindt zich de entree tot het woonhuis met twee natuurstenen treden en een houten luifel op geprofileerde klossen. De gevel heeft een rollaag als plintlijst met daaronder een muisrooster en een cordonlijst. Boven de luifel bevindt zich een gekoppeld kozijn met roedeverdeling. Direct naast de entree is een klein toiletraampje. Aan de achterzijde van de gevel bevindt zich een schuifvenster met ongedeeld onderraam en een bovenraam met viervlaks roedeverdeling. Halfsteens waterslag en steens rollaag met afwisselend uitkragende baksteen. Hieronder een getralied kelderraam. De gevel wordt beëindigd door een eenvoudig geprofileerde gootlijst op geprofileerde klossen. Eenvoudige balklaagankers.
Achtergevel
In de achtergevel op de begane grond bevinden zich twee gevelopeningen, voorzien van een schuifvenster met ongedeeld onderraam en een bovenraam met een verticale roedeverdeling. Halfsteens waterslagen. Op de verdieping bevinden zich twee gevelopeningen met schuifvensters met een ongedeeld onderraam en een bovenraam met zesvlaks roedeverdeling. Halfsteens waterslag en steens rollaag met afwisselend uitkragende baksteen. Houten luiken.
Aanbouw
Over circa 1/3 van de achtergevel is een éénlaagse aanbouw gebouwd. Deze aanbouw heeft een plat dak, een boeiboord, een eentree en een gevelopening met kozijn een schuifvenster met ongedeeld onderraam en een bovenraam met een direvlak verticale roedeverdeling. halfsteens waterslag en rollaag, die deels wegvalt achter het boeiboord. Aan de achterzijde is een kozijn met raam met twee verticale roeden.


zh-rg-134-18
Functie | Boerderij |
Omschrijving | Aan het einde van een doodlopende weg achter de Spoordijk gelegen boerderijcomplex van traditioneel Zuid-Hollands type (“langhuis”), bestaande uit twee bouwmassa’s; beide op een langgerekt rechthoekige plattegrond en met lengte-as parallel gesitueerd. Rechts het winterhuis, links het zomerhuis beide opgebouwd uit begane grond en dakverdieping. Winterhuis links is onderkelderd. Zowel lengte, breedte, als hoogte van zomerhuis zijn iets geringer dan die van het winterhuis. Aan linker zijgevel van het zomerhuis een aangebouwd houten spoelhok, grenzend aan de sloot die het erf grotendeels omgeeft. |
Gevels | Voorgevels rode baksteen, overige gevels gele (IJssel) baksteen; gemetseld in kruisverband. Strekken boven vensters in voorgevels. Rollagen boven de vensters en deuren in de zijgevels. Segmentbogen boven stalvensters. IJzeren sierankers in de voorgevels. Houten windveren en makelaars. Brede houten rabatdelen toegepast in de zijwanden van het spoelhok. |
Vensters/deuren | Houten schuifvensters. In de voorgevel van het winterhuis op de bovenverdieping een hoog venster met driehoekig bovenlicht. Keldervensters met luiken en diefijzers. Vernieuwd venster in rechter zijgevel van het winterhuis. IJzeren stalvensters. |
Dak | Zadeldaken met gesmoorde Oudhollandse pannen. Windveren en makelaars met sierlijk zaagwerk. Spoelhok lessenaardak, onder dakrand lijst met sierlijk zaagwerk. |
Bijz. bijgeb./hek | Hooiberg achter het winterhuis. |
Groenaanleg | Erf aan voor- en rechterzijde met gras begroeid. Rondom het erf diverse bomen. |
Bijzonderheden | Naambord "Celia's hoeve" aan voorgevel winterhuis. |
Motivatie | Vrij gaaf en karakteristiek boerderijcomplex. Spoelhok zeer waardevol; nog geheel in originele staat. |
Bouwjaar | 1908 |
Score | 20 |
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor dit omgevingsplan nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende bouwwerken:
Per bouwwerk gelden andere regels.
In dit artikel worden de doelen genoemd die gelden voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken.
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een hoofdgebouw. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een dakkapel. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een nokverhoging. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.22 Bijbehorende bouwwerken bouwen
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.23 Erf- en perceelafscheiding bouwen
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een erf- of perceelafscheiding. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.24 Zonnepanelen en zonnecollectoren bouwen
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een zonnepaneel of zonnecollector. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.25 Kozijn- en gevelwijzigingen
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in verrichten van kozijn- en gevelwijzigingen. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.26 Ondergeschikt bouwdeel bouwen
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.27 Bouwwerk in een volkstuin bouwen
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het bouwen van een bouwwerk in een volkstuin. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een ander gebouw dan een hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.29 Overig bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen
Dit artikel legt vast welke paragrafen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn op de activiteit, in casu het bouwen van een overig bouwwerk geen gebouw zijnde in het voor- en achtererfgebied. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het in stand houden van een bouwwerk. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.33 Grondbewerking in openbaar toegankelijk gebied
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het bewerken van de grond in openbaar toegankelijk gebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.34 Objecten plaatsen in openbaar gebied
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het plaatsen van objecten in openbaar gebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.35 Weg aanleggen en veranderen
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het aanleggen of veranderen van een weg. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.36 Uitrit aanleggen en veranderen
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het aanleggen of veranderen van een uitrit. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het aanbrengen van een terras. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.38 Voorwerpen en stoffen opslaan
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het opslaan van voorwerpen en stoffen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.39 Toevoegen van gebouwen of locaties met parkeerbehoefte
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het toevoegen van gebouwen of locaties met parkeerbehoefte. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.40 Objecten en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.41 Openen of afdekken straatkolken en dergelijke
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het openen of afdekken straatkolken en dergelijke. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het plaatsen van reclame. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.43 Voorwerpen plaatsen in, op of boven openbaar water
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het plaatsen van voorwerpen in, op of boven openbaar water. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.44 Ligplaats innemen met een vaartuig
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het innemen van een ligplaats met een vaartuig. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.45 Drijvende schiethut hebben
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het hebben van een drijvende schiethut. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
In dit artikel zijn de doelen opgenomen die gelden voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed.
Dit artikel bevat de aanwijzing van de gemeentelijke monumenten. De locatie hiervan is als digitaal werkingsgebied in het omgevingsplan opgenomen. Daarnaast bevat bijlage IV een overzicht van de monumenten, met de redenen waarom de monumenten zijn aangewezen. Dit is van belang voor de beoordeling van aanvragen tot wijzing van het monument. Verder legt dit artikel vast welke paragraaf uit hoofdstuk 5 van toepassing is op een monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument betreft. Deze bepaling heeft daarmee ook het karakter van richtingaanwijzer.
4.49 Cultuurhistorisch waardevolle objecten
Dit artikel bevat de aanwijzing van cultuurhistorische waardevolle objecten. De locatie hiervan is als digitaal werkingsgebied in het omgevingsplan opgenomen. Daarnaast bevat bijlage III een overzicht van de cultuurhistorische waardevolle objecten.
Verder legt dit artikel vast welke paragraaf uit hoofdstuk 5 van toepassing is op een activiteiten in, aan of op cultuurhistorisch waardevolle objecten. Deze bepaling heeft daarmee ook het karakter van richtingaanwijzer.
4.50 Gebieden met archeologische verwachting
Dit artikel bevat de aanwijzing van gebieden met archeologische verwachting. De locatie hiervan is als digitaal werkingsgebied in het omgevingsplan opgenomen.
Verder legt dit artikel vast welke paragraaf uit hoofdstuk 5 van toepassing is op activiteiten in of op archeologische monumenten of binnen gebieden met archeologische verwachtingen. Deze bepaling heeft daarmee ook het karakter van richtingaanwijzer.
4.53 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap
Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht gemeenten om de bebouwingscontour houtkap vast te stellen. De vaststelling daarvan werkt door naar de verplichtingen op grond van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Buiten de bebouwingscontour houtkap gelden de meldplicht en de plicht tot herbeplanting van paragraaf 11.3.2 Besluit activiteiten leefomgeving; binnen de bebouwingscontour houtkap gelden die verplichtingen niet.
De gemeente is volledig bevoegd om binnen de bebouwingscontour houtkap regels te stellen over het kappen van bomen en vellen van houtopstanden, met alle oogmerken. Ook buiten de bebouwingscontour houtkap bestaat deze bevoegdheid, maar dan alleen:
voor activiteiten die niet onder afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, zoals het kappen van bomen op erven of in tuinen, of
activiteiten die weliswaar onder die afdeling vallen, maar waarvoor de gemeente vanwege andere belangen dan de oogmerken van die afdeling regels wil stellen.
In dit omgevingsplan is van beide mogelijkheden gebruik gemaakt. In afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden alleen bomen die onderdeel uitmaken van een houtopstand beschermd. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Individuele bomen buiten een houtopstand worden daarmee niet beschermd. De gemeente wil binnen en buiten de bebouwingscontour houtkap ook individuele, grotere bomen die geen onderdeel uitmaken van een houtopstand beschermen, vanwege de beeldbepalende en cultuurhistorische waarde van die bomen maar ook vanwege de natuurbescherming en de landschappelijke waarde van die bomen. Dat laatste overlapt met de oogmerken van afdeling 11.3 Besluit activiteiten leefomgeving, maar dat is toegestaan omdat deze individuele bomen niet onder het toepassingsbereik van die afdeling vallen. Daarnaast wil de gemeente grotere bomen binnen een houtopstand buiten de bebouwingscontour houtkap ook beschermen vanwege hun beeldbepalende en cultuurhistorische waarde. Dat zijn andere oogmerken dan de oogmerken waarmee het Rijk afdeling 11.3 Besluit activiteiten leefomgeving heeft opgesteld. Die afdeling verzet zich daarom niet tegen het stellen van regels over bomen in houtopstanden die al worden beschermd door de rijksregels.
4.54 Beschermde bomen kappen en beschermde houtopstanden vellen
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het kappen van beschermde bomen en vellen van beschermde houtopstanden. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.55 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het recreatief nachtverblijf buiten kampeerterrein. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
In dit artikel worden de doelen genoemd die gelden voor activiteiten met betrekking tot milieu.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het oplaten van ballonnen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.59 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het lozen van afvalwater. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.61 Recreatieve visvijvers exploiteren
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het exploiteren van recratieve visvijvers. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.62 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het wassen van motorvoertuigen. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.64 Afvalwater door olieafscheider leiden
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het leiden van afvalwater door een olieafscheider. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.65 Niet-industrieel voedsel bereiden
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu niet-industriële voedselbereiding. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.66 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu voedingsmiddelenbedrijf exploiteren. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.67 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het slachten van dieren, bewerken van dierlijke bijproducten en het uitsnijden van vlees, vis of organen. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.68 Elektriciteit opwekken met een windturbine
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het opwekken van elektriciteit met een windturbine. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.69 Acculader in werking hebben
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het in werking hebben van een acculader. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.70 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.71 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het opslaan van vaste mest. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.73 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het opslaan van drijfmest, digestaat en dunne fractie. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.74 Kuilvoer en vaste bijvoermiddelen opslaan
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.75 Landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels fokken, houden en trainen
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het fokken, houden en trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
In dit artikel zijn de doelen opgenomen die gelden voor activiteiten met betrekking tot bodem.
4.78 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.79 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het verrichten van een activiteit op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.80 Nazorg verrichten na saneren van de bodem
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu nazorg verrichten na saneren van de bodem. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.81 Toepassen van grond en baggerspecie
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het toepassen van grond en baggerspecie. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
4.82 Kabels en leidingen aanleggen, onderhouden en verwijderen
Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in casu het aanleggen, onderhouden of verwijderen van kabels en leidingen. Deze bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.
Dit artikel bepaalt dat de regels in deze paragraaf gaan over de in dit artikel opgesomde activiteiten.
Dit artikel benoemt de oogmerken die ten grondslag liggen aan de regels in deze paragraaf. Het geeft richting aan de toepassing en interpretatie van de regels.
Dit artikel heeft betrekking op het voorkomen van beschadiging dan wel belemmering van wegen, werken of roerende zaken die zich in de omgeving van het bouw- of sloopterrein bevinden. Het gaat in dit artikel dus om het voorkomen van schade, hinder en overlast en niet om aspecten van gezondheid en veiligheid. De manier waarop in de praktijk invulling wordt gegeven aan dit artikel zal afhankelijk zijn van de locatie en de aanwezigheid van bebouwing en mensen in de omgeving daarvan. Dit biedt de benodigde ruimte voor maatwerk en legt de eerste verantwoordelijkheid neer bij diegene die de werkzaamheden uitvoert.
In dit artikel zijn meetbepalingen opgenomen die niet voorkomen in de Omgevingswet of de hierop gebaseerde regelgeving, maar die wel relevant zijn bij de toepassing van de regels. De in deze afdeling opgenomen eisen aan maatvoering worden bepaald conform dit artikel.
Met "direct aan de weg" in de meetbepaling voor het peil wordt gedoeld op gebouwen waarvan de hoofdingang direct aan het openbare gebied grenst (meestal een trottoir), dus zonder dat er sprake is van een voortuin.
Het plaatselijk aan te houden waterpeil volgt uit het peilbesluit. Peilbesluiten worden vastgesteld door het hoogheemraadschap. De gemeente Bodegraven-Reeuwijk valt onder het beheer van twee verschillende hoogheemraadschappen: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) voor het oostelijke deel en het Hoogheemraadschap van Rijnland voor het westelijke deel.
Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bepaalt dat een aantal kleinschalige bouwactiviteiten (zoals dakkapellen aan de achterzijde, tuinmeubilair en vlaggenmasten) die aan bepaalde maten voldoen, altijd mogen worden gebouwd. De gemeente kan daarover dus geen regels stellen in het omgevingsplan.
Over bouwwerken die de gemeente wel kan reguleren, zijn in paragraaf 5.2.1 tot en met Paragraaf 5.2.13 regels gesteld. Dit artikel bepaalt dat het verboden is om af te wijken van de eisen die in artikel 2.29 Bbl en de genoemde paragrafen zijn gesteld en dat het eveneens verboden is om andere bouwwerken, die niet in het Bbl of de genoemde paragrafen zijn geregeld, te bouwen. Daarmee zorgt de gemeente ervoor dat bouwen van bouwwerken altijd gereguleerd is.
Bij de beoordeling of bouwwerken voldoen aan de eisen in paragraaf 5.2.2 tot en met Paragraaf 5.2.13, moet ook bekeken worden of die paragrafen afwijkmogelijkheden bevatten. Het bouwen van een bouwwerk met toepassing van die afwijkmogelijkheden is in overeenstemming met de regels, en is dus niet verboden.
Dit artikel betreft een tijdelijke beoordelingsregel voor het onderwerp bodem. Het artikel regelt dat op het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van deze afdeling de betreffende beoordelingsregels uit de bruidsschat nog van toepassing zijn. Daaruit vloeit voort dat ook de betreffende aanvraagvereisten uit de bruidsschat van toepassing zijn als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Dat betreft artikel 22.35, onderdeel j, van dit omgevingsplan.
5.7 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en peil
In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat voorafgaand aan het bouwen rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein door of namens het bevoegd gezag worden vastgesteld en gemarkeerd. In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het peil zijn uitgezet door of namens het bevoegd gezag. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.
5.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling ‘aansluitafstand’.
De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract. Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Drijvende bouwwerken zijn altijd uitgezonderd, ongeacht de functie die het bouwwerk heeft. Met functie wordt gedoeld op de functie die in het Besluit bouwwerken leefomgeving is genoemd. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
5.9 Aansluiting op distributienet voor gas
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Drijvende bouwwerken zijn altijd uitgezonderd, ongeacht de functie die het bouwwerk heeft. Met functie wordt gedoeld op de functie die in het Besluit bouwwerken leefomgeving is genoemd. Deze bouwwerken hoeven al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel regelt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.
5.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming.
Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo’n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Drijvende bouwwerken zijn altijd uitgezonderd, ongeacht de functie die het bouwwerk heeft. Met functie wordt gedoeld op de functie die in het Besluit bouwwerken leefomgeving is genoemd. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht. Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
5.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.
5.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
Eerste en tweede lid In deze leden zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen.
Dit lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater.
Vierde lid Dit lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.4.
In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien. De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien. Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.
Eerste lid Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.
Tweede lid Dit tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.
Derde lid Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s of andere objecten.
5.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten.
Eerste lid Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken.
Tweede lid Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.
Derde lid In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.
Vierde lid In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.
Vijfde lid Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.
5.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd.
Eerste lid Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening.
Tweede lid De opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist.
Derde lid Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen.
Vierde lid In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.
Vijfde lid Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van hoofdgebouwen en klimaatadaptief bouwen. Een hoofdgebouw is in het Besluit bouwwerken leefomgeving gedefinieerd als een "gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is". Dit zijn bijvoorbeeld woningen, kantoren of ander bedrijfsgebouwen.
Naast hoofdgebouwen zijn er bijbehorende bouwwerken (zoals aanbouwen, erkers en schuurtjes) en overige bouwwerken (zoals speeltoestellen en perceelafscheidingen). Dergelijke bouwwerken zijn in andere paragrafen van deze afdeling geregeld.
Klimaatadaptief bouwen houdt in dat woningen en andere gebouwen bij de bouw zo worden ontworpen dat de omgeving van het gebouw goed bestand is tegen weersextremen, zoals wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.18 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het bouwen van een hoofdgebouw is een vergunningplicht opgenomen. Hoofdgebouwen zijn onder meer woningen, kantoren en andere bedrijfspanden. Dergelijke situaties vragen om een individuele beoordeling en daarmee om opname van een vergunningplicht.
5.19 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw. Dit zijn de gegevens en bescheiden die nodig zijn met het oog op de beoordeling van het uiterlijk van het hoofdgebouw (voorheen welstandstoets). Ook zijn gegevens nodig voor de beoordeling of sprake is van kllimaatadaptief bouwen. Deze is afkomstig uit de gemeentelijke toetsingstabel klimaatadaptief bouwen. Dat betreft een overzicht van m2 van de verschillende oppervlakten, zoals groen, verharding, water, gevels en dakoppervlak. Daarbij moet worden aangegeven welke oppervlakten warmtewerend zijn en welke niet.
5.20 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Dit artikel bevat de beoordelingsregels. Voor het thema omgevingskwaliteit worden beleidsregels opgesteld. De toetsing van het bouwwerk op omgevingskwaliteit wordt beoordeeld volgens deze beleidsregel. Daarnaast vindt toetsing plaats of minimaal 40% van het gezamenlijke oppervlakte van alle niet noordelijk, noordwestelijk of noordoostelijk georiënteerde gevel- en dakoppervlakte van het bouwwerk en het bij het bouwwerk behorende perceel warmtewerend is. Die toetsing vindt alleen plaats op het deel van het bouwwerk dat wordt aangevraagd. Het warmtewerend oppervlakte kan ook op een ander deel van het bouwwerk of het perceel worden gerealiseerd.
5.21 Specifieke beoordelingsregel warmtewerende oppervlakten
Deze bepaling betreft een uitwerking van de hiervoor opgenomen beoordelingsregel. Er is in ieder geval sprake van een warmtewerend gevel- en dakoppervlakte als de bouwmaterialen een albedofactor groter dan 0,40 hebben. De albedofactor van een oppervlak geeft aan hoeveel zonlicht het oppervlak terugkaatst de ruimte in. Over het algemeen geldt: hoe lichter het oppervlak, hoe hoger de albedofactor. Naast bouwmaterialen kan de albedofactor ook worden gereduceerd door de toepassing van vegetatie, water, hout, zonnepanelen en groene parkeerplaatsen. Hout, ongeacht de kleur, en zonnepanelen worden aangemerkt als wartewerend. Groene parkeerplaatsen worden als warmtewerend beschouwd als deze voor min. 50% uit open ruimte/gras bestaan. Bij minder dan 50% open ruimte/gras wordt de helft van het oppervlak als warmtewerend aangemerkt. Bij halfverharding is dat, net als bij andere verhardingstypen, afhankelijk van de kleur van het materiaal. Onder vegetatie wordt verstaan: gras, kruiden, heesters, bosschages en andere soortgelijke groenvoorzieningen. Ook kale of open grond wordt als warmtewerend aangemerkt.
5.22 Beoordelingsregel waterberging met hergebruik of infiltratie
Met deze regels wordt beoogd dat men maatregelen neemt om waterbergende capaciteit op het private perceel te realiseren of te gebruiken. Voorbeelden van zulke waterberging zijn: groene en/of blauwe daken, wadi's, regenschuttingen, waterbergingskelders, regenwatervijvers en infiltratiekratten. Specifiek oppervlaktewater wordt niet als berging of infiltratie beschouwd, omdat dit water alsnog in het algemene watersysteem terechtkomt en niet lokaal wordt vastgehouden.
Tweede lid Berging die loost op het gemeentelijk riool, oppervlaktewater of het grondwater mag niet eerder dan binnen 24 uur leeg zijn en moet in maximaal 48 uur weer beschikbaar zijn. Deze eis is niet van toepassing op infiltratiebergingen in de bodem of voorzieningen die direct op de bodem lozen.
5.23 Beoordelingsregel minimaal vloerpeil bij bouw van hoofdgebouw
In deze aanvullende beoordelingsregel is als uitvoering van het gemeentelijke beleid met betrekking tot klimaatadaptatie geborgd dat het vloerpeil voldoet aan de vloerpeilenkaart. Als die hoogte redelijkerwijs niet te realiseren is kan worden afgeweken als wordt aangetoond dat geen schade door wateroverlast ontstaat bij een bui met een herhalingstijd tot en met 1 x 100 jaar (70mm in één uur). Schade betekent het intreden van water via de straat of op straatniveau in het gebouw. Intrede via bijvoorbeeld kelders behoort hier niet toe.
5.24 Algemene regels voor hoofdgebouwen
In dit artikel worden de algemene regels beschreven die van belang zijn bij het bouwen van een hoofdgebouw. Een initiatiefnemer moet bij het bouwen van een hoofdgebouw, naast het aanvragen van een omgevingsvergunning, voldoen aan deze regels. De regels geven richting aan de situering, vorm en typologie van hoofdgebouwen en zorgen ervoor dat deze passen binnen het beoogde stedenbouwkundige beeld.
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Voor dakkapellen worden zeer veel aanvragen ingediend.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. Het plaatsen van een dakkapel mag dus niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm.
5.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het bouwen van een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gelegen zijdakvlak geldt een vergunningplicht. Dakkapellen in het achterdakvlak zijn vergunningvrij. Hiervoor gelden wel de algemene regels.
5.28 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel, zoals gegevens en bescheiden die nodig zijn met het oog op de beoordeling van het uiterlijk van het dakkapel (voorheen welstandstoets).
5.29 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Eerste lid
De aanvraag voor de omgevingsvergunning wordt zowel getoetst op de stedenbouwkundige kwaliteit als de goede omgevingskwaliteit beoordeeld volgens de beleidsregel (de welstandsnota).
Tweede lid
Eerder door de gemeente goedgekeurde aanwezige bouwwerken (trendsetters) in de omgeving kunnen aanleiding zijn af te wijken van de welstandscriteria. Een trendsetter kan afwijken van de nieuwe welstandscriteria als min of meer geaccepteerde uitzondering. Een voorbeeld is een dakkapel die voor wat betreft de maatvoering niet voldoet aan de welstandscriteria maar waarbij het gewenst is aan te sluiten op de belijning van de bestaande dakkapellen op een dakvlak.
Derde lid
Nieuwe trendsetters ontstaan als afgeweken wordt van welstandscriteria maar toch door de welstandscommissie als acceptabel wordt goedgekeurd. Dit heeft ook betrekking op situaties waar de welstandscommissie een positief advies heeft uitgebracht.
5.30 Algemene regels - Dakkapel achterdakvlak in soepele, gewone en bijzondere gebieden
De gemeente heeft aanvullende regels voor dakkapellen in het achterdakvlak en niet naar openbaar toegankelijk gekeerd zijdakvlak. Bij plaatsing van een dakkapel in soepelen, gewone en bijzondere gebieden mogen er twee dakkapellen geplaatst worden in het achterdakvlak als wordt voldaan aan de regels in dit artikel. Ook is in aanvulling op artikel 2.29 aanhef, onderdeel b, onder 1° Besluit bouwwerken leefomgeving een schuin dak toegestaan.
In sommige gevallen is door de geringe hoogte van de kapverdieping het plaatsen van een dakkapel niet mogelijk omdat de stahoogte onder de dakkapel te gering zou zijn. In die gevallen wil men soms een nokverhoging bouwen om de gewenste ruimte te creëren. Er zijn verschillende soorten nokverhogingen: een verdieping op een plat dak, een nokverhoging of nokverlegging bij een schuin dak of een nokverhoging op een uitbouw of garage.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Een nokverhoging kan een grote invloed hebben op het straatbeeld, de onderlinge samenhang tussen woningen en het totaalbeeld van een wijk. Door het wijzigen van het dak kan de uitstraling van het bouwwerk en de omgeving aanzienlijk veranderen. De regels zijn daarom bedoeld om die stedenbouwkundige en architectonische samenhang te behouden, overlast voor omwonenden te voorkomen en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving te waarborgen.
5.33 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Een nokverhoging levert in het algemeen geen bijdrage aan een positieve ruimtelijke ontwikkeling, maar biedt wel een oplossing bij ruimtegebrek. Dergelijke nokverhogingen zijn aanvaardbaar als het naar het oordeel van het bevoegd gezag past binnen de ruimtelijke ontwikkeling.
5.34 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nokverhogign. Dit zijn gegevens en bescheiden die nodig zijn om te beoordelen of voldaan wordt aan de ruimtelijke regels van het omgevingsplan, zoals de hoogte van de nokverhoging, en gegevens en bescheiden die nodig zijn met het oog op de beoordeling van het uiterlijk van de nokverhoging (voorheen welstandstoets).
5.35 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een nokverhoging kan voor het straatbeeld zeer bepalend zijn en moet daarom zorgvuldig worden vormgegeven. Om dit te vereenvoudigen, zijn er zogenoemde trendsetters. Een trendsetter is een bouwwerk waarvan eerder is beoordeeld dat het bijdraagt aan een goede omgevingskwaliteit. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de nieuwe nokverhoging overeenkomt met zo’n trendsetter (sub a).
Onderdeel b: vanuit welstandsoogpunt is het aan te bevelen de kozijnkant van de dakopbouw te richten op de achterkant van de woning. Op deze wijze is de invloed op het openbare gebied (voorzijde woning) het minst aanwezig.
Daarnaast wordt een vergunning ook verleend als het bouwplan past binnen het oorspronkelijke architectonische ontwerp (sub c), mits hiervoor eerder een positief welstandsadvies is gegeven. Zo wordt gewaarborgd dat een nokverhoging past binnen de bestaande architectuur en ruimtelijke samenhang behouden blijft.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bijbehorende bouwwerken. Een bijbehorend bouwwerk is in het Besluit bouwwerken leefomgeving gedefinieerd als een "uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak". Voorbeelden hiervan zijn erkers, tuinhuisjes en aanbouwen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Bijbehorende bouwwerken kunnen een grote invloed hebben op het straatbeeld, de onderlinge samenhang tussen woningen en het totaalbeeld van een wijk. Door het bouwen van een bijbehorend bouwwerk kan de uitstraling van het bouwwerk en de omgeving aanzienlijk veranderen. Ook is het denkbaar dat aangrenzende percelen hinder ondervinden van bijbehorende bouwwerken in de vorm van aantasting van de bouw- en gebruiksmogelijkheden, hinder of verminderde bezonning.
5.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, de mogelijkheid tot het vergunningvrij bouwen van een fietsenberging of een kliko-overkluizing. Voor bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied is geen vergunningplicht, tenzij de initiatiefnemer zich niet houdt aan de algemene regels, opgenomen in deze paragraaf.
5.39 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Deze gegevens zijn nodig met het oog op de beoordeling van het uiterlijk van het bijbehorend bouwwerk (voorheen welstandstoets). Ook zijn gegevens nodig voor de beoordeling of sprake is van kllimaatadaptief bouwen. Deze is afkomstig uit de gemeentelijke toetsingstabel klimaatadaptief bouwen. Dat betreft een overzicht van m2 van de verschillende oppervlakten, zoals groen, verharding, water, gevels en dakoppervlak. Daarbij moet worden aangegeven welke oppervlakten warmtewerend zijn en welke niet.
5.40 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voorerfgebied - algemeen
In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk wordt getoetst. Een aantal van deze regels kwalificeren zich als open normen, wat betekent dat het bevoegd gezag beoordelingsruimte heeft bij het toetsen ervan.
5.41 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voorerfgebied – bijzondere gebieden
In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk wordt getoetst. Een aantal van deze regels kwalificeren zich als open normen, wat betekent dat het bevoegd gezag beoordelingsruimte heeft bij het toetsen ervan.
5.42 Beoordelingsregel waterberging
In dit artikel is een beoordelingsregel voor de omgevingsvergunning voor bijbehorende bouwwerken opgenomen. Deze beoordelingsregel voorziet in voldoende waterbergend vermogen op het perceel als gevolg van de toename van het verhard oppervlak. Met deze regels wordt beoogd dat men maatregelen neemt om waterbergende capaciteit op het private perceel te realiseren of te gebruiken. Voorbeelden van zulke waterberging zijn: groene en/of blauwe daken, wadi's, regenschuttingen, waterbergingskelders, regenwatervijvers en infiltratiekratten. Specifiek oppervlaktewater wordt niet als berging of infiltratie beschouwd, omdat dit water alsnog in het algemene watersysteem terechtkomt en niet lokaal wordt vastgehouden. Tweede lid Berging die loost op het gemeentelijk riool, oppervlaktewater of het grondwater mag niet eerder dan binnen 24 uur leeg zijn en moet in maximaal 48 uur weer beschikbaar zijn. Deze eis is niet van toepassing op infiltratiebergingen in de bodem of voorzieningen die direct op de bodem lozen.
5.43 Beoordelingsregel warmtewerende oppervlakten
In dit artikel is een aanvullende beoordelingsregel van uit het oogmerk klimaatadaptatie opgenomen. Er vindt toetsing plaats of minimaal 40% van het gezamenlijke oppervlakte van alle niet noordelijk, noordwestelijk of noordoostelijk georiënteerde gevel- en dakoppervlakte van het bouwwerk en het bij het bouwwerk behorende perceel warmtewerend is. Die toetsing vindt alleen plaats op het deel van het bouwwerk dat wordt aangevraagd. Het warmtewerend oppervlakte kan ook op een ander deel van het bouwwerk of het perceel worden gerealiseerd.
5.44 Specifieke beoordelingsregel warmtewerende oppervlakten
Deze bepaling betreft een uitwerking van de hiervoor opgenomen beoordelingsregel. Er is in ieder geval sprake van een warmtewerend gevel- en dakoppervlakte als bedoeld in artikel 5.43 als de bouwmaterialen een albedofactor groter dan 0,40 hebben. De albedofactor van een oppervlak geeft aan hoeveel zonlicht het oppervlak terugkaatst de ruimte in. Over het algemeen geldt: hoe lichter het oppervlak, hoe hoger de albedofactor. Naast bouwmaterialen kan de albedofactor ook worden gereduceerd door de toepassing van vegetatie, water, hout, zonnepanelen en groene parkeerplaatsen. Hout, ongeacht de kleur, en zonnepanelen worden aangemerkt als wartewerend. Groene parkeerplaatsen worden als warmtewerend beschouwd als deze voor min. 50% uit open ruimte/gras bestaan. Bij minder dan 50% open ruimte/gras wordt de helft van het oppervlak als warmtewerend aangemerkt. Bij halfverharding is dat, net als bij andere verhardingstypen, afhankelijk van de kleur van het materiaal. Onder vegetatie wordt verstaan: gras, kruiden, heesters, bosschages en andere soortgelijke groenvoorzieningen.
5.45 Algemene regels bijbehorend bouwwerk achtererfgebied
In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaronder in het achtererfgebied een bijbehorend bouwwerk vergunningvrij mag worden gebouwd. De bepaling bevat geen eisen over het uiterlijk van bijbehorende bouwwerken. Dit is nagelaten, omdat de regeling betrekking heeft op de achterkant.
In het tweede lid, onder b, is bepaald dat een bijbehorend bouwwerk niet mag worden opgericht bij een tijdelijk hoofdgebouw. Dan bestaat immers het risico dat, wanneer het hoofdgebouw wordt verwijderd, het bijbehorend bouwwerk blijft staan. De tijdelijkheid van een hoofdgebouw kan ofwel blijken uit de technische bouwvergunning op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving, ofwel uit de omgevingsvergunning op grond van Artikel 5.18 van dit omgevingsplan.
Erf- of perceelafscheidingen tot 1 meter hoog zijn vergunningvrij op grond van artikel 2.29 Bbl, ongeacht de regels daarover in het omgevingsplan met betrekking tot bouwen, gebruiken en in stand houden. Het bovenstaande geldt niet voor erf- of perceelafscheidingen bij rijksmonumenten en in gebieden die zijn aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Erf- en perceelafscheidingen zijn beeldbepalend in de openbare ruimte en kunnen de uitstraling van straten en buurten sterk beïnvloeden. Te hoge of rommelig vormgegeven afscheidingen kunnen leiden tot een verstoring van het straatbeeld. Daarnaast kunnen zij overlast veroorzaken, bijvoorbeeld door schaduwwerking of het beperken van uitzicht. De regels in deze paragraaf houden daarom rekening met de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties, de stedenbouwkundige waarden en de omgevingskwaliteit.
5.48 Algemene regels erf- of perceelafscheiding
Dit artikel bevat de algemene regels voor het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, zoals een schutting of haag. Afscheidingen spelen een belangrijke rol in het waarborgen van privacy, het markeren van eigendomsgrenzen en het ordenen van de buitenruimte.
Eerste lid
In het eerste lid is de toegestane hoogte, om te voorkomen dat afscheidingen een te dominante uitstraling krijgen in de omgeving.
Tweede en derde lid
Het tweede en derde lid zorgen ervoor dat afscheidingen alleen worden gebouwd op percelen waar al een functioneel hoofdgebouw aanwezig is, en dat deze achter de voorgevelrooilijn blijven, om het open karakter van de straat te behouden.
Een zonnecollector wekt warmte op die via een warmwateropslag meestal wordt gebruikt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik. Een zonnepaneel wekt elektriciteit uit daglicht op voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk.
Artikel 2.29 onder d van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat uitzonderingen op de vergunningplicht voor zonnepanelen of zonnecollectoren die op het dak worden geplaatst, en voor panelen of collectoren die niet één geheel vormen met de installatie voor het opslaan van water of het omzetten van de elektriciteit. Als deze panelen voldoen aan de eisen genoemd in artikel 2.29 onder d van het Bbl, dan zijn ze vergunningvrij voor de omgevingsplanactiviteit. Het Bbl is rijksregelgeving. Voor de panelen en collectoren met de genoemde eigenschappen kan de gemeente geen strengere regels stellen in het omgevingsplan.
Plaatsing van zonnepanelen en zonnecollectoren op onbenutte terreinen is niet geregeld in het Bbl. Daarom kan de gemeente hier wel regels over stellen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Algemene regels zijn regels waar de initiatiefnemer zich aan moet houden bij het bouwen van een zonnepaneel of zonnecollector. De bepaling dat de panelen niet zichtbaar mogen zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied draagt bij aan het behoud van een verzorgd en samenhangend uiterlijk van de bebouwing, terwijl duurzame energieopwekking wel mogelijk blijft.
Van een kozijn- of gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel. In het achtererfgebied is een kozijn- of gevelwijziging vergunningvrij, gelet op artikel 2.29 onder e van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
De regels in deze paragraaf zien daarom alleen op kozijn- of gevelwijzigingen aan de voorgevel of aan een zijgevel die is gekeerd naar de weg of naar openbaar groen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Het verrichten van kozijn- en gevelwijzigingen is van grote invloed op het straatbeeld. Daarom moet bij het wijzigingen van kozijnen en gevels rekening worden gehouden met de stedenbouwkundige waarden, de omgevingskwaliteit en de bouw- en gebruiksmogelijkheden van gebouwen en locaties. De activiteit dient zorgvuldig te worden gereguleerd om negatieve effecten op het straatbeeld en de leefomgeving te minimaliseren.
5.54 Algemene regels kozijn- en gevelwijzigingen
Het wijzigen van een kozijn of gevel aan de voorkant kan aanzienlijke invloed hebben op de omgevingskwaliteit, doordat het uiterlijk van het gebouw en daarmee het straatbeeld verandert. Daarom zijn hier algemene regels aan verbonden.
Ondergeschikte bouwdelen zijn ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, overstekende daken, goten, luifels, schoorstenen, airco’s en warmtepompen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.57 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen ondergeschikte bouwdelen
Dit artikel bepaalt dat voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel een omgevingsvergunning vereist is. Dit geldt alleen voor bouwdelen die dieper of hoger zijn dan 1 m. Hiermee wordt duidelijkheid geboden over wanneer een vergunning nodig is en wordt onnodige regeldruk voor kleine, vaak standaard bouwonderdelen voorkomen.
5.58 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is vastgelegd welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een ondergeschikt bouwdeel. Deze informatie is nodig om te kunnen beoordelen of het bouwplan voldoet aan de ruimtelijke regels van het omgevingsplan en om het uiterlijk van het ondergeschikte bouwdeel te beoordelen (voorheen de welstandstoets).
5.59 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
In de beoordelingsregels is bepaald dat het bouwwerk naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders moet passen binnen de stedenbouwkundige structuur, moet voldoen aan de goede omgevingskwaliteit en de verkeersveiligheid niet in gevaar mag brengen.
5.60 Beoordelingsregel hitteoverlast naar omgeving door airco of luchtewarmtepomp
In dit artikel is een beoordelingsregel opgesteld om te voorkomen dat airco’s of luchtwarmtepompen hittestress of hinder veroorzaken in de omgeving. Deze beoordelingsregel bepaalt dat warmteafvoer niet mag zijn gericht op verblijfsfuncties binnen een afstand van 5 meter. Installaties die warmte afvoeren kunnen leiden tot verhoogde temperaturen in de openbare ruimte of nabijgelegen verblijfsgebieden.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het bouwen van een bouwwerk in een volkstuin in welstandsvrije gebieden.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Het bouwen van een bouwwerk in een volkstuin heeft invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze paragraaf regels opgenomen die gericht zijn op het beschermen van stedenbouwkundige waarden. Daarnaast wordt het waarborgen van de omgevingskwaliteit in acht genomen, waarbij hinder en overlast zoveel mogelijk worden voorkomen.
Voor het bouwen van een bouwwerk in een volkstuin gelden algemene regels. Dit artikel stelt grenzen aan de maximale aantallen, oppervlakten en bouwhoogten. Hiermee wordt geborgd dat deze bouwwerken passend binnen het straatbeeld blijven en geen onevenredige impact hebben op de omgeving.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het bouwen van gebouwen anders dan hoofdgebouwen of bijbehorend bouwwerken.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Het bouwen van gebouwen heeft invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze paragraaf regels opgenomen die gericht zijn op het beschermen van stedenbouwkundige waarden. Daarnaast wordt het waarborgen van de omgevingskwaliteit in acht genomen, waarbij hinder en overlast zoveel mogelijk worden voorkomen.
5.66 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het bouwen van een gebouw is een vergunningplicht opgenomen. Het bouwen van gebouwen is van grote invloed op de openbare ruimte. Om een goede beoordeling te maken of een gebouw past binnen het straatbeeld en de omgeving, is een omgevingsvergunning vereist. De vergunningplicht biedt de mogelijkheid om vooraf te toetsen aan stedenbouwkundige kwaliteitseisen, en om belangen zoals de omgevingskwaliteit en de bouw- en gebruiksmogelijkheden van (andere) gebouwen en locaties mee te wegen. Op deze manier wordt ongewenste ruimtelijke ontwikkeling voorkomen en wordt gestuurd op een samenhangend en kwalitatief goed ingerichte leefomgeving.
5.67 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw. Aan de hand van deze gegevens kan het bevoegd gezag de aanvraag zorgvuldig toetsen aan de beoordelingsregels.
5.68 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gebouw
In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt getoetst. Deze regels kwalificeren zich als open normen, wat betekent dat het bevoegd gezag beoordelingsruimte heeft bij de toepassing ervan. Dit is tot uitdrukking gebracht met de formulering ‘naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders’.
Onderdeel a en c hebben betrekking op het waarborgen van een goede omgevingskwaliteit. Daarbij geldt dat het bouwwerk op zichzelf én in samenhang met de omgeving moet bijdragen aan het behouden of verbeteren van die kwaliteit. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, waarin concretere criteria zijn opgenomen. Het toepassen van beleidsregels zorgt voor transparantie en rechtszekerheid in de besluitvorming.
Onderdeel b waarborgt dat de belangen van de omgeving worden meegewogen: het bouwwerk mag de bouw- en gebruiksmogelijkheden van omliggende gebouwen en percelen niet onevenredig aantasten. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe bebouwing leidt tot onwenselijke situaties voor bestaande functies in de omgeving.
Deze paragraaf gaat over het bouwen van overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Een bouwwerk geen gebouw zijnde wordt volgend het Besluit bouwwerken leefomgeving gedefinieerd als een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is. Voorbeelden zijn een reclame- of informatiezuil, kunstobject of licht- of vlaggenmast, vlonders, steigers en tuinmeubilair.
De regels voor overig bouwwerken geen gebouw zijnde zijn, net als de regels voor overig gebouwen, een vangnet. Met dit vangnet wordt geborgd dat voor ieder denkbaar bouwwerk regels worden gesteld. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde in het openbaar toegankelijk gebied voorziet artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving in een adequate regeling. Bouwwerken geen gebouw zijnde op particuliere terreinen vallen in de meeste situaties onder de in dit omgevingsplan opgenomen regeling voor bijbehorende bouwwerken. Om te borgen dat ook voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde in een adequate regeling wordt voorzien is deze paragraaf opgenomen. Daarin worden overige bouwwerken geen gebouw zijnde vergunningplichtig gesteld en voorzien van aanvraagvereisten en beoordelingsregels.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.71 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Zoals in de artikelsgewijze toelichting bij het toepassingsbereik is beschreven gaat het hier om een vangnetregeling. De basis voor deze regeling vormt de in dit artikel opgenomen vergunningplicht.
5.72 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten. Dit zijn gegevens en bescheiden om op basis van deze vangnetregeling te kunnen beoordelen of sprake is van het behouden of verbeteren van een goede omgevingskwaliteit.
5.73 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk geen gebouw zijnde
Dit artikel bevat de beoordelingsregels. Dit is een generieke set beoordelingsregels die voor de activiteiten die onder deze vangnetregeling vallen borgt dat door het college van burgemeester en wethouders kan worden beoordeeld of sprake is van goede omgevingskwaliteit.
Voor bouwwerken geen gebouw zijnde in het voor- en achtererfgebied gelden algemene regels. Dit artikel stelt grenzen aan de bouwhoogte van dergelijke bouwwerken. Hiermee wordt geborgd dat deze bouwwerken passend binnen het straatbeeld blijven en geen onevenredige impact hebben op de omgeving.
Het in stand houden van een bouwwerk betekent het uitvoeren van alle werkzaamheden die nodig zijn, zodat het bouwwerk zijn functie kan blijven vervullen. Het vervangen van bestaande elementen van een bouwwerk of installatie valt ook onder deze activiteit.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Instandhoudingswerkzaamheden kunnen, ondanks hun ondergeschikte karakter, van invloed zijn op het uiterlijk en de kwaliteit van een bouwwerk en daarmee op het straatbeeld. Door regels te stellen bij het in stand houden van bouwwerken, wordt geborgd dat de omgevingskwaliteit behouden blijft en niet ongemerkt verslechtert door opeenstapeling van kleine ingrepen.
Deze bepaling vormt een algemene kwaliteitswaarborging voor het uiterlijk van bouwwerken. Hiermee wordt voorkomen dat bouwwerken afbreuk doen aan het straatbeeld of de omgevingskwaliteit. De beoordeling vindt plaats aan de hand van een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, waarin criteria zijn opgenomen voor wat onder ‘reguliere omgevingskwaliteit’ wordt verstaan.
Het in stand houden van een bouwwerk betekent het uitvoeren van alle werkzaamheden die nodig zijn, zodat het bouwwerk zijn functie kan blijven vervullen.
Deze bepaling vormt een algemene kwaliteitswaarborging voor het uiterlijk van bouwwerken. Hiermee wordt voorkomen dat bouwwerken afbreuk doen aan het straatbeeld of de omgevingskwaliteit. De beoordeling vindt plaats aan de hand van een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet, waarin criteria zijn opgenomen voor wat onder ‘reguliere omgevingskwaliteit’ wordt verstaan.
Deze paragraaf regelt het bewerken van de bodem en beschoeiingen in openbaar toegankelijk gebied. Het gaat hierbij om werkzaamheden die invloed kunnen hebben op de kwaliteit, stabiliteit of toegankelijkheid van de openbare ruimte.
Dit artikel bevat de oogmerken op grond waarvan in deze paragraaf regels worden gesteld.
5.80 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel bepaalt dat voor het bewerken van de bodem in openbaar gebied een omgevingsvergunning nodig is. Zo kan de gemeente beoordelen of de werkzaamheden passen binnen de oogmerken. Werkzaamheden die de gemeente zelf uitvoert in het kader van haar publieke taken vallen buiten deze vergunningplicht.
5.81 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Dit artikel beschrijft welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bewerken van de bodem en beschoeiingen in openbaar toegankelijk gebied. Dit is nodig om de effecten van de voorgenomen werkzaamheden te kunnen beoordelen. De gevraagde kaart, omschrijving en tijdsduur maken inzichtelijk waar, hoe en wanneer de activiteit plaatsvindt.
5.82 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De vergunning wordt alleen verleend als de activiteit een positief effect heeft op de bruikbaarheid, toegankelijkheid of kwaliteit van het openbaar gebied. Ook wordt beoordeeld of de activiteit bijdraagt aan biodiversiteit, klimaatadaptatie of de instandhouding van de openbare ruimte. Activiteiten met nadelige gevolgen voor deze belangen worden niet toegestaan.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het plaatsen van objecten in openbaar toegankelijk gebied. De regels gelden dus niet voor wegen die in beheer zijn bij het Rijk, de provincie of het waterschap. Die overheden stellen zelf regels voor het plaatsen van een object op wegen die zij beheren. De regels gaan ook niet over het plaatsen van reclame. Voor die activiteit zijn specifieke regels opgenomen in een andere paragraaf.
Dit zijn de doelen met het oog waarop de regels in deze paragraaf zijn gesteld. Het gaat om het bevorderen van de staat en werking van de openbare weg, verkeersveiligheid en de openbare ruimte en het beperken van hinder.
5.85 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Dit artikel bepaalt dat voor het plaatsen van objecten in openbaar toegankelijk gebied een omgevingsvergunning nodig is. Zo kan de gemeente beoordelen of de werkzaamheden passen binnen de oogmerken. Werkzaamheden die de gemeente zelf uitvoert in het kader van haar publieke taken vallen buiten deze vergunningplicht.
5.86 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van objecten in openbaar toegankelijk gebied. Om te kunnen beoordelen wat de mate van hinder en aantasting van het aanzien van de openbare ruimte zal zijn, is informatie nodig over de omvang van het te plaatsen object, de geplande locatie, de voorgenomen duur van de plaatsing en het verkeersplan.
Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een oplaadobject is vereist een voorstel voor de locatie van de oplaadpaal inclusief de bijbehorende parkeerplaatsen, de uitvoering van en het type oplaadobject,
5.87 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De vergunning wordt alleen verleend als als de in deze paragraaf genoemde belangen worden geschaad en de activiteit een positief effect heeft op de bruikbaarheid, toegankelijkheid of kwaliteit van het openbaar gebied. Ook wordt beoordeeld of de activiteit bijdraagt aan biodiversiteit, klimaatadaptatie of de instandhouding van de openbare ruimte. Activiteiten met nadelige gevolgen voor deze belangen worden niet toegestaan.
5.88 Meldingsplicht plaatsen container
Voor het plaatsen van een container in openbaar toegankelijk gebied geldt een meldingsplicht. Deze melding is bedoeld om te beoordelen of het plaatsen van de container past binnen de vergunningvrije gevallen en niet zal leiden tot ernstige verkeershinder of andere overlast.
Voor het plaatsen van een insectenhotel geldt een specifieke zorgplicht. Dit brengt met zich mee het behoud en bevorderen van de toegankelijkheid, verkeersveiligheid en onderhoud van de openbare ruimte. De bepaling biedt ruimte voor een zorgvuldige afweging tussen het stimuleren van biodiversiteit en het beschermen van het woon- en leefklimaat.
5.90 Meldingsplicht plaatsen insectenhotel
Voor het plaatsen van een insectenhotel in openbaar toegankelijk gebied geldt een meldingsplicht. Deze melding is bedoeld om te beoordelen of het plaatsen van de insectenhotel past binnen de vergunningvrije gevallen en niet zal leiden tot ernstige verkeershinder of andere overlast.
Voor het aanbrengen van een geveltuin geldt een specifieke zorgplicht. Dit brengt met zich mee het behoud en bevorderen van de toegankelijkheid, verkeersveiligheid en onderhoud van de openbare ruimte. Ook de beperking van schade aan zowel de stoep als de ondergrondse kabels en leidingen en het beperken van overlast en hinder in de omgeving.
5.92 Algemene regels plaatsen geveltuin
Voor het aanbrengen van een geveltuin gelden algemene regels. Dit artikel stelt grenzen aan de voorafgaande specifieke zorgplicht. Hiermee wordt gewaarborgd dat deze activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de veiligheid en leefbaarheid van de omgeving en geen onevenredige impact heeft op de omgeving.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het aanleggen, veranderen, graven of spitten van een weg en het opbreken aard of breedte te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van de verharding van een weg. De regels gelden voor openbare wegen die in beheer zijn bij de gemeente. Maar ook het aanleggen van een ‘eigen weg’ die voor het openbare verkeer openstaat, valt onder het toepassingsbereik van de paragraaf. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat voor de bruikbaarheid daarvan voor hulpdiensten zoals brandweer en ambulance voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte, en dergelijke.
Voor wegen die in beheer zijn bij het Rijk, de provincie of het waterschap stellen die overheden zelf de regels.
Dit zijn de doelen met het oog waarop de regels in deze paragraaf zijn gesteld.
De aanleg, beschadiging en verandering van wegen wordt in deze paragraaf onder andere aan regels gebonden met het oog op de bruikbaarheid (“werking”) van de weg.
Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.
5.95 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het aanleggen, opbreken of veranderen van een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat, is een vergunning vereist.
In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht zou kunnen worden opgeheven. Wij hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij meestal om specifiek maatwerk gaat.
Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen, opbreken of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.
Nutsbedrijven zullen op grond van dit artikel een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.
5.96 Bijzondere aanvraagvereisten
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg. Deze informatie is nodig om een goede beoordeling te kunnen maken van de ruimtelijke inpassing, veiligheid en eventuele verkeersmaatregelen.
5.97 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De gemeente kan de omgevingsvergunning alleen weigeren als de in deze paragraaf genoemde belangen worden geschaad. Andere redenen kunnen geen grond zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Hiermee wordt verzekerd dat de verkeersveiligheid niet in geding komt, er geen onevenredige hinder ontstaat en geen onaanvaardbare beschadiging plaatsvindt.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het aanleggen van een in- of uitrit (ook wel uitweg genoemd). In dit omgevingsplan wordt de term uitrit gebruikt. Deze term sluit het beste aan bij het spraakgebruik.
De regels gelden alleen voor openbare wegen die in beheer zijn bij de gemeente. Voor uitritten naar wegen die in beheer zijn bij het Rijk, de provincie of het waterschap stellen die overheden zelf de regels.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.100 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Vanwege de risico’s voor de verkeersveiligheid en de mogelijke aantasting van het openbaar groen en de parkeergelegenheid, is steeds een individuele afweging nodig of de uitrit wel of niet kan worden toegestaan. Een vergunningplicht is daarvoor het geschikte instrument.
5.101 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
De gemeente gebruikt deze informatie voor de beoordeling of de vergunning moet worden geweigerd vanwege de bruikbaarheid van de weg, de verkeersveiligheid, de aantasting van het openbaar groen of de beschikbaarheid van parkeerplaatsen.
5.102 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De gemeente wil in principe meewerken aan de realisatie van uitwegen. Dit artikel bevat daarom een limitatieve set weigeringsgronden. Alleen als de uitweg tot verkeersonveilige situaties leidt, ten kosten gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen op onaanvaardbare wijze aantast, kan de vergunning worden geweigerd. Hetzelfde geldt als het betreffende perceel al door een uitweg wordt ontsloten, en de tweede uitrit ten koste gaat van openbaar groen en als er onvoldoende ruimte op eigen terrein is om te parkeren of als parkeren op eigen terrein in strijd is met het omgevingsplan. Als het mogelijk is om de parkeerplaats of het openbare groen te compenseren, dan hoeft de vergunning niet geweigerd te worden. De verwijzing naar het omgevingsplan heeft ook betrekking op het omgevingsplan, tijdelijk deel. Dus ook op de bestemmingsplannen die nog niet zijn omgezet
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het aanbrengen van een terras.
De regels in deze paragraaf hebben onder andere als doel het bevorderen van de toegankelijkheid van het openbaar toegankelijk gebied. Terrassen kunnen veel ruimte innemen, wat een belemmering kan vormen voor de toegankelijkheid van het openbaar toegankelijk gebied. Om die reden kunnen er regels worden gesteld om bijvoorbeeld een vrije doorgang op het trottoir te regelen, zodat het openbaar toegankelijk gebied toegankelijk blijft.
Bij het aanbrengen van een terras is het van belang dat de toegang tot woningen of panden wordt gewaarborgd en dat de looppaden rond het terras worden vrijgelaten. Een terras kan er namelijk voor zorgen dat een goede toegang verhinderd wordt, wat gevaar kan opleveren voor de bewoners.
Dit artikel bevat de algemene regels voor het aanbrengen van een terras bij een horecagelegenheid. De regels zorgen ervoor dat terrassen op een ordelijke, veilige en ruimtelijk verantwoorde manier worden geplaatst in de openbare ruimte. Een terras moet direct aansluiten op de horecagelegenheid of, in het geval van een eilandterras, op korte afstand daarvan liggen.
De bepalingen over afmetingen en afstand waarborgen dat het terras in verhouding blijft tot de horecagelegenheid en geen onevenredig beslag legt op het openbaar terrein. Daarnaast garanderen de eisen voor vrije doorgang dat voetgangers, mindervaliden en hulpdiensten voldoende ruimte behouden.
Doorzichtige terrasafscheidingen en het verbod op volledige vlonders dragen bij aan een open en toegankelijk straatbeeld. Tot slot voorkomen de regels over het opbergen van terrasmeubilair en het schoon opleveren van het terrein overlast en rommel in de openbare ruimte.
Dit artikel is van toepassing op het opslaan van bepaalde stoffen en voorwerpen in de openlucht en buiten de openbare weg. Het gaat hier om het opslaan van voorwerpen en stoffen bij activiteiten die geen milieubelastende activiteiten zijn milieubelastende activiteit als bedoeld in paragraaf 22.3 van de bruidsschat en H3 van het Bal.
Er is gekozen voor de begrippen 'stoffen' en 'voorwerpen', omdat het in sommige gevallen niet altijd duidelijk is dat de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn.
De regels voor het opslaan van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen zijn onder andere gesteld met het oog op het voorkomen van zwerfafval en het beschermen van het milieu. Het opslaan van bepaalde stoffen en voorwerpen kan zwerfafval veroorzaken. Ook kunnen bepaalde stoffen en voorwerpen, zoals genoemd in het toepassingsbereik, ook zorgen voor milieuverontreiniging.
Dit artikel bevat de specifieke zorgplicht voor het opslaan van voorwerpen en stoffen, zoals voer- en vaartuigen, motorvoertuigen, bromfietsen en kampeermiddelen. De bepaling verplicht de eigenaar of gebruiker maatregelen te nemen wanneer de staat van het terrein of de opgeslagen objecten gevaar kan opleveren voor de gezondheid of veiligheid.
Hiermee wordt voorkomen dat door verwaarlozing, lekkende stoffen of brandgevaarlijke situaties risico’s ontstaan voor de omgeving. De zorgplicht vraagt niet om onredelijke inspanningen, maar om het treffen van maatregelen die in redelijkheid verwacht kunnen worden, zoals goed onderhoud, veilige opslag en het voorkomen van verontreiniging. Op deze manier draagt de bepaling bij aan een veilige, schone en ordelijke leefomgeving.
5.110 Verbod opslaan van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen
In dit artikel is een verbod opgenomen voor het opslaan van bepaalde voorwerpen en stoffen die in het Artikel 5.107 staan opgesomd. De gemeente heeft als doel om het opslaan van stoffen te verbieden op de openbare weg en bij bedrijfsmatige activiteiten. Er gelden bijvoorbeeld regels voor het opslaan van stoffen bij bedrijven, zoals bij het opslaan van grond en baggerspecie geregeld in paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf regelt het toevoegen van gebouwen of locaties die parkeerbehoefte veroorzaken, zoals woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. De regels zorgen ervoor dat bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd.
5.112 Gebouw met parkeerbehoefte
In dit artikel wordt verduidelijkt wat onder een gebouw met parkeerbehoefte wordt verstaan. Dit zijn gebouwen waar activiteiten plaatsvinden die leiden tot structurele parkeerdruk, zoals wonen, werken, winkelen of maatschappelijke functies. Parkeerbehoefte is de berekende vraag naar parkeerplaatsen voor een bouwplan, gebaseerd op de functie, omvang en de parkeernorm van de gemeente.
5.113 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het toevoegen van gebouwen of terreinen met parkeerbehoefte is een omgevingsvergunning vereist. Hiermee kan worden beoordeeld of bij de ontwikkeling in voldoende mate in de eigen parkeerbehoefte wordt voorzien en of de openbare ruimte niet onevenredig wordt belast.
5.114 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
De aanvrager moet bij de vergunningaanvraag inzicht geven in de bestaande en nieuwe parkeervoorzieningen, onderbouwd met een parkeerbalans. Deze informatie is nodig om te beoordelen of het plan voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen.
5.115 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De vergunning wordt alleen verleend als er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd. De beoordeling vindt plaats op basis van het geldende gemeentelijke parkeerbeleid. Hiermee wordt voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen leiden tot te weinig parkeerplekken en te veel parkeeroverlast in de openbare ruimte.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Dit artikel bevat de specifieke zorgplicht voor het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg. Bij het uitvoeren van de activiteit moet de initiatiefnemer zorgen dat het vrije uitzicht voor het verkeer niet wordt belemmerd en dat er geen gevaar of hinder voor het wegverkeer ontstaat.
In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het openen of afdekken van een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Dit artikel verbiedt het openen, afdekken of onzichtbaar maken van straatkolken, rioolputten, brandkranen en andere onderdelen van openbare nutsvoorzieningen zonder toestemming. Het doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid, de goede werking van vitale infrastructuur en het voorkomen van schade, overlast of gevaarlijke situaties. Deze voorzieningen moeten te allen tijde bereikbaar en herkenbaar blijven voor onderhoud en hulpdiensten.
Deze paragraaf gaat over het plaatsen en maken van reclame in openbaar toegankelijk gebied en wat zichtbaar is vanuit openbaar toegankelijk gebied. Met reclame wordt een publieke aanprijzing van een bedrijf, een product of een dienst bedoeld.
Reclames op borden, lichtreclames en spandoeken of vlaggen vormen een belangrijk en beeldbepalend element van het openbare toegankelijk gebied. In gebieden met commerciële doeleinden wordt veel reclame gemaakt en verhogen ze de visuele aantrekkingskracht van de omgeving hoewel daar een kritische grens aan verbonden is. In andere gebieden zijn (bepaalde) reclame-uitingen ongewenst. Reden waarom er onderscheid is gemaakt tussen winkelgebieden, woongebieden, kantoor-/bedrijventerreinen, parken en sportterreinen, en landelijk gebied als ook doorgaande wegen en invalswegen en reclame-uitingen aan (on)roerende zaken en op, aan of boven de weg. Bij het plaatsen van reclame op bedrijfsgebouwen en andere onroerende zaken gaat het om gevelreclame.
De regels in deze paragraaf zijn onder andere gesteld met het oog op het bevorderen van de verkeersveiligheid. In de beoordelingsregels staan de vereisten in welke gevallen een omgevingsvergunning wordt verleend. Bij het plaatsen van vlaggen en banieren mag er geen gebruik worden gemaakt van verschillende kleuren en maatvoering. Het gebruik van verschillende kleuren kan bestuurders afleiden. Het stellen van een regel voor het kleurgebruik bevordert de verkeersveiligheid.
Daarnaast zijn de regels gesteld met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid van het openbaar gebied. Bij het plaatsen van reclame is het van belang dat het voetpad niet wordt belemmerd. Om dit te voorkomen, wordt de reclame geplaatst op de gevel van een bedrijfsgebouw of andere onroerende zaak.
In artikel 5.4 is een specifieke zorgplicht opgenomen voor iedereen die activiteiten verricht, zoals het aanbrengen of maken van reclame. Diegene moet zich rekenschap geven van de doelen, waarvoor de regels in dit hoofdstuk zijn gesteld. Op iedereen rust de verplichting om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om nadelige gevolgen voor die doelen te voorkomen of, als dat niet kan, te beperken. Als die nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, moet de activiteit achterwege worden gelaten. Dit artikel beschrijft wat er bij het aanbrengen of maken van reclame in ieder geval tot de specifieke zorgplicht van artikel 5.4 wordt gerekend. Het plaatsen van reclameobjecten in de openbare ruimte moet in ieder geval geen hinder of gevaar opleveren voor personen of goederen en geen verkeersonveilige situaties veoorzaken.
De specifieke zorgplicht is direct handhaafbaar, zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk. Handhaving is in ieder geval mogelijk bij evidente overtredingen. Dit zijn overtredingen waarvan iedereen weet dat er in strijd met de specifieke zorgplicht is gehandeld. Als er discussie mogelijk is over de vraag of de specifieke zorgplicht wel of niet is overtreding, kan het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift verduidelijken wat er in het concrete geval precies onder de specifieke zorgplicht wordt verstaan. De bevoegdheid daartoe is opgenomen in artikel 5.3 van dit omgevingsplan. Verder kan het bevoegd gezag beleidsregels vaststellen over de invulling van de elementen van de specifieke zorgplicht, zoals een goede omgevingskwaliteit (wetsinterpreterende beleidsregels).
5.125 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In dit artikel wordt de vergunningplicht beschreven. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning reclame te plaatsen op of aan onroerende zaken.
5.126 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel worden de aanvraagvereisten beschreven die de aanvrager moet verstrekken bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclame op of aan een onroerende zaak. De aanvrager moet een tekening of ingetekende luchtfoto verstrekken met daarop de locatie van de reclame. In het geval dat de reclame wordt geplaatst op een object, moet de lengte, breedte en hoogte van het object worden verstrekt. Dit geldt ook in het geval dat er verschillende materialen, kleuren en verlichting wordt gebruikt.
5.127 Beoordelingsregels omgevingsvergunning reclame op of aan andere onroerende zaken en roerende zaken
Dit artikel geeft aan dat de omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclame alleen wordt geweigerd als de in de oogmerken genoemde belangen onevenredig worden geschaad. Daarmee wordt een evenwicht gezocht tussen ruimte voor reclame-uitingen en het behoud van een veilige, toegankelijke en verzorgde openbare ruimte.
De beoordeling richt zich onder meer op het waarborgen van de verkeersveiligheid, het voorkomen van hinder en het beschermen van het aanzien van de omgeving. Reclame mag de werking van de openbare weg of het openbaar water niet belemmeren en moet passen binnen het straatbeeld. Op deze manier wordt voorkomen dat reclame-uitingen leiden tot visuele overlast, gevaarlijke situaties of een rommelig aanzicht van het openbaar toegankelijk gebied.
5.128 Meldingsplicht plaatsen reclameborden en spandoeken
Dit artikel stelt een meldingsplicht voor tijdelijke reclame-uitingen in de openbare ruimte, zoals borden of spandoeken. De meldingsplicht maakt het mogelijk voor de gemeente om toezicht te houden op de hoeveelheid en locatie van reclame-uitingen en te voorkomen dat deze leiden tot onveilige of rommelige situaties. De termijn van twee weken zorgt voor tijdige afstemming, terwijl een maximum van twaalf weken voor de melding van spandoeken voorkomt dat plekken te lang worden ‘gereserveerd’.
5.129 Algemene regels plaatsen uitstalling
Dit artikel bevat algemene regels voor uitstallingen. De algemene regels waarborgen dat dat uitstallingen voor winkels op een ordelijke, veilige en toegankelijke manier worden geplaatst, de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte niet onevenredig belemmeren en geen onevenredige hinder veroorzaken. De uitstalling mag niet verankerd worden in de grond, dan kan de uitstalling na sluitingstijd van het bedrijf eenvoudig binnen worden gezet en geen verdere hinder veroorzaken. Tot slot is bepaald dat uitstallingen tijdelijk zijn en alleen aanwezig tijdens openingstijden.
5.130 Algemene regels reclameborden
In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen voor het plaatsen van reclameborden in de openbare ruimte. Alleen aangewezen reclameobjecten in gemeentelijke displays mogen worden gebruikt, om visuele vervuiling te voorkomen. De voorrangsregels zorgen ervoor dat lokale en maatschappelijke reclame-uitingen prioriteit krijgen boven commerciële. Daarnaast wordt de verkeersveiligheid geborgd door eisen te stellen aan de zichtbaarheid en plaatsing van de displays. De maximale plaatsingsduur en naleving van de Nederlandse Reclame Code zorgen voor een ordelijke en verantwoorde omgang met reclame in het straatbeeld
5.131 Algemene regels spandoeken
Dit artikel bevat algemene regels voor spandoeken. De algemene regels waarborgen dat spandoeken geen gevaar voor het verkeer vormen en geen onevenredige hinder veroorzaken. Door vaste locaties aan te wijzen, blijft het straatbeeld overzichtelijk en wordt voorkomen dat spandoeken op willekeurige plekken worden geplaatst. De regels beperken het aantal spandoeken, de afmetingen en de duur van plaatsing, en zorgen dat ze geen gevaar opleveren voor verkeer of hinder veroorzaken. De verplichting om spandoeken tijdig te verwijderen en aanwijzingen van de gemeente of hulpdiensten op te volgen, waarborgt de veiligheid en ordelijkheid in de openbare ruimte. Tot slot moet het gehele spandoek op een hoogte van ten minste 4,1 m boven het wegdek hangen, zodat er zonder gevaar onder door kan worden gelopen of gereden. Welke hoogte wordt uiteraard bepaald door de lokale situatie.
De regels in deze paragraaf hebben betrekking op het plaatsen van voorwerpen, met uitzondering van vaartuigen, in, op of boven openbaar water. Deze paragraaf is aanvullend op de regels die in de waterschapsverordening staan. Gebleken is dat het waterschap niet altijd dezelfde belangenafweging maakt als de gemeente doet, bijvoorbeeld bij de beoordeling van de veiligheid.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Met de specifieke zorgplicht in deze paragraaf legt de gemeente nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Daarbij gaat het niet om voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geprojecteerd. De zorgplicht heeft ook betrekking op gedrag. Dat wil zeggen dat op basis van de zorgplicht kan worden gewaarborgd dat dit gedrag geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; en geen belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
5.135 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In dit artikel is bepaald dat voor het plaatsen van voorwerpen op, in of boven openbaar water een omgevingsvergunning vereist is. Dit is nodig om de veiligheid, doorstroming en het gebruik van het water te kunnen waarborgen. Zo kan worden voorkomen dat objecten het vaarverkeer belemmeren of schade veroorzaken aan oevers, waterkeringen of infrastructuur. Vaartuigen vallen buiten dit verbod, omdat voor het innemen van een ligplaats aparte regels gelden.
5.136 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een voorwerp in, op of boven openbaar water. De gevraagde tekeningen, afmetingen en duur van plaatsing geven het bevoegd gezag voldoende informatie om te beoordelen of het voorwerp veilig, tijdelijk en passend is binnen de omgeving. Hiermee kan worden gecontroleerd of de activiteit geen hinder, gevaar of nadelige effecten veroorzaakt voor het gebruik van het openbaar water.
5.137 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst. De beoordelingsregels zijn afgestemd op de oogmerken van de activiteit.
Dit artikel verbiedt het laten zinken of in gezonken toestand laten liggen van voorwerpen of vaartuigen in openbaar water. Dit verbod voorkomt vervuiling, belemmering van de doorvaart en gevaarlijke situaties. Daarnaast draagt het bij aan de bescherming van het milieu en de instandhouding van de waterkwaliteit.
De regels in deze paragraaf hebben betrekking op het innemen van een ligplaats met een vaartuig of het aanmeren van een vaartuig met of zonder anker op openbaar water. Als een vaartuig wil aanmeren en er is geen aanmeerpaal, dan kan het anker worden uitgegooid. Deze paragraaf gaat niet over de bescherming van waterflora. Die regeling is achtergebleven in de Algemene Plaatselijke Verordening. Daar is onder meer vastgelegd dat het verboden is binnen een afstand van vier meter van rietkragen, biezen, liezen of enig opstaand watergewas, gele plompen of waterlelies een ligplaats in te nemen danwel deze te verlaten.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld, onder andere het waarborgen van een goede milieuhygiëne. Vaartuigen kunnen stoffen uitstoten wat van invloed kan zijn op het milieu. Zoals hiervoor vermeld is voor de bescherming van waterflora een aparte regeling opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
5.141 Toegestane ligplaatsen vaartuigen
In dit artikel is vastgelegd waar het toegestaan is om met een vaartuig een ligplaats in te nemen. De onderverdeling in recreatievaartuigen, woonboten en overige vaartuigen voorkomt ongewenste situaties en zorgt voor een ordelijke verdeling van ligplaatsen. Door specifieke locaties aan te wijzen, wordt overlast voorkomen en blijft het water goed toegankelijk en veilig in gebruik.
5.142 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het innemen van een ligplaats buiten de aangewezen locaties of aan een gemeentelijke wal is een omgevingsvergunning vereist. Dit voorkomt ongewenste of hinderlijke situaties. De uitzonderingsregel zorgt ervoor dat kortstondig aanleggen – zoals voor passagiers of goederen – wel mogelijk blijft. Zo blijft het gebruik van het water praktisch geregeld.
Voor de vergunningplicht is het volgende van belang. Het water waar doorheen wordt gevaren is openbaar water. Het omgevingsplan regelt geen eigendomsverhoudingen. Het is niet de bedoeling dat ligplaatsen die voor de wijziging van dit omgevingsplan niet zijn aangewezen, maar met name bij privé tuinen liggen, vergunningplichtig worden. Het aanwijzen van ligplaatsen en de vergunningplicht geldt voor ligplaatsen waar de gemeente liggelden of een vergelijkbare constructie voor hanteert. De regeling in het omgevingsplan gaat niet om het aanmeren bij privétuinen bij woningen. Daarvoor moet teruggevallen worden op het tijdelijk omgevingsplan. Ook het begrip ‘openbaar water’, zoals dat voorheen in de Algemene Plaatselijke Verordening was opgekomen, is in het omgevingsplan gedefinieerd.
5.143 Bijzondere aanvraagvereisten
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het innemen van een ligplaats buiten de specifieke locaties benoemd in Artikel 5.141 De aanvraagvereisten geven het bevoegd gezag inzicht in de exacte locatie, afmetingen en duur van de beoogde ligplaats. Deze informatie is noodzakelijk om te beoordelen of de aanvraag past binnen de beschikbare ruimte en of het vaartuig geen hinder veroorzaakt voor de omgeving of andere gebruikers van het water.
5.144 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Bij het beoordelen van een aanvraag voor een ligplaats kijkt het bevoegd gezag of het innemen van de ligplaats past binnen de oogmerken van veiligheid en gezondheid.
5.145 Verbod innemen ligplaats
In dit artikel is aangewezen waar het verboden is om een ligplaats in te nemen met een vaartuig. Het verbiedt het gebruiken van openbare laad-, los- of uitstapplekken voor opslag of langdurig aanmeren. De uitzondering voor rechthebbenden zorgt dat eigenaren van aangrenzende oevers wel gebruik kunnen maken van hun eigendom.
Deze paragraaf gaat over het hebben van drijvende schiethutten op het water. Een drijvende schiethut is een mobiele, gecamoufleerde drijvende constructie op het water die wordt gebruikt door natuurfotografen of jagers om onopgemerkt waterwild te benaderen en te observeren of te bejagen, of ten dienste van beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de Omgevingswet.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Het is verboden een drijvende schiethut te hebben in het Reeuwijkse plassengebied. Dit verbod beschermt de natuur. Dit verbod geldt niet voor bestaande schiethutten die aanwezig zijn op het moment dat deze regeling in werking treedt voor zover dat gaat om schiethutten op locaties waar geen vaarverbod voor gemotoriseerde vaartuigen geldt.
5.149 Algemene regels schiethut
In dit artikel staan voorwaarden waaraan het hebben van een drijvende schiethut moet voldoen.
Dit artikel gaat over het verrichten van activiteiten in, bij of aan gemeentelijke monumenten. Het gaat in dit geval om de monumenten op een locatie met de functie-aanduiding 'gemeentelijk monument'.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Het betreft hier een specifieke zorgplicht. In de Omgevingswet zelf is een algemene zorgplicht opgenomen, namelijk dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6). Daarnaast is in artikel 4.4 bepaald dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving verplicht is maatregelen te treffen om die gevolgen te voorkomen en indien deze niet voorkomen kunnen worden de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken en als dat niet lukt de activiteit achterwege te laten.Gemeenten kunnen specifieke zorgplichten in het omgevingsplan opnemen voor die activiteiten waarvoor zij dit gewenst achten. Dit artikel is hier een voorbeeld van. De zorgplicht richt zich op het voorkomen van beschadiging of vernieling van gemeentelijke monumenten. Het kenmerk van een zorgplicht is dat deze algemeen geformuleerd is. De zorglicht is een algemene regel die direct voor een ieder geldt. Op basis van de zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Met het werken met alleen een zorgplicht zouden gemeentelijke monumenten overigens onvoldoende beschermd worden. Hiermee zou dan niet worden voldaan aan de instructieregel van artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving ten aanzien van cultureel erfgoed. Deze vereist een toetsing vooraf van activiteiten die een beschermd monument kunnen raken (Verdrag van Granada). Een zorgplicht als enige regel is dan te algemeen. Voor het op een juiste wijze beschermen van gemeentelijke monumenten is het dan ook nodig om ook andere regels in het omgevingsplan op te nemen. De zorgplicht kan dan worden gezien als een algemene achtervang, ook voor andere activiteiten dan een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gemeentelijk monument kunnen beschadigen of vernielen. De formulering van dit artikel sluit aan op de specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten.
Uit dit artikel blijkt dat het verboden is om een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of om er geen onderhoud aan te verrichten. Bij het onthouden van onderhoud kan er een onderscheid worden gemaakt tussen een passieve- en actieve onderhoudsplicht. Onder de passieve onderhoudsplicht wordt in ieder geval het niet wind- en waterdicht houden van het monument en het achterstallig schilderwerk verstaan. Bij de actieve onderhoudsplicht gaat het in ieder geval om het actief openlaten van ramen of deuren of als het monument wordt gesloopt.
5.154 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In dit artikel worden de vergunningplichtige gevallen aangewezen, zodat het unieke karakter van de gemeentelijke monumenten in Bodegraven-Reeuwijk beschermd wordt. In het tweede lid worden een aantal gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt. Het gaat daarbij om activiteiten die worden verricht ter onderhoud van het monument en activiteiten die betrekking hebben op een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. Daarnaast gelden er andere regels voor meerdere handelingen die worden verricht op begraafplaatsen. Deze regels zijn gesteld zodat het dagelijks functioneren van de begraafplaats niet in het geding komt.
5.155 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning verleend waar de aanvrager aan moet voldoen. De aanvrager moet een locatie bevatten van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft. Het is niet nodig om voor het hele pand een bouw- of cultuurhistorisch onderzoek uit te voeren als er voor slechts een deel van het pand een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het monument wordt aangevraagd. Ook moet de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik worden verstrekt. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen. Er moet een motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen voor het gemeentelijk monument worden verstrekt. Dit sluit aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Dit houdt in dat de aanvrager voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat.
Het tweede lid bevat de aanvraagvereisten als het gaat om het slopen van een gemeentelijk monument. Met slopen wordt bedoeld: het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen. Een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.
Tweede lid onder a
Een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.
Tweede lid onder b
Een bouwhistorisch onderzoek kan kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen.
Het derde lid bevat de aanvraagvereisten voor zover een gemeentelijke monumentenactiviteit bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan van het monument. Als het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument verleent, dan moet op grond van artikel 5 van het Granada verdrag voorschriften aan de vergunning worden verbonden voor het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. De gegevens en bescheiden moeten voldoende inzicht bieden wat de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige plek van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen.
Derde lid onder a
Een beschrijving van de technische staat kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.
Derde lid onder b
Een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw is vereist. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.
Derde lid onder c
Als het te verplaatsen monument een molen is, moet ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).
Het vierde en vijfde lid omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem. Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 5.165 lid 2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: monument en artikel 5.165 lid 3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit: wijzigen monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
5.157 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Eerste lid
Dit artikel bevat het toetsingscriterium voor de verlening van een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit. De vergunning kan uitsluitend worden verleend indien de aangevraagde activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg. Bij de beoordeling wordt aangesloten bij de zogenoemde redengevende omschrijvingen, zoals opgenomen in bijlage IV. In deze omschrijvingen zijn de specifieke waarden en kenmerken vastgelegd die aanleiding zijn geweest om het object als gemeentelijk monument aan te wijzen. Dit betekent dat een activiteit die deze waarden onevenredig aantast, in beginsel niet vergunningwaardig is. Indien een activiteit geen of slechts beperkte negatieve gevolgen heeft voor de monumentale waarden of deze zelfs versterkt kan de vergunning worden verleend, eventueel onder voorwaarden.
Tweede lid
Onderdeel a benadrukt het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten. Het uitgangspunt is dat monumentale waarden niet verloren mogen gaan. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer zwaarwegende belangen daartoe noodzaken en aantoonbaar is dat behoud redelijkerwijs niet mogelijk is. Onderdeel b richt zich op het voorkomen van verplaatsing van monumenten of onderdelen daarvan. Verplaatsing kan alleen worden toegestaan indien dit dringend noodzakelijk is voor het behoud van het monument zelf, bijvoorbeeld wanneer het monument anders verloren zou gaan door externe omstandigheden. Onderdeel c betreft het bevorderen van het gebruik van monumenten wat bijdraagt aan hun instandhouding. En onderdeel d gaat over archeologische monumenten. Het uitgangspunt is conservering en instandhouding, bij voorkeur in situ (op de oorspronkelijke vindplaats). Archeologische waarden zijn vaak kwetsbaar en onherstelbaar wanneer zij worden opgegraven of verplaatst. Behoud in de bodem geniet daarom de voorkeur. Slechts wanneer behoud in situ niet mogelijk is, kan worden gekozen voor documentatie en opgraving, waarbij de informatie zo volledig mogelijk wordt veiliggesteld.
Bij een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumentenactiviteit die een gedeeltelijke of volledige verplaatsing inhoudt van een monument dat een bouwwerk is worden altijd voorschriften opgenomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada 3 voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.
Het bevoegd gezag (dat wil zeggen: het college van burgemeester en wethouders) kan maatwerkvoorschriften stellen als dat nodig is voor het beschermen van de monumentale waarden. Dit biedt ruimte om in te grijpen bij activiteiten die het behoud van een gemeentelijk monument kunnen aantasten, ook als deze niet rechtstreeks onder de vergunningplicht vallen.
Deze paragraaf bevat regels over het verrichten van activiteiten in, op of aan een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingengebied, in het bijzonder over het verstoren van de bodem.
Het doel van de regels in deze paragraaf is de bescherming van archeologische waarden. Archeologische waarden zijn overblijfselen van menselijke activiteiten uit het verleden. In 1992 ondertekende Nederland het Europees Verdrag van Valletta, waarin doelstellingen zijn opgenomen met betrekking tot het behoud van archeologische waarden en verankering van die waarden in het ruimtelijke ordeningsproces. In het Verdrag van Valletta speelt het principe “de veroorzaker betaalt” een grote rol. Om deze reden worden initiatiefnemers bij bodemingrepen verplicht om rekening te houden met archeologische waarden en deze (waar nodig) veilig te stellen. Dit geldt voor zowel publieke als private partijen.
5.162 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Er geldt een vergunningplicht voor het bewerken van de bodem in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde (hieronder valt ook het verwijderen van funderingen en het ophogen van de grond). Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 5.130, derde tot en met vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde is een vergunning vereist voor het verstoren van de bodem voor een bepaalde omvang of diepte van de verstoring. In de gebieden met de hoogste verwachtingswaarde, geldt een vergunningplicht in alle gevallen. De begrenzing van de gebieden is ontleend aan het paraplubestemmingsplan cultuurhistorie Bodegraven-Reeuwijk en de beheersverordening. Er zijn ook gebieden waar geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. In die gebieden geldt geen vergunningplicht voor het verstoren van de bodem.
5.163 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Eerste lid In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.
Eerste lid, onderdeel a en c In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven. Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Eerste lid, onderdeel b Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, 142 spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden. Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.
Eerste lid, onderdeel e Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel e, gaat het doorgaans om zogenoemde ‘multibeamopnamen’. Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.
Tweede lid Als uit eerder onderzoek blijkt dat geen risico bestaat, kan de verplichting tot aanvullend onderzoek vervallen. Zo wordt maatwerk mogelijk gemaakt, waarbij archeologische bescherming en uitvoerbaarheid in evenwicht blijven.
5.164 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
Een vergunning mag alleen worden verleend als blijkt dat archeologische waarden niet, of slechts in beperkte mate, worden aangetast. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument.
Deze paragraaf geldt voor activiteiten die plaatsvinden in, aan of op objecten met een cultuurhistorische waarde. Het gaat om objecten die in de bijlage bij het omgevingsplan zijn aangewezen en die belangrijk zijn voor het historische en ruimtelijke karakter van de gemeente.
Het oogmerk is het doel ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld. Dit betekent dat de waarden die verbonden zijn aan deze objecten — zoals architectuur, ambachtelijke details en historische betekenis — niet verloren mogen gaan.
Degene die een activiteit uitvoert, moet maatregelen nemen om schade of vernieling van cultuurhistorisch waardevolle objecten te voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat door nalatigheid of onzorgvuldigheid de historische waarde wordt aangetast.
Dit artikel bevat een verbod op het beschadigen, vernielen of verwaarlozen van cultuurhistorisch waardevolle objecten. Eigenaren of gebruikers moeten noodzakelijk onderhoud uitvoeren om de instandhouding te waarborgen.
5.169 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het bouwen, slopen of verplaatsen van een cultuurhistorisch waardevol object is een omgevingsvergunning vereist. Uitzonderingen gelden voor kleine werkzaamheden die geen invloed hebben op de karakteristieke waarden of die noodzakelijk zijn om veiligheidsrisico’s te voorkomen. Zo wordt maatwerk mogelijk gemaakt zonder de beschermingsdoelen te ondermijnen.
5.170 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
De foto’s moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het cultuurhistorisch waardevolle object, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het cultuurhistorisch waardevolle object voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.
Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook een omschrijving van de sloopmethode worden verstrekt. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Op grond van onderdeel b, onder 3°, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook een omschrijving van de sloopmethode verstrekken.
5.171 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De vergunning wordt alleen verleend als de activiteit bijdraagt aan het behoud van de karakteristieke waarden van het object. Ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing worden zoveel mogelijk voorkomen. Gebruik of herbestemming van waardevolle objecten is toegestaan als dit de instandhouding ondersteunt.
Wanneer het bevoegd gezag in een concreet geval overgaat tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit in, aan of op cultuurhistorisch waardevolle objecten, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen.
In deze paragraaf staat zowel de bescherming van individuele bomen centraal als het beschermen van eenheden zoals houtwallen, windsingels en groenstructuren die van belang zijn vanwege hun stedenbouwkundige waarde of die zijn aangeplant om bebouwing in de stad of het buitengebied aan het zicht te onttrekken of om de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen tegen te gaan (ter bescherming van de gezondheid).
De gemeente wil oudere bomen behouden, omdat deze een belangrijke bijdrage leveren aan de beleving van de omgeving. Oudere bomen hebben vaak een beeldbepalende waarde en zorgen bovendien voor schaduw. Bomen die geplant zijn vanwege een bijzondere gebeurtenis (zoals de geboorte van een prinses of prins) hebben daarnaast een cultuurhistorische waarde. De bescherming van oudere bomen is niet beperkt tot bomen in het openbare gebied. Ook oudere bomen op particulier terrein kunnen immers een beeldbepalende waarde hebben, mits zij zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied.
Het is overigens niet zo dat jongere bomen in openbaar gebied zomaar gekapt mogen worden. Dergelijke bomen vallen weliswaar niet onder de publiekrechtelijke bescherming van deze paragraaf, maar ze zijn wel eigendom van de gemeente. Degene die een jongere boom in openbaar gebied wil kappen, zal daarvoor privaatrechtelijke toestemming van de gemeente moeten krijgen. Kappen zonder dergelijke toestemming is een onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek.
Deze paragraaf gaat niet over het dunnen van de houtopstanden. Dunnen is gericht op het bevorderen van de groei van de houtopstanden, en tast de belangen waarvoor de regels in deze paragraaf zijn gesteld dus niet aan.
Deze paragraaf geldt zowel binnen als buiten de bebouwingscontour houtkap. Buiten die bebouwingscontour gelden ook de regels van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: een meldplicht voor het vellen van houtopstanden en een herbeplantingsplicht.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Het kappen van bomen kan gevolgen hebben voor beschermde flora of fauna in die boom. Daarbij valt met name te denken aan nestelende vogels. Zelfs al is het kappen op grond van deze paragraaf toegestaan, dan zal nog steeds aan de regels voor het verstoren van beschermde flora en fauna moeten worden voldaan. De regels daarover zijn opgenomen in paragraaf 11.2.2 tot en met 11.2.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De provincie is veelal het bevoegde gezag voor het toezicht op de nalevering van de regels van die paragraaf, en de verlening van omgevingsvergunningen voor flora- en fauna-activiteiten.
De beeldbepalende waarde is de waarde die de boom heeft voor de visuele beleving van de bebouwde omgeving. Oudere bomen zorgen voor verfraaiing van de bebouwde omgeving en creëren rust. Daarnaast kunnen bomen een cultuurhistorische waarde hebben: denk aan monumentale bomen of herdenkingsbomen. De gemeente heeft geen inventarisatie gemaakt van alle bomen met beeldbepalende of cultuurhistorische waarden. Of een boom dergelijke waarden heeft, wordt per individueel geval beoordeeld, als er een omgevingsvergunning voor het kappen wordt aangevraagd.
Hoe ouder de boom, hoe groter de kroon en het wortelstelsel. Naarmate een boom groeit, wordt deze ook steeds karakteristieker en groeit de waarde voor de omgeving. Daarom zijn de regels in deze paragraaf ook gesteld met het oog op de levensverwachting van bomen.
5.175 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
De bomen en houtopstanden die in stand moeten blijven, zijn opgenomen in het geometrische informatieobject “beschermde gemeentelijke houtopstanden” in bijlage II bij dit omgevingsplan. Voor al die bomen en houtopstanden geldt een verbod om ze zonder omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk te kappen of te vellen.
Het verbod op het kappen zonder vergunning, geldt niet voor het dunnen van beschermde bomen of houtopstanden. Dunnen is het kappen van bomen, boomvormers of struiken binnen een houtopstand. De overblijvende bomen, boomvormers en struiken krijgen dan meer ruimte om te groeien. Bij de aanplant van houtopstanden wordt vaak een combinatie van langzaam en snel groeiende soorten aangeplant, zodat de houtopstand in relatief korte tijd een volwaardig uiterlijk heeft. Na verloop van tijd worden de snelle groeiers verwijderd (de wijkers), zodat de langzame groeiers (de blijvers) zich verder kunnen ontwikkelen.
5.176 Bijzondere aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen moet iedere te kappen boom worden aangeduid op een kaart, tekening of foto. Ook moet de reden voor het kappen worden aangegeven. Die reden wordt betrokken bij de belangenafweging. Hoe groter de waarde van de boom is voor de omgeving (de beeldbepalende of cultuurhistorische waarde of, als het om bomen gaat die niet onder het toepassingsbereik van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, de natuurwaarde of landschappelijke waarde), des te zwaarder moet het belang van de initiatiefnemer zijn bij het kappen.
Naast een aanduiding van de te kappen boom of te vellen houtopstand en de reden van het kappen of vellen, moet bij de aanvraag van de vergunning ook worden vermeld of het voornemen bestaat om te herbeplanten en zo ja, op welke locatie en met welke soorten.
Door te herbeplanten kan worden voorkomen dat de belangen, waarvoor de regels in deze paragraaf zijn gesteld, worden geschaad. Dat bevordert een positieve beslissing op de aanvraag.
5.177 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De vergunningverlener toetst in hoeverre het kappen van de boom de belangen, waarvoor de regels in deze paragraaf zijn gesteld, aantast. Hiervoor wordt verwezen naar de oogmerken van deze paragraaf.
Dit artikel beschermt bomen met een bijzondere waarde tegen beschadiging, vernieling en verwaarlozing. Eigenaren zijn verplicht noodzakelijk onderhoud te verrichten om de boom in stand te houden. Zo blijven waardevolle bomen behouden en wordt de kwaliteit van de leefomgeving gewaarborgd.
Deze paragraaf gaat over het tijdelijk plaatsen van kampeermiddelen buiten een aangewezen kampeerterrein, bijvoorbeeld tenten, caravans of campers.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.181 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Voor het plaatsen van kampeermiddelen buiten een kampeerterrein is een omgevingsvergunning vereist. Uitzonderingen gelden voor kortdurende en kleinschalige vormen van kamperen, zoals bij een eigen woning of een tijdelijk sportevenement.
5.182 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
De gevraagde gegevens geven inzicht in de locatie en duur van het recreatief nachtverblijf. Dit is nodig om te beoordelen of de activiteit past binnen de omgeving en geen schade veroorzaakt aan natuur of landschap.
5.183 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De vergunning kan alleen worden verleend als de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor natuur, landschap of stadsbeeld, en als het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte niet onevenredig wordt aangetast. Zo wordt een balans bewaard tussen recreatief gebruik en bescherming van de omgeving.
Deze paragraaf bevat regels over het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.
Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 5.185 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 5.185 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.
Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.
De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.
Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.
De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal.
5.187 Aanleveren onderzoeksgegevens bodemonderzoek in XML
Dit artikel verplicht dat de resultaten van het eindonderzoek bodem en het voorafgaand bodemonderzoek — die vallen onder de Bal-paragrafen 5.2.1 en 5.2.2 (bodembescherming en sanering) — ook moeten worden aangeleverd in het XML-bestandsformaat, volgens de actuele versie van het protocol SIKB0101, voor gestandaardiseerde digitale verwerking.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Dit artikel stelt een verbod in op het oplaten van ballonnen om het milieu te beschermen. De regel is ingevoerd vanwege de negatieve gevolgen van ballonnen op de natuur: nadat ze zijn neergekomen, vervuilen ze het landschap en vormen ze een risico voor dieren die verstrikt kunnen raken of de resten (vooral plastic en touwtjes) opeten.
Deze paragraaf bevat regels over het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.193 Aanwijzing vergunningplicht aanleggen en gebruiken gesloten bodemenergiesysteem
Wanneer er te veel bodemenergiesystemen in hetzelfde gebied te dicht op elkaar staan kunnen deze bodemenergiesystemen een negatief effect hebben op elkaars rendement. Sturing vanuit de overheid is nodig om de bodemsystemen goed te laten functioneren en zoveel mogelijk duurzame warmte en koude te kunnen benutten.
Door een vergunningplicht voor gesloten bodemenergiesystemen in te stellen is beter gebruik te maken gemaakt van de beperkt beschikbare bodemenergie.
De vergunningplicht in het tweede lid voor gesloten bodemenergiesystemen met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.
5.194 Bijzondere aanvraagvereisten aanleg en gebruik gesloten bodemenergiesysteem
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
In onderdeel g is opgenomen dat de schriftelijke toestemming van andere perceeleigenaren moet worden toegevoegd aan de aanvraag, als het gesloten bodemenergiesysteem mede op het perceel van die andere eigenaar wordt aangelegd. Dit hangt samen met de algemene regel over de plaatsing van gesloten bodemenergiesystemen hierna.
5.195 Beoordelingsregels aanleg en gebruik gesloten bodemenergiesysteem
De aanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem wordt getoetst op doelmatig gebruik van bodemenergie en het voorkomen van negatieve interferentie. Met de vergunning wordt voorkomen dat systemen kunnen worden aangelegd zonder dat het bevoegd gezag inzicht heeft in de effecten van elk afzonderlijk systeem en de cumulatieve effecten. Bij de beoordeling op interferentie worden de gesloten systemen getoetst aan het beleid in het bodemenergieplan.
In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de toepassing van deze paragraaf. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven. De uitzondering geldt alleen voor zover het lozen van afvalwater onder de aanwijzing van vergunningplichtige gevallen in het Bal valt.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.198 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Eerste lid
In dit omgevingsplan zijn verschillende lozingen in de bodem of in de schoonwaterriolerering toegestaan. Voor lozingen die niet expliciet zijn toegestaan, is in principe een voorafgaande toestemming vereist. Bij lozingen op of in de bodem hangt dit samen met de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. Bij lozingen in de schoonwaterriolering hangt dit samen met de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Tweede lid
De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn.
Dit artikel is verder niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan.
5.199 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen.
5.200 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling. Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.203 Informatieplicht lozen van grondwater
Eerste lid
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Ook moet de verwachte begindatum van de activiteit worden verstrekt.
Tweede lid
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens
Derde lid
Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.
5.204 Lozen van grondwater bij saneringen
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan.
Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.
5.205 Lozen van grondwater bij ontwatering
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen. Hiervoor volstaat de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
5.206 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN- normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Dit artikel verplicht ten minste zes maanden voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals het aantal bewoners waarvan afvalwater wordt geloosd en de zuiveringsvoorziening die wordt geplaatst. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat het aantal bewoners verandert.
5.210 Lozen van afvloeiend hemelwater
Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen.
In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen. In het vierde lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem.
Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening. De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.213 Informatieplicht: lozen van huishoudelijk afvalwater
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals het aantal bewoners waarvan afvalwater wordt geloosd en de zuiveringsvoorziening die wordt geplaatst. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat het aantal bewoners verandert.
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.
5.215 Lozen van huishoudelijk afvalwater
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem. De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt.
5.216 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is 83 aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
5.217 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-ENnormen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I. Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.220 Informatieplicht: lozen van koelwater
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.
Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.
De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s).
∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren. Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
5.228 Informatieplicht: lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
5.229 Lozen bij opslaan van inerte goederen
Afvalwater wordt bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding. Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing.
Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool. De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100–150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100–150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.
5.230 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
5.231 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen
In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Een alternatieve lozingsroute, waarmee afvalwater geloosd kan worden op oppervlaktewater, is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool ‘uit te zetten’. Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA’s. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.234 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.
De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
5.235 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam ‘rioleringsprogramma’ is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.238 Schoonmaken drinkwaterleidingen
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.
Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).
Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.241 Informatieplicht: lozen bij calamiteitenoefeningen
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
5.242 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.245 Informatieplicht: Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
5.246 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.
5.247 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
5.248 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
5.249 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 ‘uit te zetten’. Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.
5.250 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.253 Informatieplicht: lozen bij maken van betonmortel
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
5.255 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.258 Informatieplicht: uitwassen van beton
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
5.260 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd. Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers. De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.263 Informatieplicht: exploiteren van een recreatieve visvijver
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
- de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
- de precieze plek en indeling van de activiteit; en
- wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van burgemeesters en wethouders verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.
Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan. Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.
Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de ‘ouderwetse’, chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film. Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.267 Informatieplicht: ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de ‘ouderwetse’, chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film. Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.
In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.
5.269 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. Bij wonen geldt alleen de zorgplicht.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet- vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.
Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.
Ook geldt een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. In samenhang hiermee mag het water bij het wassen in de bodem komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.
Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.
Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.
5.274 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Deze paragraaf is van toepassing op het leiden van afvalwater door een olieafscheider, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.279 Informatieplicht bemonstering
Dit artikel verplicht om binnen vier weken na de start van de activiteit het bevoegd gezag te informeren door middel van een rapportage van de bemonstering met de daarbij behorende resultaten conform het protocol SIKB0101. De rapportage moet voldoen aan de normen voor een verslag bedoeld in de NEN 5740.
Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca. Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven. Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers. Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.287 Informatieplicht: niet-industriële voedselbereiding
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:- de activiteit zelf en wat daarbij hoort;- de precieze plek en indeling van de activiteit; en- wanneer deze begint of wordt gewijzigd. Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van burgemeesters en wethouders verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.
Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd. Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater. Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde ‘afgestemd op de hoeveelheid water’.
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd. Tweede lid Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.
Dit artikel creëert de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om via een maatwerkvoorschrift af te wijken van de standaard lozingsregels in het Bal. Specifiek maakt het uitzonderingen mogelijk voor afvalwater van mobiele voedselbereiders (zoals foodtrucks), waardoor dit toch op het vuilwaterriool geloosd mag worden. Daarnaast kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van de verplichting om een vetafscheider en slibvangput te gebruiken, op voorwaarde dat het vetgehalte en de hoeveelheid afvalwater de doelmatige werking van het rioolbeheer aantoonbaar niet nadelig beïnvloeden.
Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal.
Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.293 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan. Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.
Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in artikel 22.202, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.296 Water: lozingsroute en zuivering
Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt. Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatieafscheider als alternatieve maatregel worden toegepast. Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde ’afgestemd op de hoeveelheid water’. Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013. Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.
5.297 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd. Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
5.298 Bodem: bodembeschermende voorziening
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
5.299 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
5.300 Bodem: eindonderzoek bodem
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.
Eerste lid
Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Tweede lid
Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:
• op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en
• op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.
Derde lid
Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
5.301 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.
5.302 Informatieplicht: beëindigen activiteit
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.
5.303 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.
Eerste lid
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld. Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
– De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.
– De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.
– De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei) stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
5.304 Informatieplicht: herstelwerkzaamheden
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
5.305 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschitteringveroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m. 97 Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf. Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark valt niet onder deze paragraaf.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.308 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
Eerste lid
In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit.
Tweede lid
Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
5.309 Slagschaduw: stilstandvoorziening
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen.
Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.
5.310 Slagschaduw: functionele binding
Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.
3.311 Slagschaduw: voormalige functionele binding
Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw. Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.
Onderdeel a
Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde ‘plattelandswoningen’ die als plattelandswoning zijn aangewezen in het omgevingsplan.
Onderdeel b
Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het het omgevingsplan. In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan. Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft. Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder ‘Voormalige bedrijfswoningen’, en 8.1.3, onder ‘Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties’, van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
3.312 Lichtschittering: beperken van reflectie
Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, ‘Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van nietmetallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit 99 dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als een van deze artikelen in een specifiek geval niet toereikend is.
3.313 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, ‘Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van nietmetallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°. Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit 99 dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als een van deze artikelen in een specifiek geval niet toereikend is.
Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van ‘natte’ accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.316 Bodem: bodembeschermende voorziening
Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht. Als alternatief is de mogelijkheid geboden om de acculader op te stellen in een lekbak van voldoende grootte.
5.317 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 5.12, eerste lid, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.320 Informatieplicht: bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door de activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 4.6 en artikel 4.7
5.321 Lucht en geur: afvoeren emissies
Eerste lid
De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.
Tweede lid
Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door de activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 4.6 en artikel 4.7
Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.
Eerste lid
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
Tweede lid
Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht. Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.328 Informatieplicht: opslaan van vaste mest
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door de activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 4.6 en artikel 4.7
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
5.330 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.
Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor gelden gebiedsgerichte regels ter voorkoming van geurhinder.
In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf.
Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven en vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.335 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Eerste lid
De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd.
Tweede lid
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
5.336 Bijzondere aanvraagvereisten
In dit artikel is opgenomen welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie.
5.337 Beoordelingsegels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
In dit artikel is vastgelegd dat op het verlenen van een omgevingsvergunning de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing zijn. Dat zijn de generieke beoordelingsregels voor de milieubelastende activiteit.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges. Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door de activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 4.6 en artikel 4.7
5.341 Bodem: bodembeschermende voorziening
Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.
5.342 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
5.343 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.
5.344 Water: lozingsroute afvalwater bodembeschermende voorziening
Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid.
Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
de activiteit zelf en wat daarbij hoort;
de precieze plek en indeling van de activiteit; en
wanneer deze begint of wordt gewijzigd.
Er hoeft geen inschatting van de door de activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 4.6 en artikel 4.7
5.348 Bodem: bodembeschermende voorziening
Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. Aan het bevoegd gezag moet informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
5.350 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden. Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.
5.351 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.
Eerste lid
Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is. Het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.
Tweede lid
De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b. Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.
Derde lid
Hierin is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.354 Informatieplicht: voor het begin van de activiteit
Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt.
Eerste lid
De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.
Tweede lid
Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.
Derde lid
De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond, of als het graven in de bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.
Bij het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie.
Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.
5.355 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen. Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd.
De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Bal.
Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie.
Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.
5.356 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een 75 logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000. Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
Degene die op de locatie, bedoeld in Artikel 5.357 een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel.
Het Bkl, het Bal en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk, bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Dit artikel heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen.
Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht. Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
De regels zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid, de kwaliteit van de bodem, het voorkomen van verspreiding van verontreinigde grond, het behoud van de gebruikmsogelijkheden van de grond en het doelmatig beheer van afvalstoffen.
5.362 Nazorg na afloop na saneren van de bodem
Eerste lid
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder). Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen. Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift. De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Tweede lid
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
Eerste lid
Deze paragraaf gaat over het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem. De regels in deze paragraaf gaan dus niet over activiteiten in de waterbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Voor het toepassen van grond of baggerspecie op een waterbodem is het Hoogheemraadschap van Delfland het bevoegd gezag.
Tweede lid
De regels in deze paragraaf zijn volgens het tweede lid ook niet van toepassing op het tijdelijk uitnemen van grond. Bij de formulering van dit lid is aangesloten bij artikel 3.48o van het Besluitactiviteiten leefomgeving. Het tijdelijk uitnemen komt vooral voor bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering).
De oogmerken geven de achterliggende redenen aan met het oog waarop de regels over het toepassen van grond en baggerspecie in op of de landbodem zijn gesteld en dus welke belangen dienen te worden beschermd.
5.365 Aanwijzing geometrische begrenzing bodemfunctieklassen
Eerste lid
Met dit artikel wordt invulling gegeven aan artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van dat artikel moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in de bodemfunctieklassen ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Bij deze indeling is rekening gehouden met de functies die in het omgevingsplan aan de locaties zijn toegedeeld.
Tweede lid
De bodemfunctieklassen gelden niet voor de bodem en oever van oppervlaktewaterlichamen. Aan een oppervlaktewaterlichaam kan namelijk niet de bodemfunctieklasse ‘Landbouw/natuur’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ worden toegekend. Bovendien is voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen niet de gemeente maar de waterbeheerder bevoegd gezag. De wateren van een significante omvang zijn daarom uitgezonderd van het digitale werkingsgebied. Voor de kleinere watergangen leidt het “uitsnijden” uit de digitale werkingsgebieden tot zeer omvangrijke geometrische informatie-objecten, die de werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet kunnen belemmeren. De kleinere wateren zijn daarom niet uitgezonderd van het digitale werkingsgebied, maar vanwege het tweede lid heeft de opname in het digitale werkingsgebied geen juridische betekenis.
5.366 Maatwerkregel kwaliteitseisen toepassen grond en baggerspecie
Op grond van deze bepaling wordt, in afwijking van de algemene landelijke regels (artikel 4.1278 Bal), voor de kwaliteitseisen bij bodemtoepassingen in de regio Midden-Holland de lokale beleidsnotitie bodembeheer leidend verklaard. Dit is een dynamische verwijzing. Dat betekent dat als de beleidsnota wordt aangepast, de nieuwe beleidsnota wordt toegepast. Op dit moment is dat de Nota bodembeheer Midden-Holland 2023.
Deze paragraaf regelt het tijdelijk weghalen van grond tot maximaal twee meter diep bij werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg of reparatie van kabels, leidingen en rioleringen.
De oogmerken zijn de doelen ‘met het oog waarop’ de gemeente de regels in deze paragraaf heeft vastgesteld.
5.369 Terugplaatsen grond bij werk in kabel- en leidingtracés
Bij het tijdelijk uitnemen van grond moet de grond onbewerkt op of nabij het ontgravingsprofiel en onder dezelfde omstandigheden worden teruggeplaatst. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, mag de grond binnen deze milieubelastende activiteit worden teruggeplaatst. Als niet aan alle voorwaarden wordt voldaan, wordt het terugplaatsen beschouwd als een nieuwe toepassing, waarvoor de algemene regels uit het Bal gelden. Dit artikel bepaalt echter dat deze regel niet geldt als het tijdelijk uitnemen van grond gebeurt ten behoeve van de aanleg of reparatie van kabels, leidingen en rioleringen tot een diepte van twee meter. De grond hoeft dan niet in hetzelfde ontgravingsprofiel te worden teruggebracht.
Dit artikel bepaalt wie verantwoordelijk is voor het naleven van de onderhoudsplicht. Zowel de eigenaar als de gebruiker van de grond waarop de beplanting zich bevindt, moeten zorgdragen voor naleving. Daarmee wordt voorkomen dat onderhoudsverplichtingen worden ontlopen door onderscheid te maken tussen eigendom en gebruik.
8.2 Bestrijding van ongewenste planten
Dit artikel verplicht eigenaren en gebruikers om bepaalde ongewenste planten, zoals akkerdistel en Jacobskruiskruid, te verwijderen voordat zij tot bloei komen. Deze soorten zijn agressieve vaste planten die zich snel verspreiden via zaad of wortelstokken en schade of overlast veroorzaken aan omliggende gronden of gewassen. De verplichting voorkomt overwoekering en draagt bij aan een gezonde en veilige leefomgeving.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen om te bepalen hoe en wanneer gronden moeten worden gezuiverd van ongewenste planten. Dit biedt ruimte voor afstemming op lokale omstandigheden, zoals seizoensinvloeden of specifieke ecologische situaties.
Als het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een beschermd gemeentelijk monument of beschermd rijksmonument in behandeling neemt, moet door hem advies gevraagd worden aan de Adviescommissie omgevingskwaliteit. Nadat dit advies aan het college is uitgebracht moet hij ermee rekening houden dat artikel 4:7 of artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over het voornemen de beschikking af te geven dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de aanvrager en de belanghebbende worden gehoord. Deze kunnen naar keuze hun zienswijze naar voren brengen op grond van artikel 4:9 Awb.
Dit artikel bepaalt dat het college bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op archeologische waarden, een archeologisch deskundige moet raadplegen. Deze deskundige beoordeelt of het bij de aanvraag gevoegde rapport voldoende inzicht biedt in de aanwezige of verwachte archeologische waarden, en of de voorgenomen activiteit deze waarden kan aantasten. Door deskundige kennis te betrekken bij de besluitvorming wordt de zorgvuldigheid van het proces gewaarborgd en wordt voorkomen dat waardevol erfgoed onbedoeld verloren gaat.
Dit artikel regelt de bijzondere procedure voor kerkelijke monumenten. Omdat bij kerkgebouwen ook religieuze belangen spelen, mag het bevoegd gezag pas een beslissing nemen na overleg met de eigenaar. Wanneer de voorgenomen beslissing wezenlijke gevolgen heeft voor het gebruik van het gebouw voor godsdienst of levensovertuiging, kan alleen in overeenstemming met de eigenaar worden besloten. Zo wordt een zorgvuldige afweging gegarandeerd tussen de bescherming van het monumentale erfgoed en de vrijheid van godsdienst.
13.1 De procedures besluiten op aanvraag of ambtshalve
Dit artikel bevat het overgangsrecht voor procedures (zoals de behandeling van een aangevraagde omgevingsvergunning) die lopen tijdens de inwerkingtreding van een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 13.2. Het overgangsrecht geldt niet voor lopende handhavingsbesluiten; daarvoor is een specifieke regeling opgenomen in artikel 13.4 (lex specialis).
In het eerste lid is geregeld dat op alle lopende aanvragen het oude recht van toepassing blijft. Het oude recht betekent: het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de planwijziging. Bij bijvoorbeeld de integratie van een bestemmingsplan in het nieuwe deel van het omgevingsplan, houdt het oude recht dus in: het bestemmingsplan zoals dat direct voorafgaand aan de planwijziging gold in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Het tweede en derde lid bevatten het overgangsrecht voor ambtshalve besluiten (dus niet op aanvraag). Dat kunnen bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften zijn die op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden gesteld. Het aangrijpingspunt voor het overgangsrecht hangt af van de voorbereidingsprocedure. Bij de uitgebreide procedure is het overgangsrecht van toepassing op ambtshalve besluiten waarvan het ontwerpbesluit voorafgaand aan de planwijzing ter inzage is gelegd. Bij de reguliere procedure is het overgangsrecht van toepassing als voorafgaand aan de planwijziging aan de betreffende belanghebbende conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid is geboden om diens zienswijze naar voren te brengen.
Zodra het besluit van kracht wordt of, als beroep open staat, het besluit onherroepelijk is, geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in afdeling 13.2 en verder.
13.2 Overgangsrecht vergunningplichtige activiteiten
Dit artikel bevat het overgangsrecht voor vergunningen die golden direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 13.2. Het overgangsrecht voor lopende procedures is opgenomen in artikel 13.1.
Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, is de lijn in dit artikel dat vergunningen uit het verleden worden gelijkgeschakeld met het opvolgende besluit op grond van het gewijzigde omgevingsplan. Bij activiteiten die voorafgaand aan en na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan vergunningplichtig zijn, wordt de bestaande vergunning (bijvoorbeeld op grond van een verordening of op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan) gelijkgeschakeld met een omgevingsvergunning op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. Als de activiteit na de planwijziging niet meer vergunningplichtig is, worden de voorschriften van de bestaande vergunning gelijkgeschakeld met maatwerkvoorschriften op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan. In het algemeen bestaat de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen op grond van dit omgevingsplan. In specifieke gevallen kan deze bevoegdheid zijn uitgezet. Mocht dat het geval zijn, dan vervalt de oude vergunning en blijven de voorschriften niet als maatwerkvoorschrift voortbestaan.
13.3 Overgangsrecht meldingen, kennisgevingen en maatwerkvoorschriften
Dit artikel bevat het overgangsrecht voor andere besluiten of rechtsfeiten dan vergunningen, die golden direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 13.2. Het overgangsrecht voor lopende procedures is opgenomen in artikel 13.1.
Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, is de lijn in dit artikel dat besluiten of rechtsfeiten uit het verleden worden gelijkgeschakeld met het opvolgende besluit of rechtsfeit op grond van het gewijzigde omgevingsplan. Zo bepaalt het eerste lid dat meldingen en kennisgevingen die voorafgaand aan de planwijziging zijn ingediend, gelden als meldingen op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan, als de betreffende activiteit op grond van dat nieuwe deel meldingsplichtig is. Het tweede lid bepaalt hetzelfde voor activiteiten waarvoor op grond van het nieuwe deel een informatieplicht geldt. Het derde lid heeft betrekking op voorheen vergunningplichtige activiteiten, die na de planwijziging meldingsplichtig zijn. En het vierde lid bevat de gelijkschakeling van maatwerkvoorschriften die golden voorafgaand aan de planwijziging met maatwerkvoorschriften op grond van het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan.
13.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten
Dit artikel bevat het overgangsrecht voor handhavingsbesluiten die zijn genomen direct voorafgaand aan een wijziging van dit omgevingsplan. Het is een generieke overgangsregeling voor alle toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. De regeling sluit aan bij de algemene lijn voor overgangsrecht die het Rijk in de Invoeringswet Omgevingswet heeft opgenomen. Een generieke regeling heeft als voordeel dat er een standaard systematiek is voor het overgangsrecht, en dat er bij toekomstige planwijzigingen een basis ligt voor passend overgangsrecht. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn, zal er voor een planwijziging aanvullend overgangsrecht nodig zijn. Dat aanvullende overgangsrecht landt in afdeling 13.2.
Net als in de Invoeringswet Omgevingswet, blijft op handhavingsbesluit het oude recht van toepassing totdat het handhavingstraject volledig is afgerond. Het oude recht betekent: het recht zoals dat gold direct voorafgaand aan de planwijziging. Bij bijvoorbeeld de integratie van een bestemmingsplan in het nieuwe deel van het omgevingsplan, houdt het oude recht dus in: het bestemmingsplan zoals dat direct voorafgaand aan de planwijziging gold in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
13.5 Eerbiedigende werking bouwwerken
Het overgangsrecht in dit artikel sluit aan bij het overgangsrecht dat op grond van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening verplicht in bestemmingsplannen moest worden opgenomen. Het artikel regelt dat bestaande, legale bouwwerken (of bouwwerken die in aanbouw zijn of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend) mogen blijven bestaan en mogen worden herbouwd, vernieuwd of veranderd, ook al past het bouwwerk niet in het gewijzigde omgevingsplan. Voorwaarde is dat de afwijking van de omgevingsplanregels bij het bouwen niet verder worden vergroot.
13.6 Eerbiedigende werking activiteiten met gebruiksruimte
Het overgangsrecht in dit artikel sluit aan bij het overgangsrecht dat op grond van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening verplicht in bestemmingsplannen moest worden opgenomen. Het artikel regelt dat bestaande, legale activiteiten met gebruiksruimte mogen worden voortgezet, ook al zijn ze in strijd met de regels in het nieuwe deel van het (gewijzigde) omgevingsplan over dergelijke activiteit. Voorwaarde is dat de activiteit niet wordt gewijzigd in een andere activiteit met gebruiksruimte. Zo mag een bestaande detailhandelsactiviteit dus wel worden aangepast, maar mag op de betreffende locatie niet een horeca-activiteit worden gestart. In de specifieke regels van afdeling 5.3 van dit omgevingsplan kunnen afwijkingen op dit overgangsrecht worden opgenomen (lid 4).
13.7 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan
In dit artikel zijn voorrangsbepalingen opgenomen voor thematische activiteiten die met de basisregeling van het Omgevingsplan Bodegraven-Reeuwijk zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Die regels hebben voorrang op het tijdelijke deel van het omgevingsplan (met name de regels van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en vergelijkbare ruimtelijke besluiten). In het eerste lid is bepaald dat de regels over het bouwen en in stand houden van bouwwerken in het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet meer gelden, voor zover in paragraaf 4.2.1 (thema bouwwerken) regels zijn opgenomen. In die afdeling worden ruimtelijke bouwactiviteiten geregeld, met verwijzing naar hoofdstuk 5.2. In het tweede lid is bepaald dat de regels over het maximaal aantal woningen wel van toepassing blijven. De reden hiervan is dat deze regels nog niet zijn omgezet in de genoemde paragrafen.
Het derde lid bepaalt dat de regels over andere activiteiten dan het bouwen en in stand houden van bouwwerken (dus met name de regels over het gebruiken van gronden en bouwwerken) niet van toepassing zijn voor zover daarover regels zijn gesteld in Paragraaf 4.2.1 tot en met Paragraaf 4.2.6. Dat zijn onder andere activiteiten als het wijzigen van woonruimte, het veranderen van monumenten, het kappen van bomen, parkeren en activiteiten in archeologisch waardevol gebied. Regels over deze activiteiten uit onder meer paraplubestemmingsplannen gelden dus niet meer.
De reden voor deze voorrangsbepaling is dat bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten nog niet volledig zijn omgezet met de basisregeling. De regels over activiteiten met gebruiksruimte (zoals horeca-activiteiten, bedrijfsmatige activiteiten, maatschappelijke activiteiten, etc.) zullen pas met latere gebiedsgerichte wijzigingsbesluiten worden omgezet naar het nieuwe deel. Als dat is gebeurd, kan de zogeheten 'pons' worden gezet en zijn alle regels uit bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten niet meer van toepassing. Deze voorrangsbepaling kan op dat moment ook vervallen.
13.8 Beperking werkingsgebied bruidsschat
Afdeling 22.2 is alleen van toepassing in werkingsgebied Bruidschat bouwen.
In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.
Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:
voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en
de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.
Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als paragraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar Artikel 22.60 Geluid: onderzoek van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:
paragraaf 22.3.2 Energiebesparing
paragraaf 22.3.3 Zwerfafval
paragraaf 22.3.4 Geluid
paragraaf 22.3.5 Trillingen
Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel
Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton
Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 en Artikel 22.295.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg, Artikel 22.277 Toepassingsbereik, Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk en Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat – zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt – die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de artikelen 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Hoewel de achtergrond van de artikelen 22.2 en 22.3 vergelijkbaar is, heeft artikel 22.3 een iets andere opzet dan artikel 22.2. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in artikel 22.3 voor gekozen om de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is artikel 22.12 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.
Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil
In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.
De regels in deze paragraaf gaan over bouwwerken. Zij hebben een relatie met de omgeving waarin dit bouwwerk zich bevindt. De regels over aansluitingen op de diverse distributienetten en waterafvoervoorzieningen en over voorzieningen in het kader van hulpverlening kunnen gezien deze relatie met de omgeving waarin het bouwwerk zich bevindt goed in het omgevingsplan geregeld worden. Als er bijvoorbeeld geen distributienet binnen een bepaalde afstand aanwezig is, kan een bouwwerk daar niet op worden aangesloten. Ook de invulling van de manier waarop in bluswater kan worden voorzien en waar een opstelplaats voor een brandweerwagen het beste kan worden gerealiseerd, is sterk afhankelijk van lokale omstandigheden om het bouwwerk heen. Vanwege deze relatie met de omgeving, het feit dat de inhoud van de regels verder strekt dan alleen het bouwwerk zelf en om geen gat te laten vallen in de verplichtingen zoals die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn deze regels voortaan opgenomen in dit omgevingsplan.
Opgemerkt wordt dat het afsluiten van gebouwen van het distributienet voor gas en aansluiten op een alternatieve warmtevoorziening één van de onderdelen is van de energietransitie in de gebouwde omgeving, en als zodanig is benoemd in het Klimaatakkoord gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord zal in de komende periode worden uitgewerkt, waarbij wordt bezien welke rol wet- en regelgeving kan spelen om te komen tot het afsluiten van gebouwen van het aardgas en het aansluiten op duurzame energiebronnen. Deze nieuwe regels zouden worden gesteld met als doel het fossielvrij maken van de energievoorziening in de gebouwde omgeving, en hebben daarmee dus een ander oogmerk dan de in dit omgevingsplan opgenomen aansluitplichten die met het oog op veiligheid en in gevallen gezondheid zijn gesteld. Regels over de aansluiting op aardgas met het oog op bescherming van het milieu en klimaat zullen in de toekomst mogelijk in het Bbl opgenomen gaan worden en waar nodig voorzien van gemeentelijke maatwerkmogelijkheden. Daarnaast zullen er in hetzelfde kader mogelijk regels gesteld gaan worden over de aansluiting van bestaande bouwwerken op warmtenetten, deze regels strekken verder dan de aansluitplicht voor nieuwe gebouwen zoals deze in artikel 22.10 is opgenomen. Het is goed mogelijk dat gemeenten na aanpassing van deze algemene rijksregels, al dan niet met maatwerkmogelijkheden voor gemeenten, de regels in het omgevingsplan daar op moeten afstemmen of de geboden maatwerkmogelijkheden zullen gaan benutten. De regels in deze afdeling zullen dus naar verwachting de komende jaren ook lokaal ingezet kunnen gaan worden om de energietransitie op onderdelen te instrumenteren.
Artikel 22.7 Repressief welstand
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.
Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7, tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 22.29, tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29.
Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling «aansluitafstand».
De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.
Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.
Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo’n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.
De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht.
Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.
Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 22.10, eerste lid, is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend.
Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater
Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.
Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.4. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van artikel 22.4 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.
In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.
Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.
De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien.
Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.
Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.
Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld.
De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.
Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s of andere objecten.
Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.
In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.
In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.
Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.
Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.
De regels in het Bbl beperken zich voor zover het gaat om het gebruik van bouwwerken tot brandveilig gebruik en enkele kleine en afgebakende aspecten van gezondheid (concentraties asbest en formaldehyde) en energiebesparing. Die onderwerpen zijn daarin uitputtend geregeld, zodat de gemeente daarover in het omgevingsplan geen regels kan stellen. Overige aspecten van gebruik kunnen wel in het omgevingsplan worden geregeld. De artikelen over overbewoning en gebruik van een bouwwerk in de buurt van een bouwvallig pand die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn voorbeelden van zulke andere aspecten van gebruik die voortaan in dit omgevingsplan kunnen worden geregeld.
Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.
Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Door opname van dit onderdeel in de omgevingsplanregels van rijkswege kunnen gemeenten bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering.
Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo’n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG).
Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.
De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.
De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.
De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.
Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:
als sprake is van geluidhinder;
als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;
als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;
als sprake is van een illegale hennepkwekerij;
als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);
als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.
Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.
Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.
Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 22.2.1 is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.
In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling «stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn» van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.
In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 22.2.1. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.
Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld «ontvlambaar») en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld «niet roken tijdens het gebruik»).
In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).
Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.
Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.
Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.
In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.
Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.
Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.
De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.
De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.
De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.
Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:
als sprake is van lawaaihinder;
als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;
als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;
als sprake is van een illegale hennepkwekerij;
op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);
als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.
Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.
Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk
Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).
Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en-keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl1.
Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.
In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m2 bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in artikel 22.27, onder a en b, van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar artikel 22.28, vierde lid, van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.
Zie voor de systeembeschrijving van de vergunningplichten voor het bouwen ook afdeling 3.2 van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet.
Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen
De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten.
In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden, tenzij voor huisvesting in verband met mantelzorg.
In dit artikel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. De in deze afdeling genoemde waarden worden gemeten conform dit artikel.
Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt.
Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel 22.27, aanhef en onder a, of 22.36, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In artikel 22.27 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In artikel 22.36 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. De artikelen 22.28 en 22.38 bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.
Artikel 22.27 Uitzondering op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.
Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.
Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.
Artikel 22.28 Inperking artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed
Artikel 22.28 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28, vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 22.28, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 22.28, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.
In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikelen 22.26 en 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.
Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).
Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.
In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).
In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.
Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen
Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.
De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Op grond van artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.
Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.
Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.
Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.
Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.
De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.
Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.
Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.
De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.
Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.
Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als:
gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of
woonschip of woonwagen.
Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).
Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit artikel 22.29, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.
In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.
Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.
Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in artikel 22.33, eerste lid, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.
In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.
Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).
Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in artikel 22.26. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.
Op het verbinden van deze voorschriften is artikel 22.303,, van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 22.284, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar Artikel 22.303 en de toelichting daarop.
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.
Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 22.29, derde lid, en 22.30).
Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.
§ 22.2.7.3 Aanwijzing activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan
In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met artikel 22.27, waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in artikel 22.26, is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in artikel 22.27. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.
Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit artikel 22.7. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.
Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit artikel 22.26 op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in artikel 22.27. De aanwijzing in artikel 22.36 leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen
Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.
Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed
Dit artikel bevat uitzonderingen en randvoorwaarden voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in artikel 22.36. Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.
Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid
Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.
De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.
Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.
Bij de opsomming van activiteiten in artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten.
Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Met dit artikel wordt gecodificeerd dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht in de bruidsschat voor de bouwactiviteit ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. In paragraaf 3.2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is hierop ingegaan. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op. Ook bij het vaststellen van nieuwe regels over bouwwerken in het omgevingsplan ligt het, zoals al toegelicht in paragraaf 3.2.2, in de rede dat wordt gekozen voor eerbiedigende overgangsbepalingen. In het nieuwe stelsel wordt het echter mogelijk om onder omstandigheden ook minder eerbiedigende vormen van overgangsrecht te kiezen.
In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele afdeling 22.3.
Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.
In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 22.18). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in Paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.
Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de 22.45 Maatwerkvoorschriften.
Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.
Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.
De regels van deze afdeling zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 over de normadressaat van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.
De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.
Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.
De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal2.
Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:
de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;
de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;
de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;
de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en
de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.
Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.
Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.
Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.
Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.
Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.
Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.
Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 22.44. Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling.
Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit artikel 22.42 en mag daar niet mee in strijd zijn.
Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.
Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden
Als op grond van een paragraaf in deze afdeling van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.
Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
Het eerste lid van artikel 22.47 regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.
Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Zie de artikelsgewijze toelichting op die artikelen voor verdere uitleg over «ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu» en «ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu». Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.
Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.
De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.
Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.
Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.
Artikel 22.51 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.
De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.
Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.
De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.
Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.
Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52, vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52a, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 of 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.
De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.
Artikel 22.52 Energie: maatregelen
Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.
Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.
Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.
Het vijfde en zesde lid bevatten overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.
Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In het zesde lid zijn in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het vijfde lid, het eerste tot en met vierde lid op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.
Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.
Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.
Het Bal regelt een groot aantal handelingen met afvalstoffen. Zie onder andere paragraaf 3.2.13 (Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte) en paragraaf 3.5.11 (Verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen).
De voorschriften van afdeling 2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de daarbij behorende onderdelen van de Activiteitenregeling milieubeheer, die niet zijn opgegaan in het Bal zijn terecht gekomen in deze paragraaf van het omgevingsplan. Dit is alleen de bepaling over zwerfafval.
Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil
Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten.
De voorrangsbepaling van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.
Immissiewaarden versus emissiebeperkende maatregelen
Deze paragraaf bevat regels die zien op de immissie van het geluid, veroorzaakt door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Voor enkele milieubelastende activiteiten zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat dat besluit regels om geluidemissie te voorkomen. Bijvoorbeeld een verplichting om de werkzaamheden binnen uit te voeren. Voor de milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in het Bal, zijn in dit omgevingsplan geen emissiebeperkende maatregelen opgenomen. Als het opleggen van (extra) maatregelen ter voorkoming van geluidemissie nodig is, dan kan dit met een maatwerkvoorschrift.
Vergunningplichtige activiteiten en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening
De geluidparagraaf geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen. Wel is er in artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan een voorrangsbepaling opgenomen voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend.
De geluidparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geluidnormen en andere geluidvoorschriften opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten.
Voor het vaststellen van geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning werd meestal de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gebruikt. Voor zowel vergunningverlening als het stellen van maatwerkvoorschriften bevat deze handreiking informatie. De handreiking bevat (onder meer in hoofdstuk 4) ook nu nog informatie die kan helpen bij het stellen van regels in het omgevingsplan of voorschriften voor activiteiten.
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.
Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de Tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.
Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.
Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.
Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.
Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte
Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.
Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.
Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.
In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.
Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.
In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.
Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.
Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.
Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.
Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:
Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.
Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.
De uitzondering in artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.
Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.
De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.
Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.
Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.
Geluidgevoelig gebouw | Activiteiten | |
al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet | nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet | |
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing |
in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing |
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing |
in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing | de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing |
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.
Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de Derde lid.
Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.
Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit.
Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming «gevoelige terreinen» gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt.
In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als «drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip».
In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.
Artikel 22.58 Geluid: functionele binding
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
Artikel 22.60 Geluid: onderzoek
Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.
De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien.
In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.
Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden
Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.
Het derde tot en met zevende lid hebben als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en het eerste en tweede lid van dit artikel of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61, zesde en zevende lid, van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
§ 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.
Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt.
Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.
Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.
In het toepassingsbereik worden windparken met 3 of meer windturbines expliciet uitgesloten, omdat zij ook niet vallen onder paragraaf 22.3.4.3 over het geluid door windturbines.
Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden.
In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.
Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.
In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.
Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.
Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak een inrichting voor verkoop van brandstoffen aan derden zijn. Door het vervangen van het begrip Wet milieubeheer- inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor is het tankstation nu omschreven als het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidregime met afwijkende dagperioden voor tankstations. Wel zijn er op grond van de flexibiliteitsbepalingen van deze instructieregels mogelijkheden om in het omgevingsplan rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het geluid bij een tankstation, zoals de pieken bij dichtslaan van autoportieren, als het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen maar aanvaardbaar is en er voldaan wordt aan de grenswaarden in het Bkl. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.
Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.
Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.
In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.
Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1, de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.
Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:
Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.
In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.
Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.
In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld
Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, zesde lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De begrippen glastuinbouwbedrijf en glastuinbouwgebied worden in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat dan respectievelijk om een activiteit die in de kern bestaat uit het in een kas telen van gewassen en een cluster aaneengesloten percelen voor glastuinbouwbedrijven.
De instructieregels van het Bkl kennen voor geluid door glastuinbouwbedrijven niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.
Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening
In artikel 2.17, zevende lid, juncto 2.17a, vijfde lid, en de artikelen 2.18, vijfde lid, en 2.19a, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening hogere of lagere normen te laten gelden, dan de standaardnormen. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening) nog gelden. Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening van dit omgevingsplan zorgt ervoor dat de waarden uit die verordening, voorrang hebben op de waarden zoals opgenomen in dit (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan.
Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het in de artikelen 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingssplan zijn toegelaten èn voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.
Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking
Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde «8.40-AMvB’s» die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 22.3.1 (standaard) en tabel 22.3.7 (glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.
Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.
De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.
Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.
Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.
Eerste lid, onderdelen b tot en met e
Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.
Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.
Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.
Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.
In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.
Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 m geldt altijd, ongeacht of er een geluidgevoelig gebouw (buiten het gezoneerd industrieterrein) op minder dan 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is gelegen.
Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond
Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen, het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.
Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van artikel 22.45 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.
Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten
In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.
Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.
Artikel 22.75 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is een voorzetting van de regeling voor geluid veroorzaakt door windturbines uit paragraaf 3.2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Deze paragraaf is niet van toepassing op nieuwe windparken met 3 of meer windturbines.
Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.
Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in Artikel 22.60 Geluid: onderzoek.
Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.
§ 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen
Artikel 22.79 Toepassingsbereik
De regeling voor buitenschietbanen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is overgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege. Hierdoor ontstaat bij de invoering van de Omgevingswet geen rechtsvacuüm voor buitenschietbanen. Hoewel het toepassingsbereik in dit artikel iets anders wordt verwoord dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is geen beleidswijziging beoogd. Hieronder vallen dus nog steeds de civiele en militaire schietbanen, en het kleiduivenschieten, dat ook een civiele buitenschietbaan is waar met vuurwapens wordt geschoten. Daarnaast is het toepassingsbereik uitgebreid met militaire springterreinen. Geluid door militaire springterreinen werd onder het oude recht geregeld in de omgevingsvergunning voor milieu. In de Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen staat een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor buitenschietbanen.
Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen
In bijlage I bij het Bkl wordt het geluid Bs,dan gedefinieerd als: geluid op een plaats over alle dag-, avond- en nachtperioden van een jaar, berekend in overeenstemming met de bij ministeriële regeling aangewezen berekeningsmethode voor schietgeluid.
Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.
Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.
In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van Artikel 22.60 Geluid: onderzoek van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.
In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.
Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor geluid in paragraaf 6.2.1.
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
In artikel 22.83, tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.
Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.
Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog «binnen» de activiteit.
Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit.
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.
Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:
Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.
Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.
Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen
Deze meet- en rekenvoorschriften voor trillingen worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan zijn dus in principe geen verwijzingen nodig naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is in dit geval wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor trillingen.
In paragraaf 22.3.6 wordt qua vorm zoveel mogelijk aangesloten bij die van de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 22.41, van dit omgevingsplan vallen.
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:
een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en
een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.
Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.
Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.
Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.
In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.
Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:
het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of
het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;
beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.
Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
Geurgevoelig gebouw of object | Activiteit |
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd | de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd | de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. | de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing |
geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar. | de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing |
Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden
Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).
Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.
Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.
Artikel 22.93 Geur: functionele binding
Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.
Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
De bepalingen in deze paragraaf van het tijdelijke deel van het omgevingsplan stellen waarden of minimumafstanden voor geur voor een individuele activiteit. In de paragrafen voor het houden van landbouwhuisdieren gaat het om een waarde of minimumafstanden voor een individuele veehouderij en alleen vanwege dierenverblijven. Hierbij is geen rekening gehouden met cumulatie van geur, veroorzaakt door meerdere veehouderijen in een gebied of cumulatie door meerdere bronnen binnen de veehouderij. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Bal is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij niet-vergunningplichtige veehouderijen kunnen strengere eisen zo nodig in een maatwerkvoorschrift worden vastgelegd.
Bij het opnemen van omgevingsplanregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl, cumulatie betrokken worden. Dat kan leiden tot strengere regels in het nieuwe deel dan de regels van het tijdlijke deel. Als in het nieuwe deel van het omgevingsplan waarden worden opgenomen waarbij cumulatie al is meegewogen, zal bij het verlenen van de omgevingsvergunningen in beginsel geen noodzaak bestaan om in de vergunning strengere eisen op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat in situaties waarin er een vergunningplicht voor een veehouderijen op grond van het Bal geldt, ook het nieuwe deel van het omgevingsplan expliciet uit zal gaan van geurhinder als gevolg van de geurbelasting door de individuele activiteit, en de beoordeling van cumulatieve geurbelasting overlaat aan het traject van vergunningverlening. In dat geval zullen omgevingsvergunningen in cumulatieve situaties strengere eisen kunnen bevatten.
§ 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf.
Bij de indeling van de paragraaf is in hoofdlijnen de structuur van paragraaf 5.1.4.6.3 «Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf» van het Bkl gevolgd. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De paragraaf stelt regels voor:
Verhouding Activiteitenbesluit milieubeheer en Wet geurhinder en veehouderij in dit omgevingsplan.
Deze paragraaf is de voortzetting van de artikelen 3.115 tot en met 3.121 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de regels van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.
Tussen bovenstaande regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, bestonden enkele kleine inhoudelijke verschillen. Zo is de zogenaamde 50%-regeling in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vereenvoudigd ten opzichte van die in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Voor deze paragraaf van het omgevingsplan is aangesloten bij de inhoud van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is artikel 3.116, derde lid, uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer in deze omgevingsplanregels van rijkswege overgenomen. Zo’n bepaling kende de voormalige Wet geurhinder en veehouderij niet.
Vergunningplichtige activiteiten
De regels van deze paragraaf gelden voor alle activiteiten die vallen onder artikel 22.41 van dit omgevingsplan, waaronder milieubelastende activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaande omgevingsvergunningen voor milieu op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden die gehouden worden voor het berijden in dierenverblijven hun gelding houden. Dat geldt ook voor de zogenoemde verleende omgevingsvergunningen beperkte milieutoets. De waarden en afstanden in deze paragraaf gelden alleen voor het beginnen met of wijzigen of uitbreiden van een dierenbedrijf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang het bedrijf niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Ook is voor deze paragraaf de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan van belang. Op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij hebben veel gemeenten in een zogenoemde geurverordening, concentratiegebieden aangewezen of andere waarden of afstanden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren dan de waarden of afstanden in deze paragraaf van het omgevingsplan. Deze geurverordening maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Omgevingswet, deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Op grond van artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan, gelden die andere waarden of afstanden uit de geurverordening in plaats van de waarden of afstanden in deze paragraaf.
Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.
Het gaat in deze paragraaf dus om:
landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:
zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en
paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder Paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden
De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.
Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:
In Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.
Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.
De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.
Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip «bebouwde kom» was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1, eerste lid, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.
Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden. De standaardwaarden uit Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.
In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.
Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.
Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.
Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.
Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten
In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden en Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden voldaan worden.
Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1 bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand.
In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.
Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf
Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden gelden en naast de afstanden die op grond van de Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten en Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.
Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf
In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 22.3.6.4 geregeld.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.
Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt Artikel 22.240.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf 22.3.6.4 geregeld.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand
Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m3. Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.
Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet.
Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.
In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen van dit omgevingsplan.
De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.
Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.
Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand
Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen.
Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid.
Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal.
Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie.
Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:
Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.
Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.
Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
Artikel 22.121 Toepassingsbereik
Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal.
De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.
Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van paragraaf 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.
Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.
Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.
De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.
In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 «Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur». Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten
De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking
Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in artikel 22.120, eerste lid. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120, eerste lid blijft.
Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.
Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt Artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).
Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.
Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.
De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.
Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).
Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via Artikel 22.127 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.
In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet.
Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende – in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit – geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet.
Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming.
Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven. Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.
In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.
In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.
Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.
In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.
Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.
De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.
Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.
De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.
De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.
Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond
Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.
Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.
Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven
Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.
Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.
§ 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Artikel 22.131 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.
Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen
Degene die op de locatie, bedoeld in Artikel 22.131, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.
Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).
Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.
Artikel 22.132 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.
Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.
Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.
Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.
Artikel 22.137 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.
Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.
Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.
Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen
Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.
Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.
Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering
Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
§ 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening
Artikel 22.142 Toepassingsbereik
Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.
Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden
Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.
Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater
De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.
In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.
De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Artikel 22.145 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.
Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.138 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Artikel 22.147 Geen voedselvermaling
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.
Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.
Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater
In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.
Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.
De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.
Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.
Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Artikel 22.151 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal
Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.
Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.
Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.
Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.
De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:
De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij
L = lozingsdebiet (m3/s).
∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.
W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.
Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.
Artikel 22.154 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.
Artikel 22.155 Periodiek reinigen
Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.
Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.
Artikel 22.156 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.
Artikel 22.157 Inerte goederen
Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.
Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 22.159 Lozen bij overslaan van inerte goederen
In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.
Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.
De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.
Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen
In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool «uit te zetten». Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.
Artikel 22.162 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA’s. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.
Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel
In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.
De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.
Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen
Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel.
Artikel 22.165 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.
Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen
Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.
Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.
Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).
Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Artikel 22.167 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.
Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen
Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.
Artikel 22.170 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.
Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas
Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.
Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.
De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.
De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.
Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw
Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 «uit te zetten». Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.
Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.177 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.181 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.
Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.
Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.
Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.185 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.
Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze – afhankelijk van de vraag – uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.
De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.
Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:
Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 22.48 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.
Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 22.46 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 22.47 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.
Artikel 22.187 Water: lozingsroute
Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.
Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.
Artikel 22.188 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de «ouderwetse», chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.
Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.
Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.
Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.192 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.
Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.
Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.
Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194,, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.
Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.
Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.
Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.196 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.
Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.
Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.
Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.
Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.
Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.
Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.
Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.45 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.
Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.
Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.
Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
Artikel 22.200 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.
Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.
Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.
Artikel 22.202 Toepassingsbereik
Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in artikel 22.202, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.
Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.
Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.
Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.
Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.
Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.
Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 22.202 verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast.
Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit.
Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:
Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.
Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.
De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.
De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.
Artikel 22.214 Toepassingsbereik
Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschitteringveroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen.
Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.
Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.
Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark met 3 of meer windturbines valt niet onder deze paragraaf.
In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:
het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of
het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;
beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.
Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.
Slagschaduwgevoelig gebouw | Activiteit |
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd | de regel voor slagschaduw is niet van toepassing |
in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd | de regel voor slagschaduw is wel van toepassing |
slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar | de regel voor slagschaduw is wel van toepassing |
slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar | de regel voor slagschaduw is niet van toepassing |
Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in Artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.
Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding
Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.
Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw.
Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.
Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).
Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan.
Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.
Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl.
Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en 8.1.3, onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.
Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie en artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden
Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.
Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als Artikel 22.219 of Artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.
Artikel 22.221 Toepassingsbereik
Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van «natte» accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.
Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.
Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening
Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Artikel 22.224 Toepassingsbereik
Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.
Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.
De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.
Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.
Artikel 22.227 Toepassingsbereik
Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.
Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:
Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten.
Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten.
Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.
Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.
Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid
Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.
Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.
Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico’s van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de «onveilige zone».
Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.
In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.
Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.
De kogelvanger, bedoeld in Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).
Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen.
Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.
Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast.
Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit.
Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.
Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:
Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.
Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.
Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal.
De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.
Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.
Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:
de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;
de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of
de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.
Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.
Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
Artikel 22.237 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.
Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In Artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.
Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Artikel 22.244 Water: lozingsroute
Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.
Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand en verder.
Artikel 22.246 Toepassingsbereik
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.
Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).
Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.
Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.
Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met Artikel 22.250.
Artikel 22.252 Toepassingsbereik
Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.
Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit paragraaf 22.3.6.2 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden).
Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.
Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.
Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
Zie de 22.186 Gegevens en bescheiden voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.
De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.
Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.
Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.
Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden.
Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.
Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.
Artikel 22.258 Toepassingsbereik
In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf.
Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven en vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling.
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.
Op grond van Artikel 22.258 Toepassingsbereik geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.
De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.
Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk.
Op grond van Artikel 22.258 Toepassingsbereik geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3.
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal.
Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
De belangrijkste reden voor het opnemen van een vergunningplicht voor deze activiteit is de ruimtelijke inpassing van de activiteit op een locatie vanuit het oogpunt van de veiligheid.
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.
Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.
Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.
Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.
De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn.
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.
Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.
Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.
Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten
Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).
Eerste lid
Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.
In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Tweede lid
Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.
Derde lid
Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.
Eerste lid
Dit bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen die zijn verweven of gebundeld met wegen. De aanwijzing is gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder, waarbij de begripsbepalingen «bebouwde kom», «buitenstedelijk gebied» en «stedelijk gebied» uit artikel 1 van die wet zijn uitgeschreven in de artikeltekst. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.
Tweede lid
Dit lid bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor vrijliggende spoorwegen. De aanwijzing is afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Daar was een tabel van lokale spoorwegen opgenomen met voor alle spoorwegen een geluidzone van 100 meter aan weerszijden van het spoor, met uitzondering van drie in tunnels gelegen metro’s waar de geluidzone 25 meter bedroeg. Hier is de afstand niet in een tabel opgenomen, maar in tekst uitgewerkt, omdat het tijdelijke deel van dit omgevingsplan immers, anders dan een ministeriële regeling, niet kan worden aangepast als er nieuwe spoorwegen worden aangelegd. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.
Derde en vierde lid
Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.
Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de 22.274 Aanvraagvereiste binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg is ingegaan op de achtergrond hiervan.
Artikel 22.277 Toepassingsbereik
Deze paragraaf bevat een aantal bepalingen die verband houden met vergunningplichten en daarop betrekking hebbende beoordelingsregels voor activiteiten die onderdeel kunnen zijn van op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening geldende planologische regelingen. Deze regelingen behoren onder het stelsel van de Omgevingswet tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Het betreft de vergunningenstelsels voor het slopen van bouwwerken (sloopactiviteiten) en het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden (aanlegwerkzaamheden). Ook bevat deze paragraaf bepalingen met betrekking tot in het tijdelijke deel opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van bepaalde regels af te wijken.
De bepalingen in deze paragraaf gelden als aanvullend op wat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, al voor die activiteiten kan zijn geregeld en zijn nodig om een goede overgang van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet te bewerkstelligen.
Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
Wat in artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht identiek aan de werking van artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 22.33.
Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk
In Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk hierop aanvullend.
Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm «gevangen» onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet van dit omgevingsplan geregeld. Met Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.
Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen
Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen moet worden gelezen in samenhang met Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
Artikel 22.282 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht.
Artikel 22.283 Toepassingsbereik
Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.
De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.
In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.
De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.
De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.
De Artikel 22.287 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van Artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De Artikel 22.287 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 22.2 van dit omgevingsplan.
Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.
Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).
Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.
In Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:
activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;
het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;
het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;
het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;
het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.
Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).
De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.
Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.
§ 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid.
Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).
Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.
Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk
Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.
§ 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan
Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.
Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
§ 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet
Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.
Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).
Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.
Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.
Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.
Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
Ook kan het gaan om:
het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
het wijzigen van het grondwaterpeil,
het winnen van grondstoffen,
agrarische grondwerkzaamheden, en
activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.
In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.
Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.
Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.
Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.
Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.
Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.
In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.
Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.
Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.
Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.
Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).
In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.
Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.
Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 22.288.
Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.
De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto’s moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.
Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.
Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.
Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.
De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument.
Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).
Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada3 voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.
De foto’s in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.
Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen
Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.
Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).
De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.
Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.
Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.
Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.
Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in Artikel 22.290 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit Artikel 22.290 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.
Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument.
Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.
Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.
Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de Artikel 22.290, Artikel 22.291 en Artikel 22.292. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument
In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van de Artikel 22.287 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.
Artikelen 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.
Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
Artikelen 22.297 tot en met 22.301 Omgevingsplanactiviteit: uitweg, alarminstallatie, vellen van houtopstand, handelsreclame en opslaan roerende zaken
Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.
§ 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht
Zoals hiervoor al 22.283 Toepassingsbereik gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.
Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.
In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid -ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.
Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.
Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.
Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.
Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.
Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.
Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.
In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.
In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
/join/id/pubdata/gm1901/2025/6361d550434b43a784d795695e79cadc/nld@2026‑03‑18;2
/join/id/pubdata/gm1901/2025/9067542f6296486581dc1358e566db5f/nld@2026‑03‑18;2
/join/id/pubdata/gm1901/2026/f8e4a3f1cbd1420ab51ba8ab0264b624/nld@2026‑03‑18;1
/join/id/pubdata/gm1901/2025/888a7de19957403192ef99eb45b911c2/nld@2026‑03‑18;3
/join/id/pubdata/gm1901/2026/72ac111290fa48798a9386bc3b0cd675/nld@2026‑03‑18;3
/join/id/pubdata/gm1901/2026/27f69eefc3a94b6a9544ac6f1e820489/nld@2026‑03‑18;3
/join/id/pubdata/gm1901/2026/0526ca55ecc242558986de60efbbe7e5/nld@2026‑03‑18;1
/join/id/pubdata/gm1901/2026/6eba39fb5ce74276abc1dae9f464693b/nld@2026‑03‑18;1
/join/id/pubdata/gm1901/2026/84fa20ad53ea449d8b55d73ca610efae/nld@2026‑03‑18;1
Stb. 2018, nr. 292, p. 384 e.v. Terug naar link van noot.
Stb. 2018, 293, p. 526–527. Terug naar link van noot.
Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-132501.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.