Gemeenteblad van Capelle aan den IJssel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Capelle aan den IJssel | Gemeenteblad 2026, 132068 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Capelle aan den IJssel | Gemeenteblad 2026, 132068 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Referendumverordening Capelle aan den IJssel 2026
De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 februari 2026;
gezien het advies van de Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen van 23 februari 2026;
gelet op artikel 149 Gemeentewet;
met inachtneming van de aangenomen amendementen ‘Maak buurtreferenda op initiatief van Capellenaren mogelijk’, ‘Schrapping weigeringsgrond algemeen belang’ en ‘Een advies heeft geen geldigheidsdrempel nodig’;
vast te stellen de Referendumverordening Capelle aan den IJssel 2026
Artikel 2. Referendabele besluiten
Concept raadsbesluiten kunnen onderwerp zijn van een referendum, met uitzondering van besluiten:
Artikel 5. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
In afwijking van het eerste lid ontvangen de leden van de referendumcommissie een aanvullende vergoeding voor hun werkzaamheden ten tijde van het referendum. Over de hoogte van de vergoeding en het budget voor de werkzaamheden daarvoor besluit de raad als onderdeel van het in artikel 11, eerste lid, bedoelde budget.
HOOFDSTUK 2. HET RAADPLEGEND REFERENDUM
Artikel 7. Initiatiefvoorstel raad
Indien de raad besluit tot het houden van een raadplegend referendum, wordt het betreffende raadsvoorstel vervolgens op gangbare wijze behandeld met dien verstande dat het concept raadsbesluit, zoals dat luidt na verwerking van de door de raad aanvaarde amendementen, niet in stemming wordt gebracht, maar wordt aangehouden.
HOOFDSTUK 3. HET RAADGEVEND REFERENDUM
Het inleidend verzoek moet worden ondersteund door ten minste 70 personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat het formulier, bedoeld in het negende lid, wordt verstrekt. Deze personen plaatsen daartoe hun handtekening onder het verzoek. Elke handtekening gaat vergezeld van de daarbij behorende naam, adres, postcode en woonplaats.
Als de raad heeft besloten om de gelegenheid te bieden tot het indienen van een definitief verzoek, wordt het betreffende raadsvoorstel op de gangbare wijze behandeld, met dien verstande dat het concept raadsbesluit, zoals dat luidt na verwerking van de door de raad aanvaarde amendementen, niet in stemming wordt gebracht maar wordt aangehouden.
Een definitief verzoek tot het houden van een raadgevend referendum moet worden ondersteund door ten minste 1.600 personen die kiesgerechtigd zijn op de dag dat de raad heeft besloten dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd. Deze personen plaatsen daartoe hun handtekening op de daartoe door de griffie verstrekte papieren of digitale handtekeningenlijsten. De handtekeningen van het inleidend verzoek tellen niet mee voor het definitief verzoek.
Gedurende zes weken zijn de digitale handtekeningenlijsten beschikbaar via een door de gemeenteraad aan te wijzen website en zijn de papieren handtekeningenlijsten beschikbaar op door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen in de gemeente. Elke handtekening gaat vergezeld van de daarbij behorende naam, adres, postcode en woonplaats.
HOOFDSTUK 4. PROCEDURE UITVOERING REFERENDUM
De raad stelt tegelijk met het besluit bedoeld in artikel 7, derde lid, dan wel het besluit bedoeld in artikel 9, zevende lid, of zo spoedig mogelijk daarna, met inachtneming van de adviezen hieromtrent van het college en de referendumcommissie, de dag vast waarop het referendum wordt gehouden. Het referendum vindt minimaal vier maanden en niet later plaats dan maximaal zes maanden na de dag waarop de raad heeft besloten tot het houden van het referendum. Bij de bepaling van het moment waarop een referendum plaatsvindt, wordt rekening gehouden met de periode van de zomervakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs in Capelle aan den IJssel. Een referendum vindt niet plaats tijdens en in de eerste week na de zomervakantie.
Het college is belast met de organisatie en uitvoering van het referendum. Gelijktijdig met het besluit om een referendum te houden, stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum, alsmede een budget voor bijdragen in de kosten van de campagneactiviteiten van de bij het referendum betrokken partijen en een vergoeding voor de leden van de referendumcommissie voor hun werkzaamheden.
Artikel 12. Procedure stemming
De bepalingen van de Kieswet en het Kiesbesluit zijn op de gang van zaken bij het referendum van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13. Uitslag van het referendum
Het centraal stembureau berekent de uitslag van het referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht, alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Het centraal stembureau stelt vast of een meerderheid voor dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit heeft gestemd, waarbij blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing worden gelaten.
HOOFDSTUK 5. SUBSIDIËRING CAMPAGNEACTIVITEITEN
Artikel 18. Te subsidiëren campagneactiviteiten
De te subsidiëren campagneactiviteit dient te voldoen aan de volgende criteria:
In aanvulling op het in dit kader bepaalde in de Algemene subsidieverordening weigert het college de subsidie als:
In afwijking van het in dit kader bepaalde in de Algemene subsidieverordening, beslist het college op een aanvraag om subsidie binnen twee weken nadat de volledige aanvraag is ingediend. Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste een week verdagen, mits de beslistermijn eindigt ten minste zes weken voor de dag waarop het referendum wordt gehouden.
Artikel 24. Aanvraag tot vaststelling
In afwijking van het in dit kader bepaalde in de Algemene subsidieverordening moeten ontvangers van een subsidie tot € 1.000 een aanvraag tot subsidievaststelling indienen. Deze aanvraag moet voldoen aan de eisen die in de Algemene subsidieverordening worden gesteld aan een aanvraag tot vaststelling van subsidies vanaf € 5.000 tot € 50.000.
HOOFDSTUK 6. STRAF- EN SLOTBEPALINGEN
Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die:
stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken, dan wel deze met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, in voorraad heeft met het met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
Voor het begrip ‘kiesgerechtigd’ is aangesloten bij degene die gerechtigd is deel te nemen aan de raadsverkiezingen. Dit is geregeld in artikel B 3 van de Kieswet (18 jaar of ouder, Nederlander of EU-onderdaan, of vijf jaar in het bezit van een verblijfsvergunning, dan wel rechtmatig verblijvend in Nederland op grond van de Vreemdelingenwet 2000 of een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland).
De nadere bepaling van het kiesgerechtigd zijn is afhankelijk van de fase waarin het proces zich bevindt. De peilmomenten waarop personen kiesgerechtigd moeten zijn, zijn geregeld in artikel 8, tweede lid, en artikel 9, eerste lid, van deze verordening.
Deze verordening gaat uit van een referendum op basis van een concept raadsbesluit. Een referendum is te zien als een advies van burgers aan de raad over een voorgenomen besluit.
Als burgers de raad een advies willen geven over een voorliggend concept raadsbesluit, kunnen zij het initiatief nemen tot het houden van een referendum. Dit betreft een raadgevend referendum.
Als de gemeenteraad het wenselijk acht om over een voorliggend concept raadsbesluit advies in te winnen bij de burgers, kan die daartoe zelf een referendum initiëren. Dit betreft een raadplegend referendum.
Artikel 2. Referendabele besluiten
Bepaalde onderwerpen waarover de raad een besluit kan nemen lenen zich minder goed voor een referendum. Deze zijn hier als uitzondering opgenomen. Enerzijds dient voorkomen te worden dat de verordening een leeg instrument wordt waarbij het praktisch onmogelijk wordt een referendum te organiseren. Anderzijds is het voor de Capellenaar belangrijk dat duidelijk is over welke besluiten geen referendum kan worden gehouden.
Over het algemeen behoeven de gronden geen nadere toelichting, bij de toevoeging van onderdeel i en k in 2024 is alleen wel een uitgebreide toelichting gegeven in het raadsvoorstel. Ter volledigheid wordt deze toelichting hieronder toegevoegd.
Dit onderdeel sluit ruimtelijke besluiten in de zin van de Omgevingswet uit van de mogelijkheid tot het houden van een referendum, met uitzondering van de omgevingsvisie.
De Omgevingswet kent zes kerninstrumenten voor het sturen van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, waaronder de omgevingsvisie, het omgevingsplan, programma’s, algemene rijksregels en de omgevingsvergunning. De gemeenteraad is met name betrokken bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Een gebiedsvisie, gebiedspaspoort en een kavelpaspoort zijn geen besluiten die direct voortvloeien uit de Omgevingswet en vallen daarmee niet onder deze uitzonderingsgrond.
Voor ruimtelijke besluiten geldt onder de Omgevingswet een uitgebreid stelsel van participatie- en motiveringsvereisten. Op grond van het Omgevingsbesluit moet bij de vaststelling van een ruimtelijk besluit worden gemotiveerd hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarnaast bepaalt de Omgevingsregeling dat een initiatiefnemer bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet aangeven of en hoe participatie heeft plaatsgevonden en wat daarvan de uitkomsten zijn.
Voor wijzigingen van het omgevingsplan geldt bovendien een uitgebreide voorbereidingsprocedure met de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen.
Gelet op de wettelijke participatievereisten is het instrument van een referendum minder passend bij ruimtelijke besluiten. De besluitvorming over deze besluiten vereist een integrale belangenafweging gericht op een “goede fysieke leefomgeving”. Die afweging moet door de raad deugdelijk worden gemotiveerd. De uitkomst van een referendum kan niet in de plaats treden van deze motivering.
Om die reden worden ruimtelijke besluiten, zoals het omgevingsplan en omgevingsvergunningen, uitgezonderd van referendabiliteit.
De omgevingsvisie is expliciet opgenomen als uitzondering op de hierboven geformuleerde hoofdregel. De omgevingsvisie vormt namelijk het strategische en richtinggevende document voor de lange termijn en bevat het eerste integrale afwegingskader voor de fysieke leefomgeving. Juist omdat dit document op hoofdlijnen keuzes bevat over de toekomstige ontwikkeling van de gemeente, is ervoor gekozen de omgevingsvisie wél referendabel te laten zijn.
Op dit niveau is nog geen sprake van concrete, juridisch bindende besluiten of vergevorderde financiële verplichtingen. Daarmee kan een referendum in dit stadium daadwerkelijk richtinggevend zijn voor het verdere proces.
Dit onderdeel beoogt te voorkomen dat in een latere fase van een ruimtelijk ontwikkeltraject alsnog een referendum wordt gehouden over besluiten die voortbouwen op eerder door de gemeenteraad vastgestelde beleidskaders.
In ruimtelijke trajecten wordt doorgaans gewerkt van globaal kader naar een concrete uitwerking. Een omgevingsvisie kan worden uitgewerkt in een gebiedsvisie, vervolgens in een gebiedspaspoort of kavelpaspoort, en uiteindelijk in juridisch bindende besluiten zoals het omgevingsplan of een omgevingsvergunning.
Naarmate een project verder vordert, zijn er vaak reeds substantiële investeringen gedaan door zowel de gemeente als ontwikkelende partijen en zijn bestuurlijke en contractuele afspraken vastgelegd.
Indien in een latere fase alsnog een referendum zou kunnen worden gehouden, kan dit leiden tot aanzienlijke vertraging, financiële risico’s en mogelijk het geen doorgang vinden van het project. Bovendien zijn in deze fasen de beleidsmatige uitgangspunten doorgaans al vastgesteld in eerdere besluiten waarover een referendum had kunnen worden gehouden.
Door te bepalen dat besluiten die hun oorsprong vinden in een eerder vastgestelde omgevingsvisie, gebiedsvisie, gebiedspaspoort of kavelpaspoort niet referendabel zijn, wordt het moment van een eventueel referendum naar voren gehaald: zo vroeg mogelijk in het proces, bij het eerste afwegingskader.
Artikel 3. Referendumcommissie
Er is een permanente referendumcommissie, omdat een referenduminitiatief ineens kan opkomen en er dan binnen enkele dagen een advies dient te worden uitgebracht over bijvoorbeeld de vraag of een referendum mogelijk is over het concept raadsbesluit. Als er geen referenduminitiatief is of een wijziging van de verordening voorligt, komen de leden van de referendumcommissie in principe twee keer per jaar bijeen. Voor de benoemingstermijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die al gehanteerd wordt. Door meer leden te benoemen dan nodig voor het quorum wordt een oplossing gegeven in het geval één van de leden afwezig is of zich wil onthouden van deelname in verband met mogelijke belangenverstrengeling.
Er is niet expliciet geregeld dat leden van de referendumcommissie (bijvoorbeeld in geval van niet functioneren) ontslagen kunnen worden. In het algemeen geldt dat diegene die benoemt ook kan ontslaan.
Hoewel de verordening daarover niets vermeld, ligt het voor de hand dat in geval van een vacature via algemene publicaties kandidaat-leden van de referendumcommissie worden opgeroepen hun belangstelling kenbaar te maken. Binnen de raad, dan wel het presidium, kan dan een raadsvoorstel voor benoeming van de leden van de referendumcommissie worden voorbereid.
Artikel 4. Taken referendumcommissie
De referendumcommissie heeft diverse adviserende taken. Daarnaast houdt de referendumcommissie toezicht op het gehele referendumproces. De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven.
Onder a en b is de advisering aan respectievelijk de raad en het college geregeld. De commissie vervult een adviserende rol bij verschillende stappen in het referendumproces.
Onder c is haar toezichthoudende rol vastgelegd. Een uitvloeisel hiervan is de behandeling van klachten over het referendumproces. Deze klachten kunnen uiteenlopende onderwerpen betreffen, zoals de afkeuring van ondersteuningsverklaringen, het aantal stembureaus of een campagne-uiting van een organisatie.
De klachtbehandeling door de referendumcommissie staat los van het klachtrecht zoals geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat klachtrecht ziet uitsluitend op gedragingen van bestuursorganen en hun medewerkers. Die klachten worden door het betreffende bestuursorgaan zelf afgehandeld.
Onder d is bepaald dat na afloop van elk referendum een evaluatie plaatsvindt. De termijn waarbinnen deze evaluatie moet worden uitgevoerd, is geregeld in artikel 14.
Artikel 5. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
In dit artikel is de vergoeding die de leden voor hun werkzaamheden ontvangen, vastgelegd. Ingevolge artikel 96, tweede lid, van de Gemeentewet kan de raad in bijzondere gevallen bij verordening bepalen dat de leden van een andere commissie als bedoeld in artikel 84 van de Gemeentewet een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden en een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. In deze verordening is opgenomen dat de leden van de referendumcommissie een vaste vergoeding per bijgewoonde vergadering ontvangen. Hierbij wordt aangesloten bij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de gemeenteklasse waar de gemeente Capelle aan den IJssel toe behoort. In deze vergoeding zijn alle werkzaamheden begrepen: voorbereiden vergaderingen en het voeren van overleg (tijdens vergaderingen). Voor de reiskosten wordt op declaratiebasis een vergoeding verleend.
Ten tijde van een referendum vragen de voorbereidingen van de vergaderingen van de referendumcommissie een extra inspanning in vergelijking met de voorbereidingen van de reguliere vergaderingen. Om die reden is het voorstel om de vergoeding voor die periode separaat te regelen bij het toekennen van het totaalbudget voor het houden van een referendum. Dit is namelijk afhankelijk van de taakverdeling tussen griffie enerzijds en de referendumcommissie anderzijds.
De raad stelt de vraagstelling van het referendum vast, na advies van de referendumcommissie. De commissie treedt hierover doorgaans in overleg met de initiatiefnemers en de portefeuillehouder.
De raad kan bepalen dat er meer dan twee antwoordmogelijkheden zijn. In dat geval is het mogelijk dat geen van de antwoordopties een absolute meerderheid behaalt. Er bestaan stemmethoden die ook inzicht geven in tweede of derde voorkeuren van kiesgerechtigden.
Als wordt gekozen voor meerdere antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen, adviseert de referendumcommissie over de stemprocedure. De raad kan op grond van het tweede lid besluiten dat een alternatieve stemprocedure wordt gevolgd.
De meest geschikte stemprocedure hangt af van het aantal en de aard van de antwoordmogelijkheden. Mogelijke varianten zijn:
Artikel 7. Initiatiefvoorstel raad
De raad kan zelf het initiatief nemen tot het houden van een referendum (raadplegend referendum). Dit geschiedt in de vorm van een initiatiefvoorstel als bedoeld in artikel 147a van de Gemeentewet.
Op grond van artikel 147a van de Gemeentewet heeft ieder raadslid het recht een uitgewerkt voorstel in te dienen, bijvoorbeeld tot het houden van een referendum.
Over een dergelijk initiatiefvoorstel wordt het college op grond van artikel 147a, vierde lid, van de Gemeentewet in de gelegenheid gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
Een initiatiefvoorstel tot het houden van een raadplegend referendum wordt behandeld conform het Reglement van Orde van de raad.
In het vierde lid is bepaald dat de raad een raadplegend referendum kan beperken tot een specifiek deelgebied van de gemeente (een zogenoemde buurtpeiling of buurtreferendum).
Burgers kunnen het initiatief nemen tot het organiseren van een referendum over een concept raadsbesluit. Dit artikel regelt het inleidend verzoek bij een dergelijk burgerinitiatief. Het inleidend verzoek heeft twee functies: het aantonen dat binnen de gemeente voldoende draagvlak bestaat voor het houden van een referendum en het bieden van een toetsmoment om te beoordelen of over het concept raadsbesluit een referendum kan worden gehouden.
In het eerste lid is bepaald dat burgers tot één week vóór de behandeling van een concept raadsbesluit een inleidend verzoek kunnen indienen. Aangezien concept raadsbesluiten doorgaans voorafgaand aan de raadsbehandeling in een raadscommissie worden besproken en daarmee in een vroeg stadium openbaar zijn, hebben initiatiefnemers voldoende gelegenheid om een inleidend verzoek in te dienen.
In het tweede lid is geregeld hoeveel handtekeningen vereist zijn voor een inleidend verzoek. Omdat het hier een eerste, inleidende stap betreft en de termijn tussen bekendmaking van het concept raadsbesluit en de behandeling daarvan beperkt is, is het vereiste aantal handtekeningen relatief laag. De handtekeningen moeten afkomstig zijn van personen die op het moment van ondertekening kiesgerechtigd zijn. De griffie stelt hiervoor een formulier beschikbaar.
Het vijfde lid bepaalt dat de voorzitter van de raad bij ontvangst van een inleidend verzoek controleert of dit wordt ondersteund door ten minste 70 kiesgerechtigden. Daarbij kan de voorzitter gebruikmaken van de Basisregistratie Personen.
De raad beslist of een inleidend verzoek dat voldoet aan het tweede lid wordt ingewilligd. De onderdelen a en b regelen in welke gevallen de raad kan besluiten het verzoek niet in te willigen. Het betreft hier een besluit in de zin van de Awb, waartegen bezwaar en beroep openstaan.
De referendumcommissie adviseert over de vraag of het inleidend verzoek betrekking heeft op een referendabel besluit. Op basis van dit advies beoordeelt de raad of het concept raadsbesluit op grond van artikel 2 referendabel is.
Als het inleidend verzoek niet wordt ondersteund door het vereiste aantal kiesgerechtigden of niet tijdig is ingediend, kan de raad het verzoek op grond van dit lid niet-ontvankelijk verklaren.
Als de raad het concept raadsbesluit referendabel acht, wordt het inhoudelijk besproken. Daarbij kunnen amendementen en moties worden ingediend. Over het concept raadsbesluit zelf wordt echter nog niet gestemd. De stemming vindt pas plaats nadat het referendum is gehouden, dan wel nadat de raad heeft vastgesteld dat geen referendum zal worden gehouden.
De procedure voor het definitief verzoek is in grote lijnen gelijk aan die voor het inleidend verzoek. Dit houdt onder meer in dat de voorzitter van de gemeenteraad controleert op voldoende handtekeningen van kiesgerechtigden. De kiesgerechtigdheid is hier gekoppeld aan de dag waarop de raad besloten heeft dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd.
Dat de ondersteuningsverklaringen op de handtekeningenlijst van het inleidend verzoek niet meetellen voor het definitief verzoek heeft de volgende reden. Tijdens het inleidend verzoek is het concept raadsbesluit nog niet besproken door de raad; het voorstel kan dus nog gewijzigd worden als gevolg van amendementen. Daarom is het mogelijk dat een kiesgerechtigde het inleidend verzoek ondersteunt, maar geen handtekening wil zetten voor het definitief verzoek, bijvoorbeeld omdat inmiddels aan zijn of haar bezwaren tegemoet is gekomen. Of over het concept raadsbesluit een referendum kan worden gehouden is eerder in het proces, bij het inleidend verzoek beslist. Een voldoende aantal handtekeningen zal dan ook een positief besluit tot het houden van het referendum inhouden.
In de verordening is vervolgens de mogelijkheid opgenomen om via een elektronische handtekening steun te verlenen aan een referendumverzoek. Een bestuursorgaan kan op grond van artikel 2:14 Awb de elektronische weg openstellen voor referendumverzoeken. Aan het gebruik van de elektronische weg kan het bestuursorgaan nadere eisen stellen. De elektronische weg voor referendumverzoeken komt naast en niet in plaats van de gebruikelijke weg. Bij het zetten van een handgeschreven handtekening ter ondersteuning van een referendumverzoek heeft de handtekening verschillende functies. Deze dient ter authenticatie en identificatie (vaststellen van de identiteit van een persoon) en om de wilsuiting vast te leggen (van belang in het kader van rechtsgevolg en of bewijsvoering). Deze functies zijn ook via de elektronische handtekening te bewerkstelligen.
Over de dag van de stemming brengt de referendumcommissie advies uit. Het vaststellen van de datum waarop het referendum zal worden gehouden is voorbehouden aan de raad. Van belang is dat er voldoende tijd is om het referendum te organiseren (stemlokalen huren, bemensing stembureaus, drukwerk, kunnen voeren van campagne etc.) en dat er enige ruimte is om vakantieperioden (juli/augustus, december/januari) te overbruggen omdat deze niet geschikt zijn voor het houden van een referendum. Het ligt voor de hand dat het advies van de commissie op dergelijke zaken ziet. De datum kan vallen op een dag waarop ook andere verkiezingen worden gehouden, maar dat hoeft niet het geval te zijn.
Dit artikel regelt de uitvoering van een referendum. Als duidelijk is dat er een referendum komt, dient de raad een budget vast te stellen. Allereerst voor de organisatie van het referendum zelf (stempassen, stembiljetten, stembureaus, enz.). Het feit dat het college is belast met de uitvoering, volgt uit de Gemeentewet (artikel 160, eerste lid, onder b). Daarnaast stelt de raad een budget vast voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten die Capellenaren en maatschappelijke organisaties rond het referendum organiseren. Op grond van artikel 22 geldt dit bedrag als subsidieplafond, Hierdoor wordt voorkomen dat sprake is van een openeinderegeling. Als het subsidieplafond is bereikt, moet de aanvraag om subsidie namelijk worden geweigerd (artikel 4:25, tweede lid, Awb).
Artikel 12. Procedure stemming
Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij de gang van zaken bij de raadsverkiezingen. Vandaar dat de desbetreffende bepalingen uit de Kieswet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover er geen regeling in deze verordening zelf is opgenomen. Het gaat om de volgende onderdelen:
Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die het publieke debat en de meningsvorming rond het referendum ondersteunen. Burgers moeten hun mening kunnen vormen voordat zij een stem uitbrengen. Er wordt een formulier vastgesteld waarmee de aanvraag voor subsidie gedaan wordt. Hierdoor is het voor de aanvrager duidelijk welke gegevens zij moeten aanleveren. Het is belangrijk dat er niet alleen een omschrijving van de activiteiten wordt aangeleverd maar dat er ook een begroting en een planning wordt gemaakt. Er worden aanvullende criteria gesteld voor het indienen van een aanvraag in vergelijking met de Algemene subsidieverordening.
Artikel 19. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen
Alleen de kosten die direct samenhangen met de campagneactiviteit zijn subsidiabel. De kosten moeten redelijk zijn in relatie tot de verwachte bijdrage van de activiteit aan het doel van deze subsidie. Loonkosten van de aanvrager of andere personen (al dan niet bij de subsidieaanvrager in dienst) zijn expliciet uitgezonderd. Onder omstandigheden kan wel de (redelijke) vergoeding voor een speciaal aangetrokken deskundige voor subsidie in aanmerking komen De subsidie is bedoeld als tegemoetkoming in materiële kosten. Denk aan de huur van een zaal voor een debatavond, het drukken van een folder of het maken van een filmpje. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen moeten noodzakelijk zijn om de activiteit uit te kunnen voeren. Dus de zaalhuur voor een debatavond kan vergoed worden, eten en drinken, bijvoorbeeld in de vorm van een borrel na afloop, niet. Als er een professional ingehuurd dient te worden (bijvoorbeeld een cameraman voor het maken van een filmpje) dan worden deze kosten vergoed tot een maximum van € 35,- per uur. Het aantal uren dat per aanvraag gedeclareerd kan worden heeft een maximum van 20.
Subsidies kunnen verstrekt worden aan organisaties in de vorm van rechtspersonen maar ook aan 'gewone' Capellenaren mits zij een groep van minimaal zes personen vormen. In dit laatste geval dienen zij ook kiesgerechtigd te zijn voor de raadsverkiezingen van de gemeente Capelle aan den IJssel.
Politieke partijen kunnen geen subsidie aanvragen op basis van deze regels. Zij hebben hun eigen mogelijkheden om campagne te voeren.
Voor rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid, onder a, die niet bekend zijn bij de gemeente betekent dit dat zij bijvoorbeeld een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel dienen te overleggen. En uiteraard dient ook deze aanvraag ondertekend te zijn door de bevoegde personen (dit zijn er vaak meer dan één). Voor een collectief van kiezers als bedoeld het eerste lid, onder b, betekent dit dat er zes personen hun naam en adresgegevens aanleveren en hun handtekening zetten, waarmee ze aangeven gezamenlijk verantwoordelijk te zijn voor de activiteit.
Artikel 22. Subsidieplafond en wijze van verdeling
Wanneer de raad besluit tot het houden van een referendum, zoals bedoeld in artikel 7, vierde lid, en artikel 9, zevende lid, wordt ook een budget vastgesteld voor campagneactiviteiten. Dit budget is bedoeld om burgers en rechtspersonen in staat te stellen hun standpunt over het voorliggende referendum kenbaar te maken aan het publiek.
In het eerste lid van dit artikel is geregeld dat het budget dat is vrijgemaakt geldt als subsidieplafond. Dit betekent dat dat het totale bedrag dat aan subsidies voor campagneactiviteiten kan worden verstrekt, is gemaximeerd op het door de raad vastgestelde bedrag. Zodra dit plafond is bereikt, kunnen geen verdere subsidies meer worden toegekend. Het subsidieplafond moet vóór aanvang van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 16, eerste lid, worden bekendgemaakt in het gemeenteblad (artikel 4:27 Awb).
Het tweede lid regelt dat de ontvangen subsidieaanvragen in eerste instantie worden verdeeld over de verschillende antwoordmogelijkheden van het referendum. Hiermee wordt beoogd een evenwichtige verdeling van middelen tussen de verschillende standpunten te waarborgen. Het ligt daarbij in de rede dat het subsidieplafond in beginsel gelijkelijk over de antwoordmogelijkheden wordt verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven hiervan af te wijken. Gelet op artikel 4:26, tweede lid, Awb moet deze verdeling nogmaals worden vermeld wanneer het college het subsidieplafond bekend maakt. In het derde lid is bepaald dat binnen elke antwoordmogelijkheid een nadere indeling plaatsvindt naar categorieën van activiteiten.
Artikel 24. Aanvraag tot vaststelling
Over het ontvangen subsidiebedrag moet verantwoording worden afgelegd. Hierbij wordt aangesloten bij de eisen die zijn gesteld in de Algemene subsidieverordening. Aan de hand van een financieel verslag op grond van facturen (betaalde bedragen) en andere bewijzen (bijv. foto's of filmpjes van een debatavond, het adres van een website en een kort verslag) wordt aangegeven of de activiteiten zijn uitgevoerd en wat de daadwerkelijke kosten waren. Voor het afleggen van de verantwoording wordt een door de gemeente verstrekt formulier gebruikt.
Als uit de overgelegde stukken (of op een andere manier) blijkt dat de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, kan de subsidie lager worden vastgesteld dan was verleend, of zelfs worden ingetrokken. Hierbij kan het verstrekte voorschot – deels – worden teruggevorderd (artikelen 4:48, eerste lid, en 4:57 Awb).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-132068.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.