Verordening van de raad van de gemeente Edam-Volendam houdende de eerste wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2022 (Eerste wijziging Verordening maatschappelijk ondersteuning Edam-Volendam)

De raad van de gemeente Edam-Volendam;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025;

 

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met het vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

 

gezien het advies van de Koepel Sociaal Domein van 25 oktober 2025;

 

overwegende dat het gelet op jurisprudentie wenselijk is de definities ‘gebruikelijke hulp’ en ‘eigen kracht’ nader te omschrijven;

 

B E S L U I T :

 

vast te stellen de volgende Verordening tot wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2022 (Eerste wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning Edam-Volendam).

Artikel I Wijziging verordening

De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2022 wordt als volgt gewijzigd.

  • A.

    In artikel 1 wordt, onder vernummering van het de onderdelen xiv en xv tot xvi en xvii tot en met xxxv, twee onderdelen ingevoegd, luidende: 

    • xiv.

      eigen kracht: het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen.

    • xv.

      gebruikelijke hulp: In tegenstelling tot het begrip ‘eigen kracht’ is ‘gebruikelijke hulp’ wel gedefinieerd in de wet, zie artikel 1.1.1 Wmo 2015; hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • B.

    Artikel 7a komt te luiden: Artikel 7a. Criteria voor een maatwerkvoorziening

    • 1.

      Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

    • 2.

      Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

      • a.

        bij beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, - voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, - met gebruikelijke hulp, - met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel - met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, een algemene of een voorliggende voorziening kan verminderen of wegnemen.  De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot voldoende zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

      • b.

        ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, - al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, - voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, - met gebruikelijke hulp, - met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel - met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.   De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

    • 3.

      Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de wet beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 beschikbaar is.

    • 4.

      Huisgenoten van de cliënt zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder a. genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet.

    • 5.

      Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid, onder a. wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:

      • a.

        de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten;

      • b.

        de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten;

      • c.

        de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

      • d.

        de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

      • e.

        de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

      • f.

        overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

    • 6.

      Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

      • a.

        de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar en voorzienbaar was, en

      • b.

        de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig hadden gemaakt.

      • c.

        de noodzakelijke voorziening door cliënt met voorafgaande schriftelijke toestemming is ingekocht tussen het moment van melding en het besluit.

      • d.

        de noodzakelijke voorziening door hem is ingekocht vóór de melding bij het college - wegens een acute situatie waarbij cliënt of diens vertegenwoordiger naar objectieve normen niet in staat was de hulpvraag te melden noch de schriftelijke toestemming college af te wachten; - en de noodzaak achteraf nog vast te stellen is.

    • 7.

      Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

      • a.

        tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen,

      • b.

        of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten,

      • c.

        of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 8. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

      • 8.

        Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

      • 9.

        C. Artikel 8 komt te luiden

        Artikel 8 Advisering Onderzoek en advies en functiescheiding.

        1. Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen adviseur om advies, indien dat advies naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek;

        • 1.

          2. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek, aantoonbaar beschikken over:

        • 2.

          a. Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

        • 3.

          b. Ergonomische kennis;

        • 4.

          c. Bouwkundige/technische kennis;

        • 5.

          d. Gedragswetenschappelijke kennis.

         

Artikel II Overgangsrecht

  • 1.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2022 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2025.

  • 3.

    Op lopende bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Edam-Volendam 2022, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel III Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

 

Aldus besloten door de gemeenteraad van

Edam-Volendam in zijn openbare vergadering

Van 19 februari 2026,

de plv. griffier, de voorzitter,

M.C.A. Karregat-Eerdhuijzen. R.J. Beukers.

Naar boven