Richtlijnen Bijzondere Bijstand Huizen 2026

 

1. Inleiding en uitgangspunten

De invulling en uitvoering van het beleid voor bijzondere bijstand ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het college heeft beleidsvrijheid bij de vaststelling van de draagkracht en de draagkrachtperiode van de belanghebbende. En tot op zekere hoogte ook bij de bepaling van de inhoud van het beleid voor bijzondere bijstand. In deze beleidsregels werken we dit verder uit.

2. Algemeen

2.1 Begripsbepaling

In artikel 3.4.3 gebruiken we het begrip ‘belanghebbende’. Dat begrip leggen we hieronder uit. Voor begrippen die niet in onderstaande lijst staan, geldt de betekenis uit de Participatiewet, de desbetreffende bijzondere wet of uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

 

  • a.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen.

  • b.

    Algemene bijstand: bijstand voor de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan die uit het inkomen moeten worden betaald. Denk aan kosten voor levensonderhoud. (Participatiewet, art. 5, aanhef en sub b).

  • c.

    Bijzondere bijstand: bijstand voor noodzakelijke kosten die voortkomen uit bijzondere omstandigheden en die niet kunnen worden betaald uit inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of vermogen (Participatiewet, art. 35).

  • d.

    Bijstandsnorm: de normbedragen uit de Participatiewet (art. 5, aanhef en sub c).

  • e.

    Voorliggende voorziening: een voorziening die past bij het doel en de aard van de behoefte van de belanghebbende en daarom vóór gaat op bijzondere bijstand.

  • f.

    Individuele inkomenstoeslag: (Participatiewet, art. 36) geldt als voorliggende voorziening. Als zo’n voorziening beschikbaar is, vervalt het recht op bijzondere bijstand. Kosten die volgens de voorliggende voorziening niet-noodzakelijk zijn, komen ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • g.

    Woonkosten huur: de maandelijkse rekenhuur (Wet op de huurtoeslag, art. 5).

  • h.

    Woonkosten koop: de kosten voor hypotheekrente, premie opstalverzekering, eigenaarsdeel onroerendezaakbelasting en waterschapslasten (omslagheffing).

  • i.

    Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen

  • j.

    Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

  • k.

    Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen

  • l.

    Wht: Wet op de huurtoeslag

  • m.

    Wrb: Wet op de rechtsbijstand

  • n.

    Belanghebbende: de persoon van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (Awb, art. 1:2).

2.2 Wettelijke bepalingen

Bij de beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand moet het college zich steeds de volgende vier vragen stellen. Is het antwoord op een vraag negatief? Dan wordt de volgende vraag niet beantwoord, omdat er in dat geval geen sprake is van verlening van bijzondere bijstand. Deze vaste beoordelingsvolgorde is ontwikkeld via jurisprudentie.

 

  • 1.

    Doen de kosten zich voor?

  • 2.

    Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?

  • 3.

    Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?

  • 4.

    Kunnen de kosten worden betaald uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen of het inkomen hoger dan de bijstandsnorm?

3. Drempelbedrag, inkomen en vermogen

In dit hoofdstuk leggen we uit welk inkomen en vermogen meetelt bij de berekening van het recht op bijzondere bijstand. We gaan ook in op draagkracht: geld waarmee iemand zélf bijzondere kosten kan betalen. Dit kan draagkracht uit inkomen zijn, maar ook draagkracht uit vermogen. We kijken naar de draagkracht over een langere periode. Dit noemen we de ‘draagkrachtperiode’. Als een inwoner bijzondere bijstand aanvraagt, kijken we eerst of de inwoner zelf genoeg draagkracht heeft. Daardoor kunnen we beoordelen of de inwoner recht heeft op bijzondere bijstand en – zo ja – wat de hoogte is van de bijzondere bijstand.

 

3.1 Drempelbedrag

Er is geen drempelbedrag bij de verlening van bijzondere bijstand.

 

3.2 Toepassing vrijlatingen Participatiewet

Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand passen we de vrijlatingen uit artikel 31, lid 2 van de Participatiewet niet toe. Deze vrijlatingen zijn alléén van toepassing op de beoordeling van het recht op algemene bijstand (levensonderhoud). Het inkomen nemen we bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand normaal gesproken volledig mee. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als er in deze beleidsregels nadrukkelijk iets anders is bepaald.

 

3.3 Bepaling van het inkomen

  • 1.

    Het inkomen is dat wat in artikel 32 van de Participatiewet staat, exclusief vakantiegeld.

  • 2.

    Het inkomen waarover vakantiegeld wordt betaald, verhogen we met het percentage dat in artikel 19, lid 3 van de Participatiewet staat.

  • 3.

    De peildatum van het inkomen is de eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt.

  • 4.

    Het inkomen van een zelfstandige is de netto jaarwinst, verminderd met het percentage dat in artikel 6, lid 2 van het Bbz, op peildatum 1 januari staat. De jaarwinst stellen we vast op basis van het jaarverslag van het boekjaar dat voorafgaat aan de peildatum. We maken daarbij gebruik van het percentage uit artikel 6, lid 2 van datzelfde jaar.

3.4 Bepaling van het vermogen

  • 1.

    Het vermogen is dat wat in artikel 34, lid 1 van de Participatiewet staat.

  • 2.

    De peildatum van het vermogen is de eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt.

3.4.1 Vermogensvrijlatingen

  • 1.

    Een immateriële schadevergoeding die wordt vrijgelaten voor de algemene bijstand, op grond van artikel 31, lid 2 onder l en m, laten we ook vrij voor de bijzondere bijstand.

  • 2.

    Er geldt een extra vermogensvrijlating van maximaal € 6000 als er sprake is van uitvaartreservering. Dit betekent dat de belanghebbende geld apart heeft gezet voor de uitvaart en dat dit bedrag niet eerder is of wordt opgenomen. Deze vrijlating geldt alleen als de belanghebbende geen uitvaartverzekering heeft afgesloten. Heeft de belanghebbende een uitvaartverzekering afgesloten tegen een (veel) lager bedrag? Dan kunnen we een bedrag vrijlaten dat gelijk is aan het verschil tussen de verzekeringsdekking en de maximale extra vermogensvrijlating.

  • 3.

    Een auto waarvan de waarde niet hoger is dan € 4000 laten we vrij. We gebruiken de ANWB/BOVAG-lijst om de waarde van de auto te bepalen. Daarbij gaan we uit van de laagste waarde (inkoop door een garagebedrijf). De staat van de auto is daarbij van belang. We kijken bijvoorbeeld of hij schadevrij is en hoeveel kilometer er op de teller staat. Wijkt de staat af van wat normaal is? Bijvoorbeeld omdat de auto schade heeft of een hoge kilometerstand? Dan vragen we de waarde op bij een garage.

 

3.5 Draagkracht

  • 1.

    De draagkracht bestaat uit draagkracht uit vermogen en draagkracht uit inkomen.

  • 2.

    We verstrekken bijzondere bijstand verminderd met de draagkracht.

  • 3.

    We kijken eerst of er draagkracht uit vermogen is. Daarna kijken we naar draagkracht uit inkomen.

3.5.1 Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    We laten het vermogen buiten beschouwing tot aan de grens uit artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Het vermogen boven deze grens nemen we volledig mee bij de bepaling van de draagkracht. Dit betekent ook dat de vrijlating van artikel 34, lid 2 onder c van de Participatiewet niet geldt.

  • 2.

    Voor de volgende kosten nemen we het volledige vermogen mee bij het bepalen van de draagkracht. De vrijlating van artikel 34, lid 3 van de Participatiewet is hierbij niet van toepassing:

    • a.

      duurzame gebruiksgoederen

    • b.

      verhuizing

    • c.

      dubbele woonlasten

    • d.

      woninginrichting en kosten van suppletie

    • e.

      schulden

    • f.

      eerste verhuurnota statushouders

3.5.2 Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Er is geen sprake van draagkracht als het inkomen gelijk is aan of minder is dan 120% van de geldende bijstandsnorm per jaar, inclusief vakantiegeld.

  • 2.

    Het inkomen kan minder worden door buitengewone uitgaven. Er is alléén sprake van buitengewone uitgaven als de inwoner voor die uitgaven geen financiële tegemoetkoming krijgt.

  • We zien de volgende kosten als buitengewone uitgaven die we aftrekken van het inkomen vóórdat we de draagkracht berekenen:

    • a.

      woonkosten, tot het verschil tussen de maximaal mogelijke huurtoeslag op basis van een inkomen op bijstandsniveau en de in werkelijkheid ontvangen huurtoeslag.

    • b.

      reiskosten voor woon-werkverkeer die de belanghebbende zelf betaalt. Dit geldt alleen als deze kosten noodzakelijk zijn en de belanghebbende geen andere vergoeding krijgt. De kosten die we meenemen bij de berekening van de draagkracht, stellen we vast op basis van openbaar vervoer tweede klas. Of – als de belanghebbende eigen vervoer gebruikt – op basis van de maximaal fiscaal vrijgestelde kilometervergoeding. De afstand bepalen we aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner. De eerste 10 kilometer enkele reis nemen we niet mee in de berekening.

    • c.

      de verschuldigde en betaalde alimentatie en onderhoudsbijdragen die zijn vastgelegd in een convenant of een rechterlijke uitspraak.

    • d.

      de toegepaste draagkracht bij de gemeentelijke belastingen.

  • 3.

    Bij het bepalen van de draagkracht nemen we het inkomen volledig mee als het hoger is dan de bijstandsnorm. Dit geldt voor de volgende kosten:

    • a.

      duurzame gebruiksgoederen

    • b.

      noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van 18, 19 of 20 jaar

    • c.

      woonlasten

    • d.

      schulden en schuldsanering

    • e.

      verhuizing

    • f.

      woninginrichting en kosten van suppletie

    • g.

      uitvaart

  • 4.

    Er is geen draagkracht uit inkomen als de belanghebbende:

    • a.

      begint met het maandelijks aflossen van of het maken van reserveringen voor een schuldregeling via een schuldregelende organisatie.

    • b.

      in de wettelijke schuldsanering (Wsnp) zit.

  • Dit geldt voor de volledige duur van deze regelingen.

  • 5.

    Voor belanghebbenden die permanent in een instelling verblijven en bijzondere bijstand aanvragen, gaan we bij de beoordeling van de draagkracht uit inkomen uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zoals bedoeld in de artikelen 21 en 22 van de Participatiewet. Bij de vaststelling van de draagkracht houden we geen rekening met de verschuldigde eigen bijdrage volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze bijdrage zien we als onderdeel van de woonlasten in een instelling. Daarom komen ze niet afzonderlijk in aanmerking voor aftrek of compensatie binnen de draagkrachtberekening.

3.5.3 Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkrachtperiode gaat in op de eerste dag van de maand waarin de oudste kosten zijn gemaakt.

  • 2.

    Wordt de aanvraag gedaan voor kosten die nog gemaakt moeten worden? Dan stellen we het inkomen en vermogen vast op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan.

  • 3.

    We stellen de draagkracht steeds voor een periode van één jaar vast. We beginnen altijd op de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.

  • 4.

    Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar houden we rekening met de vastgestelde jaardraagkracht. De vastgestelde (resterende) draagkracht blijft dus gelden.

  • Bij periodieke bijzondere bijstand kan de draagkracht uit inkomen omgerekend worden naar een bedrag per maand.

4. Aanvraag en uitbetaling

In dit hoofdstuk leggen we uit hoe een aanvraag en eventuele uitbetaling verlopen.

 

4.1 Moment van aanvragen

  • 1.

    Belanghebbenden kunnen aanvragen voor bijzondere bijstand indienen tot en met één jaar na het moment waarop ze de kosten hebben gemaakt.

  • 2.

    In sommige gevallen wijken we af van lid 1. Voor de volgende kosten moet de belanghebbende bijzondere bijstand aanvragen vóórdat hij de kosten maakt:

    • a.

      verhuis- en woninginrichtingskosten

    • b.

      duurzame gebruiksgoederen

    • c.

      eenmalige en/of periodieke kosten die hoger zijn dan € 500 per jaar. Dit geldt niet als het om bewindvoeringskosten gaat.

4.2 Vorm van de bijstand

  • 1.

    We verlenen de bijzondere bijstand normaal gesproken om niet (zonder terugbetaalverplichting).

  • 2.

    In sommige gevallen wijken we af van lid 1. Dan verlenen we bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht. Dit geldt voor zelfstandigen die een uitkering krijgen op grond van het Bbz.

  • 3.

    Bijstand die we in de vorm van een renteloze geldlening verlenen, moet de belanghebbende terugbetalen.

  • 4.

    De belanghebbende moet een renteloze geldlening in drie jaar aflossen. Bestaat er na maximaal 36 maanden nog een restschuld? Dan zetten we die om in bijstand om niet. De belanghebbende moet de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen dan wel volledig hebben betaald. De maanden waarin de belanghebbende tijdelijk uitstel van aflossing kreeg of waarin hij niet afloste, tellen niet mee voor de periode van 36 maanden.

  • 5.

    We kunnen van lid 4 afwijken als:

    • a.

      de belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of

    • b.

      de belanghebbende in de eerste drie jaar niet zorgvuldig omging met het aflossen van de geldlening; of de belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor het ontstaan

    • c.

      of voortduren van de situatie waarin bijstand in de vorm van een lening nodig was. In dat geval verlengen we de looptijd, omdat de belanghebbende het volledige bedrag moet terugbetalen.

  • 6.

    De hoogte van de maandelijkse aflossing van de renteloze lening stemmen we af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Dit betekent dat we rekening houden met de beslagvrije voet als we het maandelijkse aflossingsbedrag bepalen.

4.3 Hoogte van de bijzondere bijstand

Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand gaan we uit van de meest toereikende en goedkoopste voorziening. Kunnen we die niet of nauwelijks vaststellen? Dan gebruiken we de normbedragen uit de nieuwste prijzengids van het Nibud als maximumbedragen. Dit geldt niet als er iets anders in de beleidsregels staat.

Bij het vaststellen van de bijzondere bijstand kunnen we rekening houden met besparingskosten. Dit zijn noodzakelijke kosten die een alleenstaande of een gezin anders zou maken, en nu niet maakt.

 

4.4 Uitbetaling

We betalen de bijzondere bijstand nadat de belanghebbende de definitieve rekeningen of betaalbewijzen heeft ingediend.

5. Woonkosten

Woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand. Een belanghebbende kan recht hebben op woonkostentoeslag als hij door onverwachte, niet-verwijtbare omstandigheden de huur of hypotheek niet meer kan betalen.

 

5.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning

  • 1.

    Normaal gesproken krijgt een belanghebbende geen bijzondere bijstand voor woonkosten. Daar is de algemene bijstandsuitkering voor bedoeld. De Wet op de huurtoeslag (Wht) geldt als een passende en toereikende voorziening voor woonkosten.

  • 2.

    Woonkostentoeslag is mogelijk als een belanghebbende in een huurwoning woont en door een onverwachte en niet-verwijtbare terugval in inkomen of vermogen de huur niet meer volledig kan betalen.

  • 3.

    Voor de huur tot aan de maximale huurgrens van artikel 13 van de Wht is de Wht een passende en toereikende voorliggende voorziening.

  • 4.

    De woonkostentoeslag wordt berekend over het gedeelte van de huur dat hoger is dan de toepasselijke maximale huurgrens zoals bedoeld in artikel 13 van de Wht.

  • 5.

    Voor het gedeelte van de huur boven de maximale huurgrens van artikel 13 van de Wht kan in de eerste twee jaar maximaal100% woonkostentoeslag en in het derde en vierde jaar maximaal 75% woonkostentoeslag worden verleend.

  • 6.

    Is bij de berekening van het inkomen voor de vaststelling van de huurtoeslag rekening gehouden met bijvoorbeeld de inkomens van medebewoners en is de huurtoeslag daardoor verlaagd of afgewezen? Dan compenseren we dit niet met bijzondere bijstand.

  • 7.

    We kennen de woonkostentoeslag toe voor zes maanden. Daarbij geldt dat de belanghebbende verplicht is om te zoeken naar een huurwoning met een huur die lager is dan de maximale huurgrens van artikel 13 van de Wht..

  • 8.

    De periode, zoals bedoeld in het vorige lid, kunnen we steeds met zes maanden verlengen als de belanghebbende buiten zijn schuld nog geen woning heeft kunnen krijgen waarvoor wél recht bestaat op huurtoeslag. Daarvoor heeft de belanghebbende aangetoond dat hij:

    • h.

      zes maanden actief heeft gezocht naar goedkopere woonruimte waarvoor recht op huurtoeslag bestaat in de regio’s Gooi en Vechtstreek, Eemvallei, Almere en Regio Utrecht. Dit betekent dat de belanghebbende aantoonbaar consequent en adequaat heeft gereageerd op elke aangeboden woning met een huur die lager is dan de huurtoeslaggrens. Het soort woning en de ligging van de woning spelen daarbij geen rol.

    • i.

      geen passende woonruimte heeft geweigerd.

  • 9.

    De maximale termijn waarover we woonkostentoeslag verlenen, is vier jaar.

5.2 Woonkostentoeslag bij een koopwoning

  • 1.

    Verlening voor bijzondere bijstand voor woonkosten is normaal gesproken niet aan de orde. Dit is geregeld via de algemene bijstandsuitkering.

  • 2.

    We kunnen woonkostentoeslag alleen verlenen als de belanghebbende de woning bezit en bewoont, er sprake is van een onverwachte en niet-verwijtbare terugval in inkomen of vermogen en de belanghebbende de woonkosten niet kan betalen.

  • 3.

    We berekenen de woonkostentoeslag volgens de systematiek van de Wht. Daarbij nemen we alleen de woonkosten, zoals bedoeld in artikel 2.1, aanhef en sub 7h van deze beleidsregels, mee.

  • 4.

    Voor de aflossing en premies van een levens- of spaarverzekering die aan de hypotheek gekoppeld is, verlenen we geen woonkostentoeslag. De woonkostentoeslag is maximaal gelijk aan de huurtoeslag die iemand per maand zou krijgen op basis van inkomen en eventuele medebewoners, tot aan de maximale huurgrens op grond van artikel 13 van de Wht.

  • 5.

    Voor het gedeelte van de woonkosten dat boven de maximale huurgrens ligt, kan in de eerste twee jaar maximaal 100% woonkostentoeslag worden verleend. In het derde en vierde jaar is dat 75%. Dit betekent dat bij woonkosten van € 1200 per maand en een maximale huurgrens van € 900 per maand, over het gedeelte van de woonkosten boven deze € 900 in de eerste twee jaar maximaal € 300 woonkostentoeslag kan worden verstrekt (100% van € 300), en in het derde en vierde jaar € 225 (75% van € 300).

  • 6.

    We kennen de woonkostentoeslag voor een periode van zes maanden toe. Daarbij is de belanghebbende verplicht om te zoeken naar een huurwoning met een huur die lager is dan de huurtoeslaggrens.

  • 7.

    We kunnen de periode, zoals bedoeld in lid 6, verlengen als de belanghebbende buiten zijn schuld nog geen huurwoning heeft kunnen vinden met een huur die lager is dan de maximale huurgrens van artikel 13 van de Wht. Dit houdt in dat de belanghebbende:

    • a.

      zes maanden actief heeft gezocht naar goedkopere woonruimte waarvoor recht op huurtoeslag bestaat in de regio’s Gooi en Vechtstreek, Eemvallei, Almere en Regio Utrecht. Dit betekent dat de belanghebbende aantoonbaar consequent en adequaat heeft gereageerd op elke aangeboden woning met een huur die lager is dan de huurtoeslaggrens. Het soort woning en de ligging van de woning spelen daarbij geen rol.

    • b.

      er alles aan doet om de woning te verkopen als hij uitzicht heeft op goedkopere woonruimte: hij schakelt een makelaar in en zet de woning via een advertentie te koop. (Bijvoorbeeld in de krant en op websites waarop koopwoningen worden aangeboden).

    • c.

      geen passende woonruimte heeft geweigerd.

  • 8.

    De maximale termijn waarover we woonkostentoeslag verlenen, is vier jaar.

6. Kosten van inrichting, verhuizing en waarborgsom

Bij inrichtingskosten maken we een onderscheid tussen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en de overige inrichtingskosten. Duurzame gebruiksgoederen zijn bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine of meubels. Overige inrichtingskosten zijn de kosten voor bijvoorbeeld verf en behang. Dit onderscheid is van belang voor de vorm waarin we de bijzondere bijstand verstrekken.

 

De kosten van inrichting, aanschaf en vervanging van normale duurzame gebruiksgoederen zijn algemene kosten van bestaan. Die moeten inwoners normaal gesproken uit hun inkomen betalen. Ook als ze een inkomen op het niveau van het sociaal minimum ontvangen. Dan verwachten wij dat ze voor deze kosten een bedrag reserveren of dat ze deze kosten achteraf gespreid betalen. Alleen bij bijzondere omstandigheden wijken we hiervan af. We kunnen een huisbezoek afleggen om te bepalen of het echt nodig is om een duurzaam gebruiksgoed te vervangen.

 

Als voormalige asielzoekers na het verlaten van een asielzoekerscentrum voor het eerst een eigen woning krijgen, maken ze kosten voor de inrichting van die woning. Kunnen ze die kosten niet betalen uit eigen middelen of met een lening? Dan kunnen ze hiervoor bijzondere bijstand aanvragen (suppletie).

 

Het kan gebeuren dat een inwoner een waarborgsom moet betalen als hij een nieuwe woonruimte huurt. Meestal krijgt hij deze waarborgsom weer terug als hij het huurcontract opzegt. De waarborgsom blijft dus ‘eigendom’ van de huurder, maar hij kan niet over het geld beschikken. In sommige gevallen kunnen we voor deze kosten bijzondere bijstand verlenen.

 

6.1 Woninginrichtingskosten voor voormalige asielzoekers

  • 1.

    Voor de kosten voor woninginrichting (geldlening Kredietbank) kan bijzondere bijstand (suppletie) worden verleend. Maar dit geldt alleen als voormalige asielzoekers de kosten niet (hadden) kunnen betalen uit eigen middelen, met een lening (van derden), op een andere manier of hiervoor hadden kunnen reserveren.

  • 2.

    Als de Kredietbank Nederland de gemeente vraagt om borg te staan, dan moet er onderzoek worden gedaan naar de noodzaak daarvan. Bij bijzondere bijstand doen we altijd een onderzoek naar de noodzaak.

  • 3.

    Als het nodig is, verwijzen we belanghebbenden naar de Kredietbank Nederland voor een geldlening.

  • 4.

    Bijzondere bijstand om niet verlenen we alleen bij zeer uitzonderlijke omstandigheden.

  • 5.

    Het bedrag voor duurzame gebruiksgoederen (anders dan bij volledige woninginrichting) dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, stellen we vast op basis van de prijzengids van het Nibud.

  • 6.

    Is er sprake van volledige woninginrichting? Dan stellen we de bijstand vast op basis van de maximale bedragen van de Kredietbank Nederland.

6.2 Verhuiskosten en overige inrichtingskosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor verhuiskosten en overige inrichtingskosten verstrekken we alleen als:

    • a.

      de verhuizing noodzakelijk is.

    • b.

      de kosten onvoorzien zijn en er geen reserveringsmogelijkheden waren of gespreide betaling achteraf mogelijk was.

    • c.

      er geen voorliggende voorziening is.

  • 2.

    Bij een verhuizing naar een andere gemeente betaalt de gemeente van vertrek de kosten voor het vertrek uit de oude woning.

  • 3.

    De kosten voor de nieuwe woning betaalt de gemeente van vestiging.

  • 4.

    Is er sprake van dubbele huur? Dan gaan we ervan uit dat de huur van de oude woning dubbel is. Voor dubbele huur kunnen we voor maximaal één maand bijzondere bijstand verlenen.

  • 5.

    Voor de verhuiskosten en overige inrichtingskosten verlenen we in principe bijzondere bijstand om niet.

  • 6.

    We kunnen van lid 5 afwijken als sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Participatiewet.

  • 7.

    Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, stellen we vast op basis van de prijzengids van het Nibud.

6.3 Waarborgsom

We kunnen bijzondere bijstand verlenen voor een waarborgsom in de vorm van een renteloze geldlening. Deze lening moet de belanghebbende altijd volledig terugbetalen.

 

6.4 Eerste verhuurnota statushouders

Voor de eerste verhuurnota kunnen we bijzondere bijstand verlenen voor het volledige bedrag van de huur, inclusief eventuele servicekosten. Maar dit geldt alleen als de statushouder voor deze kosten niet had kunnen reserveren of deze kosten niet kan betalen uit eigen middelen.

7. Kosten van medische aard

Inwoners met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm kunnen deelnemen aan collectieve aanvullende zorgverzekering van de gemeente (gemeentepolis). Er bestaan verschillende pakketten.

 

Bij de beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand voor medische kosten doen we alsof de belanghebbende verzekerd is via de gemeentepolis met het pakket Univé Compleet (het meest uitgebreide pakket). De gemeentepolis van Univé heeft twee aanvullende verzekeringen: Compact en Compleet.

 

7.1 Algemeen medische kosten

Premies voor de zorgverzekeringen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

7.1.1 Andere verzekeraars dan de gemeentepolis van Univé

  • 1.

    Vergoeden we noodzakelijke ziektekosten vanuit de bijzondere bijstand? Dan betalen we alleen het deel van de kosten dat de aanvullende verzekering Univé Compleet niet vergoedt.

  • 2.

    Bijzondere bijstand is ook mogelijk als de belanghebbende geen gemeentepolis heeft, maar wel is verzekerd bij een andere verzekeringsmaatschappij. Wij beoordelen de aanvraag dan alsof de belanghebbende via Univé Compleet verzekerd is.

 

7.2 Eigen aandeel tandheelkundige hulp en orthodontie

  • 1.

    Bij de berekening van de hoogte van de bijzondere bijstand gaan we ervan uit dat de belanghebbende via Univé Compleet is verzekerd.

  • 2.

    Voor het deel van noodzakelijke tandheelkundige hulp dat de belanghebbende zelf moet betalen, kunnen we bijzondere bijstand verlenen.

  • 3.

    De vergoeding is per kalenderjaar maximaal € 500 voor tandheelkunde en orthodontie samen.

7.3 Extra kosten door ziekte of handicap

  • 1.

    Een ziekte of handicap kan extra (medische) kosten met zich meebrengen. Mensen die deze ziekte of handicap niet hebben, hoeven die kosten niet te maken. Sommige kosten worden vergoed vanuit een aanvullende verzekering, andere regelingen of via de Belastingdienst. Bijzondere kosten die niet vergoed worden, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Voor dit soort kosten verstrekken we een vaste vergoeding. In bijzondere gevallen, waarin een vergoeding aantoonbaar niet voldoende is, kunnen we deze meerkosten aanvullend vergoeden.

  • 3.

    De noodzaak voor de kosten stellen we één keer per drie jaar vast.

7.3.1 Personenalarmering

  • 1.

    Is personenalarmering medisch noodzakelijk voor de belanghebbende? Dan vergoeden we de kosten daarvoor. Als we twijfelen aan deze noodzaak, vragen we om medisch advies.

  • 2.

    We vergoeden een bedrag van € 20 per maand voor de abonnementskosten voor

  • 3.

    alarmering.

7.3.2 Stookkosten

  • 1.

    Is het voor de belanghebbende medisch noodzakelijk om extra te stoken? Dan vergoeden we de kosten. Als we twijfelen aan deze noodzaak, vragen we om medisch advies.

  • 2.

    We vergoeden een bedrag van € 20 per maand voor extra stookkosten.

7.3.3 Wassen en slijtage van kleding en schoenen

  • 1.

    Moet de kleding en beddengoed van een belanghebbende om medische redenen extra gewassen worden? Of slijten zijn kleding en schoenen sneller door een aandoening? Dan vergoeden we de extra kosten. Als we twijfelen aan deze noodzaak, vragen we om medisch advies.

  • 2.

    We vergoeden een bedrag van € 13 per maand voor de slijtage van kleding en schoenen.

  • 3.

    We vergoeden een bedrag van € 10 per maand voor de kosten van wassen.

7.3.4 Dieet

  • 1.

    Volgt een belanghebbende om medische redenen een dieet en wordt dit dieet niet vergoed door de Belastingdienst? Dan komen de kosten van dit dieet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Er is een medische noodzaak voor het maken van deze kosten. Als we twijfelen aan deze noodzaak, vragen we om medisch advies.

  • 3.

    We vergoeden een bedrag van € 20 per maand voor dieetkosten.

8. Kosten van algemene of maatschappelijke aard

8.1 Beschermingsbewind, curatele en mentorschap

  • 1.

    Voor de kosten van beschermingsbewind, curatele en mentorschap verlenen we bijzondere bijstand als uit een beschikking van de rechtbank blijkt dat dit noodzakelijk is.

  • 2.

    We verlenen bijzondere bijstand voor de kosten uit de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en de kosten van griffierecht.

8.2 Rechtshulp

Voorwaarden

 

  • 1.

    Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de kosten van rechtsbijstand als er op grond van een toevoeging uit de Wrb rechtsbijstand wordt verleend.

  • 2.

    Als de belanghebbende voldoet aan lid 1, kunnen we bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage en de eventuele noodzakelijke bijkomende kosten, zoals griffierecht.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten. De belanghebbende moet hiervan bewijsstukken laten zien.

  • 4.

    Heeft de belanghebbende de procedure gewonnen? Dan moet onderzocht worden of de rechter heeft gezegd dat de tegenpartij de kosten voor de procedure moet betalen. Is dat zo? Dan moet de belanghebbende de verleende bijstand terugbetalen.

  • 5.

    Wordt een procedure gevolgd volgens de Algemene wet bestuursrecht? Dan betaalt de rechtbank het griffierecht terug als de belanghebbende de zaak wint. Heeft de belanghebbende bijstand voor het betalen van het griffierecht ontvangen? Dan moet hij dit bedrag terugbetalen.

8.3 Reiskosten

Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Deze kosten kunnen uit de bijstandsnorm worden betaald. We kunnen in een aantal situaties bijzondere bijstand verlenen. Bijvoorbeeld als de belanghebbende reiskosten maakt voor een bezoek aan een gevangene, een bezoek aan mensen die ergens anders verpleegd of verzorgd worden (bijvoorbeeld in een ziekenhuis) of voor een bezoek aan kinderen die uit huis geplaatst zijn.

 

We verlenen bijstand op basis van de goedkoopste oplossing. Dit zijn óf de kosten op basis van tweede klas openbaar vervoer óf een kilometervergoeding op basis van de maximale belastingvrije kilometervergoeding. Die berekenen we op basis van de kortste afstand volgens de ANWB-routeplanner. De eerste 10 km enkele reis vergoeden we niet.

8.3.1 Bezoek aan een gedetineerde

De reiskosten voor het bezoeken van een gedetineerde kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als de gedetineerde bij het gezin hoort.

 

Aanvullende voorwaarden:

 

We verlenen bijzondere bijstand als de belanghebbende aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • a.

    de gedetineerde hoort bij het gezin.

  • b.

    de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en heeft geen recht op verlof.

Beperkingen:

De belanghebbende krijgt bijzondere bijstand om maximaal één keer per week een bezoek aan de gedetineerde te brengen. Dit geldt voor elk gezinslid.

8.3.2 Bezoek aan mensen die ergens anders worden verpleegd of verzorgd

De reiskosten die de belanghebbende maakt om mensen die tot het gezin behoren, te bezoeken die ergens anders worden verpleegd of verzorgd (bijvoorbeeld in een ziekenhuis of een verzorgingstehuis) kunnen worden vergoed uit bijzondere bijstand.

 

Aanvullende voorwaarden:

 

  • 1.

    We kunnen bijzondere bijstand verlenen als de verpleegde of verzorgde bij het gezin hoort, zoals bedoeld in artikel 4 van de Participatiewet.

  • 2.

    De belanghebbende krijgt bijzondere bijstand om maximaal één keer per week een bezoek te brengen aan de verzorgde/verpleegde. Dit geldt voor elk gezinslid.

  • 3.

    In bijzondere situaties kunnen we op individuele basis afwijken van het aantal bezoeken uit lid 2.

8.3.3 Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen

De reiskosten die ouders maken voor een bezoek aan een kind dat uit huis geplaatst is, komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Is er sprake van een omgangsregeling en wonen de ouders niet dicht bij elkaar? Dan komen de reiskosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Aanvullende voorwaarden:

 

  • 1.

    We kunnen bijzondere bijstand verlenen als er een bewijs van uithuisplaatsing is.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die is opgesteld door een instelling, zoals Bureau Jeugdzorg.

8.4 Uitvaartkosten

We verlenen bijzondere bijstand voor een begrafenis of crematie als de nabestaande van de overledene de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap kan betalen en de nabestaande niet genoeg geld heeft om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te betalen.

 

Nabestaanden zijn de echtgenoot, de partner, de ouder en de kinderen. De kosten van een begrafenis of crematie behoren dus niet tot de noodzakelijke bestaanskosten van de overledene zelf, omdat bijstandverlening aan de overledene niet mogelijk is.

 

Aanvullende voorwaarden:

 

  • 1.

    De kosten voor een uitvaart komen tot een maximumbedrag van € 6000 in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Het maximumbedrag geldt per uitvaart, niet per erfgenaam. (Het bedrag wordt verdeeld over de erfgenamen).

  • 3.

    We vergoeden de kosten van de uitvaart, maar alleen het deel dat niet kan worden betaald uit een uitvaartverzekering of uit de nalatenschap.

  • 4.

    We verlenen geen extra bijstand voor de kosten van repatriëring bij overlijden in het buitenland.

  • 5.

    We verlenen geen bijstand voor een begrafenis en/of uitvaart in het buitenland.

9. Afwijken van deze richtlijnen (Hardheidsclausule)

De gemeente kan besluiten om af te wijken van een regel uit deze beleidsregels als het resultaat voor de belanghebbende (of anderen die direct betrokken zijn bij het besluit) onredelijk is.

Een uitkomst is altijd onredelijk als de doelen van deze beleidsregels door het toepassen van de regels niet worden bereikt.

10. Slotbepalingen

  • 1.

    De Richtlijnen Bijzondere Bijstand treden in werking op 1 april 2026, onder gelijktijdig intrekken van de Richtlijnen Bijzondere Bijstand (gemeenteblad nummer 369784)

  • 2.

    De Richtlijnen worden “Richtlijnen Bijzondere Bijstand Huizen 2026 genoemd.

  • 3.

    In alle gevallen waarin deze beleidsregels voor bijzondere bijstand niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

  • 4.

    Deze beleidsregels gelden voor aanvragen bijzondere bijstand, die zijn ingediend op of na 1 april 2026. Aanvragen bijzondere bijstand, die zijn ingediend vóór 1 april 2026 worden afgehandeld volgens de richtlijnen bijzondere bijstand, die zijn gepubliceerd op 28 augustus 2024 in Gemeenteblad nr 369784.

Dit is vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen op 4 maart 2026.

De gemeentesecretaris,

De burgemeester,

Naar boven