Gemeenteblad van Huizen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Huizen | Gemeenteblad 2026, 130947 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Huizen | Gemeenteblad 2026, 130947 | beleidsregel |
Richtlijnen Bijzondere Bijstand Huizen 2026
1. Inleiding en uitgangspunten
De invulling en uitvoering van het beleid voor bijzondere bijstand ligt bij het college van burgemeester en wethouders. Het college heeft beleidsvrijheid bij de vaststelling van de draagkracht en de draagkrachtperiode van de belanghebbende. En tot op zekere hoogte ook bij de bepaling van de inhoud van het beleid voor bijzondere bijstand. In deze beleidsregels werken we dit verder uit.
In artikel 3.4.3 gebruiken we het begrip ‘belanghebbende’. Dat begrip leggen we hieronder uit. Voor begrippen die niet in onderstaande lijst staan, geldt de betekenis uit de Participatiewet, de desbetreffende bijzondere wet of uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij de beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand moet het college zich steeds de volgende vier vragen stellen. Is het antwoord op een vraag negatief? Dan wordt de volgende vraag niet beantwoord, omdat er in dat geval geen sprake is van verlening van bijzondere bijstand. Deze vaste beoordelingsvolgorde is ontwikkeld via jurisprudentie.
3. Drempelbedrag, inkomen en vermogen
In dit hoofdstuk leggen we uit welk inkomen en vermogen meetelt bij de berekening van het recht op bijzondere bijstand. We gaan ook in op draagkracht: geld waarmee iemand zélf bijzondere kosten kan betalen. Dit kan draagkracht uit inkomen zijn, maar ook draagkracht uit vermogen. We kijken naar de draagkracht over een langere periode. Dit noemen we de ‘draagkrachtperiode’. Als een inwoner bijzondere bijstand aanvraagt, kijken we eerst of de inwoner zelf genoeg draagkracht heeft. Daardoor kunnen we beoordelen of de inwoner recht heeft op bijzondere bijstand en – zo ja – wat de hoogte is van de bijzondere bijstand.
3.2 Toepassing vrijlatingen Participatiewet
Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand passen we de vrijlatingen uit artikel 31, lid 2 van de Participatiewet niet toe. Deze vrijlatingen zijn alléén van toepassing op de beoordeling van het recht op algemene bijstand (levensonderhoud). Het inkomen nemen we bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand normaal gesproken volledig mee. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als er in deze beleidsregels nadrukkelijk iets anders is bepaald.
Het inkomen van een zelfstandige is de netto jaarwinst, verminderd met het percentage dat in artikel 6, lid 2 van het Bbz, op peildatum 1 januari staat. De jaarwinst stellen we vast op basis van het jaarverslag van het boekjaar dat voorafgaat aan de peildatum. We maken daarbij gebruik van het percentage uit artikel 6, lid 2 van datzelfde jaar.
Er geldt een extra vermogensvrijlating van maximaal € 6000 als er sprake is van uitvaartreservering. Dit betekent dat de belanghebbende geld apart heeft gezet voor de uitvaart en dat dit bedrag niet eerder is of wordt opgenomen. Deze vrijlating geldt alleen als de belanghebbende geen uitvaartverzekering heeft afgesloten. Heeft de belanghebbende een uitvaartverzekering afgesloten tegen een (veel) lager bedrag? Dan kunnen we een bedrag vrijlaten dat gelijk is aan het verschil tussen de verzekeringsdekking en de maximale extra vermogensvrijlating.
Een auto waarvan de waarde niet hoger is dan € 4000 laten we vrij. We gebruiken de ANWB/BOVAG-lijst om de waarde van de auto te bepalen. Daarbij gaan we uit van de laagste waarde (inkoop door een garagebedrijf). De staat van de auto is daarbij van belang. We kijken bijvoorbeeld of hij schadevrij is en hoeveel kilometer er op de teller staat. Wijkt de staat af van wat normaal is? Bijvoorbeeld omdat de auto schade heeft of een hoge kilometerstand? Dan vragen we de waarde op bij een garage.
We zien de volgende kosten als buitengewone uitgaven die we aftrekken van het inkomen vóórdat we de draagkracht berekenen:
reiskosten voor woon-werkverkeer die de belanghebbende zelf betaalt. Dit geldt alleen als deze kosten noodzakelijk zijn en de belanghebbende geen andere vergoeding krijgt. De kosten die we meenemen bij de berekening van de draagkracht, stellen we vast op basis van openbaar vervoer tweede klas. Of – als de belanghebbende eigen vervoer gebruikt – op basis van de maximaal fiscaal vrijgestelde kilometervergoeding. De afstand bepalen we aan de hand van de kortste route volgens de ANWB-routeplanner. De eerste 10 kilometer enkele reis nemen we niet mee in de berekening.
Voor belanghebbenden die permanent in een instelling verblijven en bijzondere bijstand aanvragen, gaan we bij de beoordeling van de draagkracht uit inkomen uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zoals bedoeld in de artikelen 21 en 22 van de Participatiewet. Bij de vaststelling van de draagkracht houden we geen rekening met de verschuldigde eigen bijdrage volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze bijdrage zien we als onderdeel van de woonlasten in een instelling. Daarom komen ze niet afzonderlijk in aanmerking voor aftrek of compensatie binnen de draagkrachtberekening.
De belanghebbende moet een renteloze geldlening in drie jaar aflossen. Bestaat er na maximaal 36 maanden nog een restschuld? Dan zetten we die om in bijstand om niet. De belanghebbende moet de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen dan wel volledig hebben betaald. De maanden waarin de belanghebbende tijdelijk uitstel van aflossing kreeg of waarin hij niet afloste, tellen niet mee voor de periode van 36 maanden.
4.3 Hoogte van de bijzondere bijstand
Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand gaan we uit van de meest toereikende en goedkoopste voorziening. Kunnen we die niet of nauwelijks vaststellen? Dan gebruiken we de normbedragen uit de nieuwste prijzengids van het Nibud als maximumbedragen. Dit geldt niet als er iets anders in de beleidsregels staat.
Bij het vaststellen van de bijzondere bijstand kunnen we rekening houden met besparingskosten. Dit zijn noodzakelijke kosten die een alleenstaande of een gezin anders zou maken, en nu niet maakt.
Woonkostentoeslag is een vorm van bijzondere bijstand. Een belanghebbende kan recht hebben op woonkostentoeslag als hij door onverwachte, niet-verwijtbare omstandigheden de huur of hypotheek niet meer kan betalen.
5.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning
De periode, zoals bedoeld in het vorige lid, kunnen we steeds met zes maanden verlengen als de belanghebbende buiten zijn schuld nog geen woning heeft kunnen krijgen waarvoor wél recht bestaat op huurtoeslag. Daarvoor heeft de belanghebbende aangetoond dat hij:
zes maanden actief heeft gezocht naar goedkopere woonruimte waarvoor recht op huurtoeslag bestaat in de regio’s Gooi en Vechtstreek, Eemvallei, Almere en Regio Utrecht. Dit betekent dat de belanghebbende aantoonbaar consequent en adequaat heeft gereageerd op elke aangeboden woning met een huur die lager is dan de huurtoeslaggrens. Het soort woning en de ligging van de woning spelen daarbij geen rol.
5.2 Woonkostentoeslag bij een koopwoning
Voor de aflossing en premies van een levens- of spaarverzekering die aan de hypotheek gekoppeld is, verlenen we geen woonkostentoeslag. De woonkostentoeslag is maximaal gelijk aan de huurtoeslag die iemand per maand zou krijgen op basis van inkomen en eventuele medebewoners, tot aan de maximale huurgrens op grond van artikel 13 van de Wht.
Voor het gedeelte van de woonkosten dat boven de maximale huurgrens ligt, kan in de eerste twee jaar maximaal 100% woonkostentoeslag worden verleend. In het derde en vierde jaar is dat 75%. Dit betekent dat bij woonkosten van € 1200 per maand en een maximale huurgrens van € 900 per maand, over het gedeelte van de woonkosten boven deze € 900 in de eerste twee jaar maximaal € 300 woonkostentoeslag kan worden verstrekt (100% van € 300), en in het derde en vierde jaar € 225 (75% van € 300).
We kunnen de periode, zoals bedoeld in lid 6, verlengen als de belanghebbende buiten zijn schuld nog geen huurwoning heeft kunnen vinden met een huur die lager is dan de maximale huurgrens van artikel 13 van de Wht. Dit houdt in dat de belanghebbende:
zes maanden actief heeft gezocht naar goedkopere woonruimte waarvoor recht op huurtoeslag bestaat in de regio’s Gooi en Vechtstreek, Eemvallei, Almere en Regio Utrecht. Dit betekent dat de belanghebbende aantoonbaar consequent en adequaat heeft gereageerd op elke aangeboden woning met een huur die lager is dan de huurtoeslaggrens. Het soort woning en de ligging van de woning spelen daarbij geen rol.
6. Kosten van inrichting, verhuizing en waarborgsom
Bij inrichtingskosten maken we een onderscheid tussen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en de overige inrichtingskosten. Duurzame gebruiksgoederen zijn bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine of meubels. Overige inrichtingskosten zijn de kosten voor bijvoorbeeld verf en behang. Dit onderscheid is van belang voor de vorm waarin we de bijzondere bijstand verstrekken.
De kosten van inrichting, aanschaf en vervanging van normale duurzame gebruiksgoederen zijn algemene kosten van bestaan. Die moeten inwoners normaal gesproken uit hun inkomen betalen. Ook als ze een inkomen op het niveau van het sociaal minimum ontvangen. Dan verwachten wij dat ze voor deze kosten een bedrag reserveren of dat ze deze kosten achteraf gespreid betalen. Alleen bij bijzondere omstandigheden wijken we hiervan af. We kunnen een huisbezoek afleggen om te bepalen of het echt nodig is om een duurzaam gebruiksgoed te vervangen.
Als voormalige asielzoekers na het verlaten van een asielzoekerscentrum voor het eerst een eigen woning krijgen, maken ze kosten voor de inrichting van die woning. Kunnen ze die kosten niet betalen uit eigen middelen of met een lening? Dan kunnen ze hiervoor bijzondere bijstand aanvragen (suppletie).
Het kan gebeuren dat een inwoner een waarborgsom moet betalen als hij een nieuwe woonruimte huurt. Meestal krijgt hij deze waarborgsom weer terug als hij het huurcontract opzegt. De waarborgsom blijft dus ‘eigendom’ van de huurder, maar hij kan niet over het geld beschikken. In sommige gevallen kunnen we voor deze kosten bijzondere bijstand verlenen.
6.1 Woninginrichtingskosten voor voormalige asielzoekers
Voor de kosten voor woninginrichting (geldlening Kredietbank) kan bijzondere bijstand (suppletie) worden verleend. Maar dit geldt alleen als voormalige asielzoekers de kosten niet (hadden) kunnen betalen uit eigen middelen, met een lening (van derden), op een andere manier of hiervoor hadden kunnen reserveren.
Inwoners met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm kunnen deelnemen aan collectieve aanvullende zorgverzekering van de gemeente (gemeentepolis). Er bestaan verschillende pakketten.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor bijzondere bijstand voor medische kosten doen we alsof de belanghebbende verzekerd is via de gemeentepolis met het pakket Univé Compleet (het meest uitgebreide pakket). De gemeentepolis van Univé heeft twee aanvullende verzekeringen: Compact en Compleet.
7.3 Extra kosten door ziekte of handicap
Een ziekte of handicap kan extra (medische) kosten met zich meebrengen. Mensen die deze ziekte of handicap niet hebben, hoeven die kosten niet te maken. Sommige kosten worden vergoed vanuit een aanvullende verzekering, andere regelingen of via de Belastingdienst. Bijzondere kosten die niet vergoed worden, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.
8. Kosten van algemene of maatschappelijke aard
Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Deze kosten kunnen uit de bijstandsnorm worden betaald. We kunnen in een aantal situaties bijzondere bijstand verlenen. Bijvoorbeeld als de belanghebbende reiskosten maakt voor een bezoek aan een gevangene, een bezoek aan mensen die ergens anders verpleegd of verzorgd worden (bijvoorbeeld in een ziekenhuis) of voor een bezoek aan kinderen die uit huis geplaatst zijn.
We verlenen bijstand op basis van de goedkoopste oplossing. Dit zijn óf de kosten op basis van tweede klas openbaar vervoer óf een kilometervergoeding op basis van de maximale belastingvrije kilometervergoeding. Die berekenen we op basis van de kortste afstand volgens de ANWB-routeplanner. De eerste 10 km enkele reis vergoeden we niet.
8.3.1 Bezoek aan een gedetineerde
De reiskosten voor het bezoeken van een gedetineerde kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als de gedetineerde bij het gezin hoort.
We verlenen bijzondere bijstand als de belanghebbende aan de volgende voorwaarden voldoet:
De belanghebbende krijgt bijzondere bijstand om maximaal één keer per week een bezoek aan de gedetineerde te brengen. Dit geldt voor elk gezinslid.
8.3.2 Bezoek aan mensen die ergens anders worden verpleegd of verzorgd
De reiskosten die de belanghebbende maakt om mensen die tot het gezin behoren, te bezoeken die ergens anders worden verpleegd of verzorgd (bijvoorbeeld in een ziekenhuis of een verzorgingstehuis) kunnen worden vergoed uit bijzondere bijstand.
8.3.3 Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen
De reiskosten die ouders maken voor een bezoek aan een kind dat uit huis geplaatst is, komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Is er sprake van een omgangsregeling en wonen de ouders niet dicht bij elkaar? Dan komen de reiskosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.
We verlenen bijzondere bijstand voor een begrafenis of crematie als de nabestaande van de overledene de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap kan betalen en de nabestaande niet genoeg geld heeft om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te betalen.
Nabestaanden zijn de echtgenoot, de partner, de ouder en de kinderen. De kosten van een begrafenis of crematie behoren dus niet tot de noodzakelijke bestaanskosten van de overledene zelf, omdat bijstandverlening aan de overledene niet mogelijk is.
9. Afwijken van deze richtlijnen (Hardheidsclausule)
De gemeente kan besluiten om af te wijken van een regel uit deze beleidsregels als het resultaat voor de belanghebbende (of anderen die direct betrokken zijn bij het besluit) onredelijk is.
Een uitkomst is altijd onredelijk als de doelen van deze beleidsregels door het toepassen van de regels niet worden bereikt.
Deze beleidsregels gelden voor aanvragen bijzondere bijstand, die zijn ingediend op of na 1 april 2026. Aanvragen bijzondere bijstand, die zijn ingediend vóór 1 april 2026 worden afgehandeld volgens de richtlijnen bijzondere bijstand, die zijn gepubliceerd op 28 augustus 2024 in Gemeenteblad nr 369784.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-130947.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.