Besluit tot tweede wijziging van de Leidraad Invordering 2024 gemeente Súdwest-Fryslân

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân;

 

gelet op de Invorderingswet 1990 en de artikelen 160, 231 en 249 tot en met 257 van de Gemeentewet;

 

heeft overwogen dat:

  • de Leidraad Invordering Súdwest-Fryslân 2024 (vastgesteld d.d. 16 juli 2024) op 1 januari 2024 in werking is getreden;

  • de leidraad ieder jaar op advies van de Vereniging Nederlandse Gemeenten wordt geactualiseerd;

  • de VNG in juli 2025 en januari 2026 een aantal redactionele en technische wijzigingen heeft doorgevoerd en daarnaast meerdere nieuwe artikelen aan de leidraad heeft toegevoegd;

  • het gewenst is deze wijzigingen te verwerken in de Leidraad met een tweede wijzigingsbesluit;

 

besluit:

 

de tweede wijziging van de Leidraad Invordering Súdwest-Fryslân 2024 van gemeente Súdwest-Fryslân vast te stellen.

 

 

Artikel I  

De Leidraad invordering 2024 gemeente Súdwest-Fryslân wordt als volgt gewijzigd:

 

  • A.

    Artikel 1.5.

     

  • 1.

    Na het eerste opsommingsteken wordt een bepaling ingevoegd, luidende:

    • bezwaarschriften tegen beschikkingen ambtshalve kwijtschelding als bedoeld in artikel 26a van de Invorderingswet;

  • 2.

    In de vijfde alinea vervalt de tekst, beginnend met ‘Dit betekent onder meer’ en eindigend met ‘beoordeling ook zou hebben afgewezen.’.

 

  • B.

    Na artikel 1.5. worden twee artikelen (genummerd 1.5a. en 1.5b.) toegevoegd, luidende:

     

Artikel 1.5a. Marginale toetsing (1.1.5b)

Als de belastingschuldige in een verzoek aan de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de invorderingsambtenaar de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de invorderingsambtenaar voor een dergelijke aanslag geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de invorderingsambtenaar bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. Als bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag gedeeltelijk of geheel in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de invorderingsambtenaar in zoverre geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen begrepen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven.

 

Als de invorderingsambtenaar invorderingsmaatregelen heeft genomen na indiening van het verzoek van de belastingschuldige tot marginale toetsing, corrigeert hij de afboekingen op de belastingaanslag voor zover deze belastingaanslag niet materieel verschuldigd kan worden geacht. In het geval het afboekingen betreffen die zien op de periode van vóór de ontvangst van het verzoek dan wel er sprake is van betalingen uit eigen beweging van de belastingschuldige, corrigeert de invorderingsambtenaar dit voor zover dat in redelijkheid nog mogelijk is.

 

De invorderingsambtenaar wijst het verzoek van belastingschuldige af als de heffingsambtenaar het tijdige verzoek voor ambtshalve beoordeling ook zou hebben afgewezen.

 

Artikel 1.5b. Verzoekschriften aan andere instellingen (1.1.5c)

De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar [na voorafgaande toestemming van het college] toch invorderingsmaatregelen treffen.

 

  • C.

    Artikel 15.3.7.

Dit artikel komt te vervallen.

 

  • D.

    Artikel 18.1.

Na het derde opsommingsteken wordt ingevoegd:

  • watertoeristenbelasting;

 

  • E.

    Artikel 18.1.13.

Dit artikel komt te vervallen.

 

  • F.

    Artikel 18.5.1.

Aan de tweede alinea, eindigend met “gunnen dan twaalf maanden.”, wordt een zin toegevoegd, luidende: Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij betalingsregelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf maanden duurt.

 

  • G.

    Artikel 18.5.8.

Dit artikel komt te luiden:

18.5.8. Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden (25.5.8)

De invorderingsambtenaar kan aflossingsverplichtingen aan derden, waarvan het niet-nakomen tot ongewenste effecten kan leiden, meenemen bij de berekening van de betalingscapaciteit.

 

  • H.

    Artikel 18.5.9.

Dit artikel komt te luiden:

18.5.9. Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten (25.5.9)

Bij de berekening van de betalingscapaciteit kan de invorderingsambtenaar slechts rekening houden met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.

 

  • I.

    Na artikel 18.5.10. worden 3 artikelen (genummerd 18.5a,1, 18.5a.2 en 18.5a.3) toegevoegd, luidende:

18.5a. Verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen (25.5a)

18.5a.1. Betalingsregeling bij illiquide vermogen (25.5a.1)

Aan de belastingschuldige bij wie – na aanwending van het eventuele overige vermogen dat niet bezwaarlijk liquide te maken is – sprake is van vermogen dat bezwaarlijk liquide te maken is als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de regeling (hierna: illiquide vermogen) kan de invorderingsambtenaar de reguliere uitsteltermijn van twaalf maanden waarin de belastingschuldige zijn betalingscapaciteit inzet, verlengen met inachtneming van het volgende.

 

De invorderingsambtenaar verlengt de uitsteltermijn van twaalf maanden met ten hoogste 60 maanden. In deze periode dient de belastingschuldige een bedrag af te lossen gelijk aan maximaal de (over)waarde van het illiquide vermogen. Bij de maandelijkse termijnbetalingen houdt de invorderingsambtenaar rekening met de betalingscapaciteit van de belastingschuldige.

 

Als de omstandigheden op grond waarvan de betalingsregeling is toegekend veranderen, is belastingschuldige verplicht de invorderingsambtenaar zo spoedig mogelijk hierover te informeren. Voorts beoordeelt de invorderingsambtenaar jaarlijks of er sprake is van een verandering van het inkomen. Als blijkt dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden van het inkomen, berekent de invorderingsambtenaar opnieuw de betalingscapaciteit van de belastingschuldige. De invorderingsambtenaar past de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld.

 

Als gedurende de looptijd van de betalingsregeling een nieuwe belastingschuld ontstaat kan de invorderingsambtenaar deze op verzoek van de belastingschuldige meenemen in de bestaande regeling, indien deze nieuwe belastingschuld binnen de resterende (maximale) betalingstermijn kan worden voldaan. Indien deze nieuwe belastingschuld vanwege onvoldoende betalingscapaciteit niet kan worden meegenomen in de bestaande betalingsregeling beëindigt de invorderingsambtenaar de betalingsregeling.

 

18.5a.2. Onvoldoende betalingscapaciteit voor (voortzetten) betalingsregeling (25.5a.2)

Als een belastingschuldige niet of niet langer over voldoende betalingscapaciteit beschikt om de (over)waarde van zijn illiquide vermogen in (de resterende) 60 maanden te voldoen, dan wijst de invorderingsambtenaar het verzoek om uitstel af of beëindigt de betalingsregeling. De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan voor een redelijke termijn zodat belastingschuldige het vermogen liquide kan maken dan wel op een andere manier een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het vermogen kan voldoen.

 

18.5a.3. Redenen beëindigen betalingsregeling illiquide vermogen (25.5a.3)

In aanvulling op artikel 25.1.4 (nr. in koptekst) van deze leidraad en op de redenen tot beëindiging van de betalingsregeling genoemd in artikel 25.5a.1 en 25.5a.2 (nrs. in koptekst), beëindigt de invorderingsambtenaar de betalingsregeling eveneens als de gerechtigdheid tot het illiquide vermogen wijzigt.

 

  • J.

    Artikel 18.5.11.

Dit artikel komt te vervallen.

 

  • K.

    Artikel 19.1.2.

Het woord ‘Inlichtingenbureau’ wordt (3x) vervangen voor ‘BIDN’.

 

  • L.

    Artikel 19.1.12.

Dit artikel komt te vervallen.

 

  • M.

    Artikel 19.2.6.

In de tweede alinea wordt ‘de overblijvende partner/erfgenaam’ vervangen door ‘de langstlevende echtgenoot’.

 

  • N.

    Artikel 19.2.9.

  •  

  • 1.

    Het bedrag van € 77 (01-01-2024) onder A wordt vervangen door € 80 (01-01-2026).

  • 2.

    Het bedrag van € 68 (01-01-2024) onder B wordt vervangen door € 70 (01-01-2026).

 

  • O.

    Artikel 19.2.16.

Het bedrag van € 45 (01-01-2024) wordt vervangen door € 47 (01-01-2026) en het bedrag van € 101 (01-01-2024) wordt vervangen door € 106 (01-01-2026).

 

  • P.

    Artikel 19.3.7.

  •  

  • 1.

    De tekst van het vierde opsommingsteken komt te luiden:

    • Dwangcrediteuren. Onder “dwangcrediteuren” worden in dit verband handelscrediteuren verstaan van wie het aannemelijk is dat zij niet bereid zullen zijn aan een akkoord mee te werken, terwijl zonder de betrokkenheid van deze handelscrediteuren de onderneming na de totstandkoming van het saneringsakkoord niet kan worden voortgezet.

  • 2.

    Na het vierde opsommingsteken wordt een bepaling ingevoegd, luidende:

    • De boekhouder of adviseur die stukken moet produceren die voor de beoordeling van een saneringsakkoord nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de invorderingsambtenaar rekening met de volledige betaling van de vordering van de boekhouder of adviseur voor zover deze ziet op die werkzaamheden.

 

  • Q.

    Artikel 19.3.8.

  •  

  • 1.

    De eerste alinea komt te luiden:

  • De betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De invorderingsambtenaar kan echter toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan indien de belastingschuldige na de sanering het bedrijf of zelfstandig beroep blijft uitoefenen en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen. In het geval de invorderingsambtenaar betaling in termijnen heeft toegestaan, treedt hij voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de betalingsregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1, 25.6.2 (nr. in koptekst) en 25.6.2a (nr. in koptekst) van overeenkomstige toepassing waarbij in afwijking van:

  •  

  • 2.

    Na het vierde opsommingsteken wordt een bepaling ingevoegd, luidende:

    • artikel 25.6.2a (nr. in koptekst) van deze leidraad het bedrag van het saneringsakkoord in meer dan twaalf maandelijkse termijnen kan worden betaald, indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij het bedrag van het saneringsakkoord niet binnen twaalf maandelijkse termijnen kan voldoen en nakoming van het akkoord is geborgd. Daarnaast hoeft de belastingschuldige met een verklaring van een derde deskundige alleen aannemelijk te maken dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord zullen worden opgelost en dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. De tweede alinea van artikel 25.6.2b (nr. in koptekst) van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing. De invorderingsambtenaar verleent kwijtschelding indien het saneringsakkoord in het geheel is nagekomen.

  • 3.

    De laatste zin beginnend met “Kwijtschelding” en eindigend met “nagekomen”, vervalt.

 

  • R.

    Artikel 27.4.6.

Dit artikel komt te luiden:

27.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag (73.4.6)

Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met betalen (artikel 1 FW) kan de invorderingsambtenaar het faillissement aanvragen. De invorderingsambtenaar vraagt voor iedere faillissementsaanvraag vooraf schriftelijk toestemming aan het college. Het voorgaande geldt ook voor in hoger beroep te voeren zaken over een faillissementsaanvraag.

 

  • S.

    Artikel 27.4.8.

De laatste zin beginnend met “in dat geval” en eindigend met “vereist”, vervalt.

 

  • T.

    Artikel 27.5.4.

Na “als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet” wordt ingevoegd: “of een verzoek tot toelating tot de WSNP”.

 

ARTIKEL II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking de dag volgend op de bekendmaking in het Gemeenteblad en werkt terug tot 1 januari 2026.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 10 maart 2026,

mr. drs. J.A. de Vries, burgemeester

drs. C. Smits, gemeentesecretaris

Naar boven