Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân
gezien het voorstel van 16 februari 2026 over Gedogen verbranden snoeihout landschapsonderhoud
gelet op:
artikel 4:84 van Algemene wet bestuursrecht en de vigerende gedoogstrategie in de Uitvoerings- en handhavingsstrategie Noardeast-Fryslân 2024-2028 op grond waarvan in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de beginselplicht tot handhaving;
overwegende dat:
het verbranden van snoeihout een langdurig ingeburgerde praktijk is binnen het landschapsonderhoud en daarmee bijdraagt aan het in stand houden van houtwallen en elzensingels;
wij op basis van een gezamenlijk onderzoek met gemeenten in de Noardlike Fryske Wâlden naar de juridische status van snoeihout, hebben vastgesteld dat dit snoeihout moet worden aangemerkt als bedrijfsafval onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
het verbranden van dit afval een milieubelastende activiteit is waarvoor een omgevingsvergunning benodigd is;
volgens de beoordelingsregels van het Bal geen omgevingsvergunning kan worden verleend;
perceeleigenaren en natuurbeheerders redelijkerwijs niet tijdig konden anticiperen op de gewijzigde wetgeving;
het verbieden van verbranding zonder alternatief mogelijk zal leiden tot achterstallig beheer en verlies van draagvlak;
regulier landschapsonderhoud van belang is en wij disproportionele gevolgen door handhaving willen voorkomen;
aangesloten gemeenten in 2026 gezamenlijk onderzoek uitvoeren naar duurzame alternatieven voor verbranding, waaronder versnippering, verwerking tot bodemverbeteraar en overige circulaire toepassingen;
landschapsbeheerders op basis van de resultaten van dit onderzoek in 2026 de overstap maken naar een andere verwerkingswijze dan verbranden;
gedogen gerechtvaardigd is in situaties waarin sprake is van een overgangssituatie en strikte handhaving onevenredige gevolgen heeft, conform de uitgangspunten van de gemeentelijke gedoogstrategie;
voor verbranden een ontheffing op grond van de gemeentelijke APV vereist is, waaraan voorschriften worden verbonden in het kader van openbare orde, veiligheid, gezondheid en milieubescherming;
besluit vast te stellen:
Artikel 1 – Gedoogverklaring
Het college gedoogt het verbranden van snoeihout uit landschapsonderhoud ook wanneer geen omgevingsvergunning in het kader van het Bal voor deze milieubelastende activiteit is verleend. Deze gedoogverklaring geldt tijdelijk, tot 1 januari 2027.
Artikel 2 – Relatie met verbod verbranden afvalstoffen Algemeen Plaatselijke Verordening
Voor verbranding van snoeihout uit landschapsonderhoud blijft een ontheffing op grond van artikel 5:34 lid 3 APV vereist. De voorwaarden van deze gedoogverklaring worden als voorschriften aan deze ontheffing verbonden.
Artikel 3 – Voorwaarden
- a.
Het verbranden betreft uitsluitend snoeihout dat vrijkomt bij regulier landschapsonderhoud.
- b.
Het is verboden om andere afvalstoffen of materialen bij te mengen.
- c.
Verbranding is niet toegestaan tijdens het broedseizoen.
- d.
Verbranding mag uitsluitend plaatsvinden op een wijze die geen onaanvaardbare hinder of gevaar oplevert voor derden.
- e.
Perceeleigenaren en uitvoerders verlenen op verzoek direct toegang voor toezichthouders.
- f.
Het gedogen vervalt per 1 januari 2027. Na deze datum wordt op het verbranden van snoeihout uit landschapsonderhoud gecontroleerd en wordt er gehandhaafd bij overtredingen
- g.
Gedogen in concrete situaties vervalt als:
- i.
de aanvrager in strijd met de voorwaarden handelt;
- ii.
er naar oordeel van het college sprake is van onveilige of ongewenste situaties.
- h.
Indien bij ons klachten of handhavingsverzoeken worden ingediend over het verbranden van snoeihout, vormt dit aanleiding om de situatie te onderzoeken en deze gedoogverklaring opnieuw te beoordelen.
Artikel 4 – Uitvoering en toezicht
Toezicht wordt uitgevoerd door daarvoor aangewezen toezichthouders. Bij overtreding van de voorwaarden wordt handhavend opgetreden.
Artikel 5 – Inwerkingtreding
Deze gedoogverklaring treedt in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel 6 – Rechtsmiddelen
Tegen dit besluit staat geen bezwaar open, tenzij een belanghebbende aantoont dat dit besluit hem rechtstreeks treft.