Programma externe veiligheid gemeente Someren 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren;

 

b e s l u i t:

 

vast te stellen het Programma externe veiligheid gemeente Someren 2026

1. Inleiding

 

Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat (decentrale) overheden, zoals de gemeente Someren, bij hun plannen in een zo vroeg mogelijk stadium rekening houden met externe veiligheid. Zo kan de gemeente een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Daarom is het voor de gemeente belangrijk om beleid te hebben op dit gebied: waar zijn welke nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving mogelijk, rekening houdend met externe veiligheid? In dit programma is het beleid rondom externe veiligheid opgenomen.

 

Externe veiligheid gaat over de risico’s voor mens en milieu bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen en door windmolens. De gemeente heeft te maken met diverse externe veiligheidsrisico’s. Dit betreft onder andere risico’s die samenhangen met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijkswegen (A67), door hogedruk aardgastransportleidingen en de op- en overslag van gevaarlijke stoffen bij risicovolle bedrijven (zoals LPG-tankstations en industriële bedrijven). Dit zijn milieubelastende activiteiten (MBA’s) met externe veiligheidsrisico’s. De risico’s zijn veiligheidsrisico’s voor mensen die zich in de buurt van de milieubelastende activiteit bevinden. Het gaat hierbij om de veiligheid van personen buiten de locatie van de milieubelastende activiteit: externe veiligheid.

 

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal eerder vastgesteld beleid rondom externe veiligheid niet langer aansluiten bij de uitgangspunten van de huidige wetgeving. Hierdoor wordt de gemeente gedwongen om de doelstellingen en ambities rondom het aspect externe veiligheid opnieuw te beoordelen, rekening houdend met het ambitieniveau uit de omgevingsvisie.

Dit is het gevolg van aanzienlijke veranderingen in de wetgeving rondom externe veiligheid. De regels omtrent verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (zoals buisleidingen (Bevb, Revb), basisnet spoor, weg en water (Bevt, Regeling Basisnet) en risicovolle bedrijven (Bevi, Revi)) worden niet langer centraal vastgelegd onder de Omgevingswet. De omgang met en regels betreffende risicocontouren en aandachtsgebieden moeten nu in het decentrale beleid worden vastgelegd, in de omgevingsvisie, het programma externe veiligheid en in het omgevingsplan.

 

Om gerichte planregels te kunnen opnemen in het omgevingsplan en externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen op een goede manier te kunnen verantwoorden, kiest de gemeente ervoor om dit programma externe veiligheid op te stellen.

 

Doel van dit programma

Het doel van het programma externe veiligheid is een veilige leefomgeving in de gemeente. De gemeente heeft beleidsvrijheid om bepaalde functies, gebouwen en locaties en bepaalde activiteiten met externe veiligheidsrisico’s wel of niet toe te laten in bepaalde delen van de gemeente Someren. In het programma externe veiligheid staan de beleidskeuzes van de gemeente over waar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn waarbij externe veiligheid een rol speelt. Dit kan zijn bij het toevoegen van nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s of het toevoegen van gebouwen en locatie binnen brand- explosie en gifwolkaandachtsgebieden. Verder is een verantwoordingskader ontworpen wat de gemeente zal toepassen bij de afweging of nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en nieuwe kwetsbare locaties veilig kunnen worden gerealiseerd en of de locatiekeuze geschikt is.

 

Aangezien het ambitieniveau uit de beleidsvisie externe veiligheid uit 2013 momenteel nog steeds past binnen de ambitie uit de Omgevingsvisie bij de milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s en het ambitieniveau van de gemeente Someren wordt getracht om zoveel mogelijk beleidsneutraal over te gaan. Daar waar de keuzes uit het eerdere beleid niet meer past bij de Omgevingswet, zal beleidsvernieuwing plaatsvinden.

 

Voor wie is dit programma bedoeld?

Dit programma is bedoeld voor zowel bestuurders en ambtenaren als burgers en bedrijven. Bij het realiseren van nieuwe en bestaande ruimtelijke ontwikkelingen kunnen initiatiefnemers in dit programma de kaders rondom het thema externe veiligheid terugvinden. Daarnaast bieden ook (bestuurs)partners, zoals de provincie, de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB), de buurgemeenten, de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant (VRBZO) en Rijkswaterstaat, met dit document een duidelijk beeld van de visie van de gemeente Someren op externe veiligheid.

 

Externe veiligheid in de omgevingsvisie Someren

De omgevingsvisie bevat het belangrijkste beleid voor de fysieke leefomgeving. De gemeente Someren moet ook externe veiligheid meenemen bij hun afwegingen voor de omgevingsvisie. Het goed nadenken over de inrichting van een gebied kan mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren beschermen tegen de gevaren van een brand, explosie of een gifwolk. De omgevingsvisie geeft de beschermingsdoelstellingen in hoofdlijnen weer.

Op 4 juli 2024 is de omgevingsvisie van de gemeente Someren vastgesteld. In dit document worden er hoofdlijnen en hoofdopgaves gesteld rondom een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, onder andere in paragraaf 5.1.7 Samen werken aan veiligheid. Externe veiligheid is hier een onderdeel van.

In dit programma externe veiligheid zal concrete invulling worden gegeven aan dit ambitieniveau. De beleidskeuzes in dit programma zullen moeten leiden tot een goede indeling van de gemeente Someren om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving.

 

Leeswijzer

Dit programma externe veiligheid is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 wordt de gemeentelijke situatie op het gebied van externe veiligheid weergegeven. Daarnaast worden hierbij de relevante wettelijke kaders en regelgeving gekoppeld aan de specifieke situatie in Someren, evenals aan milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de doelstellingen en ambities vertaald naar beleidskeuzes. In hoofdstuk 4 worden deze beleidskeuzes gekoppeld aan gebiedstypen om invulling te geven aan een gezonde en veilige leefomgeving. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 het verantwoordingskader rondom ontwikkelingen in aandachtsgebieden beschreven.

Om de inhoud van dit programma goed te kunnen begrijpen, is het belangrijk om kennis te nemen van de begrippen en systematiek die bij dit thema horen. Daarom geeft bijlage 2 van dit programma een uitgebreide uitleg over de begrippen en systematiek van de Omgevingswet. Daarnaast worden de belangrijkste basisbegrippen van externe veiligheid toegelicht.

 

2. Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

 

Het is belangrijk om te weten waar de bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zich bevinden binnen de gemeente. Zo heeft de gemeente een duidelijk beeld waar de aandachtsgebieden zich bevinden en waar eventueel het groepsrisico verantwoord dient te worden. Binnen de gemeente Someren zijn diverse milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:

  • Locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, dit zijn MBA’s met externe veiligheidsrisico’s conform bijlage VII van het BKL (zoals LPG-tankstations, propaantanks en opslag gevaarlijke stoffen;

  • 4 hogedruk aardgasleidingen;

  • Wegen, rijksweg A67, N266 en N612;

  • Waterwegen, Zuid-Willemsvaart;

  • Hoogspanningslijnen;

  • Reserveringsstrook Structuurvisie buisleidingen

  • Duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s Duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s (zoals waterstof-tankstations, windmolens, buurtbatterijen etc.).

 

Register externe veiligheid

Figuur 1 Register externe veiligheid

 

Op het Register Externe veiligheid (REV) (bron: Atlas Veiligheid d.d. 1 oktober 2025) uit figuur 3 zijn de milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, Basisnet rijkswegen en buisleidingen in Someren met vastgestelde afstanden van de brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden en plaatsgebonden risicocontouren zichtbaar.

 

MBA’s met externe veiligheidsrisico’s (Risicovolle bedrijven)

Er zijn meerdere locaties met MBA’s met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven) gesitueerd binnen Someren. Deze zijn weergegeven op de REV (zie figuur 1). Hierin zijn de plaatsgebonden risicocontouren (PR 10⁻⁶-contouren), de brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en de gifwolkaandachtsgebieden opgenomen.

 

Bij sommige MBA’s is de afstand van de plaatsgebonden risicocontour vastgesteld in bijlage VII van het Bkl. Voor andere activiteiten moet de plaatsgebonden risicocontour worden berekend (zie eveneens bijlage VII van het Bkl). Sommige MBA’s hebben daarnaast een brand-, explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied (zie eveneens bijlage VII van het Bkl). Binnen het brand- en/of explosieaandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met externe veiligheidsrisico’s per scenario en, indien nodig, het aanwijzen van voorschriftengebieden.

 

Voor de gifwolkaandachtsgebieden geldt dat deze niet aangewezen kunnen worden als voorschriftengebied. Daarnaast wordt het gifwolkaandachtsgebied volgens artikel 5.12 begrensd door een afstand van 1,5 km, tenzij de daadwerkelijke afstand kleiner is. Het aandachtsgebied zal dus nooit groter zijn dan 1,5 km, aangezien deze grens beleidsmatig is vastgelegd.

Bij het toestaan van nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties binnen een gifwolkaandachtsgebied, moet de zelfredzaamheid (vlucht- of schuilscenario), de risicocommunicatie en de verantwoording van het groepsrisico op orde zijn. Voor deze verantwoording wordt het verantwoordingskader gebruikt (stappenplan ‘Afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ van de Provincie Noord-Brabant) zoals opgenomen in het programma Externe Veiligheid (hoofdstuk 5).

 

Globaal gaat het om de volgende MBA’s met externe veiligheidsrisico’s activiteiten conform bijlage VII BKL:

  • 6x propaantank groter dan 13m3

  • 31x opslag van gevaarlijke stoffen (zowel bedrijven die voorheen BEVI als niet voorheen BEVI waren)

  • 3x LPG-tankstation

In de gemeente bevinden zich meerdere bedrijventerreinen waarop met name MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn gevestigd. Op basis van de Visie Externe Veiligheid 2013 mogen op alle bedrijventerreinen MBA’s met externe veiligheidsrisico’s worden gevestigd. De gemeente Someren kiest er nu echter voor het gebiedstype bedrijventerreinen op te splitsen in twee categorieën: Intensief (waar MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn toegestaan) en Extensief (waar geen nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s worden toegestaan). Deze keuze is bewust gemaakt om woongebieden in de nabijheid beter te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s en om betere zoekgebieden voor nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s aan te wijzen.

 

Daarnaast zijn er ook MBA’s met externe veiligheidsrisico’s gevestigd in het buitengebied. In woonwijken komen deze activiteiten beduidend minder voor. Deze gebiedsgerichte benadering wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 4 van dit programma.

 

Onder de Omgevingswet veranderen de drempelwaarden van enkele bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s met betrekking tot registratie in het Register Externe Veiligheid (en daarmee zichtbaarheid op de REV), inclusief het vaststellen van de PR10⁻⁶-contour en veiligheidsafstanden. Dit betreft bijvoorbeeld:

 

  • Alle propaantanks: momenteel staan alleen propaantanks groter dan 3 m³ op de REV. Vanaf nu moeten ook de kleinere tanks worden geregistreerd. Hiervoor is alle informatie inmiddels in beeld gebracht op basis van coördinaten en aangeleverde gegevens van de gebruikers van deze propaantanks (in totaal 8 stuks). Deze gegevens zijn inmiddels aangeleverd aan het ministerie van IenW om opgevoerd te worden in het REV.

  • PGS 15-opslagen groter dan 2,5 ton: er bestaat nog een incompleet overzicht van locaties. De maximale veiligheidsafstand bedraagt 20 meter. Deze locaties zijn nog niet volledig in beeld gebracht. De inventarisatie is in 2021 gestart en zal naar verwachting in 2025 worden afgerond.

  • Verstikkende en oxiderende gassen opgeslagen in opslagtanks: de locaties hiervan zijn onbekend. De PR-contour bedraagt tussen 1 en 3 meter. Ook deze gegevens zijn nog niet in beeld gebracht. De inventarisatie van deze activiteiten wordt niet projectmatig opgepakt, maar is geïntegreerd in de reguliere VTH-taken door ODZOB.

  •  

(Aardgas) Buisleidingen

Door de gemeente Someren lopen vier hogedruk aardgasleidingen. Dit zijn twee A-leidingen (A-585 en A-521), deze hebben een werkdruk van meer dan 40 bar. Daarnaast lopen er ook twee kleinere Z-leidingen (Z-540-01 en Z-540-09) door de gemeente Someren. Deze hebben een werkdruk van tussen de 16 bar en 40 bar. Bij buisleidingen geldt een belemmeringenstrook van vier meter (voor de Z-leidingen) tot vijf meter (voor de A-leidingen). Hierbinnen mogen geen bouwwerken worden opgericht, aangezien de ruimte is gereserveerd voor onderhoud aan de leidingen. De PR10-6 contour en de aandachtsgebieden moeten op grond van het Bkl, bijlage VII onder D2 berekend worden voor buisleidingen. De leidingbeheerder levert deze informatie aan het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV).

 

Structuurvisie buisleidingen

De Structuurvisie Buisleidingen 2012–2035 is vastgesteld op 12 oktober 2012. Deze structuurvisie is een visie van het Rijk waarin ruimte wordt gereserveerd voor toekomstige buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen in Nederland. In de structuurvisie wordt een hoofdstructuur van verbindingen aangemerkt waarlangs ruimte moet worden vrijgehouden, de zogenaamde belemmeringenstrook. Het indicatieve tracé Laarbeek–Echt–Susteren is door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van 15 juli 2019 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012–2035 geschrapt.

Hoewel deze buisleiding niet wordt gerealiseerd, blijft er een ruimtelijke opgave bestaan voor buisleidingen vanaf Rotterdam richting het Ruhrgebied en het chemiecluster Chemelot. De gemeente Someren neemt het standpunt in dat een tracé via haar grondgebied uitdrukkelijk als zeer ongewenst wordt beschouwd, omdat dit de ontwikkeling van het buitengebied in grote mate belemmert.

 

Figuur 2 kaart structuurvisie buisleidingen rondom Someren (via: regels op de kaart)

 

Wegen

Ook over de weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit betreft zowel doorgaand vervoer over rijks- en provinciale wegen als bestemmingsverkeer over gemeentelijke wegen. De regelgeving rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen blijft buiten de Omgevingswet voortbestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

 

De wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd binnen de gemeente Someren zijn niet volledig zichtbaar op de REV, omdat het Basisnet alleen de hoofdvaarwegen bevat (de A-wegen) en enkele N-wegen. In Someren is alleen de A67 op de REV geprojecteerd. Voor transportroutes die niet tot het Basisnet behoren, maar waarover toch aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden vervoerd, moet eveneens rekening worden gehouden met externe veiligheid. Dit is onder andere vastgelegd in de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. In de toelichting op deze beleidsregels verzoekt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat provincies en gemeenten om dit beleid ook toe te passen op de transportroutes onder hun beheer.

 

Binnen Someren zijn er wegen die (mogelijk) van invloed zijn op de externe veiligheid.

 

Rijksweg A67

De Rijksweg A67 (wegvlakken B73 en B112) loopt door de gemeente Someren en is opgenomen in de Regeling Basisnet. Wegvlak B73, gelegen aan de noordwestkant van Lierop, heeft een PR10-06-contour van 29 meter. Wegvlak B112, ten noordoosten van Lierop, kent een PR10-06-contour van 32 meter. Daarnaast geldt voor de gehele Rijksweg A67 een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Omdat dit traject een plasbrandaandachtsgebied (PAG) omvat, wordt het brandaandachtsgebied verplicht aangewezen als brandvoorschriftengebied. Verder kent deze Rijksweg ook een gifwolkaandachtsgebied van 300 meter.

 

Figuur 3 Rijksweg A67 (wegvlak B73) ten noorden van Lierop

 

Een nieuwe ontwikkeling is de herijking van het Basisnet. Volgens de huidige Regeling Basisnet worden er 6.178 tankwagens met gevaarlijke stoffen vervoerd over de Rijksweg A67 tussen knooppunt Leenderheide en afrit 35 (Someren). Uit de meest recente realisatiecijfers van Infomil (2023) blijkt dat er aanzienlijk meer tankwagens met brandbare gassen en andere gevaarlijke stoffen (brandbare en giftige vloeistoffen) worden vervoerd.

 

Door het toenemende vervoer over zowel spoor als weg wordt het Basisnet momenteel herijkt. Deze herijking kan consequenties hebben voor de omvang van de risicocontouren rondom de A67 binnen de gemeente Someren. De precieze gevolgen hiervan zijn op dit moment nog onduidelijk.

 

Provinciale wegen N266 en N621

In het rapport "Externe veiligheid provinciale wegen" van 5 oktober 2010 zijn vervoerseenheden van gevaarlijke stoffen onderzocht en is tevens een prognose gemaakt voor tien jaar (tot 2020). In 2024 heeft een actualisatie plaatsgevonden van het rapport, waaruit blijkt dat vervoerseenheden gelijk zijn gebleven en naar waarschijnlijk tot en met 2030 ook niet zal toenemen.

Op basis van de inventarisatie die voor de risicoberekeningen is uitgevoerd, wordt geconcludeerd dat het transport van gevaarlijke stoffen over deze provinciale wegen geen noemenswaardige risico’s oplevert.

 

Daarmee wordt voldaan aan het verzoek uit de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten en hoeven onder de Omgevingswet provinciale wegen niet langer worden aangemerkt als MBA met externe veiligheidsrisico’s. Dit betekent dat mogelijke risico’s rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale wegen bij de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen niet meer hoeven te worden meegewogen.

 

Gemeentelijke (doorgaande) wegen

In 2007 is een onderzoek uitgevoerd naar het vervoer van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen (Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen, gemeente Someren, versie 14 november 2007). Uit dit onderzoek blijkt dat er weinig vervoer van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen plaatsvindt.

 

Sinds 2007 hebben zich geen relevante wijzigingen voorgedaan in het risicoprofiel van de gemeente Someren, zoals de aanleg van industrieterreinen of het aantal MBA’s met externe veiligheidsrisico’s, noch de vestiging van dergelijke MBA’s op andere locaties. Daarom kunnen de conclusies uit het genoemde onderzoek nog steeds worden gehanteerd.

 

Onder de Omgevingswet worden gemeentelijke wegen niet langer aangemerkt als MBA met externe veiligheidsrisico’s. Dit betekent dat mogelijke risico’s rond het vervoer van gevaarlijke stoffen over gemeentelijke wegen bij nieuwe ontwikkelingen niet meer hoeven te worden meegewogen.

 

Waterwegen

In de gemeente Someren ligt een waterweg waarover gevaarlijke stoffen vervoerd kunnen worden: de Zuid-Willemsvaart. Volgens het Basisnet valt de Zuid-Willemsvaart onder de categorie van zogenaamde groene waterwegen. Dit betekent dat de waterweg niet onder categorie C van bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) valt, door de zeer beperkt omvang van het aantal vervoersbeweging met gevaarlijke stoffen over deze watergang. Daardoor bestaat er geen plaatsgebonden risico waarmee rekening gehouden moet worden, en is er geen brand- of explosieaandachtsgebied van toepassing. De Zuid-Willemsvaart vormt daarmee geen beperking voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Someren.

 

Hoogspanningslijnen

Door de gemeente Someren lopen hoogspanningslijnen, die via het noorden van de gemeente langs de oostzijde richting de gemeentegrens met Limburg lopen. Rondom deze hoogspanningslijnen bevinden zich magneetvelden, waarvan de sterkte varieert afhankelijk van de hoeveelheid elektriciteit die door de lijnen wordt geleid. Sinds 2005 geldt in Nederland voorzorgbeleid voor nieuwe situaties in de nabijheid van hoogspanningslijnen vanwege mogelijke gezondheidseffecten. Uit onderzoek blijkt dat langdurig verblijf binnen magneetvelden met een jaargemiddelde van meer dan 0,4 microtesla bij kinderen tot 15 jaar een verhoogde kans op leukemie met zich mee kan brengen. Het gaat in Nederland naar schatting om één geval van kinderleukemie per twee jaar. Concreet betekent dit dat binnen de zone met een magneetveldsterkte hoger dan 0,4 microtesla geen nieuwe woningen, scholen en kinderopvanglocaties worden toegestaan. De gemeente Someren conformeert zich aan dit voorzorgbeleid.

 

De risico’s van hoogspanningslijnen betreffen voornamelijk gezondheidsrisico’s en worden daarom niet nader uitgewerkt in het programma externe veiligheid. De omgang met hoogspanningslijnen wordt verder geregeld in het Omgevingsplan.

 

Duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s

Met het oog op de toekomst is het belangrijk om duurzaamheid op te nemen in het programma externe veiligheid. In Nederland worden steeds meer nieuwe ontwikkelingen geïntroduceerd die gericht zijn op duurzaamheid. Sommige van deze duurzame ontwikkelingen kunnen echter externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Indien deze duurzame ontwikkelingen een PR10-06-contour hebben en/of een (brand-, explosie- en/of gifwolk)aandachtsgebied omvatten, worden zij ook beschouwd als risicovolle activiteiten.

Mede vanwege het maatschappelijk belang wil de gemeente deze duurzame ontwikkelingen mogelijk maken, mits de externe veiligheid adequaat wordt gewaarborgd. Voorbeelden van realistische duurzame ontwikkelingen met externe veiligheidsrisico’s zijn:

  • Energieopslagsystemen (EOS): Deze activiteit is niet aangewezen in het Bal als een MBA. Echter kunnen accu’s onstabiel worden, met als gevolg kortsluiting, een thermal runaway en brand, waarbij zeer giftige pyrolyseproducten vrijkomen. De risico’s zijn brand, explosie en het vrijkomen van een gifwolk. EOS’en worden steeds vaker ingezet als oplossing tegen netcongestie. EOS’en hebben vaak een PR10-06-contour en gifwolk- en/of explosieaandachtsgebieden en worden daarom als risicovolle activiteiten beschouwd. Deze veiligheidscontouren moeten worden berekend met behulp van de Rekenmethode Lithium houdende energiedragers van het RIVM. Daarnaast stellen wij bij de realisatie van deze EOS’en ook maatwerkvoorschriften vast om de veiligheid te waarborgen, waaronder de verplichting om de PGS 37-1 toe te passen.

  • Het opslaan van lithium houdende accu’s/batterijen. Naast de EOS’en worden ook voor andere toepassingen vaak accu’s gebruikt. De opslag van deze accu’s als bedrijfsactiviteit komt hierdoor steeds vaker voor. In Someren willen wij hier ruimte voor bieden, op de locaties waar dit kan, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties . Ook de opslag van lithium houdende accu’s heeft vaak een PR10-06-contour en gifwolk- en/of explosieaandachtsgebieden en wordt daarom als risicovolle activiteit beschouwd. Deze veiligheidscontouren moeten worden berekend met behulp van de Rekenmethode Lithium houdende energiedragers van het RIVM. Daarnaast stellen wij bij de realisatie van deze EOS’en ook maatwerkvoorschriften vast om de veiligheid te waarborgen, waaronder de verplichting om de PGS 37-2 toe te passen.

  • Het opslaan en toepassen van waterstof: werken met hoge druk, waterstof is zeer licht ontvlambaar en ontbrand bij een lage ontstekingsenergie, explosief bij zuurstof en een ontstekingsbron. Er geldt PR10-06-contour en een brandaandachtsgebied. Deze moeten inzichtelijk worden gemaakt middels een QRA, indien het geen waterstoftankstation betreft.

  • Windturbines: mogelijkheid dat een blad of gondel afbreekt. Daarnaast zijn er indirecte risico’s bij nabijheid van andere MBA’s met externe veiligheidsrisico’s (bijv. een afgebroken rotorblad breekt af en slaat in hogedruk aardgasleiding).

  • Alternatieve opties voor aardgas: brengen per soort risico’s met zich mee (zie: Transitievisie Warmte).

 

Belangrijk is om binnen de beleidskeuzes op het gebied van de gemeente Someren en de bijbehorende gebiedstypes ruimte te laten voor deze duurzame ontwikkelingen. Indien dit op een verantwoorde veilige manier kan worden uitgevoerd, zal de gemeente Someren duurzame ontwikkelingen in ieder gebiedstype mogelijk willen maken. Voor woonwijken geldt dat dit uitsluitend mogelijk is als deze MBA’s met externe veiligheidsrisico’s noodzakelijk is voor het functioneren van de woonwijk.

 

3. Onze ambities en uitgangspunten

 

De ambitie van de gemeente Someren laat zich als volgt kort samenvatten

 

“Het gemeentelijk beleid ten aanzien van externe veiligheid is gericht op het scheppen van een verantwoorde veiliger woon- en werkklimaat door de risico’s te beperken, die die burgers in Someren lopen als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen.”

 

Bij de invulling van deze opvatting gaat de gemeente Someren uit van de volgende strategische uitgangspunten en ambitieniveaus:

 

Bestaande situaties:

  • Het (pro)actief terugdringen van bestaande (en mogelijk) geaccepteerde risicosituaties in het centrum en in de woonwijken. Bijvoorbeeld het ambtshalve intrekken van vergunningen voor LPG-tankstations, indien er meer dan 3 jaar geen LPG verkocht wordt. Hiermee wordt een veiliger woon- en leefklimaat nagestreefd en mogelijk kan deze ruimte benut worden voor andere doeleinden.

  • Het mogelijk terugdringen van overeenkomstig het maatschappelijke belang beoordeelde niet-acceptabele risicosituaties in de overige gebieden. MBA’s met externe veiligheidsrisico’s worden verminderd (aanpassing omgevingsvergunning) dan wel beëindigd (sanering) in situaties, waarbij de risico’s de landelijke normen overschrijden, of indien het maatschappelijke belang daartoe aanleiding geeft.

 

Nieuwe situaties:

Bij nieuwe situaties wordt gebiedsgericht beleid gevolgd. Dit gebiedsgerichte beleid is uitgewerkt in hoofdstuk 4 van dit programma. Dit beleid ziet erop toe dat we als gemeente ruimte bieden voor de uitbreiding en/of nieuwvestiging van MBA’s met externe veiligheidsrisico’s, daar waar wij dit onder ruimtelijke voorwaarden acceptabel achtte. Hiermee wordt er gestreefd naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om invulling te kunnen geven aan deze ambities zijn er een aantal uitgangspunten uitgewerkt.

 

Uitgangspunten rondom bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

 

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Een bijzonder aandachtspunt in het kader van de gebiedsgerichte aanpak is de aanwezigheid van infrastructuur waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit gaat zowel via de weg als via buisleidingen. Deze vervoersassen zijn niet als een afgebakend gebied te beschouwen omdat ze verschillende gebieden doorsnijden. Denk bijvoorbeeld aan woonwijken, buitengebieden en bedrijventerreinen. Hierdoor wordt het lastig om uniforme eisen te verbinden aan de mogelijkheid om ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de nabijheid van diezelfde infrastructuur.

 

Gebieden die als ‘risicovolle infrastructuur’ worden beschouwd, betreffen locaties die binnen het aandachtsgebied van een weg, een ondergrondse buisleiding of een vaarweg vallen. In de gemeente Someren zijn dit bijvoorbeeld Rijksweg A67, Provinciale weg N266 en N621 en enkele A- en Z-aardgasbuisleidingen.

De risico’s die hieruit voortvloeien hebben betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen. Op de aard en omvang hiervan heeft de gemeente weinig invloed. Daarom kiest de gemeente Someren om de omgang met deze risico’s te verbinden aan de voorwaarden van de gebiedstypes uit hoofdstuk 4. Concreet betekent dit dat waar bijvoorbeeld veel transport van gevaarlijke stoffen door het gebiedstype ‘Risicoluw’ loopt, de risicoluwe ambities worden gehanteerd. Daarnaast probeert de gemeente het vervoer van gevaarlijke stoffen door de woonkern zoveel mogelijk te beperken, waar dit mogelijk is. Dit betekent dat het vervoer van gevaarlijke stoffen door het buitengebied of over ons bedrijventerrein moet verlopen. Hiermee probeert de gemeente Someren de inwoners zoveel te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s.

 

Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (risicovolle bedrijven)

Voor bestaande risicovolle bedrijven geldt dat de risicocontouren van bestaande (vergunde) en mogelijke uitbreiding zoveel mogelijk wordt beperkt om inefficiënt ruimtegebruik tegen te gaan. Dit wordt gedaan door een gerichte inzet van Best Beschikbare Technieken (BBT), waarbij de PR 10-6 contour (zoveel mogelijk) wordt teruggebracht binnen de eigen perceelgrenzen. Hiermee worden beperkingen voor de aangrenzende percelen opgeheven. In het inrichten van de gebiedstypes is bewust de keuze gemaakt om de bedrijventerreinen op te splitsen. Hierbij worden de (delen) van het bedrijventerrein dichtbij en rondom woonkernen uitgesloten voor het realiseren van nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Daarentegen worden (delen van) bedrijventerrein waarbij de afstand (acceptabel) groter is wel ingericht om risicovolle activiteiten, mits voldoende veilig, toe te staan.

 

Hogedruk aardgasleidingen

De gemeente Someren wordt doorkruist door vier hogedruk-aardgasleidingen. Het maatgevende scenario voor aardgastransportleidingen is een fakkelbrand en een explosie als gevolg van een leidingbreuk door een externe oorzaak (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Afhankelijk van de leidingdiameter en de gasdruk kan een fakkel ontstaan van 60 meter tot enkele honderden meters hoog. De Gasunie heeft op basis van dit scenario de effectafstanden voor verschillende leidingdiameters en drukken bepaald (Scenarioboek externe veiligheid).

 

De effectafstanden (1% letaliteit) van de leidingen binnen de gemeente bedragen 80, 180, 430 en 490 meter. De stralingswarmte op deze afstand bedraagt 10 kW/m². Zoals gezegd zijn de effectafstanden gebaseerd op het scenario van een guillotinebreuk. Bij een dergelijke breuk ontsteekt het gas en treedt een fakkelbrand op. De kans op een guillotinebreuk is echter zeer klein: de kans op een breuk is 5 tot 10 keer kleiner dan de kans op een lek. Het meest aannemelijke scenario is daarom een lek in de buisleiding. Voor de grootste leidingen in Someren (44 inch, 36 inch en 14,5 inch) ligt de effectafstand van een lek op circa 10 meter van de leiding; voor de kleinste leiding (6,5 inch) ligt dit op de leiding zelf (zie Tabellen 31 t/m 34 van de Handreiking Verantwoorde Brandweeradvisering).

 

Gelet op de zeer kleine kans op een guillotinebreuk en de relatief hoge kosten die gemaakt zouden moeten worden om de bestaande gebouwde omgeving hiervoor te beschermen, is het niet reëel om hiervoor extra maatregelen op te leggen in het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning. Ook voor het scenario van een lek in een buisleiding is het niet zinvol om maatregelen te eisen voor de bestaande gebouwde omgeving. De effectafstand is immers zeer beperkt (op of direct naast de buisleiding) en bebouwing op de leiding is al uitgesloten door de vrij te houden belemmeringstrook van 4 tot 5 meter.

 

Bij het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen of functies in aandachtsgebieden van aardgasleidingen moet aan de hand van het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5 blijken welke maatregelen getroffen dienen te worden. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen worden op voorhand uitgesloten binnen brand- en explosieaandachtsgebieden, tenzij er zwaarwegend belang is om deze toch te realiseren in een aandachtsgebieden. Hierbij geldt dan automatisch dat er in het omgevingsplan een voorschriftengebied wordt vastgesteld.

 

Uitgangspunten rondom nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

De ambitie van de gemeente Someren is om ruimte te bieden voor nieuwe milieubelastende activiteiten (MBA’s) met externe veiligheidsrisico’s en voor de uitbreiding van bestaande activiteiten. Dit kan uitsluitend binnen de gebiedstypen waar dit is toegestaan, zodat de externe veiligheidsrisico’s voor bewoners van de gemeente Someren zo klein mogelijk blijven.

 

Bij de realisatie van nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s geldt dat dit alleen mogelijk is indien sprake is van passende bescherming en een goede verantwoording. Voorwaarde hierbij is dat de PR 10⁻⁶-contour binnen de perceelgrens blijft of niet over locaties heen valt waar BKGL, KGL en ZKG zijn toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare gebouwen of zeer kwetsbare gebouwen binnen de PR 10⁻⁶-contour van milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden gesitueerd. Op deze manier kunnen er geen nieuwe saneringssituaties ontstaan.

 

Het is wenselijk dat nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zo ver mogelijk van (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties worden gerealiseerd. Daarom zijn de bedrijventerreinen onderverdeeld in verschillende gebiedstypen. De meeste nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s worden hierdoor zoveel mogelijk op afstand van woongebieden gesitueerd. Nieuwe activiteiten worden in eerste instantie toegestaan op bedrijventerrein intensief (zie hoofdstuk 4). Daarnaast kunnen bepaalde risicovolle activiteiten onder voorwaarden ook in het gebiedstype Buitengebied plaatsvinden, mits deze passend zijn binnen de (bestaande) agrarische activiteiten (bijvoorbeeld propaantanks).

 

In het gebiedstype Risicoluw (zie hoofdstuk 4) zijn nieuwe MBA’s met externe veiligheidsrisico’s en uitbreidingen van bestaande activiteiten in principe niet toegestaan, tenzij deze onlosmakelijk verbonden zijn met het goed functioneren van het woongebied. In dat geval moet sprake zijn van een zwaarwegend belang bij de realisatie van de activiteit en moet een passend beschermingsniveau worden bereikt volgens het verantwoordingskader in hoofdstuk 5.

 

Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties nabij milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

We maken de beleidskeuze om geen nieuwe zeer kwetsbare gebouwen toe te staan in een brand- of explosieaandachtsgebied, tenzij er sprake is van zwaarwegende belangen voor de realisatie ervan. Dit geldt ook voor de functie wijzigen van bestaande (beperkt) kwetsbare gebouwen naar zeer kwetsbaar gebouwen/functies. Zeer kwetsbare gebouwen in aandachtsgebieden wordt beschouwd als onnodig onveilig, omdat de gevolgen ernstig kunnen zijn als mensen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bovendien is het niet in overeenstemming met de kernwaarden van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) (zie website van de VBRZO-onderwerp omgevingsvisie kernwaarden 1 ) . Zeer kwetsbare gebouwen zijn wel toegestaan in het gifwolkaandachtsgebied gezien de grootte van dit gebied, mogelijke scenario’s en daarbij behorende beschermingsmaatregelen. Daarnaast dient ten allen tijden de risicocommunicatie in orde te zijn op het moment dat er zeer kwetsbare gebouwen worden gerealiseerd in gifwolkaandachtsgebieden

Mogelijke ontwikkellocaties voor (nieuwe) zeer kwetsbare gebouwen bevinden zich voornamelijk in de gebiedstypes Risicoluw. (Nieuwe) activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zijn hier niet toegestaan, waardoor er in de toekomstige geen mogelijkheid bestaat dat deze zeer kwetsbare gebouwen in (nieuwe) aandachtsgebieden komen te liggen.

 

Een specifiek knelpunt in de gemeente bevindt zich in Lierop, in het noorden van Someren. Rondom Lierop liggen de Rijksweg A67 en drie hogedruk-aardgasleidingen (A-521, A-585 en Z-540-01). Hierdoor valt een groot deel van het woongebied van het dorp binnen een brand- en explosieaandachtsgebied. De gemeente Someren wil Lierop echter niet uitsluiten van de woonopgave of van de mogelijkheid om locaties te realiseren waar (kleinschalig en lokaal) verminderd zelfredzame personen zich kunnen vestigen. Voor de realisatie van zeer kwetsbare gebouwen in Lierop dient daarom allereerst gekeken te worden naar locaties buiten de aandachtsgebieden (met name het zuid- en zuidwestelijke deel van het dorp).

 

Voor (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties geldt dat deze wel zijn toegestaan in aandachtsgebieden. Hierbij dient de afstand tot risicobronnen zo groot mogelijk te worden gehouden. Daarnaast moet altijd verantwoord worden dat voldoende veiligheidsniveau wordt geborgd. Dit dient plaats te vinden volgens het verantwoordingskader in hoofdstuk 5.

 

Voorschriftengebied

Daarnaast maakt de gemeente de beleidskeuze om brand- en explosieaandachtsgebieden niet aan te wijzen als brand- en explosievoorschriftengebieden in het omgevingsplan, tenzij dit wettelijk verplicht is (bijvoorbeeld bij de realisatie van nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brand- en/of explosieaandachtsgebied). De gemeente maakt hierbij gebruik van de uitzonderingsregel in artikel 5.14, lid 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarmee kan worden afgeweken van de verplichting tot het aanwijzen van voorschriftengebieden.

 

Groepsrisico

Bij nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in aandachtsgebieden dient de gemeente rekening te houden met het groepsrisico. De initiatiefnemer/ ontwikkelaar heeft de mogelijkheid om zelf te beslissen over het uitvoeren van een groepsrisicoberekening bij een nieuwe ontwikkeling. De initiatiefnemer/ ontwikkelaar dient bij ontwikkellocaties in aandachtsgebieden echter wel altijd aan te tonen dat er passende bescherming is gewaarborgd middels het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5. Wanneer deze gebouwen of locaties geplaatst worden in een aandachtsgebied, dienen er maatregelen te worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen of op die locaties. Daarnaast moet beschouwd worden of het aantal doorgaans aanwezige personen beperkt kan worden en of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen of op die locaties beperkt is. Daarnaast wordt bij nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving de VRBZO in de gelegenheid gesteld om advies te geven over zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van noodhulpdiensten. Bij nieuwe ontwikkelingen van (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in het aandachtsgebied, wordt verwezen naar de kernwaarden van de VRBZO (zie website van de VBRZO-onderwerp omgevingsvisie kernwaarden). Daarnaast wordt verwezen naar het standaard en maatwerkadvies van de VRBZO omtrent nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving (zie brochure maatwerk of standaardadvies op de website van de VRBZO). Verder adviseert de VRBZO over omgevingsveiligheid bij nieuwe initiatieven in de gemeente. Om een afwegingskader voor de gemeente te bieden om personen op (beperkt) kwetsbare locaties binnen aandachtsgebieden te beschermen, wordt verwezen naar de Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties.

 

Uit het verantwoordingskader in hoofdstuk 5 volgen elementen voor een juiste verantwoording van het groepsrisico.

 

4. Gebiedsgericht beleid

 

Binnen onze gemeente moeten we regelmatig besluiten over de realisatie van nieuwe ontwikkelingen. Daar komt dan ook de vraag bij: In hoeverre is het externe veiligheidsrisico acceptabel en/of onder welke voorwaarden is realisatie mogelijk? Ter beantwoording van deze vragen hebben we risicogerichte beleidsuitgangspunten voor externe veiligheid opgesteld, met een bijhorend afwegingskader.

 

Uitbreiding of nieuwvestiging risicovolle activiteiten

Voor de omgang met risicovolle activiteiten maken we onderscheid tussen vier categorieën aan gebieden (zie tabel 4.1 voor een gebiedsgerichte indeling van de gemeente). Nieuw ten opzichte van de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Someren uit 2013 is het splitsen van het gebiedstype bedrijventerrein. We delen het bedrijventerrein op in de categorieën: in Bedrijventerrein intensief en Bedrijventerrein extensief. De indeling wordt gemaakt aan de hand van de verschillende categorieën risicovolle activiteiten die we kennen vanuit bijlage VII van het Bkl. De A-categorie MBA’s (meldingsplichtige activiteiten) zullen vrij licht risicovol van karakter zijn. Daarom passen deze, onder voorwaarden, prima op de wat minder industriële locaties binnen ons bedrijventerrein, of waar de afstand tot het risicoluw gebied klein is. De categorie B en zeker E MBA’s (cat. B is vergunningsplichtig met vaste afstanden en cat. E vergunningsplichtig met te berekenende afstanden) komen vaak voor in zware industrieën en daarmee zijn deze MBA’s ook een risicovoller. Deze worden dan ook enkel toegelaten indien de afstand tot risicoluw gebied groot is. De gemeente Someren kiest hier bewust voor om zo de externe veiligheidsrisico’s voor burgers zo klein mogelijk te maken. Daarnaast wordt het zoekgebied voor MBA’s met externe veiligheidsrisico’s activiteiten een stuk gedetailleerder.

 

De rest van het dorp (centrum, diverse woonwijken en buitengebied) is ook niet bedoeld voor industriële bedrijvigheid, gezien de hoge populatiedichtheid of omdat ze niet passen in het beeld van dit gebied. De woonkernen zijn bedoeld voor wonen, werken en recreëren waarbij de veiligheid en gezondheid gegarandeerd moet worden. In het buitengebied en woonkernen staan we de uitbreiding of nieuwvestiging van risicovolle activiteiten in de eerste instantie niet toe. Voor de risicovolle activiteiten die nodig zijn voor het functioneren van het gebied, maken we aan de hand van een gedegen afweging, eventueel een uitzondering, zoals nutsvoorzieningen of duurzame ontwikkelingen in het kader van de energietransitie (EOSen), dit wordt duidelijk in tabel 4.1.

 

De gemeente Someren heeft een groot buitengebied. Dit buitengebied kenmerkt zich door de vele verschillende (agrarische) MBA’s met externe veiligheidsrisico’s en gedeeltelijk woongebied. De gemeente Someren kiest ervoor om dit gebied open te houden voor de ontwikkeling van zowel (agrarische) MBA’s met externe veiligheidsrisico’s als het realiseren van woonvoorzieningen, mits dit goed verantwoord wordt conform het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5.

 

Tabel 4.1 geeft een algemeen beeld van de bestaande bedrijventerreinen en overige gebiedstypen en in hoeverre we daar de uitbreiding of nieuwvestiging van risicovolle activiteiten toestaan.

 

Tabel 4.1 gebiedsgerichte risicoprofielen

Gebiedstype

Uitbreiding of nieuwvestiging risicovolle activiteiten

Beperkingen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen

A. Bedrijventerreinen intensief

o.a. zuidelijk gedeelte Sluis-Eind, oostelijk ’t Half Elfje

Risicovolle activiteiten onder A, B en E van bijlage VII Bkl toegestaan. Ook duurzame ontwikkelingen met PR10-06 contour en aandachtsgebieden toegestaan.

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan.

Geen nieuwe (bedrijfs)woningen toegestaan

B. Bedrijventerrein extensief

o.a. Sluis-Eind Westelijk gedeelte ’t Half Elfje, ’t Vaartje

Risicovolle activiteiten onder A van bijlage VII Bkl toegestaan, mits er geen brand- en/of explosieaandachtsgebied van toepassing is op de activiteit. Ook duurzame ontwikkelingen met PR10-06 contour en enkel een gifwolkaandachtsgebied toegestaan.

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan.

Geen nieuwe (bedrijfs)woningen toegestaan

C. Risicoluw gebied

Centrumgebied, alle woonwijken en overige verblijfsgebieden (wonen, werken, recreëren, maatschappelijk)

Geen risicovolle activiteiten onder bijlage VII Bkl toegestaan, met uitzondering van risicovolle activiteiten en duurzame ontwikkelingen met een PR10-06 contour die gelieerd zijn aan het functioneren van het gebied (bijvoorbeeld gasdrukmeet- en -regelstations, of EOS).

Niet van toepassing

F. Buitengebied

 

Risicovolle activiteiten zijn toegestaan mits gelieerd aan agrarische hoofdactiviteit

Niet van toepassing

 

Aanvullend gelden er beperkingen voor de ligging van de zones voor externe veiligheid die een risicovolle activiteit kent. Daarnaast moet een risicovolle activiteit ook voldoen aan de algemene regels uit hoofdstuk 4 van het Bal en/of de beoordelingsregels uit hoofdstuk 8 van het Bkl.

 

Algemene regels voor het plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar

We bieden onze inwoners en bezoekers een basisbeschermingsniveau. Bij nieuwe risicovolle activiteiten hanteren we daarom de volgende uitgangspunten:

  • Deze contour reikt maximaal tot de eigen perceelgrens of niet over gronden waar BKGL, KGL en ZKG zijn toegestaan.

  • Bestaande, geprojecteerde en nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties zijn niet toegestaan binnen deze contour (grenswaarde).

  • Bestaande, geprojecteerd en nieuwe beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn binnen deze contour niet toegestaan tenzij er wordt voldaan aan voorwaarden (zie tabel 4.2) (standaardwaarde).

 

Algemene regels voor aandachtsgebieden brand, explosie en gifwolk

Bij nieuwe risicovolle activiteiten houden wij rekening met de bescherming van groepen mensen en beperken we het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan de gevaren van die activiteiten. Daarbij hanteren we de volgende uitgangspunten:

  • Het brandaandachtsgebied reikt maximaal tot de grens van het bedrijventerrein of het buitengebied en mag niet gelegen zijn over risicoluw gebied.

  • Het explosieaandachtsgebied reikt maximaal tot de grens van het bedrijventerrein of het buitengebied en mag niet gelegen zijn over risicoluw gebied.

  • Het gifwolkaandachtsgebied mag over risicoluw gebied liggen, mits er binnen het gifwolkaandachtsgebied niet gelegen is over een zeer kwetsbaar gebouw.

 

Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling nabij risicovolle activiteiten

Bij ruimtelijke ontwikkelingen met zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen of locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties nabij een risicovolle activiteit passen we zonebeleid toe. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende zones:

  • Plaatsgebonden risicocontour 10-6

  • Brandaandachtsgebied

  • Explosieaandachtsgebied

  • Gifwolkaandachtsgebied

Wij geven daarbij invulling aan de wettelijke verplichtingen. Dat houdt in dat wij geen eisen stellen aan ruimtelijke ontwikkelingen buiten deze zones. Ook stellen wij geen eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten die van rechtswege (vanuit het Bkl) geen dergelijke zones toegewezen krijgen, zoals vervoer van gevaarlijk stoffen over gemeentelijke en provinciale wegen.

In tabel 4.2 staat aangegeven in hoeverre gebouwen en locaties waar mensen verblijven zijn toegestaan binnen een bepaalde zone. Er zijn daarbij vier varianten:

  • 1.

    Toegestaan. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt verantwoord is. Hieraan worden geen aanvullende voorwaarden gesteld.

  • 2.

    Toegestaan, mits. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt verantwoord is, mits er middels het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5 aangetoond wordt er sprake is van een passende bescherming.

  • 3.

    Niet toegestaan, tenzij. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt niet verantwoord is. Afwijking hiervan is enkel mogelijk wanneer er sprake is van andere zwaarwegende belangen, veiligheidsmaatregelen in overweging worden genomen en er expliciete goedkeuring wordt gegeven door het college en eventueel de raad.

  • 4.

    Niet toegestaan. Dit is een activiteit die vanuit externe veiligheidsoogpunt niet verantwoord is.

 

Tabel 4.2 Zonebeleid ruimtelijke ontwikkelingen

Plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar

Zeer kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan (grenswaarde Bkl)

Kwetsbaar gebouw

Kwetsbare locatie

Beperkt kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan, tenzij (standaardwaarde Bkl)

Beperkt kwetsbare locatie

Brandaandachtsgebied

Zeer kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan

Kwetsbaar gebouw

Toegestaan, mits passende bescherming volgens het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5

Kwetsbare locatie

Beperkt kwetsbaar gebouw

Beperkt kwetsbare locatie

Explosieaandachtsgebied

Zeer kwetsbaar gebouw

Niet toegestaan

Kwetsbaar gebouw

Toegestaan, mits passende bescherming volgens het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5

Kwetsbare locatie

Beperkt kwetsbaar gebouw

Beperkt kwetsbare locatie

Gifwolkaandachtsgebied

Zeer kwetsbaar gebouw

Toegestaan, mits passende bescherming volgens het verantwoordingskader uit hoofdstuk 5

Kwetsbaar gebouw

Kwetsbare locatie

Beperkt kwetsbaar gebouw

Beperkt kwetsbare locatie

 

5. Verantwoordingskader – Stappenplan afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden Provincie Noord-Brabant

 

Volgens artikel 5.15 van het Bkl moet de gemeente in het omgevingsplan bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brand-, explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied, rekening houden met het groepsrisico. Om hieraan te voldoen, kan de gemeente conform artikel 5.15, lid 2 van het Bkl, op twee manieren invulling gevengeen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaten in aandachtsgebieden;

  • 1.

    waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, waarborgt de gemeente:

    • a.

      Dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of

    • b.

      Dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

De gemeente kiest er bewust voor om binnen bepaalde gebiedstypes onder deze voorwaarden wel beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties toe te staan binnen aandachtsgebieden. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in brand- en explosieaandachtsgebieden worden uitgesloten. Indien de gemeente nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties wil toe staan in een aandachtsgebied moet worden aangetoond of er passende bescherming middels maatregelen gewaarborgd wordt. Een andere mogelijkheid is het aantal personen (of tijdsduur) binnen het aandachtsgebied beperken.

Om aan te tonen of er passende bescherming geboden kan worden aan de nieuwe populatie of dat de populatie beperkt kan worden maakt de gemeente gebruik van het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ van de provincie Noord-Brabant. Sinds 1 januari 2024 is het stappenplan incl. invoermodule te vinden via de website van de provincie Noord-Brabant (www.brabant.nl/stappenplangroepsrisico).

 

Verantwoording van het groepsrisico; zowel binnenplans als buitenplans

Uit de gebiedsindeling van dit programma kan blijken dat een ontwikkeling niet is toegestaan. Dit moet bij de inwerkingtreding van het omgevingsplan ook blijken uit de planregels volgens het omgevingsplan. Als een activiteit niet (geheel) mogelijk is op basis van het omgevingsplan, kan een initiatiefnemer een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aanvragen of verzoeken om een wijziging van het omgevingsplan.

 

Waaraan moet een BOPA voldoen?

Het bevoegd gezag kan een vergunning voor een BOPA alleen verlenen als deze in ieder geval voldoet aan:

  • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en

  • De instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Besluit kwaliteit leefomgeving (afdeling 5.1 Bkl); en

  • De beleidskeuzes en EV-gebiedstypes uit dit programma.

 

De instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl zijn dus alsnog van toepassing en er moet dus ook rekening worden gehouden met het groepsrisico, indien er een ontwikkeling gerealiseerd wordt in het brand- en explosieaandachtsgebied. Om bij een BOPA aan te tonen of er passende bescherming geboden kan worden aan de nieuwe populatie of dat de populatie beperkt kan worden, wordt er gebruik gemaakt van het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ van de provincie Noord-Brabant. Opgemerkt wordt dat wanneer met een BOPA een zeer kwetsbaar gebouw mogelijk wordt gemaakt in een aandachtsgebied, het ook verplicht is om een voorschriftengebied aan te wijzen. Voorschriftengebieden kunnen ook met een BOPA aangewezen worden.

 

Gemotiveerd afwijken van het programma externe veiligheid

Dit programma geeft vanuit externe veiligheid richting aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit die optiek is dit programma op onderdelen strenger dan de maximale wettelijke mogelijkheden op het gebied van externe veiligheid. Naast een gezonde en veilige woonomgeving heeft de gemeente veel meer ambities. In de totaalafweging of een initiatief wenselijk is, kan de gemeente afwijken van de bovenwettelijke ambities uit dit programma. Dit dient door de initiatiefnemer onderbouwd te worden. Deze onderbouwing bevat zowel de redenen waarom het initiatief meerwaarde heeft voor de gemeente getoetst aan de ambities uit de omgevingsvisie. Daarnaast moet worden aangetoond dat er sprake is van een passende bescherming volgend uit het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ van de provincie Noord-Brabant.

 

Bijlage 1 Afkortingenlijsten

Afkorting

Betekenis

ODZOB

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant

VRBZO

Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

MBA

Milieubelastende activiteit

EV

Externe veiligheid

Ow

Omgevingswet

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

DSO

Digitaal Stelsel Omgevingswet

Bevb

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Bevi

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Bevb

Besluit externe veiligheid transportroutes

BRZO

Besluit risico’s zware ongevallen

PGS

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

BBT

Best beschikbare technieken

PR10-05

Plaatsgebonden risico van 1 op 100.000 per jaar

PR10-06

Plaatsgebonden risico van 1 op 1.000.000 per jaar

BAG

Brandaandachtsgebied

EAG

Explosieaandachtsgebied

GAG

Gifwolkaandachtsgebied

GR

Groepsrisico

BKWG

Beperkt kwetsbaar gebouw

KWG

Kwetsbaar gebouw

ZKWG

Zeer kwetsbaar gebouw

BKWL

Beperkt kwetsbare locatie

KWL

Kwetsbare locatie

EOS

Energieopslagsysteem

 

Bijlage 2 Wettelijk kader

 

Het beleid uit dit programma is gebaseerd op en getoetst aan de bepalingen uit de Omgevingswet en uit de vier Algemene Maatregelen van Bestuur. Op grond van artikel 3.1 van de Omgevingswet stelt de gemeenteraad een omgevingsvisie vast welke de volgende zaken bevat: de kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, beheer en de bescherming van het grondgebied, de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. Het programma externe veiligheid is de beleidsuitwerking die volgt uit de omgevingsvisie.

in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels, beoordelingsregels, regels voor monitoring en regels over omgevingswaarden voor het Rijk en decentrale overheden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn algemene regels gesteld of voor activiteiten in de fysieke leefomgeving een melding of omgevingsvergunning nodig is: milieubelastende activiteiten die externe veiligheidsrisico’s opleveren.

 

Figuur 3 De vier AMvB’s bij de Omgevingswet

 

Omgevingsvisie, programma’s en omgevingsplan

De omgevingsvisie bevat het belangrijkste beleid voor de fysieke leefomgeving. Bij het afwegen van dit beleid moet ook externe veiligheid meegenomen worden bij de afwegingen om te komen tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie geeft de beschermingsdoelstellingen in hoofdlijnen weer. Het bevoegd gezag kan de mensen beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen door een gebied zo in te richten dat de mensen die er verblijven zijn beschermd. Bescherming betekent in deze context: het voorkomen en beperken van slachtoffers en schade als gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen en de mogelijke risico’s bij windturbines.

Om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken, kunnen decentrale overheden een programma opstellen met beleid en maatregelen. Om het strategisch ambitieniveau vanuit de omgevingsvisie op het gebied van externe veiligheid te vertalen naar doelmatige beleidskeuzes, wordt er gekozen om een programma externe veiligheid op te stellen. Het programma is een flexibel instrument dat de overheid kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Het instrument programma is een beleidsdocument, net als de omgevingsvisie.

De instructieregels voor programma's staan in hoofdstuk 4 van het Bkl. Regels voor programma's bij het overschrijden van omgevingswaarden staan in hoofdstuk 2 van het Bkl. Programma's zijn bedoeld voor de verdere beleidsuitwerking en de uitwerking van de concrete maatregelen om doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Ze bevatten het uitvoeringsgerichte, (Multi)sectorale of gebiedsgerichte beleid. Ze kunnen strategische beleidselementen bevatten, maar bevatten vooral niet-strategisch beleid. Daarnaast is het kenmerk van de omgevingsvisie dat deze voor tientallen jaren wordt opgesteld. Een programma kan op korte termijn (bijvoorbeeld vijf jaar) herzien en aangepast worden, indien het bevoegd gezag dit nodig acht. (IPLO, sd)

 

Het programma externe veiligheid bevat de volgende onderdelen:

  • De uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving in relatie tot externe veiligheid (artikel 3.5, onder a, Omgevingswet)

  • Maatregelen om aan omgevingswaarden om passende beschermingsniveaus voor de burgers rondom milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s te realiseren. (Artikel 3.5, onder b, Omgevingswet)

 

De omgevingsvisie en het programma externe veiligheid kennen de volgende samenhang:

Parameter

Omgevingsvisie

Programma (externe veiligheid)

Karakter

Strategisch, integraal, politiek-bestuurlijk

Uitvoeringsgericht, sectoraal, strategische elementen mogelijk

Inhoud

Ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming, en behoud van de fysieke leefomgeving als geheel

Uitwerking beleid op het gebied van externe veiligheid (kan ook voor andere milieuthema’s)

Samenhang tussen domeinen

Eén integraal ontwikkelingsbeleid voor de fysieke leefomgeving

Gericht op een beleid voor één domein (externe veiligheid), kan zorgen voor coördinatie tussen andere domeinen

Horizon

Langer termijn (meer dan 10 jaar)

Kortere termijn (+/- 5 jaar)

Werking

Basis voor het handelen van het visie vaststellend bestuursorgaan en voor programma's

Basis van beleidskeuzes en inzet van maatregelen ter bescherming van de fysieke leefomgeving

Juridische status

Bindt enkel het visie vaststellend kader

Bindt het beleidskader rondom een domein (externe veiligheid)

Vaststelling

Gemeenteraad

College van burgemeester en wethouders

 

Op het moment dat het College van burgemeester en wethouders het programma externe veiligheid vaststelt, biedt dit beleidsdocument de basis om gerichte planregels op te stellen in het Omgevingsplan. Daarnaast biedt dit programma externe veiligheid handvatten in de transitieperiode van een tijdelijk omgevingsplan naar een definitief omgevingsplan in uiterlijk 2032. Het omgevingsplan bevat de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving, waaronder dus ook voor het aspect externe veiligheid. Zo stelt de gemeente in het omgevingsplan onder meer regels op voor o.a. de volgende aspecten:

  • Het aanwijzen van voorschriftengebieden;

  • Het aanwijzen van andere veiligheidscontouren (bijvoorbeeld reserveringsstroken, contouren munitieopslagen)

  • Het koppelt de fysieke omgeving aan de verschillende gebiedstypes middels werkingsgebieden (zie hoofdstuk 4);

  • Het al dan wel niet toestaan van nieuwe milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s;

  • Het al dan wel niet toestaan van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.

 

Begrippenkader externe veiligheid

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het doel van deze nieuwe wet is het bundelen en vereenvoudigen van de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot de fysieke leefomgeving en de ruimtelijke ordening. Zo zijn 26 wetten die te maken hebben met de fysieke leefomgeving gebundeld tot één Omgevingswet. Er komt een Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) waar overheden, belanghebbenden en initiatiefnemers snel kunnen zien wat in de fysieke leefomgeving is toegestaan (Aan de slag met de Omgevingswet, sd). Hierdoor wordt het voor burgers en bedrijven makkelijker om vergunningen aan te vragen voor bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, het aanleggen van wegen en andere ruimtelijke ordeningsprojecten (Rijksoverheid, sd).

Verschillende zaken veranderen door de komst van de Omgevingswet. Gemeenten ontwikkelen een omgevingsplan, welke de bestaande bestemmingsplannen en de beheersverordening vanuit de Wet ruimtelijke ordening vervangt. Daarnaast heeft iedere gemeente een gemeentelijke omgevingsvisie: de toekomstige ontwikkelingen en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving op lange termijn worden hierin vastgelegd. Externe veiligheid vormt ook een onderdeel in de omgevingsvisie: wanneer is een gebied veilig, rekening houdend met bestaande milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s en ontwikkelingen in de toekomst. Beleid over externe veiligheid volgt uit het programma externe veiligheid. In het programma staat de verdere beleidsuitwerking en de uitwerking van concrete maatregelen om de doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. (IPLO, sd)

De wet- en regelgeving over externe veiligheid was versnipperd over meerdere wetten, besluiten en ministeriële regelingen. De volgende besluiten zijn nu volledig geïntegreerd in de Omgevingswet:

  • Besluit en regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

  • Besluit en regeling externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling Basisnet

  • Besluit en regeling risico's zware ongevallen (Brzo)

  • Registratiebesluit externe veiligheid

 

De omgang en rijksregels in het kader van de verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (buisleidingen, basisnet, risicovolle bedrijven) worden niet centraal meer vastgelegd onder de Omgevingswet. De omgang en regels rondom met risicocontouren en aandachtsgebieden worden in het decentrale beleid vastgelegd, namelijk: in de omgevingsvisie, het programma externe veiligheid en het in het omgevingsplan.

Om gerichte planregels te kunnen schrijven in het Omgevingsplan en om externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen op een goede manier te verantwoorden kiest de gemeente om dit programma externe veiligheid op te stellen.

 

Omgevingsveiligheid

Onder de Omgevingswet wordt niet enkel van externe veiligheid gesproken, maar nieuw is het meer omvattende begrip omgevingsveiligheid. Externe veiligheid valt hieronder, maar omgevingsveiligheid gaat ook over rampen en crises en het voorkomen, beperken en bestrijden ervan, de mogelijkheid van personen om zichzelf in veiligheid te brengen en geneeskundige hulpverlening (artikel 5.2 Bkl). De veiligheidsregio’s hebben hier een adviserende rol (zie bijlage 4). In dit programma externe veiligheid worden deze zaken niet behandeld, daarom spreken we van externe veiligheid en niet van omgevingsveiligheid.

 

Milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s

Risicobronnen zijn onder de Omgevingswet milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (dit omvat verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal)2 ;

  • Het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (spoor, weg, water);

  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen, welke zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

  • Windturbines;

  • Luchthavens en defensieterrein;

  • Civiele en militaire munitieopslagen.

 

De MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het BKL zijn alle activiteiten waar externe veiligheid moet worden beschouwd bij ruimtelijke ontwikkelingen. De grootte van de plaatsgebonden risicocontouren (PR10-6) en aandachtsgebieden (hierna uitgelegd) zijn in deze bijlage VII per activiteit bepaald. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

  • A: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht;

  • B: Activiteiten met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht;

  • C: Activiteiten met bij ministeriële regeling vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico;

  • D: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico zonder vergunningplicht;

  • E: Activiteiten met te berekenen afstanden voor het plaatsgebonden risico met vergunningplicht.

 

De aard, omvang en het risicoprofiel bepaald onder andere de categorie indeling van een activiteit. Bij de te berekenen PR10-6 contouren en aandachtsgebieden zijn gaat het om vaak de activiteiten met de grootste externe veiligheidsrisico’s.

De regels rondom het veilig beheer, gebruik en onderhoud van de MBA’s met externe veiligheidsrisico’s zijn opgesteld per activiteit en zijn terug te vinden in het Bal. Daarnaast dienen alle MBA’s met externe veiligheidsrisico’s uit bijlage VII van het Bkl worden opgenomen in het Register Externe veiligheid (REV), de vervanger van de Risicoregister gevaarlijke stoffen (RRGS).

 

Plaatsgebonden risico

Dit is de kans dat één persoon per jaar overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt is dat deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. De ruimtelijke waarden voor het plaatsgebonden risico zijn terug te vinden in het Bkl. Deze waarden worden vertaald in afstanden die tot locaties en gebouwen in acht moeten worden genomen of waarmee rekening moet worden gehouden. Hier hoort een plaatsgebonden risicocontour bij: binnen de contour is het risico groot, buiten de contour is het risico kleiner. Dit noemen we de PR 10-6 contour. De afstanden van het plaatsgebonden risico zijn vastgestelde afstanden, berekende afstanden en de kans die geaccepteerd is als veilig: één op de miljoen per jaar. Binnen deze PR10-6 contour zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toegestaan.

 

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen kunnen er zich levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk),

 

Figuur 4 (RIVM, 2021)

 

Daarom zijn er drie typen aandachtsgebieden gedefinieerd (zie figuur 7):

  • Brandaandachtsgebied (BAG);

  • Explosieaandachtsgebied (EAG);

  • Gifwolkaandachtsgebied (GAG).

 

Figuur 5 (Oostkracht 10, 2022)

 

De grenswaarden van de aandachtsgebieden zijn geregeld in het Bkl. Voor de bepaling ervan is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en rampenbestrijding bieden. De aard en de omvang van een aandachtsgebied wordt bepaald door de effecten van een scenario, niet door de kans. Een aandachtsgebied kan kleiner worden door het toepassen van de best beschikbare technieken (BBT) bij de MBA met externe veiligheidsrisico’s. Voor een overzicht van de vaste afstanden van aandachtsgebieden bij enkele milieubelastende activiteiten, zie de tabel in bijlage 3 (RIVM, 2021).

 

Externe veiligheidsafstanden

Voor een groot aantal activiteiten met externe veiligheidsrisico’s gelden vaste afstanden. Deze zijn te vinden in het Bal of in het Bkl. De afstanden uit het Bal gelden vanaf het bij de activiteit aangegeven meetpunt tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Onder bepaalde voorwaarden gelden de afstanden in plaats daarvan tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in de omgeving (gevel van een gebouw bijvoorbeeld). De begrenzingen staan in artikel 5.9 van het Bkl. De afstanden uit het Bkl gelden vanaf het bij de activiteit in bijlage VII aangegeven meetpunt(en) tot (zeer/ beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties in de omgeving.

 

Voorschriftengebieden

Het bevoegd gezag besluit op grond van artikel 5.14 Bkl of een (deel van het) brand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen als brand- of explosievoorschriftengebied. In het voorschriftengebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen, of gelijkwaardige maatregelen. De aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het doel van deze maatregelen is om mensen binnenshuis beter te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie, veroorzaakt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Op grond van artikel 5.14 lid 3 Bkl kan de gemeente afwijken van het aanwijzen van een brand- of explosievoorschriftengebied.

Aanvullende regels:

  • Een brandaandachtsgebied van het basisnet wordt verplicht aangewezen als brandvoorschriften-gebied als daar met de huidige regelgeving een plasbrandaandachtsgebied geldt;

  • Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen (ook de functiewijziging van bestaande gebouwen naar zeer kwetsbaar gebouw) binnen een aandachtsgebied worden verplicht aangewezen als voorschriftengebieden.

 

Groepsrisico

Dit is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag rekening houden met het groepsrisico. Dit gebeurt bij het ontwikkelen van nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. “Rekening houden met” betekent dat het bevoegd gezag afwegingsruimte heeft over hoe ze omgaat met de omgeving van een risicovolle bron met de kans op maatschappelijke ontwrichting. Het doel is een integrale afweging van alle betrokken belangen. Het gaat hierbij ook om milieu en gezondheid. De centrale vraag luidt: wat acht het bevoegde gezag veilig en hoe motiveert ze dit?

 

Kwetsbaarheid van gebouwen en locaties

In bijlage VI van het Bkl staan drie categorieën gebouwen en locaties waarvoor de regels bescherming bieden:

  • 1.

    Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);

  • 2.

    Kwetsbaar (gebouwen en locaties);

  • 3.

    Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

In het omgevingsplan neemt de gemeenteregels op ter bescherming van deze gebouwen en locaties vanwege externe veiligheidsrisico’s. De volgende zaken komen aan de orde bij het bepalen van de kwetsbaarheid van locaties en gebouwen: het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en de zelfredzaamheid van de aanwezige personen. De gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruikersfunctie van het gebouw. Deze moet blijken uit het omgevingsplan of uit de omgevingsvergunning waarbij die functie mogelijk wordt gemaakt.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als de aanwezige personen zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen. Bijvoorbeeld: een basisschool, gevangenis, woonfunctie voor 24-uurszorg. Voorbeelden van kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie en alle locaties waar grote evenementen of recreatief nachtverblijf voor meer dan vijftig personen plaatsvindt. Gebouwen en locaties zijn kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn: sportfunctie, kantoorfunctie, hogescholen. Alle overige gebouwen en locaties zijn beperkt kwetsbaar.

Rondom de kwetsbaarheid van de populatie buitenshuis is er een handleiding Omgevingsveiligheid mensen op buitenlocaties op 12 december 2019 gepubliceerd door de ‘Werkgroep Risico’s mensen buiten’ 3 . De handleiding wordt door de VRBZO gebruikt worden voor de advisering aan de gemeente, bij de voorbereiding, planning en uitvoering van activiteiten in de buitenlucht in de nabijheid van een risicobron.

In de Omgevingswet ontbreekt een dergelijk landelijk afwegingskader voor mogelijke maatregelen om de veiligheid voor mensen op buitenlocaties te verhogen, zowel voor kleine als grote incidenten met gevaarlijke stoffen. Mensen op buitenlocaties zijn niet beschermd door een gebouw en worden daarom blootgesteld aan meer warmtestraling, overdruk en hogere concentraties giftige stoffen. Bij het realiseren voor buitenlocaties waarbij beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare locaties wordt gerealiseerd dient er rekening gehouden te worden met eventuele attentie- en/of aandachtsgebieden. Om de afweging te maken of een ontwikkeling van een buitenlocatie veilig kan worden ingericht dient het ‘Stappenplan veiligheid mensen op buitenlocaties’, gepubliceerd in de ‘Handleiding Omgevingsveiligheid Mensen op Buitenlocaties’, versie 3.1, 12 december 2019, gebruikt te worden.

 

Bijlage 3 Borging van externe veiligheid bij besluitvorming

 

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Op basis van de beleidskeuzes die gemaakt zijn in dit programma externe veiligheid (zoals bij de verschillende gebiedstypes) dienen er gerichte regels opgesteld te worden rondom de omgang met externe veiligheidsrisico’s. Deze regels moeten landen in het omgevingsplan. Op basis van deze regels in het omgevingsplan kan vooraf bepaald worden of de desbetreffende activiteit of ruimtelijke ontwikkeling past in het voorgestelde plangebied. Deze omgevingsplanregels moeten ertoe leiden dat het externe veiligheid binnen de gemeente nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen of nieuwe vergunningaanvragen in een zo vroeg mogelijk stadium geborgd wordt.

 

Verantwoordingsplicht groepsrisico bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningverlening

Bij het realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling (binnen een aandachtsgebied) dient voor het milieuthema externe veiligheid een verantwoording groepsrisico4 geschreven te worden. Door gebruik te maken van het stappenplan uit hoofdstuk 5 komt men tot passende bescherming. De genomen maatregelen en de afweging hiervan moet worden onderbouwd in de ruimtelijke onderbouwing.

Op het moment dat er een aanvraag voor een omgevingsvergunning binnen komt zal het aspect Externe veiligheid ook beoordeeld moeten worden. Dit zal moeten gebeuren op het moment dat er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een nieuwe activiteit in een aandachtsgebied of wanneer er aan nieuwe activiteit wordt aangevraagd waarbij er nieuwe aandachtsgebieden, PR-contouren en/of veiligheidsafstanden worden gecreëerd.

 

Externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen

Iedere nieuwe gebiedsontwikkeling is anders. Een verantwoordingskader met generieke regels dat voor alle nieuwe ontwikkelingen geldt is niet waterdicht om standaard tot passende bescherming te komen. Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen in het aandachtsgebied wordt, conform de methodiek van de Omgevingswet, een intaketafel ingericht om via een integrale benadering consensus te bereiken over passende bescherming in het plangebied. Specialisten van verschillende relevante onderwerpen nemen deel aan de intaketafel, waaronder een specialist externe veiligheid. Ook is het belangrijk om de VRBZO te betrekken bij de intaketafel op het moment dat er een initiatief wordt ontwikkeld in het aandachtsgebied van een MBA met externe veiligheidsrisico’s. Op deze manier kan er in het voortraject al een inschatting worden gemaakt over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling in het aandachtsgebied. Om te bepalen wanneer en of de VRBZO wil aansluiten is er een ‘stappenplan Omgevingsveiligheid’ ontwikkeld door de VRBZO. Deze is bijgevoegd in bijlage 3.

 

De bouw (of uitbreiding) van een (nieuwe) risicobron

Bij het initiatief voor een nieuwe risicobron of uitbreiding van een bestaande risicobron, moet worden bepaald wat de omvang van het aandachtsgebied is. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van bijlage VII van het Bkl. Hierin staan vaste afstanden waar rekening mee gehouden dient te worden of wanneer deze afstanden berekend dienen te worden. Wanneer de omvang van het aandachtsgebied is bepaald, moet worden beoordeeld of het aandachtsgebied past in het omgevingsplan. Dit is het geval als de gemeente in het omgevingsplan ruimte heeft gereserveerd voor toekomstige MBA’s met externe veiligheidsrisico’s en aandachtsgebieden, zoals bij de gebiedstypes bedrijventerrein Intensief en buitengebied. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Ook het Rijk en de provincie hebben de mogelijkheid om via een projectbesluit direct aanpassingen te maken in het omgevingsplan.

 

De bouw van een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie

Bij het initiatief voor een (beperkt/zeer) kwetsbaar gebouw of locatie moet beoordeeld worden of de ontwikkeling past in het omgevingsplan. Passen betekent in eerste instantie dat het omgevingsplan de ruimtelijke ontwikkeling (bijv. woningen of een school) toestaat in het betreffende gebied. Daarnaast kunnen er voorwaarden zijn gesteld aan de bouw van het kwetsbaar gebouw op het gebied van bescherming, zoals bijvoorbeeld geldt voor het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen in een aandachtsgebied (voorschriftengebied).

Wanneer het omgevingsplan de bouw van het betreffende type gebouw toestaat, moet worden nagegaan of het gebouw in een aandachtsgebied is beoogd en of dit aandachtsgebied is aangewezen als voorschriftengebied. Het voorschriftengebied is altijd van toepassing voor zeer kwetsbaar gebouwen (zoals een ziekenhuis of kinderdagverblijf) wanneer deze in een brand- of explosieaandachtsgebied zijn voorzien.

Als het voorschriftengebied is aangewezen, betekent dit dat er bouwmaatregelen gelden voor het te bouwen gebouw (artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl, zie stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’). Wanneer geen voorschriftengebied is aangewezen, gelden voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties niet direct de aanvullende bouweisen. Wel dient het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ doorlopen te worden, hieruit kan alsnog volgen dat er aanvullende bouweisen (of andere maatregelen) gelden.

Naast de aanwijzing van een voorschriftengebied, kan het omgevingsplan andere doel- en of middelvoorschriften bevatten waaraan de initiatiefnemer moet voldoen om de vergunning verleend te krijgen. Wanneer de initiatiefnemer in zijn plan kan aantonen aan de voorwaarden uit het omgevingsplan te kunnen voldoen, kan de omgevingsvergunning worden verleend. Wanneer een initiatiefnemer een activiteit wil aanvragen die niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden beoordeeld of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan.

 

Externe veiligheid en vergunningverlening

Ook bij het verlenen van een omgevingsvergunning is het belangrijk om in een voorstadium een goede afweging te maken of de aangevraagde activiteit past binnen de bestaande bebouwde omgeving. Het toevoegen van een nieuwe MBA met externe veiligheidsrisico kan grote gevolgen hebben voor de omgeving. Conform de methodiek van de Omgevingswet wordt er een omgevingstafel ingericht om via een integrale benadering consensus te bereiken over ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ in het plangebied en of de aangevraagde activiteit wenselijk is. Deze omgevingstafel kent dezelfde structuur als de intaketafels, zoals deze worden georganiseerd bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Indien consensus bereikt wordt over het realiseren van een nieuwe MBA met externe veiligheidsrisico’s zal de vergunningaanvraag beoordeeld moeten worden door de vergunningverlener.

De instructieregels voor het beoordelen van de vergunningaanvraag staan in artikelen 8.7 t/m 8.25 Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). De gemeente kan de vergunning verlenen, weigeren of aanvullende maatregelen eisen (op basis van artikel 5.26 Omgevingswet en de instructieregels uit artikelen 8.7 t/m 8.25 Bkl). Daarnaast is het belangrijk dat het groepsrisico verantwoord wordt aan de hand van het stappenplan ‘‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’.

 

Rekening houden met Omgevingsplan

Bij het beoordelen bij een vergunningaanvraag wordt door de gemeenterekening gehouden met het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer de activiteit niet past binnen het omgevingsplan, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Het kan hierbij zowel gaan om de aanvraag van een vergunning voor een risicobron als van een (beperkt, zeer) kwetsbaar gebouw of locatie.

Als de activiteit past in het omgevingsplan, dient bepaald te worden of er een PR 10-6 contour en/of een aandachtsgebied is (vaste afstand uit bijlage VII Bkl of berekenen).

 

Actualiseren vergunning

Bij een nieuwe vergunning worden bestaande rechten in stand gehouden tenzij actualisatie nodig is. Artikel 5.38 Omgevingswet verplicht de gemeente om regelmatig de toereikendheid van de vergunning te bezien (actualiseren). Dit biedt de gemeente de mogelijkheid de vergunning te actualiseren wanneer deze bijvoorbeeld niet meer voldoet aan de laatste stand der techniek (artikel 4.22 lid 2 onder c). Met deze mogelijkheid kan de gemeentebronmaatregelen afdwingen om zo de bestaande of nieuwe omgeving te beschermen tegen eventuele effecten van een calamiteit bij een MBA met externe veiligheidsrisico’s.

 

Bescherming van bestaande bedrijven na vergunningverlening tegen de gevolgen van een veranderende omgeving

Alle activiteiten (dus ook nieuwe woonbebouwing) dienen te passen binnen de gestelde grenzen van het omgevingsplan (8.9, derde lid, Bkl). Wanneer dat niet het geval is, kan (door de gemeente) worden bekeken of de benodigde extra ruimte mogelijk te maken is door aanpassing van het omgevingsplan. Als er al een bestaand aandachtsgebied is zal het bevoegd gezag daar rekening mee moeten houden in de aanpassing van het omgevingsplan (5.3 en 5.15 Bkl).

Als het omgevingsplan wordt aangepast moet de Gemeente bij vergunningverlening aan een bedrijf rekening houden met het (aangepaste) omgevingsplan.

 

Bijlage 4 Gebiedsindeling gebiedstypes

 

 

 

 

 

 

 

Bijlage 5 Stappenplan Omgevingsveiligheid VRBZO

 

 

Collectieve advisering omgevingsveiligheid Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in het kader van art. 5.11 en 5.15 Bkl

 

  • 1.

    Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in een aandachtsgebied (brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) of attentiegebied wordt aangevraagd.

 

  • 2.

    Iedere activiteit, gebouw en evenement dat in de directe omgeving van een natuurgebied wordt aangevraagd.

    • Hier wordt nog nadere invulling aan gegeven.

  • 3.

    Initiatieven met betrekking tot het regionaal risicoprofiel, waaronder:

    • Windturbines;

    • Gevolgbeperking overstroming en klimaatadaptatie;

    • Evenementen;

    • Gebruik van gebouwen;

    • Voorkomen rookoverlast binnen-opslag en buitenopslag;

    • Risicocommunicatie;

    • Milieu.

  • 4.

    Initiatieven met betrekking tot de energietransitie (o.a. zonneparken, trafohuisjes, EOS, elektrische schepen, aanvullen) en nieuwe technieken/ technologieën/activiteiten waarvan risico’s m.b.t. fysieke veiligheid en gezondheid nog onbekend zijn;

  • 5.

    Basisadvisering repressieve voorzieningen: De veiligheidsregio wil adviseren bij alle objecten waarbij afgeweken wordt van de uitgangspunten uit de ‘Adviesleidraad bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid’5 en/of de ‘bruidsschatregels’ ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Bij de overige ontwikkelingen dient de handreiking te worden overgenomen en kan advies worden gevraagd bij de veiligheidsregio.

    Daarnaast wil de veiligheidsregio adviseren over repressieve voorzieningen die worden geplaatst bij (complexe) gebouwen die het brandweeroptreden mogelijk moeten maken. Dit geldt in ieder geval voor de volgende objecten:

    • Gebouwen hoger dan 20 meter;

    • Gebouwen met meervoudig ruimtegebruik (bijv. woongebouw boven tunnel of parkeergarage);

    • Gebouwen met een inzetdiepte van meer dan 60 meter.

Ontwikkelingen die invloed hebben op bereikbaarheid voor hulpdiensten, zoals publieks- en/of verkeer aantrekkende voorzieningen (bijv. een evenemententerrein, een schouwburg, scholen, bioscopen, stadion, de grotere stations voor openbaar vervoer, evenementenhal, etc.), bouwwerkzaamheden en/of tijdelijke of permanente wegafsluitingen;

 


1

De kernwaarden vormen input voor de omgevingskwaliteit ‘veilige fysieke leefomgeving’. Het zijn (ontwerp)principes of de kaders waarmee de fysieke leefomgeving zo veilig mogelijk kan worden ingericht. In het Omgevingsplan kunnen daar vervolgens planregels en omgevingswaarden aan gekoppeld worden. Op deze manier wordt veiligheid een thema waarover aan de voorkant wordt nagedacht.

2

Dit zijn o.a. waterstof en/of LPG-tankstations, de voormalige BEVI-inrichtingen, propaantanks, PGS15-opslagvoorzieningen en Seveso-inrichtingen (voorheen de BRZO-inrichtingen)

3

Deze werkgroep bestaat uit afgevaardigden van de Brandweer NL, GGD/GHOR en Omgevingsdiensten

4

Hierbij wordt passende bescherming aangetoond middels het stappenplan ‘afweging groepsrisico binnen aandachtsgebieden’ zoals beschreven in hoofdstuk 5.

5

https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2023/12/Interregionale-Adviesleidraad-bluswatervoorziening-en-bereikbaarheid.pdf

Naar boven